Het Depot Leuven - concertinfo 2024

Het Depot Leuven - concertinfo 2024 events 2024 02-05 Bluai 03-05 Iksander moon 04-05 Fun Lovin’ Criminals, Rudeboy plays UDS 05 + 07 + 08-05 Lieven Scheire 06-05 UUR Kultuur: Reinel Bakole, Ise & Bwana 10-05 Noémie Wolfs 11-05 Stef Kamil Carlens 12-05 Haevn…

logo_musiczine_nl

Talen

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Zara Larsson 25...
Zara Larsson 25...

Pukkelpop 2009 in de ogen van … Aanbevolen

Geschreven door
&

Pukkelpop 2009 in de ogen van …

Samen met het Dour festival moet Pukkelpop zowat de hoogmis vormen van de alternatieve muziekscene op de Belgische zomerfestivalkalender. Tijdens een driedaagse marathon geven bijna 200 groepen en artiesten ter hoogte van het onooglijk kleine stukje Limburg genaamd Kiewit acte de présence op acht verschillende podia: zappen van noise naar beats, van hard naar zacht, van het mega gevoel van de Main Stage naar de intimiteit van de Chateau. Een goed voorbereid man is er dus twee waard, timing is of the essence wil je voldoende waar voor je geld. Ziehier de hoogst onbetrouwbare neerslag van mijn muzikaal parcours op Pukkelpop 2009...

Dag 1, 20 augustus 2009

Vrij onverwacht begon onze muzikale rondreis met een valse noot van formaat in de bloedhete Shelter. De emocore van het Amerikaanse RIVAL SCHOOLS (**) wist acht jaar na hun triomfantelijke doortocht op Pukkelpop nu nog nauwelijks te boeien, en dit ondanks een uitgelezen selectie uit hun klassieke debuut ‘United by Fate’. Klassenummers als “High Acetate”, “Undercovers on” en “Used for Glue” werden door de weinig geïnspireerde frontman Walter Schreifels en zijn bijwijlen erg slordig musicerende band gewoon met te weinig pit en te routineus de tent ingestuurd. Omwille van hun status als één van de pioniers in het genre blijft de groep bij vele fans echter respect genieten, het wordt dus uitkijken naar het langverwachte tweede album, en vooral, de verhoopte herkansing in het Belgische clubcircuit.

Toegegeven, de loden hitte zat er zeker voor iets tussen toen we de schaduw van de immer donkere Chateau opzochten voor de set van SOAP & SKIN (****). We blijven de Limburgse middagzon echter eeuwig dankbaar, want zonder haar hadden we bijna één van dé ontdekkingen van Pukkelpop 2009 gemist! Achter dit éénmansproject gaat de frêle Oostenrijkse fee Anja Plaschg schuil die onlangs debuteerde met ‘Lovetune for Vacuum’. Vanachter haar zwarte grand piano declameerde dit 19-jarige natuurtalent een resem gitzwarte songs doorweven van tristesse, verder enkel begeleid door onheilspellende samples.  Hoogtepunten in overvloed, maar als we toch moeten kiezen: het autobiografische “Spiracle”.

Na de massale opkomst voor de (on)begrijpelijk populaire Dizzee ‘Bonkers’ Rascal had het overwegend jonge festivalvolkje weinig boodschap aan de knappe americana van WILCO (****) in de Marquee. Al hebben Jeff Tweedy & co met ‘Wilco (The Album)’ net een relatief poppy album afgeleverd, live trok de groep echter ongemeen stevig van leer. Naast de ongeschoren Tweedy blijkt vooral gitarist Nels Cline de absolute sterkhouder van de groep, zoals hij overvloedig bewees tijdens een heftig “Impossible Germany”. Als dit slechts een voorproefje was van wat de heren in petto hebben voor hun najaarstour zou ik wel weten wat gedaan op 6 november ter hoogte van de AB...

Na de naar verluid zeer makke vertoning van Razorlight deden DEFTONES (****) wat van hen verwacht werd: de lont aan het vuur steken en voor de eerste keer de Main Stage laten ontploffen. Het was al meteen goed raak met de furieuze opener “Feiticeira”, meteen gevolgd door publiekslieveling “My Own Summer (Shove it)”. De scherp ogende frontman Chino Moreno ging vervolgens ook even persoonlijk zijn fans begroeten, en weg waren we voor een memorabele set emometal van de bovenste plank. Moreno fluisterde, brulde en krijste zich een weg door de setlist, met als ultieme afsluiter het claustrofobische “Change (In the House of Flies)”.

