logo_musiczine_nl

Talen

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

DAF - Bimfest 2...
Civic

Sjock 2023 - 7 t-m 9 juli 2023 - Het rock'n'roll highlight of the year Aanbevolen

Geschreven door
&

Sjock 2023 - 7 t-m 9 juli 2023 - Het rock'n'roll highlight of the year
Sjock 2023
Festivalterrein
Gierle
2023-07-07 t-m 2023-07-08
Ollie Nollet

De organisatoren kunnen terugblikken op een geslaagde editie. Veel volk, het weer dat ondanks de voorspellingen toch geen spelbreker werd en veel goeie muziek, een lappendeken van genres en stijlen. Zondag leek me veruit de interessantste dag, maar toen werd plots nog Stiff Richards toegevoegd aan de line-up van vrijdag. We waren twee van de drie dagen aanwezig …

vrijdag 7 juli 2023
Doordat ik wat langer dan verwacht moest aanschuiven aan de ingang miste ik Bob Wayne, de zingende stoomfluit uit Nashville. Ik zag hem nog net "Spread my ashes on the highway" brengen en kon enkel vaststellen dat hij behoorlijk scherp stond en The Outlaw Carnies een stevige indruk nalieten.

Grootste reden voor mijn komst op vrijdag was Stiff Richards uit Melbourne. Nadat ze vorig jaar op de Bang Bang Stage, het kleinste podium op Sjock, verschroeiend uithaalden werden ze dit jaar opnieuw geïnviteerd en kregen ze een plaatsje op de Main Stage toegewezen voor wat hun enige optreden deze zomer in Europa zou worden. Met een schaapachtige grijns op het gelaat vatte zanger Wolfgang Buckley (wat een naam!) vooraan het podium post en zette zijn tanden meteen in "Point of you", misschien wel hun beste nummer. Snelle, rauwe punk die geen enkele poging ondernam om te vernieuwen en ons als het ware terug katapulteerde naar de jaren '70. En wie dacht dat de Main Stage een maatje te groot zou zijn voor dit soort no nonsense rock-'n-roll mocht zijn mening meteen herzien. Integendeel, dit podium leek eerder te klein want Wolfgang Buckley dook al vlug met ontbloot bovenlijf en ware doodsverachting het publiek in waar hij zowat driekwart van het optreden zou vertoeven. In een moshpit waaruit gigantische stofwolken opstegen bleef hij voortdurend fysiek contact zoeken met zijn fans terwijl de Sjock crew handenvol werk had om alles in veilige banen te leiden.
Tussen al dat spektakel zou je bijna vergeten wat voor een geweldige, van een nijdige rasp voorziene, zanger hij is. Intussen fabriceerden de overige vier groepsleden, weggedoken in de luwte, een strakke, met melodieuze gitaren doorspekte, sound. "State of mind" en het traag en repetitief bonkende "Got it to go" spraken mij het meest aan maar eigenlijk hoefden alle overige nummers hier niet voor onder te doen.
Sjock 2023 was na Stiff Richards voor sommigen al een geslaagde editie!

Na eerder in een sukkelstraatje vol verslavingen, arrestaties, gevangenissen en rehabilitatiecentra te zijn beland herpakte Jesse Daniel zich dankzij de muziek en met de steun van zijn verloofde Jodi Lyford, die hier mee op het podium stond. Het aloude verhaal dus maar ook hier ontsproot er iets moois uit. Dit was zijn allereerste show op Europese bodem en het was er meteen eentje om in te lijsten.
Met een vijfkoppige band, waaronder een pedal steel speler, schonk de man uit Austin, Texas ons verrassend fris klinkende country die zich spiegelde aan de Californische Bakersfield sound. De vergelijkingen met Merle Haggard waren dan ook niet uit de lucht gegrepen. We hoorden stuk voor stuk sprankelende songs, waartussen een heerlijke instrumental.
En het mocht er soms ook wat frivoler aan toegaan. Zo bleek de gitarist een liefhebber van crowdsurfen, wat hij hier dan ook eens moest uitproberen. Waarom niet? Schitterende set waarin prijsbeest "Rollin' on" helemaal achterin zat.

