logo_musiczine_nl

Talen

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Jon Spencer
Guns N Roses

Leffingeleuren 2026 – Ontdekkingsfestival bij uitstek, Muzikale odyssee rond de kerktoren

Geschreven door - -

Leffingeleuren 2026 – Ontdekkingsfestival bij uitstek, Muzikale odyssee rond de kerktoren
Leffingeleuren 2026
Festivaldorp
Leffinge
2026-09-11 t-m 2026-09-13
Ollie Nollet

Dit was de vijftigste editie van Leffingeleuren en dat mocht gevierd worden, maar veel verschil met vorige edities heb ik toch niet gemerkt. Tenzij misschien aan de merchandisestand, waar een dikke turf met de veelzeggende titel ‘Mirakel in Leffinge: vijftig jaar Leffingeleuren’ lag. Een heuse aanrader, trouwens.
Leffingeleuren bleek, zoals we de laatste jaren gewend zijn, een lappendeken van muzikale genres, waarin talloze onbekende en minder bekende groepen hun opwachting maakten. Pendelen tussen maar liefst vier podia: Zaal, Apollo, Café en Busker Stage. Op zaterdag kwam daar zelfs nog een vijfde podium bij in de Kerk. Een odyssee, rond die kerk trouwens, waarbij je van de ene verrassing in de andere viel en voortdurend groepen ontdekte waarvan je het bestaan niet eens kon vermoeden.
Een waar paradijs voor muziekliefhebbers zonder oogkleppen. Zelfs de weergoden durfden geen roet in het eten gooien en lieten de voorspelde regen voor zondagnamiddag al in de voormiddag vallen.
Kortom, het werd een meer dan geslaagde jubileumeditie. Voor de lijstjesfetisjisten: mijn top 3: 1. Glyders 2. Milkweed 3. Golomb

dag 1 – vrijdag 11 september 2026
Mijn parcours begon in de Apollo met Ak' Chamel, The Givers Of Illness, een in lompen gehuld en met indrukwekkende maskers getooid drietal uit Houston, Texas. Het werd meteen de meest geschifte set van het hele festival. Hun motto luidt: 'postkoloniaal cultureel kannibalisme uit de vierde wereld'.
Drie postapocalyptische figuren brachten aanvankelijk sjamanistische gezangen, met enkel tribale drums als begeleiding. De toevoeging van een basgitaar en een vreemde twaalfsnarige gitaar, die op een bouzouki leek, maakte hun lo-fi rituele folk wat toegankelijker. Meteen schoof het geluid wat meer op richting rock, terwijl er ook Oosterse elementen en invloeden uit de desert blues opdoken. Misschien wel het mooiste en zeker het intrigerendste wat ik op vrijdag zag.

Meteen daarna zag ik in het Café opnieuw een vreemde stam aan het werk: Why The Eye?, een drietal uit Brussel. Hun laatste plaat,’Inspirex’ uit 2024, verscheen bij EXAG' Records en dat volstond om mijn nieuwsgierigheid te wekken. De drie verschenen in koksjassen, met schrikbarende maskers op het hoofd en met schreeuwende piepkippen in de hand, ten tonele. Hun instrumentarium bestond uit een arsenaal aan aftandse elektronica, wat cassettespelers en een koebel.
Een berg aan materiaal en een wirwar aan kabels zorgden voor een verrassend primitief geluid dat ik zou omschrijven als prehistorische techno met wat punkinvloeden. De zang bleek het heikele punt, wat misschien verklaarde waarom Damien Magnette geregeld door een telefoon zong. Niet meteen mijn ding, toch vond ik dit een best genietbare set.

Squid was op vrijdag de grootste naam op de affiche. Ik zag het vijftal uit Brighton in 2019 al eens op Leffingeleuren. Toen konden ze me vooral in de eerste helft van hun set, waarin ze behoorlijk snedig en punk klonken, mijn hart verwarmen. Dit keer bleef ik er ijskoud bij. Als dit postpunk moest voorstellen, vraag ik me toch af waar de punk gebleven was. Dit was gesofisticeerde artrock waar misschien wel iets té veel over was nagedacht.
Het leek erop alsof Squid heel graag Radiohead wilde zijn, en daar zat ik echt niet op te wachten. Maar velen dachten daar duidelijk anders over, getuige de goed gevulde volle zaal.

