logo_musiczine_nl

Democrazy Gent - events

Democrazy Gent - events Concerten 2025 Arsenal, nieuw album ‘okan okunkun’, Vooruit, Gent op 1 + 2 december 2025 NAFT, Pomrad, Vooruit, Gent op 4 december 2025 Equal Idiots, Spare kid, Club Wintercircus, Gent op 4 december 2025 Promis3 Clubsuit 360 rave, Club…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Shame
Happy Mondays
Erwin Vanlaere

Erwin Vanlaere

Chic Feat. Nile Rodgers – Goud, glitter en eenvoud
Chic
Ancienne Belgique
Brussel

Nile Rodgers krijgt wel meermaals de royale bijnaam ‘the King of Disco’ toegedicht en gelet op zijn staat van verdienste is dit totaal niet overdreven te noemen. De inmiddels 61-jarige liedjesschrijver, gitarist, componist en producer leek namelijk vanaf eind de jaren ‘70 alles wat hij aanraakte, in goud te kunnen veranderen.
Samen met zijn kompaan en steunpilaar Bernard Edwards rijfde Rodgers onder de eigen groepsnaam ‘Chic’ de ene na de andere top 10 hit binnen. Nummers als « Le Freak », « I Want Your Love » of « Good Times » (om er maar enkele te noemen) behoren tot ieders collectief geheugen en leiden tot op vandaag nog steeds tot overvolle dansvloeren. Daarnaast bezorgde hij Sister Sledge (met o.a. «He’s The Greatest Dancer », «Lost In Music » en « We Are Family ») en Sheila And B. Devotion (« Spacer ») eeuwige bekendheid.
Begin de jaren ’80 stortte hij zich nog meer op het produceren van andermans platen en dat de carrière van Madonna via « Like A Virgin » definitief gelanceerd werd, David Bowie met « Let’s Dance » behalve één van zijn allergrootste hits ook een nieuw publiek aangereikt kreeg,  INXS  met « Original Sin » als groep op de internationale kaart geplaatst werd en Duran Duran met « The Wild Boys » en « Notorious » onder de publieke aandacht konden blijven, komt volledig op het conto van de heer Rodgers. Om nog maar te zwijgen over de talloze samples die ondertussen in diverse repertoria zijn opgedoken. 

De laatste jaren leek hij wat meer op het achterplan te zijn beland maar daar is een gegronde reden toe. Eind 2011 werd bij Rodgers prostaatkanker vastgesteld en begon een strijd tegen deze verschrikkelijke ziekte. Maar dat hij niet enkel op muzikaal vlak zijn mannetje kan staan en van doorzettingsvermogen getuigt, bleek toen Rodgers afgelopen zomer aankondigde kankervrij te zijn verklaard. Dit gaf hem duidelijk een boost en met volle wilskracht en energie ging hij ogenschijnlijk nog heviger als ooit aan de slag. Zo blijkt hij nog steeds een vinger aan de pols van de hedendaagse muziek te houden door met onder meer David Guetta, Disclosure, Avicii en Chase And Status de studio in te duiken. Het meest opmerkelijke feit viel echter te noteren door zijn medewerking aan enkele nummers op het nieuwe album van Daft Punk. De concurrentie was meteen gewaarschuwd en hoe! Met « Get Lucky » zorgde Rodgers niet enkel mee voor dé (zomer)hit van 2013 maar scoorde hij vier decennia na het begin van zijn carrière misschien wel zijn allergrootste commerciële succes.

Behalve dat er ook een compilatiealbum onder de titel ‘Up All Night’ op de markt werd gebracht, bleek zijn gezondheidsrapport een voldoende drijfveer te zijn om nogmaals te gaan  toeren. En ook hierin laat Rodgers zich niet onbetuigd want na passages op Genk On Stage en in het openluchttheater Rivierenhof te Deurne stond hij afgelopen donderdag in de Brusselse AB samen met Chic voor de derde maal dit jaar op een Belgisch podium. En opnieuw – het succes van « Get Lucky » zal daar zeker niet vreemd aan zijn – was het concert sinds maanden volledig uitverkocht.

In de AB kwam Rodgers uitgedost in een strak wit pak, vóór aanvang nog het publiek groeten, enkele foto’s nemen en wat vinylplaten signeren en onderstreepte meteen dat hij er duidelijk zin in had. Getuige ook zijn stralende glimlach die hij de gehele avond zou aanhouden.
Om 20u45 kon het feestje echt beginnen toen vanuit stilstaande pose « Everybody Dance » werd ingezet, gevolgd door « Dance, Dance, Dance ». En de symboliek miste zijn effect niet want vanaf de eerste tonen gingen de armen van het publiek al meteen de hoogte in en werd gedurende bijna twee uur uitbundig en heupwiegend feest gevierd. De set leende zich hiertoe natuurlijk uitstekend want wat onze oren binnendrong en niet meer verliet, betrof een aaneenschakeling van hits. De aankondiging dat het de laatste show van hun toer was en zij wellicht nog nooit zoveel hebben opgetreden als in België, was de vonk aan de lont opdat het dak in de AB er (figuurlijk) meteen af ging.
Al even verantwoordelijk hiervoor was de achtkoppige begeleidingsgroep die Rodgers meegebracht had. Hoewel behalve Rodgers geen enkel origineel groepslid van Chic meer vertegenwoordigd is – Bernard Edwards overleed bijvoorbeeld in 1996 tijdens een concertenreeks in Japan aan de gevolgen van een longontsteking – verdrongen de muzikanten iedere mogelijk schijn van anachronisme en blonken ze uit in vakmanschap. Alle nummers werden door hen erg strak, verzorgd en enthousiast gebracht.
Zo mocht zangeres Kimberly Davis de hoofdrol opeisen tijdens « I Want Your Love », terwijl Folami Thompson op uitstekende wijze het naadloos in elkaar overgaande « I’m Coming Out » en « Upside Down » - beiden dankzij het schrijvers- en producerstalent van Rodgers in 1980 een zoveelste megasucces voor Diana Ross - voor haar rekening nam. Thompson zou er trouwens ook voor zorgen dat « Like A Virgin » een warmere, meer soulvolle gloed kreeg dan de versie van Madonna.
Tenorsaxofonist Dan Moretti mocht de intro verzorgen van « Lost In Music » (Sister Sledge) dat gitaargewijs via Rodgers een stevige portie blues geïnjecteerd kreeg en ontdaan van alle franjes, bij momenten zelfs klonk als een demoversie. Na « Chic Cheer » (waarvan in 1998 een sample werd verwerkt in Faith Evans’ hit « Love Like This ») deed Don Harris zijn trompet dan weer fungeren als ritmeaanwijzer tijdens « My Forbidden Lover ».
In de categorie ‘zijn ook van de hand van Rodgers maar bekend(er) geworden via andere artiesten’ passeerden verder achtereenvolgens de revue:  « He’s The Greatest Dancer » en « We Are Family » (allebei Sister Sledge); « Soup For One » (inclusief een flard tekst uit « Lady (Hear Me Tonight) » van het Franse duo Modjo die met dit nummer door het gebruik van – jawel – een  fundamentele sample een wereldhit behaalden); « Notorious » (Duran Duran); « Original Sin » (INXS) (dat we sinds het overlijden van Michael Hutchence zo sterk als donderdag niet meer gehoord hadden); « Spacer » (Sheila And B. Devotion) en « Let’s Dance » (David Bowie). Laatstgenoemde nummer werd niet enkel ingezet door rake drumslagen van Ralph Rolle, maar werd ook door hem vocaal gebracht. Jammer genoeg konden zijn aanmoedigingen aan het publiek om extra luid mee te zingen en stevig uit de bol te gaan, niet verhinderen dat de vocalen niet het niveau van de rest van de set haalden. Wat ons betreft, het enige mindere moment van de avond. Maar meer dan detailkritiek is dit eigenlijk niet.
Ondertussen mocht « Thinking Of You », één van de artistieke hoogtepunten uit het oeuvre van Rodgers, wél als een climax in de set te Brussel fungeren. Dat het als ode aan Edwards werd gebracht, maakte het nog indringender.
Na « Le Freak » overbekend natuurlijk (mede door het repetitieve gitaarrifje), was het tijd om de groepsleden een voor een voor te stellen en restte er enkel een opgezweepte, door Davis en Thompson gezongen versie van « Good Times » waarbij diverse fans het podium mochten delen met hun held die in het middenstuk zelf nog een stukje zong uit The Sugarhill Gang’s « Rapper’s Delight » (check de sample van de baslijn) en gekke dansjes maakte met bassist Jerry Barnes.
Daarna
schalden « Get Lucky » en « Lose Yourself To Dance », allebei terug te vinden op ‘Random Acces Memories’ van Daft Punk, uit de luidsprekers. Rodgers heeft al meermaals aangekondigd deze nummers niet live in zijn set te willen opnemen zonder de aanwezigheid van Daft Punk en in Brussel was dit niet anders. Maar nu het Franse duo zijn heeft bevestigd tijdens de komende uitreiking van de Grammy Awards live op te treden, mag er verhoopt worden dat er deze keer wél sprake is van een samensmelting op een podium. 

Minutenlang werd afscheid genomen van het publiek en daarmee eindigde het concert zoals het begonnen was: Rodgers die zijn publiek uitvoerig dankte, handjes schudde en handtekeningen uitdeelde. We hebben het nog maar weinig wereldsterren zien doen.    
Rodgers bruiste de hele avond van de energie en levenslust en verkende meermaals alle buitenhoeken van het podium door de toeschouwers op de balkons te groeten of niet zelden met bassist Jerry Barnes in zijn kielzog, sierbewegingen te maken. Waar hij kon, vertoefde hij zoveel als mogelijk op het achterplan om zijn groep het middelpunt van de belangstelling te gunnen. Nobel maar een onbegonnen situatie natuurlijk als men weet dat het gros van de nummers berust op die uit de duizend herkenbare gitaarklanken en -rifjes afkomstig uit zijn onafscheidelijke vintage ‘59 Fender Stratocaster die niet voor niets ‘The Hitmaker’ genaamd wordt. Want precies daar schuilt één van de troeven die geleid hebben tot het internationale succes. Rodgers is heer en meester in het omsmeden van een op het eerste gehoor erg eenvoudig klinkende gitaarriedel tot een gouden, pronkend juweel dat als gegoten past bij heel wat glitter.
Is Nile Rodgers aldus een kunstenaar, tovenaar of koning? Feit is dat hij nog steeds regeert en dirigeert en gelukkig onder de levenden is.   
‘We Are Lost In Music’ is het motto en ‘Dancing, Singing, Partying And Having A Good Time’ de missie op elk concert. En inderdaad, een grote glitterbal buiten beschouwing gelaten, bedienden Rodgers en zijn kompanen zich niet van franjes in de vorm van projecties of confettikanonnen maar brachten ze gewoon muziek uit het hart. Ook al is de setlijst nagenoeg nooit onderhevig aan wijzigingen, het ontbrak de groep niet aan spontaniteit.

Chic en Nile Rodgers bezorgden via een goedgevulde jukebox het uitzinnige publiek een euforische avond. Waarlijk een fel gesmaakt vervroegd kerstgeschenk!

Setlist: Everybody Dance - Dance, Dance, Dance  - I Want Your Love - I’m Coming Out - Upside Down - He’s The Greatest Dancer - We Are Family - Soup For One - Lady (Hear Me Tonight) - Like A Virgin - Thinking Of You - Lost In Music – Notorious - Original Sin - He’s A Spacer - Chic Cheer - My Forbidden Lover - Let’s Dance - Le Freak - Good Times - (Get Lucky) - (Lose Yourself To Dance)


Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

TW Classic 2013 - Bruce Springsteen –– The Boss brengt een uitverkocht Werchter in vervoering
TW Classic 2013
Festivalterrein
Werchter

Editie 2013 van TW Classic etaleerde zich in schitterende omstandigheden: de barometer voorspelde zonnig en droog weer, met Balthazar en Keane stonden twee groepen op het podium die als ze de standvastigheid kunnen vasthouden mogelijks op weg zijn naar de poort der groten, terwijl met de kranige zestigers Blondie, Charlie Musselwhite (samen met Ben Harper) en Carlos Santana muzikanten op de affiche prijkten die intussen hun strepen in de   muziekgeschiedenis al lang verdiend hebben. Als de organisatoren daarbij niemand minder dan Bruce Springsteen – eveneens een zestiger – konden strikken om samen met zijn E Street Band als hoofdact te fungeren, dan is het niet verwonderlijk dat deze feitelijkheden ervoor zorgden dat enkele dagen vóór aanvang van het festival het bericht de wereld werd ingestuurd dat het zich zonder ticket begeven naar de kassa’s geen zin meer had want alle 60.000 kaartjes  hadden een eigenaar gevonden.

Balthazar (****)
Volgens de overlevering kwamen de drie wijzen uit het Oosten en was het indertijd wanneer men als Koning Balthasar door het leven ging, bon ton om bij een kribbebezoek mirre mee te brengen. Afgelopen weken werd duidelijk dit stukje geschiedenis herschreven want de Belgische groep Balthazar maakten vanuit Kortrijk en Gent een reis in tegenovergestelde richting om op de weide van Werchter te resideren en daar als mogelijks toekomstige muzikale koningen, ook te regeren. Ze prijkten namelijk niet enkel op de affiche van Werchter Boutique en Rock Werchter maar mochten om 13u ook nog eens TW Classic openen.
Erg opvallend was dat er op het vroege middaguur al veel volk was opgedoken om zich te laven aan de geschenken die zij rijkelijk uitdeelden. Geen mirre maar wel fantastische muziek. Of zoals presentator Luc Janssen citerend uit « Jeroen Brouwers (Schrijft een Boek) » (De Mens) bij hun aankondiging zei: “We beginnen met een Belgische band die hier voor de derde maal op het podium staat. Ze weten hoe het moet en ze doen het goed”. En dat is dan geen verdraaiing van de werkelijkheid want unaniem lovende recensies over hun albums ‘Applause’ (2010) en ‘Rats’ (2010) hebben hen extra vertrouwen gegeven en ook op het podium zijn ze volledig ontbolsterd. Dit gaat ook op voor hun passage in TW Classic. Vanaf het eerste nummer « Later » bleek dat hun onderkoelde, verfijnde en bij momenten schijnbaar tegendraadse muziek ook hun effect niet misten op een groot podium. En dit zonder een lichtvoetige hit op zak te hebben. Balthazar tekende voor een fantastische start van een mooie festivaldag.

