logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Amyl And The Sn...
Kim Deal - De R...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

James Leg - Het heilige vuur brandt nog...

Twaalf jaar geleden gooiden Black Diamond Heavies na twee sublieme studioalbums en zeven jaar intens touren de handdoek definitief in de ring. Hoewel ze het toen zelf over een korte onderbreking hadden, bleek de breuk niet meer te lijmen. Drummer Van Campbell modderde eerst nog wat aan in The Cairo Gang van Bonny ‘Prince’ Billy en King Mud om daarna volledig weg te deemsteren.
James Leg koos na een ommetje bij Cut In The Hill Gang voor een solocarrière. En hoewel zijn drie soloplaten bijlange niet kunnen tippen aan ‘Every damn time’ of ‘A touch of someone else’s class’ van Black Diamond Heavies, bleven zijn optredens, op een enkele uitzondering na, telkens knetterende feestjes.
Na een afwezigheid van meer dan twee jaar was James Leg terug in Europa voor een korte tour, tijd dus om eens te checken of het heilige vuur nog brandde. Plaats van de afspraak: de Thiemeloods, een omgebouwde oude werkplaats in het oude stadsgedeelte van Nijmegen. De enige wijk in de stad die in 1944 gespaard bleef van de Amerikaanse bombardementen, wisten enkele lokale bezoekers ons te vertellen. Daar was hij dan, James Leg, nog wat magerder dan voorheen zo leek het. De voorbij twee jaar zullen geen vetpot geweest zijn. Dolgelukkig omdat hij terug was maar helaas was hij net nu zijn stem kwijt. Maar dat viel uiteindelijk best mee, het zingen ging hem goddank beter af dan het praten.
Verder was het nog even uitkijken wie hem zou begeleiden op drums. Daar een vaste band niet haalbaar is, werkt hij met interim drummers (twee in de VS en één in Europa). Hier bleek het opnieuw de Fransman Marlon Saquet te zijn en het was zowaar hun honderdste keer samen! De jongeman deed zijn uiterste best om James Leg bij te benen wat resulteerde in knallend drumwerk waar de vonken en versplinterde sticks vanaf spatten. Dat terwijl onze man uit Chattanooga, Tennessee als vanouds beukte op zijn gehavende Fender Rhodes en zijn gegrom ondanks de stemproblemen behoorlijk onheilspellend klonk.
Zijn weergaloze mix van rock-'n-roll, soul en gospel werd met zoveel begeestering de zaal in gekatapulteerd zodat voor de meeste aanwezigen de heupen stilhouden, zelfs op een zondagnamiddag, geen optie meer was. Wat was het weer genieten van het stompende "Can't stop thinking about it" van The Dirtbombs maar het hoogtepunt vond ik dit keer "All to hell" waarin wat gas teruggenomen werd en hij zijn vingers met een speelse souplesse over de toetsen liet dansen. Toevallig het enige Black Diamond Heavies nummer dat trouwens de titeltrack is van een gloednieuwe BDH verzamelelpee. En dan plotseling uit het niets, kondigde hij met een sardonische grijns op zijn smoel een song aan speciaal voor mij waarna hij "A forest" van The Cure inzette. Hoewel hij absoluut een neus heeft voor goeie covers vond ik deze destijds totaal overbodig. Ik zal het hem vroeger wel eens gezegd hebben (of leest hij mijn recensies?) maar dat hij dit nog wist... Zijn versie overtreft trouwens ruimschoots het origineel.
We mochten ook één nieuw nummer noteren: de single "All but gone" dat hij samen met Marlon Saquet in de Elzas opnam en eigenlijk de voorbode van een nieuwe elpee moest zijn. Covid besliste daar echter anders over.
Tot slot nam hij in schoonheid afscheid met twee, wel raak, gekozen covers: het obscure "Drinking too much" van het Australische The Kill Devil Hills en Link Wray's "Fire & brimstone".
Deze James Leg is nog lang niet afgeschreven!

Bambara - Hypnotiserende, gothic aandoende klaagzangen

De honger naar luide rock-'n-roll bleek groot want de foyer liep helemaal vol voor dit optreden dat aanvankelijk in het café gepland was.
Lustrous, een vijftal uit Gent, had de eer het publiek te mogen opwarmen en ze deden dat met verve. De groep opende met "Good grief", meteen met een binnenkopper van formaat. Een lillende brok luide post-punk met een hardcore randje waarin meteen duidelijk werd dat zanger Laurens Van Moorleghem de sterkhouder van de band is. Een heen en weer wiegende rots in de branding die zijn woorden uitspuwde als waren het stuk voor stuk vreselijke krachttermen en zo onvermijdelijk deed denken aan Joe Talbot, voorman van IDLES.
Na dat eerste overweldigende nummer zakte het tempo en leek Van Moorleghem zich danig te verslikken in een poging om de woede in zijn stem wat te temperen. Een zinloze poging waarna de groep zich meteen herpakte en een beklijvende set neerpootte waarin een mooi evenwicht gevonden werd tussen hard en zacht maar de urgentie van die eerste song werd helaas nooit meer gehaald.

