logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Geert Huys

Geert Huys

vrijdag 28 augustus 2009 03:00

Pukkelpop 2009 in de ogen van …

Pukkelpop 2009 in de ogen van …

Samen met het Dour festival moet Pukkelpop zowat de hoogmis vormen van de alternatieve muziekscene op de Belgische zomerfestivalkalender. Tijdens een driedaagse marathon geven bijna 200 groepen en artiesten ter hoogte van het onooglijk kleine stukje Limburg genaamd Kiewit acte de présence op acht verschillende podia: zappen van noise naar beats, van hard naar zacht, van het mega gevoel van de Main Stage naar de intimiteit van de Chateau. Een goed voorbereid man is er dus twee waard, timing is of the essence wil je voldoende waar voor je geld. Ziehier de hoogst onbetrouwbare neerslag van mijn muzikaal parcours op Pukkelpop 2009...

Dag 1, 20 augustus 2009

Vrij onverwacht begon onze muzikale rondreis met een valse noot van formaat in de bloedhete Shelter. De emocore van het Amerikaanse RIVAL SCHOOLS (**) wist acht jaar na hun triomfantelijke doortocht op Pukkelpop nu nog nauwelijks te boeien, en dit ondanks een uitgelezen selectie uit hun klassieke debuut ‘United by Fate’. Klassenummers als “High Acetate”, “Undercovers on” en “Used for Glue” werden door de weinig geïnspireerde frontman Walter Schreifels en zijn bijwijlen erg slordig musicerende band gewoon met te weinig pit en te routineus de tent ingestuurd. Omwille van hun status als één van de pioniers in het genre blijft de groep bij vele fans echter respect genieten, het wordt dus uitkijken naar het langverwachte tweede album, en vooral, de verhoopte herkansing in het Belgische clubcircuit.

Toegegeven, de loden hitte zat er zeker voor iets tussen toen we de schaduw van de immer donkere Chateau opzochten voor de set van SOAP & SKIN (****). We blijven de Limburgse middagzon echter eeuwig dankbaar, want zonder haar hadden we bijna één van dé ontdekkingen van Pukkelpop 2009 gemist! Achter dit éénmansproject gaat de frêle Oostenrijkse fee Anja Plaschg schuil die onlangs debuteerde met ‘Lovetune for Vacuum’. Vanachter haar zwarte grand piano declameerde dit 19-jarige natuurtalent een resem gitzwarte songs doorweven van tristesse, verder enkel begeleid door onheilspellende samples.  Hoogtepunten in overvloed, maar als we toch moeten kiezen: het autobiografische “Spiracle”.

Na de massale opkomst voor de (on)begrijpelijk populaire Dizzee ‘Bonkers’ Rascal had het overwegend jonge festivalvolkje weinig boodschap aan de knappe americana van WILCO (****) in de Marquee. Al hebben Jeff Tweedy & co met ‘Wilco (The Album)’ net een relatief poppy album afgeleverd, live trok de groep echter ongemeen stevig van leer. Naast de ongeschoren Tweedy blijkt vooral gitarist Nels Cline de absolute sterkhouder van de groep, zoals hij overvloedig bewees tijdens een heftig “Impossible Germany”. Als dit slechts een voorproefje was van wat de heren in petto hebben voor hun najaarstour zou ik wel weten wat gedaan op 6 november ter hoogte van de AB...

Na de naar verluid zeer makke vertoning van Razorlight deden DEFTONES (****) wat van hen verwacht werd: de lont aan het vuur steken en voor de eerste keer de Main Stage laten ontploffen. Het was al meteen goed raak met de furieuze opener “Feiticeira”, meteen gevolgd door publiekslieveling “My Own Summer (Shove it)”. De scherp ogende frontman Chino Moreno ging vervolgens ook even persoonlijk zijn fans begroeten, en weg waren we voor een memorabele set emometal van de bovenste plank. Moreno fluisterde, brulde en krijste zich een weg door de setlist, met als ultieme afsluiter het claustrofobische “Change (In the House of Flies)”.

Onder een onbehaaglijk ogende gitzwarte hemel dreven de (on)weer(s)goden ons vervolgens naar de Club alwaar het New Yorkse kwartet GRIZZLY BEAR (***) kwam bewijzen waarom er zoveel fuzz wordt gemaakt rond hun jongste worp ‘Veckatimest’. Hun barokke en bijzonder ingenieus in elkaar geknutselde meerstemmige huiskamerpop werd fel gesmaakt terwijl het buiten oude wijven regende. Net als op plaat behoorden “Cheerleader” en de instant classic “Two Weeks” tot de absolute hoogtepunten. Het lijkt wat vroeg op het jaar, maar noteer ‘Veckatimest’ alvast ergens in de bovenste regionen van jullie persoonlijke albumlijstjes.

De tijd dat THE OFFSPRING (**) zich even de hipste punkrockers op deze planeet waanden ligt intussen ruim 15 jaar achter ons, maar toch konden ze Chokri & co overhalen om voor hen een plaats op de Main Stage warm te houden. De overigens pretentieloze muzikale formule van frontman Dexter Holland, gitarist Noodles en hun kornuiten is al jaren ongewijzigd maar lijkt wonderwel ook de nieuwe generatie festivalgangers aan te spreken. En de fans van het eerste uur, ach, die waren al gauw tevreden toen ze helemaal vooraan de set met “Come Out and Play” en “Bad Habit” twee klassieke meezingers uit de millionseller ‘Smash’ kregen voorgeschoteld.

Op Guns ‘n’ Roses na (headliner in 2002) was er nog nooit zoveel te doen rond de komst van een groep op Pukkelpop als de Surprise Act die donderdag na Wilco in de Marquee zou aantreden. De eerste geruchten bleken bewaarheid te zijn toen de leden van THEM CROOKED VULTURES (****) op het podium verschenen, oftewel de nieuwste supergroep in het alternatieve rocklandschap bestaande uit Josh Homme (Queens Of The Stone Age), Dave Grohl (Foo Fighters) en John Paul Jones (Led Zeppelin). Van een primeur gesproken: de één uur durende set op Pukkelpop was immers pas het derde officiële optreden sinds het oprichten van de groep, en bestond bovendien uit uitsluitend nieuwe nummers die nog geen hond ooit had gehoord. Maar ook zonder een feest der herkenning wisten de Stone Age Zeppelin Fighters (zoals ze inmiddels op diverse blogs worden omschreven) te imponeren met hun monumentale sound die naast de onvermijdelijke vergelijkingen met Queens Of The Stone Age en Led Zeppelin ook de geest van Cream, Mountain, Cactus en Masters of Reality ademde. Voor de afwezigen blijft het wonden likken en nagelbijten tot 23 oktober wanneer het debuut van Them Crooked Vultures, ‘Never Deserved the Future’, wereldkundig wordt gemaakt.

Ook de zanger van OPETH (***) bekende zonder schroom dat Them Crooked Vultures de lat wel heel erg hoog hadden gelegd voor hun eigen set in de Shelter. Tijdens de afgelopen twee decennia hebben deze sympathieke Zweden echter al voldoende credibility opgebouwd in het progressieve metalgenre, niet in het minst dankzij het fenomenale koppel stembanden van frontman Mikael Åkerfeldt. De ene keer klinkt hij even zoetgevooisd als een zondagse koorzanger, de volgende seconde als grafstem uit een slechte horrorfilm. Een gemiddeld Opeth nummer klokt gemakkelijk af op 10 minuten en lijkt wel een een mini-opera op zich volgestopt met onverwachte tempowisselingen en symfonische intermezzo’s. Tip: wie zich afvraagt hoe een muzikaal huwelijk tussen death metal, psychedelica en jazz klinkt slaat er best even hun vorig jaar verschenen ‘Watershed’ album op na.

LADYHAWKE (**) maakt onschuldige pop voor onschuldige meisjes. De Club was dan ook volgelopen met exemplaren van deze laatstgenoemde diersoort die met volle teugen genoten van catchy doch licht verteerbare 80s popdeuntjes. De groep had haar radiohits mooi opgespaard tot op het einde van de set: na een eerder mak “Back of the Van” en een strak “Paris is Burning” deed vooral de nieuwe single “My Delirium” de plankenvloer van de tent trillen van ... onschuldig genot?

Wie vooraf geld had gezet op FAITH NO MORE (*****) als één van de absolute toppers van Pukkelpop 2009 kwam niet bepaald berooid terug van zijn/haar weekendje Kiewit. Want geef toe, wie had zich kunnen indenken dat de terugkeer van een 90s icoon dat ruim 10 jaar geleden de handdoek in de ring gooide, en bovendien geen nieuw materiaal op stapel heeft staan, zou leiden tot een ronduit verbluffende performance op de Main Stage? De heren in wit maatpak openden de set met een zo mogelijk nog kleffere versie van “Reunited” dan de originele hit van Peaches & Herb, gevolgd door het manische “Land of Sunshine” uit hun doorbraakalbum ‘Angel Dust’. Dit straf staaltje zelfrelativering kon het schizofrene karakter die de groep altijd heeft getypeerd werkelijk niet beter demonstreren, balancerend tussen retestrakke crossover (“Epic”, “Midlife Crisis”) en zeemzoeterige ballads (“Evidence”, “I’m Easy”). Voeg daarbij nog de rekbare stembanden van podiumbeest Mike Patton, en je bekomt het perfecte recept voor een dik uur alternative adult entertainment. Ook op z’n 41ste lijkt Patton trouwens maar weinig wilde haren te zijn verloren: hij intimideert fans met een stalen blik, draait ze een tongzoen of spuwt in de camera als een onbezonnen tiener. Met de heftige toegift  “We Care a Lot” besloot Faith No More een fenomenaal best of feestje dat nog lang in ons muzikaal geheugen zal blijven nazinderen.

Wie om 1 uur ’s nachts nog voldoende wakker was en een portie oorverdovende dramatiek wel kan smaken moest uiteraard van de partij zijn in de Marquee voor MY BLOODY VALENTINE (***). Net als Faith No More heeft deze legendarische, van oorsprong Ierse indieband rond opper-shoegazer Kevin Shields na jaren van afwezigheid opnieuw de rangen gesloten, maar is het onduidelijk of er ook nog nieuw werk aankomt. Phil Spector vond ooit de wall of sound uit, The Jesus And Mary Chain gooiden daar fuzz gitaren bovenop, maar het was My Bloody Valentine die in de allesovertreffende trap dit alles nog eens drapeert met een dissonante noisebrij en atmosferische soundscapes. Echte songs waren in de Marquee dan ook ver te zoeken, maar decibels waren er des te meer in overvloed. Gezien hun legendarische status in het indielandschap is dit een band die je één keer moet gezien hebben, maar mijn trommelvliezen smeken mij om het bij deze ene keer te houden.