BIG WETT (uit Melbourne) stond niet op mijn planning maar enkele kenners sleurden me mee naar de Apollo waar het podium volledig leeg bleek. Toen verscheen een bijzonder schaars geklede blonde dame met een zonnebril op het podium. Heel even waande ik me in Het Witte Paard in Blankenberge, tot al snel bleek dat het om iets grootsers ging. Vol zelfvertrouwen werkte BIG WETT zich in het zweet tijdens een wervelende show vol sletterige danspasjes en suggestieve bewegingen. Op een gegeven moment verscheen ze zelfs met een voorbinddildo, die ze alle kanten op liet wapperen. Titels als "69", "Eat My Ass" en "Number 1 Pussy" lieten weinig aan de verbeelding over. 'Ass' en 'pussy' waren trouwens de twee meest voorkomende woorden in de steevast provocerende lyrics.
Muzikaal hield BIG WETT het midden tussen belegen seventiesdisco, Eurovisie songfestival-camp en vluchtige electropop. Alles stond op tape en live zingen deed ze nauwelijks maar dat verhinderde niet dat het publiek massaal uit zijn dak ging.
Als muziekliefhebber had ik hier niets aan, dacht ik na afloop, terwijl ik toch maar snel het kwijl uit mijn mondhoeken veegde.£

De laatste band die ik vrijdag zag was The Moonlandingz uit Sheffield. De groep heeft enkele leden van Fat White Family in haar rangen, al had ik, als ik ze zo bezig zag, eerder op Village People gegokt. De irritante zang van Johnny Rocket, gecombineerd met hun veel te bombastische glampop, joeg me al snel de zaal uit. Vrijdag bleek een dag om snel te vergeten. Dat risico loop je nu eenmaal op een ontdekkingsfestival, maar het moois dat we op zaterdag en zondag voorgeschoteld kregen, maakte dat ruimschoots goed.

dag 2 – zaterdag 12 september 2026
Zaterdag kwam ik fris en monter aan in de Apollo en zo klonk DUG eigenlijk ook. DUG is een duo uit Dublin dat bestaat uit de Schot Lorkin O'Reilly (akoestische gitaar/ resonator gitaar) en de Amerikaan Johnny Pickett (banjo). Om hun sound wat voller te laten klinken gebruikten ze een porchboard, zowat het equivalent van een basdrum, en een voettamboerijn, twee attributen uit hun buskerverleden.
Amerikaanse folk werd afgewisseld met Ierse folk die telkens verrassend fris en beklijvend klonk. Pickett bleek over een gezonde dosis humor te beschikken en maakte zich vrolijk over de wat absurde situatie: bier drinken in de basisschool, die als backstage fungeerde, en vervolgens ook nog in de kerk.
Voor alle duidelijkheid: dat laatste was een privilege voor de artiesten die er optraden. Toen hij ook nog het publiek leerde dansen in een grote cirkel sloeg de balans definitief door richting amusement. De dansers hadden wellicht de tijd van hun leven maar de muziek verloor meteen ook een flink deel van haar spanningskracht.

Vervolgens zag ik Ugly in de Zaal, een bont gezelschap uit Cambridge dat zich intussen in Londen heeft genesteld. Met zijn zessen serveerden ze een spitante mix van janglepop en artrock. Vooral de meerstemmigheid, die vaak jazzy aandeed, bleek een bepalende factor. Soms had het de complexe hoekigheid van Dirty Projectors, maar wild werd ik er niet van.