Bambara, genoemd naar een personage uit een mij onbekende animatieserie ‘AEon Flux’, werd in 2009 op de wereld gezet door de tweelingbroers Reid en Blaze Bateh (respectievelijk gitaar/zang, drums) en bassist William Brookshire. Plaats van het gebeuren was Athens, Georgia maar de groep zocht al snel haar geluk in Brooklyn, New York en heeft intussen 5 albums en 4 EP's op haar actief.
Joe Talbot zou grote fan zijn, in ieder geval toerden ze met IDLES door de VS. Een referentie die kan tellen en toch waren mijn verwachtingen niet bijster hooggespannen. Oorzaak was hun recent verschenen EP, ‘Love on my mind’ waarop zanger Reid Bateh zich vanop de hoes als een ware posterboy presenteert en de groep haar grillige post-punk lijkt ingeruild te hebben voor gladgestreken new wave.
Mijn vrees voor een nefaste koerswijziging leek toch te voorbarig. Bambara speelde uiteraard nog heel wat oud werk. De meeste nummers werden geplukt uit hun laatste twee platen, ‘Stray’ en ‘Shadow on everything’, terwijl zelfs een nieuwe song als "Mythic love" veel meer in huis bleek te hebben dan ik kon vermoeden.
Live laat de groep zich bijstaan door twee extra leden: Bryan Keller Jr. (gitaar) en Sam Zalta (gitaar, keys) zodat Reid Bateh zich volledig kan concentreren op de zang. En of hij dat deed! Hij mag er dan al als een posterboy uitzien op de hoes van hun laatste EP, hier verscheen eerder een bezeten roofdier op de planken. Hoewel hij de andere groepsleden voortdurend complimentjes gaf was het toch hij die met alle aandacht ging lopen. Getormenteerd struinde hij over het podium waarbij hij de aanslagen op zijn lichaam niet schuwde (hoe hij meermaals neerplofte op zijn knieën!).
Een intens schouwspel waarbij een uitstapje tussen het publiek niet kon ontbreken hoewel een botsing met zijn schouder mijn kaakbeen haast ontwrichtte. Zijn stijl en manier van zingen deed onmiskenbaar denken aan een Nick Cave ten tijde van The Birthday Party, een groep waarmee Bambara tot in den treure toe wordt vergeleken. Maar buiten die zang vond ik eigenlijk weinig gelijkenissen met dat legendarische groepje uit Australië. Bambara vaart een behoorlijk eigen koers waarbij ze put uit een amalgaam van niet altijd makkelijk te verifiëren invloeden.
Een zich uit de naad meppende drummer zorgde met een onversaagde bassist voor brutale tempo's terwijl de gitaren verrassend toegankelijk klonken. De gitaar van Bryan Keller leek wel weggelopen uit de soundtrack van een spaghettiwestern terwijl het subtiele spel van Sam Zalta voor de nodige nuances zorgde.

Samen met de hypnotiserende, gothic aandoende klaagzangen van Reid Bateh leidde dit tot gevaarlijk dreigende rock-'n-roll zoals ik die al lang niet meer meegemaakt had. Na een tijdje werd hun modus operandi wel wat voorspelbaar. Eerst declameerde Reid zijn poëtische, door de dood geobsedeerde teksten waarna de overige muzikanten invielen en het gehuil begon om uiteindelijk tot een brullende finale te komen. Maar dat werd telkens zo knap en intens gedaan dat ook dit geen bezwaar mocht vormen.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, leffinge

Left Lane Cruiser - Stomende bluestrash op atoomkracht

Zou dit een verdoken vorm van knaldrang kunnen zijn? Samen met een copain de auto instappen om er vijf en een half uur terug uit te stappen voor een optreden van Left Lane Cruiser. Veel te lang verstoken van rock-'n-roll werd de drang te groot en moest ik het duo uit Fort Wayne, Indiana absoluut aan het werk zien. Eerst dacht ik nog aan Rouen (wat een stuk dichter bij huis ligt) maar daar was het nog een zittend evenement zonder bar (laatste dag dat het nog verplicht was in Frankrijk) en dus werd het Nancy.

Het optreden kaderde in ‘Les nuits de l'alligator’, een soort rondtrekkend minifestival dat zes Franse steden aandeed.
Fileleed en parkeerperikelen zorgden ervoor dat we slechts de laatste vier nummers van de openingsact zagen. Théo Charaf is een geschikte kerel uit Lyon, die na acht jaar als barman in concertzalen te hebben gewerkt, in 2019 besloot voortaan zelf op het podium te staan. De eerste songs die ik hoorde lieten vermoeden dat ik niet al te veel  gemist had. Brave, akoestische indiefolk, zeer mooi gezongen, dat wel maar ik kreeg het er niet warm van. Het volgende nummer klonk wat traditioneler, schoof wat op richting Townes Van Zandt, die Théo al eens als één van zijn voorbeelden durft aan te halen, en kon me al wat meer bekoren. Eindigen deed hij op een elektrische gitaar, die verrassend gruizig klonk, met een ijzingwekkende versie van Skip James' "Hard Time Killing Floor".

Daarna verscheen Jerron 'Blind Boy' Paxton op het podium, een 33-jarige reus van een vent uit Los Angeles die intussen naar Queens, New York is verkast. Blind sinds zijn zestiende, waar hij in navolging van bluesgrootheden als Blind Lemon Jefferson of Blind Willie Johnson, graag mee aangesproken wordt, en zelfverklaarde zoon van Robert Johnson's neef. De man wist met zijn ontwapenende eenvoud en zijn heerlijk gevoel voor humor meteen alle harten voor zich te winnen. Even dreigde het mis te gaan toen iemand van de organisatie hem na het eerste nummer totaal onverwacht een glas whiskey kwam aanbieden en hij zich haast een beroerte schrok. Tijdens de daaropvolgende song volgde nog meer ellende toen de brug van zijn banjo plots met een doffe knal neerklapte. Maar de man was niet uit het lood te slaan en hij ontpopte zich als een multi-instrumentalist die van vele markten thuis is.
Naast de banjo speelde hij ook gitaar, piano en fiddle terwijl hij zich lang niet beperkte tot de blues alleen. Ook New Orleans jazz, zydeco, cajun, hokum, ragtime en Appalachian mountain music kwamen in deze erg gevarieerde set aan bod.
Alsof dat nog niet genoeg was begon hij plots een ellenlange lofdicht op de whiskey te debiteren. Het hoogtepunt was ongetwijfeld zijn tamelijk ingetogen versie van "I ain't got nobody", vooral bekend van Louis Prima, wat zorgde voor een spontane publieksparticipatie. Deze bijzonder mooie opwarmer deden de verwachtingen voor Left Lane Cruiser alleen maar stijgen.