Veel garagerock viel er dit jaar niet te beleven op Sjock zodat alle hoop gevestigd was op het Limburgse The Sha-La-Lees, het bandje van connoisseur Cedric Maes (El Guapo Stuntteam, The Sore Losers). De band opende vrij spectaculair met Link Wray's "Rumble" en ook "Born to lose", dat van Reigning Sound had kunnen zijn, trof me midscheeps. Maar daarna werd het te wisselvallig om van een geslaagde set te kunnen spreken. Drummer Dave Schroyen (Evil Superstars, Peuk) werd wegens ziekte last minute vervangen maar daar zal het niet aan gelegen hebben. De songs waren net iets te zwak en het solo-momentje van Cedric Maes met "Bad man" (Oblivians) was overduidelijk te hoog gegrepen. Verder toch nog genoten van de mondharmonica van Christophe Vaes (hoewel we die niet altijd hoorden) en de MC5-cover "Ramblin' rose".

Na de uppercut van Jesse Daniel verwachtte ik van Dale Watson & His Lone Stars niets minder maar dit kwam toch wat minder hard binnen. Daarvoor speelde hij naar mijn gevoel iets te veel op veilig, getuige zijn cover van "Ring of fire".
Nochtans begon hij zijn set vrij indrukwekkend met een stem die steeds meer in de buurt van Johnny Cash komt en een verrassend snedige gitaar. En op songs als "The train kept a rollin'", "I lie when I drink" of "Nashville rag" viel niets af te dingen. Authentieke country met af en toe wat andere roots invloeden, helemaal mijn ding, maar toch bleef ik ergens op mijn honger zitten. Waren het His Lone Rangers  die er apathisch bijstonden (te lang in de zon gelegen?) of de pedal steel die nogal loom klonk? Ongeveer halverwege de set gleden ze weg in een irriterend lankmoedige sound die het genre voor niet-liefhebbers zo onverteerbaar maakt. Gelukkig duurde dit slechts een drietal nummers waarna Dale Watson zich herpakte en er toch nog een pittig slot aan breide, niet in het minst door zijn eclatant gitaarwerk.

Ik heb nooit begrepen waarom een groep als The Hellacopters (Stockholm) destijds bij de garagerock revival van de jaren '90 werd ingedeeld. Nadat ik ze in 2000 zag in Gent, waar ze naar mijn gevoel naar huis gespeeld werden door het magnifieke Zen Guerilla, dat toen dienst deed als voorprogramma, wist ik zeker dat dit helemaal niets met garagerock te maken had, wat Wikipedia ook mag beweren.
23 jaar later bleek er niet veel veranderd. De show was wellicht wat grootser en de sound nog iets pompeuzer. De set begon en eindigde met helikoptergeluiden, niet bijster origineel maar het had wel wat. En dat in tegenstelling tot hun muziek. Foute glamrock, hair metal en Boston (de groep) waren de termen die onder mijn schedelpan circuleerden. Niet echt geruststellend, maar gelukkig zonder blijvende gevolgen.

Nadat The Legendary Shack Shakers in laatste instantie om familiale redenen moesten afhaken was de affiche van vrijdag onthoofd. Met het Baskische Moonshine Wagon werd alsnog een valabele vervanger uit de hoed getoverd. Een groep die ik reeds twee keer eerder aan het werk zag, wat de beslissing om voor mijn bed te kiezen wellicht wat makkelijker maakte.

zondag 9 juli 2023
Mijn parcours begon op zondag in The Titty Twister met Honeyboy Slim & The Bad Habits uit Vetlanda/ Malmö, Zweden. Het viertal, dat 1 plaat, ‘Who put the Jinx?’ onder de arm had, serveerde ons klassieke rhythm & blues die bij momenten behoorlijk broeierig klonk. Opmerkelijke nummers waren opener "I'm moving on" en de Bo Diddley-cover, "Roadrunner".  Nooit werd duidelijk wie nu eigenlijk Honeyboy Slim was. De band beschikte immers over twee zingende gitaristen die dan ook nog eens broers waren: Josef en Jacob Steinvall. Laat dit gezelschap in een bruine, bedompte kroeg spelen, dan breken ze daar wellicht het kot af. Hier hadden ze toch wat moeite om het vuur aan te wakkeren of zat het vroege uur hiervoor iets tussen?