Blondie (**)
Wie wel een reeks hits op hun conto staan hebben, is de Amerikaanse formatie Blondie. Vanaf halfweg de jaren ‘70 werkten zij zich vanuit de groezelige doch legendarische New Yorkse club CBGB op tot een wereldgroep van formaat. Vooral frontvrouw Debbie Harry groeide uit tot een fenomeen en oefende door haar opvallende verschijning en vrijgevochtenheid een ware aantrekkingskracht op mannelijke fans uit.
Anno 2013 is de inmiddels 68-jarige Harry ondanks minimaal één facelift natuurlijk niet meer de frisse verschijning zoals deze op het netvlies van zoveel fans staat gebrand. Nostalgische jeugdherinneringen werden dan ook wellicht her en der flink ingedeukt (voor de geïnteresseerden: ze verscheen in een soort zwarte legging met fluorescerende gele jasje en bijhorende heupdoek en droeg een witte pruik).
Wij hadden gelet op het leeftijdsverschil meer oog en vooral oor naar de muziek en ook op dat vlak leek er wat sleet op te zitten.    
Aangezien het hun laatste concert van de zomer was, wou de groep (met behalve Harry tevens  Chris Stein en Clem Burke als originele leden in de rangen) nog eens alles geven. Harry probeerde het publiek op te peppen door mee te geven dat ze niet zo schuchter moesten zijn, dat er mocht meegezongen worden of door op te roepen om meer blote bovenlijven te laten zien. Maar hoe ze ook probeerde, het gaf een te krampachtig indruk en de weide reageerde pas sporadisch uitgelaten.
Er werd nochtans fraai ingezet met « One Way Or Another » en ook « Hanging On The Telephone » (The Nerves) en « The Tide Is High » (The Paragons) klonken goed maar door de afwisseling met te licht bevonden nieuw werk als « Rave », de nieuwe single « A Rose By Any Name » en het zomerse « Sugar On The Side » (dat gelijkenissen opriep met Manu Chao maar nooit dat niveau haalde) haalde de vaart én de kwaliteit uit de set. Dat de stem van Harry  niet opgewassen bleek tegen het gitaargeweld deed er al evenmin goed aan.  
Blondie slaagde er in het verleden in om hun vertrouwde mix van punk en new wave te injecteren met disco, reggae, rap en jazz en dat ze nog steeds nieuwe horizonten blijven opzoeken, pleit voor hen maar wat de meerwaarde is van een flauwe versie van « Lights » (Ellie Goulding) blijft een raadsel.
Ook het achterwege laten van hun allergrootste hit « Denis » (cover van Randy And The Rainbows’ « Denise » uit 1963) op een festival dat de naam TW Classic draagt, moet als een grote inschattingsfout beschouwd worden. Niet meteen ons favoriete nummer maar wél eentje waar de weide stond, zat of lag op te wachten.
Naar het einde toe deden extra gitaargetinte versies van « Atomic », « Call Me » en « Heart On Glass » de wei opveren maar konden niet meer verhelpen dat hoewel niet echt slecht, Blondie niet de voldoening gaf waar iedereen op gehoopt had.
Setlist : One Way Or Another / Rave / Hanging On The Telephone / Union City Blue / A Rose By Any Name / The Tide Is High / Maria / Winter / Lights / Atomic / Sugar On The Side / Call Me

Ben Harper & Charlie Musselwhite (****)
Neen, dan veel liever de rauwer klinkende blues van het duo Ben Harper en Charlie Musselwhite. Met ‘Get Up!’ dit jaar verschenen op het vermaarde label Stax Records, zijn ze niet enkel verantwoordelijk voor een fantastisch albums in dit genre maar in Werchter onderstreepten ze hun kunnen en bleef ook live hun combinatie van mondharmonica (Musselwhite) en (slide)gitaar (Harper) mede dankzij een uitstekende begeleidingsgroep, moeiteloos overeind.
Voor het zonnebadende publiek was dit op het vroege namiddaguur misschien geen gemakkelijk verteerbare brok muziek maar voor wie zich liet onderdompelen in de mix van rock, soul en blues was het erg genieten geblazen.
Alles klonk puntig maar tegelijk verzorgd. Als uitschieters golden « I Don’t Believe A Word You Say », « She Got Kick » (mede door de piano die aan Fats Domino, Ray Charles of Jerry Lee Lewis deed denken) en « I’m In, I’m Out, I’m Gone » (met een gitaarrif die even repetitief en kenmerkend was als deze bij Muddy Water’s « Manish Boy »). Ook « Homeless Child » (dat verscheen op Harper’s album ‘The Will To Live uit 1997) was van een hoog niveau.  
Musselwhite met zijn 69 jaar de oudste artiest die afgelopen zaterdag op het podium stond, heeft zelf ruim 20 albums op zijn actief staan en is ook te horen is op platen van onder meer Bonnie Raitt, The Blind Boys Of Alabama, Tom Waits en INXS. Daarom was het mooi dat ook hij enkele malen zelf de hoofdvocalen voor zijn rekening mocht nemen zoals bijvoorbeeld tijdens zijn eigen nummer « The Blues Overtook Me ».
Bindteksten waren er niet, een bedanking op het einde van de set buiten beschouwing gelaten, maar beide heren lieten de muziek voor zich spreken. Meestal nam Harper op een stoel plaats met zijn slidegitaar op de schoot terwijl Musselwhite hem gadesloeg zodat hij op de juiste momenten kon invallen met zijn harmonica. Menige keren moesten we qua manier van musiceren spontaan denken aan onze nationale trots Toots Thielemans die ook steeds  bescheiden en alert op het podium zijn talenten toont zonder de andere muzikanten in de weg te staan.
Hopelijk krijgen we binnenkort van dit duo nog meer te zien want in een donkere, intiemere zaal moet dit nóg beter klinken.
Setlist:
Get Up! / I Don’t Believe A Word You Say / The Blues Overtook Me / Don’t Look Twice / When It’s Good / She Got Kick / Long Legged Woman / I’m In, I’m Out, I’m Gone / Blood Side Out / Homeless Child / I Ride At Dawn / I’m Going Home / When The Levee Breaks

Carlos Santana (***1/2)
Ook de Mexicaanse zanger en meestergitarist Santana is een zestiger. Volgend weekend mag hij overigens 66 kaarsjes uitblazen en te horen aan de bruisende set die hij op TW Classic bracht, leek het alsof het verjaardagsfeest al werd ingezet. Het stralende weer op de weide leende zich dan ook uitstekend voor de mix van latin rock, jazz, blues, soul, R&B, salsa en Afrikaanse ritmes.
Er werd meteen stevig van wal gestoken met « Toussaint L’Ouverture » waarin een stukje « While My Guitar Gently Weeps » van The Beatles in verwerkt werd. Ook in de intro van « Black Magic Woman/Gypsy Queen maakten The Beatles overigens hun opwachting via een streepje « Eleanor Rigby » terwijl « Incident At Neshabur » al evenzeer de muzikale invloed van de Fab Four verraadde.
Santana kan terugblikken op een rijkgevulde carrière. Zo kende hij zijn doorbraak naar een ruimer publiek via zijn passage op het befaamde Woodstockfestival (waarvan we beelden te zien kregen via « Woodstock Chant/Soul Sacrifice ») en samen met The Rolling Stones is hij de enige artiest die in vier decennia een album in de top tien heeft staan. Bijgevolg werden klassiekers als « Oye Como Va » (dé Tito Puente cover) afgewisseld met meer recente hits als « Maria Maria » (minder tenenkrullend dan op plaat) en « Smooth », de hit die hij in 1999 scoorde met Rob Thomas van Matchbox Twenty.
“Some bands move this way, some bands move that way. We go straight ahead” zei Santana en inderdaad daar leek het duidelijk op met behulp van zijn tienkoppige begeleidingsgroep. In één rechte lijn werd een vakkundig bij elkaar gespeelde, zomerse set gebracht. In tegenstelling tot het North Sea Jazz festival maakte Prince zijn opwachting niet maar dat kon de pret niet bederven.   
Setlist:
Toussaint L' Ouverture / Black Magic Woman/Gypsy Queen / Oye Como Va / Maria Maria / Foo Foo / Corazon Espinado / Incident At Neshabur / Smooth / Dame Tu Amor / Woodstock Chant/Soul Sacrifice / Saideira

Keane (***1/2)
Op het eerste zicht lijkt het wat vreemd dat een jonge Engelse groep als Keane waarvan de debuutplaat ‘Hopes And Fears’ pas dateert uit 2004, zo hoog op de affiche geprogrammeerd stond (ook in 2009 waren ze trouwens present op TW Classic). Maar het is en blijft een van de meest succesvolle groepen uit Engeland van de voorbije jaren. Want alle vier de studioalbums (en ook de EP ‘Night Train’ uit 2010) kwamen meteen binnen op de eerste plaats van de hitlijsten in het Verenigd Koninkrijk.
Ook al is bassist Jesse Quin sinds 2011 als volwaardig groepslid opgenomen, het handelsmerk en episch centrum van Keane blijven de pianocomposities van Tim Rice-Oxley (die daarbij meermaals de pianoklanken zodanig vervormt alsof men de indruk krijgt echte gitaren te horen). Voeg daarbij het typische stemgeluid van Tim Chaplin en men heeft meteen een beeld van de ingrediënten die Keane tot zo’n succes maken.
De set die ze brachten had veel weg van een ‘best of’. Er werd nog rustig gestart met « You Are Young » van het vorig jaar uitgebrachte ‘Strangeland’ maar met « Bend And Break », « Everybody’s Changing », « Is It Any Wonder? », « This Is The Last Time », « Somewhere Only We Know » en de gebalde afsluiter « Crystal Ball » volgde de hits elkaar in een sneltempo op. Afgaand op het applaus lijken ook de nieuwe nummers « On The Road », « Silenced By The Night » en « Sovereign Light Café » dezelfde weg op te gaan.
Er was ook aandacht voor enige rustmomenten als « We Might As Well Be Strangers » en « Bedshaped » (waarbij op de zijdelings schermen de zonsondergang mooi in beeld werd gebracht en voor een aparte sfeer zorgde).
Keane verkeerde in topvorm en er werd mooi gemusiceerd en gezongen (Chaplin was opnieuw goed bij stem en heeft zijn problemen ver achter zich gelaten zoals we vorig jaar reeds konden vaststellen op Pukkelpop). Maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de nummers allemaal zo gepolijst en afgewerkt klonken waardoor het nooit echt beklijvend werd.
Setlist:
You Are Young / Bend And Break / On The Road / We Might As Well Be Strangers / Nothing In My Way / Silenced By The Night / Everybody’s Changing / A Bad Dream / Is It Any Wonder? / This Is The Last Time / Somewhere Only We Know / Bedshaped / Sovereign Light Café / Crystal Ball

Bruce Springsteen & The E Street Band (****1/2)
Beklijvend is dan weer een understatement als we het hebben over het concert dat afsluiter Springsteen met zijn E Street Band gaf.
Tien minuten eerder als voorzien (onmiddellijk na het concert van Keane werd zelfs meegedeeld dat Springsteen er zodanig veel plezier in had dat hij een halfuur eerder zou beginnen aan de set) werden meermaals de woorden “Can You Feel The Spirit?” vanuit de coulissen gescandeerd.  Het was Springsteen zelf die als een leider van een gospelkoor meteen duidelijk maakte dat het publiek zich één mag voelen met de groep. Het is al langer geweten dat Springsteen tijdens zijn concerten steeds een innige band met zijn publiek onderhoudt maar in Werchter werden qua betrokkenheid alle registers opengetrokken toen hij reeds  meteen bij de eerste noten van opener « Spirit In The Night »  het podium afdaalde om de eerste rijen fans te gaan begroeten en te omhelzen. Weinigen doen hem dit na.

Meteen zat de sfeer er in en betekende het startsein van een bijna drie uur durende set die geen enkele (maar werkelijk geen énkele) inzinking zou kennen.  
« Badlands » bruiste van energie en werd massaal meegezonden alsof het een eigen hymne betrof en « Death To My Hometown » en « We Take Care Of Our Own » klonken door hun maatschappijkritiek niet enkel tekstueel bijzonder scherp maar werden ook snedig gebracht.
Sinds enkele jaren is het tijdens een concert van Springsteen gemeengoed geworden dat het publiek verzoekjes mag richten waarna er dan enkele worden uitgekozen. In Werchter viel de keuze op twee grote knuffeldieren, een beer en een eend om precies te zijn, die respectievelijk  pancartes vasthielden met als opschrift « Jailhouse Rock » en « Man’s Job ».
Dit gaat steeds met heel wat spontaniteit gepaard zodat wie deel uitmaakt van The E Street Band een uitstekend muzikant moet zijn omdat men honderden nummers moet kunnen inspelen als erom gevraagd wordt (vaak zelfs door Springsteen zelf). Het verwachte moment houdt aldus ook een mogelijks onverwachte factor in. Dit bleek nog maar eens toen Springsteen nog snel de groep toeschreeuwde in welke toonaard « Jailhouse Rock » moest worden gespeeld en bij « Man’s Job » was er een coördinatieprobleempje toen Curtis King als tweede zanger nog even wou doorzingen terwijl Springsteen al opnieuw de intentie had om over te nemen. Geen zure blik of vermanende woorden werden uitgewisseld. Integendeel, er verscheen een glimlach op het gezicht van Springsteen. Of hoe een perfectionist ook relativerend kan zijn. Toen ook de achtergrondzangeressen Cindy Mizelle en Michelle Moore kwamen meedansen, werden ze na afloop op een kus getrakteerd.
Vervolgens mocht ook Ben Harper zijn opwachting maken om op fraaie wijze « Atlantic City »  op akoestische gitaar mee te begeleiden en te zingen. Dat ook hij onder de indruk was van deze opportuniteit, viel duidelijk te merken.
Na « Wrecking Ball » en « Hungry Heart » waarbij Springsteen nog maar eens zijn fans met een bezoekje ging vereren,  was er een kippenvelmoment toen Springsteen « The River » via mondharmonica inzette en aangevuld werd door secuur gitaarwerk van ‘Little’ Steven Van Zandt. Het blijft een classic pur sang.
Die andere gitarist, Nils Lofgren, liet zich tijdens « Youngstown » niet onbetuigd en gaf een solopartij van jewelste. Een kunstje dat hij herhaalde tijdens het uitmuntende « Murder Incorporated » waarna ook Springsteen en Little Steven beurtelings enkele straffe riffs uit hun polsen schudden.    
« Darlington County », « Bobby Jean » en « Shackled And Drawn » (waarbij Cindy Mizelle haar vocale troeven mocht uitspelen tijdens een gospelstukje) waren de voorbode van een prachtig moment waarbij Springsteen tijdens « Waitin’ On A Sunny Day » een 13-jarig meisje een handkus gaf om haar vervolgens uit het publiek te plukken zodat zij met hem op het podium kon meezingen. Vertederend was toen Springsteen haar zachtjes in de armen nam en haar helemaal persoonlijk terug bij haar moeder bracht.
« The Rising », « Land Of Hope And Dreams » (inclusief een stukje « People Get Ready » van Curtis Mayfield)  en « Follow That Dream » (na vele jaren afwezigheid terug live opgepikt) brachten wat rust in afwachting van het trio « Born In The U.S.A » (inclusief een 80’s klinkende synthesizer bespeeld door Charles Giordano en op het einde een ritmisch strakke drumpartij van Max Weinberg), « Born To Run » (waarbij Jake Clemons nog maar eens bewees uit hetzelfde goede ebbenhout te zijn gesneden als zijn betreurde oom) en « Dancing In The Dark » (de synthesizers op de studioversie werden vervangen door een blazerssectie). Net zoals in de bijhorende clip waar Springsteen actrice Courteney Cox uit het publiek tilde om met hem mee te dansen, werden er nu zelfs drie dames op het podium gevraagd. Eentje had via een pancarte aangegeven te willen dansen met Lofgren, een andere met Jake Clemmons en de dame die met Springsteen mocht dansen was helemaal aangedaan toen ze na ruim dertig concerten van hem te hebben gezien, haar droom werkelijkheid zag worden.   
Via « Tenth Avenue Freeze-Out » werd door middel van foto’s op de zijdelingse beeldschermen een innemende ode gebracht aan twee te vroeg overleden groepsleden,    Danny Federici (2008) en Clarence Clemons (2011).
De finale bestond uit « Twist And Shout » (cover van The Top Notes maar beter bekend in de versie van de Isley Brothers) en een via blazerssectie en percussie conga-uitvoering van « Shout » (eveneens Isley Brothers). Het mooiste werd misschien wel tot het laatst opgespaard toen Springsteen helemaal solo op gitaar « Thunder Road » bracht. We zagen eerder tranen van geluk maar nu rolden er bij vele fans ook tranen van ontroering over de wangen.  

