logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_18
Hooverphonic
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Daniel Romano - Nagelbijtend wachten op die nieuwe plaat
Daniel Romano
café de Zwerver
Leffinge

Nauwelijks zeven maanden na zijn vorige tour stond Daniel Romano opnieuw in Europa, wat op zich al een hele prestatie is als je weet dat de man met vliegangst kampt en de oversteek vanuit Canada met de boot doet, goed voor elf dagen dobberen. Maar wat ben ik blij dat hij dat er voor over heeft!

De groep bleek behoorlijk door elkaar geschud te zijn. Bassiste Anna Ruddick was er niet meer bij en werd vervangen door broer Ian Romano die op zijn beurt vervangen werd door een nieuwe drummer. Ook Jenny Berkel, de vorige keer op akoestische gitaar, bleef thuis. Haar taak werd overgenomen door zus Kay (een voormalig vijfkampster en partner van Daniel) die daardoor haar viool, accordeon en piano thuisliet. Dat laatste zorgde ervoor dat de sound wat steviger en misschien wat minder ‘country’ klonk. Erg was dat niet want Daniel Romano klonk vanaf de eerste noten overweldigend en dat zou niet meer veranderen. Nochtans maakte hij het ons niet gemakkelijk met een set die nagenoeg volledig uit nieuwe nummers bestond. Maar al dat nieuwe werk klonk zo intens en overtuigend dat we de gekende songs nauwelijks misten. Een drastische koerswijziging viel er niet te noteren. De nieuwe songs, die stuk voor stuk briljant waren, dreven nog steeds op die hartverscheurende strot van hem terwijl de pedalsteel van Aaron Goldstein nog steeds prominent aanwezig was.
Toch werd het geëffende pad een paar keer verlaten en hoorden we enkele songs die voorzien waren van niet meteen voor de hand liggende tempowisselingen. D

it was opnieuw een fenomenaal concert van een groots artiest en ons rest er nu niets anders dan nagelbijtend te wachten op die nieuwe plaat, ‘If I’ve only one time askin’’, die op 31 juli zou verschijnen. Bovendien mogen we deze winter nog een tweede plaat verwachten : ‘Mosey’. Misschien komen we dan te weten wat hij hier precies mee bedoelt want ‘Mosey’ is de term waarmee hij zijn muziek omschrijft.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

dinsdag 19 mei 2015 01:00

The Gories - Aanslag op de heupen

The Glücks (uit Oostende) bleken de geknipte opener te zijn voor The Gories. Hun onstuimige garagerock die uit de diepste krochten van de hel leek te komen bracht de zaal meteen op de juiste temperatuur. Zanger-gitarist Alek is nog steeds een ongeleid projectiel die zijn tomeloze energie vond in sloten alcohol en een paar keer de fles deelde met een al even enthousiast publiek. Maar hun rudimentaire rock-‘n-roll bleef parmant overeind wat niet gezegd kon worden van Tina’s drumstel waarin Alek bij wijze van slotakkoord een duik nam. Ik zag ze nu reeds verschillende keren aan het werk en vond ze beter dan ooit.

In 1986 vonden The Gories de rock-‘n-roll opnieuw uit. En dat klonk hoekig en primitief maar was ook uitermate opzwepend. Helaas was het sprookje na een zestal jaar reeds voorbij en ging ieder groepslid zijn eigen weg. Drumster Peggy O’Neill speelde een blauwe maandag bij ‘68 Comeback en verder ook nog bij Darkest Hours. Dan Kroha trad halfnaakt op met de Demolition Doll Rods, heeft met Danny & The Darleans opnieuw een uitstekende groep uit de grond gestampt (binnenkort een nieuwe plaat) en maakte dit jaar een mooie solo-lp voor Jack White’s ‘Third Man Records’, “Angels watching over me”. Mick Collins ten slotte maakte een meesterwerk met Blacktop: “I got a baad feelin’ about this”, waarna die groep meteen splitte, om vervolgens The Dirtbombs te starten. Die laatste band lijkt een beetje op een dood spoor te zijn beland maar Mick zou alweer een nieuw project in de steigers staan hebben : Wolfmanhattan met Kid Congo Powers en de legendarische Bob Bert (Sonic Youth, Pussy Galore, Chrome Cranks,...).
Toch komt er in 2009 een onverwachte reünie van The Gories die hen samen met de Oblivians naar Europa brengt. Sinds die magische tour leidt de groep een sluimerend bestaan met heel af en toe een zeldzaam optreden. Platen komen er niet buiten een wel erg prijzige single die nu enkel na de optredens te koop is. Bijgevolg zou je een nieuwe Europese tour oneerbiedig als poenschepperij kunnen beschouwen terwijl het waarschijnlijk veeleer een manier van overleven is. Maar hun rock-‘n-roll is zo essentieel en tijdloos dat het goed is dat we er af en toe aan herinnerd worden terwijl het voor diegenen die destijds de boot misten dit een unieke gelegenheid was om alsnog kennis te maken met dit mythische trio.
The Gories pakten meteen uit met twee krakers van formaat : “Hey hey, we’re the Gories” en “I think I’ve had it” maar dat kon niet beletten dat de eerste twintig (schat ik) minuten nogal mak klonken. Het geluid zat niet echt goed en Mick Collins moest voortdurend rommelen aan zijn versterker. Maar uiteindelijk sloeg het vuur in de pan en kregen we The Gories als vanouds : primitief en nonchalant maar tevens onweerstaanbaar. De gitaren zorgden voor spetterend maar niet altijd even orthodox vuurwerk terwijl de stem van Mick Collins (één van de mooiste uit de ganse rock-‘n-rollwereld) mooi contrasteerde met die van Dan Kroha. Die laatste mocht ook één keer uithalen op mondharmonica tijdens een Bo Diddley-song. Treffend ook hoe hij met zijn ‘Pure Detroit’ t-shirt zijn failliete stad trouw blijft. En Peggy O’Neill? Die zat gewoon cool te wezen achter haar twee troms met de benen gekruist!