Onder een onbehaaglijk ogende gitzwarte hemel dreven de (on)weer(s)goden ons vervolgens naar de Club alwaar het New Yorkse kwartet GRIZZLY BEAR (***) kwam bewijzen waarom er zoveel fuzz wordt gemaakt rond hun jongste worp ‘Veckatimest’. Hun barokke en bijzonder ingenieus in elkaar geknutselde meerstemmige huiskamerpop werd fel gesmaakt terwijl het buiten oude wijven regende. Net als op plaat behoorden “Cheerleader” en de instant classic “Two Weeks” tot de absolute hoogtepunten. Het lijkt wat vroeg op het jaar, maar noteer ‘Veckatimest’ alvast ergens in de bovenste regionen van jullie persoonlijke albumlijstjes.

De tijd dat THE OFFSPRING (**) zich even de hipste punkrockers op deze planeet waanden ligt intussen ruim 15 jaar achter ons, maar toch konden ze Chokri & co overhalen om voor hen een plaats op de Main Stage warm te houden. De overigens pretentieloze muzikale formule van frontman Dexter Holland, gitarist Noodles en hun kornuiten is al jaren ongewijzigd maar lijkt wonderwel ook de nieuwe generatie festivalgangers aan te spreken. En de fans van het eerste uur, ach, die waren al gauw tevreden toen ze helemaal vooraan de set met “Come Out and Play” en “Bad Habit” twee klassieke meezingers uit de millionseller ‘Smash’ kregen voorgeschoteld.

Op Guns ‘n’ Roses na (headliner in 2002) was er nog nooit zoveel te doen rond de komst van een groep op Pukkelpop als de Surprise Act die donderdag na Wilco in de Marquee zou aantreden. De eerste geruchten bleken bewaarheid te zijn toen de leden van THEM CROOKED VULTURES (****) op het podium verschenen, oftewel de nieuwste supergroep in het alternatieve rocklandschap bestaande uit Josh Homme (Queens Of The Stone Age), Dave Grohl (Foo Fighters) en John Paul Jones (Led Zeppelin). Van een primeur gesproken: de één uur durende set op Pukkelpop was immers pas het derde officiële optreden sinds het oprichten van de groep, en bestond bovendien uit uitsluitend nieuwe nummers die nog geen hond ooit had gehoord. Maar ook zonder een feest der herkenning wisten de Stone Age Zeppelin Fighters (zoals ze inmiddels op diverse blogs worden omschreven) te imponeren met hun monumentale sound die naast de onvermijdelijke vergelijkingen met Queens Of The Stone Age en Led Zeppelin ook de geest van Cream, Mountain, Cactus en Masters of Reality ademde. Voor de afwezigen blijft het wonden likken en nagelbijten tot 23 oktober wanneer het debuut van Them Crooked Vultures, ‘Never Deserved the Future’, wereldkundig wordt gemaakt.

Ook de zanger van OPETH (***) bekende zonder schroom dat Them Crooked Vultures de lat wel heel erg hoog hadden gelegd voor hun eigen set in de Shelter. Tijdens de afgelopen twee decennia hebben deze sympathieke Zweden echter al voldoende credibility opgebouwd in het progressieve metalgenre, niet in het minst dankzij het fenomenale koppel stembanden van frontman Mikael Åkerfeldt. De ene keer klinkt hij even zoetgevooisd als een zondagse koorzanger, de volgende seconde als grafstem uit een slechte horrorfilm. Een gemiddeld Opeth nummer klokt gemakkelijk af op 10 minuten en lijkt wel een een mini-opera op zich volgestopt met onverwachte tempowisselingen en symfonische intermezzo’s. Tip: wie zich afvraagt hoe een muzikaal huwelijk tussen death metal, psychedelica en jazz klinkt slaat er best even hun vorig jaar verschenen ‘Watershed’ album op na.

LADYHAWKE (**) maakt onschuldige pop voor onschuldige meisjes. De Club was dan ook volgelopen met exemplaren van deze laatstgenoemde diersoort die met volle teugen genoten van catchy doch licht verteerbare 80s popdeuntjes. De groep had haar radiohits mooi opgespaard tot op het einde van de set: na een eerder mak “Back of the Van” en een strak “Paris is Burning” deed vooral de nieuwe single “My Delirium” de plankenvloer van de tent trillen van ... onschuldig genot?