De Belgische passage van Springsteen tijdens zijn ‘Wrecking Ball Tour’ was er opnieuw eentje om te koesteren. Het klinkt misschien wat oneerbiedig maar met alle respect voor de andere groepen op de affiche: hoewel sommigen sterk uit de verf kwamen, leek Springsteen iedereen te degraderen tot tweedeklassers.
Wat we ook zo fantastisch vinden is dat Springsteen muziek en sfeer opnieuw voor zich liet spreken. Het zijn steeds de muzikanten die het doen (iets wat we een tweetal weken terug ook bij Leonard Cohen zagen). Van een uitgebreide lichtshow, acrobatie of verkleedpartijen werd geen gebruik gemaakt en als er al vuurwerk te noteren viel, dan was dit opnieuw afkomstig van Springsteen en zijn E Street Band (die trouwens door toevoeging van een blazerssectie, een tweede percussionist en zangeres de grootste samenstelling ooit kende). 

Dat we dit concert geen vijf sterren toebedelen, heeft niet zozeer te maken met de muziek die we hoorden. Door de festivalformule moest een strak tijdschema aangehouden worden opdat  iedereen die gebruik wenste te maken van extra bussen en nachttreinen (perfect georganiseerd trouwens) ook thuis geraakte. Dit impliceerde dat het vertrouwde ‘meer dan drie uren concerteren’ hier niet aan de orde was en er dus nauwelijks ruimte overbleef voor extraatjes in de zin van b-kantjes of vergeten albumtracks. Maar ach, het publiek werd ruimschoots verwend en kon ‘the spirit’ voelen. En daar was het allemaal om te doen.
Slotsom, wie van rockmuziek houdt en durft te stellen dat een concert van Springsteen hem of haar totaal onberoerd laat, kent en voelt niks van muziek. Dit is een straffe uitspraak maar geheel op zijn plaats want het was dan ook een straffe krachttoer die The Boss liet zien.   
Setlist:
Spirit In The Night / Badlands / Death To My Hometown / We Take Care Of Our Own / Jailhouse Rock / Man’s Job / Atlantic City (Ben Harper als gastmuzikant) / Wrecking Ball / Hungry Heart / The River / Youngstown / Murder Incorporated / Darlington County / Bobby Jean / Shackled And Drawn / Waitin’ On A Sunny Day / The Rising / Land Of Hope And Dreams / Follow That Dream / Born In The U.S.A. / Born To Run / Dancing In The Dark / Tenth Avenue Freeze-Out / Twist And Shout / Shout / Thunder Road (solo)

Organisatie: Live Nation - Rock Werchter

Toen na een afwezigheid van 15 jaar de Canadese zanger-liedjesschrijver, bard, troubadour en poëet Leonard Cohen in 2008 brak met het voornemen om nooit meer op te treden en aankondigde opnieuw te gaan touren, was dit ingegeven door dwingende noodzaak omdat zijn toenmalige manager Kelley Lynch er met zijn fortuin vandoor was en hij aldus zijn pensioenkas diende te spijzen. In tijden van aanhoudende dalende platenverkoop leek het geven van concerten de enige optie op een gegarandeerde positieve return te zijn.

Minder cynisch is Cohen door de penibele omstandigheden niet geworden maar op een of andere manier gaf het zijn populariteit een extra boost. Overal waar hij sindsdien aantreedt, gebeurt dit voor uitverkochte zalen en aan dat succes lijkt vooralsnog geen einde te komen. Zijn vorig jaar verschenen album ‘Old Ideas’ prijkte in heel wat landen op de eerste plaats en de daaraan gekoppelde tournee met telkenmale sets van nooit minder dan drie uur, mocht opnieuw rekenen op alom lovende recensies waarbij de vraag naar tickets het aanbod menigmaal overtrof.

Qua concerten werden de Belgische fans van Cohen de voorbije maanden enorm in de watten gelegd. Zo viel vorige zomer de eer te beurt aan Gent om de première van de ‘Old Ideas World Tour’ te verzorgen. Waar het aanvankelijk de bedoeling was twee openluchtconcerten te laten plaatsvinden in het fraaie kader van het Sint-Pietersplein, werden het er uiteindelijk vijf (!) nadat de tickets voor de eerste twee avonden binnen enkele minuten de deur uitgingen. Wie er bij was, zal het zich nog lang heugen en de mond-op-mond reclame begon zelfs mythische vormen aan te nemen. Gelukkig dus dat amper tien maanden later Cohen tijdens het tweede luik van de tournee ons land opnieuw verblijdde met twee concerten, namelijk in het Antwerpse Sportpaleis (23/06) en Vorst Nationaal (30/06), zodat degenen die toen geen stoeltje in de Arteveldestad konden bemachtigen, niet al te lang dienden te treuren en zelf konden checken  binnen welk niveau de waarheid zich situeerde.
En de honger naar beschikbare tickets bleek nog steeds verre van gestild want ook deze twee avonden waren - enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten - in sneltempo uitverkocht.

Dat het sfeervolle en gezellige Sint-Pietersplein deze keer moest plaatsmaken voor de kille aanblik van betonnen constructies leek op papier een nadeel maar dit voorbehoud verdween afgelopen zondag in Vorst Nationaal onmiddellijk bij het doven van de lichten en bij het inzetten van de opener van de set, « Dance Me To The End Of Love ». Meteen werd duidelijk dat waar het merendeel van de artiesten hun tanden stukbijten op vervelende echo’s en holle klanken in deze muziektempel, dit geen obstakel bleek te zijn voor Cohen en zijn team. Hij beschikt over technici op topniveau want zij slaagden er in om alles loepzuiver te laten klinken. Iedere zucht, iedere aangeslagen gitaarsnaar of ingedrukt klavier van het orgel kon men als toeschouwer onmetelijk gedetailleerd horen alsof men zich op het podium naast de muzikanten bevond. Voorwaar een huzarenstuk.
Maar ook de negen ervaren muzikanten die Cohen sinds enkele jaren in min of meer vaste bezetting begeleiden, lieten zich niet onbetuigd en onderstreepten nogmaals uiterst getalenteerd te zijn. Ze zetten een vlekkeloze, tot in de puntjes verzorgde instrumentatie neer.
Geregeld kregen ze ook de mogelijkheid aangeboden om zich solo in de kijker te spelen en werden ze – ook fysisch - in de schijnwerpers geplaatst (waarbij Cohen zich in alle bescheidenheid terugtrok in een donker plekje op het podium). Gitarist Mitch Watkins mocht aan « The Future » een extra bluesy cachet geven waarbij hij zijn gitaar deed klinken alsof Robert Cray plots was opgedoken. Ook « Bird On A Wire » dompelde hij onder in de blues waarbij de Hammond B3 van Neil Larsen en de vocalen van de zangeressen Sharon Robinson en Charley en Hattis Webb (The Webb Sisters) net als tijdens « Everybody Knows » voor een mooie aanvulling zorgden. Javier Mas voorzag via luit « Who By Fire » van een uitgebreide prachtige Spaanse intro en mede door het verfijnde drum- en baswerk van respectievelijk Rafael Gayol en Roscoe Beck toonde « Darkness » een nauwe verwantschap met het latere werk van Nick Cave die overigens nooit onder stoelen of banken heeft gestoken dat Cohen een belangrijke inspiratiebron voor hem is geweest (zie onder meer hoe hij ooit « Avalanche » naar zijn hand zette op zijn album ‘From Her To Eternity’). De schitterende vioolvirtuoos Alexandru Bublitchi tenslotte slaagde er in om via « Lover, Lover, Lover » (het enige moment trouwens waarop Cohen de indruk gaf te worstelen met het hogere ritme en dito vocalen) een zomerse bries door de zaal te laten waaien.
Hoewel met het verstrijken van de jaren Cohen’s stem grommend en nóg donkerder geworden is en aldus meer en meer geschikt lijkt voor ‘spoken word’ (tijdens zijn voordracht uit het poëtische « A Thousand Kisses Deep », louter met behulp van spaarzame en sferische klanken bijgestaan door Neil Larsen, kon men bijvoorbeeld een speld horen vallen in de zaal) gaf dit nooit aanleiding tot eentonigheid mede omdat Cohen zo uitgekiend is om de vocalen van de drie zangeressen als tegengewicht te gebruiken voor de zijne en dit met elkaar te laten correleren. Bovendien kregen ook de drie vrouwen in het gezelschap hun gloriemomenten toebedeeld. Robinson mocht bij « Alexandra Leaving » de hoofdrol voor haar rekening nemen en The Webb Sisters stuwden « If It Will Be Your Will » met hun engelenstemmen en zichzelf louter begeleidend op akoestische gitaar en harp, tot eenzame hoogte.
Zelden of nooit hebben wij een wereldster met een muzikale erfenis als Cohen trouwens zo uitvoerig zijn muzikanten en crew (inclusief geluids- en lichttechnici, webdesigner, e.d.m.) zien danken. Hij nam meermaals letterlijk en figuurlijk zijn hoedje (een fedora) voor hen af of maakte daarbij een knieval. Ook het aandachtige, respectvolle tot zelfs adorerende publiek werd geregeld in deze dankbetuiging betrokken.
Zoals te verwachten vielen er tijdens het concert geen verrassingen te noteren – of het zou het Franstalige « La Manic », een cover van Georges Dor, moeten zijn.
Cohen heeft nog steeds lak aan voorprogramma’s of speciale effecten. Meer dan een gordijn op de achtergrond en twee beeldschermen aan de zijkant van het podium waren er in dat opzicht niet te bespeuren. Het spektakel moet van hemzelf en zijn begeleidingsgroep komen.

Verder waren alle vertrouwde ingrediënten aanwezig: Cohen met fedora op het hoofd stak in een onberispelijk grijs pak (net als de rest van de crew); de setlijst bleek in vergelijking met voorbije jaren opnieuw nauwelijks of niet gewijzigd en bevatte een afwisseling tussen klassiekers en nieuwer werk; de inhoud van de bindteksten bleef nog steeds intact en werd op dezelfde momenten uitgesproken (met de woorden “Thank your for climbing so high” verwelkomde hij de toeschouwers in de nok van de zaak, bij de opening van het tweede deel van de set begroette hij het publiek met “Thank you for coming back” en haalde hij tot grote hilariteit bij « Tower Of Song » wat grapjes uit door schijnbaar onbeholpen op de synthesizer te tokkelen). Alles is sinds jaren vooraf duidelijk ingestudeerd en wordt volgens een strak schema uitgevoerd.
Daartegenover staat dan weer dat het gebodene van een zodanige kwaliteit is dat het nooit minder dan prachtig of subliem is. Hoogtepunten opsommen heeft in dit geval dan ook geen nut maar wat ons betreft, gingen de ereprijzen tijdens de twee reguliere delen van de set behalve naar de eerder vermelde  « Who By Fire » en  « Darkness », ook naar « Suzanne », « Sisters Of Mercy » (waarbij Cohen de akoestische gitaar ter hand nam en een verwijzing maakte naar zijn folkverleden) en zijn bewerking van het verzetslied « The Partisan » (dat  ook na ruim vier decennia van een absolute klasse getuigt). « Hallelujah » toonde dan weer aan dat ongeacht de vele coverversies, het patent om een dergelijk nummer te schrijven en componeren louter bij Cohen zelf berust.

Ook de toegiften verdeeld over drie rondes, waren stuk voor stuk om van te smullen.
Het massaal meegezongen « So Long, Marianne » bleek opnieuw dé publiekslieveling (waarbij Cohen de toehoorders dankte met de woorden “Thanks for the help”), het (zelf)relativerende « Going Home » uit het nieuwe album (waarbij God Cohen aanspreekt als een “Lazy bastard living in a suit”) ontpopte zich door mooie samenzang en een extra instrumentale invulling tot mogelijke klassieker in wording terwijl met « First We Take Manhattan » stevig en uptempo werd uitgepakt.
De tweede bisronde met « Famous Blue Raincoat » (Cohen op akoestische gitaar), het eerder vermelde « If It Be Your Will »  en een gezwind en ritmisch « Closing Time », was misschien zelfs nóg beter met drie voltreffers op rij.
Toen hij er nog maar eens een sprintje richting podium uitperste, hadden er al diverse toeschouwers de zaal verlaten om nog tijdig met het openbaar vervoer thuis te kunnen geraken maar de nog aanwezigen konden hun glimlach niet inhouden toen hij de openingswoorden van « I Tried To Leave You » zong (intussen liep de klok namelijk al tegen halftwaalf aan). En nog was het niet voldoende want het sluitstuk van deze avond werd gereserveerd voor het door Doc Pomus en Mort Shuman neergepende « Save The Last Dance For Me » (oorspronkelijk vertolkt door The Drifters in 1960).

