logo_musiczine_nl

Wilde Westen, Kortrijk - events

Wilde Westen, Kortrijk - events Concerten 2024 Introducing: Blender - De zomerse muzikale mix in Kortrijk Deze zomer brengen Schouwburg Kortrijk en Wilde Westen een uitzonderlijke muzikale ervaring naar de Bolwerksite in Kortrijk. Blender is de nieuwe zomerse…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Jane's Addictio...
Jane's Addictio...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Left Lane Cruiser - Demonische slidegitaar

Een heel mooie opkomst voor een groep die eigenlijk veel te lang was weggebleven uit de Belgische zalen. Na de vaste thuisstek in de 4ad, waren ze nog te zien in de Botanique, met dank aan het vroegere Rootsandroses. Left Lane Cruiser is duidelijk nog niet vergeten …

Dat volk was nog maar net aan het binnensijpelen toen de eerste band eraan begon. Till Morninglight uit het Oost-Vlaamse Berlare was oorspronkelijk een duo maar is intussen uitgegroeid tot een trio dat zijn muziek graag laat omschrijven als garagerock met een toefje blues. Nu is garagerock een uiterst rekbaar begrip maar hetgeen ik hier hoorde, deed me toch eerder denken aan classic rock maar die term klinkt uiteraard minder aantrekkelijk voor een jonge groep. De drie, allen getooid in een beeldig streepjesshirt, probeerden ons  te overtuigen met energiek gebrachte rock waarop weinig af te dingen viel. Zanger-gitarist Frederik Vanhoo, die zich geweldig leek te amuseren, beschikt over een forse strot en samen met drummer Lode Haleydt en bassist Daniel Guerrero wist hij een strakke sound te smeden.
Korte, krachtige songs gebracht met de gretigheid van jonge veulens en toch bleef ik wat op mijn honger zitten. Dit klonk net iets te gestroomlijnd om mijn hart wat sneller te laten kloppen terwijl ik tevergeefs wachtte op een nummer dat er bovenuit sprong. Toch blijf ik geloven dat Till Morninglight voldoende potentieel heeft om in de toekomst wat meer potten te breken.

Left Lane Cruiser uit Fort Wayne, Indiana werd in 2004 boven de doopvont gehouden maar het duurde tot 2008 vooraleer ik ze leerde kennen. In dat jaar verscheen hun eerste officiële plaat, het fenomenale "Bring yo' ass to the table" en dat precies een jaar nadat "Every damn time" van dat andere duo, Black Diamond Heavies, op hetzelfde ‘Alive Records’, me ook al een mokerslag bezorgde. De toekomst van de rock-'n-roll zag er toen plots heel rooskleurig uit. Maar mooie liedjes duren doorgaans niet lang. In 2010 gaven Black Diamond Heavies er de brui aan terwijl het voortbestaan van Left Lane Cruiser ook even aan een zijden draadje hing toen drummer Brenn Beck besloot ermee te kappen om zo voor zijn gezin te kiezen. Maar Frederick ‘Joe’ Evans IV is een doorzetter en hij vond in 2014 met Pete Dio een nieuwe drummer en kreeg er zelfs heel even gratis een totaal overbodige bassist (Joe Bent) bij. Vijf jaar geleden keerde Brenn Beck terug op het oude nest en enkele weken terug verscheen er ook een eerste plaat van die hernieuwde oerversie van Left Lane Cruiser: ‘Bayport BBQ Blues’, een eerbetoon aan hun mentor en oprichter van het Deep Blues Fest, Chris Johnson, die vorig jaar overleed.
De set begon met het iconische "Wash it", een nummer uit die eerste plaat dat drijft op het ratelend wasbord, de bonkende basdrum en het droge getik op een koebel van een staande Brenn Beck. Voeg daarbij de gruizige stem en de demonische slidegitaar van Freddie J IV en je hebt vintage Left Lane Cruiser. De avond kon toen al niet meer stuk, hoewel er na de tweede song toch wat twijfel rees toen het geluid plots begon te sputteren. Schuldige bleek een niet volledig gerodeerde nieuwe mengtafel maar dat euvel was snel verholpen zodat het feest opnieuw in alle hevigheid kon losbarsten.
Hoewel Left Lane Cruiser intussen reeds zo'n tiental platen heeft gemaakt die nagenoeg volledig gevuld zijn met eigen werk, blijft het duo ons tijdens hun optredens verrassen met niet altijd even voor de hand liggende covers. Dit keer hoorden we een paar keer RL Burnside, "Wild about you, baby" van Hound Dog Taylor, "Mule plow line" van Jimbo Mathus en een verwoestende versie van Freddie King's "Going down".
Uiteraard diende er ook nieuw werk geïntroduceerd te worden en dat waren stuk voor stuk adembenemende parels: "River Picker" dat kon bogen op een meeslepende proggy gitaar, het uitermate smerige "The desert" of het slidefestijn "Big momma shake" dat alle botten in je lijf door elkaar schudde. Ook wie kwam voor het oude werk werd ruimschoots op zijn wenken bediend. Dat andere "Big momma" uit 2008, "Amy's in the kitchen" dat werd aangekondigd als een song over ‘neuken in de keuken’ (ja, het Nederlands van Freddie gaat erop vooruit) en "Mountain top" dat reeds in 2006 verscheen op een in eigen beheer uitgebrachte cd, ‘Gettin' down with it’, die in 2010 een re-issue kreeg, zijn maar enkele voorbeelden. Bluesrock, garage blues, trash blues, hillbilly punk,...? De muziek van Left Lane Cruiser omschrijven lijkt onbegonnen werk waarbij woorden telkens te kort schieten. Slechts met zijn tweeën creëerden ze een onwaarschijnlijk volle en unieke sound. Het exceptionele gitaarspel van Freddie J IV is nog inventiever geworden, alsof de duivel ermee gemoeid is. Hij geselde waarlijk zijn snaren tot ze er als slappe elastiekjes bij hingen terwijl Brenn Beck zijn drums heerlijk triomfantelijk liet knallen.
Left Lane Cruiser sloot af met een jam geïnspireerd op het werk van John Lee Hooker waarbij een viertal fans het podium op mochten om er percussie-instrumenten te bespelen. Niet iedereen was daar even bedreven in. Vooral de man met het wasbord wist duidelijk niet waarvoor dat ding op zijn borst diende. Zo eindigde een buitengewoon intense set nog met een vrolijke noot.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Slim Cessna's Auto Club - Weergaloos muzikaal ritueel