Niets nieuws onder de zon maar niemand had anders verwacht. Het zou trouwens zonde zijn om aan dit erfgoed te raken. The Gories zijn het nog steeds niet verleerd en nummers als “Thunderbird Esq” en “Nitroglycerine” bleken nog steeds aanslagen op de heupen.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Ezra Furman graaft diep en overtuigend in het muzikaal verleden
Ezra Furman
café de Zwerver
Leffinge

Je houdt het niet voor mogelijk... Het optreden kon pas om 23u beginnen omdat Ezra Furman een praktiserende jood is voor wie op sabbat de rustdag pas een uur na zonsondergang voorbij is.

Maar het wachten was de moeite waard geweest. Ezra Furman (afkomstig uit Chicago, Illinois) lijkt wel geboren te zijn op het podium. Zelden zo’n charismatisch artiest bezig gezien. Voortdurend in beweging, dansend (de rustdag had hem blijkbaar deugd gedaan), gekke bekken trekkend, spitsvondig en grappig. Bovendien gezegend met een geweldige stem die me deed denken aan de sneer van John Lennon in het nummer “Mother”.
Inspiratie vond hij meestal in het verre verleden : rock-‘n-roll, soul, gospel, doowop, jazz maar echt retro klonk het nooit. Ongeveer halverwege toen het tempo aanzienlijk zakte en de nummers te gesuikerd werden kende de set een serieuze dip.
Maar even later speelde hij met zijn schitterende band, The Boyfriends, alweer de pannen van het dak met o.a. het van een Bo Diddley ritme voorziene “At the bottom of the ocean”, hét hoogtepunt wat mij betreft.

Na zeer lang aandringen volgde uiteindelijk toch nog een bisronde en werd de avond in ware feeststemming afgesloten.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 


De eerste band, het lokale The Salvador Statement moest ter elfder ure verstek geven wegens ziekte. Te laat om een vervanging te zoeken maar ter compensatie werden we een drankbonnetje aangeboden door het immer attente 4AD personeel!

Na wat aangemodderd te hebben in het punkbandje The Slack Republic verkast Pierre Moore (opgegroeid in Jackson, Mississippi) samen met zijn neef, drummer Michael Gardner, naar Philadelphia waar ze bassist Ryan Lynn ontmoeten. Het klikt meteen en John The Conqueror, genoemd naar een Afro-Amerikaanse volksheld die als slaaf ondanks alle ellende zijn trots en onafhankelijke geest intact wist te houden, was een feit. Intussen heeft de groep twee platen op haar actief en is mede-oprichter Michael Gardner, die het touren niet meer zag zitten, onlangs vervangen door Adam Williams.

Het begon wat mak maar eenmaal de motor aangeslagen bleek hun bluesrock best te pruimen. Pierre Moore heeft een mooie, donkerbruine, gruizige stem en zijn gitaarspel, waarvoor hij naar eigen zeggen zijn eerste lessen kreeg van een dakloze, zorgde voor heel wat vuurwerk. Samen met de imponerende bassist, Ryan Lynn, en de adekwate drummer produceerde hij een stevige, heerlijke sound die niet zelden aan The Jimi Hendrix Experience deed denken. Zelfs de valkuilen eigen aan het genre (vervelende gitaarsolo’s, eindeloos uitgerokken nummers,...) werden handig vermeden en ze bleven het erg strak houden.
Alles leek te kloppen en toch ontbrak er iets. De songs! Die konden niet echt verrassen en klonken meestal te voorspelbaar. De groep heeft duidelijk behoefte aan wat meer klappers zoals “3 more”, een nummer uit hun eerste plaat, waar de gensters wel van afsprongen. En “Got my mojo working” (nochtans mooi gebracht) coveren getuigt ook al niet van veel inspiratie.
Bovendien was er iets vreemds aan de hand. Pierre Moore keek zijn publiek niet aan, laat staan dat hij ermee communiceerde. Slechts tweemaal, toen het concert reeds ver gevorderd was, richtte hij het (onverstaanbare) woord tot de zaal. Voor de rest ging hij tussen de nummers steeds met de bassist wat keuvelen alsof ze in het repetitiekot waren terwijl hij de whisky met sloten naar binnen kapte. Er diende duidelijk het een en ander weggespoeld te worden.

Dat laatste miste zijn effect niet en het ging er, naarmate de set de eindstreep naderde, wat ruwer en wilder aan toe, wat niet noodzakelijk een nadeel was. Dat terwijl die magnifieke sound onwrikbaar overeind bleef.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Together PANGEA - Stomend feestje in café De Zwerver
Together PANGEA
café de Zwerver
Leffinge

Voorprogramma Mind Rays, een viertal uit Gent, zag ik vorig jaar al eens aan het werk en toen had ik nog ernstige twijfels. Maar in Leffinge mocht ik die meteen overboord kieperen. Wat is deze band gegroeid! Strak gehouden gore grotestads garagepunk met als ijkpunten een gitaar waarvan de viezigheid afdroop en een waanzinnige zanger. Soms lieten ze hun songs bewust ontsporen in zeeën van echo en gepiep. Misschien leuk voor hen, ik had er evenwel niets aan. Maar die gebalde nummers die zo op je gezicht uiteen spatten, daarvoor ging het vuistje graag de lucht in. Mind Rays waren niet alleen een gesmaakte opwarmer, ze zorgden er ook nog eens voor dat het feestje bij Together PANGEA meteen losbarstte!

