Matthew Houck doorworstelde na de tour volgend op ‘Here’s to taking it easy’ een moeilijke periode. Nadat zowel zijn huisbaas als zijn vriendin hem de deur gewezen hadden, overwoog hij zelfs om er muzikaal de brui aan te geven. Gelukkig vond hij terug zijn draai en inspiratie in Mexico waardoor Phosphorescent (zie pics homepag) onlangs ‘Muchacho’ in de platenrekken dropte. Een wekenlang op voorhand uitverkochte Rotonde keek reikhalzend uit naar de live-versie van die uiterst positief onthaalde plaat.
Daar waar Houck in het verleden op plaat en podium weinig belang hechtte aan een cleane sound en regelmatig solo de hort op ging met zijn lo-fi-muziek, laat hij zich tegenwoordig bijstaan door maar liefst vijf muzikanten: twee toetsenisten (één die vooral pianoklanken uit zijn keyboard puurde en de – als we ons niet vergissen – halfnaakt op de hoes van ‘Muchacho ‘poserende vrouw die de synthesizersound voor haar rekening nam), een bassist, een drummer en een bongo-speler die eveneens bij momenten de computer mocht bedienen.
Met openers “Terror in the Canyons” en het sublieme, heerlijk lang gerekte “The Quotidian Beast” begeeft men zich op het terrein van de alt.country waar Phosphorescent zich de laatste jaren erg thuis is gaan voelen.
Het meer mistige “A new Anhedonia” dompelt ons een eerste keer onder in de ijle sfeer die - mede dankzij het perfect uitspelen van de breekbare stem van Matthew Houck – tot het unieke geluid leidt dat de muziekliefhebber eind 2007 kon ontdekken op doorbraakalbum ‘Pride’. De perfecte overgang dus naar het uit die klassieker stammende “A picture of our torn up praise”. Live krijgt dit op plaat hartverscheurende lied nu echter een iets meer swingende versie waardoor het in onze oren meteen ook minder beklijvend klinkt.
Geen paniek echter want met “Song for Zula” wordt meteen duidelijk dat de toekomst van Phosphorescent er rooskleurig uitziet. Daar waar we tijdens “A picture of our torn up praise” nog betreurden dat de volledige groep zijn duit in het zakje deed, zorgt de inzet van die uitgebreide bende nu wel voor een flinke meerwaarde. De afwezigheid van de op plaat hemels klinkende violisten wordt bijvoorbeeld heel aardig opgevangen door de vakkundig van haar synthesizer gebruik makende jongedame. Houck struint tijdens het eerste deel van “Song for Zula” als een ervaren crooner over het podium om naar het einde toe de elektrische gitaar te omgorden en met virtuoos spel de rijkdom van die prachtsong te accentueren.
Tijdens het lekker funky gebrachte “Right on/Ride on” stelden we vast dat de Duvelflesjes van de toetsenist op korte tijd zorgwekkend leeg geworden waren. Het hoefde dus niet te verbazen dat hij met een almaar meer verwonderde blik om zich heen zat te kijken en hoe langer hoe meer aan het zwalpen (of laat het ons met wat goeie wil gewoon dansen noemen) sloeg. Een geluk dus dat de toetsen een minder prominente rol toebedeeld kregen tijdens afsluiter “Los Angeles” (uit ‘Here’s to taking it easy’) waarin de nadruk vooral kwam te liggen op de verscheurende gitaarsolo die Houck door de boxen joeg. Een subliem slot van een na drie kwartier veel te vroeg beëindigd concert.
In de bisronde keerde de frontman terug in de tijd door solo een indrukwekkende versie van “Wolves” te brengen, dit naar oude gewoonte zelfs met inbegrip van de extra laagjes (vervormde) stem en gitaar die hij naar het einde toe als handige knoppenman injecteerde. Wie dus gekomen was voor een snuifje ‘Pride’, kreeg uiteindelijk toch nog waar voor zijn geld. Het van Randy Newman geleende “Days of Heaven” blijkt al anderhalf jaar op ‘s mans setlist te prijken omdat hij naar eigen zeggen niet anders kan dan het steeds maar opnieuw te spelen. En maar best! Voor het laatste lied van de avond, het meer als soft country klinkende “Down to go”, betreedt de voltallige groep opnieuw het podium. Geen onaardige afsluiter, alhoewel het gitaargewijs een extra geut lapsteel zou kunnen verdragen.
Deze passage van Phosphorescent leidde niet tot een echt onvergetelijk optreden maar bevatte zeker wel voldoende hoogtepunten om het als een puike prestatie te klasseren. Mede omdat Matthew Houck nu middels ‘Muchacho’ stilaan tot een sterk oeuvre begint te komen, durven we er geld op verwedden dat zijn groep een lang leven beschoren is. Men weet echter maar nooit dat hij de komende jaren alsnog het slopende leven on the road inruilt voor een sedentair bestaan.
Wie geen risico wil nemen en de man zelf nog eens live aan het werk wil zien, begeve zich dus best op 22 mei naar de Genste DOKbox.
Het viertal genaamd Woods bracht in het voorprogramma een licht verteerbare brok folkrock. De vaak vrolijke muziek deed bij momenten denken aan wat The Magic Numbers enkele jaren terug op de mensheid loslieten. Best verfrissend en onderhoudend voor even, maar uiteindelijk met te weinig weerhaken om een vaste stek in ons geheugen te veroveren.
Spijtig dat zanger-gitarist Jeremy Earl na een half uurtje vocaal versleten was. Al van bij het begin kon men zich trouwens de vraag stellen of de falsetto van Earl de juiste stemkeuze is voor deze groep.
Ook het feit dat er iets te veel op veilig gespeeld wordt, maakt het niet verwonderlijk dat Woods na acht jaar en zeven platen nog niet meteen een wereldwijde doorbraak hoeft te verwachten.
Tijdens het laatste nummer, dat gestoeld was op een best pulserend ritme, duurde het bijvoorbeeld te lang vooraleer men zijn muzikale duivels ontbond. Als Woods het aandurft om zijn frontman wat meer naar de achtergrond te duwen ten voordele van wat intenser en experimenteler gemusiceer, dan zijn we bereid om ze nog een kans te geven. Zo neen, dan bedanken we vriendelijk doch resoluut.
Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

Nederlands
Français 