Met Tripodero stond een gloednieuwe Oostendse band op het podium waarvan ik één lid kende: Fabian Schweiger. En dat is zeker geen onbekende in de 4AD. De laatste keer dat ik hem daar zag, zal wellicht met Saddle For Sale geweest zijn. Tripodero, genoemd naar een mythisch, angstaanjagend beest, maakt naar eigen zeggen soggy containerpunk. Maar dat zal dan waarschijnlijk enkel slaan op hun repetitieruimte, een aftandse, vochtige container, want veel punk heb ik niet gehoord. Het drietal (twee gitaren en drums) begon verrassend sterk met "Voodoo recipes", een rock-'n-roll nummer dat uit de catalogus van Dave Edmunds geplukt kon zijn en waarvan de gitaren me kippenvel bezorgden. Tijdens de tweede song gingen ze nog even op dat elan door, maar daarna werd er vlot van stijl gewisseld.
Naast rock-'n-roll hoorden we nu ook americana, country, seventiesrock en één enkele keer punk, wellicht niet toevallig het enige nummer dat Fabian zong. Dat terwijl de zanger zijn gitaar voor enkele nummers ruilde met een basgitaar. Niet alle songs waren even sterk maar de sound bleef overeind en de gitaren sprankelden tot de laatste noot. Achteraf was ‘te braaf’ het meest gehoorde commentaar maar dat vond ik dit keer eigenlijk geen bezwaar.

Slim Cessna's Auto Club uit Denver, Colorado ontstond in 1992 uit de assen van The Denver Gentlemen, een groep waartoe ook David Eugene Edwards en Jeffrey-Paul Norlander van 16 Horsepower behoorden. Slim Cessna is de enige constante in de groep en die vreemde groepsnaam is eigenlijk een eerbetoon aan één van Cessna's vrienden die een collectie oude auto's bezat. Eerst heette de band trouwens San Juan's Car Club maar na wat puzzelen werd er uiteindelijk voor Slim Cessna's Auto Club gekozen.
Hun moeilijk te catalogeren muziek wordt meestal omschreven als gothic country of dark folk, zelf definiëren ze het als de Denver sound wat dan op een brede mix van country, alt country, American gothic, folk, garagerock, americana en gospel lijkt. Jello Biafra, op wiens label, ‘Alternative Tentacles’, ze enkele platen uitbrachten, omschreef de groep misschien nog het best toen hij ze ‘the country band that plays the bar at the end of the world’ noemde.
SCAC vloog er meteen in met het onbehoorlijk rammelende "Pine Box", een oud nummer uit 2005. Het werd een set waarin de laatste plaat, ‘Buell Legion’, het tweede deel uit het drieluik, ‘Kinnery of Lupercalia’, centraal stond. Bijna alle nummers uit die plaat passeerden de revue maar ook ‘Cipher’ uit 2008 was met vijf songs ruim vertegenwoordigd. Het werd een weergaloos muzikaal ritueel met als ceremoniemeesters Slim Cessna en Munly Munly die ons voortdurend verblijdden met hun gewiekste, synchrone danspasjes of hun dubbelzinnige tafereeltjes met homo-erotische elementen. Daarbij was de Heer nooit ver weg, getuige nummers als "Jesus is in my body - My body has let me down" of "Everyone is guilty #2". Die twee publieksmenners werden in de rug gedekt door vier niet te onderschatten muzikanten. Rebecca Vera, partner van Munly Munly op keyboard en pedal steel, die ze regelmatig met een strijkstok attaqueerde; Lord Dwight Pentacost op doubleneck gitaar versierd met een Heilig Hart afbeelding en op een door effecten onherkenbaar klinkende banjo; nieuweling George Cessna (zoon van Slim) op bariton gitaar en de spitsvondige drummer, Andrew Warner, die soms aan een percussie block (tijdens "Ichnabod") genoeg had.
De set was vernuftig crescendo opgebouwd en kende een uitgesproken hoogtepunt toen Munly Munly, die er nog steeds uitziet als een levend lijk, het publiek introk om er zieltjes te winnen. Als een volleerd levend standbeeld wist hij enkel met zijn ogen aanwezigen tot knielen te dwingen. Zelf kon ik er ook niet aan ontsnappen en ging gedwee door mijn roestige knieën. Tot een verlossing van mijn kwaaltjes heeft dit niet geleid maar mijn geloof in de muzikale exploten van SCAC werd nog maar eens gesterkt.
Slim Cessna liet van zijn kant meermaals weten hoezeer hij het een privilege vond om (voor de derde keer) in deze zaal te mogen spelen. "Standaard geslijm" denk je dan maar hier was ik toch geneigd hem te geloven want ik meen dat ik SCAC tijdens deze erg lange set nooit eerder zo gedreven en vol vuur aan het werk zag en ik mocht ze toch al zo'n vijf keer meemaken.
En dan was er nog die merkwaardige bisronde waarin tijdens het tweede nummer, het erg noisy "Americadio" nog eens alles uit de kast werd gehaald en de zaal volledig uit zijn dak ging.
Dan denk je "nu hebben we het wel gehad" maar toen het stof wat was gaan liggen stond de groep nog steeds op het podium en werd er doodgemoedereerd een nieuw nummer ingezet.
Daarna bleek het nog steeds niet afgelopen want Slim Cessna bracht met wat assistentie van zoon George een karaokeversie van Kris Kristoffersons "For the good times". Een vreemd einde van een bijzonder indringende set.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Etran De L'Aïr  - Onvervalst dansfeest met hoogstaande muziek
Etran De L'Aïr + Tartit

Met Etran De L'Aïr en Tartit stonden twee belangrijke exponenten van de Toeareg scene op het podium. Toch verschillen beide groepen als dag en nacht. Terwijl Tartit zweert bij de traditie heeft Etran De L'Aïr een gepaste dosis Westerse invloeden geabsorbeerd.

