De eerste band, het lokale The Salvador Statement moest ter elfder ure verstek geven wegens ziekte. Te laat om een vervanging te zoeken maar ter compensatie werden we een drankbonnetje aangeboden door het immer attente 4AD personeel!
Na wat aangemodderd te hebben in het punkbandje The Slack Republic verkast Pierre Moore (opgegroeid in Jackson, Mississippi) samen met zijn neef, drummer Michael Gardner, naar Philadelphia waar ze bassist Ryan Lynn ontmoeten. Het klikt meteen en John The Conqueror, genoemd naar een Afro-Amerikaanse volksheld die als slaaf ondanks alle ellende zijn trots en onafhankelijke geest intact wist te houden, was een feit. Intussen heeft de groep twee platen op haar actief en is mede-oprichter Michael Gardner, die het touren niet meer zag zitten, onlangs vervangen door Adam Williams.
Het begon wat mak maar eenmaal de motor aangeslagen bleek hun bluesrock best te pruimen. Pierre Moore heeft een mooie, donkerbruine, gruizige stem en zijn gitaarspel, waarvoor hij naar eigen zeggen zijn eerste lessen kreeg van een dakloze, zorgde voor heel wat vuurwerk. Samen met de imponerende bassist, Ryan Lynn, en de adekwate drummer produceerde hij een stevige, heerlijke sound die niet zelden aan The Jimi Hendrix Experience deed denken. Zelfs de valkuilen eigen aan het genre (vervelende gitaarsolo’s, eindeloos uitgerokken nummers,...) werden handig vermeden en ze bleven het erg strak houden.
Alles leek te kloppen en toch ontbrak er iets. De songs! Die konden niet echt verrassen en klonken meestal te voorspelbaar. De groep heeft duidelijk behoefte aan wat meer klappers zoals “3 more”, een nummer uit hun eerste plaat, waar de gensters wel van afsprongen. En “Got my mojo working” (nochtans mooi gebracht) coveren getuigt ook al niet van veel inspiratie.
Bovendien was er iets vreemds aan de hand. Pierre Moore keek zijn publiek niet aan, laat staan dat hij ermee communiceerde. Slechts tweemaal, toen het concert reeds ver gevorderd was, richtte hij het (onverstaanbare) woord tot de zaal. Voor de rest ging hij tussen de nummers steeds met de bassist wat keuvelen alsof ze in het repetitiekot waren terwijl hij de whisky met sloten naar binnen kapte. Er diende duidelijk het een en ander weggespoeld te worden.
Dat laatste miste zijn effect niet en het ging er, naarmate de set de eindstreep naderde, wat ruwer en wilder aan toe, wat niet noodzakelijk een nadeel was. Dat terwijl die magnifieke sound onwrikbaar overeind bleef.
Organisatie: 4AD, Diksmuide