Hoewel hij volgende september 79 jaar wordt, oogde Cohen bijzonder fit en vitaal (telkens hij het podium betrad of verliet, ging dit in huppel- of zelfs looppas en hij zong ook diverse nummers op zijn knieën). Of dit dan ook zijn allerlaatste tournee wordt, daar zal moeder natuur nog wel over oordelen maar wij hopen dat hij eindelijk met een voldaan gevoel van zijn welverdiend pensioen kan genieten.
Hoe het ook uitdraait, iedere aanwezige in Vorst Nationaal kon afgelopen zondagavond na een marathonsessie van ruim drie en een half uur (inclusief twintig minuten pauze tussen deel een en twee van de show) terugblikken op een prachtig concert dat ingetogen, geconcentreerd en met oog voor detail werd gebracht.
En dat allemaal ‘dankzij’ een te inhalige ex-manager …

Setlist :
Dance Me To The End Of Love / The Future / Bird On The Wire / Everybody Knows / Who By Fire / The Darkness / Amen / Come Healing / Lover, Lover, Lover / A Thousand Kisses Deep (voordracht) / Anthem
Tower Of Song / Suzanne / Sisters Of Mercy / Heart With No Companion / La Manic / The Partisan / Alexandra Leaving / I’m Your Man / Hallelujah / Take This Waltz
So Long, Marianne / Going Home / First We Take Manhattan
Famous Blue Raincoat / If It Be Your Will / Closing Time
I Tried To Leave You / Save The Last Dance For Me

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/leonard-cohen-30-06-2013/
Organisatie: Greenhouse Talent

De Amerikaanse zanger en liedjesschrijver Chris Isaak groeide op in het Californische Stockton. Als kind graaide hij graag in de platencollectie van zijn ouders en kwam aldus onder de indruk van artiesten als Elvis Presley, Jerry Lee Lewis, Carl Perkins en Roy Orbison. Ook zijn bewondering voor John Fogerty stak hij nooit onder stoelen of banken.
Toen Isaak besloot zijn bokshandschoenen op te bergen – zijn meermaals gebroken neus draagt nog steeds de sporen van dit verleden - en na zijn studies te hebben afgerond, besloot hij zich toe te leggen op een muzikale carrière. Hij schuimde gedurende enkele jaren bars en clubs in San Francisco en L.A. af totdat hij via producer Erik Jacobsen een platencontract kon versieren bij Warner Bros. Records. Het prachtige ‘Silvertone’ (1985) was hiervan het eerste resultaat en daaruit bleek hoe groot zijn muzikale invloeden waren op zijn eigen werk. De plaat bulkte van de rock-‘n-roll, rockabilly en blues uit de jaren ’50 en vroege jaren ‘60 maar kreeg een eigentijdse toets via teksten voortkomend uit eigen hart en ziel.
Ondanks het aandringen van de platenmaatschappij om stijlveranderingen door te voeren, bleef Isaak zijn eigen ding doen zonder daarbij in de valkuil te trappen en te verdrinken in pure nostalgie.
En het heeft hem geen windeieren gelegd. Reeds vanaf zijn tweede album verkreeg hij meer internationale airplay met « Blue Hotel » maar een echte hit scoorde hij met « Wicked Game ». Dit wereldnummer is terug te vinden op het album ‘Heart Shaped World’ uit 1989 maar de doorbraak kwam er pas twee jaar later toen David Lynch een instrumentale versie ervan gebruikte in zijn cultfilm ‘Wild At Heart’ (ook op de soundtrack van ‘Blue Velvet’ (1986) stonden overigens twee tracks van Isaak te prijken). Het nummer mét vocalen werd vervolgens opgepikt door radiostations en de nog steeds tot verbeelding sprekende zwart-witte, door Herb Ritts geregisseerde sensuele video waarin Isaak innig topmodel Helena Christensen – die ogen! – mocht omarmen op een strand, zorgde voor het extra promotiewerk.
De rest is geschiedenis. Zijn naam als artiest en status als sekssymbool waren nu definitief internationaal gevestigd en aan populariteit heeft Isaak nimmer moeten inbinden. Het bewijs hiervan is onder meer terug te vinden bij concertprogrammatoren die wanneer ze Isaak boeken, doorgaans ook meteen het bordje ‘uitverkocht’ mogen bovenhalen. Dit was bijvoorbeeld twee jaar geleden het geval in de Brusselse AB en afgelopen zondag waar Isaak in dezelfde zaal aantrad, deed hij deze prestatie nog eens over.

Toch wel opmerkelijk voor iemand die in ruim twintig jaar geen echt grote hit meer heeft gescoord, zijn setlist doorheen tournees nauwelijks wijzigt en zijn concerten voorziet van gimmicks en satire die uit het boekje komen.
Waar ligt het dan aan? Natuurlijk komen er veel toeschouwers – hoofdzakelijk vrouwen – zich verlekkeren aan de looks van Isaak maar nog veel belangrijker en er toe doende is dat deze crooner een fantastische zanger is, prachtige nummers heeft neergepend en zijn groep die ruim een kwart eeuw met hem samenspeelt, rasmuzikanten bevat. Bovendien is het showgehalte steeds hoog en mag er tussendoor hard gelachen worden. Vooral de zelfspot en satire vieren steeds hoogtij.
Daarbij moet gezegd dat ook al is alles steeds goed ingestudeerd (gesynchroniseerde swingende pasjes, bassist Rowland Salley die de hoofdvocalen mag overnemen tijdens « Best I Ever Had », Isaak die de groepsleden en publiek uitdaagt met rake oneliners, reeds vroeg in de set de zaal instapt en zich tot aan de mengtafel onder het publiek begeeft, een oefening die gitarist Hershel Yatovitz overigens mocht overdoen tijdens « Live It Up »), de groep brengt het met zoveel branie en met een brede glimlach dat het publiek het gevoel krijgt dat het enkel voor hen op die specifieke avond weggelegd is. En datzelfde publiek gaat steevast snel door de knieën en laat zich gedwee onderdompelen in deze op en top Amerikaans ogende show. Zo liet Isaak de aanwezigen in de AB in de waan dat de groep extra lang zou spelen omdat ze niet zoveel in Brussel kwamen maar in werkelijkheid stond er zelfs een nummer minder op de setlist ten aanzien van vorige concerten tijdens deze tour - voor de liefhebbers: « That Lucky Old Sun » (oorspronkelijk van Ray Charles) werd geschrapt. Isaak is niet voor niets ook deeltijds acteur.
Het concert afgelopen zondag lag in het verlengde van zijn vorige passage maar bevatte deze keer grosso modo twee grote onderdelen. Vooreerst werd een soort ‘best of’ aangeboden, terwijl nadien het eind vorig jaar uitgebrachte album ‘Beyond The Sun’ centraal stond.
Na een instrumentale intro verscheen – ook al is hij intussen 56 geworden - een nog steeds erg fris ogende Isaak, vetkuif onlosmakelijk incluis en gehuld in een lichtblauw pak dat Elvis Presley moeiteloos had kunnen dragen tijdens zijn Las Vegas shows. De groepsleden daarentegen droegen een maatpak dat gelijkenissen vertoonde met de outfit van de begeleidingsgroep van wijlen James Brown gedurende de jaren ‘60.
Opener van de avond – en kan het nog symbolischer? – was het uptempo « American Boy » en dit effende het pad voor een wisseling tussen ballades en rocknummers. Als hoogtepunten – al moeten we zeggen dat echte inzinkingen niet te bespeuren waren – vielen er bijzonder fraaie en loepzuivere versies te noteren van « Blue Hotel », « San Fransisco Days », « Somebody’s Crying » (wat een melodie), « Wicked Game » (inderdaad een klassieker ten top), « Dancin’ »(nog steeds onverwoestbaar en vergezeld van een lang, toonvast vocaal einde), « Notice The Ring » (met een uitwisseling aan stijlen gaande van rock-‘n-roll tot free jazz en waarbij onder meer percussionist Rafael Padilla en toetsenist Scott Plunkett hun kwaliteiten mochten etaleren) en het broeierige, mysterieuze door bassist Rowland Salley ingezette ‘Baby Did A Bad Bad Thing’. Bij dit laatste, bluesy nummer haalde Isaak zijn diepste stem boven en werd onderstreept dat het geen verwondering mag heten dat Stanley Kubrick dit aanwendde om te laten fungeren in zijn donkere, raadselachtige film ‘Eyes Wide Shut’ uit 1999. Ook mochten daarbij als vertrouwd twee dames het podium op om hun sensuele (dans)troeven uit te spelen. Eentje droeg een t-shirt met als opschrift ‘What The Hell’ waarop Isaak ad rem reageerde en als grap vertelde dat zij bij haar thuiskomst zou kunnen vertellen: “Mam, I went to a concert and I fell in love with a man on the stage. But don’t worry mam, it’s not a musician. It’s a bass player”.

De tweede helft van het concert stond dus in het teken van zijn recentste album ‘Beyond The Sun’, dat – zoals de titel aangeeft – opgenomen werd in de oorspronkelijke Sun Studio’s te Memphis en waarop eer betoond wordt aan muzikale helden die er onder toezicht van platenbaas Sam Phillips hun eerste opnames maakten. Waar Isaak de covers op de plaat braafjes binnen de lijntjes kleurt en aldus te dicht blijft aanleunen bij de originelen zonder zijn versies als bijzonder te laten klinken laat staan de originelen te overtreffen, was dit euvel minder groot tijdens zijn concert in de AB. Daar kregen ze wel meer punch en wonnen ze aan impact.
Er werd voorzichtig aangevat met wat mooie gospel en doo-wop tijdens « Doin’ The Best I Can » (Elvis Presley). Nadien werden versies gebracht van « Ring Of Fire » (Johnny Cash), het ooit van de radio verbannen « Dixie Fried » (Carl Perkins), « Can’t Help Falling In Love » (Elvis Presley) en « It’s Now Or Never » (idem) waar de combinatie van drumborstels, contrabas, piano en de stem van Isaak – die sowieso nauwelijks dichter bij Presley kan geraken – uitstekend werkte.
Nadien werd er ook nog wat meer stevige rock-‘n-roll uit de kast gehaald tijdens « Live It Up », eveneens terug te vinden op ‘Beyond The Sun’ maar wel van de hand van Isaak, en een bijzonder snedig « Miss Pearl » (een parel van de nagenoeg vergeten Sun artiest Jimmy Wages). Bij dit laatste mocht Scott Plunkett zijn kunsten opvoeren en helemaal loos kon hij gaan tijdens « Great Balls Of Fire » (Jerry Lee Lewis) waar hij een nagenoeg perfecte imitatie weggaf van ‘the killer’ zelve, inclusief het aanslaan van de toetsen met behulp van voet en knie en de piano die als apotheose via namaakvlammetjes en ingebouwde rookelementen ‘in vlammen’ opging.  
Als eerste toegift werd gekozen voor een flard « Super Magic 2000 », een mooi voorbeeld van  instrumentale surfrock, waarna Isaak het podium betrad in zijn bekende zilveren glitterkostuum. Tijdens « Oh, Pretty Woman » (Roy Orbison) verrees een reusachtige pin-up (in ballonvorm weliswaar) en gedurende « Big Wide Wonderful World » mocht Yatovitz nog enkele fraaie bluesakkoorden uit zijn gitaar toveren en Plunkett zijn orgel laten brullen. Afsluiter was het gospelachtige « Worked It Out Wrong » waarbij Salley, Yatovitz en drummer Kenney Dale Johnson als begeleidend koortje dienden en waarbij ondanks hun grappige bewegingen de pastiche nooit de ernst overheerste. En dit was toepasselijk op het hele concert. De herkenningsfactor was hoog en er viel veel te lachen maar bovenal werd er met klasse gezongen en gemusiceerd zodat alle aanwezigen met een warm gevoel naar huis konden gaan.

Op deze verkiezingsdag werden op dat tijdstip regionale overwinningen gevierd, wonden gelikt en de eerste coalities gevormd maar in de AB ging de stem van het publiek unaniem naar Chris Isaak en zijn begeleidingsgroep.

Setlist : (Intro), American Boy, Pretty Girls Don’t Cry, Blue Hotel, We’ve Got Tomorrow, I Want Your Love, San Fransisco Days, I’m Not Waiting, Somebody’s Crying, Wicked Game, Best I Ever Had, Dancin’, Notice The Ring, Baby Did A Bad Bad Thing, Doin’ The Best I Can, Ring Of Fire, Dixie Fried, Can’t Help Falling In Love, It’s Now Or Never, She’s Not You , Live It Up, Miss Pearl, Great Balls Of Fire
Super Magic 2000, Oh, Pretty Woman, Big Wide Wonderful World, Worked It Out Wrong

Organisatie: Live Nation

De carrière van de in Schotland residerende Noord-Ierse formatie Snow Patrol leek al na twee albums in het slop te zitten wegens gebrek aan publieke aandacht. Een wijziging van platenmaatschappij, een ruimere promotie en het aantrekken van producer Jacknife Lee veroorzaakte evenwel een ommekeer. Hun album ‘Final Straw’ (2003) sloeg via singles als « Spitting Games », « Run » en « Chocolate » deze keer wel aan bij een groter publiek en ook van  andere artiesten ontvingen ze menig schouderklopje. Vooral U2 deed een ferme duit in het zakje door hen op enkele plaatsen te laten fungeren als voorprogramma tijdens het Europese luik van de ‘Vertigo’ tournee in 2005 (wat ze overigens ook in 2010 zouden herhalen tijdens de 360° tournee).