Together PANGEA uit Los Angeles kaapte vorig jaar maar liefst drie prijzen weg in de jaarlijkse poll van de Vera in Groningen, toch nog steeds één van de meest toonaangevende zalen in Europa : beste optreden in de Vera, beste band en beste album! Ruimschoots voldoende om mij benieuwd naar Leffinge te laten trekken hoewel ik die laatste plaat, ‘Badillac’, niet echt een hoogvlieger vind.
Dan moesten ze het live maar waarmaken en dat lukte hen zeker niet onaardig. Hun messcherpe gitaarrock met een punkrandje nodigde meteen uit tot een stomend en botsend feestje vooraan. Terwijl de tweede gitarist en de drummer ook puik werk leverden waren het de geschifte bassist, Danny Bengston, en vooral zanger-gitarist, William Keegan (bijzonder mooie stem overigens),die met de meeste aandacht aan de haal gingen. Ik meende raakpunten te horen met Mikal Cronin en duidelijk ook een paar keer met Nirvana. Maar net als bij de plaat bleef ook hier ik een beetje op mijn honger zitten. Songs als “Badillac”, “Sick shit” en het van een schitterende tempowisseling voorziene “Offer” bleken live echte mokerslagen maar lang niet alles was van een dergelijke kwaliteit. Dat terwijl een parel als “Where the night ends” gewoon in de kast bleef liggen.
Soms werd er te opzichtig naar de radio gelonkt en klonk het te gepolijst om mijn superlatieven boven te halen.

Maar dat Together PANGEA er ‘stond’, laat daar geen twijfel over bestaan. In die mate zelfs dat ik vermoed dat de groep een kans heeft om door te breken. Of zijn ze daar dan toch 25 jaar te laat voor geboren?

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

maandag 15 december 2014 00:00

The Shivas spelen ten dans

The Shivas spelen ten dans
The Shivas, Thee Marvin Gays en The Scrap Dealers
Le Watermoulain
Doornik
2014-12-13
Ollie Nollet

Het werd een mooie avond in de immer sympathieke Water Moulin met drie groepen die allen in staat bleken ons een beetje op te warmen. Dat laatste mag je zelfs letterlijk nemen want in het ongetwijfeld krappe budget van de Doornikse club is blijkbaar geen ruimte om voor afdoende verwarming te zorgen.

Het feestje werd ingezet met The Scrap Dealers uit Luik, die heel straf begonnen met twee lange lappen psychrock met ballen waarin een ijle gitaar schitterend contrasteerde met de twee andere gitaren die verzopen in de fuzz en verder werd opgefleurd met wat creepy zang. Hiermee zouden ze zeker niet misstaan in de vloed van psychedelische groepen die ons overspoelt vanuit de V.S.. Helaas zochten ze daarna hun heil in wat traditionelere gitaarrock, wat meteen een stuk minder spectaculair klonk. Toch blijven The Scrap Dealers een groepje om in de gaten te houden.

Vervolgens mochten lokale helden, Thee Marvin Gays, hun nieuwe lp, ‘Sleepless nights’, voorstellen. Meteen viel op dat ze hun heerlijke sound verder hebben uitgepuurd tot iets geheel unieks. De vergelijkingen met The Black Lips of Thee Oh Sees van vroeger doen niet meer ter zake. Er bestaat waarschijnlijk geen enkele andere groep die zijn gitaren zo verfijnd laat rammelen als Thee Marvin Gays. Tenzij misschien The Velvet Underground destijds, mochten ze wat peper in de kont gehad hebben.
En ook hier waren subtiele sporen op te merken van de nieuwe golf psychedelica. Allemaal heel mooi (ook de eeuwig lachende bassiste en de drummer, in een Scott H. Biram t-shirt, deden het perfect) en toch leek het bij momenten niet echt te werken en klonk het alsof je een plaat laat afspelen met te veel stof aan de naald. Oorzaak hiervan moet wellicht gezocht worden bij de opvallend zwakke zang (zowel Lulu als Yan leken last te hebben van een vreemde infectie op de stembanden) alhoewel ik er meteen moet bij zeggen dat de technicus van dienst hierbij zeker niet vrijuit ging. De verwachte uitbundige reacties bij deze thuismatch bleven dan ook enigszins uit.

Waar Thee Marvin Gays niet in slaagden lukten The Shivas uit Portland, Oregon wel : een feestje bouwen. Het duurde wel even maar dan was plots het deksel van de ketel en sloeg het volk massaal aan het pogoën. Nu leende hun opgewekte muziek zich daartoe beter maar ook tijdens de trage nummers bleef de meute in beweging, zij het dan in een rondedans.
The Shivas zijn het zoveelste bandje dat zijn inspiratie in de sixties vond maar ze wisten hun muziek toch een eigen draai te geven. De gitaren waren duidelijk door de surf beïnvloed en belandden zo op het kruispunt waar de Allah-Las en de Night Beats elkaar ontmoeten, evenwel zonder het geniale van die laatsten.
Het werd een erg gevarieerde set waarin ook plaats was voor een paar doowop getinte nummers, inclusief de afgeknepen gitaren van Shannon and The Clams. Ook hier twee zangers waar dit keer niets mis mee was : gitarist Jared Wait Molyneux en drumster Kristin Leonard die enkele keren een oerkreet liet horen.
Kortom, dit was muziek waar je alleen gelukkiger van kon worden. Zodoende bleef het dan ook een raadsel waarom de tweede gitarist, Robert Mannering, zo nors voor zich uit bleef kijken. Kiespijn?

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/thee-marvin-gays-13-12-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-shivas-13-12-2014/
Organisatie: Le Watermoulin , Tournai


zondag 14 december 2014 00:00

The 45s - Belofte voor de toekomst?

Rond de eeuwwisseling was er al een groep met dezelfde naam, maar dan voluit geschreven als The Forty-Fives. Ze kwamen uit Atlanta, maakten drie platen vol met soul doordrenkte garagerock, hadden een geweldige zanger (Bryan Malone) in huis en vereerden de 4AD in 2004 zelfs met een bezoekje.
Gek genoeg lijken de nieuwe 45s in precies dezelfde vijver te vissen en is hun garagerock evenzeer voorzien van een respectabele dosis soul. Dit keer gaat het om vier piepjonge kerels uit het Britse Carlisle die ons aangenaam wisten te verrassen in een goedgevulde Zwerver.

