logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

dimmu_borgir_01...
Kim Deal - De R...
Nick Nyffels

Nick Nyffels

Sebadoh heeft een trouwe aanhang in België, en ook al heeft de band sinds 1999 geen album meer uitgebracht, toch kwam er veel volk af tijdens hun vorige passages in de Handelsbeurs, en op de DOK-arena in 2011, de dag na de grote Pukkelpopstorm, waar ze gratis op een geïmproviseerd podium speelden, en daarna zelf hun instrumenten in hun camionette inlaadden. Na 14 jaar, is er terug een nieuwe plaat, ‘Defend yourself’, en dus speelden Lou Barlow en Jason Loewenstein, met de nieuwe drummer Bob D’Amico in de Orangerie.

In de jaren negentig, konden de concerten van Sebadoh soms tenenkrullend slecht zijn, met een Lou Barlow die minutenlang zijn gitaar niet gestemd kreeg, sinds de reünie in 2007 is dit allemaal in de plooi gevallen, omdat de band een slimme oplossing gevonden heeft voor de vele instrumentenwissels: Lou en Jason nemen om beurten de zang en gitaar op zich, terwijl de andere de baspartijen op zich neemt, zodat het concert uit stukken van een kwartier tot twintig minuten bestaat en de vaart niet onderbroken wordt. Als er toch nog gestemd moet worden, speelde de drummer en de bassist van dienst gewoon kleine intermezzi, in de stijl van de little ditties die we van Primus kennen.

Het concert was heel erg punk vanavond, luid, veel ritmiek, bij wijlen slordig maar altijd rechtdoor. Er kwamen een aantal nieuwe nummers aan bod, die heel dynamisch klonken, maar die net minder sterke hooklijnen hadden dan de klasbakken uit ‘Harmacy’, ‘Bubble & Scrape’ en ‘Bakesale’, die vanavond de hoofdbrok vormden van de set.
Jason Loewenstein’s stem was kapot vanavond, in zijn beste nummer , het punky “Careful’, had hij moeite om boven de muur van geluid uit te komen, en ook in de andere nummers kon je duidelijk horen dat de stembanden vermoeid en in de hoogte beperkt waren. Niettemin, de nummers uit ‘Bakesale’ konden op veel nostalgische goedkeuring rekenen van het Brusselse publiek: “Not too amused”, of het door Barlow gezongen trio “Magnet’s coil”, “Skull” en “On the rebound” behoren tot het collectieve geheugen van iedereen die in de jaren negentig met indie-muziek bezig was.  Barlow, met een taliban-baard waar E van Eels ooit nog het handelsmerk op had, stopte veel energie in de set, bijvoorbeeld in het korte en punky “License to confuse”, maar ook in zijn energiek, maar slordige basspel wat ook de laatste jaren bij Dinosaur Jr. zijn nieuwe stijl geworden is. Barlow heeft niet altijd de volledige controle over zijn spel, maar dat heeft dan weer al voordeel dat een set van Sebadoh nooit het zelfde klinkt. Hoogtepunten vanavond zaten aan het einde, met een prachtig “Beauty of the ride”, met een melodie die zich als een weerhaak in je schedel vastzette, “Soul and fire” uit “Bubble and scrape” en het melancholische “On fire”.

De Botanique kreeg vanavond ruim waar voor zijn geld, met een set van ruim anderhalf uur met veel dynamiek en drive, waarin het enige minpunt de stem van Loewenstein was. Een kopje lindethee en vroeg naar bed, zou dokter indierock zeggen.

Organisatie: Botanique, Brussel

Ik heb iets met Japan, zijn mensen en zijn cultuur,  die vreemde mengeling van traditionele waarden en hoogtechnologische samenleving, die heel veel Westerse invloeden omarmt, maar daar een heel eigen twist aan geeft, en die voor ons toch altijd ondoordringbaar en lichtjes bizar blijft: waar eten ze nu bijvoorbeeld rauwe vis, gepekelde groenten en gefermenteerde bonen als ontbijt, waar hebben de toiletten een verwarmde bril en sproeikoppen, en waar begon een fenomeen als ‘Cosplay’, je verkleden en leven als een manga-personage? Juist, Japan.

Eind de jaren zeventig, begin de jaren tachtig, stak punk de Stille Oceaan over, en bereikte die ook het land van de rijzende zon. Twee zusjes, Naoko en Atsuko Yamano, en hun vriendin Michie Nakatani, waren gek op The Ramones, en richtten in 1981, in Osaka, Shonen Knife op, een pop-punk powertrio dat meer dan dertig jaar later nog altijd bestaat. In de jaren negentig werd Shonen Knife plots de lievelingen van de alternatieve scene, zo mochten ze onder meer het voorprogramma van Nirvana doen, en nu zijn ze terug. Van de originele bezetting blijft enkel nog Naoko Yamano over op gitaar, in 2009 kwam Ritsuko Taneda er bij op bas, terwijl de huidige drumster Emi Morimote Shonen Knife in 2011 vervoegde. 
Het is ook in deze bezetting dat Shonen Knife in 2011 als Osaka Ramones een volledige Ramones-coverplaat uitbracht. Vorig jaar kwam hun nieuwste plaat uit, ‘Poptune’, die ze vanavond in Opwijk kwamen voorstellen.

De Nijdrop was aardig gevuld vanavond, zowel jong als oud, punk en metalhead, wou dit Japans powertrio wel eens aan het werk zien.  Zo rond halftien klonk de intromuziek, en Shonen Knife maakte een spectaculaire intrede: de drie dametjes, nauwelijks een meter vijftig groot, alle drie in mouwloze Yves Saint-Laurent sixties Mondriaan-jurkjes , zwarte Shonen Knife polsbandjes, gingen wijdbeens op het podium staan en staken hun Shonen Knife-sjaaltjes boven hun hoofden, om daarna een traditionele Japanse buiging te maken.
Shonen Knife omgordde de instrumenten, en vroeg het publiek : “Konichiwa, are you ready to rock?”, wat meteen ook het eerste nummer was van een set die er aan Shinkansen tempo van door ging, The Ramones indachtig. Bassiste Ritsuko stal de show vanavond, alle rock en metalposes haalde ze van stal, inclusief het duivelsteken met pink en wijsvinger: iedereen in het publiek had een brede glimlach op het gelaat door zoveel enthousiasme: ook de simpele, bijna idiote songteksten deden iedereen grijnzen: zangeres Yamano vroeg in grappig Engels of we snoep lustten, waarna de tekst van Banana chips als volgt ging: “Banana chips for you!
Banana chips for me! In the afternoon, banana chips and tea”.
Vergeleken met Shonen Knife waren The Ramones intellectuelen. Een echt vuil punkgeluid heeft Shonen Knife niet, het is eerder Powerpop met punk-attitude; geïnspireerd door de girl bands van de jaren zestig: stel je voor dat The Ronettes nummers van The Ramones zouden spelen, en je komt aardig in de buurt van hun sound. Naoko was blij dat ze voor het eerst in “Opwiek, Opwijk Rock City” mocht spelen, en zette daarna “Osaka Rock City” in. Ook drumster Emi mocht een nummertje zingen: “ I am a cat” bracht ze met zoveel overtuiging en lachebekjes dat het enthousiasme oversloeg op het publiek.
Natuurlijk mochten The Ramones ook niet ontbreken vanavond: we werden getrakteerd op “Rockaway beach”. Vervolgens vroeg Naoko of er in Opwijk een Sushi bar was, waarna de volgende onvergetelijke songtekst volgde: “Sushi sushi sushi bar.
Going to a sushi bar. Suuuushiiiiiii! Sushi sushi sushi bar. Going to a sushi bar.” Hilarisch en geniaal. Ook het typische Japanse instituut van de onsen, het publieke badhuis, kreeg een gepaste ode, volledig met sixtiesgitaarklanken en de volstrekt geflipte tekst:” I like public baths, i like public baths, baths are very good for my body. I’m looking forward to eat ice cream after my bath time”.