En dan waren ze daar, Freddie J IV en Brenn Breck (originele drummer die er na 8 jaar opnieuw bij is) en meteen leek het alsof corona nooit had bestaan. Een zinderende R.L. Burnside cover liet de sfeer meteen verhitten terwijl Brenn Beck tijdens het tweede nummer, "Wash it", duidelijk maakte dat hij en niemand anders (sorry, Pete Dio) dé drummer van Left Lane Cruiser is. Staand, met washboard op de buik en de koebel in ere herstellend. Dit was misschien wel hét beeld van de avond. Wat deed dit mijmeren naar die begindagen waarna we onvermijdelijk op onze nostalgische wenken werden bediend met onder meer "Amy's in the kitchen", "Big Momma" (nadat de meute er maar bleef om huilen) en de, wat mij betreft, misschien wel ultieme Left Lane Cruiser klassieker "Cheyenne".
Zittend op een stoel, de muts diep over het hoofd getrokken geselde Freddie J IV met een ongeziene gretigheid de snaren geaffirmeerd door de glorieus knallende drums van Brenn Beck. Dat geselen mag je vrij letterlijk nemen want na ieder nummer moest de gitaar nodig gestemd worden. Het haalde misschien de vaart wat uit de set maar Freddie is minutieus en het leverde telkens ook een overweldigende en absoluut unieke sound op. Het leek erop alsof de snaren waren ingesmeerd met een mengsel van olie en schurend zand. Dit klonk ontzettend gruizig en smerig maar tegelijk ook mooi en zalvend als balsem voor de ziel. Die scheurende gitaar (veel slide), het schorre gegrom van Freddie en die pompende drums zorgden voor draaikolken waarin je murw gebeukt werd. Blues zoals ik het graag hoor: uitermate rauw, intens en met een hoge rock-'n-rollfactor.
Tijdens de set doken nog meer covers op: een tweede maal R.L. Burnside (“Skinny woman”), Muddy Waters (“Feel like coming home”) en Jimbo Mathus (“Mule plow line”). Niet echt nodig want na veertien jaar en elf albums heeft Left Lane Cruiser echt wel eigen sterke nummers genoeg. Maar die covers blijven natuurlijk een eerlijk en oprecht eerbetoon aan hun muzikale helden.
Hoewel een nieuwe plaat er niet meteen zal komen was er, naar het einde toe, toch ruimte voor enkele nieuwe songs en dat bleken weer echte parels voorzien van monstrueuze riffs. Intussen was de knusse club gemetamorfoseerd in een ziedende moshpit. Wat me enkele blauwe plekken opleverde maar die koester ik als waren het waardevolle relikwieën.
Dit was een herboren Left Lane Cruiser op atoomkracht. Een gig zonder twijfel een 10!

Organisatie: Les nuits de l’alligator

dinsdag 01 februari 2022 17:40

Steve Wynn solo - Intiem en Hartverwarmend

Steve Wynn solo - Intiem en Hartverwarmend

Steve Wynn behoort tot de stilaan zeldzaam geworden restanten van de Paisley Underground, een muziekgenre uit Californië dat midden jaren '80 zijn hoogtepunt kende en de sixties psychedelica en garagerock een frisse opknapbeurt gaf.
Een ander exponent, The Long Ryders, schitterde hier enkele jaren geleden nog terwijl Chuck Prophet van Green On Red, die toch ook zijdelings verbonden was met de Paisley Underground, in mei nog langskomt. Maar dé vaandeldrager van die beweging was Steve Wynn's The Dream Syndicate. Net als bij alle andere Paisley bands was hun bestaan eerder van korte duur (1981-1989). In 2012 keerde de groep terug (in 2016 zouden The Long Ryders volgen) en ze bestaan nu reeds langer dan in de oorspronkelijke bezetting.
Maar ook al die jaren daartussen bleef Steve Wynn uitermate bezig zij het solo, met The Miracle 3 of in andere projecten als Danny & Dusty, Gutterball, Smack Dab of The Baseball Project.

Maar hier stond hij dus solo en dat zal gezien de omstandigheden de beste keuze geweest zijn. De immer sympathieke Steve Wynn verscheen bijzonder ontspannen ten tonele met enkel een akoestische gitaar onder de arm waarvan hij de snaren aanvankelijk als percussie instrument gebruikte om er "The days of wine and roses" mee in te zetten. Net als nogal wat anderen, vermoed ik, vind ik de eerste twee platen van The Dream Syndicate nog steeds het beste wat Wynn ooit maakte en is het telkens toch een beetje wachten of hij er nog nummers uit zou brengen. Ik werd meteen op mijn wenken bediend want de eerste twee songs waren de titelnummers van die platen. Zo was hij er meteen vanaf, zou je kunnen denken, maar zo zit Steve Wynn niet in elkaar. Voor ieder concert tovert hij telkens een totaal verschillende setlist uit zijn hoed en het zal dus puur toevallig geweest zijn dat die nummers het eerst de revue passeerden. Er zouden trouwens nog drie songs uit die platen volgen: "That's what you always say", "Tell me when it's over" en "Merrittville"! Je hoort me zeker niet klagen.
De meeste van de gebrachte nummers worden op plaat gekleurd door dominante elektrische gitaren maar bleven hier akoestisch wonderwel overeind, het zegt natuurlijk veel over de kwaliteit van de songs en de kracht van de vertolker. Wynn reeg de parels, kriskras geplukt uit zijn erg omvangrijke oeuvre, aaneen terwijl hij ons tussendoor onderhield met allerhande verhalen en anekdotes.
De opvallend spraakzame Wynn liet zich zelfs ontvallen dat hij in oktober met The Dream Syndicate terugkomt naar De Zwerver. Eén keer mocht het wat meer zijn dan alleen die akoestische gitaar. Tijdens "Black light" maakte hij gebruik van een loop station, een verjaardagscadeau van zijn vriend en Dream Syndicate gitarist Jason Victor, wat met succes voor een voller geluid zorgde. Hij had het, wat mij betreft, wat vaker mogen gebruiken maar ik vermoed dat hij de werking ervan nog niet helemaal onder knie heeft. Hoogtepunt van de avond was misschien wel het wat forser gebrachte "Boston", een Dream Syndicate song uit 1986, over de jonge, na de split van Them, in Boston gestrande Van Morrison. Gezien de reactie van het publiek was ik duidelijk niet de enige met die mening. "Shelley's blues, Pt.2", "Carolyn" en "Amphetamine" waren enkele andere songs die me blij lieten opveren.