De band deed me meteen naar adem happen met een verschroeiend “Ramblin’ rose” van MC5 waarin meteen duidelijk werd dat Tom Hamilton-Hughes een meer dan begenadigd gitarist is die tevens beschikt over een soulvolle strot waarmee hij me enkele keren deed denken aan een jonge Steve Winwood.
Na die blitzstart trokken ze de lijn nog even door met een al even zinderend nummer in pure sixtiesbeat om dan bij de derde song, die verzoop in de geforceerde samenzang, meteen voluit op de bek te gaan.
Maar even later herpakten The 45s zich alweer met een ballad van Smokey Robinson. Hoog gegrepen maar Tom Hamilton-Hughes kwam er verdomd aardig mee weg. Ik weet niet of hij de schoolbanken al ontgroeid is maar talent heeft deze knul alleszins zat terwijl het erop leek alsof de drummer en de toetsenspeler ternauwernood konden volgen. Misschien waren ze nieuw in de band want wat gegoogle leerde me dat het in hun tweejarig bestaan voortdurend een komen en gaan was met Hamilton-Hughes als enige constante.
Net wanneer de eentonigheid dreigde toe te slaan greep hij zijn Rickenbacker om er met een slide een scheurend “Shake your moneymaker” uit te knijpen. Later volgde nog een blues : “Smokestack lightnin’” dat hij voorzag van een streepje mondharmonica. Mooi maar toch werd ik net niet euforisch omdat hij het niet kon nalaten telkens citaten uit andere songs in zijn covers te smokkelen met als triest hoogtepunt het nochtans schitterend begonnen “Money” (Barrett Strong) dat eindigde in een misplaatste medley met o.a. flarden “What’d i say” en zelfs “Whole lotta love”.
Maar daarna vonden ze gelukkig de pedalen terug om in schoonheid te eindigen met het strak gehouden “Kick out the jams” van alweer de MC5 en het onvermijdelijke “Johnny B. Goode”.

Niet alles lukte even goed en er is zeker nog werk aan de winkel maar The 45s of liever Tom Hamilton-Hughes bewees over een enorm potentieel te beschikken, temeer daar ik de weinige eigen songs niet vond onderdoen voor de gebrachte klassiekers.

Organisatie:
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Het Brusselse duo Hydrogen Sea had zeker iets geweest kunnen zijn. De breekbare vocals van Birsen Uçar waren niet onaardig en deden me zelfs heel even aan Nico denken maar uiteindelijk viel het muzikaal veel te licht uit. Ondanks een molenwiekende PJ Seaux, het leek wel Pete Townsend. Veel luchtverplaatsing om dan één enkele onnozele toets aan te slaan. Even leek het tij na drie nummers te keren toen hij een gitaar beetnam. Maar voor ik het goed en wel besefte had hij het ding al teruggezet en wist ik niet eens wat hij ermee gedaan had.

Intergalatic Lovers brachten doodbrave pop maar voor die vier saaie mussen stond wel ene Lara Chedraoui. Een fantastische zangeres waar velen een moord voor over zouden hebben om haar in hun groep te krijgen. Deze spontane, charismatische verschijning liet de intussen volgelopen tent uit haar hand eten.

Daarna volgden Trentemoller en Magnus die het ongetwijfeld goed deden (hoewel over die laatste de meningen verdeeld waren) maar waar ik met de beste wil van de wereld geen voeling mee kan krijgen.

Dan maar even Robbing Millions (uit Brussel) geprobeerd om na één nummer onthutst de zaal uit te spurten. Pop voor de kleuterklas waarbij ik nog het gevaar loop de intelligentie van onze kleuters te onderschatten.

Intussen was het middernacht geworden en had ik bitter weinig gezien waaraan ik me kon opwarmen. Maar dan verscheen een zootje ongewassen tuig uit Austin, Texas op het kleine podium van het café en viel er eindelijk iets te beleven. In die mate zelfs dat al snel alle ellende vergeten was. Holy Wave heette het bandje en ze bracht beklijvende psychrock die de ene keer dromerig klonk om even later lekker door te drammen. Er werd nogal wat van instrumenten gewisseld en blijkbaar werd iedereen behalve de drummer eens verbannen naar de keyboard, die nochtans erg bepalend was voor hun geluid. Te vergelijken met Jacco Gardner, Morgan Delt, The Warlocks en The Velvet Underground. Een cover van die laatsten kon dan ook niet uitblijven en we kregen een hypnotiserende uitvoering van “Foggy notion”, waarna de gelukzalige grijns op mijn smoel niet meer verdween.

Na een teleurstellende vrijdag kon het op zaterdag alleen maar beter gaan, dacht ik. Maar ook deze tweede dag begon in mineur toen bleek dat BRNS, waarvoor ik mijn middagdutje had opgegeven, verstek liet gaan. Maar dat leverde dan weer een ideale gelegenheid op om eens kennis te maken met Busker Street, het nieuwe en piepkleine podium waarop jong, aanstormend talent het beste van zichzelf mocht geven. Een mooi initiatief dat ik best kon appreciëren en waardoor ik gespaard bleef van één van dé sensaties van het festival, Dotan!

De zanger van het Londense Childhood had, zo te zien, de zoon van Phil Lynott kunnen zijn maar dan was de appel wel heel ver van de boom gevallen. Nee, deze vier hielden het bij lome gitaarpop die erg Brits klonk en waaraan niemand zich een buil kon vallen. Alleen wanneer de leiband van de gitaren wat losser gelaten werd leek er wat meer in te zitten maar vraag me niet wat.