Dag 2, 21 augustus 2009

Nu een heropstanding van New Order na de zoveelste egoclash weinig waarschijnlijk is ligt de weg wijd open voor mogelijke troonopvolgers. In de Marquee toonde het Britse viertal DELPHIC (***), toevallig of niet tevens afkomstig uit Manchester, dat het zeker kan meedingen naar die titel. Met lange, soms freaky nummers opgebouwd rond electronische bliepjes en glasheldere gitaarlijntjes lijken deze Mancunians intussen al het juiste geluid gevonden te hebben, nu nog de wereldsongs.

Het Canadese METRIC (***) timmert intussen ruim 10 jaar aan de weg, maar heeft pas dit voorjaar enige naambekendheid verworven aan de andere kant van de grote plas met de radiohit “Help I’m Alive”. Een lang uitgesponnen versie van dit nummer stak helemaal voorin hun set op de Main Stage, maar de groep bewees over genoeg andere troeven te beschikken om niet de geschiedenis in te gaan als one-hit wonder. We onthouden hierbij vooral de niet onaardige frontvrouw Emily Haines die nu en dan de show kwam stelen door lekker loos te gaan op haar knetterend orgeltje, maar zich tijdens het afsluitende ‘Stadium Love” toch wel lichtjes vergaloppeerde als volksmenner.

Op basis van hun muzikale bio, waarin wordt gerefereerd naar schoon volk als The Band, My Morning Jacket en The Black Crowes, klonk het optreden van ALBERTA CROSS (**) in de Marquee veelbelovend. Helaas verloren deze naar New York uitgeweken Londenaren zichzelf al te veel in oeverloze jamsessies, en waren beklijvende songs waar hun grote voorbeelden garant voor staan meestal ver te zoeken.

Het optreden van A PLACE TO BURY STRANGERS (***) in de Shelter hadden we vooraf in het programmaboekje aangeduid met drie uitroeptekens. Dit New Yorks drietal is met name één van dé vaandeldragers van de nieuwe lichting noise-adepten die de eerste platen van The Jesus And Mary Chain en Suicide op eigentijdse en originele manier recycleren. We kregen een dik halfuur stofzuigernoise van de bovenste plank geserveerd waarin, in tegenstelling tot de set van My Bloody Valentine, de meest moedigen onder het publiek nu wel afgewerkte songs en melodieën konden ontwaren. Gitaren worden door frontman Oliver Ackermann het liefst met zo weinig mogelijk respect behandeld, maar ach, zolang dat resulteert in aanstekelijke indienoise die bij vlagen zelfs deed terugdenken aan de begindagen van Ride kunnen wij daar weinig of niets tegen in brengen.

Toegegeven, de Dance Hall is niet het natuurlijk biotoop van ondergetekende maar hitgevoelig als we zijn (!?) leek de set van PAUL KALKBRENNER (***) ons een absolute must. Deze kale Berliner uit de BPitch Control stal van Ellen Allien (die de volgende dag de Boiler Room op kritische temperatuur zou brengen) permitteerde het zich om het inmiddels grijsgedraaide “Sky and Sand” helemaal voorin zijn set weg te moffelen. Net daarvoor mocht Kalkbrenner voor dit nummer uit de soundtrack van de film ‘Berlin Calling’ zelfs een gouden plaat in ontvangst nemen, maar hij liet zich verder niet van de wijs brengen tijdens zijn strakke set vol heerlijk minimale electro. Als afsluiter deed Kalkbrenner nog iets leuks met “Mad World” van Tears For Fears (een aantal bakvissen rond mij hadden trouwens een geheel ander nummer van ene Gary Jules herkend?!).

Zo nu en dan komt een groep aandraven waarbij je na de eerste kennismaking minuten lang moet bekomen van de onverwachte adrenalinepunch die je net werd verkocht. Een muzikale ontdekking heet zoiets, en het optreden van THE CHAPMAN FAMILY (*****) in de Chateau loopt wat ons betreft met die eer weg. Deze Noordengelse band heeft namelijk alles wat een opwindende indieband moet hebben: een typische sound (New Model Army meets Joy Division), songs die één voor één beklijven, een charismatische frontman die suicidaal worstelt met zijn microfoonsnoer en, last but not least, een attitude alsof elk optreden het laatste zou kunnen zijn in de nog jonge geschiedenis van de groep. Kingsley, Paul, Pop en Phil Chapman hebben vooralsnog geen album uit, maar het feit dat na elk optreden een deel van hun instrumenten naar het hiernamaals worden gecatapulteerd zit hier misschien voor iets tussen...

Op het podium van de Club kon de arty gitaarpop van THE VIRGINS (**) op redelijk wat bijval rekenen. De deuntjes van dit New Yorkse gezelschap refereren niet toevallig naar de kale strakke sound van stadsgenoten The Strokes en de vroege Talking Heads, terwijl de stem van frontman Donald Cumming warempel als twee druppels water leek op deze van Glasvegas strot James Allan. We zagen een jonge band aan het werk wiens geluid ondanks een bescheiden hype nog moet rijpen om een eigen stempel op hun 12-in-een-dozijn gitaarpop te kunnen zetten.

Scotland’s finest GLASVEGAS (***) hangen hun songs graag op aan een wall of sound en lijken als eerste de missing link tussen bombastische croonerpop en shoegaze te hebben gevonden. De Marquee liep aardig vol voor deze sympathieke Scotsmen die het leven graag doorspekt zien van de nodige dramatiek en pathos, getuige hun doorleefde versie van de Korgis klassieker “Everybody’s Got to Learn Sometime”. Een leuk tussendoortje, dat samen met de radiohits “Geraldine” en “Daddy’s Gone” voor het nodige herkenningsapplaus zorgde in een voor de rest gitzwarte set die qua troosteloosheid niet moest onderdoen voor de achterbuurten van thuisstad Glasgow.

THE JESUS LIZARD (***) gelden als generatiegenoten van Nirvana, maar bleven bewust uit de schijnwerpers toen hun tegendraadse noise plots grunge werd genoemd. In de Shelter waren we getuige van de reünie van deze legendarische band uit Chicago waarvan verschillende leden intussen vlotjes de kaap van de 40 gepasseerd zijn. Hun beproefde recept, met overstuurde gitaren, dwarse baslijnen, aritmische drums en de maniakale zang van opper-Lizard David Yow als voornaamste ingrediënten, zijn ze alvast nog niet verleerd. Bericht aan de vrouwelijke fans: Yow beperkte zijn traditionele striptease deze keer tot een topless act.

Een propvolle Marquee was op de afspraak voor de doortocht van VAMPIRE WEEKEND (****), het studentikoze New Yorkse viertal dat tot één van de absolute revelaties van vorig jaar dient te worden gerekend. De okselfrisse gitaarpop met Afrikaanse invloeden uit hun titelloos debuut werd afgewisseld met nieuwe nummers uit de opvolger die momenteel in de studio wordt afgewerkt. Op het eerste gehoor lijken deze nieuwe songs de afropopsound van Vampire Weekend nog verder op te schuiven richting Paul Simon’s ‘Graceland’ album, maar voor het publiek leek gewoon elk nummer wel een feest van herkenning. Zanger Ezra Koenig is geen veelprater, maar leek toch heel erg gecharmeerd door zoveel enthousiasme van het Pukkelpop publiek. Hoogtepunten waren er werkelijk teveel om op te noemen, dus laten we het maar houden op de ronduit aanstekelijke afsluiter “One (Blake’s Got a New Face)” waarvan het refrein zich voor de rest van de festivaldag comfortabel in ons hoofd had genesteld.

Waarom THE GET UP KIDS (***) met hun aan Jimmy Eat World, Weezer en The Posies refererende meerstemmige gitaarpop ooit in het emocore hoekje zijn terecht gekomen zal voor ons altijd wel een raadsel blijven. Net als Faith No More en The Jesus Lizard was deze sympathieke bende uit Kansas City naar Pukkelpop afgezakt om hun recente reünie muzikaal luister bij te zetten, en op de prangende vraag “Kunnen ze het nog?” dienen we op grond van hun prestatie in de Shelter volmondig “Ja!” te antwoorden. Kids van het eerste uur Matthew Pryor en Jim Suptic tekenen nog steeds voor doorleefde vocals maar rammen terzelfdertijd stevig door op hun respectievelijke gitaren, en ook op het enthousiasme van keyboardspeler James Dewees lijken de jaren vooralsnog geen vat te hebben. Vers materiaal zou op de plank liggen, maar een wereldnummer als “Action and Action” -live alweer goed voor het nodige animo op de eerste rijen- maken deze Kids waarschijnlijk nooit meer.

In een vlaag van postnatale inspiratie heeft Karin Dreijer Andersson, de helft van de Zweedse broer-zus combinatie die schuil gaat achter The Knife, met FEVER RAY (****) een nieuw soloproject boven de doopvont gehouden. De live-set van Andersson’s nieuwe muzikale vermomming in de Marquee was in vele opzichten uniek te noemen! Vermoedelijk op uitdrukkelijk verzoek van de groep zelf was dit bijvoorbeeld het eerste optreden van de dag waarbij het publiek eindelijk gespaard bleef van Peter Van de Veire’s overbodige feel good introductie. Bovendien lijken de leden van Fever Ray liefst zo onzichtbaar mogelijk te blijven om de aandacht maximaal te concentreren op de sobere, bijna onaardse muziek. De bezwerende opener “If I Had a Heart” zette meteen een erg onheilspellende toon, en dankzij een sobere belichting met lampenkappen en een deken van laserstralen slaagde de groep er in om een spooky sfeertje te creëren. Andersson waagde zich ook aan een extreme makeover van Nick Cave’s “Stranger Than Kindness” dat nagenoeg onherkenbaar verscholen zat midden in de set. Wie zich had verheugd op de opgefokte beats van The Knife was er wel enigszins aan voor de moeite, en naarmate de set vorderde zagen we de Marquee tent dan ook langzaam maar zeker leeglopen. De etherische schoonheid van Fever Ray’s minimale sprookjespop leek wel enkel weggelegd voor een select publiek dat zich heel even op de donkerste planeet uit ons zonnestelsel waande.

