AB, Brussel programmatie + infootjes

AB, Brussel programmatie + infootjes Concerten 2024 24-03-24 – Froukje (Org: AB + Live Nation) 25-03-24 – Mr Big (ism Biebob + Live Nation) 25-03-24 – Venna 26-03-24 – Arsenal (filmconcert ‘Jungle Hotel’) 26-03-24 – Boolvar @Super Fourchette (Org: AB + Super…

logo_musiczine_nl

Democrazy Gent - events

Democrazy Gent - events Concerten 2024 Brihang, Vooruit, Gent op 20 + 21 + 22 maart 2024 (ism Viernulvier en All eyes on hiphop) Tsar B, Elias, Muziekclub Wintercircus, Gent op 20 maart 2024 Bolis Pupul, Liesa Van der Aa, Muziekclub Wintercircus, Gent op 21…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 29 november 2007 01:00

Two Gallants

Op amper twee jaar tijd is dit al het derde schot in de roos van dit duo na het prachtige ‘What the toll tells’ en de al even mooie intimistische EP ‘Scenery of farewell’.
De formule is min of meer hetzelfde gebleven: splijtende en doorleefde  songs die tot op het bot gaan, een shuurpapieren stem en een snijdende mondharmonica. Dylan en Neil Young zijn wederom dicht in de buurt. Voor het grootste deel hebben Two Gallants op deze derde titelloze cd de lijn van ‘Scenery of farwell’ doorgetrokken, wat zich vertaalt in overwegend ingetogen en rustige nummers als het bloedmooie en desolate “Fly low carrion crow” en het prachtige “Trembling of the rose”. Als het er wat feller aan toe gaat dan hangt er een dreigende Bad Seeds- of Gun Club -wolk in de lucht (“My baby’s gone”).
Wat Two Gallants zo bijzonder maakt is dat ze hun songs niet te veel willen opsmukken, ze halen er  de angel niet uit. Met hun platen gaan ze dus zeker niet rijk worden maar ons kunnen ze er alleszins mee raken.

donderdag 15 november 2007 01:00

Every damn time

Vunzige blues zonder gitaren. U had het nog nooit gehoord ? Wij ook niet. Het kan, deze Black Diamond Heavies doen het op ‘Every damn time’ en het klinkt absoluut te gek. Hun gitarist is het afgestapt en de twee koppige heren hebben besloten hem niet te vervangen en alleen verder te doen. Met geweldig resultaat, moeten we zeggen. De gitaar missen we hier geenszins, en dat komt door het smerigste orgel dat u in uw leven al gehoord heeft. Een duo, zegt u ? die bovendien nog rauwe rock en blues speelt ? de onvermijdelijke vergelijkingen met White Stripes, Black Keys en The Kills dringen zich dus op. Yep, en wat dan nog ?
Wat betreft intensiteit zitten deze BDH immers op hetzelfde niveau van voormelde bands. Qua gruizige rock en blues gaan we de referenties nog wat dieper in de modderpoel van de underground zoeken, namelijk bij de vettige distortion blues van The Black Eyed Snakes of van The Immortal Lee County Killers. Geen toeval blijkt, want zanger/keyboardspeler John Wesley Myers zou in een vorig leven nog bij de ILCK gespeeld hebben. De blues en soul die dit duo speelt is doorleefd, ruig, vuil, vet en korrelig.
Kortom, rechtstreeks vanuit de modder.  Myers’ stem is voorzien van een regelrechte Tom Waits rochel (de gelijkenissen met de grootheid zijn vaak akelig close), zijn orgelpartijen zijn vies, smerig en funky as hell en ze geven de plaat een bij momenten lekker zompig seventies karakter.  De drums van Van Campbell roffelen als de beesten. Deze combinatie werkt dus allerbest.
Fenomenaal hoogtepunt is de 8 minuten lange trage blues “All to hell”, perfecte titel als je ’t ons vraagt. Voor de rest gaat er wat sneller en heter aan toe en klinkt de band  als The Doors die Jim Morrison hebben buitengewipt en vervangen door Tom Waits en dan ergens in een ondergronds donker hol een jamsessie hebben gehouden nadat ze eerst een kist van de strafste whisky hebben soldaat gemaakt.
U raadt het al, dit plaatje stemt ons bijzonder tevreden.

donderdag 15 november 2007 01:00

Hats off to the buskers

Britpop op en top, deze band. Beetje Libertines, vleugje La’s, sneetje Blur, stukje Kooks, kruimeltje Razorlight, portietje Arctic Monkeys, scheutje Jam en ga zo maar door. Waarmee we willen zeggen : dit is een fris, soms poppy, soms punky plaatje met compacte en complexloze liedjes. Naar onze bescheiden mening zou het soms een beetje snediger en brutaler mogen, maar toch staan hier sterke staaltjes van songs op. Er schuilt talent in The View, dat is zeker. De volgende plaat zal moeten uitwijzen of ze boven het overaanbod van nieuwe Britse bandjes zullen uitstijgen. Inmiddels is dit debuut een fijne poging. Afwachten maar.