Wie vooraf geld had gezet op FAITH NO MORE (*****) als één van de absolute toppers van Pukkelpop 2009 kwam niet bepaald berooid terug van zijn/haar weekendje Kiewit. Want geef toe, wie had zich kunnen indenken dat de terugkeer van een 90s icoon dat ruim 10 jaar geleden de handdoek in de ring gooide, en bovendien geen nieuw materiaal op stapel heeft staan, zou leiden tot een ronduit verbluffende performance op de Main Stage? De heren in wit maatpak openden de set met een zo mogelijk nog kleffere versie van “Reunited” dan de originele hit van Peaches & Herb, gevolgd door het manische “Land of Sunshine” uit hun doorbraakalbum ‘Angel Dust’. Dit straf staaltje zelfrelativering kon het schizofrene karakter die de groep altijd heeft getypeerd werkelijk niet beter demonstreren, balancerend tussen retestrakke crossover (“Epic”, “Midlife Crisis”) en zeemzoeterige ballads (“Evidence”, “I’m Easy”). Voeg daarbij nog de rekbare stembanden van podiumbeest Mike Patton, en je bekomt het perfecte recept voor een dik uur alternative adult entertainment. Ook op z’n 41ste lijkt Patton trouwens maar weinig wilde haren te zijn verloren: hij intimideert fans met een stalen blik, draait ze een tongzoen of spuwt in de camera als een onbezonnen tiener. Met de heftige toegift  “We Care a Lot” besloot Faith No More een fenomenaal best of feestje dat nog lang in ons muzikaal geheugen zal blijven nazinderen.

Wie om 1 uur ’s nachts nog voldoende wakker was en een portie oorverdovende dramatiek wel kan smaken moest uiteraard van de partij zijn in de Marquee voor MY BLOODY VALENTINE (***). Net als Faith No More heeft deze legendarische, van oorsprong Ierse indieband rond opper-shoegazer Kevin Shields na jaren van afwezigheid opnieuw de rangen gesloten, maar is het onduidelijk of er ook nog nieuw werk aankomt. Phil Spector vond ooit de wall of sound uit, The Jesus And Mary Chain gooiden daar fuzz gitaren bovenop, maar het was My Bloody Valentine die in de allesovertreffende trap dit alles nog eens drapeert met een dissonante noisebrij en atmosferische soundscapes. Echte songs waren in de Marquee dan ook ver te zoeken, maar decibels waren er des te meer in overvloed. Gezien hun legendarische status in het indielandschap is dit een band die je één keer moet gezien hebben, maar mijn trommelvliezen smeken mij om het bij deze ene keer te houden.

Dag 2, 21 augustus 2009

Nu een heropstanding van New Order na de zoveelste egoclash weinig waarschijnlijk is ligt de weg wijd open voor mogelijke troonopvolgers. In de Marquee toonde het Britse viertal DELPHIC (***), toevallig of niet tevens afkomstig uit Manchester, dat het zeker kan meedingen naar die titel. Met lange, soms freaky nummers opgebouwd rond electronische bliepjes en glasheldere gitaarlijntjes lijken deze Mancunians intussen al het juiste geluid gevonden te hebben, nu nog de wereldsongs.

Het Canadese METRIC (***) timmert intussen ruim 10 jaar aan de weg, maar heeft pas dit voorjaar enige naambekendheid verworven aan de andere kant van de grote plas met de radiohit “Help I’m Alive”. Een lang uitgesponnen versie van dit nummer stak helemaal voorin hun set op de Main Stage, maar de groep bewees over genoeg andere troeven te beschikken om niet de geschiedenis in te gaan als one-hit wonder. We onthouden hierbij vooral de niet onaardige frontvrouw Emily Haines die nu en dan de show kwam stelen door lekker loos te gaan op haar knetterend orgeltje, maar zich tijdens het afsluitende ‘Stadium Love” toch wel lichtjes vergaloppeerde als volksmenner.

Op basis van hun muzikale bio, waarin wordt gerefereerd naar schoon volk als The Band, My Morning Jacket en The Black Crowes, klonk het optreden van ALBERTA CROSS (**) in de Marquee veelbelovend. Helaas verloren deze naar New York uitgeweken Londenaren zichzelf al te veel in oeverloze jamsessies, en waren beklijvende songs waar hun grote voorbeelden garant voor staan meestal ver te zoeken.

Het optreden van A PLACE TO BURY STRANGERS (***) in de Shelter hadden we vooraf in het programmaboekje aangeduid met drie uitroeptekens. Dit New Yorks drietal is met name één van dé vaandeldragers van de nieuwe lichting noise-adepten die de eerste platen van The Jesus And Mary Chain en Suicide op eigentijdse en originele manier recycleren. We kregen een dik halfuur stofzuigernoise van de bovenste plank geserveerd waarin, in tegenstelling tot de set van My Bloody Valentine, de meest moedigen onder het publiek nu wel afgewerkte songs en melodieën konden ontwaren. Gitaren worden door frontman Oliver Ackermann het liefst met zo weinig mogelijk respect behandeld, maar ach, zolang dat resulteert in aanstekelijke indienoise die bij vlagen zelfs deed terugdenken aan de begindagen van Ride kunnen wij daar weinig of niets tegen in brengen.