Shonen Knife was vanavond onvergetelijk, bizar en grappig, een optreden waarvan je een week later nog altijd met een glimlach op je gezicht rond loopt.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Polaroid Fiction - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4140
Shonen Knife - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4139
Organisatie: Nijdrop , Opwijk

Cactusfestival 2013 - zondag 14 juli 2013 – Topdag voor Belgisch Erfgoed!
Cactusfestival 2013
Minnewaterpark
Brugge

Of het aan het schitterende weer, of aan de Belgische top line-up, met SX, Balthazar en dEUS, lag, weten we niet, maar in ieder geval kon Cactus op dag drie het bordje Uitverkocht ophangen, met lange rijen aan de ingang tot gevolg, en een Minnewaterpark waar het toch wel even zoeken was naar een plaatsje om je neer te vlijen. De organisatie zal bijzonder blij geweest zijn na de uitgeregende weekend van vorige editie, waar afsluiter  Yeasayer enkel de die-hards waaronder Bibi kon verblijden met hun derde, maar onderschatte album ‘Fragant World’, terwijl het typische zonzoekende en kroostrijke Cactus-publiek al lang droge kleren was gaan opzoeken.

Prachtig weer dus, ideaal voor een ijsje of een mojito, en terwijl iedereen van de zon aan het genieten was, mocht Portico Quartet, een Engels, jawel viertal, de soundtrack verzorgen. Op het wereldwijde web wordt dit instrumentale gezelschap veelal in de jazz-hoek gecatalogeerd, wat ook wel logisch is als je Quartet in je groepsnaam opneemt, maar het is niet omdat je toevallig sopraan en tenorsaxofoons aanwendt, dat je daarom het jazz-etiketje moet opgeplakt krijgen.
Wij hoorden eerder live gespeelde, instrumentale elektronica: het begon traag, met soundscapes en ruis à la Trentemöller, luistermuziek die wat aan het zonnende Cactuspubliek voorbij ging, maar dan vielen er sub-bassen in à la James Blake, zonder dat het ooit zo ontoegankelijk en experimenteel werd als bij deze boomlange Brit . (Sorry Een journaal, maar als je Blake op Werchter verstilde schoonheid toedicht, dan heb je duidelijk maar een nummertje meegepikt, zonder oordoppen was die niet te doen).
De klankkastarme contrabas werd zowel als rollende bas en als strijker aangewend en het hoge geluid van de sopraansax deed mij bij momenten terugdenken aan Tanita Tikaram (hoewel die een hobo gebruikte op haar succesnummers). Na een halfuur probeerde Portico Quartet een clubsfeertje op te bouwen, de beats per minute schoten de hoogte in, en we kregen elektronica zoals Thom Yorke die samen met Modeselektor maakt, maar het publiek reageerde amper. In een donkere clubtent zou dit een stuk beter gewerkt hebben, misschien was het ook omdat er op het podium weinig gebeurde, een aantal gastzangers of danseressen zou misschien geholpen hebben om een festivalpubliek beter te bespelen. 
Wij vonden het heel goed, zeker naar het einde toe, toen ze ook een gitaar in de strijd gooiden, en ze naar een mantrale climax toewerkten.

Kortrijk outrockt Gent geweldig tegenwoordig, en SX kreeg vandaag een mooie plaats op de affiche na hun Cactusdebuut vorig jaar. Toen moesten ze nog naar Amerika vertrekken om hun debuut ‘Arche’ op te nemen, nu was het drummen op de planché vóór het Cactuspodium. Zangeres Stefanie Callebaut stond centraal achter de keyboards onder de gouden ‘Arche’-bol, drummer Jeroen Termote links (opvallend veel acts hadden hun drums daar gezet vandaag) en Benjamin Desmet op gitaar en keyboards stond rechts.
Sx begon goed, met de single “Gold”, maar al gauw verknoeiden de te luide bassen  het optreden: de op de jaren tachtig geënte synthpop verloor zijn pracht door bassen die zelfs op 25 meter van het podium nog windverplaatsing in je oren veroorzaakten. Callebaut headbangde er stevig op los, maar de publieksreactie volgde niet, behalve dan in de singles “Black video” en “Graffiti”.  De groepssound van Sx is normaal subtiel, maar ook wat afstandelijk, misschien dat dit ook wat speelde. Wellicht was Sx ook niet volledig tevreden over het geluid, in ieder geval kwamen ze niet terug voor een bisnummer, hoewel daar nog ruim de tijd voor was.

De Zweedse Bob Dylan met punk-attitude, ofte The Tallest Man On Earth, mocht daarna het Cactuspubliek overtuigen, gewapend met zijn stem en een batterij gitaren. Als je als solo-artiest een volledig festivalwei kan entertainen, dan heb je veel charisma en goeie songs, anders red je het niet. Kristian Mattson heeft beide, met een sardonische grijns opende hij zijn set met “King of Spain”, gevolgd door “Love is all”. Net als Jake Bugg brengt hij een actuele update van de jonge Bob Dylan, met heel sterke nummers uit zijn albums ‘The wild hunt’ en ‘There’s no leaving now’. Het hoge tempo van de eerste twee nummers wist hij niet aan te houden, maar pareltjes genoeg zoals “1904”, “Revelation Blues” en “The Wild hunt”, en als afsluiter  “Graceland” van Paul Simon er boven op.