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we over Elvis Perkins, nota bene zoon van acteur Anthony Perkins, geen grondig oordeel kunnen vellen gezien we enkel het laatste nummer hebben kunnen meepikken. Maar afgaande op deze prachtige song en op de enthousiaste reactie van publiek vonden we het wel heel jammer dat we een half uurtje te laat zijn gekomen.

Los Campesinos dan. Voorafgaandelijk hadden we even naar die gasten hun EP geluisterd en daar ontdekten we toch wat fijne en frisse dingetjes op. Maar deze gingen echter live volledig verloren tussen het arty farty gepingel, de stuurloze herrie en vaak ongepaste noise. Los Campesinos is een zevenkoppig  collectief en dat zijn er minstens drie te veel. De nerveuze, springerige en vaak te opgejaagde poprock bevat wel een paar aardige ideeën, maar het begon allemaal toch wat te snel op de zenuwen te werken, mede dankzij een vervelend ettertje van een zanger die hoegenaamd niet kon zingen. De drie bevallige dames binnen de groep zagen er wel leuk uit maar konden het boeltje ook niet redden.

Verrassing van de avond was het Britse trio Noisettes.  Een wijf met met ballen op vocals (een even fel konijn als Lisa Kekaula van The Bellrays maar ze zag er nog iets beter uit), een flitsende en energieke gitarist en een weelderig behaarde neanderthaler op de vellen, een drummer om ‘Keith Moon’ tegen te zeggen. Ze speelden rauwe, zeer opwindende en energieke rock’n’roll met af en toe een welgekomen rustpunt en met de nodige show verzorgd door de oververhitte dame Shingai Shoniwa.  Een avontuurlijke mix van The Bellrays, The Yeah Yeah Yeahs, The Stooges en The Dirtbombs.

Editors zijn op 2 jaar tijd uitgegroeid tot een  ‘grote’  groep en klinken op een podium inderdaad als een goed geoliede machine die weet hoe een publiek in te palmen. Dit hebben ze voor een groot stuk te danken aan hun frontman Tom Smith wiens stem en présence staan als een huis. Een paar jaar terug stond hij nog wat onwennig en lichtjes bescheiden op het podium, op vandaag is de zaal gewoon van hem. Dat zijn stem aanleunt bij die van Ian Curtis is helemaal niet uit de lucht gegrepen, maar in tegenstelling tot het pikzwarte Joy Division klinkt Editors toch een pak opgewekter. De jaren tachtig invloeden uiten zich ook duidelijk in de galmende gitaren van Chris Urbanowicz, die een handvol rake riffs uit zijn gitaar tovert zoals The Edge ze al in 15 jaar niet meer weet te bedenken. De set van The Editors was krachtig, stevig en ook soms wel te luid. De rustiger en subtielere momenten van op hun platen mistten we hier wel een beetje, de sound van de avond was nogal dichtgemetseld. Ze hadden ook maar een uurtje, wat als enigszins plausibele uitleg kan worden aanschouwd, het moest vooral vooruit gaan.  Editors speelden ook opvallend veel tracks uit hun debuut ‘The back room’, de sterkhouders van het optreden kwamen voornamelijk uit dat album, alsof zij zelf ook wel weten wat hun beste werk tot nog toe is.
Feit is, Editors is een hechte live band die rijp is voor nog grotere prestaties en voor de hoogste postjes op de affiches van de grote festivals. Toch loert er ook enig gevaar om de hoek bij deze band, hun songs zijn allemaal  een beetje volgens hetzelfde herkenbare stramien opgebouwd. Nu is het nog fris, maar naarmate de jaren zullen vorderen zal er toch enige vernieuwing en variatie in hun sound moeten komen willen ze een relevante groep blijven.