Eén van de bands waar ik fel naar uitkeek was The Drowns uit Seattle. Het viertal opende met een mokerende lap rock-'n-roll waarin Aaron Rev Peters zich met zijn Flying V gitaar profileerde als een innemend frontman gezegend met stembanden die uit puur grind leken te bestaan. De groep bleek echter over twee zangers te beschikken. Ook de veel conventioneler zingende bassist Andy Wylie mocht zijn bijdrage leveren en zijn nogal brave power-pop punk sprak veel minder tot de verbeelding. Desondanks bleef ik The Drowns, die zich presenteerden als een anti-racist en anti-fascist band, een merkwaardige groep vinden die af en toe onverwacht uit de hoek kwam. Zoals met "Subculture rock 'n' roll" of "Ballroom Blitz", een cover van The Sweet die ze opdroegen aan Cock Sparrer van wie ze vermoedden dat ze oud genoeg waren om de lyrics van dat nummer te kennen.

Lobo Jones and The Rhythm Hounds is een jonge Britse band die vorig jaar debuteerde met "Howlin'". Het viertal bewees dat rockabilly ook anno 2023 fris kan klinken. Elliot ‘Lobo’ Jones uitte zich als een erg getalenteerde zanger, begiftigd met die typische snik in de stem. Terwijl drummer Zack Godden de fles Jack Daniels regelmatig liet rondgaan, bleef de band ons verbazen met parels als "Wind up baby" en "If you gonna rock it". Het absolute hoogtepunt voor mij was de Ronnie Self-cover "Bop-a-lena", een song die na 65 jaar nog niets van zijn glans verloren heeft en hier een schitterende uitvoering kreeg.

Het Deens Hola Ghost zag ik vorig jaar nog blinken in The Titty Twister, waar ze blijkbaar voldoende indruk maakten om dit jaar hun entree te mogen maken op het grote podium. The Copenhagen gringos, zoals ze weleens worden genoemd, zagen er weer stralend uit in hun zwarte Mexicaanse pakken met sombreros en dodenmaskers op het gelaat geschilderd. Ook muzikaal blijft de groep van zanger-gitarist Peter Sandorff (Nekromantix, Mad Sin) een uniek gegeven.
Hun cocktail van surf, punk, mariachi en psychobilly smaakte weer verrukkelijk met de twee trompetten als kers op de taart. Intussen pakten donkere wolken zich samen en toen daar nattigheid van kwam, maakte ik mij uit de voeten. Gelukkig bleef het beperkt tot die ene bui.

Ik had wel enige verwachtingen van His Lordship, een jonge band uit Londen, maar die bleven oningelost. Nochtans openden de drie, allen keurig in het pak, niet onaardig met "All cranked up", een lillende homp rock-'n-roll. Maar daarna bleef His Lordship steken in de goede bedoelingen. Zanger-gitarist James Walborne wil zo graag rock-'n-roll zijn maar slaagde daar nooit in. Hij droeg een nummer op aan Robert Gordon, later nog één ("Sleepwalk") aan Jeff Beck. Hij heeft het hart ongetwijfeld op de juiste plaats zitten en aan inzet ontbrak het hem zeker niet maar alles klonk veel te geforceerd terwijl de sound met haken en ogen aaneen hing. Op hun beste momenten riepen ze herinneringen op aan The Godfathers, maar ik vermoed dat dat geenszins de bedoeling was. His Lordship heeft nog wat werk aan de winkel.