Tom Barman & co kregen het van Chokri gedaan om twee dagen op rij de Marquee in schoonheid en stijl te mogen afsluiten, met als unieke tegenprestatie dat er voor beide avonden een totaal verschillende setlist zou worden samengesteld. Met het venijnige “Everybody’s Weird” opende een erg gretig klinkend dEUS (****) de eerste van twee sets op vrijdagavond die uiteindelijk zou uitgroeien tot een indrukwekkend feest der herkenning waarop ook enkele gasten waren uitgenodigd. Fever Ray’s Karin Dreijer Andersson bleef haar ijzige zelf tijdens een beklijvend duet met Barman op “Slow”, Snow Patrol frontman en ideale schoonzoon Gary Lightbody zorgde voor een verrassing van formaat door een heel erg fraaie interpretatie van “Hotellounge” neer te zetten, en ook Hickey Underworld strot Younes Faltakh mocht een nummer komen meebrullen. Tussendoor staken ook een aantal nieuwe nummers de kop op die vocaal werden aangekleed door een vierkoppig jazzkoortje in zwarte cocktailjurkjes. dEUS blijft haar artistieke grenzen dus verder aftasten, maar lijkt met elk nieuw album steeds dichter bij de mainstream aan te (willen) leunen. Dat Barman & co al in de jaren ’90 hun beste werk hebben afgeleverd zullen weinigen betwisten, zeker wanneer je na elkaar “Serpentine”, “Theme From Turnpike”, “Fell Off the Floor, Man”, “Instant Street” en “Morticiachair” krijgt geserveerd. De kers op de taart werd bewaard voor het onvermijdelijke “Suds & Soda” dat onverwacht bezoek kreeg van De Jeugd Van Tegenwoordig die er een flard “Hollereer” tussen gooiden. Slotsom: dEUS had tijdens dit eerste van twee optredens zowel voor zichzelf als voor het publiek de lat al heel erg hoog gelegd, en het was dus maar zeer de vraag of dit huzarenstukje 24u later nog kon worden geëvenaard (zie verder).

Hoe krijg je een volstrekt onhippe groep als KRAFTWERK (****) als headliner op de Main stage verkocht aan het jonge Pukkelpopvolkje? Luc Janssen deed eerder op de dag alvast een verdienstelijke poging: “Goeiemorgen Pukkelpop, ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat de Duitsers komen, het goede nieuws is dat ze maar één avond blijven”. Feit is dat zowat alles en iedereen die tijdens de drie festivaldagen acte de présence gaf in de Dance Hall en de Boiler Room op de één of andere manier schatplichtig is aan het electronische pionierswerk van Ralf Hütter en Florian Schneider, de twee overblijvende leden en feitelijke stichters van Kraftwerk. Wie er bij was op Rock Werchter 2005 wist ongeveer waaraan het publiek zich mocht verwachten: een unieke symbiose tussen beeld en geluid die tot in de kleinste details is geperfectioneerd door vier stokstijve heren op leeftijd, halfverscholen achter hun laptop. De nuchtere vaststelling dat de set op Pukkelpop nagenoeg een blauwdruk bleek van de Werchter show, inclusief de schitterend georkestreerde gedaanteverwisseling van mens tot robot tijdens “The Robots”, was dan ook het enige minpuntje dat we ons kunnen herinneren. Voor een selectie van de hoogtepunten verwijzen we graag naar de betere Kraftwerk compilatie, maar ook meer recente nummers als “Vitamin” en “Aerodynamik” konden zich moeiteloos meten met de echte electroklassiekers van de groep. Op de eindeloze tonen van “Musique Non Stop” werd beleefd afscheid genomen van het publiek dat nu meer dan ooit moet gaan twijfelen of er werkelijk zoiets bestaat als een generatiekloof...

Dag 3, 22 augustus 2009

Onder een immer enthousiaste middagzon mocht het Engelse viertal THE RIFLES (***) de derde en laatste festivaldag op gang trappen vanop de Main Stage met hun melodieuze meerstemmige punkrock in de beste traditie van The Jam en The Undertones. Deze sympathieke jongens spelen vooralsnog niet in dezelfde eredivisie als The Kooks en Kaiser Chiefs, maar hebben met “She’s Got Standards” en “Peace and Quiet” toch reeds twee radiohits op hun conto. Nu nog iets doen aan dat wat suffe Britpop imago en de heren kunnen zich gaan opmaken voor de volgende cover van NME.

De Londense hot young lad JACK PEÑATE (***) kreeg moeiteloos de Marquee gevuld voor een zeer gevarieerde set met nummers uit zijn beide albums. Profileerde hij zich op zijn debuut nog als het softe neefje van Billy Bragg dat te veel naar ska en skiffle heeft geluisterd, op de onlangs verschenen opvolger ‘Everything is New’ gaat Peñate op zoek naar De Perfecte Popsong die hij liefst opdient met een Afrikaans sausje. Op het podium beleeft hij de songs alsof ze elke vezel in zijn lijf raken, en tijdens “Let’s All Die” voegt hij bijna de daad bij het woord door een halve dodensprong richting frontstage te maken om even later met een gescheurd shirt terug het podium op te klauteren. Met de zomerse pop van “Tonight’s Today” en “Be the One” speelde Peñate zijn meest commerciële troeven pas helemaal op het einde uit.

Net zoals voor de meeste andere comedy en muzikale acts van eigen bodem die in de Wablief?! tent geprogrammeerd stonden was het buiten aanschuiven geblazen om een glimp op te vangen van TEAM WILLIAM (***). Sinds het behalen van een bronzen plak op Humo’s Rock Rally 2008 en de recente release van hun redelijk bejubelde debuutalbum is deze groep uitgegroeid tot zowat het belangrijkste exportproduct van Ninove en omstreken. Hun aan Weezer, The Rentals en Fountains Of Wayne refererende frisse gitaarpop mag dan niet bijster origineel heten, aanstekelijk is het des te meer. Komt daarbij dat deze piepjonge twintigers, ondanks de ruime media aandacht, zichzelf en hun succes perfect weten te relativeren. Zo werd midden in een nummer de gitaar plots overhandigd aan een fan op de eerste rij die ter plekke een nieuw Team William nummer componeerde, of werd een gigantische kartonnen replica van het groepslogo (de inmiddels gekende driekleurige halve schietschijf ) het publiek ingekelderd met het uitdrukkelijk verzoek om daar geen spaander van heel te laten. Na het nog steeds geweldige “Lord of the Dogs” sloot de groep, naar eigen zeggen tegen de wil van haar management in, hun triomfantelijke doortocht op Limburgse bodem af met het nagelnieuwe “All We Ever Do is Fuck”. Kan tellen als Valentijnslied...

Het optreden van DEERHUNTER (***) in de Marquee omschrijven is allesbehalve een makkie. Dit uit Atlanta afkomstige viertal brouwt een redelijk uniek mengsel van indierock, noise en psychedelica, en beschikt met de aan het syndroom van Marfan lijdende frontman Bradford Cox (boomlange gestalte en extreem lange vingers) over een bijkomende, zij het ietwat zonderlinge troef. De set nam een aarzelende, gedesoriënteerde start, maar toen de veelgelaagde nummers vorm begonnen te krijgen werden we spontaan herinnerd aan het epische werk van Broken Social Scene en Motorpsycho. We durven Deerhunter op basis van deze performance in de categorie ‘ongrijpbaar, onvoorspelbaar en onwaarschijnlijk’ te rangschikken. Als dat maar geen juiste voorspelling van hun succes wordt...

De roots van CREATURE WITH THE ATOM BRAIN (***) liggen verspreid in zowat de helft van alternatieve scene die Vlaanderen het jongste decennium heeft voortgebracht, of wat dacht U van het indrukwekkende rijtje Millionaire, Evil Superstars, Sexmachines, Vandal X en Mauro & The Grooms? De grootste gemene muzikale deler van al dat geweld heeft uiteindelijk geresulteerd in epische stonerrock in de beste traditie van Kyuss, Karma To Burn en de vroege Monster Magnet. En ja, het kan natuurlijk geen kwaad dat zanger/gitarist Aldo Struyf (ex-Millionaire) tijdens het opnemen van platen Chris mag zeggen tegen superproducer en Masters Of Reality brein Chris Goss en al eens een pint gaat pakken met de donkerste aller treurwilgen Mark Lanegan. Op de Wablief?! stage zorgden de strakke riffs, de loodzware ritmesectie en de bezwerende zang van Struyf voor een werkelijk verslavende set die wat ons betrof nog een uur of drie langer had mogen duren. Alleen spijtig dat Dr. Frankenstein dit niet meer heeft mogen meemaken.

Groot was onze euforie toen DINOSAUR JR. (***) in de eerste lijst met namen voor Pukkelpop 2009 opdook, maar even groot was onze ontgoocheling toen bleek dat J. Mascis, Lou Barlow en Murph naar de Main Stage werden verbannen. Ook in werkelijkheid bleek dit een organisatorische flater van formaat, want de melancholische noise van Dinosaur Jr. verdraagt weinig of geen zonlicht en intrigeert enkel op de eerste rijen van een groot podium. Opener “Just Like Heaven” ging bovendien volledig de mist in door een slechte geluidsmix en onhoorbare zang van Mascis, en alhoewel er duchtig aan de knoppen werd gedraaid kon dit euvel nooit meer helemaal worden weggewerkt. In het eerste deel van de set werd vooral geput uit het alweer uitstekende nieuwe album ‘Farm’ waarbij Barlow ook een nummer voor zijn vocale rekening mocht nemen. Maar toegegeven, het adrenalinepeil ging pas echt de hoogte in tijdens het indrukwekkende rijtje “The Wagon”, “Out There”, “Feel the Pain” en “Freakscene”. Aan de songs lag het dus zeker niet dat dit een behoorlijk maar geen memorabel concert van Mascis & co was, we gunnen hen binnenkort een klinkende revanche in de tent van Leffinge.

