logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Johnny Marr
the_offspring_i...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Left Lane Cruiser - Meteen een marathonset met de nieuwe drummer

Voor deze laatste editie van Stad Onderstroom, een festival dat sinds 2001 onze zomermaanden opvrolijkt met gratis culturele activiteiten, wist de 4AD nog een verleidelijke naam van internationale allure te strikken. Hoewel Left Lane Cruiser nog maar een jaar geleden dit podium in vuur en vlam zette, kwam er ook dit keer een pak volk opdagen. Wat nog maar eens bewijst dat men dit duo uit Fort Wayne, Indiana nooit genoeg gezien kan hebben, maar ook de openingsact had heel wat fans weten te mobiliseren.

Die opener werd aangekondigd als Me, Myself and I maar leek beter gekend als Dries One Man (Blues) Band. Die Dries staat dan weer voor Dries Laveyne, een jongeman uit Gistel die zijn hart duidelijk verpand heeft aan de blues en zich liet inspireren door onder meer Tiny Legs Tim.
Gewapend met een elementair drumstel, een nadrukkelijk aanwezige mondharmonica en een vettige gitaar zong hij met een rauwe, zelfverzekerde strot enkele iconische bluesnummers. Daarbij zocht hij voortdurend contact met het publiek en deed er werkelijk alles aan om de sfeer tot een kookpunt te brengen. Zo eindigde hij een nummer al staand op de basdrum. Opzwepende, door slide gitaar gedreven blues werd afgewisseld met pompende boogie waarbij een innige liefde voor Canned Heat leek door te schemeren. Minstens vier nummers stonden ook op het repertoire van die legendarische band uit Los Angeles: "On the road again", "Going up the country" (Bull Doze Blues van Henry Thomas uit 1929),  "Let's work together" (Wilbert Harrison) en "Rollin' and Tumblin''" (het best gekend in de versie van Muddy Waters).
Het bleek bijzonder moeilijk om daarbij de heupen stil te houden en Dries kon zijn set dan ook niet toepasselijker afsluiten dan met "Shake your hips" van Slim Harpo.
Ik was al aangenaam verrast dat een prille dertiger zich aan dit soort rudimentaire blues waagde, maar wat hij bracht bleek zowaar een revelatie. Iets wat ook Freddie J IV van Left Lane Cruiser niet ontgaan was, want maar liefst vier keer sprak hij lovende woorden over hem uit.

Het was maar de vraag of Left Lane Cruiser me hetzelfde euforische gevoel kon bezorgen als tijdens hun passage vorig jaar, toen hun tour één lange triomftocht leek. Dat bleek de eerste twintig minuten alvast niet het geval te zijn. Daarvoor was ik te veel uit het lood geslagen door de onverwachte, onaangekondigde verschijning van een nieuwe drummer. Het jarenlange gesukkel met verschillende drummers leek in 2022 definitief voorbij toen Brenn Beck, drummer van het eerste uur, terug op het oude nest streek. Maar die heeft dus opnieuw moeten afhaken en daar zullen de moordende tourschema's van Left Lane Cruiser wellicht niet vreemd aan zijn.
Geen in een Appalachian ambiance gedrenkte "Wash it" als opener dus, met Brenn Beck op basdrum, wasbord en koebel. Die minimale stijl leek me ook niks voor deze nieuwkomer die wat nerveus leek en na ieder nummer wel iets moest bijstellen aan zijn, naar Left Lane Cruiser-normen, uitgebreide drumstel.
Rick Kinney -zo heet de man- is een succesrijk ondernemer en zakenman die tevens reeds meer dan 20 jaar de vellen roert bij Moser Woods, een instrumentale progrockband waarvan hij medeoprichter is. Een vreemde keuze, zo lijkt het, maar Kinney was de laatste jaren ook actief bij Pete Dio and The Old & Dirty en die Pete Dio is een ex-drummer van Left Lane Cruiser. Vandaar wellicht dat hij in beeld kwam bij Freddie J IV.
Bij gebrek aan wasbord werd er dan maar afgetrapt met "Wild about you baby" van Hound Dog Taylor, een nummer dat eerder ook al meermaals als opener diende en waarin Freddie meteen uitpakte met zijn verschroeiende slidegitaar.
Verrassend weinig covers dit keer, ik hoorde enkel nog het altijd even mooi klinkende "Mule plow line" van Jimbo Mathus.
Wel veel werk uit de laatste en uitstekende plaat ‘Bayport BBQ Blues’ maar ook de parels uit het verleden werden niet vergeten. Zo passeerden onder meer drie nummers uit hun nog steeds indrukwekkend klinkend debuut op Alive Records uit 2008 , ‘Bring yo' ass to the table’, de revue.
Aan de songkeuze kan het dus zeker niet gelegen hebben dat ik aanvankelijk het gevoel had dat er iets ontbrak. Ook de bezieling waarmee Freddie J IV -die zoals altijd het ene pintje na het andere achterover sloeg- kromgebogen op zijn stoel de snaren van zijn gitaar molesteerde, was als vanouds. Zelfs onder die vele lagen gruis valt trouwens op hoe zijn gitaarspel alsmaar subtieler wordt, zo bleek ook uit de twee nummers van de nieuwe single: "Broke down lines" en "Hit the stone".
Nee, ik had gewoon wat tijd nodig om me aan te passen aan de licht gewijzigde sound die de komst van een nieuwe drummer met zich meebracht. Eenmaal verzoend met de aanpak van Rick Kinney (meer power en explosiviteit dan bij Brenn Beck), leek de magie geleidelijk aan terug te keren. Toen ook de koebel plots weer zijn plaats kreeg viel alles terug in de vertrouwde plooi.
Het werd uiteindelijk een marathonset van maar liefst een uur en drie kwartier, glorieus afgesloten met twee stevige versies van de oude goudklompjes "Mr Johnson" en "Hillgrass Bluebilly".
Zelfs het zoveelste ontslag van een drummer kon Freddie J IV niet uit zijn evenwicht brengen en Left Lane Cruiser lijkt dan ook verre van uitgeteld. Meer nog: als de nieuwe single een voorbode is dan gloort er nog heel wat fraais aan de horizon.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Kassi Valazza - Unieke singer-songwriter houdt De Zwerver in haar greep

Ondanks het warme weer dat eerder uitnodigde om op een terrasje te blijven plakken, was er toch behoorlijk wat volk komen opdagen voor een van de nieuwe fenomenen aan het singer-songwriterfirmament, Kassi Valazza.