En of hij er zin in had? De bisronde bestond uit maar liefst vijf nummers waaronder het van Gutterball opgeduikelde "One by one". Het verrassend talrijk opgekomen publiek mocht genieten van een hartverwarmende set en het is nu al uitkijken naar de komst van The Dream Syndicate!

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Old Time Relijun - Erfgenaam van Captain Beefheart?

Old Time Relijun zag in 1995 het levenslicht ergens in een donkere, beschimmelde kelder in Olympia, Washington. Na een plaat in eigen beheer begonnen ze een samenwerking met Calvin Johnson's ‘K Records’, die tot op de dag van vandaag stand houdt. Na 8 platen en veel optredens, ook in Europa, houdt de groep het in 2007 echter voor bekeken.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de groep wordt in 2018 nieuw leven ingeblazen. Sindsdien verschenen de mini-lp ‘See now and know’ en ‘Musicking’. En dat nadat zanger-gitarist Arrington De Dionyso in 2016 een bijzonder nare ervaring meemaakte. Toen werd hij maandenlang bedreigd door neonazi's en Trump-aanhangers. Herinnert u zich Pizzagate nog? Die waanzinnige complottheorie waarin beweerd werd dat het pizzarestaurant en muziekcentrum Comet Ping Pong in Washington, D.C. de thuisbasis was van een pedofielennetwerk geleid door Hillary Clinton en haar campagnevoorzitter John Podesta. In 2010 had Arrington in dit restaurant een muurschildering gemaakt wat blijkbaar als een bevestiging van die complottheorie werd gezien waardoor hij belaagd werd door extreemrechtse internettrollen en paranoïde samenzwering aanhangers. Zelfs familie en vrienden werden geviseerd. De Dionyso liet zich evenwel niet intimideren en speelde bovendien met zijn freejazzcollectief ‘This saxophone kills fascists’ een geheim concert in de Comet Ping Pong naast de betreffende muur, een zoete "fuck you" naar alt-right.

Maar deze avond stond hij dus met Old Time Relijun op het podium van café De Zwerver. De laatste dag van een lange Europese tour waaraan hij duidelijk veel plezier beleefd had. Terwijl de meeste toeschouwers goed ingeduffeld waren, verscheen Arrington De Dionyso op blote voeten en met een zonnehoed ten tonele. Enige excentriciteit was hem niet vreemd, iets wat je op zijn minst ook van zijn muziek kon zeggen.
Na dat hiatus van 11 jaar leek er muzikaal niet veel veranderd en dan baseer ik mij op de platen want van hun optreden, meer dan 15 jaar geleden, dat ik zag is me niet veel bijgebleven. Dit deed meteen weer denken aan ‘Trout mask replica’, het zwaar experimentele meesterwerk van Captain Beefheart. Diezelfde mix van blues, freejazz en avant-garde. Wel leek het wat compacter gebracht dan vroeger  en zorgden het inventieve en soms zelfs dansbare drumwerk van nieuwkomer Amanda Spring Walker en de verrassend melodieus en warm klinkende staande bas van Aaron Hartman (De Dionyso's compagnon de route van het eerste uur) ervoor dat het steeds toegankelijk bleef.
Want de vreemde maar boeiende zanglijnen van De Dionyso, die zich meestal in de hogere regionen bevonden, waren een stuk minder makkelijk behapbaar.
Een paar keer verraste hij ons zelfs met pure keelzang terwijl hij één keer bewees hij zonder moeite ook in een operette zijn streng zou kunnen trekken. Desondanks was het toch zijn gitaarspel dat me het meest fascineerde. Bluesy maar toch onvoorspelbaar, soms dissonant of gewoon freakend wanneer hij zijn snaren tegen de microfoonstandaard schuurde.
Een ietwat onverwacht sterk concertje dat me naast de onvermijdelijke Beefheart ook aan James Chance deed denken.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Black Lips - Valse start ruimschoots goedgemaakt

Na het optreden van The Cold Stares haalden we nog opgelucht adem: rock-'n-roll was terug maar nauwelijks een maand later stonden we hier opnieuw met een mondkapje en op zoek naar een zitplaats.
Maar het moet gezegd, De Zwerver had er via de opstelling in de zaal alles aan gedaan om de pijn wat te verzachten. Vooraan stoelen rond een olievatje, daarachter barkrukken rond hoge tafels, alles netjes in bubbels verdeeld. Het had zeker wat. Toch bleef het vreemd aanvoelen om zo The Black Lips, een groep die altijd uitnodigt tot wilde feestjes, te moeten meemaken.

Maar eerst hadden we nog Tuff Guac (wat staat voor straffe guacamole) uit Antwerpen. Tuff Guac is het soloproject van ‘Belly Button Records’ baas, Rafael Valles Hilario die ook actief is bij The Jagged Frequency, Moar en Brorlab. Op de plaat ‘Green and handsome’ heeft Valles alle instrumenten zelf ingespeeld maar op het podium laat hij zich begeleiden door een uitstekende band bestaande uit bassist Jasper Suys, drummer Gert-Jan Van Damme (beiden uit Mogo) en Wim De Busser, ook gekend als King Dick, op gitaar en minimale toetsen.
Tuff Guac bracht ons aanstekelijk rammelende, fuzzy garagepop die een stuk steviger klonk dan op plaat. Veel memorabele songs heb ik niet gehoord maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door een smeuïge sound waarin vooral de wonderlijke samenzang tussen Valles en de altijd begeesterende King Dick opviel. En dreigde een song al eens compleet de mist ingaan, dan was er altijd een venijnige, explosieve gitaarsolo om de meubelen alsnog te redden. Zowat elk nummer had zo'n gitaareruptie in de staart, maar die waren telkens kort en snedig genoeg om nooit te vervelen. Tuff Guac, volgend jaar op de affiche van Rock Zerkegem? Mijn sympathie hebben ze alvast.