Tartit, waarvan de leden afkomstig zijn uit de Timboektoe regio in Mali, ontstond in 1992 in een vluchtelingenkamp in Mauretanië. Ze worden algemeen beschouwd als de bewakers van de Toeareg-traditie. Ik zag ze al eens eerder, in 2007, tijdens de legendarische ‘Nuit Touareg’ in de Botanique waar ik toen ook kennismaakte met Tinariwen, de absolute vaandeldragers van de Toeareg-blues. Zeventien jaar later bleek Tartit nog niets aan magie te hebben ingeboet.
Vijf vrouwen en twee mannen van alle leeftijden, uitgerust in prachtige traditionele gewaden, zaten achteraan het podium in een rij op de grond. Enkel de twee buitenste leden hadden het voorrecht op een stoel te mogen zitten. Het instrumentarium bestond, buiten één akoestische gitaar die dan nog niet altijd gebruikt werd, uit traditionele instrumenten waarvan ik u de meeste namen schuldig moet blijven. Wel herkende ik een imzad, een soort primitieve viool, en enkele traditionele handtrommels (tendé?) waarvan er één voortdurend met water besprenkeld werd.
Een eerder sobere begeleiding die enkel diende als ondersteuning voor de imponerende samenzang. Die betrekkelijk rustige zang met veel herhaling werkte uitermate hypnotiserend terwijl we voortdurend uitgenodigd werden om mee te klappen. Af en toe kwam er een lid (of met zijn tweeën) naar voren om zich aan een dansje te wagen. Soms gebeurde dat dansje al zittend en leek het erop alsof ze denkbeeldige slangen bezwoeren.
Naarmate de set vorderde werd er steeds enthousiaster gedanst en sprong er zelfs een Toeareg man uit het publiek het podium op om mee te dartelen. Toch was het die schijnbaar simpele muziek die tot de laatste noten bleef intrigeren.

Etran De L'Aïr staat voor sterren van de Aïr, een bergachtig gebied in het noorden van Niger. De groep is gevestigd in Agadez, een bruisende stad die bekend staat omwille van de productie van muziek, vooral desertblues met veel elektrische gitaren zoals we die kennen van Mdou Moctar of Bombino.
Etran De L'AÏr, actief sinds 1995, leerde het klappen van de zweep kennen in het zogenaamde bruiloftencircuit waarin ze één van de bekendste en langst spelende groepen was. De groep is ook een echte familieaangelegenheid die enkel bestaat uit verwanten (broers en neven).
Piekfijn uitgerust in traditionele klederdracht met erg elegante teensletsen kwamen de vier kwiek het podium opgerend. Twee gitaristen, een bassist en een drummer waarbij de snarenplukkers regelmatig met elkaar van instrument wisselden. Meteen werd duidelijk dat dit weinig gemeen had met de woestijnblues zoals we die kennen van groepen als Tinariwen of Tamikrest.
Ik hoorde eclatante Afrikaanse pop met pakkende zangpartijen en vooral veel gitaren die klonken als klaterende bergriviertjes. Misschien een wat ongelukkige vergelijking voor een groep die uit de woestijn komt maar dit klonk allesbehalve stoffig. De groovy klanken hadden een wilde frisheid terwijl het spelplezier met dikke klodders uit de boxen spatte. U begrijpt meteen dat stilzitten hierbij geen optie was. Het duurde niet lang vooraleer de leden van Tartit beurtelings het podium opklommen om mee te dansen. Het publiek liet zich daarbij niet kennen en gooide massaal de beentjes los.
Etran De L'Aïr straalde niets dan positiviteit en enthousiasme uit en daar was geen ontkomen aan. Met als gevolg dat mijn stramme, door artritis geplaagde ledematen plots bewegingen maakten die ik in geen twintig jaar meer gezien had.
Dit was authentieke Afrikaanse pop van de meest elastische soort waar er in de laatste rechte lijn steeds meer rock elementen aan toegevoegd werden en de, overigens uitstekende, drummer plots de vrijheid kreeg om al eens loos te gaan.
Een onvervalst dansfeest met hoogstaande muziek: mocht ik een bruiloft in het verschiet hebben, ik zou niet twijfelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Jake La Botz - Pendelend tussen pop en rock'n’roll

Openers van dienst waren The Rusty Zippers uit Gent. Een duo bestaande uit Ed De Smul, die jaren actief was bij Ed & The Gators, en Tom De Poorter die je onder andere zou kunnen kennen van Little Kim & The Alley Apple 3. Achter die merkwaardige naam, The Rusty Zippers, hoef je trouwens niets te zoeken, de heren vonden het gewoon lekker klinken.
Vooraf werden een paar camera's gemonteerd zodat ze hun set konden opnemen. Goed idee want het geluid zat, zoals altijd in deze zaal, perfect. De twee brachten, gezeten op een stoel, stemmige en meeslepende americana. Ik vermoed dat alle songs uit de koker van Ed De Smul kwamen. De pure blues van Ed & The Gators heeft plaats moeten ruimen voor een verfrissend amalgaam van folk, blues en country. Beklijvend gezongen met die donkerbruine stem van hem, gestut door een voetdrum en af en toe wat opgeleukt met een streepje mondharmonica. De knappe songs werden verder mooi ingekleurd door een schitterende Tom De Poorter op zowel gitaar, mandoline als banjo en kregen daardoor ook meer body.
Als slot kregen we dan toch nog een cover gepresenteerd. Het werd een stomende versie van Blind Willie Johnsons "Nobody's fault but mine" met gesmaakte solo's op gitaar en mondharmonica.
Een boeiende set die echt wel wat langer had mogen duren dan het toegemeten halfuurtje.