Bij de release van hun debuut ‘Myths of the Near Future’ werd het Engelse trio KLAXONS (****) twee jaar terug gebombardeerd tot de vaandeldragers van de zogenaamde ‘nu rave’. Ondanks het integreren van electro, house of breakbeats verliest het jonge drietal de popsong echter nooit helemaal uit het oog. In een bomvolle Marquee bewees de groep dat ze alle studiosnufjes ook live aan de man kan brengen, getuige de zeer poppy en strakke set die ook reeds een aantal nummers bevatte uit hun nog te verschijnen tweede album. Op deze nieuwe nummers lijken Klaxons wat afstand te willen nemen van de hapklare ravepop, en hebben een aantal persoonlijke demonen er blijkbaar voor gezorgd dat het nieuwe werk heel wat donkerder en introverter klinkt. Het publiek maalde er niet om en lipte vrolijk mee met de meer luchtige radiohits “Golden Skans”, “Not Over Yet” en  “Gravity’s Rainbow”. “I’ve seen the future of pop, and its name is Klaxons”.

LIFE OF AGONY (****) kreeg de eer om na drie dagen punk, emocore, progrock, noise en ander geweld de Shelter tent definitief te sluiten. Dit New Yorks kwartet mag ondertussen tot de oudjes van de hardcore scene worden gerekend, maar lieten er ondanks het uitblijven van nieuw albumwerk weinig twijfel over bestaan dat ze hun plek als headliner meer dan waard waren. Ondanks een turbulente levenswandel lijkt de gekwelde stem van frontman Keith Caputo steeds beter te worden met de jaren, en bij vlagen benaderde hij zelfs het oerstrot van voormalig Kyuss zanger John Garcia. Met de ultrakorte adrenalinestoot “River Runs Red” uit hun memorabele debuut liet de groep al heel vroeg een eerste bommetje vallen en kon de rest van de set eigenlijk al niet meer stuk. Ook het onnavolgbare “Weeds” blijft een welgemikte uppercut die door het Shelter publiek bijna woord voor woord werd meegebruld. Beste Chokri, graag meer van dat volgend jaar!

In tegenstelling tot de opzwepende set op vrijdagavond zou het laatste deel van de dEUS (**) tweedaagse volgens Tom Barman meer opbouwend zijn, en zouden een aantal nieuwe nummers worden uitgeprobeerd. In de praktijk kon het contrast met de avond ervoor echter niet groter zijn, en even vroegen we ons zelfs af of dit wel dezelfde groep was die we pakweg 24u terug op hetzelfde podium hadden zien schitteren! Gedurende het eerste saaie concertuur noteerden we op “Nothing Really Ends” na geen enkele muzikale vonk, en moest het publiek het stellen met het vierkoppig jazzkoortje in plaats van de trits zingende gasten die de avond ervoor zo uniek hadden gemaakt. Toen uiteindelijk dan toch voorzichtig een blik klassiekers werd opengetrokken bleken dit met “Instant Street” en “Fell Off the Floor, Man” nummers te zijn die daags voordien ook al in de set staken, terwijl wereldnummers als “Via”, “Little Arithmetics” en “Sister Dew” spijtig maar helaas in de kast bleven. Uiteindelijk werd het optreden maar ternauwernood van de vergetelheid gered door bruisende versies van “The Architect” en “Roses”, maar toch kunnen we niet anders dan besluiten dat één keer dEUS per festival ruimschoots volstaat.

ARCTIC MONKEYS (***) mogen dan al over een indrukwekkend arsenaal songs beschikken, de vraag die velen bezig hield was of ze hiermee de rol van festival afsluiter op de Main Stage konden waarmaken. Een podiumbeest heeft de groep immers nog steeds niet in haar rangen, en ook met lang haar profileert Alex Turner zich zoals gewoonlijk als een ijzige, weinig communicatieve frontman. Wie echter minder gesteld is op imago en zich enkel laat meevoeren door de muziek kreeg misschien wel het beste Monkeys concert ooit op een Belgisch zomerfestival te horen. De groep is sinds haar debuut duidelijk geëvolueerd van springerige en compacte songs naar een breder geluid waarbij naast tempowisselingen en keyboards ook een aantal tragere nummers plaats hebben gekregen. Deze laatste zijn te horen op de kersverse schijf ‘Humbug’ die de vier rotgetalenteerde snotters uit Sheffield onder de productionele leiding van grote broer Josh Homme opnamen in Los Angeles. Naast nieuwe songs zoals de vooruitgeschoven single “Crying Lightning” en een fraaie cover van Nick Cave’s “Red Right Hand” serveerden Turner & co een best of uit hun eerste twee albums. Met o.a. “Fake Tales of San Francisco”, “I Bet You Look Good on the Dancefloor”, “Brianstorm”, “Fluorescent Adolescent” en “505” hebben Arctic Monkeys op geen tijd een oeuvre van instant classics verzameld die ook live nog fris van de lever klinken. Enkel “When the Sun Goes Down” bleef uit, net als bisnummers trouwens, maar na drie dagen van overdadige decibels en hoge temperaturen leek dit eigenlijk niet eens zo erg...

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

In 1985 werd in het Limburgse Peer de eerste editie van het Belgium Rhythmn ‘n’ Blues Festival boven de doopvont gehouden, met op de affiche o.a. Robert Cray Band, Anna Domino en top-of-the-bill The Fabulous Thunderbirds. Een kwarteeuw later mag Blues Peer dan al zijn uitgegroeid tot een vaste waarde op de zomerfestivalkalender, aan de filosofie van de begindagen werd opmerkelijk weinig gewijzigd: zorgvuldig uitgekozen bluesacts op één podium en een gemoedelijke sfeer waarin zowel die-hard bluesfanaten als de occasionele bezoeker met vrouwlief en kinderen terecht kunnen. Onder de noemer ‘25 years of Kings and Legends’ werd de affiche van de jubileumeditie niet enkel bevolkt door huidig en aanstormend talent, maar werden kosten noch moeite gespaard om enkele legendarische namen uit vijf decennia pop- en rockgeschiedenis naar het zoete Limburg te lokken. Zo mocht o.a. Steve Winwood zaterdag de tent sluiten en werd na het weekend zelfs een extra vierde dag aan het programma toegevoegd met John Fogerty als ultieme uitsmijter. Ondergetekende koos de derde festivaldag uit om de geur van blues en bier te Peer op te snuiven.

De samenstellers van de jubileumeditie van Blues Peer durven duidelijk buiten de lijntjes te kleuren als het er op aan komt om hun muzikale helden te eren. Zo kan je Roger McGuinn bezwaarlijk een blueslegende noemen, maar dat de inmiddels 67-jarige medeoprichter van The Byrds wereldwijd muziekgeschiedenis heeft geschreven staat buiten kijf. Enkel vergezeld van zijn onafscheidelijke 12-snarige Rickenbacker en een opvallend goedbewaarde stem trok McGuinn met “My Back Pages” en “Mr. Spaceman” meteen een blik Byrds klassiekers open, en ook tijdens de rest van de set zou hij voornamelijk putten uit de catalogus van deze folkrockpioniers. Jeugdsentiment, vage herinneringen uit de platenkast van vader of grootvader of mateloos respect voor een muzikale pionier: iedereen had wel een reden om eventjes weg te mijmeren bij “You Ain’t Going Nowhere”, “Wasn’t Born To Follow”, “All I Really Want to Do”, “5D (Fifth Dimension)”, “Chestnut Mare” en natuurlijk de evergreens “Turn!Turn!Turn!” en “Mr. Tambourine Man”. Verscholen achter een donkere zonnebril en zwarte hoed gaf een ietwat verlegen McGuinn tussendoor ook wat geschiedenisles over de oorsprong van bepaalde songs of haalde hij geestige anekdotes aan over Dylan, zowat de belangrijkste songleverancier tijdens de eerste jaren van The Byrds. Ook zijn vriendschap met Tom Petty kreeg een plaats in de set wiens “American Girl” naadloos aansloot bij “King Of The Hill” dat McGuinn samen met Petty schreef voor het onwaarschijnlijke comeback album ‘Back From Rio’ (’91). De voormalige Byrds frontman mocht na de nodige publieksbijval bissen met “Feel A Whole Lot Better”, “Chimes of Freedom” en, als we eerlijk moeten zijn, een eerder overbodige versie van “Knocking on Heaven’s Door”. Maar laat dat laatste detailkritiek zijn: McGuinn zorgde in zijn eentje voor de eerste memorabele momenten vroeg in de namiddag, en zoals later zou blijken, bleek zijn set het ontwapenende hoogtepunt van de volledige derde festivaldag.

Heel andere koek kregen we vervolgens geserveerd door Derek Trucks, als lid van The Allman Brothers Band geen onbekende onder adepten van klassieke Southern rock. Met The Derek Trucks Band houdt deze amper 30-jarige blonde gitaargod er sinds ‘97 ook nog eens een solocarrière op na. De groep deed op Blues Peer haar reputatie van ultieme ‘jamband’ alle eer aan door alle nummers heel stereotiep op te bouwen: zanger Mike Mattison, met een meer dan fraaie stem die refereerde aan de jonge Joe Cocker die te lang in de Stax collectie van vader had rondgeneusd, mocht elk nummer kort inzingen waarna Trucks en zijn vierkoppige begeleidingsband van wal staken voor een minutenlange jam. Leuk voor een aantal nummers, dat wel, maar mede door de vrij afstandelijke houding van Trucks kon dit concept toch geen anderhalf uur boeien.

Elk zichzelf respecterend bluesfestival kan er alleen maar van dromen om op een jubileumeditie de godfather van de Britse blues, John Mayall, op de affiche te zetten. In Peer worden dromen echter ook werkelijkheid, al strooide de slechts nipt op tijd aangekomen tourbus van de blueslegende op de valreep toch wat roet in het eten. Toen Mayall dan uiteindelijk toch met veel toeters en bellen werd aangekondigd, maar prompt het podium moest verlaten toen bleek dat diens mondharmonica’s nergens te bespeuren vielen, kunnen we moeilijk anders dan van een gemiste start spreken. Mayall & co lieten zich hierdoor echter niet uit hun lood slaan en openden sterk met een track uit het recente Freddie King tribute album ‘In The Palace of the King’ (’07) gevolgd door het ruim 40 jaar (!) eerder opgenomen “Chicago Line” uit Mayall’s debuut. Ondanks zijn 76 lentes oogde en klonk de founding father of British blues bijzonder vitaal en hield hij eraan om elk nummer te situeren in zijn ondertussen indrukwekkende oeuvre. Bovendien heeft Mayall met Rocky Athas (gitaar) en Tom Canning (keyboards) twee virtuoze Bluesbreakers weten te strikken die de nodige dynamiek in de set wisten te brengen o.a. tijdens het klassieke ‘Parchman Farm” en de nieuwe nummers “Moving Out Moving On” en “Dream About The Blues”. Een lang uitgesponnen versie van het obligate “Room To Move”, uiteraard met Mayall’s harmonica in de hoofdrol, breidde een luchtig einde aan de licht ingekorte set. De sympathieke Brit mocht op verzoek van publiek en organisatie toch nog terugkeren voor één encore, een snedige interpretatie van de Otis Rush original “All Your Love”. Net als McGuinn eerder op de dag demonstreerde Mayall dat waardig ouder worden in de slopende musicbusiness niet noodzakelijk garant staat voor ‘ouw’bolligheid en futloosheid.