Black Lips uit Atlanta, Georgia grossiert sinds 1999 in chaotische garagepunk (zelf noemen ze het flower punk) maar verrasten begin vorig jaar vriend en vijand met ‘Black Lips sing... in a world that's falling apart’. Niet vanwege de profetische titel maar door de onverwachte muzikale wending waarin de groep zowaar de country omarmde. Country pur sang is het zeker verre van, maar de invloeden zijn er toch overduidelijk.
Is dit een pastiche, een parodie of een hommage aan de country of is dit echt de nieuwe richting die ze uit willen? Duidelijkheid hierover is er niet zoals er eigenlijk niets duidelijks is aan Black Lips. Toch was er één teken die erop wees dat ze verder deze koers wilden varen.
Ter gelegenheid van deze tour werd namelijk een single opgenomen met twee opmerkelijke covers: "Colt 44" van The Range Rats (een kortstondig countryprojectje van Dead Moon voorman Fred Cole) en "Alone and Forsaken" van Hank Williams.
Het Italiaanse label ‘Wild honey’ hield op het allerlaatste moment de single evenwel in nadat er beschuldigingen tegen zanger-gitarist Cole Alexander bekend raakten. Alexander (toen 29) zou sexueel ongepaste berichten gezonden hebben naar de toen 17 jarige Emily Langland die ermee naar ‘The Times’ stapte. Vreemd genoeg hadden de twee een jaar later wel sex met onderlinge toestemming.
Het zoveelste gelijkaardige incident bij Burger Records waar ook o.a. Nobunny in ongenade viel. Black Lips stonden dan wel niet onder contract bij Burger Records, Langland leerde Alexander wel kennen op Burgerama (het festival van het label) waar de groep twee opeenvolgende jaren headliner was. Wat er ook van zij, de gevolgen zijn niet te ontkennen. Ook hun langlopend contract met Vice Records (sinds 2007) werd niet verlengd en van die twee nieuwe nummers was geen spoor te bekennen in Leffinge.
Black Lips kende nogal wat personeelswissels maar de huidige bezetting met maar liefst vier leadzangers (enkel drummer Oakley Munson weigert te zingen), die nu reeds zo'n drie standhoudt, lijkt me toch de sterkste die ze ooit gekend hebben. Naast Munson zagen we gitarist Cole Alexander en bassist Jared Swilley die er van in het prille begin bij waren. De excentrieke juwelenontwerpster Zumi Rosow op sax en de al even excentrieke Jeff Clarke (ex Demon's Claws) op gitaar vervolledigden de line-up. Die laatste als vanouds in een matrozenhemdje op de blote benen, alleen zijn buikje blijkt wat verder uit te dijen.
 Ik zag The Black Lips al ettelijke keren aan het werk waarbij hun optreden in de Recyclart (2007) nog steeds in mijn geheugen gegrift staat. De verwachtingen waren dus erg groot en die werden de eerste 20 minuten zeker niet ingelost. Daarvoor klonk het te rommelig, mede door een foute klankbalans, en waren de meestal oudere nummers niet de beste die ze ooit gemaakt hebben. Zo'n "Sea of blasphemy" bijvoorbeeld klonk nog erger dan de titel liet vermoeden. Tijdens die beginfase kon alleen een song gezongen door Jeff Clarke, helemaal in Demon's Claws stijl, mijn hart verwarmen.
Maar dan rechtte de groep de rug en met "Get it on time", een cover van een eerder obscuur Velvet Underground nummer, kregen we zowaar een onvervalst hoogtepunt. Waar ik vroeger soms dacht dat Zumi Rosow een wat overbodig lid was moest ik mijn mening nu totaal herzien. Hoe ze dit nummer zong zal me nog lang heugen, dat weet ik nu al. Zumi for ever.
Meteen ook het startschot van een reeks rudimentaire parels waarbij het neerzitten op een stoel een ware marteling werd. Mindere broeders zaten er nu niet meer tussen en "Hooker Jon", "Dirty Hands" of "O Katrina!" zorgden voor de totale extase.
De beste songs uit hun nieuwe en overigens uitstekende plaat hadden ze opgespaard voor de bisnummers. Eerst het enkel door Zumi en Jeff gebrachte "Chainsaw" (zwijmelende country) gevolgd door de uppercut "Gentleman" zorgden voor het absolute kippenvelmoment.
Wat de kers op de taart moest worden, "Hippie, Hippie, Hoorah" (Jacques Dutronc) kapseisde jammerlijk en dat niet alleen door het relletje vooraan.
Toch was het ondanks alles een ongemeen mooie avond geweest en lijken the Black Lips na meer dan twintig jaar nog lang niet uitgezongen.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Cold Stares - Bezeten, gruizige, intense, harde bluesrock

Een verrassend talrijk opgekomen publiek mocht iets na achten kennismaken met Shtevil, een powertrio rond Mechelaar Steven Vergauwen. Zelf beweert de man beïnvloed te zijn door Led Zeppelin, The Black Crowes en Grand Funk Railroad en classic rock met een randje soul te spelen. Dat laatste prikkelde mijn nieuwsgierigheid maar de soul bleef helaas beperkt tot het plaatje,"(I can't get no) satisfaction" van Otis Redding, dat gebruikt werd om ons op te warmen voor zijn komst.
Getooid met een imposante hoed zette hij er meteen de beuk in met een aan de seventies herinnerende sound. Maar al snel bleek zijn ego van hier tot ginder een geslaagde set in de weg te staan.
Nochtans heeft Shtevil best een paar aardige songs op het palmares staan. "On fire", dat je zou kunnen kennen van de generiek van "Make Belgium great again" en hier helemaal vooraan in de set zat of "Who I am (thank you)", ondanks die er wat haaks op staande gitaarsolo. Wanneer hij zich niet vergreep aan demonstraties van zijn onmiskenbare zangtalent of nodeloze tempowisselingen kon ik me nog verzoenen met dit soort classic rock. Helaas kon hij het niet laten om het publiek voortdurend te laten participeren. Zo moesten we zingen, klappen en werden we voortdurend gevraagd of we elkaar nog graag zagen.
Mijn laatste restje voorbehoud verdween tijdens "Little dress" waarin de drie midden in de song abrupt stopten met spelen. Toen het volk daar niet in trapte en stil bleef, vroeg hij ons dan maar zelf om te applaudisseren. Tja, niets kon hem stuiten maar toen hij afsloot met een flard "Satisfaction", waarmee de cirkel rond was, slaakte ik toch een zucht van opluchting.