Met Eddie and The Hot Rods, die midden de jaren '70 wat deining veroorzaakten met de albums "Teenage depression" en "Life on the line", mochten we een semi-legendarische groep verwelkomen. Of toch niet? Want nadat zanger Barrie Masters in 2019 het loodje legde was meteen ook het laatste originele lid van de groep uit Essex verdwenen. De toenmalige bassist Ian "Dipster" Dean promoveerde zichzelf daarna tot zanger en de band bleef verder optreden en maakte dit jaar zelfs een nieuwe plaat, "Guardians of the legacy". Veel toepasselijker kan een titel niet gekozen zijn en ook op de planken bewezen ze veel meer dan een ordinaire tributeband te zijn.
Hun setlist bestond uit nagenoeg evenveel oude als recentere songs die trouwens naadloos bij elkaar aansloten. We zagen een goed geoliede band die perfect wist te balanceren op de grens tussen pubrock en punk. Nummers als "Life on the line", "Teenage depression"of "Do anything you wanna do" (hun hitje) stonden nog steeds overeind maar ook een nieuw nummer als "Paradise" met Dean op mondharmonica misstond zeker niet tussen die oude parels. Ik vermoed dat ze in de jaren '70 een stuk urgenter klonken, maar dat kon de feeststemming niet drukken. En al helemaal niet toen er werd afgerond met "Gloria".

Voor een eerste echt hoogtepunt op zondag moest men in The Titty Twister zijn. Reverend Peyton's Big Damn Band uit Beanblossom, Indiana begon in 2004 misschien als een 'gimmick' band met Breezy Peyton, de vrouw van de Reverend, voortdurend ratelend op een washboard. Intussen is het drietal toch uitgegroeid tot een vaste waarde in het rootslandschap.
Terecht, zo bleek nog maar eens in Gierle. Reverend Peyton kan intussen bogen op een indrukwekkende reeks sterke songs. Wat was het weer genieten van nummers als "Pot roast and kisses" of "Devils look like angels", dat zelfs aardig dicht in de buurt van Left Lane Cruiser kwam. Daarnaast is de Reverend ook nog eens een begenadigd gitarist die hier zo'n zestal gitaren ter beschikking had, gaande van een resonator tot een immense bijl waarop enkele snaren gemonteerd waren (gebruikt in het slotnummer "Two bottles of wine").
De man speelde niet alleen gitaar maar zorgde tegelijkertijd met zijn duim op de bovenste snaar voor de bas. In het instrumentale "Train song" kon hij naar hartelust zijn techniek demonstreren. We kregen nog meer spektakel toen Max Senteny zijn drumstel ruilde voor ‘bones’, één van de oudste instrumenten ter wereld die bestaat uit twee dierlijke botten, tijdens "Poor Black Mattie" (R.L. Burnside). Toch was het de muziek zelf, die Peyton omschrijft als front-porch blues, die bleef primeren.

Wine Lips uit Toronto was de eerste band die me kon verleiden om naar de kleinere Bang Bang Stage te trekken en ook nu was de keuze hartverscheurend want op hetzelfde moment speelde Slim Cessna's Auto Club in The Titty Twister. Ik heb het me niet beklaagd want het Canadese vierspan groeide uit tot dé revelatie van Sjock. Ze zagen er misschien wat onnozel uit met hun idiote zonnebrillen en hun potsierlijke knevels, hun muziek was dat allerminst. Een adembenemende mix van garagerock, psychedelica en punk gestut door een onontkoombare drive zorgde meteen voor een uitzinnige moshpit.
De invloeden van Osees waren overduidelijk maar dat kon geen enkel bezwaar vormen want dit klonk veel bezielder dan wat John Dwyer de laatste tijd uitspookt.
Het slotkwartier was ronduit fenomenaal met een lange opzwepende instrumental, "Suffer the joy" en "Electric lady". Wine Lips bewezen dat ook eigentijdse psychrock zijn plaatsje verdient op Sjock.

Hardcore is echt mijn ding niet maar het inmiddels ook al twintig jaar oude debuut van The Bronx vond ik toch net iets meer hebben. Ook live, met toch nog een drietal nummers uit die eerste plaat, konden de vijf uit Los Angeles me nu overtuigen. Het werd een hondsbrutale uitbarsting van energie met meedogenloze riffs en een zanger, Matt Caughtran, die als geen ander zijn publiek wist te bespelen ("I need some bodies over here!"). Bovendien viel er wel altijd wat te beleven. Zo werd de jarige drummer op een taart getrakteerd of dook hun chauffeur, tot grote verbazing van de groep, crowdsurfend het publiek in.
De knappe set werd evenwel ontsierd door het oeverloze gezwam van Caughtran, die zijn rol als dominee duidelijk gemist heeft, en een ellenlange, strontvervelende metal solo van gitarist Ken Horne. 