Toegegeven, de Dance Hall is niet het natuurlijk biotoop van ondergetekende maar hitgevoelig als we zijn (!?) leek de set van PAUL KALKBRENNER (***) ons een absolute must. Deze kale Berliner uit de BPitch Control stal van Ellen Allien (die de volgende dag de Boiler Room op kritische temperatuur zou brengen) permitteerde het zich om het inmiddels grijsgedraaide “Sky and Sand” helemaal voorin zijn set weg te moffelen. Net daarvoor mocht Kalkbrenner voor dit nummer uit de soundtrack van de film ‘Berlin Calling’ zelfs een gouden plaat in ontvangst nemen, maar hij liet zich verder niet van de wijs brengen tijdens zijn strakke set vol heerlijk minimale electro. Als afsluiter deed Kalkbrenner nog iets leuks met “Mad World” van Tears For Fears (een aantal bakvissen rond mij hadden trouwens een geheel ander nummer van ene Gary Jules herkend?!).

Zo nu en dan komt een groep aandraven waarbij je na de eerste kennismaking minuten lang moet bekomen van de onverwachte adrenalinepunch die je net werd verkocht. Een muzikale ontdekking heet zoiets, en het optreden van THE CHAPMAN FAMILY (*****) in de Chateau loopt wat ons betreft met die eer weg. Deze Noordengelse band heeft namelijk alles wat een opwindende indieband moet hebben: een typische sound (New Model Army meets Joy Division), songs die één voor één beklijven, een charismatische frontman die suicidaal worstelt met zijn microfoonsnoer en, last but not least, een attitude alsof elk optreden het laatste zou kunnen zijn in de nog jonge geschiedenis van de groep. Kingsley, Paul, Pop en Phil Chapman hebben vooralsnog geen album uit, maar het feit dat na elk optreden een deel van hun instrumenten naar het hiernamaals worden gecatapulteerd zit hier misschien voor iets tussen...

Op het podium van de Club kon de arty gitaarpop van THE VIRGINS (**) op redelijk wat bijval rekenen. De deuntjes van dit New Yorkse gezelschap refereren niet toevallig naar de kale strakke sound van stadsgenoten The Strokes en de vroege Talking Heads, terwijl de stem van frontman Donald Cumming warempel als twee druppels water leek op deze van Glasvegas strot James Allan. We zagen een jonge band aan het werk wiens geluid ondanks een bescheiden hype nog moet rijpen om een eigen stempel op hun 12-in-een-dozijn gitaarpop te kunnen zetten.

Scotland’s finest GLASVEGAS (***) hangen hun songs graag op aan een wall of sound en lijken als eerste de missing link tussen bombastische croonerpop en shoegaze te hebben gevonden. De Marquee liep aardig vol voor deze sympathieke Scotsmen die het leven graag doorspekt zien van de nodige dramatiek en pathos, getuige hun doorleefde versie van de Korgis klassieker “Everybody’s Got to Learn Sometime”. Een leuk tussendoortje, dat samen met de radiohits “Geraldine” en “Daddy’s Gone” voor het nodige herkenningsapplaus zorgde in een voor de rest gitzwarte set die qua troosteloosheid niet moest onderdoen voor de achterbuurten van thuisstad Glasgow.

THE JESUS LIZARD (***) gelden als generatiegenoten van Nirvana, maar bleven bewust uit de schijnwerpers toen hun tegendraadse noise plots grunge werd genoemd. In de Shelter waren we getuige van de reünie van deze legendarische band uit Chicago waarvan verschillende leden intussen vlotjes de kaap van de 40 gepasseerd zijn. Hun beproefde recept, met overstuurde gitaren, dwarse baslijnen, aritmische drums en de maniakale zang van opper-Lizard David Yow als voornaamste ingrediënten, zijn ze alvast nog niet verleerd. Bericht aan de vrouwelijke fans: Yow beperkte zijn traditionele striptease deze keer tot een topless act.

Een propvolle Marquee was op de afspraak voor de doortocht van VAMPIRE WEEKEND (****), het studentikoze New Yorkse viertal dat tot één van de absolute revelaties van vorig jaar dient te worden gerekend. De okselfrisse gitaarpop met Afrikaanse invloeden uit hun titelloos debuut werd afgewisseld met nieuwe nummers uit de opvolger die momenteel in de studio wordt afgewerkt. Op het eerste gehoor lijken deze nieuwe songs de afropopsound van Vampire Weekend nog verder op te schuiven richting Paul Simon’s ‘Graceland’ album, maar voor het publiek leek gewoon elk nummer wel een feest van herkenning. Zanger Ezra Koenig is geen veelprater, maar leek toch heel erg gecharmeerd door zoveel enthousiasme van het Pukkelpop publiek. Hoogtepunten waren er werkelijk teveel om op te noemen, dus laten we het maar houden op de ronduit aanstekelijke afsluiter “One (Blake’s Got a New Face)” waarvan het refrein zich voor de rest van de festivaldag comfortabel in ons hoofd had genesteld.