Niemand minder dan Joe Bonamassa vond The Cold Stares uit Evansville, Indiana de grootste muzikale ontdekking van 2019. Voldoende reden om er in een grote boog omheen te lopen maar wat prijs ik me gelukkig dat ik hun laatste plaat, ‘Heavy shoes’, nog voor het lezen van deze quote, had beluisterd en hun naam in mijn geteisterde brein was blijven ronddwalen.
Chris Tapp (zang, gitaar) en drummer Brian Mullins startten de band in 2010 na in talloze andere bandjes te hebben aangemodderd. Met een ongeziene gretigheid stortte Chris Tapp zich op dit project dat tot op heden vijf albums opleverde, waarvan er slechts twee via een label verschenen. De andere drie bracht hij dan maar uit in eigen beheer. Die gedrevenheid heeft een verklaring. In 2009 kreeg Chris te horen dat hij nog zes maanden te leven had na de diagnose van een huidkanker in een vergevorderd stadium. Na 18 maanden bestraling en chemo geraakt hij toch genezen en begint hij met Brian Mullins meteen The Cold Stares, genoemd naar een nummer uit de debuutplaat, "Shake your moneymaker" van The Black Crowes, "Stare it cold". Vastbesloten er te geraken met harde, bluesy rock ontdaan van alle overbodige ballast, rechtdoor en altijd eerlijk. 
Die laatste en door velen fel bejubelde plaat kon me toch niet helemaal overhalen, vooral met de sound heb ik wat last, maar op dat grote podium in Leffinge viel alles op zijn plaats en hing er magie in de lucht. De bescheidenheid zelve, wat ver achteruit op het podium zorgden ze vanaf de eerste noten al voor een zelden gehoorde intensiteit. Harde blues georiënteerde rock met gonzende fuzzriffs en gruizige zang die flagrant aan The Bonnevilles deed denken. Knappe songs ook met steeds datzelfde strakke stramien: Chris Tapp tovert een catchy riff uit zijn gitaar die hij dan blijft herhalen geassisteerd door een bezeten beat van Mullins.
Net toen ik dacht dat het iets te veel van hetzelfde werd verbaasde het duo me met een sobere maar wondermooie cover van "Whipping post" (The Allman Brothers Band). Dit was blijkbaar het sein om meer afwisseling in de set te smokkelen. Dat deden ze vooral met songs uit hun oudere platen toen ze zich nog niet hadden vastgepind op die specifieke sound van "Heavy shoes". "Red letter blues" en ""Cannonball" uit hun debuut en het op een Black Sabbath-riff  gemonteerde "Neighbor blues" bleken pareltjes. Black Sabbath in garage modus, het smaakte warempel naar meer. Maar ook het nieuwe "In the night time", het buitenbeentje van de plaat, mocht er met zijn jengelende sixtiesgitaar zijn.
Ze hadden ook nog een onuitgegeven nummer bij: "Mojo hand" dat blijkbaar gebruikt wordt in de trailer van een video game (Cyberpunk 2077).

Na een vrij lange, zinderende set zonder ook maar één misser volgde nog een obligate bis waarna Chris Tapp de riem uit zijn broek haalde om er zijn gitaar mee te kastijden. Ik vraag me nog steeds af wat het ding verkeerd deed.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

maandag 25 oktober 2021 20:07

Nestter Donuts - The full monty

Nestter Donuts - The full monty
Nestter Donuts + Chiff Chaffs
Liefst 43 jaar na de vorige keer belandde ik opnieuw in het JOC te Ieper... Het kan want JOC Ieper bestaat al sinds 1973 maar is ondertussen wel van locatie veranderd.

Ik kwam vooral voor Chiff Chaffs. Een nieuwe rock-'n-roll sensatie uit Kortrijk en wijde omgeving had ik me laten wijsmaken. Twee vertrouwde gezichten uit de Pit's op het podium: Nolf Kaka (toetsen) en Jantie (drums). De andere twee waren me ook niet onbekend: zanger-gitarist Gilles Deschamps die ik nog gezien heb met Garbage Bags en Adios Pantalones en Au Tys uit de Doornikse scene.
De vier serveerden no-nonsense rock-'n-roll gemarineerd in tequila met nogal wat surfinvloeden. Het soort muziek waar ik mijn ganse leven al naar teruggrijp. Dit had dan ook alles om een losgeslagen feestje te worden. Vier mannen die het volle pond gaven en er duidelijk van genoten, een charismatische voorman en een orgeltje dat voor de nodige afwisseling zorgde. En toch wisten Chiff Chaffs me slechts een paar keer te enthousiasmeren. Een echt duidelijke reden waarom het niet echt klikte heb ik niet meteen. Een te schrale sound, het had best wat vettiger gemogen, was de drive niet dwingend genoeg of was ikzelf er na die lange onthouding niet klaar voor? Op basis van hun single, "Filthy kicks", vermoed ik toch dat Chiff Chaffs tot meer in staat zijn. (rating: 6)