Mijn verwachtingen voor het Zweeds-Deense (Göteborg/ Kopenhagen) The Kokomo Kings waren hoog maar die werden ruimschoots overtroffen. Wat een groep! Vier schitterende muzikanten serveerden ons een perfecte blend van Louisiana blues, Mississippi swamp en Chicago blues opgesmukt met een toefje rock-'n-roll waarbij het onmogelijk stil staan was.
The Kokomo Kings hebben samengewerkt met artiesten als James Harman, Lazy Lester, Louisiana Red, John Primer, Keith Dunn en Mud (zoon van) Morganfield en dat heeft hen duidelijk geen windeieren gelegd. Het bezorgde hen ongetwijfeld die verbazingwekkende maturiteit.
Het werd een set die geen seconde verveelde en waarin geen noot te veel werd gespeeld en dat is verre van evident in de blues. Dit klonk als The Fabulous Thunderbirds in hun allerbeste dagen, ook al omdat de warme stem van Martin Abrahamsson gelijkenissen toonde met die van Kim Wilson.
Songs als "Bottle up" en " A drive-by love affair" werden met een ongehoorde souplesse vertolkt. Naast Abrahamsson die ook gitaar speelde zagen we nog drie sublieme muzikanten: drummer Daniel Winerö, contrabassist Magnus Lanshammar, die niet om een stunt verlegen was en de van een indrukwekkende baard voorziene gitarist Waldemar Skoglund. Die laatste twee vonden zelfs de tijd nog om af en toe met elkaar te dollen. The Kokomo Kings waren adembenemend en duizelingwekkend sterk.

Cock Sparrer, om eerlijk te zijn: ik had er nooit eerder van gehoord. Of misschien toch en was ik ze al lang vergeten. De groep uit Londen bestaat immers sinds 1972! Zij het met enkele onderbrekingen. Cock Sparrer ( een verbastering van Cock Sparrow en dat is een cockney term voor familiarity) begon als pubrock band maar bekeerde zich tot de oi! toen die punkbeweging opkwam. Met zijn vijven, waaronder nog drie originele leden, verschenen ze aan de aftrap. Zanger Colin McFaull was goed bij stem terwijl ook de overige leden, ondanks hun ongetwijfeld respectabele leeftijd, er kwiek uitzagen. "Riot Squad" en "Watch your back" klonken vrij potent maar langer dan 10 minuten kon deze skinhead Status Quo, zoals ze weleens genoemd worden, me niet boeien. Dat had uiteraard alles met het genre te maken: telkens die meebrulbare teksten en kinderlijk eenvoudige melodieën, ik raak er snel op uitgekeken.

Nadat ze exact een jaar geleden in The Titty Twister werden aangekondigd liep diezelfde tent zondag helemaal vol voor de terugkeer van Belgiës bekendste rockabilly/ roots groep The Seatsniffers. Het werd een triomftocht waarin de groep weinig kon misdoen. Walter Broes (zang/gitaar), Roel Jacobs (sax), Bop De Houwer (bas) en Piet De Houwer (drums) lieten de tent uit haar dak gaan. Het liefst hoor ik The Seatsniffers wanneer ze zich aan de blues wagen. "UFO", met die heerlijke gitaar van Broes, was voor mij misschien wel het hoogtepunt van de set. Hun uitstapjes naar de ska kon ik iets minder smaken. Later kwam Alex Agnew nog "Great balls of fire" zingen maar toen was ik net vertrokken in een poging om de uittocht files voor te zijn.

Neem gerust een kijkje naar de pics van één van de dagen SJOCK @Wim Heirbaut
https://www.musiczine.net/nl/component/phocagallery/category/5059-sjock-2023.html?Itemid=0

Organisatie: Sjock, Gierle

Aanvullende informatie

  • Datum: 2023-07-11
  • Festivalnaam: Sjock 2023
  • Festivalplaats: Festivalterrein
  • Stad (festival): Gierle
  • Beoordeling: 8
Gelezen: 890 keer