Toen Golomb vorig jaar ‘The Beat Goes O’ uitbracht op het gerenommeerde No Quarter uit Philadelphia ging er bij mij meteen een belletje rinkelen. De verwachtingen waren hoog maar het powertrio uit Columbus, Ohio loste ze volledig in.
Het echtpaar Mickey en Xenia Shuman, respectievelijk op gitaar en bas, produceerden samen met drummer Hawken Holm luide, fysieke rock die toch verrassend teder aanvoelde. De gitaar klonk geen moment minder dan indrukwekkend, maar ook de harmonieën tussen Mickey en Xenia spraken tot de verbeelding.
Ze worden vaak vergeleken met The Velvet Underground en dat bleek volkomen terecht: net zo ingetogen als compromisloos. Ze creëerden een perfect uitgebalanceerde sound, waar ze zich gelukkig niet krampachtig aan vastklampten. Plots dook er zelfs even een dubritme op. Met Golomb kon ik meteen een eerste hoogtepunt noteren.

Renny Conti was opnieuw zo'n naam waarvan je je afvroeg waarom we daar niet eerder van hadden gehoord. Deze singer-songwriter uit Brooklyn leek wel een gevestigde waarde.
Met een uitstekende band aan zijn zijde bracht hij gelaagde indiepop met lichte folkneigingen. Zijn relaxte zang deed me meteen denken aan Elliott Smith, al klonk hij een stuk minder donker. De songs werden veelal gedragen door een slepende gitaar, maar waren net iets te zacht van textuur en te eenvormig om me volledig over de streep te trekken.

Een stevige bak teringherrie was daarna meer dan welkom. En die kreeg ik van Concrete Vehicles, een vijfkoppig monster uit Vancouver. Voorheen gingen ze nog door het leven als Computer, maar om juridische redenen moesten ze die naam laten vallen. Lang zullen ze er wellicht niet om getreurd hebben.
Hun mix van hardcore en noiserock klonk behoorlijk fucked up, zowel letterlijk als met een knipoog naar de band uit Toronto. Opvallend waren de wildeman achter de toetsen en de sax, die voor wat verlichting in de chaos zorgde. De zang van Ben Lock bleef beperkt tot monotoon geschreeuw en daar heb ik het altijd moeilijk mee.

Daarna brak in de Zaal het moment van de waarheid aan. Glyders uit Chicago was zonder twijfel de groep waar ik het meest naar uitkeek. Ik was al helemaal in de ban van hun twee platen, ‘Maria’s Hunt’ en ‘Forever’, maar live bleek de band nu - ik wik mijn woorden - minstens vijf keer straffer.
Nochtans leek er niet veel te gebeuren op dat grote podium. Statischer kon een band nauwelijks zijn. De drummer slaagde er zelfs in om tijdens het hele optreden geen enkele gezichtsspier te laten bewegen. Glyders moest het dus enkel van de muziek hebben en die had duidelijk geen ornamenten nodig.
De band trapte meteen af met hun beste nummer: "Super Glyde", dat kon bogen op enkele onverwachte tempowisselingen. Hun muziek liet zich omschrijven als cosmic rock die bij momenten behoorlijk groovy uit de hoek kwam. Soms meende ik zelfs een psychedelische versie van JJ Cale te horen.
Centraal stond de Spartaanse, strak maar toch ook warm klinkende gitaar van zanger Joshua Condon. Zonder één overbodige noot bleef ze messcherp klinken, terwijl de solo's telkens weer wonderbaarlijke excursies werden. De diep rollende bas van Eliza Weber en de stoïcijns roffelende drums van Joe Seger zorgden voor aanstekelijke ritmes en een gemoedelijke drive. Soms werd het zelfs wat funky, terwijl country op andere momenten als inspiratiebron opdook.
Maar bovenal had Glyders een volstrekt eigen geluid waar ik maar geen genoeg van kreeg. Blijkbaar was dit al hun tweede Europese tour van het jaar. Hopelijk volgt er snel nog eentje.

Het contrast kon nauwelijks groter zijn: na de euforie bij Glyders werd ik meteen ondergedompeld in de mystieke sfeer van Maya Ongaku. Maya Ongaku is een drietal uit het Japanse Fujisawa dat ons kwam verblijden met dromerige, suggestieve soundscapes.
Ambient zou je het zeker kunnen noemen, maar gelukkig bleef de band met beide voeten stevig op de grond. Gitarist Tsutomu Sonoda zorgde af en toe voor wat omfloerste zang, maar het was vooral Shoei Ikeda die aan de synths de toon zette. De elektronica moest geregeld het veld ruimen voor een saxofoon en zelfs een keer voor een dwarsfluit.
Toch leek de bedwelmende sound voortdurend uit een verre uithoek van de kosmos te komen. Het deed me mijmeren over Tangerine Dream, iets wat me al zeer lang niet meer was overkomen.
Erg behapbaar was het niet, maar Maya Ongaku kreeg het resterende deel van het publiek toch aan het deinen.