Met de onverslijtbare Southside Johnny & The Asbury Jukes kon Blues Peer geen betere act bedenken om ook de liefhebbers van pretentieloze R&B en barblues aan hun trekken te laten komen. Onder de vleugels van Steve Van Zandt (als producer en ooit zelf een Asbury Juke voor zijn overstap naar The E-Street Band) en Bruce Springsteen (als songleverancier) groeide deze bende muzikaal getalenteerde tooghangers medio jaren ’70 uit tot een sensatie in en rond de pubscene van New Jersey, en tot op de dag van vandaag blijft dit bonte gezelschap live garant staan voor een potje compromisloze R&B. Het podium van Peer was eigenlijk maar juist groot genoeg om naast Southside Johnny ook de acht man sterke Asbury Jukes, waaronder een vierkoppige blazerssectie, te huisvesten. Na een wat aarzelende start stak “I Played The Fool” de lont aan het vuur voor wat voorts een stomend R&B feestje zou worden. Uptempo ambiance nummers als “The Fever” en “Talk To Me” gingen hand in hand met trage bluesy tearjearkers als “Living With The Blues” en werden luidkeels meegeschreeuwd door zowel het nuchtere als het minder nuchtere deel van het publiek. Southside Johnny ademt en zweet R&B in de onvolprezen Stax traditie en bewees in Peer nogmaals zijn status als eerste klas entertainer.

Het moet een huzarenstukje geweest zijn voor een relatief bescheiden organisatie als Blues Peer om niemand minder dan Jeff Beck als headliner aan te trekken na bijna 40 jaar afwezigheid op Belgische podia. Beck wordt door kenners in één adem genoemd samen met Jimmy Page en Eric Clapton, werd eerder dit jaar ingehaald in de Rock’n’Roll Hall of Fame, en is momenteel op tournee om zijn jongste live album te promoten. Net als Page is ook Beck een meestergitarist die echter geen noot kan of wil zingen, en het was dus maar de vraag of de anderhalf uur durende instrumentale set op Blues Peer een breed publiek zou kunnen aanspreken. Het antwoord bleek negatief! Van meet af aan werd immers duidelijk dat het optreden enkel was weggelegd voor de echte gitaarfreaks die met open mond en in trance de virtuositeit van hun idool aanschouwden. Maar ongetwijfeld zullen evenveel toeschouwers een vocalist als Rod Stewart (ten tijde van The Jeff Beck Group) op het podium gemist hebben, en hadden weinig of geen boodschap aan de fusion, free-jazz en Zappaiaanse uitspattingen die Beck en zijn drie uiterst strak doch uitstekend musicerende begeleiders uit hun mouw schudden. Een muzikaal orgasme voor de één, een saaie gitaarles voor de andere: het is een eindbalans die toch wat magertjes uitvalt voor een instituut als Beck. Volgende keer misschien toch eerst even good-old Rod bellen voor een afspraak in de pub?!

Organisatie: Rhythm ‘n’ Blues Peer

Sheffield...Noord-Engelse stad met stalen zenuwen en een rijk muzikaal verleden. Thuishaven van ondermeer Joe Cocker, Def Leppard, The Human League, Moloko, Arctic Monkeys en Pulp. Laatstgenoemde band werd in 1978 opgericht door de 15-jarige (!) Jarvis Cocker en wist zich pas 16 jaar later, nota bene in volle Britpop gekte, te verzekeren van enige roem en faam met het doorbraak album ‘His ‘N’ Hers’. Nog eens drie albums en een handvol radiohits later zet de groep zichzelf (tijdelijk) op non-actief en begeeft Cocker zich op een succesvol solopad. Onder de artiestennaam Jarvis laat hij vanuit zijn nieuwe stekje te Parijs in 2006 een eerste titelloos album op de wereld los, waarop hij zich profileert als het middle-class popster-tegen-wil-en-dank equivalent van grote voorbeelden Scott Walker en Leonard Cohen. Na het doden van de tijd met gastrolletjes op platen van o.a. Air en Marianne Faithfull verscheen een paar weken terug ‘Further Complications’, zijn tweede soloplaat die hij afgelopen zaterdag in de AB kwam voorstellen.

Een zichtbaar relaxte en goedgemutste Jarvis kwam bij het doven van de zaallichten dartel het podium opgewandeld als een skinny dandy; een tweed jacket uit de kringloopwinkel en de zware donkere bril blijken na al die jaren nog steeds zijn uiterlijk handelsmerk, en sinds kort hoort daar ook een stevige ringbaard bij. Vooraleer er ook maar één noot was gespeeld stak Cocker het publiek reeds in zijn broekzak door een roos van een fan op de eerste rij met het nodige gevoel voor Britse kolder in ontvangst te nemen. Het leek er zelfs heel even op dat Cocker de eerste tien minuten van de set als stand-up comedian zou vullen, maar daar stak zijn begeleidingsband gelukkig een stokje voor door met de semi-instrumental “Pilchard” stevig te openen. Jarvis werkte op zijn recentste album samen met hardcore guru en veelzijdig producer Steve Albini, wat duidelijk heeft geresulteerd in een meer rechttoe-rechtaan geluid, ontdaan van onnodige franjes. Ook live klinken nieuwe nummers als “Angela” (de huidige single) en het titelnummer “Further Complications” als stevige hedendaagse glamrock die Cocker verder inkleurt met sputterende synthpartijen.
Jarvis schrijft songs over typetjes uit zijn publiek, en maakt dan ook de nodige tijd om met dat publiek te interageren. Tijdens het eerste rustpunt “Slush” belooft hij pizza en na enig aandringen ook bier aan elk vocaal talent in de overigens slechts matig gevulde AB Box. Wanneer zowel pizza als bier uitblijven weet een ontwapenende Cocker er zich op magistrale wijze uit te lullen en ontpopt hij zich als een first class entertainer. De crooner in Cocker komt vervolgens boven tijdens “Big Julie”, een nummer met hoog ‘spoken word’ gehalte uit diens titelloze debuut, en het nieuwe “Leftovers” met de schitterende openingszin van Cocker in de rol van verborgen verleider: “I met her in the Museum of Paleontology & I make no bones about it; I said: if you wish to study dinosaurs, I know a specimen whose interest is undoubted”. Wie er de tekstvellen eens bijneemt stoot op het nieuwe album trouwens nog op andere geniale vondsten zoals de binnenkomer “I love your body because I lost my mind” uit het slepende “I Never Said I Was Deep”. Het tempo werd naar het einde van de set toe stevig opgetrokken met het withete “Caucasian Blues”, waarop Jarvis zowaar een blokfluitsolo ten beste gaf, om uiteindelijk een eerste keer achter de gordijnen te duiken na een pompeus “Black Magic”.
In de twee rondes met toegiften liet Jarvis zich van zijn meest fitte kant zien tijdens het punky “Fat Children” om vervolgens met het zachtjes voortkabbelende “Hold Still” het publiek terug muisstil te krijgen, enkele luidruchtige Hollanders niet te na gesproken. Na de onvermijdelijke evergreen “Don’t Let Him Waste Your Time” besloten Cocker & co de set met de langgerekte disco pastiche “You’re In My Eyes (Discosong)”. Jarvis nam hierbij uitgebreid de tijd om zijn vlekkeloos musicerende band voor te stellen, en weg was de middle-class hero.

Ongelofelijk toch hoe Cocker, zonder ook maar één keer de indrukwekkende Pulp catalogus open te slaan, ruim anderhalf uur lang wist te boeien. De cynische romanticus, de gelouterde dandy en de sexueel gefrustreerde vrijgezel: we hebben ze zaterdagavond allemaal de revue horen passeren. Een uniek optreden met vele gezichten dus, of om het met de lyrische woorden van Cocker zelf te zeggen “If I could, I would refrigerate this moment. I would preserve it for all time”.

Neem gerust een kijkje naar de pics onder live foto’s

Organisatie: Ancienne Belgique

 Groep van het moment? Debuut van het jaar? Belachelijkste groepsnaam ooit? Sinds het verschijnen van hun titelloze debuut heeft het New Yorkse gezelschap The Pains Of Being Pure At Heart de afgelopen maanden als geen andere groep de aandacht opgeëist in het indie landschap. TPOBPAH dankt deze hype in de eerste plaats aan zijn onweerstaanbare sound die popinvloeden verraadt van Lush, The Go-Betweens en Belle & Sebastian, maar evenzeer refereert aan My Bloody Valentine en Ride wiens shoegaze sound momenteel aan een ware revival toe is. Net zoals stadsgenoten Vampire Weekend heeft dit piepjonge viertal dus flink gegrasduind in het muzikale erfgoed van de afgelopen twee decennia, om uiteindelijk op de proppen te komen met een uiterst catchy debuut dat allerminst als een flauwe herhalingsoefening aanvoelt. Zoals het elke hippe jonge band uit The Big Apple betaamt waagt nu ook TPOBPAH zich aan de oversteek naar het Europese continent. Voor hun eerste optreden op Europese bodem werden tafels en stoelen aan de kant geschoven in de Bar van een bloedhete Trix Club.