Het was weer dringen voor de volgende Belgische band , het Kortrijkse Balthazar. Zelf ben ik niet altijd gepakt door de zangstem van Maarten Devoldere, die het grootste deel van de zang voor zich neemt, maar Balthazar heeft minimaal acht à negen sterke nummers, en er zijn maar weinig bands die dat presteren met nog maar twee albums op hun conto.
Live zijn ze ijzersterk, heel strak, dikwijls groots, enfin, perfect voor de festivals.  Balthazar begon met de grootse samenzang van “Lion’s mouth”,  a la Arcade Fire, en dan volgden “The boatman”, “The oldest of sisters” dat van Alex Turner van Arctic Monkeys had kunnen zijn, “Blood like wine”, waarin de muziek stopte, alle bandleden “Raise your glass” bleven zingen en hun instrumenten de lucht in staken. Kippenvelmomentje, net als in “Shinking ship”  met zijn mooi contrast tussen de vermoeide zang en de opgewekte melodie die er op volgde. Afsluiten deed Balthazar met “Do not claim them anymore”, met die fantastische riff die het nummer op gang trekt. Balthazar heeft op alle Werchter formules gestaan dit jaar, en ook op Cactus bewezen ze een van de beste Belgische livebands te zijn.

Na het Belgische geweld was er verrassend veel volk voor Beach House, die het genre van de droompop heruitgevonden hebben en ondertussen veel navolging gekregen hebben.  Droompop was er altijd al, denk maar aan Cocteau Twins of Mazzy Star, maar als genre met een list aan groepen die hun muziek onder deze noemer presenteren , is het toch iets van de laatste drie jaar. Visueel was er niet zoveel te beleven op het podium, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door de muziek, die hoofzakelijk uit de twee laatste albums kwam, ‘Bloom’ (2012) en ‘Teen Dream’ (2010).
Live hebben Alex Scally en Victoria Legrand ook een drummer mee, die ook weer links op het podium stond, en dikwijls de paukenstokken bediende,  zo de subtiliteit van de nummers versterkend.  
Beach House begon er aan met “Wild”, met zijn Ennio Morricone sixtiesgitaarmotief. Beach House gaf ons de Duyster classic “Silver Soul”, het voor het Minnewaterpark toepasselijke “Walk in the park”, en het in al zijn eenvoud prachtige “Zebra”. 
De finale kwam er met “10 mile stereo” en het uitdeinende, aan Sigur Ros en My Bloody Valentine refererende “Irene”.  Het is altijd afwachten hoe de droompop van een band als Beach House op een festival zal onthaald worden, maar dit werkte heel goed op een zwoele valavond.

Iedereen was natuurlijk gekomen voor dEUS, die daarvoor nog nooit op Cactus gespeeld hadden: van de lange als de korte bar was er geen doorkomen meer aan. dEUS 3.0 (met Gevaert, Pawlovski en Misseghers) is een geoliede rockmachine, die er live altijd staan, in tegenstelling tot de vorige incarnaties, waar het dikwijls er op of eronder was, en dikwijls eronder.
 Alleen op de grote podia zoals die van Werchter lukt het niet altijd om de dEUS groove over te brengen, vandaar wellicht ook dat Barman verklaarde dat de kleine festivals, zoals Cactus, de toekomst zijn. dEUS laatste plaat, ‘Following sea’, was al meer dan een jaar uit, dus we verwachtten geen nieuwe nummers en het was dus de vraag of de show vanavond geen doorslagje zou zijn van de shows die we een jaar geleden gezien hadden. Het antwoord kwam al snel, met een vertimmerde en heftige opener  “The architect”, dat altijd wel een opener is op de dEUS shows, maar hier toch een andere gedaante kreeg dan vroeger. Dit zou de constante zijn van de avond, alle bekende nummers kregen een iets andere uitvoering, wat het spannend maakte.
Wat ook opviel vanavond was hoe dEUS  3.0 geen Barman soloshow is, maar een hechte band waarin iedereen zijn nummers heeft om op de voorgrond te treden: zo mocht Alain Gevaert de zang voor zich nemen in “Constant now”, terwijl in andere nummers Klaas Janzoons de zang deed. “Instant street” werd door Barman volledig op elektrische gitaar gespeeld, waar hij vroeger begon op akoestische gitaar en midden in het nummer een gitaarwissel inlaste. Dit nummer was het teken voor een kleine groep licht aangeschoten mannen naast mij om een kleinschalige pogo in te zetten,
”no feet were hurt in the process”. De gitaaruitbarsting op het podium kwam echter niet bij “Instant street”, maar wel bij het daar op volgende “Fell of the floor man”. Daarna kreeg “Little Arithmetics” een elektrische bewerking, met licht andere keyboard en gitaarlijnen.
We zaten ondertussen een dik halfuur in de set, tijd dus om wat gas terug te nemen met het gerapte “Girls keep drinking” en het Franstalige “Quatre mains”. Dan was het tijd voor mijn persoonlijke dEUS 3.0 favoriet, “Sun Ra”  waarin Mauro met zijn van de pot gerukte souldiva geschreeuw de nachttrein op gang trok. Daarop kreeg een andere jazzgrootheid, Charles Mingus, een ode door middel van “Theme from Turnpike”, waarop een gebald “Nothing really ends” het rustpunt was voor een verschroeiende finale: “Bad timing” was het sein voor mijn buren om weer een zatte pogo in te zetten, en toen de eerste noten van “Roses” weerklonken , was het kot (Park) te klein tot ver voorbij de lange bar. “Suds & soda” deed Cactus finaal ontploffen, zelfs de takken van de bomen begonnen heftig over en weer te zwaaien, de groendienst van de stad Brugge zal zich de passage van dEUS nog lang herinneren.

Dag 3 van Cactus was een absolute topdag, met de Belgische bands (Balthazar en dEUS) die heel sterk uit de hoek kwamen, het Rode Duivelsgevoel achterna.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/cactusfestival-2013/

Organisatie: Cactus Club, Brugge (Cactusfestival, Brugge)

Couleur Café 2013 - vrijdag 28 juni 2013 - Regen tempert toch enigszins de sfeer op dag één
Couleur Café 2013
Tour & Taxis
Brussel

De festivalzomer wordt traditioneel  afgetrapt met Couleur Café. De organisatie was uitermate tevreden dat dit weekend ruim 82000 bezoekers waren afgezakt naar Tour & Taxis voor de 24stre editie van Couleur Café. Een absoluut topjaar!
Het wereldmuziekfestival staat al jaren garant voor een sfeervol en kleurrijk multicultureel, meerdaags festival; een mix van muziekgenres uit alle windstreken, een gemoedelijke sfeer, en niet te vergeten fijne randanimatie, dans(workshops), geschminkte kindersnoetjes,  fanfares, verfrissende cocktails en een fantastische ‘Palais du BienManger’ (met meer dan 50 world food keukens) om U tegen te zeggen .