En dan was er ook nog Duyster Live, een festival in het festival, waarin Ayco Duyster en Eppo Janssen enkele akoestische bands in de Kerk voorstelden.
Grootste naam daar was Scott McCloud ft. Simon Lenski. Scott McCloud zag ik lang geleden verschillende keren aan het werk met bands als Girls Against Boys, Paramount Styles en New Wet Kojak. Intussen heeft deze Amerikaan Wenen als uitvalsbasis en nam hij zijn eerste soloplaat op in Athene. Die kwam hij samen met cellist Simon Lenski (DAAU) voorstellen in Leffinge. Christel Mignolet van de Brusselse groep Sweet Jane, die onaangekondigd opdook, mocht voor de tweede stem zorgen.
Samen brachten ze een reeks minimalistische, ingetogen songs waarin McCloud meermaals terugblikte op zijn verleden. Als slotakkoord haalde hij nog een paar oude nummers boven, waaronder "Amsterdam again" van Girls Against Boys. Wereldschokkend was het geenszins, maar ik was al lang blij Scott McCloud nog eens terug te zien.

Met Allah-Las had Leffingeleuren een groep met een gevaarlijke naam op de affiche staan. In 2017 werd in Rotterdam een optreden van deze band vlak voor aanvang afgelast na een waarschuwing van de Spaanse autoriteiten voor een dodelijke aanslag. In Leffinge was er gelukkig geen vuiltje aan de lucht en kon Allah-Las, versterkt met een extra toetsenist en percussionist, gewoon zijn ding doen.
De groep uit Los Angeles heeft een stevige live-reputatie, waar ik zelf ooit getuige van was, en toch was ik er niet helemaal gerust op. Dat kwam door de pas verschenen nieuwe plaat, ‘Sirenas’, die op zijn zachtst gezegd nogal vreemd klinkt. Op deze volledig instrumentale plaat lijkt Allah-Las terug te grijpen naar de exotica uit de jaren 50 en 60, terwijl de geest van Joe Meek nooit ver weg lijkt. Gelukkig bleef het aantal nummers uit "Sirenas" beperkt tot twee zodat we volop konden genieten van de stemmenpracht, waar Allah-Las toch om bekendstaat.
De erg laidback gebrachte songs dreven op aanstekelijke grooves waar je niet anders dan vrolijk van kon worden. Ook dit bleek een erg statisch optreden. Buiten een gitaarwissel tussen bassist en gitarist halverwege de set viel er op het podium weinig te noteren. Maar de muziek, met nummers als "Busman's holiday", stond als een huis, al was het misschien soms net iets te relaxed.

Honk, dat in het Café mocht optreden, bleek te bestaan uit een stel geschifte individuen uit Manchester. Zanger Chip Smitten had een indrukwekkende knevel onder de neus en leek wel een rebelse Jon Lord. De bijzonder komische drummer leek dan weer op Benny Hill. Het bleek om een invaller te gaan die voor het eerst met Honk optrad. Meteen rekruteren zou ik zeggen...
Ze zagen er niet alleen geschift uit, zo klonken ze ook. Zelf noemen ze hun muziek trashcan country, vrij vertaald: scheve country. De immer heerlijke klinkende lapsteel zorgde voor een onmiskenbaar country-element. Voor de rest klonk het vooral rommelig en chaotisch, maar tegelijkertijd ook bijzonder fascinerend. Hun wankelende country, gekruid met een schotje punk, deed onvermijdelijk aan Country Teasers denken. En nu die laatsten niets meer van zich laten horen, is een band als Honk meer dan welkom.