Waarom THE GET UP KIDS (***) met hun aan Jimmy Eat World, Weezer en The Posies refererende meerstemmige gitaarpop ooit in het emocore hoekje zijn terecht gekomen zal voor ons altijd wel een raadsel blijven. Net als Faith No More en The Jesus Lizard was deze sympathieke bende uit Kansas City naar Pukkelpop afgezakt om hun recente reünie muzikaal luister bij te zetten, en op de prangende vraag “Kunnen ze het nog?” dienen we op grond van hun prestatie in de Shelter volmondig “Ja!” te antwoorden. Kids van het eerste uur Matthew Pryor en Jim Suptic tekenen nog steeds voor doorleefde vocals maar rammen terzelfdertijd stevig door op hun respectievelijke gitaren, en ook op het enthousiasme van keyboardspeler James Dewees lijken de jaren vooralsnog geen vat te hebben. Vers materiaal zou op de plank liggen, maar een wereldnummer als “Action and Action” -live alweer goed voor het nodige animo op de eerste rijen- maken deze Kids waarschijnlijk nooit meer.

In een vlaag van postnatale inspiratie heeft Karin Dreijer Andersson, de helft van de Zweedse broer-zus combinatie die schuil gaat achter The Knife, met FEVER RAY (****) een nieuw soloproject boven de doopvont gehouden. De live-set van Andersson’s nieuwe muzikale vermomming in de Marquee was in vele opzichten uniek te noemen! Vermoedelijk op uitdrukkelijk verzoek van de groep zelf was dit bijvoorbeeld het eerste optreden van de dag waarbij het publiek eindelijk gespaard bleef van Peter Van de Veire’s overbodige feel good introductie. Bovendien lijken de leden van Fever Ray liefst zo onzichtbaar mogelijk te blijven om de aandacht maximaal te concentreren op de sobere, bijna onaardse muziek. De bezwerende opener “If I Had a Heart” zette meteen een erg onheilspellende toon, en dankzij een sobere belichting met lampenkappen en een deken van laserstralen slaagde de groep er in om een spooky sfeertje te creëren. Andersson waagde zich ook aan een extreme makeover van Nick Cave’s “Stranger Than Kindness” dat nagenoeg onherkenbaar verscholen zat midden in de set. Wie zich had verheugd op de opgefokte beats van The Knife was er wel enigszins aan voor de moeite, en naarmate de set vorderde zagen we de Marquee tent dan ook langzaam maar zeker leeglopen. De etherische schoonheid van Fever Ray’s minimale sprookjespop leek wel enkel weggelegd voor een select publiek dat zich heel even op de donkerste planeet uit ons zonnestelsel waande.

Tom Barman & co kregen het van Chokri gedaan om twee dagen op rij de Marquee in schoonheid en stijl te mogen afsluiten, met als unieke tegenprestatie dat er voor beide avonden een totaal verschillende setlist zou worden samengesteld. Met het venijnige “Everybody’s Weird” opende een erg gretig klinkend dEUS (****) de eerste van twee sets op vrijdagavond die uiteindelijk zou uitgroeien tot een indrukwekkend feest der herkenning waarop ook enkele gasten waren uitgenodigd. Fever Ray’s Karin Dreijer Andersson bleef haar ijzige zelf tijdens een beklijvend duet met Barman op “Slow”, Snow Patrol frontman en ideale schoonzoon Gary Lightbody zorgde voor een verrassing van formaat door een heel erg fraaie interpretatie van “Hotellounge” neer te zetten, en ook Hickey Underworld strot Younes Faltakh mocht een nummer komen meebrullen. Tussendoor staken ook een aantal nieuwe nummers de kop op die vocaal werden aangekleed door een vierkoppig jazzkoortje in zwarte cocktailjurkjes. dEUS blijft haar artistieke grenzen dus verder aftasten, maar lijkt met elk nieuw album steeds dichter bij de mainstream aan te (willen) leunen. Dat Barman & co al in de jaren ’90 hun beste werk hebben afgeleverd zullen weinigen betwisten, zeker wanneer je na elkaar “Serpentine”, “Theme From Turnpike”, “Fell Off the Floor, Man”, “Instant Street” en “Morticiachair” krijgt geserveerd. De kers op de taart werd bewaard voor het onvermijdelijke “Suds & Soda” dat onverwacht bezoek kreeg van De Jeugd Van Tegenwoordig die er een flard “Hollereer” tussen gooiden. Slotsom: dEUS had tijdens dit eerste van twee optredens zowel voor zichzelf als voor het publiek de lat al heel erg hoog gelegd, en het was dus maar zeer de vraag of dit huzarenstukje 24u later nog kon worden geëvenaard (zie verder).