Verder werd echt naar gestreefd om toch zo toch zoveel mogelijk aan moeder Aarde te denken met biologisch afbreekbaar afval.

En op de koop toe een spectaculair vuurwerk … Doe het hen maar na …

In de kleurrijke affiche waren een reeks toppers te noteren , die een diverser, breder en ook jong publiek voor zich wisten te winnen.
Een ontspannend , relaxt gevoel , tropische gezelligheid, een goede vibe, samenhorigheid , solidariteit en de zin voor feestje(s) bouwen zijn sterke ingrediënten.

Veel jongeren kwamen nu de eerste examenstress van zich afschudden. Terwijl wij ons door de vrijdagavondspits werkten, mochten The Congos het hoofdpodium openen. Tegen dat we een parkeerplaats gevonden hadden en op de Tour & Taxis site aangekomen waren, was Trixie Whitley in de Univers tent ook al door de hoofdmoot van haar optreden, we konden nog net inpikken bij “Need your love”. dEUS – bassist Alan Gevaert deed mee vanavond, zij het met een hand gedeeltelijk in de plaaster en Whitley wist te overtuigen met het bereik van haar stem en de stevige gitaarsound: Anna Calvi heeft er een Amerikaans/Belgische tweelingzus bij.

Aloe Blacc, de Californische neo-soulman, is momenteel nog aan zijn derde album aan het schaven, en of hij vanavond veel nieuwe nummers bracht weten we niet, maar dat hij het beste optreden van de eerst festivaldag gaf, dat weten we wel. Zijn begeleidingsband, een bende blanke snuiters, haalde niet het niveau van bijvoorbeeld The Dap Kings , en het geluid op het grote Titanpodium was ook niet altijd perfect, maar de stem en het charisma van Aloe Blacc compenseerden dat ruimschoots. Blacc deed ons het fileleed vergeten met “No traffic jam”, nam ons daarna mee naar “Downtown”, en we konden het alleen maar volmondig beamen toen hij “You make me smile” bracht. Aloe Blacc bracht soul, maar vergat ook zijn hiphopverleden niet. Hij nodigde het publiek uit tot dansen, zoals in het Afro-Amerikaanse tv programma ‘Soultrain’ en zijn band zette een jam in.  Na “Love is the answer” en “Make me young”, was het tijd voor Blacc zijn twee hitsingles: “I need a dollar” werd op een luid herkenningsapplaus onthaald door de jonge meisjes die rond mij stonden, en nodigde iedereen uit om foto’s van zichzelf met Blacc op de achtergrond te nemen, waarna “Loving you is killing me” Amy Winehouse in herinnering bracht. Een topoptreden van deze erfgenaam van Sam & Dave.

Tijdens het optreden van Blacc begon het te druppelen, en de regen zou vanavond alleen maar verergeren, wat toch wel een domper zette op de zomerse sfeer die Couleur Cafe toch nodig heeft. Gelukkig waren er de exotische eetstandjes in de overdekte hal van Tour & Taxis,  die bijna even belangrijk zijn als de bands die Couleur Café presenteert: iedere etnische groep die Brussel rijk is was hier present, culinaire ontdekkingen uit de vier windstreken met standjes uit onder meer Tibet, Congo,Japan, Togo, Kameroen, Colombia of Jamaica, om er maar een paar te noemen.

Nneka, de Duits-Nigeriaanse zangeres, moest ook met de regen afrekenen. We zagen ze in 2010 al eens op Couleur Café, ze was minder militant dan toen, geen aanklacht tegen de corrupte Nigeriaanse politici deze keer, maar wel de gekende mix van hiphop, soul en reggae, met als toetje het hitje “Shining star”. Nneka had een gitaar zonder klankkast mee, in haar akoestische nummers zakte haar set wat in, maar een integere en spirituele dame is ze zeker.

De regen dreef ons terug naar de beschutting van de Univers tent, waar de Fransen van Skip the use de tent in lichterlaaie aan het zetten waren. We begrepen eigenlijk niet goed waarom, de Franse punkrockers rond zanger Mat Bastard, hadden veel présence, maar weinig goeie songs, en brachten een onwaarschijnlijk slechte mix van Amerikaanse punkpop, electro, Bloc Party, en godbetert Boysbandmuzak. Denk Foster the people, maar dan zonder de goeie composities. In Frankrijk slaan ze soms wel eens de bal mis bij het ondersteunen van de locale scene.

Wij dus naar het Move podium, voor La Makina Del Karibe, en dat was stukken beter. Dit Colombiaans zestal speelt Latino muziek die op de heupen mikt, maar meer is dan het behang voor je Caribische cocktailparty. Dus naast de vele papi-kreetjes, kregen we ook een heel interessante mengvorm tussen latino en Afrikaanse rumba: de gitaarloopjes klonken heel Afrikaans, en er zat ook een heel erg hoge en afwijkende fluittoon in de mix, een beetje zoals de electrische satongé, de eensnarige gitaar die ze bij Staff Benda Bilili zaliger gebricoleerd hadden.

Couleur Café programmeert ieder jaar wel een commerciële publiekstrekker, drie jaar geleden was dat Snoop Dogg. Dit jaar kregen we Wyclef Jean, ex-Fugees. De man heeft zich de laatste jaren vooral als presidentskandidaat voor Haïti en als producer geprofileerd, het was al een tijdje geleden dat we nog een noemenswaardig album van hem hoorden passeerden. Onze lage verwachtingen werden spoedig bevestigd: heel vroeg in de set deed Wyclef’s ode aan Bob Marley pijn aan de oren, zijn zangstem is toch wel heel beperkt in “911” meende hij dat het nodig was om Jimi Hendrix gewijs een gitaarsolo achter het hoofd en met de tanden te brengen en verder bracht hij een medley die we van Les Truttes op de Bierfeesten wel kunnen appreciëren omdat die het zo verdomd professioneel kunnen brengen, maar die hier totaal niet in verhouding stond tot de ongetwijfeld stevige gage die Wyclef Jean hier kwam opstrijken voor een medley die Studio Galaxie met veel meer soul en gevoel door de boxen doet spatten: als je op tien minuten een hees “Guantanamera”, een flard  “Fugee La”, “, House of Pain’s “Jump around”, Nirvana’s “Teen spirit” en Shakira’s “Hips dont lie” hoort passeren, en Jeanke hoort beweren dat hij materiaal voor zes uur heeft ipv de zestig minuten die hem maar toebedeeld werd, denk je “Gast, speel eens een volledig nummer”. En van Marley’s “Redemption song” moet je afblijven, ook al kom je uit Haïti.