Nadat hij wat rondhing in punkrock milieus en zelfs even in de jeugdcriminaliteit verzeilde leerde Jake La Botz (geboren in 1968) de blues kennen via de laatste bluesmannen uit het vooroorlogse tijdperk in Chicago, zijnde David ‘Honeyboy’ Edwards, ‘Homesick’ James en ‘Maxwell Street’ Jimmy Davis. Later begon hij door de VS te reizen om uiteindelijk in Hollywood te belanden waar hij dankzij Steve Buscemi een onwaarschijnlijke carrière als filmacteur startte. Het leverde hem rollen op in films zoals ‘Rambo’ maar ook een heroïneverslaving die hij uiteindelijk op zijn dertigste overwon. Naast muzikant en acteur is Jake La Botz ook nog eens een begenadigd schrijver en leraar somatische meditatie. Kortom, een bezig baasje die bovendien regelmatig in Europa komt touren. Zo zag ik hem al een paar keer op Roots & Roses en nu was hij dus te gast in de 4AD.
Jake La Botz koos ervoor om zich te laten begeleiden door een Europese groep en liet daarbij zijn oog vallen op Smokestack Lightnin' uit het Duitse Nürnberg. Een uitstekende keuze want Smokestack Lightnin' is één van de betere bluesgroepen die ik ken. De vier gedegen muzikanten deden hun job perfect. Bernie Batke op bas, Frank Schwab op drums, Axel Brückner afwisselend op gitaar en orgel terwijl Flo Kenner voor de tweede stem zorgde en zich voor de rest onledig hield met percussie-instrumenten als woodblock, claves, tamboerijn of maracas.
Jake La Botz opende zijn set met het heerlijk galopperende "Everybody got to fall down" en meteen kwamen zijn twee voornaamste kwaliteiten bovendrijven: zijn zoete, pretentieloze zang en zijn immer verfijnde gitaarspel. Bij het derde nummer verklaarde hij de dansvloer voor geopend en op de tonen van het bluesy "Hobo on a mystery train" verscheen warempel een danslustig koppel. De weg leek meteen wagenwijd open te liggen voor een weergaloos concertje …
Maar dat werd het net niet. De reden daarvoor lag enkel en alleen bij de songkeuze. Ik hoorde net iets te veel bijna pure popsongs. Niet dat die smakeloos klonken, maar vergeleken met rock-'n-roll nummers als "Damsel in distress" en "Shaken and taken", waarmee hij mijn hart liet smelten, vielen die toch te licht uit. Zijn laatste plaat, ‘Hair on fire’, waarvoor een huwelijk tussen muziek en meditatie aan de basis lag, is niet echt aan mij besteed. Die vreemde titel vond hij trouwens bij een gezegde uit het Boeddhisme: "men moet oefenen alsof je haar in brand staat". Niet dat alles kommer en kwel is op die plaat, dat nu ook weer niet. De titelsong en ""First McDonnel's on the moon" bleken live zelfs aan waarde te winnen. Maar het liefst hoor ik hem stijlen uit lang vervlogen tijden zich eigen maken zoals ook een Nick Waterhouse dat kan. En zulke nummers waren er toch in overvloed aanwezig zodat ik absoluut niet hoef te zeuren.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

zaterdag 01 juni 2024 19:07

The Cavemen - Ranzige rock-'n-roll

The Cavemen - Ranzige rock-'n-roll
The Cavemen + Killer Kin

Met twee groepen die pretenderen rock-'n-roll te spelen, The Cavemen en Killer Kin, hadden ze in The Pit's (waar anders?) een mooie double bill te pakken. Rock-'n-roll kent vele verschijningsvormen, zo bleek nog maar eens. Beide groepen pakten het op een nogal verschillende manier aan, maar het resultaat mocht er telkens zijn.

Killer Kin is een relatief nieuwe band (ontstaan in 2018) uit New Haven, Connecticut die vorig jaar een eerste titelloze lp uitbracht op Dead Beat Records. Inspiratie voor hun naam vonden ze bij Arthur ‘Killer’ Kane, bassist van de New York Dolls. Muzikaal moeten we het ook ergens in die richting zoeken. Naast de Dolls worden ook AC/DC, The Stooges, Dead Boys en zelfs Motörhead vaak vernoemd als invloeden. Ik hoorde vooral MC5, snoeiharde garagerock op het scherp van de snee. Met zanger Mattie Lea, die jammerlijk zijn broek vergeten was, had Killer Kin alvast een erg charismatische frontman in huis. Vanaf de eerste noten dook hij al het publiek in terwijl we hem enkele tellen later op de toog aantroffen. Tussen de nummers door bleef hij eindeloos ratelen ondanks een stem die compleet aan flarden gereten bleek. Veel kon ik uit die onstuitbare woordenvloed niet opmaken behalve dan dat hij niet erg hoog opliep met New York, wat nog zacht uitgedrukt is gezien de gebruikte krachttermen.
De groep had naast Lea nog een tweede opvallende verschijning in de rangen: de ravissante Chloe Rose, een ware rock chick op Flying V gitaar. Samen met haar partner Lea is ze ook verantwoordelijk voor alle nummers van de band. De overige drie leden van het gezelschap oogden wat minder spectaculair.
Toch was de rol van leadgitarist Brady ‘The Cat’ Wilson niet te onderschatten. Zijn, voor dit soort muziek, vrij cleane gitaarspel bleef me tot de laatste noot boeien. Op hun touraffiche beloofde Killier Kin ons ‘a giant dose of rock & roll’. Dat is misschien niet helemaal gelukt maar ze kwamen toch aardig in de buurt.