Maar eerst kregen we met Thomas Decock & Artan Buleshkaj een niet meteen voor de hand liggend voorprogramma gepresenteerd. Oostendenaar Thomas Decock leerde ik kennen als gitarist bij zijn stadsgenoot, singer-songwriter Nir Shemmer maar in wezen is hij vooral een jazzmuzikant. Met zijn eigen band deinst hij niet terug voor innovatieve projecten zoals zijn recenste plaat, ‘Erudite’, waarop hij literatuur en jazzfusion verweeft.
Op een jamsessie ontmoette hij de Gentse Kosovaar Artan Buleshkaj. Het klikte meteen tussen die twee, in die mate zelfs dat het leidde tot een gezamenlijke plaat, ‘Plain songs’, die ze nu kwamen voorstellen.
De twee heren brachten fijngevoelige, volledig instrumentale interpretaties van zowel jazz-, folk- als countrysongs die toch telkens een jazzy ondertoon hadden. Beiden speelden op verschillende gitaren, zonder effecten. Hun virtuositeit was onmiskenbaar maar werd nooit in de etalage gezet. Hier geen halsbrekend snarengepluk of duizelingwekkende notenreeksen maar minutieus geboetseerde klanktapijten.
De set werd geopend met twee jazznummers, Plain song" van John Scofield (titeltrack van hun plaat) en "Prairie avenue cowboy" van Paul Motion gevolgd door "Freight train", een stokoude folksong van Elisabeth Cotten, en wellicht het bekendste nummer uit de set.
Er was nog meer folk met Doc Watson's "Deep river blues" maar er was ook ruimte voor een eerder verrassende keuze: "Shotgun down the avalanche" van Shawn Colvin die Thomas Decock omschreef als een countryzangeres al zou ik haar zelf eerder in het folk- en popgenre situeren. Wat trouwens niet wegneemt dat dit misschien wel het meest beklijvende moment uit hun optreden was.
Ze sloten af met een andere grote dame: Joni Mitchell ("Marcie"). Mooi maar toch wat lastig. Dit was niet meteen muziek om op te headbangen, eerder iets om achterover geleund in de zetel te savoureren, bij voorkeur met een goed glas binnen handbereik.

Kassi Valazza groeide op in Arizona en begon al op haar tiende met het schrijven van songs. Toch zou het duren tot ze als volwassene verhuisde naar Portland, Oregon vooraleer ze echt de gitaar ter hand nam. Daar ontmoette ze enkele gelijkgestemde zielen die haar op weg hielpen.
Terwijl haar debuutplaat ‘Dear dead days’ (2019) nog geruisloos aan me voorbij ging werd ik door haar tweede, ‘Kassi Valazza knows nothing’ uit 2023, compleet overrompeld. Dit was de beste singer-songwriterplaat die ik in jaren had gehoord.
En soms lacht het leven me toe want de schepper van dit pareltje werd dan ook nog eens aangekondigd in een van mijn favoriete clubs.
Intussen is Valazza naar New Orleans verhuisd, terwijl ze eigenlijk eerst naar Nashville wou en heeft ze een derde plaat uit. ‘From Newman Street’  werd half in Portland en half in New Orleans opgenomen en is toch wat minder indringend dan haar vorige. Daardoor bekroop me even de vrees dat haar momentum wel eens voorbij zou kunnen zijn, maar dat bleek geenszins het geval. 
Kassi Valazza mag dan al naar New Orleans zijn verhuisd, ze tourt nog steeds met haar band uit Portland, een stel uitgelezen muzikanten. Op bas zagen we Lewi Longmire, niet minder dan een begrip in Portland. Deze multi-instrumentalist werkte samen met talloze artiesten en was of is actief in tientallen groepen waaronder Jenny Don't and The Spurs ten tijde van hun eerste plaat. Ook de subtiele drummer Ned Folkerth, die tijdens de stillere momenten met allerlei belletjes in de weer was, is geen onbekende: hij maakt deel uit van Pinetop Seven van wie ik toch ook een plaat op het schap heb liggen. Ten slotte was er nog gitarist Adam Witkowski die het met wat minder referenties moet stellen maar daarom niet minder aanwezig was.
Kassi Valazza opende haar set net zoals op haar laatste plaat met "Better highways" en "Birds fly". Twee bijzonder sterke songs die me meteen meesleurden in het betoverende universum van deze bijzondere zangeres. Haar ronduit indrukwekkende stem deed in de verte soms denken aan Karen Dalton terwijl haar frasering een enkele keer Joni Mitchell in gedachten riep maar bovenal klonk ze volstrekt uniek.
Erg spraakzaam was ze niet. Tijdens de eerste twintig minuten zei ze behalve een richtlijn voor de soundman eigenlijk helemaal niets. Nadat ze plots een genante anekdote met ons deelde, ontdooide ze zichtbaar en begon ze wat vrijer te praten. Uiteraard stond de muziek op de eerste plaats en die mocht er zijn: stuk voor stuk prachtige songs met wortels in de country en de folk en voorzien van een mespuntje psychedelica.
Alle nummers kwamen uit haar laatste twee platen behalve "Johnny Dear" dat op haar debuut, dat ik trouwens dringend eens moet beluisteren, te vinden is.
Een van de hoogtepunten en mijn persoonlijke favoriet was "Watching planes go by" dat zomaar op ‘Jingle Jangle Morning: The 1960's U.S. Folk-Rock Explosion’, een verzamelbox waar ik de laatste tijd veel naar geluisterd heb, had kunnen staan.
Maar ook de andere nummers deden denken aan die glorieperiode voor singer-songwriters en folkartiesten. Met "From Newman Street", een ode aan haar oude appartement in Portland, sloot ze haar set solo en in schoonheid af.
Waarna een grappig moment volgde. De groep stond voor een gesloten deur en geraakte niet weg zodat er automatisch een bis volgde. Gelukkig maar want die bis was er eentje om in te kaderen: de traditional "Matty Groves" in de sublieme versie van Fairport Convention waarin Kassi Valazza zich beslist kon meten met Sandy Denny, met wie ze trouwens wel eens vergeleken wordt. Het nummer bleek verrassend genoeg niet erg gekend door het publiek dat al begon te applaudisseren nét voor de instrumentale appendix werd ingezet. Schitterend slotakkoord van een schitterend optreden!

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Alien Nosejob - Energieke punk met een feestelijke (sax) toets

Het bloedhete weer nodigde niet meteen uit om onder te duiken in een donker café en je daar bloot te stellen aan een portie punkgeweld. Maar diegenen die het toch riskeerden zullen het zich zeker niet beklaagd hebben.