We hadden veel verwacht van Neneh Cherry & Rocket Numbernine, maar de regen bleek een grote spelbreker. Wij hadden ons geposteerd onder de gaanderij, maar zelfs daar drupte de regen door het geklasseerde dak . Cherry, negenveertig  en  grootmoeder, droeg nog altijd haar baskettrainers zoals in de late jaren tachtig, maar liet vanavond al haar hits liggen: geen “Buffalo stance”, geen “Manchild” of “Seven seconds”, maar wel partituren op een katheder, en een drummer en keyboard speler die vrij donkere triphop meets jazz brachten, waarbij Cherry’s stem in de zachtere passages niet altijd even stevig klonk. Op plaat is het wellicht superspannend, in de trant van Massive Attack, maar de regen die nu met bakken uit de hemel viel, joeg het publiek weg, zodat er op het einde maximaal nog 100 man voor het Move podium stonden.

De eerste avond werd afgesloten met een Faithless DJ-set van Sister Bliss en een over de nummers rappende Maxi Jazz, in Faithless klassiekers als “We come one” was er wel een goeie respons, maar het was toch niet meer de Faithless die ooit kleine aardbevingen veroorzaakte op Werchter. Daarvoor regende het wellicht te hard in de bekers bier of de mojitos en was de Tour & Taxis vlakte in een modderpoel herschapen. Wij waren toe aan droge kleren, gelukkig zou het de rest van het Couleur Café weekend beter weer zijn.

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/fotos/couleur-caf-2013-10/

Organisatie: Couleur Café / co ZigZag, Tour & Taxis, Brussel    

Les Nuits Botanique 2013 – CocoRosie - In het hiernamaals met CocoRosie
Les Nuits Botanique 2013

Het Koninklijk Circus was aardig vol vanavond voor CocoRosie, die er hun nieuwe en vijfde album, ‘Tales of a grass widow’ kwamen voorstellen. Drie jaar geleden zagen we de zussen Casady op dezelfde plek met hun vorige album ‘Grey Oceans’, en blijkbaar hadden Sierra en Bianca geen zin om nieuwe paden in te slaan: net zoals drie jaar terug had de liveband uit een beatboxer, een keyboardspeler en ook  Valgeir Sigurdsson (de producer van ‘Tales’) was erbij.

Excentrieke podiumpersonaliteiten zijn de zussen nog altijd, de dames hadden hun snorretjes deze keer achterwege gelaten, maar zagen er daarom niet minder eigenzinnig uit: beide droegen ze een soort tuniek, Sierra stond op blote voeten op de planken, en Bianca had op haar rastafari-paardestaart die ver over de 100 cm aftikte, een LED-kerstboom geplaatst die in de donkere concertzaal voor een sprookjesachtig effect zorgde.
Terwijl Bianca visueel de show stal, was het toch vooral Sierra die de leidster is van de band; als harpiste stond zij centraal op het podium, terwijl de introverte Bianca heel veel moeite deed om zich zoveel mogelijk weg te cijferen in het uiterste hoekje van het podium. De set vanavond was evenwichtiger dan drie jaar geleden, zowel de beatboxer als operasopraanzang van Sierra werden  heel functioneel aangewend; drie jaar geleden klonken deze typische CocoRosie componenten dikwijls geforceerd, nu stonden ze volledig in dienst van de songs. Het spectrum van emoties die de Casadys vanavond op podium vertolkten was ook ruimer dan vroeger: naast de donkere nummers vol vervreemding, ondersteund door videobeelden van droevige clowns, de ultieme arche-types van dit gevoel, kregen we ook nummers in een compleet ander spectrum:  levensvreugde en plezier maken anno 2013 zeker deel uit van het universum van CocoRosie: Sierra huppelde vrolijk de hele plankenvloer rond.
Hoewel de zussen bij hoog en laag zweren dat ze door weinig andere artiesten beïnvloed worden, hadden ze voor hun live-act vanavond de mosterd bij The Flaming Lips gehaald: camera’s op je microstatief monteren en die beelden projecten is een truukje dat ze bij Wayne Coyne en de zijnen gehaald hebben. Ook Madonna was een inspiratiebron vanavond: na een enthousiast onthaalde solo demonstratie van de beatboxer , wat diende om een kostuumwissel in te lassen, kregen we een veel sexier maar voor mannen ongemakkelijke CocoRosie show: een balletdanseres in witte tutu mocht even opdraven en kroop krols over het podium, net zoals Madonna ooit de MTV Awards op stelten zette met “Like a virgin”. Sierra zette een feministisch statement neer met haar nieuwe outfit: met haar hoge gouden hakken, een doorkijk zwarte kanten legging en een fluogeel jurkje die haar poep nauwelijks bedekte, afgetopt met een sjaal leek het wel of er een “animatiemeisje” van de Rue d’Aarschot op de planken van de opera stond vanavond: de boodschap was duidelijk: vrouwen hebben recht om vrij hun identiteit te uiten. CocoRosie vertelde ooit dat veel mannen zich geen houding weten aan te nemen in hun gezelschap, en we kunnen daar vanavond heel goed inkomen: een interview met deze artistieke dames is wellicht geen pretje, maar dit terzijde.
De meeste nummers vanavond kwamen uit het nieuwe album, met als sleutelmoment de single “After the afterlife”. Weinig bekende nummers, geen “Japan” , “Rainbowwarriors” of “Terrible angels”, als toegift kregen we wel nog “Beautiful boyz”, dat zonder Antony heel anders klonk.

In 2013 maakt een band zoals The Knife wellicht spannender platen dan CocoRosie, maar live stonden deze Weird Sisters er toch maar weer, en ze krijgen daar nog altijd warme erkenning door van hun trouwe fans.

Pics homepag Xavier Marquis

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

Les Nuits Botanique 2013 – Roscoe - Two Gallants ( erg goeie nummers, maar vergeten het in een vloeiende set te smeden!)
Les Nuits Botanique 2013
Botanique (Chapiteau)
Brussel

Het was verlengd weekend, maar het weer was niet echt schitterend geweest, dus waarom niet op zondagavond naar Les Nuits voor een goed concertje in de beschutting van de Chapiteau-tent?