Onder het motto ‘less is more’ begaven de youngsters van TPOBPAH zich naar het podium voor een live set die welgeteld 35 minuten zou duren. Leuk detail: ook hun eerder dit jaar verschenen debuut klokt netjes af op 35’! Opener “Doing All The Things That Wouldn’t Make Your Parents Proud” uit de moeilijk vindbare debuut EP bevat alle ingrediënten van een klassiek TPOBPAH nummer: dromerige vocals van frontman Kip Berman die mijmert over de pijnen der adolescentie, en snedige hooks afgewisseld met minitueus afgemeten fuzz injecties. Het publiek reageerde pas echt enthousiast bij het herkennen van het incestieuze “This Love Is Fucking Right!” en de nieuwe single “Young Adult Friction”; het zijn beiden tijdloze popsongs die imponeren door hun compactheid, ontdaan van alle onnodige franjes, en compromisloos gespeeld door een voor de gelegenheid tot vijftal uitgebreide band.
De jonge snaken hadden ondanks hun wat onwennige uitstraling het publiek dan wel duidelijk op hun hand, toch slopen hier en daar wat onbezonnen schoonheidfoutjes in de set. Zo waren de vocale bijdragen van toetseniste Peggy Wang-East nagenoeg onhoorbaar, en toonde zanger/gitarist Berman zich van zijn minst toonvaste kant wanneer de reverb van zijn microfoon plots werd uitgeschakeld. Hierdoor ging “Come Saturday”, het absolute prijsbeest uit TPOBPAH’s debuut, jammerlijk de mist in. De groep herpakte zich evenwel snel met het aan The Go-Betweens schatplichtige “The Tenure Itch” en de college radio classic “Everything With You”, en besloot met het nummer waarnaar de band is vernoemd, “The Pains Of Being Pure At Heart”. Na een goed half uur hapte de groep even naar adem op het Trix balkon en keerde spoorslags terug voor de enige encore “Hey Paul”.

De aanwezigen kregen afgelopen maandagavond voor een toegangsprijs van een luttele 5 EURO (!?) meer dan waar voor hun geld; ondanks de vocale beperkingen en een zichtbaar gebrek aan podium présence mistte deze beloftevolle indie band zijn Europese podiumdebuut niet. Laat ons hopen dat de groep snel verlost raakt van haar groeipijnen, maar daarentegen nog eventjes mag vertoeven in de schemerzone tussen teenangst en adolescentie waar ze comfortabel aan een resem nieuwe fuzzpop juweeltjes kunnen sleutelen.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Wie even Googled naar The Notwist komt naast de gelijknamige Duitse groep bijna even snel uit bij een resem andere muzikale projecten waarbij de broertjes Markus en Micha Acher afgelopen jaren hun artistieke ei kwijt konden. Bands als Lali Puna, Tied & Tickled Trio, Ms. John Soda, Console, Couch en 13 & God mogen dan al hun sporen hebben verdiend in de zogenaamde Weilheim scene (genoemd naar de thuisbasis van de Achers), het blijven illustere onbekenden in vergelijking met The Notwist. Het is dus niet te verwonderen dat omwille van hun drukke bezigheden met deze nevenprojecten de Achers slechts sporadisch een album uitbrengen onder de groepsnaam The Notwist; hun jongste werkstuk, ‘The Devil, You + Me’, werd vorig jaar zonder veel tromgeroffel op de wereld losgelaten, maar leverde de groep toch een plaats op als één van de headliners van het tiendaagse Domino festival in de AB.

Het imago van frontman Markus Acher vloekt op zowat alle vlakken met dat van de archetypische Duitser: hij neuzelt en fluistert, reageert verlegen op applaus en heeft al helemaal geen boodschap aan bindteksten. Verder dan de openingszin “Hello, we are The Notwist ... and this is our music” kwam Acher niet, maar zoals de man zelf aangaf is het de groep vooral te doen om hun muzikale prestaties. Het vijftal koos hierbij van meet af aan voor een ongewoon harde aanpak, waardoor de kenmerkende mix van melancholische indierock, subtiele electronica en knetterende samples bij aanvang van de set wat verloren ging. Zo kende het anders zo rustig voortkabbelend meesterwerkje “Pick up the Phone” een prettig overstuurde finale, drongen de bastonen tijdens “Where in This World” ongewoon brutaal door tot in de onderbuik, en verloor de groep zichzelf even in onnodig noise experiment tijdens een lang uitgesponnen “This Room”.
Acher & co namen na deze blitsstart even later gelukkig wat gas terug met het intieme “Sleep” en met een volledig omgebouwde versie van “Neon Golden”, het titelnummer van hun doorbraak album uit 2002. Gebruik makend van spaarzame gitaren, krakende samples en aritmische percussie mondde dit nummer uit in een verslavende repetitieve groove die ons prompt deed denken aan het meest toegankelijke werk van zielsgenoten Neu en Can. De groep maakte vervolgens een feilloos bruggetje naar “Pilot”, dat in vergelijking met de studioversie opnieuw volledig werd verknipt, in het midden een dub injectie kreeg en na een zoveelste tempowisseling vervolgens uitgroeide tot een groovy climax. Het breekbare titelnummer uit het jongste album, “The Devil, You + Me”, zorgde voor een intimistisch slot van de eerste concerthelft.
Ietwat onwennig doch duidelijk dankbaar door de massale publieksrespons keerde de groep tot tweemaal terug voor een bisronde. Hierbij kregen de iets oudere fans eindelijk ook iets te horen uit ‘Shrink’, het album waarmee The Notwist in 1998 definitief evolueerde van illustere Dinosaur Jr. adepten tot de nieuwe helden van de Duitse indierock. Naast het obligate “Chemicals” werd ook het openingsnummer uit dit album, “Day 7”, op herkenningsapplaus onthaald.

De knetterende beats van “Consequence” sloten na bijna twee uur de negende dag van het festival af met de hoofdletter D. De ‘D’ van de grensverleggende en gedurfde DOMINO affiche, de ‘D’ van de fluwelen Ayco DUYSTER die in de foyer mooie maar vooral duystere plaatjes draaide, en de ‘D’ van ‘The DEVIL, You + Me’ die alledrie een gezegende bron van inspiratie vormen voor de unieke doch onvoorspelbare live reputatie van The Notwist.
Tot op  het Cactusfestival deze zomer zondag 12 juli!

Neem gerust een kijkje naar de pics onder live foto’s

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel (ikv Dominofestival 2009)

Het is een ongeschreven wet in de muziekgeschiedenis: trends komen en gaan, de ene revival volgt de andere op, maar allen zijn ze van relatief korte duur en doorgaans overleven enkel de bands van het eerste uur. Pakweg vijf jaar terug waren de sympathieke Schotten van Franz Ferdinand bijna in hun eentje verantwoordelijk voor een hernieuwde interesse in de new wave en punkfunk van eind jaren ’70/begin jaren ’80. Na hun inmiddels klassieke titelloze debuut (’04) volgde al snel de fraaie doch minder bewierookte opvolger ‘You Could Have it so Much Better’ (’05). Terwijl volgelingen als Kaiser Chiefs en Bloc Party aan de lopende band nieuwe nummers brouwen blonk Franz Ferdinand de jongste jaren echter vooral uit in afwezigheid.
Onder hooggespannen verwachtingen verscheen dit voorjaar dan eindelijk de zogenaamde ‘moeilijke derde’: zou Franz Ferdinand definitief opteren voor een imago als feel-good singles band of werd dit het album van de radicale stijlverandering? Bij beluistering van ‘Tonight: Franz Ferdinand’ blijkt dat de waarheid ergens in het midden ligt: de groep heeft een arsenaal synths laten aanrukken wat hier en daar heeft geleid tot voorzichtig experiment, maar zoals voorheen blijven de songs catchy as hell. Het publiek lijkt de band alvast niet vergeten getuige de resem uitverkochte shows die de vier Glaswegians de jongste weken langs Europese steden afwerken. Afgelopen maandag stond Franz Ferdinand na jaren afwezigheid nog eens oog-in-oog met hun Franse fanlegioen in een tot de nok gevulde l’Aéronef.

De band mag dan al worden vereenzelvigd met de popwave scene uit de donkere 80ies, toch zijn muzikale zwaarmoedigheid en teksten-met-een-boodschap aan de Schotse meisjesidolen nooit echt besteed geweest. Franz Ferdinand is immers één van de weinige gitaarbands die het publiek kost wat kost aan het dansen wil krijgen, wat meteen ook lukte met de veilige opener “Do You Want To” en de huidige single “No You Girls”. Frontman Alex Kapranos en de zijnen hadden duidelijk zin in een stomend feestje waarbij nummers uit ‘Tonight: Franz Ferdinand’ in een verschroeiend hoog tempo werden afgewisseld met materiaal uit de eerste twee albums. De aanstekelijke mix van vrolijke gitaren en spaarzame synths tijdens de nieuwe nummers “Twilight Omens”, “Turn it on” en “Bite Hard” miste zijn effect niet: zonder dat de groep daar veel moeite moest voor doen werd het publiek spontaan meegesleurd door Franz Ferdinand’s heropgefriste groovy sound, en hier en daar spotten wij zelfs een eenzame skydiver.
Tussendoor werd gretig teruggegrepen naar ouder werk. Uit het vorige album herkenden we enkel “Walk Away” en “The Fallen”, maar het gros van de oudjes bleek afkomstig uit het titelloze debuut: “Auf Achse”, “The Dark of the Matinee”, “Take Me Out”, “40’” en “Michael”.
Zoals het elk geslaagd feestje past moet muziek primeren over woorden, en dat had de groep duidelijk goed begrepen. Kapranos & co bezondigden zich niet aan opjuttende taal of overbodige bindteksten, en konden hierdoor een strak tempo aanhouden doorheen de set. Elk feestje mag overigens ook al eens een buitensporigheid kennen; na een set van 12 puntige en meezingbare popsongs gooide de groep eensklaps het roer om tijdens “Lucid Dreams”. Dit nummer is met voorsprong het meest experimentele en atypische nummer uit de gehele Franz Ferdinand catalogus en mondde live uit in een minutenlange electrotrip waar Kapranos en gitarist McCarthy lekker loos konden gaan op een batterij analoge synths. Zowaar een mooie apotheose om een toen al geslaagde live come-back mee af te sluiten.
In de enige bisronde volgden nog het zeer hippe “Ulysses” en “What She Came For” uit het recente album en met het onvermijdelijke “This Fire” stak de groep l’Aéronef voor de laatste keer die avond in lichterlaaie.

Zou het dan toch geen toeval geweest zijn dat vlak na het aanfloepen van de zaallichten ook het brandalarm spontaan van zich deed horen? Kapranos sloot af met de sympathieke groet “We are Franz Ferdinand, vous êtes Lille!”. Hij, de groep en het publiek zijn bij deze gerustgesteld en gewaarschuwd: Franz Ferdinand is terug van weggeweest en dat zal menig festivalganger deze zomer geweten hebben!