In dat kader stonden ze in 2005 ook in het Koning Boudewijnstadion en waar ze op dat moment nog alles uit de kast dienden te halen om op te tornen tegen de omvang van de locatie en het geluid van het binnenstromende publiek, was het toen reeds duidelijk dat dit slechts de voorbode was voor véél meer. En inderdaad, het in 2006 uitgebrachte album ‘Eyes Open’ – opnieuw in een productie van Jacknife Lee en met singles als onder meer « Chasing Cars » en « Shut Your Eyes » - zorgde voor een echte wereldwijde doorbraak en bracht de evolutie van de groep in een stroomversnelling. Van ‘Eyes Open’ gingen er miljoenen exemplaren over de toonbank en hun aanhang zou almaar blijven toenemen. Maar ook op het podium onderging Snow Patrol een metamorfose. Meer en meer groeiden ze uit tot echte publiekstrekkers en tijdens hun passages in Vorst Nationaal, alsook op Pukkelpop en Rock Werchter bezorgden ze menig bezoeker ware kippenvelmomenten.
En ook dit jaar zal daarop geen uitzondering vormen. Niet alleen staan ze komende zomer opnieuw te prijken op de affiche van Rock Werchter en hoeven ze deze keer op de slotdag enkel de Red Hot Chili Peppers achter zich te dulden maar afgelopen woensdag mochten ze hun sterrenstatus al eens komen onderstrepen door in een al maanden uitverkochte Lotto Arena hun eind vorig jaar verschenen plaat ‘Fallen Empires’ concertgewijs te komen voorstellen. En dit deden ze dit met verve.
Tijdens de instrumentale intro, een remix van « Berlin », waarbij op een videomuur een glazen bol transformeerde tot een wereldbol en het woord ‘Antwerp’ verscheen en ook vanaf het openingsnummer van de set, « I’ll Never Let Go », werd meteen duidelijk dat de meer elektronische invloeden die zich reeds etaleerden op « Just Say Yes » (afkomstig van de compilatieplaat ‘Up To Now’ uit 2009) en in nog ruimere op de jongste plaat terug te vinden zijn, ook live een nieuwe elan kunnen geven aan het repertoire en er wat meer speelsheid in brengen. Dit bleek ook bij « Called Out In The Dark » waar electro, pop en rock zich mooi vermengden en bij het rustige « New York » (dat door diverse fans tijdens de signeersessie die eerder de dag plaatsvond in een Antwerpse platenzaak werd aangevraagd en aldus « The Garden Rules » van de setlist verdreef).
Maar het echte buitenbeentje vormde het uitgesponnen « Fallen Empires » dat ingehouden werd opgestart maar door het toevoegen van extra ritmische percussie in combinatie met synthesizer, zich gaandeweg ontpopte tot een elektronische splinterbom waarbij het leek dat Phil en Paul Hartnoll van Orbital stiekem mee aan de knoppen aan het draaien waren. Niet minder dan bijzonder sterk en apart te noemen.
Verder waren natuurlijk nog steeds de vertrouwde elementen aanwezig zoals het afwisselen van enkele uptempo nummers (« Hands Open », « Take Back The City » en « You’re All I Have ») die allen strak en snedig werden gebracht, met rustige en intense fragmenten als daar zijnde het bijzonder sterke « Set The Fire To The Third Bar » waarbij in Antwerpen ditmaal Eva De Roovere geen opwachting maakte maar de gastenrol was weggelegd voor Shauna Tohill (Silhoutte) die ook basgitaar speelde bij het voorprogramma Ram’s Pocket Radio, het eenmansproject van Peter McCauley.
En tenslotte – hoe kan het ook anders – met « This Isn’t Everything You Are » en publiekslievelingen « Chasing Cars » en « Shut Your Eyes » (waarbij het publiek gevraagd werd om van stil naar luid mee te zingen) ontbraken ook de meezingmomenten niet. Voormelde nummers zijn net als « Crack The Shutters » (mooi begeleid door piano aan het begin) perfect op maat van stadions gemaakt en kenmerken zich doordat vanuit een trage intro wordt toegewerkt naar een climax die rijkelijk voorzien is van hemelse melodieën. Hierin is Snow Patrol door zichzelf door de jaren heen te perfectioneren, heer en meester geworden.   
Als toegift kwam vooreerst het ontwapende « Lifening » dat door Gary Lightbody op akoestische gitaar werd ingezet louter aangevuld door wat piano en wat aan The Edge verwante subtiele gitaarakkoorden. Door de opbouwende doch sobere structuur was het niet moeilijk om de capaciteit van de Lotto Arena te doen vergeten en het publiek in de waan te laten zich te bevinden in een kleine club. Wat ons betreft een van de absolute hoogtepunten.
Nadien volgde nog het intussen klassieke « Open Your Eyes » en na ongeveer anderhalf uur sloot « Just Say Yes » de set af waarin geeuwmomenten nooit aan de orde waren en nog maar eens onderstreept werd hoeveel hits Snow Patrol al op hun actief hebben. Zo ontbrak ‘‘Spitting Games » zelfs nog.

Snow Patrol is een groep met een hoge aaibaarheidsfactor. Ondanks dat ze uitgegroeid zijn  tot een wereldgroep, zal men hen niet snel betrappen op enige kapsones of sterrengedrag. Zowel op als naast het podium blijven ze steeds vriendelijk en eenvoudig. Dit werd ook tijdens hun set in Antwerpen onderstreept. Hoewel Lightbody zich gaandeweg ontwikkeld heeft als zelfzekere frontman die tijdens het optreden het contact met het publiek intens aanhield (dankbetuiging in het Nederlands, posters in ontvangst nemen en/of signeren, op karton neergepende boodschappen als ‘Free Hugs’ beantwoorden) bleef hij lachen met missers als toen hij in alle enthousiasme op een plateau gesprongen was en zich tijdens zijn terugweg richting podium gehinderd zag wegens een te strakke broek of toen hij tijdens « Run » een verkeerde knop had ingedrukt. Ook verloochende hij niet hoe hard ze moeten knokken hebben om als groep te kunnen slagen en daarom droeg hij ook uitdrukkelijk een warm hart toe aan het voorprogramma Ram’s Pocket Radio die met eigen middelen op elk concert dient te zien geraken.  
Dit was een prima concert en wie Snow Patrol afdoet als een flauwe versie van Coldplay, gelieve u op 1 juli eerstkomende van het tegendeel te laten overtuigen.

Setlist :
Berlin
I'll Never Let Go ,
Take Back The City , Hands Open , This Isn't Everything You Are , Run, Crack The Shutters, In the End , Set the Fire To The Third Bar , New York , Shut Your Eyes, Chasing Cars , Chocolate , Called Out In The Dark , Fallen Empires , You're All I Have
Bis : Lifening, Open Your Eyes , Just Say Yes

Organisatie: Live Nation

woensdag 14 december 2011 01:00

INXS - Resem hits met een nieuw gezicht

Opgericht in 1977 zou de Australische formatie 'The Farriss Brothers' onder de naam 'INXS' niet enkel uitgroeien tot een van de best verkopende groepen van hun land (de teller staat  wereldwijd op 35 miljoen verkochte albums) maar tevens hun stempel drukken op de muzikale jaren '80 en '90. Vooral met albums als 'Kick' (1987) en 'X' (1990) en de daaruit voortvloeiende succesrijke singles als “New Sensation”, “Never Tear Us Apart”, “Devil Inside”, “Need You Tonight”, “Suicide Blonde”, “Disappear”, “By My Side” en “Bitter Tears”  was INXS steevast in de hogere regionen van de hitlijsten terug te vinden.

Dat INXS anno 2011 niet in een uitverkocht Vorst Nationaal of Antwerpse Sportpaleis maar wel in een - overigens niet volgelopen - Gentse Vooruit geprogrammeerd stond, is in de eerste plaats te wijten aan de wanhoopdaad van zanger en liedjesschrijver Michael Hutchence. Hij besloot namelijk in 1997 letterlijk zijn broeksriem wat aan te spannen maar deed dit zo kordaat dat hij het leven erbij liet in een hotelkamer in Sydney. Betrof het zelfmoord dan wel een uit de hand gelopen seksueel experimentje (zijn appetijt op dat vlak was niet gering en bij twijfel mag u zich steeds wenden tot Helena Christensen, Kylie Minogue of Paula Yates om er slechts een paar te noemen)? De meningen over de ware toedracht zijn nog steeds verdeeld.
Feit is dat de groep dit plotse verlies nooit meer te boven zou komen. Men heeft nadien geprobeerd om gastzangers in te schakelen als daar zijn Terence Trent D'Arby, Jon Stevens of de winnaar van de speciaal op maat van INXS gemaakte CBS TV show 'Rock Star' JD Fortune (zie ook 'Switch', het in 2005 uitgebrachte elfde studioalbum van INXS), maar deze samenwerkingsverbanden bleken allemaal van korte duur te zijn en bovendien niet zo succesvol als ten tijde van Hutchence. Verwonderlijk is dit niet want Hutchence had looks, présence en zangkwaliteiten op overschot en zijn charisma en aantrekkingskracht zorgden voor een ongelofelijke marketing en verkoopwaarde.

Maar deze sterkte betekent doorgaans ook meteen de zwakte. Neem een dergelijk bepalend boegbeeld weg en de etalage van een groep ziet er voor velen al meteen heel wat minder aantrekkelijk uit. Het verleden heeft ook aangetoond dat het inschakelen van nieuwe zangers in die situaties enkel tot ontgoochelende resultaten leidt. Zie maar naar Queen die na het overlijden van Freddie Mercury beroep deed op de nochtans erg goede zanger Paul Rodgers (ex-Bad Company) of The Doors die Brett Scallions, Miljenko Matijevic of Ian Astbury (wiens poging evenwel bij uitzondering erg verdienstelijk genoemd mag worden) probeerden te slijten als de nieuwe Jim Morrison. De fans van het eerste uur haalden hun schouders op of erger, draaiden hun rug om. 
… Maar INXS blijft proberen. Sinds september werd op hun officiële website aangekondigd dat met de Noord-Ierse Ciaran Gribbin (a.k.a. Joe Echo) een nieuwe zanger werd gevonden. Gribbin die ook al zijn sporen heeft verdiend bij onder meer Snow Patrol, Paul Oakenfold en Madonna ('Celebration'), Groove Armada of Paul McCartney, zou de groep vergezellen op het Zuid-Amerikaanse en Europese deel van de tour. Gent kreeg daarbij de eer om als afsluiter te zorgen vooraleer INXS zich down under terugtrekt om te werken aan nieuw materiaal. Want inderdaad, Andrew Farriss, één van de drie broers binnen de groep en zowat het creatieve hart van INXS, heeft er een dermate goed gevoel bij dat er grootse plannen gesmeed worden. Men waagt zich zelfs aan lange termijnplanning.
Of dit laatste ook bewaarheid wordt, moet nog afgewacht worden maar Gribbin gaf in de Vooruit het beste van zichzelf. Hij benutte alle kansen om het publiek voor zich te winnen. Handjes schudden, lieve bindteksten, foto's nemen, setlists aan enkele fans uitdelen, zich omheen de  microfoonstandaard kronkelen of tijdens “Original Sin” totaal onverwacht op de balkons van de concertzaal verschijnen en daar het nummer in te zetten, het was allemaal aanwezig.
Maar hoe intens de inspanningen ook waren en hoe begenadigd hij als zanger ook is, de magie die er bij momenten op concerten ten tijde van Hutchence in de lucht hing, kon hij er niet mee terugbrengen. 
Was dit concertavondje INXS dan overbodig te noemen en te herleiden tot een niemendalletje? Dat zeker ook niet. Daarvoor is het songmateriaal te sterk, de muzikanten te ervaren en de gedrevenheid duidelijk nog voldoende aanwezig om INXS anno 2011 te beschouwen als een liveband die zichzelf op een anachronistische wijze staat te plagiëren.   
Bovendien had Gribbin het - en het leek ons inziens zelfs nog oprecht ook - handig aan boord gelegd om af en toe aan de toeschouwers duidelijk te maken niet de betrachting te hebben de reïncarnatie te willen zijn van Hutchence maar integendeel, zich als een overgelukkig, dartel doch nederig jong veulen te voelen die het als een eer beschouwde om met zijn muzikale helden te mogen samenspelen. Kwestie van de laagdrempelige aanleiding tot kritiek alvast handig weg te werken.
Een kritische noot kon er zeker geplaatst worden bij de uitvoering van “Beautiful Girl” waarbij de zang van Gribbin niet goed paste bij het nummer. Hoewel mooi gestart via een door Andrew Farriss bespeelde akoestische gitaar, gingen Tim Farris (elektrische gitaar) en Gary Gary Beers (basgitaar) er een krachtmeting van maken waarbij het lieflijke van het nummer compleet in de vernieling werd gespeeld.
Maar als we de vergelijkingspunten qua vocalen buiten beschouwing laten, waren er toch nog diverse hoogtepunten te beleven. 
Zo blijft “Listen Like Thieves” nog steeds een fantastisch nummer en behoeft “Suicide Blonde” als herkenningsfactor niet meer dan de intro via mondharmonica. Ook mooi om nog eens “Kiss The Dirt (Falling Down The Mountain)” terug te horen waarbij de keyboard van Andrew Farriss mooi correspondeerde met het stevige, simpele maar zo accurate gitaarrifje van Kirk Pengilly. Ook bij “Bitter Tears” bleek elke - hoe sober ook - gitaaraanslag het dragende element te zijn waarbij de piano bespeeld door Andrew Farriss, een mooie aanvulling vormde
“Original Sin” diende ook op het podium nog niks van zijn kracht in te boeten mede door de sterke gitaarpartij van Tim Farriss en de kordate drumslagen van zijn broer Jon. En een uitgesponnen, ritmisch “Devil Inside” deed de titel absoluut alle eer aan door het fraaie, spanning oproepend gitaarwerk van Pengilly, Tim Farriss en Beers. Ook “New Sensation” bleek nog steeds even energiek te zijn via onder meer het aan Nile Rodgers verwante gitaarrifje van Pengilly en bij “Never Tear Us Apart” mocht laatstgenoemde nog maar eens tonen hoe effectief zijn saxofoongeluid is geweest voor de klankkeur binnen INXS.
Meer ingetogen was het nieuwe “Tiny Summer” en eveneens veel rustiger en niet gespeend van enige nostalgie, was de versie van “Don’t Change” waarbij Gribbin het podium verliet om dit vrij te maken voor de originele leden van The Farriss Brothers/INXS. Daarbij konden we ons niet van de indruk ontdoen dat het gemis van Hutchence na al die jaren nog steeds op de gezichten te lezen stond.
Bij de toegiften hoorden een instrumentaal “Drum Opera” (het openingsnummers van de vorig jaar verschenen tribute-plaat 'Original Sin') bespeeld door de drie broers Farriss, een funky “What You Need” waarbij de groepsleden wat met elkaar liepen te dollen (Tim Farriss liep zelfs met een motorhelm op) en uiteindelijk - intussen uitgegroeid tot hét afsluitende nummer bij concerten van INXS - een meer uptempo versie van “Don’t Change”, uitgevoerd door de voltallige bezetting.
Wat INXS afgelopen maandag in de Vooruit liet horen, riep dubbele gevoelens op. Enerzijds viel er niks af te dingen aan het spelplezier dat uitging van de groepsleden die intussen bijna 34 jaar samen zijn (vooral Pengilly liet zich niet onbetuigd) en dit werkte aanstekelijk op het erg enthousiaste publiek. Ook aan hits was geen gebrek en de individuele klasse van het songmateriaal bleef overeind. Zeker als men dan nog bedenkt dat al even boeiende singles als “This Time”, “Baby Don’t Cry”, “The Gift”, “Taste It” of hun debuut 7" Just Keep Walking” uit 1980 in het zomerse Australië waren achtergebleven.

Maar aan de andere kant is het met een nieuwe zanger in de rangen - de titel van de tournee 'Now Playing' (Like You Have Never Seen Them Before) is dus allesbehalve misplaatst -   altijd wennen. Voor degenen die nog te jong waren om halfweg de jaren '80 tot '90 een concert mee te pikken, was het aldus een uitgelezen kans om INXS eens live aan het werk te zien (in een gezellige zaal). Fans van het eerste uur daarentegen zullen blijven hunkeren naar de periode Hutchence. Of om het met een tekstfragment van Bram Vermeulen uit te drukken: "Het is een wedstrijd die niemand winnen kan". Ook een zanger als Gribbin niet. 