Hoe krijg je een volstrekt onhippe groep als KRAFTWERK (****) als headliner op de Main stage verkocht aan het jonge Pukkelpopvolkje? Luc Janssen deed eerder op de dag alvast een verdienstelijke poging: “Goeiemorgen Pukkelpop, ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat de Duitsers komen, het goede nieuws is dat ze maar één avond blijven”. Feit is dat zowat alles en iedereen die tijdens de drie festivaldagen acte de présence gaf in de Dance Hall en de Boiler Room op de één of andere manier schatplichtig is aan het electronische pionierswerk van Ralf Hütter en Florian Schneider, de twee overblijvende leden en feitelijke stichters van Kraftwerk. Wie er bij was op Rock Werchter 2005 wist ongeveer waaraan het publiek zich mocht verwachten: een unieke symbiose tussen beeld en geluid die tot in de kleinste details is geperfectioneerd door vier stokstijve heren op leeftijd, halfverscholen achter hun laptop. De nuchtere vaststelling dat de set op Pukkelpop nagenoeg een blauwdruk bleek van de Werchter show, inclusief de schitterend georkestreerde gedaanteverwisseling van mens tot robot tijdens “The Robots”, was dan ook het enige minpuntje dat we ons kunnen herinneren. Voor een selectie van de hoogtepunten verwijzen we graag naar de betere Kraftwerk compilatie, maar ook meer recente nummers als “Vitamin” en “Aerodynamik” konden zich moeiteloos meten met de echte electroklassiekers van de groep. Op de eindeloze tonen van “Musique Non Stop” werd beleefd afscheid genomen van het publiek dat nu meer dan ooit moet gaan twijfelen of er werkelijk zoiets bestaat als een generatiekloof...

Dag 3, 22 augustus 2009

Onder een immer enthousiaste middagzon mocht het Engelse viertal THE RIFLES (***) de derde en laatste festivaldag op gang trappen vanop de Main Stage met hun melodieuze meerstemmige punkrock in de beste traditie van The Jam en The Undertones. Deze sympathieke jongens spelen vooralsnog niet in dezelfde eredivisie als The Kooks en Kaiser Chiefs, maar hebben met “She’s Got Standards” en “Peace and Quiet” toch reeds twee radiohits op hun conto. Nu nog iets doen aan dat wat suffe Britpop imago en de heren kunnen zich gaan opmaken voor de volgende cover van NME.

De Londense hot young lad JACK PEÑATE (***) kreeg moeiteloos de Marquee gevuld voor een zeer gevarieerde set met nummers uit zijn beide albums. Profileerde hij zich op zijn debuut nog als het softe neefje van Billy Bragg dat te veel naar ska en skiffle heeft geluisterd, op de onlangs verschenen opvolger ‘Everything is New’ gaat Peñate op zoek naar De Perfecte Popsong die hij liefst opdient met een Afrikaans sausje. Op het podium beleeft hij de songs alsof ze elke vezel in zijn lijf raken, en tijdens “Let’s All Die” voegt hij bijna de daad bij het woord door een halve dodensprong richting frontstage te maken om even later met een gescheurd shirt terug het podium op te klauteren. Met de zomerse pop van “Tonight’s Today” en “Be the One” speelde Peñate zijn meest commerciële troeven pas helemaal op het einde uit.

Net zoals voor de meeste andere comedy en muzikale acts van eigen bodem die in de Wablief?! tent geprogrammeerd stonden was het buiten aanschuiven geblazen om een glimp op te vangen van TEAM WILLIAM (***). Sinds het behalen van een bronzen plak op Humo’s Rock Rally 2008 en de recente release van hun redelijk bejubelde debuutalbum is deze groep uitgegroeid tot zowat het belangrijkste exportproduct van Ninove en omstreken. Hun aan Weezer, The Rentals en Fountains Of Wayne refererende frisse gitaarpop mag dan niet bijster origineel heten, aanstekelijk is het des te meer. Komt daarbij dat deze piepjonge twintigers, ondanks de ruime media aandacht, zichzelf en hun succes perfect weten te relativeren. Zo werd midden in een nummer de gitaar plots overhandigd aan een fan op de eerste rij die ter plekke een nieuw Team William nummer componeerde, of werd een gigantische kartonnen replica van het groepslogo (de inmiddels gekende driekleurige halve schietschijf ) het publiek ingekelderd met het uitdrukkelijk verzoek om daar geen spaander van heel te laten. Na het nog steeds geweldige “Lord of the Dogs” sloot de groep, naar eigen zeggen tegen de wil van haar management in, hun triomfantelijke doortocht op Limburgse bodem af met het nagelnieuwe “All We Ever Do is Fuck”. Kan tellen als Valentijnslied...