Opwarmer van dienst was het Berlijnse trio Kissogramdat behoorlijk wat publieksrespons kond losweken dankzij hun catchy songs waar ritmische gitaren in duel gingen met analoge synths. Waar hebben we dat nog gehoord? Juist: zie hierboven. Franz Ferdinand had als voorprogramma een band geprogrammeerd wiens sound mooi aansloot bij hun eigen opgefriste geluid. Enkel tijdens de laatste nummers kon het jonge trio afstand nemen van Kapranos & co toen ze mooie dingen deden met Wagneriaanse symfo, Kraftwerk-on-speed en weerbarstige gitaren. Een band die we gerust nog wel eens willen terugzien; hoe ver ligt Berlijn trouwens verwijderd van Kiewit?

Neem gerust een kijkje naar de pics van hun optreden in de AB, Brussel onder live foto's

Organisatie: FLP (ism Aéronef), Lille

zaterdag 08 december 2018 10:11

Geen sleet op 30 jaar Buzzcocks

Samen The Ramones en The Undertones vormen de Buzzcocks de heilige drievuldigheid van de pretentieloze poppunk: korte puntige songs gebaseerd op onweerstaanbare hooks en teksten over adolescentie en onbereikbare liefdes. Het absolute gloriemoment van deze ongemeen invloedrijke band valt te situeren eind jaren ’70, toen vier lads uit Manchester in amper twee jaar tijd vier monumentale albums inblikten: het messcherpe rechtoe-rechtaan debuut ‘Another Music in a Different Kitchen’ (’78), de meer gelaagde melodieuze opvolger ‘Love Bites’ (’78), het van teenangst doortrokken ‘A Different Kind of Tension’ (’79) en de indrukwekkende verzameling non-album singles ‘Singles Going Steady’ (’79). Eind vorig jaar werden de eerste drie uit dit rijtje in een opgefriste versie opnieuw uitgebracht, en om de release van deze 30-jarige jubileumedities ook live wat luister bij te zetten doorkruisen onze favoriete punkrockers momenteel verschillende Europese landen in kader van hun toepasselijk getitelde ‘Another Bites’ tour. De Buzzcocks staken afgelopen weekend het kanaal over voor twee clubconcerten te Leuven en Gent, waar volgens het intussen beproefde ‘rewind’ recept de eerste twee albums integraal zouden worden voorgesteld.

Na ruim drie decennia mogen originele leden Pete ‘Homosapien’ Shelley en Steve Diggle dan wel flink wat wilde haren zijn kwijtgespeeld, vanaf de onweerstaanbare opener “Fast Cars” lieten de heren er geen twijfel over bestaan dat deze avond meer zou worden dan louter a trip down memory lane. De zaal is halfvol gelopen met dertigers en veertigers die, al dan niet getooid in Ramones, Clash of Vice Squad T-shirts, goedkeurend toezien hoe de groep in ijl tempo de songs uit hun debuut de zaal invuren. Vanaf “Love Battery” zit de vlam er voor het eerst goed in: spontaan worden de eerste pogobewegingen ingezet, een kwak bier vliegt door het luchtruim om vervolgens een zachte landing te maken in de décollete van de verontwaardigde juffrouw naast mij, en tussen de nummers door wordt steeds harder om “Orgasm Addict” verzocht. Yep, that’s the spirit, en de Buzzcocks genieten zichtbaar van dit schouwspel! Frontman Shelley mag dan al ogen als een gezapige grandaddy, toch heeft de tijd weinig vat gehad op zijn neurotische stem. In zijn geest moet punk niet noodzakelijk smerig en slordig klinken, getuige de glasheldere melodieën die menige Buzzcocks classic typeren. Gitarist Diggle lijkt dan weer de tegenpool van Shelley: hij spuwt vrolijk in het rond, lijkt zich meer te concentreren op de eerste rijen van het publiek dan op zijn maats, plukt aan de gitaarsnaren als was hij het jongere broertje van Pete Townshend, en brabbelt zijn ongezouten mening tussen de nummers door. De jachtige Shelley/Diggle composities worden anno 2009 live voortgestuwd door de veel jongere en dus uitstekend geoliede ritmetandem Tony Barker (bas) en Danny Farrant (drums). Op “Moving Away From the Pulsebeat” ontpopte laatstgenoemde zich als een repetitieve drummachine die Animal uit de Muppets zo het nakijken geeft. Het ultrakorte “Boredom”, eigenlijk een verknipte versie van “Fast Cars”, besloot het eerste deel van de set.
Shelley & co deden de geschiedenis alle eer aan door in hun setlist dezelfde volgorde als op de originele platen aan te houden, en dus openden “Real World” en “Ever Fallen in Love” uit ‘Love Bites’ het tweede deel van de set. Dit laatste nummer is inmiddels uitgegroeid tot een punk evergreen, en is tot vervelends toe ook zowat de enige Buzzcocks gem die tot het grote publiek is doorgedrongen. Verschillende andere nummers uit hun tweede album moeten hiervoor echter nauwelijks onderdoen, “Nostalgia” en “Sixteen Again” kun je zelfs radiovriendelijk noemen. Tijdens de afsluitende instrumental “Late for the Train” verlieten de bandleden één voor één het podium en kon de overgebleven Farrant nog eens lekker loos gaan op zijn drumvellen.
Na twee integrale albums in een dik uur kreeg het publiek als toemaatje nog eens de bijna volledige ‘Singles Going Steady’ compilatie geserveerd. Na het obligate en luidkeels meegeschreeuwde “Orgasm Addict” volgde een reeks indrukwekkende non-album singles uit de periode ‘77-‘79: “Whatever Happened To?”, “What Do I Get”, “Love You More”, “Promises”, “Everybody’s Happy Nowadays” en “Oh Shit!”. Diggle besloot met “Harmony In My Head” een set van 32 nummers (!?) in goed anderhalf uur. Net zoals The Stranglers een week terug in de Handelsbeurs bewezen de Buzzcocks hier met overschot van gelijk dat groepen van de eerste punkgeneratie hun vershouddatum bijlange nog niet zijn overschreden. Overjaarse fans en sympathisanten van het genre kunnen dus tegenwoordig zonder schaamte of schroom terug hun “Punk’s not dead” shirt uit de kast te halen...

Ondergetekende arriveerde net in tijd om het tweede voorprogramma nog mee te pikken. In het kielzog van The Van Jets en Black Box Revelation blijken The Curvy Cuties Fanclub verknocht aan stevige rock’n’roll overgoten met een ouderwets doch pittig bluesrock sausje. Niettegenstaande dit piepjonge trio (gemiddelde leeftijd 18 jaar) vorig jaar als overwinnaar van De Beloften uit de bus kwam beschikken deze kerels nog niet over voldoende beklijvende songs om meteen als een grote belofte te worden bestempeld. De groep, onder aanvoering van een zingende drummer, opende nochtans prima met een handvol strakke uppercuts, maar ging daarna stevig de mist in tijdens een aantal onnodig melige tearjerkers. Mijn voorlopige proclamatie luidt dan ook: grote onderscheiding voor speelplezier en podium presence, 2de zit voor inspiratie.

PS Wie nu al (terecht overigens) spijt heeft de ‘Another Bites’ doortocht van de Buzzcocks te hebben gemist ... of gewoonweg de live sfeer vanuit een luie zetel wil opsnuiven zonder het gevaar alcoholische dranken over zich heen te krijgen: de integrale live set van hun optreden in de Amsterdamse Paradiso is te zien via
http://www.fabchannel.com/nl/buzzcocks_concert/2009-02-06

Organisatie: Democrazy, Gent

Afgelopen zaterdag kreeg het 4AD publiek een unieke affiche voorgeschoteld. Als hoofdact stond de Nederlandse woordenkunstenaar Eric De Jong aka Spinvis geprogrammeerd. Spinvis liet pas na 40 levensjaren een eerste album op de Lage Landen los, en is inmiddels uitgegroeid tot één van de meest markante figuren uit de Nederpop scene. Hij toert momenteel langs het Vlaamse clubcircuit met als support de amper 16 lentes tellende Rock Rally finalist Jasper Erckens. De zonderlinge laatbloeier versus het vroegrijpe jonkie: een unieke muzikale combinatie op de planken van een goed gevulde 4AD te Diksmuide.

Wie het arsenaal aan instrumenten op het podium zag staan kon moeilijk vatten dat Spinvis wel degelijk solo zou aantreden. Ofwel zou er alsnog een begeleidingsgroep vanachter de gordijnen worden getoverd, ofwel zou Spinvis zich ontpoppen als een multi-instrumentalist die bovendien handig gebruik maakt van de nieuwste generatie digitale podiumsnufjes. Het bleek uiteindelijk de laatste optie te zijn: het begrip ‘solo act’ werd door De Jong immers ter plaatse van een nieuwe definitie voorzien door diverse live ingespeelde stukjes op te nemen, en laagje na laagje te arrangeren tot een volwaardige ritmesectie. Op de planeet Spinvis zijn echter drie dimensies aanwezig, dus naast geluid voorzag De Jong zijn samplekleinkunst tevens van woord en beeld. De visuele dimensie werd ingevuld door ook een gezicht te plakken op de leden van zijn denkbeeldige begeleidingsgroep via drie smalle videoschermen achteraan het podium. De unieke woordenkunst, tenslotte, vormt het sluitstuk van elke Spinvis compositie. De Jong observeert en registreert alledaagse gebeurtenissen, en vertaalt ze op onnavolgbare wijze naar een schijnbaar onsamenhangende beeldspraak.

Het publiek werd door een innemende De Jong meteen in het Spinvis universum geprojecteerd met ”Kindje van God”, een unieke remake van Maria’s onbevlekte ontvangenis. Of het nu ging over de stalker in elk van ons (“Het Voordeel van Video”), het gevoel van onverschilligheid in een wereld vol geweld (“Ik Wil Alleen Maar Zwemmen”), de scherpe observaties tijdens een schijnbaar doodgewone zomerdag (“Wespen op de Appeltaart”) of levenslange herinneringen aan Utrecht (“Voor ik Vergeet”), keer op keer wist de innemende noorderbuur op een geheel eigen manier cynisme aan melancholie te koppelen.
Na een indrukwekkende reeks radiohits tijdens het eerste deel van de set en een uitgebreide rookpauze trok Spinvis voor het vervolg van de set eerder de kaart van het donkere sentiment. Met minder gekende nummers als “De Ogen van de Bruid”, “Ik Ben je Man” en “Ronny Gaat naar Huis” wist hij niettemin moeiteloos de aandacht van het beleefde publiek te behouden. Het aan The Notwist refererende electropoppareltje “(Kus me dan en) Bijt Mijn Tong Af” besloot een bevreemdende trip heen en terug naar het Spinvis universum.