Voor een eerste hoogtepunt moesten we in de tent bij Bombino (een touareg uit Agadez, Niger) zijn. Een aparte verschijning : gehuld in een wit gewaad, met voortdurend een kamerbrede glimlach om de lippen terwijl de communicatie met het publiek zich beperkte tot één enkel prevelend “merci”. Maar de muziek die stond er : aanstekelijke woestijnblues, die de heupen niet onbewogen liet, met in de hoofdrol die eeuwig swingende gitaar van Bombino. Wat een verfijnde schoonheid wist die man uit zijn snaren te knijpen, haast achteloos terwijl hij voortdurend bleef dansen. Misschien had het wel wat ruwer gemogen maar daar wil ik nu niet over kniezen. Eén keer werden we nog opgeschrikt toen de bassist ons plots in bijna vlekkeloos Nederlands toesprak maar voor de rest deden ze er het zwijgen toe en lieten ze de muziek primeren.

The Wytches zijn een trio, afkomstig uit het Engelse Peterborough, dat flink met de haren schudde. Hier zat duidelijk pit in : een diepe bas, een gewelddadige gitaar en een krijsende zanger die soms aan Jack White deed denken. Anderen hoorden dan weer duidelijke sporen van Nirvana. Enkel wanneer ze het tempo lieten zakken liep het grondig fout. Er is duidelijk nog wat werk aan de winkel maar de kiemen waren alvast veelbelovend.

Woods (uit Brooklyn) was de groep waar ik het meest naar uitkeek. Net voor het optreden vernam ik nog het slechte nieuws dat hun vierde man hals over kop naar huis was moeten vertrekken. Toch was het de basiskern die op het podium verscheen : zijnde Jeremy Earl (gitaar, zang), Jarvis Taveniere (bas, gitaar) en Aaron Neveu (drums). Jeremy Earl begon de set op akoestische gitaar voor een drietal folksongs, schitterend gezongen met die unieke hoge stem van hem. Na die schijnbaar simpele songs nam hij zijn elektrische gitaar en waren we vertrokken voor een ellenlang maar steeds boeiend epos op de snaren. De nummers die daarop volgden waren opnieuw gebald en telkens van een superieure klasse. Misschien wat jammer dat Jeremy Earl, die wat weg had van een ernstige professor, geen contact zocht met zijn publiek maar op de muziek viel alleszins niets af te dingen, ondanks die amputatie waar trouwens met geen woord over gerept werd. Dit was misschien wel het mooiste op deze editie van Leffingeleuren.

Op basis van hun laatste plaat had ik van The John Steel Singers (genoemd naar het gelijknamige speelgoedpaard van zanger Tim Morrissey) niet zo gek veel verwacht. Maar op het kleine podium van het café kwamen de vijf uit het Australische Brisbane verrassend sterk uit de hoek. En dat zeker niet met de meest voor de hand liggende muziek. De harmonieuze samenzang van de vier frontmannen, die herinnerde aan The Mama’s and The Papa’s moest het opnemen tegen dwarsliggende gitaren. Een enkele keer klonk het wat melig maar voor het overige klonk dit verbazend fris en zelfs feestelijk wanneer Scott Bromiley zijn trompet bovenhaalde. Een herbeluistering van die laatste plaat dringt zich op!

Op zondag mocht Het Zesde Metaal van Wannes Cappelle de spits afbijten en ze deden dat met verve. Net als Flip Kowlier in het sappige West-Vlaams maar dan wat meer ingetogen. Maar Het Zesde Metaal is veel meer dan allen maar goeie teksten. De songs zitten ook muzikaal bijzonder sterk in elkaar. Filip Wauters (op gitaar en lapsteel) en Tom Pintens op piano en één keer op gitaar (meteen het mooiste nummer van de set) wisten het geheel prachtig in te kleuren.

En ook op deze derde dag werden we aangenaam verrast in het café. Verantwoordelijk hiervoor was de verstilde pracht van Quilt, een kwartet uit Boston, Massachusetts. Een miniatuurmeisje, met ogen waarin je moeiteloos kon verdwalen, zong, was actief op gitaar en orgel en leek de drijvende kracht achter dit gezelschap. Hierbij kreeg ze de hulp van een gitarist (tevens tweede zanger), een bassist en een drummer. Psychedelische folk die weeral eens uit de sixties leek te komen en waarbij ik spontaan aan één van de grootste iconen uit die tijd, Love, moest denken. Het lijkt er intussen op alsof er op iedere hoek van de straat een psych band staat te spelen maar dit Quilt was zeker het ontdekken waard.

De tijd van het geweldige Sixteen Horsepower ligt al een eeuwigheid achter ons en hetgeen David Eugene Edwards tegenwoordig met Wovenhand uitspookt heeft daar nog bijzonder weinig mee gemeen. Americana kun je dit bezwaarlijk noemen, eerder Gothic rock, bijna drone rock. Alle nummers waren gehuld in een donkere, zware sound. Edwards haalde wel zijn mandoline nog eens boven maar het geluid ervan was nauwelijks te herkennen. Impressionant, dat zeker maar ook zwaar op de hand. Ideaal voor in een duistere zaal waarin je je volledig kan laten meezuigen in hun pikzwarte universum. Maar toch iets minder geschikt voor een festival want dit was niet meteen het soort muziek waar je vrolijker van wordt. En toch was ik blij dat ik ze zag. Kan dat?

Neem gerust een kijkje naar de pics (dag 2)
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/leffingeleuren-2014/
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

woensdag 17 september 2014 01:00

Jack Oblivian & The Sheiks - Als vanouds

Jack Oblivian & The Sheiks
Pit’s
Kortrijk
2014-09-15
Ollie Nollet

Het concept van Jack Oblivian kennen we intussen al. Vóór hij op tour vertrekt plukt hij een bandje uit de straten van Memphis, laat ze het voorprogramma verzorgen terwijl ze tevens als zijn begeleidingsband aan de bak kunnen. Een eigen band om mee te touren zit er op zijn leeftijd niet meer in want dan zit je steevast opgezadeld met een drummer die in acht verschillende groepen speelt en geraak je de deur niet meer uit, aldus Jack Oblivian.
Nu weet hij wel zijn groepen te kiezen en ook dit keer was het raak met The Sheiks. Mooie naam trouwens, al was het maar omdat hij me steeds doet denken aan de legendarische countrybluesband uit de jaren ‘30, de Mississippi Sheiks, bekend van o.m. “Sitting on top of the world”.
The Sheiks grossieren naar eigen zeggen in low down rock-‘n-roll. Vettige garagerock waar ze in Memphis een patent op hebben. Met zijn drieën : Keith Cooper en Frank McLallen op gitaren en Graham Winchester op drums terwijl die laatste twee de lead vocals voor hun rekening namen. Niet alle nummers waren even sterk maar de sound maakte veel, zo niet alles, goed en van de elkaar soms jennende gitaren kon ik maar niet genoeg krijgen. Mooi.