Setlist :
Communication, Mystify, Heaven Sent, Suicide Blonde, Disappear, Not Enough Time, By My Side, Listen Like Thieves, Beautiful Girl, Tiny Summer, Kiss The Dirt (Falling Down The Mountain), Bitter Tears, Don't Lose Your Head, Elegantly Wasted, Don't Change (excl. Ciaran Gribbin), Original Sin, Devil Inside, Need You Tonight, New Sensation, Never Tear Us Apart
Drum Opera, What You Need, Don’t Change

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/inxs-12-12-2011/

Organisatie: Live Nation


Cactusfestival Brugge 2011: zondag 10 juli 2011 - Junip, Iron & Wine en Mogwai bezorgden Brugge de mooiste verjaardagsgeschenken
Toen we afgelopen zondagmiddag het Brugse Minnewaterpark betraden om ons op te maken voor de derde en afsluitende dag van het Cactusfestival merkten we op dat er al veel vroege vogels aanwezig waren en dan hadden we niet meteen onze gevederde vrienden in het vizier maar wel het aantal toeschouwers op die er op tijd bij waren om de eerste groep aan het werk te zien.

Intergalactic Lovers (***)
Verwonderlijk was de mooie opkomst op het vroege uur niet want met Intergalactic Lovers  stond één van dé Belgische beloftes op het podium. Sinds hun op diverse rockconcours bijeengesprokkelde overwinningen en hun eerder dit jaar uitgebrachte debuutalbum ‘Greetings And Salutations’, gaat hun naam vlot over de tongen en dit is ook de programmatoren van clubs, concertzalen of festivals niet ontgaan. Het aantal evenementen waar Intergalactic Lovers niet present tekenen, is wellicht op één hand te tellen.
Ook in Brugge klonk de bij wijlen donkere, dromerige en sensuele indiepop en –rock mede door vooral de aan Leslie Feist en Chan Marshall (Cat Power) verwante vocalen van de in het oog springende frontvrouw Lara Chedraoui overtuigend. Het openingsnummer van hun debuut, « Shewolf », was meteen ook het startschot van hun set en Chedraoui leverde geruggensteund door Maarten Huygens (gitaar), Raf De Mey (basgitaar) en Brendan Corbey (drums), een mooie prestatie af. Onder meer de singles « Fade Away » en « Delay » werden gezwind gebracht en vooral bij laatstgenoemde was de aanleiding tot heupwiegen laagdrempelig van aard.
De toekomst van deze vanuit Aalst opererende groep oogt veelbelovend.

Junip (****)
José González, de in Zweden geboren zanger met Argentijnse ouders heeft van eenvoud en soberheid zijn handelsmerk gemaakt. Met behulp van een akoestische gitaar, zachte vocalen en sporadisch wat geringe percussie heeft hij – mede door een Sony reclamefilmpje – harten over de hele wereld veroverd. Getuige vooral zijn totaal uitgeklede akoestische versie van « Hartbeats », oorspronkelijk uitgebracht door zijn landgenoten The Knife.
Mede door zijn crescendo gaande solocarrière dienden de activiteiten van zijn oorspronkelijke groep Junip waarvan González samen met Tobias Winterkorn (keyboards) en Elias Araya (drums) deel uit maakte, enkele jaren op non-actief gezet te worden. Pas vijf jaar na het debuut, de EP ‘Black Refuge’, verscheen vorig jaar dan toch het prachtige fullalbum ‘Fields’.
Er zou zelfs een tournee aan gekoppeld worden maar het Europese luik ervan, inclusief het geplande concert in februari van dit jaar in De Kreun in Kortrijk, diende noodgedwongen geannuleerd te worden ingevolge oververmoeidheid bij González.
Maar intussen gaat het met hem al heel wat beter want we zagen González enkele maanden terug aangevuld door het ensemble ‘The Göteborg String Theory’, nog schitteren als afsluiter van het Domino festival in de Brusselse AB.
En meer zelfs, voor wat betreft Junip kreeg ons land een herkansing doordat zij deze zomer niet alleen op Les Ardentes zouden aantreden maar daags nadien ook op het Cactusfestival geprogrammeerd stond.
Op het podium bleek het trio uitgebreid te zijn tot een vijftal en waar González doorgaans concerteert
in zijn typische introverte houding, deels voorovergebogen over zijn akoestische gitaar, bleek hij de nummers van Junip rechtopstaand uit te voeren en oogde hij zelfs erg opgewekt.
De extra inkleuring via percussie, synthesizer, moog, basgitaar en al dan niet elektronische drum gaf de nummers extra cachet. « Without You » klonk Oosters en bezwerend, « Far Away » was bijzonder ritmisch en « Always » voelde erg zomers aan en nodigde het publiek uit om languit en wegdromend in het park te gaan liggen. Waarop een deel van het publiek de daad bij de gedachte voegde. « In Every Direction » was dan weer een erg expressieve afsluiter met bepalende piano- en synthesizerklanken.
De groep speelde secuur en had duidelijk oog voor details, te rekenen vanaf iedere intro tot en met de bijhorende outro. Dit leidde tot een set die in alle betekenissen af was en Junip zorgde daarmee voor een eerste hoogtepunt van de nog prille dag.

Staff Benda Bilili (****)
Veel minder ingetogen maar des te uitbundiger en feestelijker ging het er na aan toe met het  Congolese Staff Benda Bilili. De kern van deze formatie bestaat uit mindervalide muzikanten die ingevolge polio gedwongen zijn tot een bestaan in een rolstoel of zich dienen te behelpen van krukken. Omdat geen enkele andere groep hen wou, besloten ze samen te spelen en werden ze omringd door enkele jongelingen die het harde straatleven van Kinshasa probeerden te ontvluchten. Eén van hen is Roger Lunda die via het bespelen van de zogenaamde Satongé, een zelfgemaakt instrument louter bestaande uit een blik met daaraan verbonden een stukje hout en één gitaarsnaar, sterk bepalend is voor het geluid van de groep.
Mede door Vincent Kenis, gespecialiseerd in Congolese muziek, werd hen de mogelijkheid geboden een album, getiteld ‘Très Très Fort’ (2009), te maken in de zoo van Kinshasa en deze  te laten verspreiden via Crammed Discs. De documentaire ‘Benda Bilili!’ die vorig jaar in de selectie van het Cannes filmfestival werd opgenomen, bezorgde hen een terechte en grotere  bekendheid.  
Vooraleer u als lezer denkt dat een concert van Staff Benda Bilili een meelijwekkende aanblik biedt, geven we meteen mee dat de groepsleden steevast het tegendeel bewijzen door met een brede glimlach en een ferme dosis expressie te musiceren aan de hand van - wegens geldgebrek - primitief ogende instrumenten. Dit alles werkt aldus zo aanstekelijk dat het hen na onder meer eerdere passages op enkele festivals wereldwijd, waaronder ook  Couleur Café van vorig jaar, weinig moeite koste om ook Brugge te laten onderdompelen in de rijkelijke combinatie van Congolese rumba, blues, funk en reggae.

Joan As Police Woman (***)
Ook de Amerikaanse Joan Wasser kende haar portie ongeluk toen haar toenmalige vriend, zanger en liedjesschrijver Jeff Buckley, na een zwempartij in de Mississippi vroegtijdig het tijdige voor het eeuwige diende te verruilen.
Na dit verlies maakte ze onder meer deel uit van Antony and the Johnsons en begeleidde ze ook Rufus Wainwright maar ze vond stilaan haar eigen weg en is sinds enkele jaren een eigen carrière aan het uitbouwen onder de artiestenbenaming Joan As Police Woman. Na eerder ingetogen platen als ‘Real Life’ (2006) en ‘To Survive’ (2008) verscheen dit jaar het hoopvolle en opgewekte ‘The Deep Field’ (2011). Daarop kiest ze ook voor een meer uitgebreide instrumentatie en gaat ze tevens meer de blues- en soulsfeer opzoeken.
En dit vormde ook de rode draad doorheen haar concert in Brugge. Of moeten we zeggen ‘witte draad’ want het trio trad nagenoeg helemaal in het wit op.
« The Action Man » klonk nog wat aarzelend maar met « Magic », « Chemmie » en « Flash » werd dit helemaal weggewerkt. Wasser bespeelde deels gitaar deels keyboards en klonk erg zelfverzekerd. Er werd ook ruimte vrijgemaakt voor interactie met het publiek, getuige het feit dat toen een fan een bordje omhoog hield met daarop gepend - zinspelend op haar artiestennaam - de boodschap dat hij schuldig was en ze hem in de handboeien mocht slaan, repliceerde dat hij haar maar beter niet uitdaagde. Ondertussen knipoogde ze naar haar begeleiders van dienst, drummer Parker Kindred en toetsenist Rob Gentry.
De stemvervormer waarvan ze op geregelde tijdstippen gebruik maakte, had voor ons echter niet gehoeven. Gelukkig waren er ook nog sporen terug te vinden van de melancholie van weleer en als dit werd gecombineerd met een hoeveelheid zachte soul gaf dit mooie resultaten zoals bij « Kiss The Specifics » en « Save Me » (opgedragen aan alle vrouwen, en dit naar aanleiding van het feit dat Snoop Dogg op Les Ardentes – waar Joan As Police Woman ook had opgetreden – opmerkelijke vrouwen bij zich had).
Nadat ze heel wat mensen uit haar entourage en de platenfirma dankte, sloot ze haar set met een strak en stevig « I Say Yes » af.

Gentleman & The Evolution (**)
Veel minder overtuigend was het concert van Gentleman & The Evolution. Frontman Tilmann Otto uit Duitsland houdt vooral van reggae en dancehall en wil dit aan de gehele wereld kenbaar maken. Alleen was het jammer dat dit alles nogal klinisch en te gepolijst klonk om te bekoren en daarbij heel wat goedkope clichés en te gekende gadgets uit de kast werden gehaald die het verjaardagsfeestje van Cactus – het festival was aan zijn dertigste editie toe -  geen extra glans verschaften. Vragen om met de handjes te zwaaien (had Regi Penxten daar geen eigendomsrecht op verworven?) en de oproep om het gebruik van marihuana te legaliseren, klonken iets te geprogrammeerd in de oren. Het gevolg was dat de door Otto geliefkoosde verruimende middelen hun doel voorbijschoten (of in casu –rookten) en dat behalve de eerste rijen het overgrote deel van het park verstoken bleef van de lust- of roesopwekkende effecten die de formatie hoopten te brengen.
Tilmann Otto kwam de plaat ‘Diversity’ voorstellen maar de diversiteit bleef uit. Ook de achtergrondzangeressen die met hun vocalen wat extra gelaagdheid aanbrachten konden de balans niet naar het positieve doen overhellen.

Iron And Wine (****)
Neen, dan kon het concert van Iron And Wine veel meer bekoren én verrassen. Want deze groep onder aanvoering van Samuel Beam, een Amerikaanse singer-songwriter, onderging de jongste jaren een opvallende gedaantewisseling. Zo is er sinds de plaat ‘The Shepherd’s Dog’ (2007) geen sprake meer van loutere lo-fi miniatuurtjes maar wordt gebruik gemaakt van een uitgebreider instrumentarium, een gegeven dat zich helemaal doorzette op de recentste plaat ‘Kiss Each Other Clean’ (2011).
Ook op het podium werd dit nog eens onderstreept en zelfs geaccentueerd doordat Beam met acht begeleidende muzikanten optrad. Dit bezorgde het songmateriaal een vollere en rijkelijkere klank. En dit pakte goed uit.
Een opvallende rol was er weggelegd voor de saxofoon of klarinet die bijvoorbeeld een mooie aanvulling vormde voor de twee achtergrondzangeressen tijdens « Summer In Savannah » of  « House By The Sea » met samenwerking van enige drums en percussie een mooi ritme aanmat.
Andere hoogtepunten waren onder meer « Walking Far From Home », het rustige « My Lady’s House » en « Wolves (Song Of The Shepherd’s Dog) » waarbij volgend op een subtiele intro een lang uitgesponnen instrumentaal tussenstuk, voorzien van elektronica, stevige gitaarpartijen en bijhorende wah wah effecten, zich aanbood maar de groepsleden er toch in slaagden om uiteindelijk het nummer in alle rust een zachte buiklanding te laten maken.
De passage van Iron And Wine was er eentje voor de fijnproevers.

Arsenal (***1/2)
Als u weet dat onze Belgische Arsenal in april van dit jaar in een mum van tijd vijfmaal de Brusselse AB liet vollopen nog vooraleer de nieuwe plaat ‘Lokemo’ het daglicht zag, zal het u wel aannemelijk klinken dat de groep rondom het producersduo Hendrik Willemyns en John Roan weinig of geen introductie behoeft.
Wat kan gezegd worden voor Intergalactic Lovers geldt evenzeer voor Arsenal. Tenzij u deze zomer een wereldreis maakt of blijft opboksen tegen een onoverwinnelijke festivalvrees, is de kans dat u als muziekliefhebber de groep ergens op een podium mist, nagenoeg onbestaande.
En waarom zou u ze eigenlijk willen ontlopen? Hun mix van warme, exotische en opzwepende geluiden en ritmes leunen zich uitstekend om live te brengen. En wat de groep zondag op de planken tentoon spreidde, vormde hierop geen uitzondering. Er mocht gedanst worden en naar believen gebeurde dit ook massaal bij nummers als « Estupendo », « Personne Ne Bouge », « Lokemo », « Saudade » (opgedragen aan Mario Vitalino Dos Santos die zich in het publiek zou hebben bevonden) of de nieuwe klassieker in wording « Melvin ».
Ook bij « Mr. Doorman » (met een mooie elektronisch intro die donderslagen imiteerden) en « One Day At The Time » was het een hele opgave om stil te blijven staan.
In tussentijd was er ook ruimte voor wat rustigere passages in de vorm van « Pacific » en « High Venus » uit de nieuwste plaat en voor een stevige versie van « Longee » met puik gitaarwerk van Bruno Fevery.
Arsenal kwam, speelde maar overwon net niet helemaal. Net als bij de gelijknamige Engelse voetbalclub die jaar na jaar bij de aanvang van de competitie in de Premier League als  gedoodverfd titelkandidaat naar voor wordt geschoven maar uiteindelijk de beker met de grote oren toch ziet ontglippen, was dit met ons muzikaal uithangbord niet anders. De groep leek ons iets te gretig om er een echt feest van te maken en draaide het geluidsvolume van de instrumenten aanvankelijk dermate open dat de mooie stem van Leonie Gysel hierdoor ongelukkig overspoeld werd en wat naar de achtergrond verdween.
Was dit erg? Neen. Zette dit een domper op de feestvreugde? Helemaal niet. Bovendien werd dit euvel na enkele nummers rechtgezet en vormde het slechts een detail in een voor de rest voortreffelijk concert waarbij deze keer geen beroep werd gedaan op enige gastzangers. Het  was louter net niet voldoende om de vier sterren binnen te rijven. Maar ach, niemand die daar wakker van zal liggen.