De eerste groep heette Klutter, een naam die me onvermijdelijk deed denken aan The Clutters, een band uit Nashville die ik halverwege de jaren '00 erg hoog had zitten (check vooral hun nummer "Rock and roll").
Hoewel de spelling misschien iets anders laat vermoeden, haalde ook deze groep uit Brugge de inspiratie voor hun groepsnaam uit het Engelse woord Clutter, wat staat voor rommel of chaos.
Nu, wat dat laatste betreft viel het eigenlijk best mee. Nonchalant, dat wel. Het leek erop alsof de vijf rechtstreeks uit de surfclub op het podium stapten. Veel podiumstress leken ze niet te hebben, de meesten hadden dan ook al wat ervaring opgedaan bij gewaardeerde acts als Barno Koevoet & The Duijmschspijkers en Ricky Bekstok.
Klutter opende verrassend sterk met een nummer dat ik niet meteen van hen verwacht had en ik, dankzij de bijzonder fijne gitaren van Jelle Vos en Tibo Nassel, eerder als psychrock zou catalogiseren.
Even leken ze in die stijl te zullen doorgaan maar al vlug werd de toon donkerder en wendde Klutter de steven feilloos richting postpunk. Vooral door toedoen van die typische, wat monotone schreeuwzang maar ook de gitaren klonken nu hoekiger en venijniger. Het leek er ook op alsof de sound steeds harder werd en de groep uiteindelijk strandde in de buurt van de hardcore punk.
Zeker niet alle nummers waren even sterk maar de aanstekelijke drive bleef vlot overeind en zanger Arthur Langbeen had voldoende charisma in huis om me een volledige set bij de les te houden.

Alien Nosejob is de nom de plume voor Jake Robertson uit het Australische Geelong die zijn platen het liefst in zijn eentje in de slaapkamer opneemt. Dat leverde tot dusver een zevental platen op, samen met een kluwen aan singles en EP's, die onlangs gebundeld werden op de kloeke compilatieplaat ‘Forced communal existence’.
Alsof dat nog niet genoeg is, is Robertson naast dat eenmansproject ook nog eens in een tiental (!) andere groepen actief. Hij debuteerde in 2009 bij The Snoozefests, later volgden onder meer Ausmuteants, Hierophants, Leather Towel & SWAB. In 2013 kruiste hij mijn pad voor het eerst  in The Pit's met The Frowning Clouds, een wonderlijk groepje dat me een jaar later met ‘Legalize everything’, een heerlijk psychedelisch garagerockplaatje, helemaal overstag deed gaan. Of The Frowning Clouds nog actief zijn is me niet helemaal duidelijk - in 2022 verscheen er nog een verzamelplaat - maar met Alien Nosejob hebben we in elk geval een sterk alternatief.
Alien Nosejob mag dan al een eenmansproject zijn, in Leffinge zagen we een zeskoppige liveband (drie vrouwen en drie mannen, goed voor twee gitaren, bas, drums, toetsen en sax). Hoewel ik mijn punk het liefst uitgebeend geserveerd krijg, kon ik me volledig vinden in deze volle sound. Vooral de sax en in iets mindere mate de keys maakten het verschil. Dat blazers punk verrassend feestelijk kunnen laten klinken wist ik al van die andere Australische band, The Systemaddicts, die het met een trombone doet.
Dat was hier niet anders met de sax van Alannah Sawyer, die soms aan enkele rake stoten genoeg had om op andere momenten het hele nummer enthousiast mee te toeteren.
Het werd zeker geen voorstelling van hun laatste plaat, de verzamelaar ‘Forced Communal Existence’, want die kwam nauwelijks aan bod. Er werd vooral geput uit hun voorlaatste plaat, ‘Turns the colour of bad shit’, waarop Jake Robertson teruggrijpt naar zijn punk roots. In het tweede, wat langere nummer, kwam zijn veelzijdigheid even bovendrijven en waagde hij zich aan wat traditionelere garagerock met een gitaar die van een prille Angus Young had kunnen zijn.
Even later nam de gitariste de vocals van Robertson over voor een tegelijk verrassende als voor de hand liggende cover: "Idendtity" van X-Ray Spex. Verrassend omdat Alien Nosejob op zijn platen meestal kiest voor Australische en/of obscure covers. Enigszins verwacht omdat die sound met saxofoon onvermijdelijk herinneringen oproept aan de groep van Poly Styrene. Mooi, maar de eigen songs klonken minstens even energiek en adembenemend. We hadden er dan ook absoluut nog niet genoeg van toen Jake Robertson  na amper 32 minuten de stekker eruit trok. Kort en krachtig zegt men dan maar het had toch ietsje meer mogen zijn.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Jenny Don't and The Spurs + JP Harris - Twee keer country, twee keer raak
(ikv Roots in the Jar Farm Fest 2025)


Na 12 jaar verbrak Muddy Roots Europe zijn samenwerking met de Cowboy Up. De visies van beide partijen liepen blijkbaar te ver uiteen. Muddy Roots vond een nieuwe partner in Roots in the Jar, dat sinds de covid-19 uitbraak in 2020 met succes een online festival arrangeerde en nu na vier virtuele edities met een fysiek festival van maar liefst vier dagen kon uitpakken.
Plaats van het gebeuren was de Laerehoeve in Knesselare, waar de paarden even plaats moesten ruimen voor festivalgangers uit alle windstreken van Europa. Wie heimwee mocht hebben naar de oude locatie kan daar trouwens op 27.28 en 29 juni ook nog terecht voor de Cowboy Up Music Revival.

Door omstandigheden moest ik me beperken tot het strikt noodzakelijke waardoor ik ongetwijfeld heel wat boeiende groepen gemist heb. Maar het lot was mij gunstig gezind. De twee groepen die ik absoluut niet wou missen kwamen er op dezelfde dag en stonden bovendien netjes na elkaar op de timetable.

Vorig jaar wisten Jenny Don't and The Spurs me al midscheeps te treffen in de Cowboy Up maar die krachttoer werd hier moeiteloos overtroffen. Nochtans begon de set vrij aarzelend. Aan de muziek kon dat niet gelegen hebben want de groep opende met een schitterende instrumentale interpretatie van "Bones in the sand", waarin meestergitarist Christopher March zijn gitaar heerlijk liet galmen, gevolgd door "Flying high", één van de prijsnummers uit hun laatste en uitstekende plaat, "Broken hearted blue". De oorzaak lag eerder bij het publiek dat de afspraak duidelijk gemist bleek te hebben en behoorlijk wat tijd nodig had om de weg naar het podium te vinden. Eenmaal dat gebeurd was kwam de groep uit Portland, Oregon op kruissnelheid en was er geen houden meer aan. Heupwiegende country werd afgewisseld met opjuttende honky-tonk.
 Jenny Don't had het duidelijk naar haar zin en zocht voortdurend oogcontact met haar publiek terwijl ze enkele keren beeldig om haar as tolde. Haar warme, heldere stem klonk vaster dan de vorige keer en werd tijdens het absolute hoogtepunt, "Unlucky love", opgetuigd met een zeldzame knik waarbij men niet onverschillig kon blijven.
Dit was country zoals ik ze het liefst lust: met een rauw garagerockrandje en een flinke toef rock-'n-roll.
Voor dat laatste zorgde Christopher March, een onverstoorbare cowboy met een klemvaste hoed die zijn vingers majestueus over de snaren liet dansen, niet zelden in de geest van illustere gitaarhelden als Link Wray of Duane Eddy.
Bassist Kelly Halliburton, man van Jenny, heeft dan weer de uitstraling van een rockster wiens uiterlijk het midden hield tussen Jeff Beck en Neil Young. Zijn basspel was niet meteen spectaculair maar had toch meer dan genoeg stuwkracht terwijl hij met geaccentueerde armbewegingen de show probeerde te stelen.
Tenslotte was er nog de eerder onopvallende maar zeker niet te onderschatten Buddy Weeks die met zijn dynamisch drumspel welbeschouwd de onvermoeibare motor van de band bleek te zijn.
The Spurs zijn een goed geoliede machine die er evenwel alles aan deden om voorspelbaarheid en routine te weren. Zo werd de setlist, die ze overigens niet hadden, op papier althans, tegen het einde nog helemaal overhoop gegooid.
Tijd voor een bisnummer was er eigenlijk niet, maar daar veegde Jenny met haar laarzen de vloer mee aan. De country maakte plaats voor rauwe, explosieve garagerock en met twee Dead Moon klassiekers: "Walking on my grave" en "Parchman Farm" (oorspronkelijk van Mose Allison) ging het dak er helemaal af.