Organisatie: France Leduc Productions ism l’Aéronef, Lille

donderdag 08 november 2007 00:00

Chrome dreams II

Neil Young heeft alweer een onvergetelijke knaller van een song aan zijn indrukwekkende repertoire toegevoegd . Het nummer heet “Ordinary people”, het duurt maar liefst 18 minuten en is ronduit geweldig. De song heeft alles in zich wat Neil Young zo uniek maakt. Alles wat als Young’s eigenste fantastische handelsmerk kan beschouwd worden is hierin vervat, superieur gitaarwerk afgewisseld met soulvolle blazers (de briljante blazerssectie van ‘This note’s for you’ is hier aan het werk) en Young zelf die vocaal enorm goed op dreef is. De song zorgt er op zijn eentje voor dat ‘Chrome dreams II’ alweer een onmisbaar Neil Young document geworden, ook al is de rest van de plaat bij momenten slap en veeleer onsamenhangend. 
Doch, laat ons vooral ook nog die andere prachtige gitaarsong “No hidden path” niet vergeten, weer zo’n typische 14 minuten durende pur sang Neil Young kraker, een track die we nog het best kunnen vergelijken met “Down by the river” en “Cowgirl in the sand” (jawel, zo goed is ie). Verder vermelden we de oerdegelijke maar ietwat simpele rocker “Spirit road”, een track zoals Neil Young er op zijn gemak wel altijd een handvol uit zijn mouw kan schudden, niet echt wereldschokkend, maar een beginnend bandje van veel minder allooi zou hiervoor wellicht een moord begaan. En dan is er ook nog het smerige en grungy “Dirty old man”, een ruige song van het kaliber van “Piece of crap”, zo eentje waar Neil Young zijn versleten houthakkershemd voor uit de kast haalt.
Tot zover het positieve nieuws, want helaas is het niet allemaal om met luide vreugdekreten van in de lucht te springen, want veel te vaak komen de pijnlijke zwakheden van Neil Young  naar boven. Er staan hier immers een paar van die tenenkrullende ballads op zoals alleen Neil Young die kan maken, slijmerige draken van countrysongs als “‘Ever after” en “Shining light” waar Young echt staat te janken dat het geen naam meer heeft. Om helemaal de muren van op te lopen zijn de hectoliters stroop op afsluiter “The way” waarin -oh gruwel-  zowaar zelfs een koor aan het zingen slaat. Neen, we verzinnen dit niet, het is huiveringwekkend slecht.
U heeft het al gemerkt, op ‘Chrome dreams II ‘ krijgen we de allerbeste en de allerslechtste Neil Young te horen. Begrijpt u meteen waarom we hier van een onsamenhangende plaat spreken. “Chrome dreams II” is daarom geen klassieker, wel een losse verzameling van 2 briljante parels, een paar degelijke songs en enkele hemeltergende ondingen die voor ons part nooit aan het daglicht mochten worden blootgesteld.

donderdag 01 november 2007 00:00

Shotters Nation

Pete Doherty is op zijn zachtst gezegd een veelbesproken figuur omwille van zijn overmatig druggebruik, zijn afwezigheid op de helft van de aangekondigde Baby Shambles optredens, zijn talrijke verblijfjes in de Britse gevangenissen en, last but not least, zijn aan en af relatie met professionele pannenlat Kate Moss. Een mens zou haast vergeten dat diezelfde Doherty  toch vooral een talentvol kereltje is die met The Libertines en met toenmalige copain Carl Barat twee fantastische platen heeft gemaakt. Ook ‘Down in Albion’, het debuut van Baby Shambles, was in al zijn slordigheid een fijne kopstoot van een album. Pete Doherty is in de eerste plaats een geweldig songschrijver, ook al komt ie om geheel andere redenen om de haverklap in de media opduiken, en op deze ‘Shotters Nation’ heeft hij terug een handvol puike songs bijeengeschreven.
Pete is deze keer niet in zee gegaan met Clash goeroe Mick Jones wiens werk er eigenlijk gewoon uit bestond om Doherty volledig zijn gang te laten gaan, wat resulteerde in de sympathieke slordigheid van het Baby Shambles en eerder al het Libertines geluid. De songs op dit nieuwe album klinken iets voller en afgewerkter, maar het blijven natuurlijk typische Doherty kindjes , wat wil zeggen dat de ze alweer even rechtuit als spontaan klinken. Doherty speelt en zingt uit de losse pols een hoop knappe songs alsof hij ze ter plekke heeft uitgevonden, of het nu de gedreven single “Delivery” is of een ingetogen pareltje als “Last art of murder”, het heeft schijnbaar allemaal weinig moeite gekost om het uit zijn mouw te schudden. De onvolmaaktheid is nu net weer de beste troef van dit plaatje. Perfectie is niet aan Doherty besteed, gelukkig maar. Perfectie, dat is iets voor Pink Floyd, dat is verveling en heeft niks met rock’n’roll te maken.
Je mag denken van Doherty wat je wil, voor ons maakt hij welgemeende rock’n’roll plaatjes met een ziel. Zijn turbulente leven en de affaire met visgraat Kate Moss fungeerden alleen maar als de juiste voedingsbodem voor deze verzameling bruisende songs. Laat hem gerust zo verder doen.