Mogwai (****)
Met het in 1995 opgerichte Mogwai als absolute headliner naar voor te schuiven hadden de organisatoren van het Cactusfestival het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. De Schotten mogen weliswaar rekenen op een trouwe aanhang maar grote bekendheid genieten ze nog niet bij het doorsnee publiek. Bovendien brengen ze een instrumentale postrock (enkele uiterst spaarzame door vocoder gestuurde vocalen buiten beschouwing gelaten) die melodieus maar bovenal loeihard gespeeld wordt en die aldus geen hapklare brok vormt.
Bovendien hadden ze hun reputatie in Brugge wat tegen want hun vorige passage op het Cactusfestival in 2007 was geen onverdeeld succes. Als vervanger van The Explosions In The Sky hadden ze toen af te rekenen met enkele technische problemen en waren ze duidelijk geïrriteerd door het feit dat tijdens hun concert The Gotan Project hun decor reeds aan het opbouwen waren.
Van dit laatste hadden ze deze keer dus geen last en ook de setting beviel hen uitstekend (zo lieten ze duidelijk verstaan dat ze verheugd waren om in het Minnewaterpark te mogen vertoeven en aldus hun support voor Skunk Anansie op het voormalige industrieterrein van het Neapolis Festival in Napels de avond ervoor, naar de vergetelheid konden spelen).
Het publiek reageerde erg enthousiast en de gevreesde uittocht kwam er niet. Heel wat mensen lieten zich onderdompelen in de bij momenten sferische wereld van Mogwai. En wie er bij was, zal het beamen:
Mogwai was op dreef, leidde elk nummer geduldig naar een  climax en leverde een glansprestatie af. Ook bewees het vijftal dat ze zichzelf met hun zevende, begin dit jaar uitgebrachte studioplaat ‘Hardcore Will Never Die, But You Will’ – hoe minutieus soms ook – blijven vernieuwen. Met recht en rede mogen ze dan ook nog steeds als vaandeldragers van de postrock beschouwd worden.

Samengevat vormden ons inziens op de afsluitende dag Junip, Iron And Wine en Mogwai de lekkerste kersen op de verjaardagstaart van het Cactusfestival editie 2011. Maar worstelt u met het antwoord op de zomervakantiepuzzel “Waar is dat feestje?” en dient een zevenletterwoord beginnende met een ‘A’ ingevuld te worden waarbij u als gouden tip meekrijgt: ‘bekende Londense voetbalclub spelend in rode uitrusting’, dan zouden wij u ten stelligste aanraden ‘Arsenal’ in te vullen. Gegarandeerd dat u in de prijzen valt.

Wie zich sowieso ook tot winnaar mochten kronen, zijn de mensen van het Cactus Muziekcentrum. Ondanks een grote concurrentie (datzelfde weekend vond ook Rock Zottegem en Werchter Classic plaats, alsook mocht er enkele dagen vooraf nog stevig in de portefeuille of portemonnee getast worden wou men ook de passage van Prince op het Gentse Sint-Pietersplein niet missen) blijven ze er in slagen om een mooie en opvallend gevarieerde affiche samen te stellen en mogen de ticketprijzen nog steeds als democratisch beschouwd te worden. Zeker als men voor ogen neemt dat er aan de bezoeker nog niks aangerekend wordt voor de gezellige sfeer en ontvangst, de kindvriendelijkheid en de prachtige locatie. Men moet het maar kunnen !

Organisatie: Cactus Club, Brugge

Toen vanaf de tweede helft van de jaren ’70 de punk als muziekstroming en sociaal verschijnsel ook zijn sedimenten achterliet op de Limburgse alluviale vlakten, zagen De  Brassers daarin de geschikte voedingsbodem om er vanuit Hamont muzikaal mee aan de slag te gaan. Ze lieten zich niet enkel beïnvloeden door groepen als de Sex Pistols, The Damned of The Clash maar vonden eveneens inspiratie bij Joy Division, PIL, Cabaret Voltaire en Fad Gadget. Mede hierdoor vermengden ze hun geluid met new- en coldwave, combineerden dit met een grote dosis anarchistische ingesteldheid en dit alles leidde ertoe dat zowel de teksten als de klank even rauw als gitzwart kleurden als de schachten van de in die periode reeds tanende koolmijnen.
Amper drie jaar, van 1979 tot 1982, bestond deze Belgische groep. Onder meer een reeks problemen naar aanleiding van verdovende middelen lagen aan de basis van de split. Niettemin volstond die korte periode om enkele ondergrondse classics op hun naam te schrijven met wellicht als bekendste resultaat “En Toen Was Er Niets Meer” (1980).
Jarenlang vertoonde de groep geen teken van leven meer maar na ruim vijftien jaar waren de Brassers opnieuw her en der op een podium te bespeuren. En hun aanhang is zeker nog even trouw getuige het feit dat de eind vorig jaar op het lovenswaardige platenlabel OnderStroom Records uitgebrachte gelimiteerde vinylcompilatie ‘De Brassers 1979-1982’, reeds helemaal uitverkocht is. De Balzaal van de Vooruit liep afgelopen vrijdag niet vol maar deels had dit natuurlijk ook te maken dat de groep begin deze maand in de AB het voorprogramma mocht vervullen van één van voormelde inspiratiebronnen, namelijk P.I.L., en dat niet iedereen nu nogmaals de verplaatsing richting Gent maakte.
De Brassers lieten het niet aan hun hart komen en speelden als vertrouwd met naar eigen zeggen de ingesteldheid dat ‘de hunker naar de vibe van het spelen groter is dan de hunker naar erkenning’. Oudgedienden Willy Dirkx (gitaar), Marc Haesendonckx (basgitaar) en de nog steeds hyperkinetische zanger Marc Poukens die heden ten dage worden bijgestaan door Erwin Jans (ex-Struggler) op drums, Joachim Cohen (o.m. Infernal Beauty) op keyboards en Willy’s zoon Jules op gitaar, slaagden er op een intense en doordringende wijze in om het publiek via pakweg het reeds vermeldde “En Toen Was Er Niets Meer” en het al even sterke “Kontrole” mee te nemen op een retrotrip zonder gedateerde bijwerkingen.

Al even sterk geënt op de punk als de Brassers zijn de in 1985 opgerichte The Godfathers. Deze Engelse groep met in de rangen de twee broers Peter (zang) en Chris (basgitaar en zang) Coyne ontstond uit de as van het cultgroepje Sid Presley Experience en leverde in de jaren ’80 met ‘Hit By Hit’ (1986) , ‘Birth, School, Work, Death’ (1988) en ‘More Songs About Love And Hate’ (1989) drie uitstekende albums op een rij af. Ook het daaropvolgende ‘Unreal World’ (1991) was van even hoogstaande makelij hoewel sommige puristen de afgelijnde productie laakten.
Van dan af verliep het heel wat moeilijker. Er werden personeelswissels doorgevoerd en ook het succes bleef wat uit. Maar in 2008 maakten The Godfathers evenwel van de gelegenheid gebruik om naar aanleiding van de heruitgave van hun debuut ‘Hit By Hit’ in originele line-up een reeks concerten te geven die hen onder meer ook naar de Gentse Handelsbeurs brachten. Lang duurde de hereniging niet want amper een jaar later verlieten gitaristen Kris Dollimore en Mike Gibson alsook drummer George Mazur opnieuw de groep en hun plaats werd ingenomen door De Bartle (gitaar, zang en ex-lid van de Sid Presley Experience) en nieuwkomer Grant Nicholas (drums, percussie en zang). En in die opstelling traden ze in de Vooruit ook aan.

Vanaf het begin van de set werd duidelijk dat The Godfathers noch hun oorsprong noch hun voorbeelden zouden verloochenen. Zo lieten ze meteen de Sid Presley Experience als een feniks verrijzen via het instrumentale openingsnummer “Public Enemy Number One” (ook “Hup Two Three Four” zou de revue passeren) en tijdens “When Am I Coming Down” werden flarden tekst van onder meer “Strawberry Fields Forever” (The Beatles) en “Lazy Sunday” (Small Faces) binnengesmokkeld. Het tot dusver enkel op de liveplaat ‘Shot Live At The 100 Club’ (2010) terug te vinden “I Can’t Sleep Tonight” vertoonde dan weer niet enkel de kenmerken van maar werd zelfs geheel opgedragen aan de Ramones (wiens “Blitzkrieg Pop” The Godfathers trouwens ook nog eens door de luidsprekers lieten schallen vooraleer aan hun concert te beginnen).
De punk(rock) verpakt in drieminutensongs, primeerde. Ruimte voor lang uitgesponnen nummers werd nauwelijks gecreëerd. “Cause I Said So”, “Just Because You’re Not Paranoid Doesn’t Mean To Say They’re Not Going To Get You!” en “This Damn Nation” waren puntig en bij momenten snediger dan een goed geslepen keukenmes. Maar ook de nummers “Back Into The Future” en “The Outsider” die zullen prijken op een album dat mag verwacht worden in de loop van de maand september, vertoonden dezelfde tekenen van rauwheid.
Toen de groep toch eens een zijstapje waagde naar bijvoorbeeld rockabilly leidde dit meteen tot hoogtepunten, zoals bij de publiekslieveling 3Walking Talking Johnny Cash Blues” (waarbij meteen ook duidelijk is aan wie deze ode gericht is) en bij “Brand New Cadillac” (een cover van Vince Taylor en tevens bekend in de versie van The Clash).
Ook “She Gives Me Love” voorzien van een mooi gitaarrifje, wat tamboerijn en samenzang en “If I Only Had Time” met een combinatie van hardere rock en melodieuze vocalen klonken fraai.
Net voor de toegiften stond het onvermijdelijke en uitmuntende “Birth, School, Work Death” (voorzien van een valse start omdat tot groot jolijt van de groepsleden Chris Coyne een verkeerde noot aansloeg) geprogrammeerd en een in hogere versnelling gespeelde versie van John Lennon’s “Cold Turkey” fungeerde als gebalde afsluiter.
Net zoals vijfentwintig jaar geleden waren de donkere maatpakken – die door de paar kilootjes extra die ze anno 2011 moeten torsen, strakker dan ooit oogden - nog steeds het handelsmerk van de groep waarmee een nadrukkelijk contrast werd beoogd met het ongeborstelde van de muziek.
Ook de nuchterheid bleek nog even intact te zijn gebleven. Zo werd enkele malen “Unreal World” als verzoeknummer aangevraagd waarop Peter Coyne met de woorden “We Don’t Play What You Want But What You Need” kordaat liet verstaan hier niet te willen op ingaan om zich vervolgens toch te verontschuldigen voor de botte houding. Waarmee nog eens onderstreept werd dat punk(rock) spelen bij The Godfathers geen synoniem is om zich aldus ook zo te gedragen.

De eindbalans van het voor België exclusieve concert van The Godfathers is zeker positief te noemen maar het geheel liet niet een even onuitwisbare indruk na als tijdens hun eerste passage in ons land, namelijk op het Futurama festival in Deinze. En dit is alweer van 31 oktober 1987 geleden.

Setlist
Public Enemy Number One, I Want Everything, Cause I Said So, I Can’t Sleep Tonight, Love Is Dead, Just Because You’re Not Paranoid Doesn’t mean To Say They’re Not Going To Get You!, Strange About Today, She Gives Me Love, When Am I Coming Down, This Is War, Lonely Man, Back Into The Future, Walking Talking Johnny Cash Blues, How Low Is Low, Hup Two Three Four, This Damn Nation, Birth, School, Work, Death
The Outsider, If I Only Had Time, Brand New Cadillac, Cold Turkey

Organisatie: Amusez-Vous
(New-Wave-Classix)

Met het zopas uitgebrachte ‘The Last Night On Earth’ heeft de Londense formatie Noah And The Whale een derde koerswijziging in evenveel albums doorgevoerd. Waar de debuutplaat ‘Peaceful, The World Lays Me Down’ uit 2008 (met het aanstekelijke, zomers getinte « 5 Years Time » als exponent) gekenmerkt werd door een mix van pop, rock en een stevige dosis folk, stond opvolger ‘The First Days Of Spring’ (2009) bol van cinematografisch uitgedrukt gemis, verdriet en dramatiek. De aanvankelijke optimistische, lichtvoetige teksten en voortgebrachte klankkleur via onder meer akoestische gitaar, ukelele en handgeklap hadden daarbij plaats gemaakt voor een spaarzame elektrische gitaar, een weemoedig klinkend piano, strijkers en een zangkoor met daartussen de donkere vocalen van zanger/gitarist en tekstschrijver Charlie Fink.
De ommezwaai kwam er niet zozeer omwille van enig gebrek aan succes (het debuut was meteen goed voor een top 10 notering in eigen land) maar situeerde zich eerder op het gevoelsmatige. Want op dat vlak heeft Charlie Fink het de voorbije periode niet onder de markt gehad.
Toen zijn broer, steun en toeverlaat Doug uit Noah And The Whale stapte om zich toe te leggen op een professionele loopbaan als arts maar vooral ingevolge het feit dat  voorafgaand hieraan groepslid Laura Marling niet alleen voor een solocarrière opteerde maar daarbij ook een punt zette achter haar jarenlange relatie met Fink, bleef deze met een gebroken hart achter en kon hij dit enkel verwerken door alles van zich af te schrijven. Het muzikale werkstuk dat hieruit voortvloeide, was weliswaar prachtig (uw recensent van dienst plaatste dit trouwens bovenaan het lijstje van beste albums uit 2009) maar als we de groep vorig jaar in Frankrijk zagen concerteren, konden we ons niet van de indruk ontdoen dat ondanks de goede optredens, Fink zich afstandelijk opstelde en een zekere tristesse bleef uitstralen.