JP Harris werd geboren in Montgomery, Alabama, maar belandde na een langdurig zwervend bestaan in Nashville. Naast muzikant is hij ook een aannemer met een voorkeur voor het restaureren van historische panden. Een man die van aanpakken weet, zoveel mag duidelijk zijn.  De man heeft sinds 2011 vijf platen gemaakt waarvan ik de vierde, ‘Don't you marry no railroad man’ heel diep in mijn hart koester en dat is een probleem. Die plaat, waarop JP Harris stoffige Appalachen songs op een geheel eigenzinnige manier nieuw leven inblaast, is eigenlijk het resultaat van een zijproject, ‘JP Harris' Dreadful Wind & Rain’, en daaruit speelt hij geen enkel nummer tijdens zijn optredens.
Nu kan ik zijn andere platen ook best pruimen maar het blijft toch een beetje knagen. Zijn laatste plaat, ‘JP Harris is a trash fire’ werd geproduced door JD McPherson en dan weet je dat het resultaat behoorlijk gesofisticeerd zal klinken.
De vraag was dan ook of een hillbilly minnend publiek dit wel zou lusten en, hoewel de belangstelling wat minder groot was dan bij Jenny Don't, bleek dit heel goed mee te vallen.
JP Harris, een pezig mannetje met een weelderige baard waarin zonder moeite een handvol vogels onderdak zou vinden, speelde afwisselend akoestische en elektrische gitaar en liet zich begeleiden door een bijzonder competente, Brits-Amerikaanse begeleidingsband (bas, gitaar, pedalsteel en drums).
Maar zijn belangrijkste troef was toch die donkerbruine, uit duizenden herkenbare stem, warm en omhullend als een deken. We hoorden verfijnde maar allerminst gelikte outlaw country -zelf noemt hij het avant-country- waarbij vooral de uptempo nummers op de meeste bijval konden rekenen.
"Wachten jullie op de hits?" klonk het met een grijns, vlak voor hij "When I quit drinking" inzette, een song die, als er al zoiets als een hit was, het dichtst in de buurt kwam. Eindigen deed hij met een cover die je niet meteen zou verwachten: "Beautiful world" van Devo, maar het was beslist één van de mooiste momenten uit de set.
Hoewel JP Harris beweerde een rumoerig publiek, waar al eens een glas sneuvelt, te verkiezen boven een stil en aandachtig publiek denk ik toch dat zijn muziek net bij dat laatste beter tot zijn recht zou komen.

Organisatie: Roots in the Jar Farm Fest

zaterdag 31 mei 2025 01:03

Blowers - Wonderbaarlijke garagepunk

Blowers - Wonderbaarlijke garagepunk

Mijn eerste kennismaking met cultuurhuis Boegie Woegie, dat zo'n twee jaar bestaat, was er eentje om niet licht te vergeten …

Eerst kregen we LS Gatekeeper op ons bord, een gezelschap dat zijn basis heeft in zowel Amsterdam, Rotterdam als Berlijn. De zanger, Lui Surreal, bleek dan ook nog eens een Brit te zijn. Een man met zwarte lippen, gekleed in een stijlvol zwart jasje met daaronder een groezelig hemdje dat net boven de buik was afgeknipt, die meteen alle aandacht naar zich toe zoog. Met een robotachtige motoriek stuiterde hij zowel vóór als op het podium als een losgeslagen Duracell-konijn in het rond.
Het eerste nummer bleef hij nog aan de kant want dat was een instrumental waarin een zwaar vervormde gitaar met een homp loodzware psychedelica ons op het verkeerde been probeerde te zetten. Daarna stuurde LS Gatekeeper resoluut haar koers richting punk die tegen de hardcore aanschurkte hoewel die gitaar zijn psychedelische trekjes bleef behouden. Het bleef een vreemde combinatie: die wat wereldvreemde gitaar met de krachtige punk vocals, die soms net geen rap waren, van Lui Surreal en de uitermate strakke drums van Bobby Boycott maar het werkte. Ondanks de afwezigheid van de bassist wist LA Gatekeeper een gesmaakte set neer te poten.


Blowers zag ik voor het eerst twee jaar geleden en ze konden me ondanks de hooggespannen verwachtingen na hun schitterende tweede plaat, ‘Blown again’, maar half overtuigen. Er waren wel verzachtende omstandigheden: de grote zaal van Trix, waar ze het voorprogramma van The Chats waren, was nog zo goed als leeg.
Ik kwam toen tot de conclusie dat ze waarschijnlijk veel beter zouden gedijen in een propvol café. Nu bleek cultuurhuis Boegie Woegie geen café maar een knus zaaltje te zijn en propvol zat het ook al niet, toch werd ik dit keer compleet van de sokken geblazen door dit viertal uit Melbourne.
Naast frontman Kit Convict (zang, gitaar), weeral in een Wipers t-shirt, en tweede zanger-gitarist Andrew Porter zagen we twee nieuwe gezichten: bassiste Shannon Cannon en de drummer, die zich blijkbaar net voor de tour  bij de groep kwam vervoegen. Zijn naam moet ik jullie schuldig blijven, maar wat ik wel weet is dat hij jarig was, er ongelooflijk veel zin in had en veel nummers luid schreeuwend op gang trok.
Blowers heeft een van alle subtiliteit ontdane en zelfs boertige benadering van rock-'n-roll die wonderbaarlijk goed uitpakt. De enige momenten waarop ze blijk gaven van enige verfijning, was tijdens de gracieuze samenzang tussen de twee gitaristen en de bassiste.
Hun laatste plaat, ‘Blowmania’, uit op het Portugese Chaputa Records en het Australische Trash Cult Records, viel me na een enkele beluistering wat tegen wegens te poppy en hoewel zowat de helft van de gespeelde nummers uit die plaat kwam kon ik geen enkele misser noteren. De op infantiele melodieën gestoelde nummers werden met zo veel gruis overgoten en met zoveel lust gebracht dat ze stuk voor stuk klonken als verloren gewaande garagepunkparels. 
Vergelijken lijkt me zo goed als onmogelijk maar als het dan toch moet, hou ik het bij een onoordeelkundige mix van Reatards, Oblivians en Ramones.
Dit keer hield Kit Convict het, buiten die ene mislukte poging tot braken, vrij beschaafd en deed hij er alles aan om het vuur erin te houden. Zo dreigde hij zelfs een drietal nummers minder te spelen indien het publiek niet dichter kwam. En tijdens het laatste nummer, het bijzonder wilde "Everybody in the room hates me", zette hij zijn gitaar aan de kant om tussen het volk te gaan dansen.
We hadden dan al een set vol hoogtepunten, inclusief mijn favoriet "Shut the fuck up", achter de rug. Voor de bis mochten twee extra muzikanten (van het Berlijnse S.U.G.A.R., met wie ze samen op Europese tournee zijn maar die hier in Menen om één of andere reden niet speelde) het podium op om er nog een indrukwekkende cover van "New race" van het legendarische Radio Birdman uit te knijpen.