In tegenstelling tot drie jaar geleden was de Pit’s dit keer wel mooi volgelopen en ondanks een lichte irritatie wegens een niet naar behoren werkende micro kwam ook Jack zelf een stuk beter voor de dag. Nochtans was er niet zo heel veel verschil met de setlist van toen. Er werd slechts één song uit de nieuwe plaat, die trouwens niet op tijd geperst raakte, gespeeld. De vertrouwde Jack Oblivian-songs dus maar met genoeg vuur gebracht, niet in het minst door de erg gretige Sheiks waarin McLallen zijn gitaar voor een bas had geruild. Niets nieuws onder de zon dus : de obligate Oblivians-stomper “Strong come on” dat stilaan zijn lijflied wordt en zelfs de Clyde McPhatter-cover “Lover please”, dat sindsdien niet meer uit mijn hoofd is weg te branden, hadden we al eerder gehoord. En toch was het een verademing om die tijdloze in country en soul gedrenkte garagerock nog eens terug te horen. De paar nummers waarin de bas aan de kant werd geschoven en ze met zijn drieën op gitaar ramden liet de zo al tropische temperatuur nog een paar graden stijgen.

Wie deze Jack Oblivian reeds had afgeschreven zal zijn mening toch dringend moeten herzien. Benieuwd wat de nieuwe plaat zal opleveren want daar hebben we het na dit fijne optreden nog steeds het gissen naar. Ohja, nog te zien op 27 september in Het Bos in Antwerpen

Organisatie: Pit’s , Kortrijk

Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014 - Rock-‘n-roll springlevend in Bretagne
Binic Folk Blues Festival 2014
Festivalkaai
Binic (Bretagne)
01 t/m 03/08/2014
Ollie Nollet

Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014

De zesde editie van Binic Folks Blues (Côtes D’Armor, Bretagne) was opnieuw een voltreffer. Zowel artistiek als wat de opkomst betreft. Duizenden bezoekers (vooral op zaterdag kon men op de koppen lopen) voor een festival waarvan de headliners op andere dagen enkel kroegen als de Pit’s frequenteren. Ok, het Parijse Cheveu zal wel in grotere zalen spelen en de populariteit van Left Lane Cruiser is bij onze zuiderburen een stuk groter maar toch... Ligt de verklaring voor dit enorme succes bij het feit dat dit een gratis festival is? Niet altijd een garantie op veel volk maar hier zal het wel meespelen en dat terwijl je ongehinderd hele voorraden drank op het terrein kan sleuren en de sfeer tijdens de optredens niet zelden uitzinnig is.

vrijdag 1 augustus 2014
Mijn parcours langs de drie podia begon aan de Place de la Cloche met Stop II (Bordeaux). Twee niet meer zo jonge en al evenmin erg fris ogende mannen brachten zittend rammelende countrybluestrash. Twee gitaren, een stompbox en occasioneel een washboard volstonden ruimschoots. Mooie cover van Blind Willie Johnson’s “In my time of dying”.

Pete Ross & The Sapphire (uitvalsbasis Milaan) bestaat uit zanger-gitarist Pete Ross (uit Sydney), de Nieuw-Zeelandse bassiste Susy Sapphire en de Italiaanse drummer Alessandro Deidda. Oubollige rock met enkele progrocktics en een gezwollen stem van Pete Ross kregen mijn handen niet meteen op elkaar. Een onberispelijke start was het dus niet maar gaandeweg werden de songs een stuk meer bijdegronds en met “The devil inside” dwong de groep meteen haar bestaansrecht af. Verder hoorden we nog een opmerkelijke cover van “Somebody to love” (Jefferson Airplane), gezongen door het bloemenmeisje Sapphire.

Lilith Lane (Melbourne) viel me toch wat tegen ondanks haar uitstekende begeleidingsband Many Wives (staande bas, gitaar en drums). Enige schuldige was Lilith zelf die veel te theatraal klonk (in een poging om de vrouwelijke Nick Cave te worden?) en daar kon de nochtans bijwijlen smerig klinkende gitaar niets aan verhelpen.

Het Franse duo Harold Martinez (Nîmes) deed hard hun best om te klinken als Sixteen Horsepower wat niet zo’n goed idee was.

Van The Pussywarmers uit Zurich aangevuld met de Hongaarse zangeres-toetseniste Réka had ik niet al te veel verwacht. Daarvoor klonk hun plaat die ik kende te krampachtig en bevatte ze te veel gepingel. Maar het zestal (twee gitaren, bas, drums, keys en trompet) zorgde zowaar voor het eerste hoogtepunt van het festival. Waar ze het vroeger meestal in de jaren ‘30 en ‘40 zochten lag de focus dit keer meer op de jaren ‘60 en dat zorgde voor een milde nostalgische sfeer die me zelfs enkele keren aan Shannon & The Clams deed denken.