dag 3 – zondag 13 september 2026
Zondag leek te beginnen met een anachronisme. Shallowater, een trio uit Houston, Texas, katapulteerde ons meedogenloos terug naar de jaren 90. Die minimalistische, traag voortschrijdende nummers die uiteindelijk uitmonden in een orkaan van gitaargeweld waren toen schering en inslag. Een techniek die vooral bij slowcorebands in zwang was. Hier waren die uitbarstingen best pittig, maar de aanloop was toch telkens net iets te langdradig.
Na twee ellenlange nummers gooide Shallowater plots, en totaal onverwacht, het roer om. De twee resterende nummers door woestijnzand getaande rock, waarbij vooral het laatste, "Angels", sterk aan Neil Young & Crazy Horse deed denken, zowel qua zang als gitaar. Het was meteen ook één van de mooiste nummers die ik tijdens deze editie van Leffingeleuren heb gehoord.

Lothario uit Naarm/Melbourne wordt gewoonlijk omschreven als een garagepunk- of DIY-punkband maar dat klopte slechts ten dele. De band opende furieus met zangeres Annaliese Redlich, die krijste als Poly Styrene van X-Ray Specs. Jammer genoeg bleek hun beste kruid meteen verschoten. Af en toe dook er nog een zweem van een doeltreffend punknummer op, maar meestal verzandde Lothario in gewone harde rock, soms op het banale af. Toch bleef ik genieten van het gitaarwerk van Elsa Birrell, hoewel dat weinig uitstaans had met punk.

Het Londense duo Milkweed wordt weleens omschreven als een onzichtbare band. Persfoto's met herkenbare gezichten zijn er niet en hun namen blijven beperkt tot G en R. Het past natuurlijk perfect bij hun muziek die op zijn zachtst gezegd nogal vreemd klinkt. De twee zaten aan een gigantische tafel vol elektronica, en dat is zelden een goed teken. Daarnaast speelde R banjo terwijl G af en toe een gitaar ter hand nam, maar zich vooral bezighield met cassettes en ook de zang voor haar rekening nam.
Het optreden begon met het geluid van krijsende meeuwen en eindigde met mekkerende geiten. Daartussen werden we meegenomen op een hallucinante trip door de donkerste tijden van de geschiedenis. De muziek - als het al muziek was - kon je nog het best omschrijven als horrorfolk. Lo-fi, compromisloos en verwrongen, niets was wat het leek. Korrelige, vage geluiden op tape die niet zelden bleven haperen, monotone, krakende spoken word en een onconventionele banjo waren enkele van de ingrediënten.
Toegankelijk was het allerminst. De Apollo liep dan ook behoorlijk leeg maar wie bleef en er voor openstond maakte een onvergetelijk optreden mee. Wel miste ik hier de mooie zang van hun platen, ‘Remscéla’ en ‘Folklore 1979’; die kwam hier nauwelijks aan bod. Desondanks vond ik Milkweed het absolute hoogtepunt op zondag!

Prewn is het alter ego van Izzy Hagerup, een zangeres die opgroeide in Northampton, Massachusetts maar intussen gesetteld is in Los Angeles. Geruggensteund door een uitstekende band bracht Prewn knap gezongen songs, waar ik het evenwel warm noch koud van kreeg. Ze wordt soms vergeleken met PJ Harvey, maar dat lijkt me toch wat te veel eer. Daarvoor is haar slaapkamerpop wat te vrijblijvend en dat is nu net het laatste wat je van PJ Harvey kunt zeggen. Maar misschien was ik er gewoon niet klaar voor, net na die grensverleggende set van Milkweed.