Nestter Donuts is een vinnig kereltje uit het Spaanse Allicante met een indrukwekkende knevel en een fetish voor de gaten in donuts. Hij zag het (rock-'n-roll) licht toen hij in 2017 mocht openen voor Reverend Beat-Man. Sindsdien verscheen er een single en belandde één van zijn songs op een compilatie van ‘Voodoo Rhythm Records’, het label van Reverend Beat-Man, alweer hij. De twee zijn trouwens met elkaar te vergelijken, beiden vissen in de vijver van de trash one man bands al maakt Nestter daar een 'flamenco' trash one man band van.
Die flamenco invloeden leken in Ieper wat minder aanwezig dan voorheen. Slechts een paar keer liet hij zich verleiden tot die typische "cante flamenco" (de flamencozang). De trash was duidelijk gebleven en vertaalde zich in nijdige amfetamine garagepunk voorzien van verzengende ritmes. Het bleef me opnieuw verbazen wat voor een volle sound hij in zijn eentje, enkel geholpen door zijn gitaar, een basdrum en een cymbaal, wist te produceren. Bovendien hield hij het veel strakker dan vorig jaar in Bolwerk, Kortrijk wat voor een veel intensere ervaring zorgde. Vooral die verbijsterend knappe gitaar joeg het adrenalinepeil de hoogte in.
De vraag bij Nestter Donuts, dit keer gehuld in een stemmige catsuit met pantermotief, is niet of we zijn harige reet te zien zullen krijgen maar wanneer dat zal gebeuren. Dit keer duurde het vrij lang maar we kregen dan ook meteen de full monty, hier geen gepruts met een mondkapje. De laatste keer dat ik zoiets meemaakte was bij Margaret Doll Rod (Demolition Doll Rods) in 't Lintfabriek, toen eenmalig op aandringen van notoire viespeuk Andre Williams zaliger. Ik moet toegeven dat ik het toen wat appetijtelijker vond dan deze bungelende Spaanse onderdelen.
Even later zocht hij helemaal de grenzen van het fatsoen op toen hij op zijn basdrum klauterde en zichzelf, goed zichtbaar voor iedereen, met zijn micro probeerde te penetreren waardoor ik plots een opwelling van medelijden met de materiaalmeester kreeg. Wat bezielt zo'n Nestter Donuts eigenlijk? Mocht het de bedoeling zijn om wat extra aandacht te krijgen dan was zijn missie zeker geslaagd.
Plots was het wel erg druk vooraan, vooral de liefhebbers van vrouwelijke kunne waren ineens massaal present.
rating: 8

Organisatie: JOC, Ieper

The Bobby Lees + Equal Idiots - Eindelijk, rock-'n-roll waar hij thuishoort
The Bobby Lees + Equal Idiots (try-out)

Bij mijn rentree in de concertzalen zag ik meteen twee groepen die een plaat uit 2020 kwamen voorstellen, de start van een lange inhaalbeweging?

Toen ‘Alive Naturalsound Records’ begin vorig jaar met veel bombarie het label debuut van The Bobby Lees aankondigde, waren mijn verwachtingen meteen heel hooggespannen. Werden destijds groepen als The Black Keys, Two Gallants, Black Diamond Heavies of Left Lane Cruiser niet gelanceerd door dit label? Bovendien werd niemand minder dan Jon Spencer als producer voor ‘Skin suit’, zo heet de plaat, aangetrokken. Het resultaat viel me eerlijk gezegd enigszins tegen wegens te wisselvallig en bij gemis van een echte uitschieter. Toch liet de plaat vermoeden dat deze muziek beter tot haar recht zou komen op een podium. Iets wat wellicht Jon Spencer ook niet ontgaan was want de man laat zich heus niet zo vaak strikken voor dit soort klusjes. Dus hoopte ik dit stel uit Woodstock, New York ooit eens aan de slag te zien en nu het weer mag, werd ik meteen op mijn wenken bediend door de 4AD. Merci.
En daar stonden ze dan: twee jongens en twee meisjes, piepjong en ietwat onwennig zo leek het. Maar dat laatste was slechts schijn, eenmaal begonnen zagen we een gretige band die er duidelijk zin in had. Heerlijk rondhossend maar niet meteen op een label vast te pinnen. Punk, garagerock of gewoon harde rock? Sommigen horen er zelfs blues in. Wat ik wel meteen zeker wist is dat ze met zangeres/gitariste Sam Quartin een ferm uithangbord in huis hebben. Op basis van de plaat had ik dit absoluut niet zien aankomen maar wat een precense! 26 lentes jong, ook actief als actrice in independent films en een heel ernstig drankprobleem overwonnen waarmee ze kampte sinds haar dertiende!
Maar hier op Diksmuidse planken een openbaring voor ondergetekende. Indrukwekkend hoe ze haar band hier op sleeptouw nam met een zangstijl die soms neigde naar rap of spoken word maar altijd verrukkelijk vibrerend en af en toe gekruid met ijselijke uithalen. Het zorgde voor vuige rock-'n-roll waar geen ontkomen aan was.
Op ‘Skin suit’ staan twee opmerkelijke covers: "I'm a man" van Bo Diddley dat hier jammerlijk over het hoofd werd gezien en "Blank generation" (Richard Hell) dat al vroeg werd prijsgegeven, gekoppeld als een wagonnetje aan "Radiator", een nummer uit hun eerste, in eigen beheer uitgebrachte, plaat ‘Beauty pageant’. Even later werden we zelfs getrakteerd op een uitzinnige versie van "Let's have a party" (Wanda Jackson).
Helaas was het niet al goud wat blonk. Die paar mindere nummers zie ik graag door de vingers maar met de gitaar van Nick Cesa, die eerder leek thuis te horen in een doordeweekse hardrockband, had ik meer problemen. Toch had ik na uitsmijter "Be my enemy", een cover van The Waterboys godbetert maar wel een geslaagde, een overwegend positief gevoel met dank aan Sam Quartin.