Jerry Teel (Chrome Cranks) en zijn vrouw Pauline vormen de vaste spil bij Chicken Snake (New Orleans). Terwijl in vorige bezettingen gekende cultfiguren als Bob Bert (o.a. Chrome Cranks, Sonic Youth) en Nicholas Ray (Viva L’American Death Ray Music) de dienst uitmaakten waren het nu de minder gekende Josh Lee Hooker (gitaar) en Jessica Melain (staande drums) die de groep vervolledigden. Minder gekend maar daarom zeker niet minder goed. Josh Lee Hooker ontpopte zich als de absolute revelatie (schitterde later ook nog met zijn eigen groep) van het festival terwijl Melain voor het nodige showelement zorgde. Chicken Snake staat voor heerlijk midtempo voortdenderende trashy swampblues. We hoorden al eens een riffje dat gepikt was van de Stones maar wie zou daarom balen? En als ze al eens iets coverden werd het nummer met veel smaak gekozen : “Cowgirl blues” van de ten onrechte vergeten blueszangeres uit Memphis, Jessie Mae Hemphill. Naar het einde toe durfde de samenzang tussen Jerry en Pauline ietwat zeurderig te gaan klinken maar dat is echt wel detailkritiek op een grandioos optreden waarin vooral Josh Lee Hooker, die soms aan en paar noten genoeg had om een song een wat groter rock-‘n-rollgehalte te geven, ontegensprekelijk de uitblinker was. Ik zag Chicken Snake de volgende dag terug op het grote podium waar ze een stuk steviger uithaalden (of was dat slechts een indruk). In ieder geval werd hun prestatie van de dag voordien bevestigd, mocht ik mijn puntje van kritiek inslikken en droop het spelplezier er in beken vanaf. Deze ene keer vond ik het jammer dat de organisatie zich strikt aan het strakke tijdsschema hield en het optreden abrupt stillegde. Gelukkig volgde na enig overleg toch nog extra nummer.

Vrijdag werd er op het hoofdpodium afgesloten met The U.V. Race (Melbourne) die enkele platen uitheeft op het befaamde ‘In The Red’-label. De band was al bezig toen ik arriveerde en ik werd meteen geconfronteerd met de enorme, blote, zwabberende pens van de zanger. Geen zicht en tot overmaat van ramp draaide hij zich zodat we dan ook nog eens de helft van zijn reet mochten bewonderen. Enkele songs verder had hij enkel nog zijn boxershort aan. En de muziek? Korte meebrulbare bulldozerpunksongs. Soms had het wel wat maar meestal vond ik het orgel de boel verpesten of was ik nog te zeer onder de indruk van Chicken Snake?

zaterdag 2 augustus 2014
Dag twee begon alweer uitstekend met Destination Lonely (Toulouse, Bordeaux). Groepsnaam gevonden bij de eerste LP van Cheater Slicks, die net nu opnieuw is uitgebracht? De twee gitaristen en drummer stonden garant voor vuile, vette garagebluesrock.

Het Frans/Australische The Outside bestond uit ex-leden van Screaming Tribesmen, Radio Birdman en TV Men. Mooi volk dus dat zorgde voor hersenloze turborock (waarin je vaag echo’s van The Ramones of Cosmic Psychos kon horen). Kon mooi geweest zijn maar dat was duidelijk niet het geval.

Neen, geef mij dan maar Weird Omen uit Limoges. Na een chaotische start met enkele onverteerbare nummers viel na een tijdje alles in de plooi. Garagerock, surf, punk en artrock en dat alles meestal in één en dezelfde song. De zanger had energie te over en kwam in al zijn enthousiasme zelfs een paar keer ten val terwijl we saxofonist Fred Rollercoaster nog kenden van Head On en King Khan & The Shrines. Opmerkelijke cover : “20th Century boy” (T-Rex).

Bob Wayne (Seattle/Nashville) heeft zijn Outlaw Carnies blijkbaar gedumpt maar de line-up is nagenoeg dezelfde gebleven : staande bas, viool, gitaar met dit keer ook een drummer die zo geplukt leek uit een verlaten berghut in het Appalachen gebergte. Die laatste mocht er dan al uitzien als een verwaarloosde neef van Seasick Steve, drumlessen hoefde hij zeker niet meer te volgen. Bob Wayne, met een grote tattoo van Neurosis op de onderkant van zijn voorarm!, hield het verrassend strak. Hillbilly en alternatieve country voorzien van spitante teksten, we kennen het intussen maar het blijft steeds zeer amusant. Jammer van die verveeld voor zich uitstarende gitarist die blijkbaar enkel (en met lichte tegenzin) zijn job kwam doen. Wat had ik graag die man een trap voor de kont gegeven.

Go!Zilla is een trio uit Firenze dat duidelijk naar de nieuwe lichting psych rockers (Ty Segall, Mikal Cronin, Thee Oh Sees) heeft geluisterd maar een stuk potiger dan de geciteerde namen voor de dag komt. Twee gitaren en drums (stilaan de nieuwe klassieke opstelling) waren ruimschoots voldoende voor een indrukwekkende sound. Voeg daarbij een zanger-gitarist (Luca Landi) die werkelijk alles gaf en het plaatje klopt helemaal. Op het einde vroeg hij een 15-tal mensen bij zich op het podium. Dat werd uiteindelijk een veelvoud en de chaos werd compleet wat niet wegneemt dat Go!Zilla een ijzersterke set had gespeeld.

Na Chicken Snake (waar ik het al eerder over had) zag ik nog net de finale van de set van een verbluffende Harlan T Bobo (verder meer over het volledige optreden dat hij zondag gaf). De tonnen elektronica van Cheveu (Parijs) werden ontiegelijk luid de Esplanade de la Banche opgejaagd. Vreemde eend in de bijt die ik niet kon smaken hoewel ik moet toegeven dat ik ze nooit echt een kans heb gegeven.