Het optreden van DEERHUNTER (***) in de Marquee omschrijven is allesbehalve een makkie. Dit uit Atlanta afkomstige viertal brouwt een redelijk uniek mengsel van indierock, noise en psychedelica, en beschikt met de aan het syndroom van Marfan lijdende frontman Bradford Cox (boomlange gestalte en extreem lange vingers) over een bijkomende, zij het ietwat zonderlinge troef. De set nam een aarzelende, gedesoriënteerde start, maar toen de veelgelaagde nummers vorm begonnen te krijgen werden we spontaan herinnerd aan het epische werk van Broken Social Scene en Motorpsycho. We durven Deerhunter op basis van deze performance in de categorie ‘ongrijpbaar, onvoorspelbaar en onwaarschijnlijk’ te rangschikken. Als dat maar geen juiste voorspelling van hun succes wordt...

De roots van CREATURE WITH THE ATOM BRAIN (***) liggen verspreid in zowat de helft van alternatieve scene die Vlaanderen het jongste decennium heeft voortgebracht, of wat dacht U van het indrukwekkende rijtje Millionaire, Evil Superstars, Sexmachines, Vandal X en Mauro & The Grooms? De grootste gemene muzikale deler van al dat geweld heeft uiteindelijk geresulteerd in epische stonerrock in de beste traditie van Kyuss, Karma To Burn en de vroege Monster Magnet. En ja, het kan natuurlijk geen kwaad dat zanger/gitarist Aldo Struyf (ex-Millionaire) tijdens het opnemen van platen Chris mag zeggen tegen superproducer en Masters Of Reality brein Chris Goss en al eens een pint gaat pakken met de donkerste aller treurwilgen Mark Lanegan. Op de Wablief?! stage zorgden de strakke riffs, de loodzware ritmesectie en de bezwerende zang van Struyf voor een werkelijk verslavende set die wat ons betrof nog een uur of drie langer had mogen duren. Alleen spijtig dat Dr. Frankenstein dit niet meer heeft mogen meemaken.

Groot was onze euforie toen DINOSAUR JR. (***) in de eerste lijst met namen voor Pukkelpop 2009 opdook, maar even groot was onze ontgoocheling toen bleek dat J. Mascis, Lou Barlow en Murph naar de Main Stage werden verbannen. Ook in werkelijkheid bleek dit een organisatorische flater van formaat, want de melancholische noise van Dinosaur Jr. verdraagt weinig of geen zonlicht en intrigeert enkel op de eerste rijen van een groot podium. Opener “Just Like Heaven” ging bovendien volledig de mist in door een slechte geluidsmix en onhoorbare zang van Mascis, en alhoewel er duchtig aan de knoppen werd gedraaid kon dit euvel nooit meer helemaal worden weggewerkt. In het eerste deel van de set werd vooral geput uit het alweer uitstekende nieuwe album ‘Farm’ waarbij Barlow ook een nummer voor zijn vocale rekening mocht nemen. Maar toegegeven, het adrenalinepeil ging pas echt de hoogte in tijdens het indrukwekkende rijtje “The Wagon”, “Out There”, “Feel the Pain” en “Freakscene”. Aan de songs lag het dus zeker niet dat dit een behoorlijk maar geen memorabel concert van Mascis & co was, we gunnen hen binnenkort een klinkende revanche in de tent van Leffinge.

Bij de release van hun debuut ‘Myths of the Near Future’ werd het Engelse trio KLAXONS (****) twee jaar terug gebombardeerd tot de vaandeldragers van de zogenaamde ‘nu rave’. Ondanks het integreren van electro, house of breakbeats verliest het jonge drietal de popsong echter nooit helemaal uit het oog. In een bomvolle Marquee bewees de groep dat ze alle studiosnufjes ook live aan de man kan brengen, getuige de zeer poppy en strakke set die ook reeds een aantal nummers bevatte uit hun nog te verschijnen tweede album. Op deze nieuwe nummers lijken Klaxons wat afstand te willen nemen van de hapklare ravepop, en hebben een aantal persoonlijke demonen er blijkbaar voor gezorgd dat het nieuwe werk heel wat donkerder en introverter klinkt. Het publiek maalde er niet om en lipte vrolijk mee met de meer luchtige radiohits “Golden Skans”, “Not Over Yet” en  “Gravity’s Rainbow”. “I’ve seen the future of pop, and its name is Klaxons”.