Intussen zijn The Cavemen qua populariteit ver voorbijgestoken door een gelijknamige highlife band uit Nigeria die sinds 2020 actief is. Maar dat zal onze favoriete garagerockers uit het Nieuw-Zeelandse Auckland waarschijnlijk worst wezen.
Vijf jaar na de vorige heeft de band eindelijk een nieuwe en uitstekende plaat uit: ‘Ca$h 4 Scrap’ (op Slovenly Recordings), misschien wel hun beste tot nu toe. Meteen ook een goeie reden om nog eens te touren en daarbij kon The Pit's uiteraard niet overgeslagen worden.
Net als een paar jaar geleden begonnen The Cavemen hun set met een nummer bestaande uit één enkele zin: "Who's gonna win the war". We kunnen alleen maar hopen dat deze song binnenkort overbodig wordt. Niet dat we The Cavemen meteen au sérieux moeten nemen. Optreden betekent voor hen nog steeds lol trappen middels luide, met bier doordesemde rock-'n-roll.
Zanger Paul Froggatt kon moeilijk onderdoen voor Mattie Lea van Killer Kin en koos zo ook al snel voor de toog als extra podium. Inmiddels is de groep kind aan huis in de Pit's en kon hij zowat de helft van de aanwezigen met de voornaam aanspreken wat het feestgevoel nog wat aanzwengelde. Want een feestje, dat werd het! Nieuwe prijsnummers als "Night of the demon" en "Personal WW III" werden afgewisseld met gekende anthems als "Boyfriend".
Compromisloze garagepunk die een aanslag pleegde op de nekspieren terwijl het rondspattende bier voor wat verkoeling zorgde. Een paar keer mocht gitarist Jack Beesley de vocals overnemen en dat deed hij uitermate sappig. Mocht de schorre strot van Froggatt het ooit begeven dan is de vervanging alvast verzekerd.
Naar het einde toe begonnen de micro's wat te sputteren terwijl de avondklok ervoor zorgde dat een bisnummer in laatste instantie werd afgeblazen. Maar dat maakte dit weergaloze festijn vol ranzige rock-'n-roll er niet minder op.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Florry - Freaked-out countryrock in een gedecimeerde bezetting

Net als een paar weken geleden in The Pit's klopte ook hier een naam op de affiche niet. Dit keer betrof het echter geen foutje van de organisatie. De aangekondigde Vito vond er niets beters op dan enkele dagen voor dit optreden zijn naam definitief vaarwel te zeggen om voortaan als Victoria Pax door het leven te gaan. Deze transformatie van de sympathieke Gentse Oostendenaar Vito Dhaenens, nog steeds de zoon van Dirk Dhaenens (Derek & The Dirt), veroorzaakte niet meteen een grote muzikale koerswijziging. Hoewel hij laconiek beweerde enkel songs te spelen uit een twee dagen eerder in zeven haasten opgenomen nieuwe plaat, klonk zijn muziek toch heel vertrouwd in de oren. Nadat hij eerst zijn schoenen uittrok begon hij in opperste concentratie zijn set met een sober, ingetogen nummer. Niet onaardig maar dat kon niet beletten dat mijn aandacht voortdurend wegglipte en ik maakte me al op voor een lastig halfuurtje. Maar vanaf het tweede nummer greep hij me onverwacht en definitief bij de kladden. De verrassend melodieuze songs klonken nu een stuk krachtiger. De eenvoudige begeleiding op akoestische gitaar liet alle ruimte om zijn erg wendbare stem in volle glorie te laten schitteren. Bovendien wist hij ons nog eens te verbazen door een behoorlijk lang stuk te fluiten.
Op zijn eentje hield een imponerende Victoria Pax het anders soms wel rumoerige publiek in De Zwerver muisstil. Iets wat Florry daarna niet zou lukken.

Florry is een zevenkoppig gezelschap uit Philadelphia dat vorig jaar met ‘The holey bible’ een uitstekende tweede plaat maakte die in mijn eindlijstje belandde. Florry is vooral ook het vehikel van Francie Medosch die als tiener begon met het ineenknutselen van depressieve slaapkamer indierock maar uiteindelijk dankzij oude favorieten als Neil Young en Gram Parsons een totaal andere richting insloeg.
Medosch was niet langer depressief en de muziek op ‘The holey bible’ liet zich nog het best omschrijven als onstuimige freaked-out countryrock.
Maar in hoeverre was dit wel Florry die we te zien kregen in Leffinge? Francie Medosch (akoestische gitaar, mondharmonica) had enkel John Murray (gitaar, pedal steel) meegebracht. Geen viool, extra gitaar, bas,drums of tweede stem dus. Een flinke aderlating maar de songs van ‘The holey bible’ waren duidelijk sterk genoeg om dit te overleven. Het pittige "Drunk and high" met heerlijke regels als  "Well, the show was good and the beer was cheap", de zwijmelende country van "Cowgirl giving" met een jankende mondharmonica en de afsluiter, het twangy "Take my heart" bleken ook in deze afgeslankte versies onverwoestbaar. Misschien niet echt de onstuimige countryrock zoals op de plaat maar zeker even meeslepende rokerige americana. Het bleef dan ook wat onbegrijpelijk waarom het duo het bij die drie nummers hield.
Blijkbaar vonden ze het niet nodig om hun laatste plaat, die ze trouwens niet bij hadden, te promoten. Voor de rest hoorden we vooral nieuw werk, waarvan "California", dat op de volgende plaat zal prijken, eruit sprong en enkele oudere songs die ik niet meteen kon thuiswijzen.
Uit hun eerste plaat, "The Fall", uit 2021 meen ik zelfs niets gehoord te hebben. Wel vielen er een paar opmerkelijke covers te noteren.  Eerst kregen we "Speed of the sound of loneliness" van John Prine, die ze ‘the best’ vonden. Geen onvergetelijke uitvoering maar het blijft natuurlijk een schitterende song.
Even later kondigde Medosch een nummer van Bob Dylan aan waarop iemand uit het publiek suggereerde om het met zijn allen mee te zingen. De man zal waarschijnlijk wat bedrogen zijn uitgekomen, want ik denk dat er bitter weinig mensen waren die het nummer kenden. Ik ook niet trouwens, maar gelukkig had ik in mijn onmiddellijke omgeving een Dylan expert die me wist te vertellen dat het hier "Tell ol' Bill" betrof, een nummer dat his Bobness ooit schreef voor de film ‘North Country’.  
Ondanks de beperkingen en het gemis van nummers als "Hot weather" en "Cowgirl in a ditch" wisten een ontwapenende Francie Medosch, die niet te beroerd was om een net gestarte song te onderbreken om eens flink te boeren, en haar kompaan een gesmaakte set neer te poten.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Killing Floors - Gefixeerd op de sixties