Jasper Erckens mocht zoals gezegd de avond openen. De stem van deze sympathieke krullebol werd reeds meermaals vergeleken met deze van Scott Matthews, Damien Rice, Nick Drake en de jonge Jeff Buckley. Tijdens de korte live set kwamen de invloeden van elk van deze muzikale helden hier en daar inderdaad om de hoek kijken. We onthouden vooral een doorleefde versie van de obligate Gnarls Barkley cover en Rendez-Vous classic “Crazy” en de knappe nieuwe single “Waiting Like a Dog”. Beide nummers zullen ongetwijfeld op Erckens’ volgende maand te verschijnen debuutalbum prijken. De hoge aaibaarheidsfactor van Erckens doet vermoeden dat U daar binnenkort in De Rode Loper meer zal over vernemen...

Organisatie: 4AD, Dikslmuide

Het Amerikaanse viertal Death Cab For Cutie tekent voor één van de meest onwaarschijnlijke succesverhalen uit de kroniek van de indierock. Na drie puike maar in Europa verder weinig opgemerkte albums treedt de groep in 2003 via de grote poort binnen in de emopop arena met het intussen klassieke ‘Transatlanticism’. Bij het verschijnen van opvolger ‘Plans’ wordt de groep massaal omhelsd door een breed poppubliek, maar verliest tegelijkertijd wat aan street credibility bij de fans van het eerste uur wegens een te gladde afwerking van hun integere popsongs. Dit voorjaar revancheerde DCFC zich na een lange rustperiode met het intrigerende ‘Narrow Stairs’, zonder meer het meest gevarieerde album van de groep en een ernstige kandidaat voor de top 10 van diverse eindejaarslijstjes. Na een geslaagde doortocht langs het Openluchttheater deze zomer ging DCFC afgelopen weekend de uitdaging aan om hun breekbare pop ook in de Hallen van Schaarbeek te laten weerklinken.

DCFC’s nieuwe single “No Sunlight” wordt momenteel grijs gedraaid op StuBru en Radio 1, maar dat bleek niet voldoende om de Hallen volledig te laten vollopen voor het Amerikaanse viertal. De set werd op gang getrokken door een aantal oudere songs, waarbij vooral “The New Year” uit ‘Transatlanticism’ op herkenningsapplaus werd onthaald. Met de ogen dicht verschilden de virtuoze live uitvoeringen nauwelijks van de studioversies, waardoor de groep aanvankelijk toch wat bezieling miste. Bovendien beschikt het viertal in de persoon van de studentikoze Ben Gibbard niet echt over een podiumbeest als frontman, maar het moet gezegd zijn, wat een prachtige stem heeft die kerel! Bij sommige nummers zoals hun grootste radiohit “Soul Meets Body” deden Gibbard’s vocals zelfs heel even denken aan de virtuoze stembanden van Yes icoon Jon Anderson.
Het duurde even vooraleer het nieuwe werk aan bod kwam, maar met “No Sunlight” en “Grapevine Fires” werden meteen twee prijsnummers uit ‘Narrow Stairs’ geserveerd. Gibbard schakelde over op akoestische gitaar voor de zeemzoete meezinger “I Will Follow You in the Dark” uit ‘Plans’, meteen goed voor het kampvuurmoment van de avond. De groep gunde de tienerhartjes op de eerste rij echter geen tweede pleziertje en vervolgde onmiddellijk met de single “I Will Possess Your Heart”, met voorsprong het meest monumentale nummer uit de DCFC catalogus. Op gang getrokken door de strakke ritmesectie Nickolas Harmer (bas) en Michael Schorr (drums) en vervolgens ingekleurd door gitaarecho’s en een spaarzaam pianoriedeltje werd de dreigende sfeer in de schijnbaar eindeloze intro van het nummer meesterlijk opgebouwd. Het nummer leek bevrijdend te werken voor de tot dan toe wat te perfect klinkende groep, want nummers zoals “Cath”, “Long Division” en het oudje “The Sound of Settling” kreeg nu wel het live gevoel mee en getuigden van zichtbaar spelplezier. De remmen werden zowaar volledig los gegooid tijdens “Bixby Canyon Bridge”, de epische opener van ‘Narrow Stairs’ en een waardige afsluiter van de set.
Gibbard & co plezierden tijdens de bisronde vooreerst de die-hard fans van het eerste uur met “Champagne From a Paper Cup” uit hun debuut ‘Something About Airplanes’ (’98). Na een bloedmooie versie van “Title and Registration” gokte ondergetekende op het titelnummer uit ‘Transatlanticism’ als finale encore. De gebeden werden verhoord, alleen spijtig dat ik geen geld had ingezet…

DCFC maakte afgelopen zaterdag een moeilijke evenwichtsoefening tussen virtuositeit en spontaniteit. Toegegeven, de Hallen van Schaarbeek kunnen onvoldoende instaan voor de intieme sfeer waarin Death Cab’s breekbare emopop het best tot zijn recht komt, maar uiteindelijk slaagde de groep er toch in om de juiste harmonie te vinden tussen perfectie en bezieling.

Fotoshoots: zie live foto's

Organisatie: Live Nation

zaterdag 04 oktober 2008 03:00

‘Steve Wynn goes classic’

Paisley Underground legende Steve Wynn doet het de jongste tijd met zowat iedereen. In het drinkebroersproject Danny & Dusty vergezelt hij de flamboyante Dan Stuart (Green on Red), met Paco Loco (Australian Blonde) vormt hij het vooralsnog onbekende Smack Dab, en met Scott McCaughey (The Minus Five) en Peter Buck (R.E.M.) deelt hij een levenslange obsessie voor baseball wat eerder dit jaar resulteerde in de eerste muzikale worp van The Baseball Project. Waar en met wie Wynn ook lijkt te vertoeven, keer op keer leiden zijn avonturen tot tijdloze nummers. Voor zijn recentste opus ‘Crossing Dragon Bridge’ ruilde Wynn zijn vertrouwde New Yorkse flat in voor een kamertje nabij de studio van Walkabouts-opperhoofd Chris Eckman in het Sloveense Ljubljana, om ter plekke een dozijn nieuwe nummers uit zijn mouw te schudden. Eckman vertrok vervolgens met de akoestische opnames richting Praag alwaar strijkers en occasioneel zelfs een vrouwenkoor werden toegevoegd, en ziedaar, Wynn’s meest introverte en melancholische album in jaren was geboren. Hoe dat alles live moest klinken ging ondergetekende graag persoonlijk verifiëren in de AB tijdens zijn enige Belgische passage deze herfst.

Als betrof het een geroutineerde maestro stelde Wynn bij aanvang van het optreden en met gepaste trots zijn Dragon Bridge Orchestra voor aan een amper half volgelopen AB Club. Naast vaste levensgezellin Linda Pitmon op drums maken verder ook Chris Eckman, orgelvirtuoos Chris Cacavas (Green on Red), bassist Eric Van Loo (Blue Guitars) en de illustere Braziliaans-Italiaanse violist Rodrigo D'Erasmo de dienst uit in dit gelegenheidsensemble. Met een kleine knipoog naar Queen werd de set geopend met “Slovenian Rhapsody I”, op de voet gevolgd door “Bring the Magic”, de eerste single “Manhattan Fault Line” en “God Doesn’t Like it”, allen uit het nieuwe album. De sfeer zat er van meet af aan in door het speelplezier dat vooral Wynn en D'Erasmo uitstraalden tijdens hun wat ongewone doch zeer begeesterende gitaar-viool duels. Eckman van zijn kant, die eerder op de avond het voorprogramma had verzorgd, lijkt de introverte tegenpool van de immer guitige Wynn en koos duidelijk voor een eerder serene rol op de achtergrond. Voorafgaand aan het oudje “Here on Earth as Well” kroop Wynn heel even in de huid van een opjuttende gospelpredikant en liet enkele enthousiaste toehoorders naar hartelust hallelujah’s scanderen. Op deze manier leidde hij het uitgelaten publiek naar onuitgegeven symfonische uitvoeringen van het Byrds-achtige “Tears Won’t Help” uit zijn solo-debuut ‘Kerosine Man’ (’90) en het meeslepende “The Deep End”, het onbetwiste hoogtepunt uit Wynn’s vorig solo album ‘...Tick…Tick…Tick’ (’06).
Op D'Erasmo na mocht het voltallige Dragon Bridge Orchestra even rusten tijdens “Punching Holes in the Sky”, een bloedmooi staaltje melancholie over de vergankelijkheid van de mens die zo leek weggeplukt uit de Nick Drake catalogus. Eckman & co mochten vervolgens terug aantreden tijdens een cover versie van “She Came”, oorspronkelijk van de (althans in onze contreien) illustere Sloveense singer-songwriter Tomas Pengov, op de voet gevolgd door het dronkemanslied “Wait Until You Get to Know Me”. De talrijke dertigers en veertigers onder het publiek werden tegen het eind van de set op hun wenken bediend toen Wynn een aantal onvermijdelijke Dream Syndicate klassiekers boven haalde. Het onverslijtbare “That’s What You Always Say” (’82) kreeg een speels vioolarrangement aangemeten dat wondermooi contrasteerde met Wynn’s jachtige gitaarspel. Tegen het einde van “The Medicine Show” (’84) waande het publiek zich heel even het zesde lid van de Dragon Bridge Orchestra en improviseerde ter plekke een eigen acapella versie van dit nummer. Wynn & co besloten de set zoals die begonnen was; alle bandleden verzamelden vooraan het podium op één rij voor een acoustische versie van “Slovenian Rhapsody II”.

Wie het luidst een verzoeknummer richting podium kon schreeuwen werd tijdens de bisronde prompt op zijn wenken bediend. Deze maal viel de eer te beurt aan een beklijvende uitvoering van “Silence is Your Only Friend” uit Wynn’s vierde solo album ‘Melting in the Dark’ (’96) en een mooi opbouwende versie van de Dream Syndicate evergreen “Boston”. Een strak en opzwepend “Amphetamine”, gedragen door Wynn’s simpele levenswijsheid ‘I’m gonna live until the day I die’, vormde de slotsom van ‘s mans zoveelste triomfantelijke halte langs het Vlaamse clubcircuit. Na goed een kwarteeuw blinkt Steve Wynn dus nog steeds uit door zijn aanstekelijk enthousiasme en muzikaal vakmanschap, voorwaar een zeldzame combinatie in het vaak duffe en ééntonige singer-songwriter landschap.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 16 van 18