Het komt maar zelden voor dat ik een groep pas ontdek bij hun zevende plaat. Toch gebeurde het eerder dit jaar, toen ik ‘Singin' to an Empty Chair’ van het vanuit Chicago afkomstige Ratboys te horen kreeg. Een mooie plaat die me nieuwsgierig maakte naar wat de inmiddels vijftien jaar actieve band er live van zou bakken.
Ratboys nam een vliegende start met het okselfrisse "Open Up", tevens de opener van die laatste plaat. Ik viel als een blok voor de hoge, heldere zang van de ontwapenende Julia Steiner, die er met haar geel-zwarte muts schattig uitzag. Maar ook gitarist Dave Sagan, eveneens getooid met een muts, maakte met zijn levendige, twangy gitaarspel minstens evenveel indruk. Wat klonk dit sprankelend, als een pas geopend blikje frisdrank.
Jammer genoeg verdween ook bij Ratboys na een tijdje de bruis. Niet dat hun indierock plots ondermaats klonk, maar het overrompelende effect was er niet meer bij. Met "Look To" en "Alien With a Sleep Mask" vonden ze gelukkig hun tweede adem, twee afsluiters die bewezen dat Ratboys ook vroeger al sterke nummers schreef.
Net iets te weinig variatie om van een echt hoogtepunt te kunnen spreken.

Daarna werd het tijd om de hype van het moment te gaan checken: Man/Woman/Chainsaw, een zeskoppig gezelschap uit Londen met wortels in de befaamde Windmill-scene. Sommige media hadden de lat alvast hoog gelegd: Man/Woman/Chainsaw zou er in Leffingeleuren met kop en schouders bovenuit steken. Maar dat ballonnetje werd al snel doorprikt. Ok, de groep zag er beeldig en kleurrijk uit en het gebruik van een viool zorgde voor een verfrissende toets maar verder was het echt wel zoeken naar wat Man/Woman/Chainsaw nu zo uniek maakt. Dit was doordeweekse indiepop, met nu en dan een poging om wat arty te klinken. Een Flying V met een strijkstok bespelen oogt misschien spectaculair maar de meerwaarde ervan hoorde ik helaas niet. Een ontgoocheling.

Vervolgens overdonderde Cowboyy, een trio uit het Britse Portsmouth, ons met een immense muur van geluid. Aanvankelijk zag ik door de bomen het bos niet meer, dit klonk wel heel eendimensionaal. Bovendien was hun mix van post-hardcore en mathrock niet bepaald iets waar ik op zat te wachten. Maar gaandeweg ontdekte ik in het geraas ongewone groove- en tempowisselingen, die het geheel toch naar een hoger plan tilden. Verder ontpopte Stanley Powell zich plots tot een fantastische gitarist met een spectaculaire stijl. Die ongebruikelijke gitaarlijnen waren niet altijd even raak, maar bleven wel intrigeren.
Het zwakke punt van Cowboyy was de praatzang van Powell, die totaal niet in het plaatje paste.

Op plaat kon Ghostwoman me nog niet volledig overtuigen, maar op het grootste podium van Leffingeleuren lukte dat wél. Het Canadees-Belgische duo, met zanger/gitarist Evan Uschenko en drumster Ille van Dessel, bracht een sobere maar erg gesmaakte set.
Ondanks de beperkte middelen klonk het geluid indrukwekkend, grotendeels dankzij de gitaar van Uschenko. Want de drums van van Dessel waren niet bepaald spectaculair, wel heel adequaat. Ghostwoman bracht franjeloze psychrock met een uitgesproken garagerockaanpak waarbij de gruizige gitaar alle ruimte kreeg. Nadat ik eerder in de aanhef van een nummer al enkele Pink Floyd-noten meende te herkennen, kon Uschenko het niet laten om ons ook de intro en het eerste couplet van "Wish You Were Here" voor de voeten te gooien. Meer dan een onderhoudend tussendoortje was het niet en als Uschenko al zijn mosterd bij Pink Floyd haalde dan toch bij de acht jaar jongere versie.
Ghostwoman bleek onverwacht een van de hoogtepunten op zondag.

In tegenstelling tot vorig jaar viel er tijdens deze jubileumeditie weinig onvervalste punk te beleven. Ook Sex Mask uit Melbourne bracht geen punk maar kreeg het publiek wel aan het kolken. Dat lag niet zozeer aan de muziek, die ik eerder als new wave zou omschrijven, maar aan zanger Wry Gray, die zich ontpopte tot een ware volksmenner. Halverwege de set riep hij om Brad Pitt, waarop een rapper het podium opstormde. Het hek was nu helemaal van de dam. Samen wisten ze het publiek nog verder op te zwepen terwijl de mix van new wave en rap voor een explosieve cocktail zorgde. Zo smolten mijn aanvankelijke reserves helemaal weg. 