Als aperitief kregen we Public Toys geserveerd. Niet de punkrockband uit Düsseldorf en ook niet Human Toys, zoals verkeerd vermeld op de affiche, maar een nagelnieuwe groep uit Lille. Een groep die ook wel enige verwachtingen schiep met leden die hun sporen reeds verdienden bij bands als Crusaders Of Love, Ashtones of het Poolse Moron's Morons. Het viertal bracht gedreven ouderwetse punkrock en daarmee sla je de bal nooit mis in een punkhol als The Pit's.
Hun naam refereert aan het gelijknamige nummer van Eater en ze klonken ook wat als die Britse band: snel en stevig. Een behoorlijk goede zanger die af en toe in duet ging met bassiste Didine Guillotine wiens ijzingwekkend hoge, door merg en been snijdende zang al even spectaculair klonk als haar naam. Wat mij betreft had ze gerust wat meer mogen zingen. Het zorgde in ieder geval voor wat afwisseling en dat was broodnodig. Want soms kreeg ik de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren. Voor de laatste twee nummers mochten de twee gitaren dan toch uit hun keurslijf breken en schoven ze wat op richting eigentijdsere postpunk.

Toen ik hoorde dat The Killing Floors naar The Pit's kwamen was mijn aandacht meteen gewekt hoewel ik de groep van haar noch pluim kende. Die naam intrigeerde me. Niet vanwege de betekenis (de slachtvloeren) maar omdat hij me herinnerde aan ‘Hard time killing floor blues’, een song uit 1931 van één van mijn favoriete bluesmannen, Skip James. Het nummer werd trouwens in 1992 voortreffelijk gecoverd door een andere held van me, Ramblin' Jeffrey Lee (Pierce).
Of The Killing Floors bij dezen hun inspiratie vonden voor hun naam valt sterk te betwijfelen want hun muziek had weinig van doen met de blues. Dit vijftal uit Los Angeles zweert immers bij sixties rock-'n-roll. Dat werd meteen duidelijk toen ze het podium opkwamen. Gekleed in de juiste pakjes waarbij ik me afvroeg waar ze die nog wisten op de kop te tikken en met al evenzeer gedateerde kapsels. Toen we de eerste noten van "The getaway" hoorden was er geen twijfel meer mogelijk: deze hispanics beten zich fanatiek vast in de sound van de sixties. Een ongelooflijke drive en een ongebreideld enthousiasme zorgden ervoor dat dit nooit achterhaald klonk en met drie uitstekende zangers in huis was afwisseling ook al geen probleem. Toch wierp de kleine gitarist Jorge Martinez Jr., tevens songschrijver van de groep, zich duidelijk op als onbetwiste frontman. Joel I. Giron, die met zijn Vox orgel de sixties sound completeerde, zong op vrij indrukwekkende wijze de meeste Spaanstalige nummers die de kleine helft van de setlist besloeg. Uiteraard ontbraken de twee nummers van hun tweede en nieuwe single niet: "Too far gone"  en "You know it ain't right".
Van een volledige lp lijkt voorlopig geen sprake. Nochtans is de groep reeds zo'n 10 jaar actief en geniet ze een uitstekende livereputatie. Zo kregen ze enkele jaren geleden een vermelding in de top 100 live performers van Music Connection Magazine. Die reputatie maakten ze hier helemaal waar met een erg gevarieerde set, gebracht met de gedrevenheid van een pas beginnende punkband. Bovendien bleken The Killing Floors erg sympathieke kerels die de Pit's, die nochtans verre van vol gelopen was, opvallend dankbaar waren terwijl ze tevens ontzettend hoog opliepen met hun eerste Europese tour.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

donderdag 25 april 2024 18:27

TEXtival 2024 - Gitaren verdrijven de kou

TEXtival 2024 - Gitaren verdrijven de kou
TEXtival 2024
V-TEX-site
Kortrijk
2024-04-21
Ollie Nollet

Dit was reeds de tiende editie van dit sympathieke gratis familiefestival waarvan de opbrengst integraal gaat naar de Buurtschool V-TEX, vzw Samen Kind Zijn (dat kinderen een zorgeloze vakantie, gratis gezonde voeding en avontuurlijke activiteiten aanbiedt) en Refu Interim (dat vrijwilligerswerk aanbiedt aan nieuwkomers om zo hun taalkennis en netwerk uit te bouwen).
Het festival bestaat uit een rommelmarkt, een knap speeldorp, een enorm zonneterras dat gelukkig deels overdekt was en een podium waarop een tiental obscure groepen hun ding mochten doen.