Organisatie: Boegie Woegie, Menen


Les Nuits Botanique 2025 - The Jesus Lizard, The Ex, Mclusky,... - Feest van gitaren
Les Nuits Botanique 2025
Botanique
Brussel
2025-05-18
Ollie Nollet

Deze zondag op Les Nuits Botanique stond in het teken van de wederopstanding van twee spraakmakende groepen uit de sector luide gitaren.

… Maar er was nog meer moois, zoals Snõõper, dat vorig jaar nog de tent op Leffingeleuren liet daveren. Dat overrompelende van toen was er dit keer evenwel niet bij. De attractieve chaos voor en op het podium bleef hier achterwege. Er was duidelijk geen animo om zo vroeg op de middag een moshpit te starten maar ook op het podium leek het er een stuk beschaafder aan toe te gaan.
Zangeres Blair Tramel had haar potsierlijke rekwisieten blijkbaar thuis gelaten, enkel de reusachtige pop uit papier-maché, waarmee ze op het einde van de set kwam opdraven, was er nog bij. Gelukkig had de muziek van dit jonge vijftal uit Nashville niets aan explosiviteit ingeboet.
Korte, venijnige punk erupties gestut door twee stevige, af en toe naar de hardrock lonkende gitaren waarboven de hoge heldere stem van Blair Tramel sierlijk kronkelde. Hun razende egg punk moest het vooral hebben van de tomeloze energie en van de voortdurend stuiterende zangeres.
De overige groepsleden stonden er, buiten dat ene danspasje dan, nogal statisch bij. Maar dat kon de pret niet drukken, mooie opwarmer!

Mclusky zag het levenslicht in 1996 in Cardiff en schreef in 2002 geschiedenis met het door Steve Albini geproducete ‘Mclusky do Dallas’. Nauwelijks drie jaar later was het sprookje reeds uit maar vorig jaar verrees de groep uit haar as en begin deze maand verscheen er na meer dan 20 jaar zelfs een nieuwe plaat: ‘The world is still here and so are we’. Net als Snõõper had Mclusky met hun passage vorig jaar op Leffingeleuren een onuitwisbare indruk nagelaten en ook zij wisten die glansprestatie van toen niet helemaal te evenaren. Nochtans begon het drietal de set met "Lightsabre cocksucking blues", de uitzinnige opener van hun meesterwerkje, ‘Mclusky do Dallas, waaruit later maar liefst nog zes nummers zouden volgen. Maar de klank zat niet meteen goed en de heren, die zichzelf aankondigden als Kings Of Leon, leken nog niet helemaal bekomen van hun middagdutje zodat de stormram toch even op zich liet wachten.
Maar eenmaal op temperatuur was er opnieuw geen houden meer aan. Hun mix van post hardcore en noiserock bleek nog even urgent als twintig jaar geleden en het nieuwe "Onpopular parts of a pig" had zeker niet misstaan op ‘Mclusky do Dallas’.
De inmiddels ook al 50-jarige Andrew Falkous heeft nog steeds die opgefokte maar tevens heerlijke stem terwijl zijn gitaar nog niets aan scherpte heeft verloren. De knappe nummers werden van een woeste energie voorzien door de scheurende bas van Damien Sayell en de mokerende drums van Jack Egglestone. Ongeveer halverwege ruilde Sayell zijn bas even voor een tweede gitaar en zo ging de storm even liggen voor "She will only bring you happiness", dat zowaar een ballad leek maar toch van een in vitriool gedrenkte tekst was voorzien met de als een mantra herhaalde regel "Our old singer is a sex criminal".
Daarna werd het volume opnieuw meedogenloos opgetrokken en volgden nog een rits parels als "Alan is a cowboy killer" en "Chases" om te eindigen met het toepasselijk getitelde "To hell with good intentions".
Het was misschien niet meteen het mooiste zicht: een drummer verborgen achter een scherm van plexiglas en een zanger met een immense koptelefoon op. Maar als Andrew Falkous, die met serieuze gehoorproblemen kampt, daardoor toch nog de mogelijkheid vindt om op een podium te staan, nemen we dat er maar al te graag bij.

The Ex was in de Botanique de groep met de langste carrière en dat, in tegenstelling tot The Jesus Lizard en Mclusky, zonder enige hiatus trouwens. Ontstaan in 1979 uit de Amsterdamse kraakbeweging en nog steeds actief. Hoewel de pauzes tussen de nieuwe releases wat langer zijn geworden, betekent dat niet dat The Ex in de tussentijd stilzit.
Zo wisten ze vorig jaar nog zonder nieuwe plaat de 4AD uit te verkopen. De meeste bands met zo'n lange staat van dienst beperken zich live tot een soort 'best of' of voeren in het beste geval één van hun commercieel succesvolste platen integraal nog eens uit. Zo niet The Ex. Zij hadden het lef om hun gloednieuwe plaat van begin tot eind te spelen. ‘If your mirror breaks’ heet die plaat en ze is opgedragen aan Steve Albini, met wie ze ooit samenwerkten.
De set werd, net als het album dus, geopend met "Beat beat drums", een op een Bo Diddley beat gestoeld nummer dat barstte van de ritmes en waarin Terrie Hessels zijn gitaar bespeelde met een drumvel. Later zou hij zijn instrument ook nog te lijf gaan met een metalen schepje, een schroevendraaier en een drumstick. Samen met Andy Moor en Arnold de Boer bemande hij het drie-gitaren offensief dat soms meedogenloos beukte om op het andere moment subtiel te fonkelen. Daarbij kwamen geregeld Afrikaanse invloeden bovendrijven, niet vreemd natuurlijk na hun collaboraties met de Ethiopische jazz saxofonist Getatchew Mekurya of het Congolese Konono N°1. De ruige, onconventionele drums van Katherina Bornefeld zorgden voor de stuwende kracht. Eenmaal kwam ze vanachter haar drumstel naar voren om "Wheel" te zingen, zeker niet het beste nummer van de avond, maar toch een welgekomen rustpunt. De andere songs werden door De Boer wat monotoon gezongen maar wisten telkens te boeien met een intrigerende woordkeuze.
Eén van de hoogtepunten vond ik het sensuele en geduldig opgebouwde "Circuit breaker" met de herhaalde vraag " What could I keep inside".
Ze eindigden zoals begonnen: met een onstuitbare ritmische uitbarsting waar het spelplezier van afspatte: "Great!". Na 46 jaar klinkt The Ex nog altijd even urgent.