Intussen begon de vermoeidheid zijn tol te eisen, waardoor ik maar een beperkt deel van het optreden van Maria Iskariot meepikte. Het viertal uit Gent stond nog steeds garant voor wilde, frisse, Nederlandstalige punk die zijn gelijke niet kent. De volledig vrouwelijke frontlinie blijft opvallen omdat het helaas nog steeds een zeldzaamheid is. En dan was er uiteraard nog de charismatische, ongetemde Helena Cazaerck, een frontvrouw die iedere band zich zou wensen. Ook hier wist ze het publiek bij de show te betrekken door tijdens de Gorki-cover mensen uit te pikken en hen "Dat vind ik lekker" in de micro te laten zingen. Deze keer stond ik gelukkig ver genoeg om de dans te ontspringen.

TVOD uit Brooklyn bleek de ideale afsluiter van de feestelijkheden in de Apollo. Het was de laatste show van hun tour en het zeskoppige gezelschap was dan ook vastberaden er een feestje van te maken. Hoewel ik een sterk vermoeden heb dat ze dat altijd willen. Zanger Tyler Wright slaagde erin om ‘Leffinge’ perfect uit te spreken en maakte er prompt zijn stopwoordje van. Hij vloog er meteen vol in en liet al snel zijn microfoonstandaard, voor hem duidelijk een overbodig attribuut, in het publiek verdwijnen.
TVOD ontketende één grote explosie van energie die meteen oversloeg op het publiek. Hun sound bleek een mix van post- en poppunk die opgejut werd door infectieuze dancebeats. De twee gitaren, synths, bas en drums creëerden een muur van geluid die gelukkig voldoende ademruimte liet. Toch was het Tyler Wright die voortdurend de show stal en al gauw boven de hoofden van het publiek zweefde.
Naast veel werk uit hun debuut liet TVOD ook een vijftal nummers uit hun nieuwe plaat ‘The Farm’, die in oktober verschijnt, op ons los.
"What time is it?" riep Wright waarop massaal "Party Time" werd geschreeuwd. Het gelijknamige nummer vormde samen met "Alien" het slotakkoord van een wervelende set.

Daarna bleef er nog één naam over. Model/Actriz, dat onlangs Boston voor Brooklyn ruilde, mocht definitief een punt zetten achter deze vijftigste editie van Leffingeleuren.
Na Man/Woman/Chaisaw, dat eerder op de dag hopeloos de mist inging, kregen we opnieuw een hype voor de kiezen. Model/Actriz bracht het er beter van af, maar dat was vooral te danken aan één man: zanger Cole Haden. Als een ware diva verscheen hij met een netje over het hoofd op het podium, wat een mooi contrast vormde met zijn pornosnor. Al vlug verdween hij in het publiek, waar hij menig jongeman een aanzoek deed en uiteindelijk zowat de helft van de set zou doorbrengen. De momenten waarop hij wél op het podium stond leverde hij een theatrale performance af waar je je ogen nauwelijks van kon afhouden. En de muziek? Daar had ik op zijn zachtst gezegd toch wat bedenkingen bij. Ik hoorde schurende industrial rock/pop waarbij ik me afvroeg of het publiek zonder de show van Haden even enthousiast zou hebben gedeind.
Haden zelf leek wel te willen croonen, maar deed dat op een verhakkelde manier. Op plaat zou ik hier nooit naar luisteren maar live viel de balans uiteindelijk positief uit. Model/Actriz bleek een waardige afsluiter van een geslaagde jubileumeditie.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/index.php/nl/component/phocagallery/category/10273-leffingeleuren-2026?Itemid=0
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  

Aanvullende informatie

  • Datum: 2026-09-16
  • Festivalnaam: Leffingeleuren 2026
  • Festivalplaats: Festivaldorp
  • Stad (festival): Leffinge
  • Beoordeling: 8
Gelezen: 141 keer