Eerste groep die ik zag was Harvesters, een viertal uit Gent met als spil zanger- gitarist Paul Lamont (Hitch, Grand Blue Heron) en gitarist Miguel Moors (Blackup). Ik hoorde ongegeneerde seventiesrock met luide gitaren. Het klinkt misschien banaal, maar dat was het allerminst. Dit klonk verrassend fris terwijl de twee gitaren een onuitputtelijke bron van puur genot bleken. De meeste nummers kwamen uiteraard uit hun vorig jaar verschenen, verdienstelijke debuut, ‘At Rosie’s Palace’ maar er was ook ruimte voor enkele nieuwe songs waarin de groep haar horizonten wat probeerde te verleggen. Zo hoorde ik enkele voorzichtige funkinvloeden, in een ander nummer werd dan weer naar de blues gelonkt. Geen onverdeeld succes, maar er is nog tijd om wat bij te schaven. Harvesters sloot in schoonheid af met het subtiele "Reigning Sound" waarvan de titel een verwijzing is naar één van mijn favoriete bands. Mooi!

Daarna kwam Bèta, een vijftal uit Heule, het podium op gestormd. Schreeuwerige zang en wilde gitaren waren ons deel. Kyuss hoorde ik iemand opperen en ik besloot nog even van het zonnetje te genieten terwijl het nog kon.

The Speedways is een kwartet uit Londen dat zweert bij pure powerpop en men moet al van goeden huize zijn om me daarmee te kunnen verblijden. Vestimentair zat het wel snor: allen getooid in een leren jasje en met een zonnebril op de neus geplant. Muzikaal ging het heel wat stroever. De strakke sound mocht er best wezen maar jammer genoeg werden aannemelijke songs afgewisseld met complete draken. Gelukkig bleken ze hun beste nummers opgespaard te hebben voor het laatste deel van de set en kwam het met songs als "Tonight, you'll find love" en vooral "Talk of the town" alsnog goed. Naar verluidt hadden de heren liever in de Pit's gespeeld. Dat punkhol was voor hen wellicht een natuurlijker habitat geweest dan dit podium in volle daglicht.

Vervolgens probeerde Los Atarrayas, een surf 'n' roll trio uit Parijs met leden uit Frankrijk, Italië en Colombia de bijtende kou wat te verdrijven en ze deden dat zeker niet onaardig. Met gitaar, bas en drums brachten ze heerlijk twangende, instrumentale surf. Tijdens het eerste nummer werden ze ‘geholpen’ door een vrouw op een theremin maar dat bleek helaas enkel een stoorzender. Later probeerde een andere vrouw het nog eens, met hetzelfde resultaat. Het was een kleine smet op een voor de rest uitstekende set waarbij ik nog een pluim wil gooien naar de drummer voor zijn subtiele tussenkomsten op koebel en tamboerijn. We werden uiteindelijk nog verwend met een onverhoopt bisnummer, "El Condor Surfa", wat een briljante bewerking bleek van "El Condor Pasa".

The WRS (wat staat voor The Wires) zorgden voor dé verrassing van het festival. Ik had er nog nooit eerder van gehoord, maar dit trio uit Charleroi wist me compleet te overrompelen. De set begon met een vette kluif traag meanderende psychedelica die na een aantal minuten aan flarden werd gereten om plaats te maken voor bekschuimende psychrock. Daarna bleef het tempo meestal roekeloos hoog dankzij de doldraaiende bas van Jaime Sala Hamed, die zich in een knalrode overall van 3M had gehesen, en de knallende drums van Benjamin Podziukas. Maar de hoofdrol was voor Nacho Santamaria y Di Pietro die op indrukwekkende wijze zijn gitaar alle uithoeken van de psychedelische muziek liet verkennen.
Zo werd op drieste wijze een geheel eigen universum gecreëerd dat voor een intense spanning zorgde en waaruit de zang ons enkel kon bereiken via een oude telefoonhoorn. Aanknopingspunten zoeken leek dan ook onbegonnen werk hoewel ik toch één keer aan The Oh Sees moest denken. Bovendien bleek Nacho ook een erg aimabele man die zijn drankjetons het publiek in gooide. Midden in het laatste nummer wisselde hij met de bassist van instrument en mochten enkele dames uit het publiek op het kleine Korg klavier van Jaime Sala Hamed tokkelen. Een wat chaotisch einde van een impressionante set.

Daarna was er nog Kill Test uit Gent maar die kelk heb ik aan me laten voorbijgaan.

Dit was ondanks het barre weer opnieuw een erg geslaagde editie van TEXtival. Benieuwd wat het volgend jaar wordt want er staat een bouwproject in de steigers op deze site.

Organisatie: Textival, Kortrijk

Madou - Vera Coomans, Wiet Van de Leest en Thomas Devos - Intiem en hartverwarmend
Madou - Vera Coomans, Wiet Van de Leest en Thomas Devos