Het Luikse Roscoe is een Waalse band die voor ons part in Vlaanderen veel meer aandacht mag krijgen. Dit vijftal stelde zijn album ‘Cracks’ voor, dat overal heel goed onthaald werd, en wij waren ook verkocht. We zien af en toe wel Waalse bands in de Botanique staan, en meestal zijn die een stuk minder dan de bands uit het noorden van het land, maar bij Roscoe is dat zeker niet het geval. Een volle sound, sterke nummers, veel afwisseling, kortom, goeie alternatieve rock die er staat als een huis.

Two Gallants,  zijn een folk/rock duo uit San Francisco, en brachten vorig jaar na vijf jaar pauze hun vierde album ‘The Bloom and the blight’ uit. Adam Stephens neemt de zang en gitaren voor zijn rekening, terwijl Tyson Vogel de vellen van zijn oversized drumstel teistert. Je denkt dan onmiddellijk aan The White Stripes of The Black Keys, maar Two Gallants doen iets compleet anders met de beperking van het rockduo: dit is veel meer folkrock dan blues- of garagerock, en hoewel de speelstijl veeleer rauw is, ligt de nadruk op melodie in de songs, eerder dan op het neerzetten van een groove.

Stephens begon vanavond met zijn Gretsch-gitaar (dat denk ik toch gezien te hebben van aan de PA, niet dat ik zo een gitaar-expert ben), en dat is altijd een goed teken, we hebben nog geen enkele gitarist gezien die die gitaar gebruikt die slechte nummers brengt, denk maar aan Richard Hawley). Stephens zang was vrij hoog, maar om Alex Callier te citeren, wel met een ‘grain’, die karakter aan de zanglijnen gaf. De man zijn stem deed mij denken aan Feargal Sharkey of één van de zangers van de Britse indie rootsrockers Gomez.
Two Gallants waren nog maar net uit de States toegekomen, en misschien zaten ze nog met jetlag, in ieder geval sputterde de machine vanavond een beetje, door de vele pauzes tussen de nummers bij het wisselen van de vele gitaren die Stephens meegebracht had. Het positieve aan die vele instrumentenwissels was dan weer dat Two Gallants nooit eenvormig of eentonig klonk, ondanks de beperking van het duo. Ook Vogel legde veel inventiviteit in zijn drumspel, met onder meer gebruik van maracas en paukenstokken. In een aantal nummers kregen we een mooie duo-zang, Stephens liet naar het einde van de set zelfs de gitaren voor wat ze waren, en bracht nog een tweetal nummers op piano, en Vogel nam een akoestische gitaar ter hand, wat hem goed af ging. De cover van de avond was er eentje van Tom Petty, met “A thing about you”.

Het begon buiten redelijk sterk te regenen, dus buiten een pintje gaan halen, zat er niet meer in, maar we zaten gezellig in de Chapiteau met een band die de aandacht er bij wist te houden als ze aan het spelen waren, maar iets te veel tijd nodig had tussen de nummers, en dat haalde wel de vaart uit het optreden. Niettemin dit minpunt, was het grootste deel van het publiek heel dankbaar om wat Two Gallants hun vanavond serveerde. De band zelf was ook heel tevreden en wist ons te vertellen dat ze altijd heel graag in Belgie spelen.Hun volgende passage in ons land is op 26 mei in Leffinge, deze zomer passeren ze ook in Dour. De homo turisticus zou zeggen, “Checkt dat af”.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/two-gallants-12-05-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/roscoe-12-05-2013/

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

Het Koninklijk Circus was aardig volgelopen voor een IJslandse avond. We pikten nog een tweetal nummers mee van Will Samson, een Engelse folktronica artiest die ons wel kon charmeren met zijn Bon Iverfalset en de warme combinatie van synths en gitaar. Vorig jaar zagen we hem ook al in het voorprogramma van Pinback, en met ‘Balance’ heeft hij zijn tweede album uit.

Valgeir Sigurdsson is een IJslandse producer die verantwoordelijk is voor de speciale sound op de albums  van onder meer Bjork, Múm, Sam Amidon en Coco Rosie, wiens nieuwe album ‘Tales of a grass window’  hij ook geproduceerd heeft. Naast al dit producerswerk, brengt de man ook eigen werk uit: zo zagen we hem een aantal jaren geleden in de Kortrijkse Pentascoop nog ‘Ekvilibrium’ voorstellen. Sigurdsson heeft nu zijn derde album uit, ‘Architecture of loss’ dat hij schreef voor een balletvoorstelling. Sigurdsson werd vanavond begeleid door twee strijkers, terwijl hij zelf de beats verzorgde en op piano speelde.
De nummers die hij vanavond bracht waren redelijk experimenteel, vrij donker en hadden niet altijd duidelijk songstructuren. De strijkers speelden soms afzonderlijke noten, en korte stukjes die abrupt afgebroken werden en dan een totaal andere richting uitgingen.
Sigurdsson is duidelijk een artiest die altijd naar iets nieuws op zoek is, want deze nummers waren mijlenver verwijderd van wat hij op ‘Ekvilibrium’ deed, dat toch veel toegankelijkere, warme elektronica was. Interessant bleef het wel, maar het was toch minder licht verteerbaar.

De hoofdact van vanavond, Olafur Arnalds, kwam zijn laatste album ‘For now I am winter’ voorstellen. De jonge IJslander daagde met een grappig, typisch IJslands het publiek uit om beter te zingen dan het Eindhovens publiek van de avond voordien.  Arnalds had een strijkkwartet meegebracht, en het resultaat was top: prachtige composities ontplooiden zich in het samenspel tussen piano, elektronica , trombone en strijkers: de zaal was muisstil en heel wat mensen genoten met gesloten ogen van de nummers uit ‘For now I am winter’.
Als je van Johann Johannsson, Nils Frahm of A Winged Victory for the sullen houdt, dan was dit van het beste in het genre. Net zoals Valgeir Sigurdsson gooide Arnalds de typische ontploffende lava-beats die we kennen van Bjork’s “Joga” in de strijd. Goed drie kwartier in de set, mocht de violist even soleren, en we waanden ons heel even op de Koningin Elizabethwedstrijd.
In het laatste deel van het optreden trad de elektronica meer op de voorgrond, en op het einde werden we nog getrakteerd op een gastzanger, met een prachtige stem, à la Patrick Watson, zodat het leek of we in een concert van The Cinematic Orchestra terechtgekomen waren.
Volkomen terecht werd Olafur Arnalds dan ook teruggeroepen door het publiek, dit was een dot van een concert dat ons heerlijk liet wegdromen.