Equal Idiots is het duo Thibault Christiaensen (gitaar/zang) en Pieter Bruurs (drums) dat helemaal uit Hoogstraten naar Diksmuide was afgezakt voor een try-out. Een wel erg vreemde try-out. Nooit zag ik iemand zelfverzekerder op een podium staan dan Christiaensen terwijl zo goed als alle nummers door een groot deel van het publiek volmondig werd meegezongen! Achteraf liet ik me wijsmaken dat dit een try-out was van de best imposante maar voor mij totaal overbodige lichtinstallatie en niet van hun plaat, ‘Adolescence blues community’. Eerst galmde nog "Gimme! gimme! gimme!" van Abba (die zijn nu wel helemaal terug!!) door de boxen waarna de twee helden triomfantelijk het podium bestegen. Nochtans was er vooral bij het begin weinig reden tot triomfalisme maar dat liet Thibault niet aan zijn hart komen.
Ik moet ze verscheidene keren aan het werk gezien hebben maar hun passage op Rock Zerkegem is me het best bijgebleven. Wat we hier aanvankelijk te horen kregen stond daar evenwel mijlenver vanaf. Hun harde garagerock leek verschrompeld tot brave powerpop. Tot overmaat van ramp bleef de zanger tot vervelens toe hengelen naar de gunsten van het publiek. Zo te zien genoot het volk er wel met volle teugen van en na die wankele start ging het dan toch ook voor mij plots de goede richting uit dankzij een trits ijzersterke nummers.
Vreemdste moment van de avond was dat, voor mij onbekende, nummer, opgehangen aan de (vertraagde) riff van "Smells like teen spirit". Merkwaardig maar waarom zou het niet kunnen? Het getuigt in iedere geval van lef en dat had Christiaensen in overvloed. Zo vroeg hij even later het publiek om hem te helpen crowdsurfen tot aan het balkon om daar een jongeling te hand te drukken. Uiteindelijk vond ik het een best aangename set, verrassend sterker dan wat ik op basis van die nieuwe plaat verwacht had.
Alleen jammer van dat geëmmer tussen de nummers door. Uiteindelijk bliezen ze de aftocht zoals ze begonnen waren, triomfantelijk met een door iedereen meegebrulde versie van "ça plane pour moi".

Mooie avond waar we twee groepen zagen die live duidelijk veel beter te consumeren zijn dan op plaat.

Pics homepag The Bobby Lees

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Nestter Donuts + Sin City - knetterende live-ervaring!

Textival kon dit jaar om de gekende redenen niet doorgaan maar de organisatie slaagde erin om Nestter Donuts, die oorspronkelijk op de affiche stond, toch nog naar Kortrijk te halen om zo het vuur voor een volgende editie in 2021 levendig te houden. Plaats van het gebeuren: de gezellige bar van Bolwerk Kortrijk, een halfopen loods, coronaproof met tafels en stoelen, hoewel de ene bubbel al wat groter leek dan de andere.

Ik weet niet of Sin City hun naam vonden in het gelijknamige en wat vergeten AC/DC nummer (op de plaat ‘Powerage’), hun muziek stond er in ieder geval mijlenver vanaf. Sin City is het duo Jack & Nick Cavemen maar ook met de losgeslagen garagepunk van The Cavemen had dit niets vandoen. Nee, dit was "dad rock", aldus de twee, een doorzopen mix van rock-'n-roll, country & western, soul en tenenkrullende seventies soft rock. Alle songs waren origineel van hen maar hadden ze me verteld dat het net andersom was, ik had het ook geloofd. Vernieuwing hoefde je hier zeker niet te zoeken. De nummers ontsproten tijdens het nuttigen van sloten goedkoop bier in een slonzig appartementje in het Spaanse Alicante waar de groep in quarantaine zat. Het bleek het ideale spul om zittend op een stoeltje te consumeren.
Eerst lieten ze nog "10 miljoen" van Samson en Gert door de boxen schallen (hoe komen ze als Nieuw-Zeelanders hierbij terecht?) om vervolgens als rockgoden uit de seventies te voorschijn te komen: de een in een wit pak, de ander met een strak shirt met lange western franjes en ook al helemaal in het wit. De eerste song liet het beste (een set lofi countryrock) vermoeden maar meteen daarna ging het de verkeerde richting uit. De samenwerking met Mojo, een toestel dat toetsen, drums en bas liet meelopen, verliep wat stroef maar wat erger was: we werden nu plots belaagd met suikeren softrock, ergens te situeren in de buurt van Loggins & Messina of Barry Manilow, weliswaar lofi gebracht maar dat dat kon het glazuur op mijn tanden niet vrijwaren. Gelukkig keerde het tij met nummers geïnspireerd door Phil Spector en, vreemde eend in de bijt, Tom Waits. Vooral dat laatste nummer, "The belly of the beast" (?), dat heel even aan "16 shells from a thirty-ought six" deed denken, liet me rechtveren. Vanaf dan werd het helemaal mooi. Daar zorgden enkele schitterende countrytunes ("Drunk & brokenhearted man"!!!), wat meer tempo, een van de leiband ontdane elektrische gitaar en af en toe wat sixties invloeden voor. De twee, die voortdurend hun gitaren (een akoestische en een elektrische) wisselden, veegden alsnog die valse start met een aanstekelijke gretigheid onder de mat.
Ik kan alleen maar hopen dat Sin City dit niet beschouwt als een eenmalig project en de songs wat verder uitwerkt. Hier kan echt wel een fraaie plaat uit voortkomen.

Hoofdact was Nestter Donuts, een jonge 'Manuel' maar dan niet uit Barcelona maar wel uit Alicante. Een one-man-band die enkel met stem, basdrum en cimbaal een verrassend volle sound wist te produceren.
Nestter bleek een natuurkracht die op wonderbaarlijke wijze flamenco, surf en gore garagerock wist te combineren. Vooral tijdens de flamencopassages verbaasde hij vriend en vijand met een verbluffend gitaarspel. Een bezeten kereltje dat ondanks die chronische jeuk aan zijn ballen voor een knetterende live-ervaring zorgde, iets wat ik te lang heb moeten missen.
Tijdens de bissen was het zover: Nestter ging volledig uit de kleren op een mondmasker na dat hij op een wel erg originele plaats droeg. Meteen was de arme drommel even verlost van die vervelende jeuk.

Organisatie: Textival i.s.m. de Pit's

Pagina 9 van 24