Maar kijk, amper een jaar verder blijkt op de nieuwe plaat optimisme de hoofdtoon te voeren.  Dit wordt geëtaleerd in een uitgebreidere instrumentatie via o.m. het toevoegen van synthesizers en wat gospel (Jen Turner van Here We Go Magic en de Water Sisters die indertijd te horen waren op Michael Jackson’s « Wanna Be Startin’ Somethin’ » verzorgen onder meer de vocalen). Mede daardoor wordt ook een ander, meer gepolijst en radiovriendelijk geluid gecreëerd dat in de pers en bij de fans op gemengde gevoelens onthaald werd. Hoe dan ook, van het star vasthouden aan één enkele succesformule kan men Noah And The Whale niet beschuldigen en bovendien kan men niet om de knappe melodieën en het tekstschrijverschap van Fink heen.
Voor het eerst besloot Fink vanuit de derde persoon te schrijven en is ‘The Last Night On Earth’ minder autobiografisch te noemen. Het thema van de plaat is de onbegrensde mogelijkheid die de nacht biedt, alsook de opwinding en vrijheid om te veranderen en aldus een nieuwe persoon te worden.
Tekstueel worden daarbij « Bone Machine » van Tom Waits en « Berlin » en « New Sensations » van Lou Reed als invloeden naar voor gebracht en qua productie haalt Fink geregeld in interviews platen als ‘Before And After Science’ en ‘Another Green World’ van Brian Eno, ‘Calling Out Of Context’ van Arthur Russell en ‘Dirty Mind’ van Prince aan.
Dé referentie vormt evenwel het gedicht ‘The Laughing Heart’ van Charles Bukowski en de zin “Your life is your life, know it while you have it” in het bijzonder. Er wordt aangeraden te leven alsof het de laatste nacht op aarde is.

Vanaf de aanvang van hun concert afgelopen dinsdag in een uitverkochte AB Club, stond Noah And The Whale inderdaad te musiceren alsof het hun ultieme vertoning zou worden. Gezwind, vol overgave en bijzonder uitgelaten werden de nummers hoe divers ook van aard, gepresenteerd.
De sfeer op als voor het podium zat er meteen goed in met heel wat lachende gezichten. Dit werd tijdens het optreden onder meer onderstreept tijdens een opzwepende uitvoering van « Love Of An Orchestra » via samenzang, viool (bespeeld door Tom Hobden), piano (via Fred Abott) en gerichte drumslagen (van de 21-jarige nieuweling Michael Petulla) dat enthousiast door het publiek werd onthaald en het nummer via ritmisch handgeklap begeleidde.
De meeste groepsleden waren getooid in strakke pakken met dito das en leken hiermee het frivole en nieuwe nog extra in de verf te willen plaatsen. Dit werd nog aangewakkerd door de klankkleur van de recentste plaat live niet te behouden maar eerder te opteren voor een meer algemeen rockgetint geluid met daarbij enkele keyboards die niet zozeer prioritair maar wel complementair aangewend werden.
Waar bijvoorbeeld « Tonight’s The Kind Of Life », dat de volgende single zal worden, op de nieuwe plaat nog associaties oproept met Bob Seger of Tom Petty, leek de in de AB Club uitgevoerde versie meer te refereren aan Bruce Springsteen of op kleinere doch niet minder beminde schaal aan Steve Wynn.
Door de aanpak klonk de groep overwegend eerder Amerikaans dan Brits. Zonder haar eigenheid te verliezen, kon het swingende en melodieuze « Waiting For My Chance » van de hand van Wilco geweest zijn, « Rocks And Daggers » begon net als op de debuutplaat folky mede door de vioolpartij van Hobden maar mondde na enkele tempowisselingen uit in southern en countryrock die niet zou misstaan bij Drive-By Truckers (evenals het bijzonder snedige « Shape Of My Heart ») en « My Door Is Always Open » was dan mede door de slide van Fred Abott, een secuur bespeelde basgitaar door  Matt ‘Urby Whale’ Owens en vooral de samenzang, in het fraaie straatje van The Low Anthem terug te vinden.
In het verlengde van laatstgenoemde nummer was er ook ruimte voor enkele fraaie rustige passages tijdens de zoals – een overigens spraakzame – Fink liet weten “Romantic section of the show”. Zo werd de akoestische gitaar bovengehaald en de lichten gedoofd bij het breekbare « I Have Nothing » en bij het prachtige « Wild Thing » werd met behulp van een vleugje elektronica, een Chris Isaak aandoend gitaarrifje en spanning brengende viool de warme voorzomerse bries die buiten heerste, muzikaal de zaal ingeblazen.
De reguliere set werd afgesloten met het indrukwekkende « The First Days Of Spring » dat via een paukenintro, viool en een aanvankelijk spaarzame doch crescendo gaande gitaar de zwaarmoedige sfeer van het gelijknamige album perfect naar voor bracht. Mede door een uitgesponnen outro leek zowaar postrock zich onderhuids de groep te willen nestelen.

Drie toegiften volgden nog. Vooreerst kwam er ons met het broze en ingetogen « Old Joy » een nieuw hoogtepunt ter ore om vervolgens plaats te maken voor de huidige single « L.I.F.E.G.O.E.S.O.N » -  perfect op maat gemaakt voor het komende festivalseizoen -  en het onvermijdelijke « 5 Years Time » dat ietwat te overhaast en enkele kleine slordigheden bevattende na 1u20’ een einde maakte een bijzonder aangenaam concert waarbij Noah And The Whale veel hechter en op alle vlakken pakkender uit de verf kwam dan bij hun passage vorig jaar.

In het voorprogramma stond niet de in eerste instantie aangekondigde Hannah Peel (die naar de Botanique verhuisde) maar wel het jonge Britse groepje Exlovers. In onze contreien nog vrij onbekend maar via hun combinatie van shoegaze en dreampop zijn muzikale gelijkenissen met pakweg Teenage Fanclub, Lush of The Pains Of Being Pure At Heart nooit ver weg. Mede door de samenzang tussen Peter Scott (zanger/gitarist) en Laurel Sills (zangeres/ keyboards) klonken nummers als « Silhouette », « Unlovable » en « Clouds » lieflijk terwijl de huidige single « Blowing Kisses » gekenmerkt werd door het snelle drumgeroffel van Brooke Rogers. Vernieuwend noch wereldschokkend maar een niet onaardige opener.

Setlist :
Give A Little Love, Blue Skies, Tonight’s The Kind Of Night, Give it All back, Love Of An Orchestra, Just Me Before We Met, Life Is Life, Jocasta, The Line, I Have Nothing, My Door Is Always Open, Wild Thing, Rocks And Daggers, Shape Of My Heart, Waiting For My Chance, The First Days Of Spring
Bis: Old joy, L.I.F.E.G.O.E.S.O.N., 5 Years Time

Organisatie: Ancienne Belgique, Brusse


Domino 2011 - José González - Domino met behulp van Zweedse strijkkunst netjes opgeborgen
Domino 2011 - José González & The Göteborg String Theory

In februari van dit jaar bleven onze muziekgevoelige oren noodgedwongen verstoken van een gepland concert van het Zweedse Junip in De Kreun, Kortrijk. Deze groep bestaande uit het trio Tobias Winterkorn (keyboards), Elias Araya (drums) en José González (zang en gitaar) diende namelijk verstek te laten gaan voor haar Europese tour ingevolge oververmoeidheid bij González.

Gelukkig hebben de curatieve maatregelen hun uitwerking niet gemist en de reeks afgelastingen impliceerde geen afstel doch louter uitstel want intussen werd voor ons land Junip aan de affiche van het komende Brugse Cactusfestival toegevoegd en ook de AB liet zich niet onbetuigd want zij besloten om – de présence van de Japanse noisegod Merzbow in de Club eventjes buiten beschouwing gelaten - José González als afsluiter van de 15de en tevens allerlaatste editie van het Domino festival te laten fungeren. Als kers op de taart zou hij daarbij bijgestaan worden door het ensemble The Göteborg String Theory.

Om de avond passend in te leiden, werd het publiek afgelopen dinsdag getrakteerd op de vertoning van ‘The Extraordinary Life Of José González’, een mooie documentaire in een regie van Mikel Cee Karlsson en Frederik Egerstrand die gebruik makend van videodagboeken, animaties en studio-, thuis- en concertopnames een inkijk biedt in het leven, werk en denken van de mens/artiest González. Treffend was te zien hoe groot en confronterend het contrast is tussen de extase en drukte van optredens tegenover het veelal  eenzame bestaan van een muzikant die twijfelend en vol verwondering op zoek blijft gaan naar de nodige creativiteit.

Ook eenzaam en alleen maar dan op de planken van de AB, verscheen daarna Little Scream of het alter ego van de Canadese zangeres en liedjesschrijfster Laurel Sprengelmeyer. Met een zopas uitgebracht eerste album genaamd ‘The Golden Record’ op haar actief en een gitaar onder de arm bracht ze een korte set die slingerde tussen nerveuze en uitbundige rock (“Cannon”) en intieme luisterliedjes (het folkgetinte “The Heron And The Fox”). Daarbij bleek de muziek van Sprengelmeyer thuis te horen in het lijstje vrouwelijke artiesten als daar zijn Lisa Germano, Joan Wasser, Leslie Feist, St. Vincent en PJ Harvey.
Tijdens de opnames van de plaat kon Sprengelmeyer rekenen op de medewerking van leden van onder meer Thee Silver Mount Zion, Stars, Arcade Fire alsook van The National en in de AB misten we vooral tijdens de zachtere nummers deze omkadering. Tevens ging de vaart er geregeld uit doordat er ter plaatse heel wat gegoocheld en geknutseld (en soms ook gestunteld) werd bij het vinden van de juiste akkoorden, het toevoegen van vocale effecten en het in de maat ritmisch voetstampen.
Veel werd dan weer goedgemaakt door het ontwapende die uitging van de attitude van Sprengelmeyer én van het feit dat zij bleek te beschikken over heel wat zelfrelativerende humor. Zo stelde ze haar metgezel Casio SK1, een polyfonische synthesizer die één luttele sample in het geheugen kan opslaan en die in het jargon ook wel eens als de ‘arme man sampler’ door het leven gaat, voor als ‘the smallest band of the World’. Het al talrijk aanwezige publiek dat duidelijk het zachtgevooisde van de muziek van González doortrok in haar respons kon dit alles wel appreciëren en trakteerde (het optreden van) Little Scream op een uitbundig en ondersteunend applaus.

Een omgekeerde beweging qua podiumbezetting maakte José González. De in Zweden geboren zanger met Argentijnse ouders heeft van eenvoud en soberheid zijn handelsmerk gemaakt. Meer dan een akoestische gitaar, zachte vocalen en sporadisch wat geringe percussie heeft hij niet nodig om zijn nummers te laten schitteren. Getuige zijn albums ‘Veneer’ (2003) en ‘In Our Nature’ (2007), de aanwezigheid op talrijke compilaties, alsook het succes dat hij – mede door een Sony reclamefilmpje - boekte met een totaal uitgeklede akoestische versie van “Heartbeats”, oorspronkelijk uitgebracht door zijn landgenoten The Knife.

Momenteel laat González het solowerk even voor wat het is en doet enkele Europese zalen aan waarbij hij zich laat omringen en begeleiden door The Göteborg String Theory. Dit twintigkoppige ensemble wordt hoofdzakelijk gevormd door muzikanten uit de thuisbasis van González maar telt daarnaast ook nog Berlijners in de rangen.
Het concert in de AB ving met “Hints” wél aan zoals we van González gewoon zijn: solo uitgevoerd in zijn typische introverte houding, deels voorovergebogen over zijn akoestische gitaar. Bij “In Our Nature” kwamen er druppelsgewijs enkele groepsleden hem vervoegen om vervolgens vanaf “Far Away” volledig geruggensteund te worden door het voltallige ensemble.
Meteen vielen enkele kenmerken op die de rest van de avond het concert zouden typeren: lange filmische, opbouwende intro’s (wat zeker het zonet vermeldde “Far Away” een extra cachet gaf omdat dit nummer exclusief werd gemaakt voor het in 2010 uitgebrachte en fel bejubelde western videospel ‘Red Dead Redemption’) werden opgevolgd door subtiele instrumentale inkleuringen die allen vakkundig gedirigeerd werden door een enthousiaste Nackt (die ook samen met Ben Lauber and Nils Tegen instond voor de composities en arrangementen). En wat eigenlijk nog het belangrijkste was: bijna nimmer kwam de zang en het gitarenspel van González in de verdrukking maar versmolten deze mooi en passend als één geheel samen met de laagjes instrumentatie die er over gedrapeerd werden.
Hoe verder de set vorderde hoe meer het deels zittend publiek op het puntje van de stoelen ging plaatsnemen en hoe meer de eerste rijen rechtstaande aanwezigen mee opgezogen werden in de fraaie wisselwerkingen.
Bij ieder nummer vielen er diverse instrumenten te bespeuren die detaillistisch bepalend (xylofoon in combinatie met strijkers in “How Low” en dwarsfluit, klarinet en trompet tijdens de aan Jaga Jazzist en Tortoise aanverwante instrumentale intro tot “Broken Arrows”) of richtinggevend (een streepje electronica bij “Crosses”) waren, dan weer – in positieve zin weliswaar – hun weerbarstige aard boven haalden en het geheel een ietwat scherper randje meegaven (trompet bij “Down The Line”).
Hoogtepunten waren wat ons betreft terug te vinden tijdens uitvoeringen van “Abram” (met een fraaie mix van akoestische gitaar, percussie, cello, violen en bleeps) en “Cycling Trivialities” (waar de stemmen van de twee achtergrondzangeressen crescendo meegingen met de snaarinstrumenten).
De Kylie Minogue cover “Hand On Your Heart”  werd dan weer van een Stock, Aitken en Waterman luchtbelletje uit 1989 getransformeerd tot een sprankelend juweeltje, terwijl omgekeerd het bij Massive Attack uitgeleende “Teardrop” nu net door de toegevoegde extra’s aan impact diende in te boeten.
Als toegift kwam het solo uitgevoerde “Fold” aan bod om uiteindelijk af te sluiten met het onvermijdelijke “Heartbeats” waarbij The Göteborg String Theory voltallig maar qua klank spaarzaam González nog eens kwam vervoegen.
Veel bindteksten of interactieve momenten met het publiek vielen er niet aan te treffen maar dat hoefde ook niet. De muziek sprak voor zich en met heel wat symfonie tussen de oren en een euforie op het gelaat trokken de aanwezigen de deur van de AB en deze van het Dominofestival jaargang 15 achter zich dicht.

Jammer dat het meteen ook de allerlaatste editie ooit was. Eén troost: via deze keurig gestreken muzikale vertoning van José González en The Göteborg String Theory kan de formule in schoonheid definitief opgeborgen worden om later dit jaar plaats te maken voor andere projecten die – als we Kurt Overbergh, artistiek directeur van de AB, mogen citeren – “op hun beurt weer zullen uitgroeien tot iets moois en mogelijk even groots”. Musiczine houdt zich nu al klaar.

Setlist: Hints, In Our Nature, Far Away, How Low, Crosses, The Nest, Abram, Hand On Your Heart, Göteborg String Theory Instrumental, Broken Arrows, Cycling Trivialities, Teardrop, Down The Line
Fold, Heartbeats

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel (ikv Domino 2011)


Pagina 2 van 6