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

Nee, er was geen treinwagon met wijwater ontspoord en in de Kortrijkse riolen gelopen, maar toch zat de Sint-Maartenskerk vol vanavond. Het Festival van Vlaanderen organiseerde een concert met Jóhann Jóhannsson en de Belgian Brassband onder leiding van Geert Verschaeve. Het is al een tijdje geleden dat de IJslandse componist nog reguliere albums uitbracht, van het schitterende doorbraakalbum ‘Fordlandia’ uit 2008, om precies te zijn. Sindsdien componeerde Jóhannsson vooral soundtracks, en één van die soundtracks, bij een film van de Amerikaanse avant-garde regisseur Bill Morrison, ‘The Miners Hymns’, opgenomen in Durham Cathedral, in het Noordoosten van Engeland in 2010, werd vanavond uitgevoerd door Belgian Brass, samen met Jóhannsson. Dus eerder dan een concert, kregen we vanavond een stomme film, met een live uitvoering van de soundtrack, door een uitgebreide koperblazersband, met lichte percussie en de ondersteuning van Jóhannsson op orgel/keyboard.

De Sint-Maartenskerk als cinemazaal dus voor de documentaire ‘The Miners Hymns’. Bill Morrison maakte deze documentaire met zwart-wit-archiefbeelden uit de Noordengelse mijnstreek tussen Newcastle en Sunderland, van de vroege jaren van de twintigste eeuw, tot de midden jaren tachtig, toen er confrontaties waren tussen de bobbies van de onlangs overleden Engelse first lady Margaret Thatcher, en stakende mijnwerkers over de sluiting van de mijnen in de regio.
De film begon in kleur, en we kregen luchtbeelden van mijnsites die twintig jaar na de sluitingen, ofwel wel of niet een reconversie gekregen hadden naar shoppingcentra, voetbalstadia (Sunderland AFC), skipistes of gewoon in hun geruineerde staat stonden te verkommeren. Tijdens deze introducties speelden de blazers gewoon trage tonen, als een soort ambient soundscape om de film op gang te trekken. Pas toen we zwart-wit fragmenten kregen van tachtig, negentig jaar geleden, ontplooiden de composities zich traag maar zeker.
Zo emotioneel en trefzeker als de strijkerscomposities van Forlandia waren de composities van ‘The Myner’s Hymns’ niet, omdat ze toch vooral een dienende rol hadden: de drones van Jóhannsson en het gestoot van de blazers bootsten de geluiden van de mijn na. De muziek was echt op de beelden geschreven, en werkt wellicht niet zo goed alleenstaand, in ieder geval, ik was niet geneigd om mij de cd aan te schaffen en deze ’s avonds op te leggen. Maar bij de beelden werkte dit wonderwel: de emotionaliteit zat misschien minder in de muziek, maar de beelden compenseerden dit ruimschoots.
Bill Morrison wist met de keuze van zijn archieffragmenten ontroering, troost en melancholie op te roepen, met beelden die dit op zich niet hoefden op te roepen, maar dit door de montage en de ondersteunende muziek toch deden. Eén van Morrison’s centrale thema’s is de onomkeerbaarheid van de tijd:  gewone mensen, mijnwerkers, mijnwerkersvrouwen en kinderen uit het Noordoosten van Engeland van zeventig jaar geleden, keken ons verwonderd maar vertrouwend in de ogen. De regisseur schiep zo een directe maar onmogelijke band tussen de toeschouwer in de zaal en een gemeenschap in het Noordoosten van Engeland, die al lang niet meer bestaat, en dat ontroerde.

‘Miner’s Hymns’ duurde amper 54 minuten, maar liet ons verwonderd achter. Het Kortrijkse publiek gaf Belgian Brass en Jóhannsson een minutenlange ovatie, wat wel het beste bewijs was dat deze combinatie van beelden en muziek werkte. Maar toch zou ik de plaat nooit kopen, en hoop ik dat Jóhannsson binnenkort weer eens een volwaardig album met strijkers uitbrengt van het niveau van ‘Fordlandia’.

Organisatie: Kreun , Kortrijk ism Festival van Vlaanderen

maandag 04 maart 2013 01:00

Steve Wynn & Piv Huvluv - When you smile

Steve Wynn & Piv Huvluv - When you smile
Steve Wynn
Zaal Rekkelinge
Deinze
2013-03-02
Nick Nyffels

Steve Wynn & Piv Huvluv - When you smile - Schandaal in Deinze - Gekke paarden en Bamboe Jack verstoren concert van Steve Wynn

Stand-up comedian Piv Huvluv wou eens iets doen op een podium met één van zijn muzikale helden, en wist Steve Wynn, de frontman van The Dream Syndicate, één van zijn lievelingsbands uit de vroege jaren tachtig, te overtuigen om een twintigtal optredens in Vlaanderen samen te doen. Die reeks optredens werd in november 2012 abrupt afgebroken, omdat Wynn’s vader op sterven lag. Drie maanden later, is Wynn echter terug in Europa, voor een tour met Chris Cacavas door Oostenrijk, Duitsland en Kroatie, en vond hij ook de tijd om de draad op te pakken waar hij die achter gelaten, en de afgezegde concerten in Deinze, Oostende en Dikkele te hernemen.


Zaal Rekkelinge was aardig gevuld, maar toch niet uitverkocht. Piv Huvluv kampte met een griepopstoot, maar wist er zich dankzij een paar Dafalgans en warme thee toch door te slaan. Het concept van de avond was een mix tussen stand up comedy en muziek: Piv Huvluv stond aan een draaitafel, en gaf een goeie conference over hoe hij als tiener, eind de jaren zeventig in Oostende in aanraking kwam met rock. Het begon allemaal met de platen van Will Tura die zijn ouders kochten, maar de jonge Jan Cattrijsse raakte al snel verslaafd aan Iggy Pop, Neil Young,Patti Smith en een paar jaar later, The Dream Syndicate, de Californische underground gitaarband die vooral in Europa erkenning kreeg. We kregen nog een exposé waarom we vanavond niet Patti Smith of Rod Stewart op dit kleine podium kregen, en dan mocht Steve Wynn overnemen voor een halve set met zijn akoestische gitaar.
Wynn bracht nummers uit zijn dertigjarige carriere, we kregen zowel nummers van zijn soloplaten, van The Dream Syndicate, als van zijn samenwerking met Green On Red-leden in bands als Gutterball en Danny & Dusty. “Shelley’s Blues”, uit ‘Melting in the dark’ zijn plaat uit ’95 met de leden van Come, was een eerste mooi herkenningspunt. Dream Syndicate klassieker “Days of wine and roses” kreeg de meest furieuze bewerking die je je maar kan voorstellen op een akoestische gitaar, Wynn pijnigde de snaren van zijn gitaar in de openingsriffs , enkel het psychedelische uitwaaierende einde liet hij achterwege. Wynn nam ook tijd voor een cover, en zette Neil Young’s “Cinnamon Girl” in, wat hij plots onderbrak omdat het nummer te saai was. Hij stelde voor om iets heaviers van Young’s repertoire te brengen, en begon “Rocking in the free world” te spelen, wat een mooie voorzet was om Huvluv als Crazy Horsehead met gitaar en al op het podium op te roepen. Wynn als aangever van een stukje absurde comedy, in de beste stijl van Kama en Herr Seele.