Afsluiter op zaterdag was Mr. Quintron & Miss Pussycat uit New Orleans (Mr Quintron zou je kunnen kennen van de derde Obliviansplaat ‘Play 9 songs with Mr. Quintron’). Hoe lang zou het geleden zijn dat ik die twee in de Pit’s zag? En toch leek er niet veel veranderd sinds toen. Miss Pussycat opende met een poppenkastspel waarin de speciale effecten en de zelfgemaakte poppen best leuk waren maar wie zag dat achteraan? Na de gebruikelijke technische problemen ging Mr. Quintron oorverdovend van start alsof hij Cheveu de loef wou afsteken. Het leek erop alsof zijn Drum Buddy (zijn zelf uitgevonden analoge drummachine met duizelingwekkende mogelijkheden) zelf het heft in handen had genomen. Maar na verloop van tijd begon zijn orgel steeds meer organisch te klinken en kregen de nummers meer structuur. Naast de eerder genoemde instrumenten bediende hij ook nog een hi-hat en een lapsteel die dienst deed als slaginstrument. Miss Pussycat hield het wat bescheidener bij de maracas. Het volk was gekomen om eens flink uit de bol te gaan en dat gebeurde dan ook massaal. En vreemd genoeg leken de toch eerder ongewone klanken ideaal om de massa op te hitsen. Ondanks de valse start werd dit uiteindelijk toch nog een schitterend optreden!

zondag 3 augustus 2014
Dead Horse Problem is slechts één van de vele projecten van zanger Boogie, tevens baas van Beast Records en zo leverancier van vele groepen aan dit festival. Samen met twee gitaristen, een saxofonist en een drummer brachten ze smerige rock die soms net iets te dicht geplamuurd was. Niet echt overtuigend maar ze coverden toch maar mooi twee geweldige songs, beide van de hand van Greg Cartwright: “Sour and vicious man” (Compulsive Gamblers) en “Straight shooter” (Reigning Sound). Mijn middag kon al niet meer stuk.

Het Frans, Duits, Nieuw-Zeelandse trio met residentie in Berlijn, Canyon Spree, serveerde vederlichte garagepop. De drie piepjonge meiden hadden krek dezelfde sound (minus de harmonieuze samenzang) als La Luz en daar kon ik echt niet rouwig om zijn. Met slechts een handvol goeie nummers onder de arm was er duidelijk er nog veel werk aan de winkel maar ze hebben uiteraard nog tijd zat.

Toen The Luxurious Faux Furs (New Orleans/ Brooklyn) het podium opwandelden bleek dat gewoon de helft van Chicken Snake te zijn : Josh Lee Hooker, de man met de mooiste schoenen op het festival en drumster extra-ordinaire Jessica Melain die er alles aan deed om er vervaarlijk uit te te zien. Het zag er niet alleen goed uit, het klonk zo mogelijk nog beter. Dit was zonder meer de revelatie van Binic dit jaar. Uitgebeende rock-‘n-roll : Alan Vega op de (straffe) koffie bij The Gories, zoiets. We hoorden ondermeer een briljante cover van The Staple Singers, “Swing down, chariot” en op het einde een ellenlange, uitgemergelde boogie (met een naam als de zijne kon dat niet uitblijven). Adembenemende set!!!

Na The Luxurious Faux Furs (die zelf ook helemaal vooraan stonden) zag ik meteen al een nieuw hoogtepunt. Harlan T. Bobo bleek samen met zijn drie Franse begeleiders in de vorm van zijn leven. Dit jaar maakte hij in Memphis met zijn nieuwe band The Fuzz (niet te verwarren met Fuzz, ook al een nieuwe band met Ty Segall) een halfslachtige plaat maar hij was wel zo verstandig om daaruit slechts de beste nummers te puren : “Merry-go-round” en “When I die”. Daarnaast had hij het beste uit de rest van zijn platen geselecteerd waarbij mijn favoriet “Left your door unlocked” niet over het hoofd werd gezien. Harlan T. Bobo, voortdurend buiten adem en nogal wat whiskeys binnenkappend schitterde zowel in de zeer ingetogen nummers als de uitbundige rockers. Heerlijk artiest!

Na nog een flard Reverend Beat-Man (klonk zoals we hem kennen) werd het tijd voor headliner Left Lane Cruiser (Fort Wayne, Indiana). Talloze keren zag ik ze en het was toch even slikken toen tijdens de opstelling tot me doordrong dat drummer Brenn Beck er niet meer bij was. Freddy J. IV had hem vervangen door het duo White Trash Blues Revival: zijnde drummer Pete Dio en bassist Joe Bent. Er werd geopend met een song van Hound Dog Taylor (Hound Dog Taylor met bas, brrr!). Maar het dient gezegd: met dit duo erbij had Left Lane Cruiser nog meer power en songs als “Mr. Johnson”, “Big Momma” en “Cheyenne” zijn niet stuk te krijgen en klonken furieus. En toch begon het te knagen. Pete Dio is ongetwijfeld een superieur drummer maar ik miste de eenvoud van Brenn Beck en zijn koebel, en zijn washboard... Bassist Joe Bent leek verdacht veel op Alex Agnew en metselde de sound te veel dicht (of het een wat met het andere te maken heeft weet ik niet). Toen hij zijn bas ruilde voor een skiddely-bo (een skateplank met daarop een fles en twee snaren gemonteerd) leek het tij te keren. Helaas zong hij dan (wat een vlakke stem) zijn eigen songs die absoluut niet konden tippen aan de originele Left Lane Cruiser songs.
Ach, misschien ben ik aan het zeuren: Left Lane cruiser speelde het plein gewoon plat. Het zwerk werd doorkliefd met crowdsurfers en een jonge deerne sprong zelfs op het podium om meteen haar t-shirt uit te trekken zodat iedereen kon genieten van de wonderen der natuur. Nooit iemand zo snel zien afvoeren! De jonge snaak van Dirty Deep beleefde de tijd van zijn leven toen hij de twee laatste nummers mocht meeblazen op mondharmonica terwijl er nog een verrassend coda volgde waarin de drummer zich liet kennen als een volleerd rapper, iets wat hij zo’n 15 minuten volhield, olé!

Heel vreemd maar Binic was weer eens mooi geweest!
Organisatie: Binic Folks Blues Festival

Pagina 24 van 26