donderdag 25 oktober 2007 01:00

The Red Album

Wie al eens achtereenvolgens een plaatje opzet van Mastodon, Isis en Mogwai mag gerust dit hier eens proberen. Baroness begeeft zich ergens tussen postrock en metal en wisselt bonkig metalgeweld af met bedachte melodieuze instrumentale stukken. Een formule die ze zelf niet uitgevonden hebben maar die ze als geen ander beheersen.
Baroness raast de ene keer door als een bende bezeten bizons om de andere keer te gaan verpozen bij een sfeervol klanktapijt, en soms gebeurt dit in één en dezelfde song zoals in “Wanderlust”. De metal die ze spelen is hoegenaamd niet hersenloos en is voorzien van doordachte felle gitaarpartijen, hierin onderscheiden ze zich van de cliché metal van vele geestesgenoten. De finesse zit hem niet echt in de stem van John Baizley, want dat is meer een echte metal bruller, maar eerder in de fijne en verrassende songstructuren die dikwijls een postrock karakter hebben. Dergelijke combinatie herkennen we ook bij Isis, nog zo’n interessante band,  waar het geluid van deze Baroness nog het dichtst bij aanleunt.  Een vleug psychedelica is hen echter ook niet vreemd in “Wailing wintry wind” en met het korte maar sfeervolle “Cockroach en fleur” levert de band een mooie akoestische adempauze. Kleppers van dit album zijn opener “Rays on pinion”, hun visitekaartje waarin alle troeven van deze band in één song zijn samengebald, en de zwaar slepende instrumental “Grad”.
Als er iets bestaat als veelzijdige metal, dan is het dit wel. Knappe plaat.

donderdag 18 oktober 2007 02:00

Zeitgeist

Het is niet omdat de nieuwe Pumpkins hard, gemeen en stevig klinkt, dat het daarom een goede plaat is geworden. Trouwens, in hoeverre kunnen we hier echt spreken van een Smashing Pumpkins reünie ? Op vandaag is de groep immers herleid tot enkel boegbeeld Billy Corgan en drummer Jimmy Chamberlain. Geen spoor van D’Arcy  of James Iha. Mijnheer Corgan vindt zichzelf nogal een ‘ubermensch’ en speelt gewoon alles zelf in. De egocentrische klootzak overschat nog geen klein beetje zijn eigen kunnen en staat hier wat aan te klooien en wat wild om zich heen te roepen, maar goede songs ? nee hoor.
Zoals gezegd, de plaat is wel hard, maar ze blijft niet hangen. Kortom, veel lawaai, weinig inhoud. Corgan heeft als gitarist wel een paar rake en vette riffs uit zijn mouw geschud, maar de songs die erop gebouwd zijn vallen te mager uit, op een drietal uitzonderingen na. Het tien minuten durende “United States” vinden we nog sterk omwille van de als vanouds uitfreakende en scheurende gitaren. Ook “Come on let’s go” en “Tarantula” halen nog een behoorlijk niveau maar voor de rest is het  la grande tristesse. En dit voor een rockgroep die ooit nog baanbrekend geweest is en met ‘Siamese dream’, een absolute vijfsterrenklassieker heeft gemaakt, maar dat is ook alweer heel lang geleden.
Deze reünie, die er eigenlijk geen is, had er nooit mogen komen en ‘Zeitgeist’ is bijgevolg een volkomen overbodige plaat waar we verder niet veel woorden meer aan gaan vuilmaken.