De Lysterscheure in Leke is wellicht de meest idyllische concertplek die ik ken en met Vera Coomans wisten ze daar nu een heel grote dame te strikken.
In de tweede helft van de jaren '70 maakte Vera Coomans deel uit van de legendarische folkgroep Rum, meteen ook de start van haar eeuwige samenwerking met Wiet Van de Leest. Samen met hem stampte ze in 1980 Madou uit de grond en twee jaar later verschijnt hun eerste en enige plaat. Ondanks de zeker niet onsuccesvolle singles "Witte nachten" en "Niets is voor altijd" bleek de hybride folk van Madou haar tijd te ver vooruit te zijn en werd de groep al snel ontbonden. Omstreeks 2000 kent de folk een heropleving en wordt dat titelloze debuut plots een fel gezochte plaat. Het levert Madou alsnog een cultstatus op en in 2021 komt er onder impuls van Thomas Devos en Louis Van de Leest (de zonen van Vera en Wiet) zowaar een tweede plaat, ‘Is er iets?’.
Door die hernieuwde belangstelling voor Madou zou men haast vergeten dat Vera Coomans ook vier platen onder haar eigen naam uitbracht waarvan de eerste, ‘Sad Eyes’ uit 1996, me erg nauw aan het hart ligt. Ergens had ik gehoopt ook uit die plaat iets te horen maar daar was geen plaats voor. Dit was duidelijk Madou in een trio bezetting, zonder toetsenist Louis Van de Leest, drummer Mattijs Vanderleen en saxofonist Marc De Maeseneer.
Een flinke aderlating hoor ik je denken, maar ook in deze afgeslankte bezetting wist Madou moeiteloos te imponeren. Daar zorgde in de eerste plaats die uit duizenden herkenbare stem, waarop ondanks haar 75 lentes geen spatje sleet zat, voor. Daarbij volstonden de gitaar van Thomas Devos (Rumplestitchkin, Tommygun) en de viool en piano van Wiet Van de Leest ruimschoots als begeleiding. Die rudimentaire versie van Madou paste trouwens uitstekend in dit antieke kader.
Het gezelschap opende de avond met een trits nummers uit die tweede plaat, ‘Is er iets?’ waarna al snel "Witte nachten" volgde.
Een ontspannen Vera Coomans, voortdurend met een kamerbrede glimlach op het gelaat, genoot er zichtbaar met volle teugen van. Naast het gekende werk passeerden ook enkele nieuwe nummers de revue, die het beste laten verhopen voor de binnenkort te verschijnen nieuwe EP.
Tussendoor hoorden we nog twee mij onbekende Duitse liederen terwijl er ook nog een song van Rum van onder het stof werd gehaald: "Vannacht", een als kermis deuntje vermomde murder ballad. Net voor de pauze bleek het moment gekomen om Wiet Van de Leest in de spotlight te zetten. Met een wervelende instrumental op viool zorgde hij wellicht voor het luidste applaus van de avond. De man is hier duidelijk nog niet vergeten.
Meteen na de pauze kreeg ook Thomas Devos de kans om een eigen nummer te brengen waarna Vera Coomans het roer definitief overnam. "Niets is voor altijd", dat terecht uitgroeide tot een regelrechte klassieker, vormde het slotakkoord van een intieme en hartverwarmende set waarin Vera Coomans bewees nog lang niet uitgezongen te zijn.
Bij gebrek aan een backstage volgde de obligate toegift stante pede en konden we met "Koude voeten" huiswaarts trekken.

Op 27 juni speelt Madou in aangepaste bezetting ook nog op de Blankaartsessies in Woumen.

Organisatie: De Lysterscheure, Leke

Drunk Mums - Onontkoombare, pretentieloze garagepunk

The Weary, een viertal uit Bever (twee gitaren, bas en drums), mocht openen en deed dat vol overtuiging. Donkere postpunk waarin de gitaren steevast in de laagste regionen vertoefden en de zang van drummer Sim de Maupeou expressieloos en deerniswekkend klonk.
Slechts af en toe zorgde een welgemikte drumfill voor wat licht in de duisternis. Maar dat is de aard van het beestje en ik vond het eigenlijk wel wat hebben. Alleen was het net iets te veel van hetzelfde om langer dan een kwartier te blijven boeien.

Maar ik was hier uiteraard voor Drunk Mums, een kwartet uit Melbourne dat al sinds 2011 actief is. Met zo'n naam en een nieuwe elpee die ‘Beer Baby’ als titel heeft verwacht je een, met gerstenat doordrenkt, punkfeestje maar het werd veel meer dan dat.
Die vreemde naam, Drunk Mums, vond zijn oorsprong in de Jono Blues Bar, waar gitarist Jake Doyle's oude groep de huisband was. Tijdens hun optredens daar kwamen geregeld flink aangeschoten rijpere vrouwen naar voren om hem in de wang te knijpen waarna ze hem "You're so cute" toe sisten. Gelukkig bleef hij van dit soort moeders gespaard in de Pit's.

Drunk Mums kende ik enkel van hun laatste en trouwens uitstekende plaat, ‘Beer Baby’, waarop vooral klassieke punk te horen is. Mijn verbazing was dan ook niet gering toen ik de groep hoorde beginnen met het zes jaar oude "Ode to death", een ferme lap garagepunk waarin ik zelfs wat blues hoorde doorschemeren. Dit was meteen één van de beste nummers van de avond. Naast "Living at night", prijsnummer van de laatste plaat, dat bol staat van de sprankelende gitaarlicks en de feestelijke zang. Met de eerder al genoemde gitarist Jake Doyle, gitarist Dean Whitby en bassist Adam Ritchie heeft Drunk Mums maar liefst drie uitstekende zangers in huis. Enkel drummer Johnny Badlove deed er het zwijgen toe. Zij zorgden voor een set onontkoombare en pretentieloze garagepunk, op smaak gebracht met een snuif pubrock en dat meestal in een versnelling lager dan de concurrentie. 
De verwachte bierfonteinen bleven uit en het bierverbruik op het podium werd verrassend genoeg tot een minimum beperkt, maar dat kon de pret niet drukken.
We werden immers overspoeld door stuk voor stuk schitterende songs, waaronder opvallend veel, mij onbekende, parels uit het verleden, gebracht door een band die er ongelooflijk veel zin in had.
Na een lange afwezigheid kon ik me geen betere groep wensen om mijn rentree te vieren.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Pagina 1 van 20