The Jesus Lizard vond in 1987 zijn oorsprong in Austin, Texas maar de vier verhuisden al snel naar Chicago, Illinois waar ze gelijkgestemde zielen als Steve Albini (nog maar eens hij) en de mensen van Touch And Go Records troffen. Met ‘Goat’ ('91) en ‘Liar’ ('92) maken ze twee baanbrekende platen die hen een cultstatus opleveren. Ze tekenen zelfs voor het grote Capitol Records maar na het vertrek van drummer Mac McNeilly in '96 gaat het enkel nog bergafwaarts tot de onvermijdelijke split in 1999. Vanaf 2006 komt de groep af en toe terug samen voor zogenaamde re-enactments. Vorig jaar maakt de groep dan totaal onverwacht na 26 jaar een nieuwe plaat: ‘Rack’. Niet meteen een hoogvlieger maar dat kan je van nogal wat platen van The Jesus Lizard zeggen.
De groep is altijd in de eerste plaats een liveband geweest met het ongeleide projectiel David Yow als aantrekkingspool. De vraag die velen zich dan ook stelden was of David Yow, die zich in het dagelijkse leven bezig houdt met het retoucheren van filmposters, op zijn 64ste nog even destructief tekeer zou gaan.
En daar was hij dan, David Yow, in een rood hemd en een aan flarden gescheurde jeans, met een karakterkop waaraan Stephan Vanfleteren een kluif zou hebben. De rest van het gezelschap hield het bij stemmig zwart. David Yow verwelkomde ons met "We are Kings Of Leon", net als Mclusky dat eerder deed op de avond. Maar nu was het zeker niet de eerste keer dat Yow zijn groep aankondigde met een andere naam.
The Jesus Lizard opende meteen met één van hun beste nummers, "Seasick", gedreven door het steeds herhaalde "I can't swim", uit het befaamde ‘Goat’. Later zouden nog vier nummers uit die plaat uit '91 volgen. Bij de tweede song, "Gladiator", dook hij, de titel indachtig, het publiek in voor een rondje crowdsurfen. Niet zonder enige moeite bereikte hij opnieuw het podium waar hij toch even op adem moest komen terwijl zijn fluimen alle kanten op vlogen. De rest van de set bleef hij naar zijn lichaam luisteren  en hield hij het veilig op de planken, hoewel het af en toe toch leek te kriebelen.
Intussen gingen gitarist Duane Denison en bassist David Wm. Sims te werk als precisiechirurgen en samen met met krachtdrummer Mac McNeilly - terug op het oude nest - leverden ze bijzonder strakke noiserock af.
Je kon hen misschien een gebrek aan variatie verwijten maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door de hoge intensiteit. Die messcherpe gitaar bleef zich vastbijten in mijn nekvel terwijl het charisma van een duidelijk ouder geworden David Yow nog steeds zijn gelijke niet kent.
Hoogtepunten waren "Monkey trick", volgens Yow hun beste nummer en "Mouth breather" dat werd opgedragen aan Steve Albini. Na vijftig minuten verdween hij, kushandjes werpend, achter de coulissen waarna ook Sims en Denison volgden terwijl McNeilly verbeten een drumsolo afwerkte. Het bleek om een korte adempauze te gaan. Na enkele minuten keerde de groep terug om er nog eens vol voor te gaan. Het werd een feest van herkenning met uitzinnige versies van onder meer "Thumper" en "Fly on the wall". Dit mocht wat mij betreft nog een tijdje doorgaan maar met "Chrome" kwam er definitief een einde aan.
Dit keer kregen we geen kushandjes, maar losgepeuterde valse tanden toegeworpen. De oude vos is zijn streken zeker nog niet verleerd.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/index.php/nl/component/phocagallery/category/7509-les-nuits-botanique-2025?Itemid=0

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique)

Puppy and The Hand Jobs - Trash rock-'n-roll in een pamper

Eerst mochten we kennismaken met een nieuwe Antwerpse sensatie, Sportweekend geheten, waarvan de leden hun sporen reeds verdienden bij groepen als Penus, Toxic Shock en Condor Gruppe.
Het viertal zette meteen alle zeilen bij met een turbo offensief dat op gang getrokken werd door de toxische bas van Maarten De With die hiervoor inspiratie leek gevonden te hebben bij "The witch" van The Sonics. Het resultaat was een verschroeiende, van de testosteron barstende punk song.
Die bas zou trouwens de hele set prominent aanwezig blijven, maar de aantrekkingspool was toch zanger Yves, die we nog kenden van Penus. Gehuld in een shortje waarvan je je afvraagt waar hij dat ooit gevonden heeft en het gebronsde lichaam vol getatoeëerd, ging hij zowel vocaal als fysiek tot het uiterste. Optreden staat bij hem duidelijk synoniem voor een uitputtingsslag leveren. De eerste nummers klonken nog behoorlijk punk maar daarna zwenkte Sportweekend alsmaar verder richting noiserock met een steeds impressionanter klinkende gitaar van Kris Delacourt waarbij ze me tijdens dat ene magistrale nummer, ongeveer halverwege de set, aan The Jesus Lizard herinnerden.
Daarna leek de zanger plots alle tijdsbesef verloren en kondigde hij tot vier, misschien zelfs vijf keer toe, het laatste nummer aan. De groep landde uiteindelijk met een repetitief klinkend gewrocht waarbij Yves onverdroten zijn fitnessprogramma leek af te werken, zowel op het podium, de toog als de vloer tussen het volk. Haalden ze daar misschien hun inspiratie voor die toch wat knullige groepsnaam? Desondanks een revelatie!