donderdag 11 oktober 2007 02:00

Going way out heavy with Heavy Trash

Jon Spencer heeft voor onbepaalde tijd zijn Blues Explosion op non actief gezet om zich met enkele interessante nevenstapjes bezig te houden. Vorig jaar kwam daar de bruisende cd ‘The man who lives for love’ uit onder de naam Spencer Dickinson, nu komt hij aanzetten met de al even boeiende tweede cd van Heavy Trash, het bandje die hij in 2005 opgestart heeft met Matt Verta-Ray van Speedball Baby (ze werkten eerder ook al samen op ‘The Black Godfather’ van Andre Williams). Verder worden ze onder andere begeleid door The Sadies, een country trash groepje met hart en ziel op de juiste plaats.
“Zullen we nog een keertje een ‘Elviske’ doen”  moet Jon Spencer gedacht hebben bij het inzetten van deze vette klomp rock’n’roll en hij schudt meteen de geschifte Elvis-pastiche “Pure gold” uit zijn mouw. Een opener van formaat en men gaat op dat elan door. Spencer swingt zijn eigen ballen er af in “Kissy baby”, zet een overstuurde Johnny Cash neer in “That ain’t right”, blaast de speakers er door in de garage punker “I want oblivion” en toont zich een volleerde crooner in de plakker “Crying tramp”. En het stopt niet, “Way out” bruist als The Cramps in hun hoogdagen, “They were kings” is een geweldig voortdenderende rock’n’roll sneltrein, “Crazy pritty baby” is een hete lap opgefokte gekheid en afsluiter ”You can’t win” is een heerlijke talking blues.
Dit is, mocht u het nog niet begrepen hebben, een meer dan fantastisch en knotsgek plaatje waar een mens maar niet genoeg kan van krijgen. Als Spencer dergelijke geniale zotte dingen blijft doen, hoeft hij van ons zelfs niet eens meer de Blues Explosion terug bijeen te roepen.

donderdag 11 oktober 2007 02:00

Filmisch en sfeervol

De AB was voor de gelegenheid voorzien van extra zitplaatsen voor de liefhebbers van de sfeervolle tonen van dit zeskoppige Brits gezelschap. The Cinematic Orchestra creëert met name een breed muzikaal landschap waarin het mooi wegdromen is. Hun sound is een aangename smeltkroes van een beetje lounge, een flinke scheut jazz en een vleugje avant garde. Wij hoorden flarden Massive Attack, Zappa (in de periode van The Grand Wazoo), Gotan Project (zonder tango), Explosions in the sky (atmosferische gitaarklanken), David Sylvian, Craig Armstrong en Lamb. Dit maar om enig idee te vormen waar we het warme geluid van deze knappe muzikanten dienen te situeren.

The Cinematic Orchestra wist meermaals avontuurlijke uitstapjes in de muziek te verwerken via freejazz-achtige  experimenten van de saxofonist en de freewheelende drumpartijen die de drummer schijnbaar vrij makkelijk uit zijn losse pols roffelde, en dit met een nochtans vrij bescheiden drumstelletje.  De songs uit de overigens sublieme laatste cd  ‘Ma Fleur’ kwamen iets minder aan bod, maar dat heeft dan ook veel te maken met de vele gastmuzikanten en vocalisten die erop meespelen en uiteraard die avond er niet bij waren. Geen nood, hier stond immers genoeg talent op het podium om voor een uiterst sfeervol en hoogstaand concert te zorgen. De ganse set was een mooie afwisseling van virtuoze instrumentale klanktapijten en ingetogen zweverige songs voorzien van de prachtige zangpartijen van een goed uit de kluiten gewassen negerin. Zo kregen we ondermeer een hemelsmooi gezongen “Familiar ground”.  De totaalsound ademde een filmisch en atmosferisch karakter en dreef de set langzaam naar een climax toe. Naar het einde toe kwam steeds meer de groove erin met een trio schitterende songs uit hun ‘Everyday’ album.
Na een prachtig “Man with the movie camera” kwam de band terug voor sublieme vertolkingen van “All that you give” en een stomend en steeds heter wordend “Evolution”. Omdat het publiek toen al laaiend enthousiast was, moesten en zouden ze nog eens terugkomen, ook al waren de lichten in de zaal al aangefloept. Daarop volgde nog een gedreven instrumentaal “Flite” maar toen was het gedaan.

Met deze set zorgde The Cinematic Orchestra uiteindelijk toch nog voor een zwoele zomer, en ook al duurde die maar anderhalf uurtje, we hebben er volop van genoten.

Info: www.audijazz.be

Organisatie: Jazztronaut ism AB

Pagina 98 van 103