Zoals in een echte theatershow, kregen we een pauze, wat ook toeliet om de overgang naar Piv Huvluv’s stand-up stuk te maken en om de gasten van vanavond, Bruno Deneckere en Derek te introduceren, die een aantal country-klassiekers mochten voorstellen. Piv Huvluv vermaakte het publiek verder met stukken over de rol van Bobby Farrell bij Bony M, en zijn toevallige ontmoeting met Marvin Gaye in de Oostendse Plate (zaak) begin jaren tachtig, voor Wynn een tweede deel op gitaar mocht brengen met meer oudjes van the Dream Syndicate zoals “See that my grave is kept clean” en “Bullet with my name on it” Wynn maakte nog reclame voor het reunie-concert van The Dream Syndicate in mei in het Depot in Leuven, voor we een finale kregen, waarin Deneckere, Derek en Wynn samen speelden, Piv Huvluv dit trio op gitaar vervoegde en die uitmondde in een hilarische bisnummer waarin Will Tura’s “Bamboo Jack” een Engelstalige bewerking kreeg. Wynn zong overtuigend mee met dit politiek incorrect Vlaams pareltje uit 1970, geschreven door van de keizer van de Vlaamse Showbizz, Jean Kluger en origineel uitgevoerd door de heer Arthur Blanckaert uit Veurne.

Piv Huvluv was  vanavond de Master of Ceremony die op geslaagde wijze comedy met de songs uit de dertigjarige carriere van Steve Wynn mixte, en Wynn in zijn comedyconcept wist te betrekken, zodat je deze artiest ook eens op een heel relativerende manier aan het werk zag. Wij zullen er bij zijn in mei in Leuven, voor het gitaargeweld van The Dream Syndicate, we geven nog als uitsmijter deze wijze woorden van Tuur-a-luur uit Veurne mee:
Jack ligt heel de dag in zijn gemak onder een bamboetak
Jack heeft maar een zwak hij houdt alleen maar van zijn gemak
Bamboe, Bamboe Jack als je niet werkt dan wordt je niet betaald
Jack zegt inderdaad, maar wie niets doet, doet ook geen kwaad”


Setlist Now; Grace; Shelley’s Blues; Second; Open book; Days of wine and roses; Cinnamon Girl; Rockin in the free world; One by one; Medicine Show; Shades; Tears; Wait; Love me; Torch; Follow me; Bullet with my name on it; See that my grave is kept clean; Bamboe Jack

Organisatie: VTB Kultuur Deinze

zaterdag 23 februari 2013 01:00

Adrian Crowley brengt Temple Bar naar Opwijk

Racing Genk was toch aan het verliezen tegen de Duitsers, dus waarom niet eens naar de Nijdrop voor een voor mij onbekende Ierse singer-songwriter die je aangeraden wordt? Adrian Crowley, is 45, woont in Dublin en is eigenlijk voornamelijk bekend in Ierland.
’I See three birds flying’ is het zesde album van de Ierse singer-songwriter, en wordt uitgegeven door Chemical Underground, het Glasgowse label van onder meer Mogwai. Veel nieuwe zieltjes zal Crowley met zijn Europese tour wellicht niet bijwinnen, de koppen kon je vanavond in de Nijdrop letterlijk tellen, en blijkbaar was de opkomst eerder in de week in Trix van dezelfde grootte orde. De positieve kant aan de lage opkomst was dan weer dat dit een bijzonder intiem concert was, alsof deze Ier in je woonkamer kwam optreden.

Crowley speelde vanavond vooral nummers uit zijn laatste plaat, en had enkel zijn elektrische Gretsch-gitaar meegebracht, daar waar hij op zijn platen een redelijk rijke orkestratie gebruikt, met onder meer piano, strijkers en mellotron. Nu, eigenlijk was dit geen probleem, de nummers klonken absoluut niet kaal, Crowley heeft een warme bariton (denk aan Kurt Wagner van Lambchop), en hij toverde met gemak verschillende melodielijnen uit zijn Gretsch, door het gebruik van delay.
Dit cafe-optreden deed me dan ook denken aan Jeff Buckley’s ‘Live at Sin-e’, niet dat Crowley’s stem ook maar in de buurt komt van Buckley, maar het gitaargeluid en de gemoedelijkheid van een artiest die voor individuen eerder dan voor een massapubliek staat te spelen, was toch het grote raakpunt met die opnames.
Zoals alle Ieren, is Crowley een gemakkelijke babbelaar, dus tussen de nummers door, kregen we anekdotes over met twee gitaren met Ryanair vliegen, een lading CDs laten nasturen naar de Trix, of het verblijven in het Amsterdamse Backstage hotel. Crowley’s songteksten zijn heel filmisch en hebben een zekere literaire kwaliteit, wellicht typisch Iers, ook bij Luka Bloom vind je dit terug. Toen hij “From Champions Avenue to Mysery Hill” speelde, waande je zo in de straten van de Ierse hoofdstad, en ook bij “At the starlight hotel” kon je je een typisch ouderwets Iers hotel voorstellen met dikke tapijtvloeren en zware luchters.

Pareltjes van nummers vanavond, van het eerste tot het laatste, vreemd eigenlijk dat Crowley niet meer bekend is. Festivalprogrammators, zoek je deze zomer een rustpunt tussen al het rockgeweld, zet dan deze man op je affiche, het publiek zal je zeker dankbaar zijn.

Als voorprogramma van Adrian Crowley, speelde Imaginary Family. Dit drietal rond de naar Gent uitgeweken Brabantse Joanna Isselé, zat vorig weekend in Duyster, en speelt muziek die perfect in het concept van dit programma passen. De stem van Isselé doet denken aan Stina Nordenstam, en de band kleurt de nummers origineel in, wat een pluspunt is om op te vallen tussen de vele meisje-met-een gitaar groepjes. Isselé heeft veel verbeelding, haar nummers gaan over pinguins, professoren en westerndorpjes, en dat is misschien nog een punt van kritiek, een grotere eenheid in de teksten zou het geheel overtuigender maken, dat is toch wat Crowley vanavond overtuigend demonstreerde.
Neem gerust een kijke naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/adrian-crowley-21-02-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/imaginary-family-21-02-2013/

Organisatie: Nijdrop , Opwijk

Pagina 12 van 13