LIFE OF AGONY (****) kreeg de eer om na drie dagen punk, emocore, progrock, noise en ander geweld de Shelter tent definitief te sluiten. Dit New Yorks kwartet mag ondertussen tot de oudjes van de hardcore scene worden gerekend, maar lieten er ondanks het uitblijven van nieuw albumwerk weinig twijfel over bestaan dat ze hun plek als headliner meer dan waard waren. Ondanks een turbulente levenswandel lijkt de gekwelde stem van frontman Keith Caputo steeds beter te worden met de jaren, en bij vlagen benaderde hij zelfs het oerstrot van voormalig Kyuss zanger John Garcia. Met de ultrakorte adrenalinestoot “River Runs Red” uit hun memorabele debuut liet de groep al heel vroeg een eerste bommetje vallen en kon de rest van de set eigenlijk al niet meer stuk. Ook het onnavolgbare “Weeds” blijft een welgemikte uppercut die door het Shelter publiek bijna woord voor woord werd meegebruld. Beste Chokri, graag meer van dat volgend jaar!

In tegenstelling tot de opzwepende set op vrijdagavond zou het laatste deel van de dEUS (**) tweedaagse volgens Tom Barman meer opbouwend zijn, en zouden een aantal nieuwe nummers worden uitgeprobeerd. In de praktijk kon het contrast met de avond ervoor echter niet groter zijn, en even vroegen we ons zelfs af of dit wel dezelfde groep was die we pakweg 24u terug op hetzelfde podium hadden zien schitteren! Gedurende het eerste saaie concertuur noteerden we op “Nothing Really Ends” na geen enkele muzikale vonk, en moest het publiek het stellen met het vierkoppig jazzkoortje in plaats van de trits zingende gasten die de avond ervoor zo uniek hadden gemaakt. Toen uiteindelijk dan toch voorzichtig een blik klassiekers werd opengetrokken bleken dit met “Instant Street” en “Fell Off the Floor, Man” nummers te zijn die daags voordien ook al in de set staken, terwijl wereldnummers als “Via”, “Little Arithmetics” en “Sister Dew” spijtig maar helaas in de kast bleven. Uiteindelijk werd het optreden maar ternauwernood van de vergetelheid gered door bruisende versies van “The Architect” en “Roses”, maar toch kunnen we niet anders dan besluiten dat één keer dEUS per festival ruimschoots volstaat.

ARCTIC MONKEYS (***) mogen dan al over een indrukwekkend arsenaal songs beschikken, de vraag die velen bezig hield was of ze hiermee de rol van festival afsluiter op de Main Stage konden waarmaken. Een podiumbeest heeft de groep immers nog steeds niet in haar rangen, en ook met lang haar profileert Alex Turner zich zoals gewoonlijk als een ijzige, weinig communicatieve frontman. Wie echter minder gesteld is op imago en zich enkel laat meevoeren door de muziek kreeg misschien wel het beste Monkeys concert ooit op een Belgisch zomerfestival te horen. De groep is sinds haar debuut duidelijk geëvolueerd van springerige en compacte songs naar een breder geluid waarbij naast tempowisselingen en keyboards ook een aantal tragere nummers plaats hebben gekregen. Deze laatste zijn te horen op de kersverse schijf ‘Humbug’ die de vier rotgetalenteerde snotters uit Sheffield onder de productionele leiding van grote broer Josh Homme opnamen in Los Angeles. Naast nieuwe songs zoals de vooruitgeschoven single “Crying Lightning” en een fraaie cover van Nick Cave’s “Red Right Hand” serveerden Turner & co een best of uit hun eerste twee albums. Met o.a. “Fake Tales of San Francisco”, “I Bet You Look Good on the Dancefloor”, “Brianstorm”, “Fluorescent Adolescent” en “505” hebben Arctic Monkeys op geen tijd een oeuvre van instant classics verzameld die ook live nog fris van de lever klinken. Enkel “When the Sun Goes Down” bleef uit, net als bisnummers trouwens, maar na drie dagen van overdadige decibels en hoge temperaturen leek dit eigenlijk niet eens zo erg...

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

Aanvullende informatie

  • Datum: 2009-08-28
  • Festivalnaam: Pukkelpop 2009
  • Festivalplaats: Festivalterrein
  • Stad (festival): Hasselt-Kiewit
  • Beoordeling: 4
Gelezen: 1012 keer