Puppy and The Hand Jobs (uit Phoenix, Arizona) is het geesteskind van Jaimee Paul Lamb. De man is sinds midden jaren '90 actief. Eerst bij Van Buren Wheels, later bij talloze garagerock- en punkbandjes maar toch is hij het meest gekend om zijn vele nummers op ‘We're loud’, de alom geprezen compilatie dubbel LP op Slovenly Recordings. Als Puppy maakte hij 3 EP's met de spraakmakende titels: ‘I eat abortions’ (2018), ‘I hate everything’ (2019) en ‘I don't care about anything’ (2025).
Terwijl de ouders, Suzy en Bobby Handjob, zich wat aan het opwarmen waren, werd Puppy, enkel gehuld in een oversized pamper, aan de ketting naar het podium geleid. Het was niet echt een fraai zicht: een man van middelbare leeftijd in een pamper, een maalslot bungelend om zijn hals en een witte zonnebril, waardoor hij waarschijnlijk amper iets zag want hij moest hem telkens afzetten toen hij de setlist wou naslaan, op de neus.
Dan zagen de Handjobs er, ondanks hun naam, vrij convenabel uit. Hoewel, de bassist leek eerder op een verfomfaaide tante Sidonia terwijl de keurig in het pak met das gehesen drummer, een Johnny Hallyday lookalike wiens flegmatieke stijl verder deed denken aan Charlie Watts, ook al geen alledaagse verschijning was in een keet als The Pit's.
De muziek dan: rammelende lo-fi punk waarvan de teksten al even provocerend waren als hun podiumact. Ongefilterde absurditeit verpakt in ultrakorte songs die nooit boven de twee minuten afklokten. Die nummers, waarvan vooral "I think I'm gay" en "Killing Spree" me zijn bijgebleven, waren verrassend sterk en hadden een hoog meezing-gehalte.
Puppy kun je bezwaarlijk een virtuoos gitarist noemen maar zijn rammelende snarengepluk werkte behoorlijk aanstekelijk terwijl we hier eindelijk nog eens een zanger hadden die echt kon zingen.
Eindigen deden ze na een goed halfuur met "I eat abortions" waarna er nog één bis volgde: het toepasselijke getitelde "Trash rock-n-roll".

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

GA-20 - Ook in de nieuwe bezetting blijft GA-20 ongeëvenaard

Nadat Matthew Stubbs na 16 jaar dienst bij de tourband van Charlie Musselwhite (tijdelijk) de bons kreeg, besloot hij zelf een bluesband te beginnen teneinde de rekeningen te kunnen betalen.
In 2018 startte hij GA-20, genoemd naar een gitaarversterker uit de jaren '60, waarmee hij de lokale clubs van zijn thuisstad Boston afschuimde. Dat waren meestal plaatsen waar ze nog nooit van de blues gehoord hadden waardoor hij de slogan, die hij ook als opschrift voor een t-shirt gebruikte, "If you don't like the blues, you're listening to the wrong shit" bedacht.
Hun rauwe, compromisloze blues bleek aan te slaan en de groep begon uitgebreid te touren, ook in Europa.
Ik zag GA-20 voor het eerst in 2022 op Roots & Roses waar ze een overrompelende indruk op me nalieten. Daarna zag ik ze nog vier keer en telkens wisten ze me in euforische stemming te brengen. Ik maakte me al op voor een nieuwe extatische roes maar plots leek dat niet meer zo evident te zijn. Het was verdomd schrikken toen ik het nieuws vernam dat zowel gitarist Pat Faherty als drummer Tim Carman er niet meer bij waren. Vooral Faherty, die toch het gezicht van de band was, leek me onvervangbaar. Op de vraag waarom ze vertrokken waren wist Matthew Stubbs niet veel te vertellen: "Ze waren gewoon ineens weg".
Dat de twee intussen een nieuwe groep hebben, Canyon Lights, die onlangs nog als voorprogramma van George Thorogood and The Destroyers mocht opdraven, beweerde hij ook niet te weten. Hun vervangers vond hij bij Ward Hayden & The Outliers (het vroegere Girls Guns And Glory), een old school country band die enkele keren opener voor GA-20 is geweest. Drummer Josh Kiggans en zanger-gitarist Cody Nilsen zijn tevens twee gepokt en gemazelde sessiemuzikanten terwijl die laatste ook een solo-cd, ‘Living is killing’, gemaakt heeft maar veel stelt die niet voor. Het werd toch bang afwachten wat die drastische personeelswissel zou geven.

GA-20 opende de set met het vertrouwde "Cut you loose", een funky rhythm & blues knaller uit 1963 van Ricky Allen dat ook op het repertoire staat van Charlie Musselwhite, gevolgd door een bijzonder smaakvolle uitvoering van Jimmy Reed's "I'll change my style" dat ik nooit eerder van hen hoorde. Ik kon meteen opgelucht ademhalen: de muzikale koers bleef ongewijzigd. Een opzwepende mix van sterke eigen nummers en minder voor de hand liggende maar wel raak gekozen covers.
Matthew Stubbs beweert altijd dat hij de traditionele blues wil laten heropleven maar zijn muziek is zoveel meer dan dat. We hoorden vooral rhythm & blues gespekt met wat soul en een ruime portie rock-'n-roll. En als het dan toch pure blues was klonk die ruig zoals in het gebruikelijke tweeluik "Give me back my wig" en "She's gone" uit hun Hound Dog Taylor tributeplaat uit 2021. Echt traditioneel kan je dit trouwens ook niet noemen want Hound Dog Taylor, die net als GA-20 zelf, zwoer bij een twee gitaren/drums opstelling, was toch een buitenbeentje in de blueswereld.
Vlak na deze uppercut volgde het solospotje voor Cody Nilsen, net zoals Pat Faherty dat vroeger ook mocht doen. Alleen kregen we dit keer geen RL Burnside maar wel "I'm leaving you now" van Lightnin' Hopkins. Het was zeker niet de enige keer dat de nieuwe gitarist de podiumact van zijn voorganger leek te kopiëren. Zo wandelde hij bijvoorbeeld ook al gitaarspelend tussen het volk naar de uitgang. Waarom ook niet. Hij bleek trouwens meer dan een waardige vervanger te zijn met een stem die verrassend goed leek op die van Faherty. Een echt gitaarbeest ook, meer nog dan Faherty, terwijl de drummer evengoed erg onstuimig te keer ging.
Aan het muzikale concept leek er niets veranderd, ook de twee nieuwe en uitstekende nummers "Stranger blues" en "Cryin' & pleadin'" pasten perfect in het plaatje. Eén van de talloze hoogtepunten vond ik het instrumentale "Crackdown" waarin het meer bedaarde gitaarspel van Matthew Stubbs wat meer in de kijker kwam. Maar ook die schitterend gekozen covers lieten me telkens zwijmelen: "My baby is sweeter" (Little Walter), "I don't mind" (James Brown), "Sitting at home alone" (nogmaals Hound Dog Taylor) en "Just one more time" (Ike Turner).
Dit mocht nog uren doorgaan maar met "Easy on the eyes" kwam er toch een einde aan waarna er nog één bis, "Be my lonesome" volgde.

Meer dan ooit was duidelijk dat GA-20 het geesteskind is van Matthew Stubbs, die zich zelfs door een dramatisch personeelsverloop niet uit het lood laat slaan. De twee nieuwkomers slaagden cum laude maar helemaal de oude bezetting laten vergeten zat er toch niet in. Daarvoor was het punk-achtige charisma van de immer in het zwart geklede Pat Faherty te groot en zijn onorthodoxe motoriek te uniek, hoewel ook  Cody Nilsen zich al eens aan een bokkesprongetje waagde.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 27 april 2025 06:59

Bob Wayne - Rauwe onvermengde country

Bob Wayne - Rauwe onvermengde country

Wat kan ik nog kwijt over Bob Wayne … Sinds ik hem ontdekte op de Paulusfeesten in 2009 zag ik hem nog talloze keren en ontgoochelen deed hij nooit. Dit keer zag ik de zingende stoomfluit samen met een Italiaans-Amerikaanse versie van The Outlaw Carnies in een uit zijn voegen barstende Cowboy Up.
De sfeer zat er meteen in en de 'oooh-ooohs' en de 'hell yeahs' waren niet van de lucht. Het behoorlijk lange optreden bestond uit drie delen. Eerst kregen we de greatest hits met songs als "Hell yeah", "Till the wheels fall off", "Fuck the law", "Mack" en "Chatterbox". Mooi maar toch enigszins voorspelbaar.
Daarna werd het een stuk interessanter met een hele reeks nummers uit ‘13 more truckin' songs’, de nieuwe plaat die intussen bijna drie jaar in de steigers staat. Het wordt hoogtijd dat er iemand bereid gevonden wordt om die plaat uit te brengen want hier zaten behoorlijk wat parels tussen. "Space trucker", "Truckaholic", "Psycho trucker" en een paar erg gesmaakte tearjerkers waarvan ik u de titel schuldig moet blijven.
Het laatste deel speelde hij enkel requests uit het publiek. Naast songs als "Love songs suck" en "Kiss my ass God bless the USA" leverde dat verrassend veel akoestische songs zoals "The hangin' tree" op. Deze onverwachte keuzes maakten duidelijk dat Bob Wayne zoveel meer is dan een uitbundige entertainer en te vaak ondergewaardeerd wordt als songschrijver. Sommige van die pure, rauwe countrysongs, en ik hoed me voor heiligschennis, kwamen aardig dicht in de buurt van de ongenaakbare Johnny Cash.
Uiteindelijk werd er traditioneel afgesloten met "Spread my ashes on the highway".
Tot een volgende keer, Bob!

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

Useless Eaters - Energieke postpunk voortgestuwd door een splijtende gitaar

Rock-'n-roll op Pasen, dankzij De Zwerver kon het dit jaar en het werd meteen een avondje die nog een tijdje na zal zinderen.

Aanvankelijk las ik de naam van de eerste groep abusievelijk als Shakatak, de Britse jazz-funkgroep uit de jaren '80 die trouwens nog steeds actief is. Een link met die band was er duidelijk niet, hier hadden we totaal ander vlees in de kuip. Hoewel, vlees? Dit was rock, minutieus afgeschraapt tot op het bot.
Stakattak komt uit Brussel, heeft drie platen uitgebracht en een indrukwekkend aantal optredens op de teller staan. Ze noemen zichzelf de grondleggers van de raout rock, wat dat ook moge betekenen.
Maar hun doortocht in Leffinge zal niet snel vergeten worden. De karige drums van Thijs Beckwé en de repetitieve gitaarpatronen van Lotte Beckwé zorgden voor het gammele muzikale karkas. Speerpunt van de groep was zanger Nick Defour, een man van het principe ‘komt het volk niet naar mij, dan ga ik naar het volk’. Gewapend met een ellenlange microfoonkabel trok hij meteen het publiek, dat redelijk ver van het podium stond, in. Je kon hem zowat overal vinden, behalve op het podium: kronkelend op de vloer, gewrongen tussen de toog en het plafond of zelfs buiten.
Visueel viel er voortdurend wat te beleven en ook muzikaal bleef dit intrigeren tot het einde. Een morsige mix van punk en noise die me soms deed denken aan ‘Trout mask replica’, het ongrijpbare meesterwerk van Captain Beefheart dat na 56 jaar nog steeds tot de verbeelding spreekt of aan de dwarsheid van een prille Pere Ubu. Primitief en onvoorspelbaar, hoewel de gitaar van Lotte Beckwé enkele keren wat bluesy klonk en zo toch voor enig houvast zorgde. Die gitaar ruilde ze voor enkele nummers met de microfoon van Nick Defour en liet zo voor even de rust wat terugkeren. Mooie opwarmer!

Useless Eaters, niet te verwarren met die andere punkband The Useless Eaters UK, zag het levenslicht in Memphis, Tennessee maar is intussen verhuisd naar Oakland, Californië. In de beginjaren werd de groep rond Seth Sutton, die ook in talloze andere bandjes actief was, op sleeptouw genomen door wijlen Jay Reatard. Dat resulteerde tussen 2009 en 2016 in een lawine aan singles en 7 albums waarna de stilte plots intrad.
En nu, negen jaar later, tourt Seth Sutton met een geüpdatete Useless Eaters door Europa, wat hem ook naar Leffinge bracht.
Sutton bleek een klein, pezig mannetje dat met een vinnige verbetenheid zijn ding bracht. Energieke postpunk maar dan zonder het bombastische en de moeilijkdoenerij waar de nieuwe exponenten in het genre zo graag mee flirten. Zelf durft hij zijn muziek al eens omschrijven als neo-guitar music en daar kan ik ten dele wel inkomen want de gitaar staat wel degelijk centraal. Na een wat ingehouden, instrumentale aanhef werd het tempo meteen flink de hoogte ingejaagd met "Industrial park" waarna meteen een eerste hoogtepunt volgde: het superbe "Temporary mutilation" waarin een indrukwekkende bas de melodie afbakende en dat zou zeker niet de enige keer zijn. Andere ingrediënten waren de explosieve drums, de eerder bescheiden maar daarom niet minder mooie synths, de monotone zang en uiteraard die niets ontziende gitaar. Sommigen hoorden hierin gelijkenissen met T.C. Matic en ik kon ze geen ongelijk geven: die hamerende, messcherpe gitaar had zeker van Jean-Marie Aerts kunnen zijn.
Even leek een gebroken snaar de vaart uit de spannende set te halen, maar een attente Lotte Beckwé schoot meteen te hulp door haar gitaar te geven. Zo bereikte Useless Eaters dan toch zonder oponthoud de finish van een set waarin ik slechts één nieuw nummer kon ontwaren.
Het blijft dan ook de vraag of deze tour nog een vervolg zal kennen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Pagina 2 van 24