logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

maandag 19 januari 2015 00:00

Panda Bear Meets The Grim Reaper

Zo af en toe nemen wij eens een plaat ter hand die door de ganse wereld wordt geprezen als was ze gecreëerd door de verlosser zelve, wie dat ook moge zijn. Dan gaan wij daar even voor zitten in de hoop een verschijning te zien en doen we verwoede pogingen om één en ander van al die toebedeelde lof te begrijpen.
Deze keer is het alom bejubelde ‘Panda Bear Meets The Grim Reaper’ van -u raadt het nooit- Panda Bear aan de beurt. Echt waar, we hebben dat ding drie keer uitgezeten, twee maal achterstevoren gedraaid, ondergaan onder invloed van twee mega-joints, beluisterd met een in kabala-water gedrenkte koptelefoon, maar niks hielp.
Na alles geprobeerd te hebben bleven we botsen op vervelende bliepjes, verknipte geluiden, plastieken synths, geforceerde psychedelica, overstuurde drumcomputers, irritante vocals en beats die uit alle mogelijke hoeken komen behalve de juiste. Al dat artificieel gezwets komt uit de trukendoos van Noah Lennox (in een ander leven ook boegbeeld van Animal Collective), een hobbyist die naar hartenlust knipt, kleurt, prutst en plakt. Dat hij maar doet, maar van onze knutseldoos moet hij zijn poten afhouden.
Aan de lovende reacties te merken zijn er een pak mensen die houden van dit soort geklooi, maar wij zijn nu echt wel aan een Dafalgan toe.

donderdag 08 januari 2015 00:00

Some Blue Morning

De achtste plaat in 12 jaar is dit al voor deze Ierse singer/songwriter, en nu pas blijkt de wijde wereld zijn talent te hebben ontdekt. Een plotse aandacht die hij door dik en dun verdient want ‘Some Blue Morning’ is dan ook een bijna volmaakte plaat die baadt in fluwelen gitaren en strijkers maar nergens in pathos. Het is een uniek kunststukje vol warmte, poëzie en melancholie gewikkeld in elf bloedjes van songs. Wij droomden alvast volledig weg bij sierlijke en zeer behaaglijke parels als “The Hungry Grass”, “The Wild Boar” en “The Hatchet Song”.
Met zijn glasheldere bariton en zijn sensitieve songs begeeft Adrian Crowley zich op het terrein van Leonard Cohen, Bill Callahan, Sivert Hoyem, Richard Hawley en een minzame Nick Cave. Met zo een fijnbesnaard album en een huizenhoog niveau kijkt hij niet gewoon op naar deze grootheden, maar mag hij zich meteen mee in dat prestigieuze rijtje gaan stellen.
Adrian Crowley komt zijn gracieuze en innemende songs voorstellen in de AB Club op 05/02. Uw uitgelezen kans om kennis te maken met dit veel te lang verborgen gehouden talent.

woensdag 31 december 2014 00:00

Rock Or Bust

Goeie ouwe AC/DC, meer moet dat soms niet zijn. Geen plaat die meer voorspelbaar is als deze. Maar wat had u dan ook verwacht, dat AC/DC plots de elektro toer zou op gaan? Een dance project? Een conceptplaat over de opwarming van de aarde?
De afwezigheid van de dementerende Malcolm is er niet aan te merken, de Australische hardrockers hebben ook zonder hun machinist zich wijselijk gehouden aan de oersimpele rock’n’roll formule die ze al jaren hanteren. Het beestje kriebelt nog altijd en daar is gewoon weer een potig rockplaatje van gekomen met scherpe riffs, lekkere solo’s, snerende vocals en stampende rocksongs die er zonder omkijken stevig in vliegen, check “Rock Or Bust”, “Play Ball” en “Rock The Blues”.
Vanaf de eerste seconde hoor je dat dit AC/DC is, alles is totaal binnen de verwachtingen. Maar voor ons is dat meer dan OK, met een nieuwe Motörhead zijn wij bijvoorbeeld ook altijd te paaien, wij zouden pas echt ontgoocheld zijn als zulke bands het over een andere boeg trachten te gooien.
De heren houden het kort, amper 11 songs die nergens de vier minutengrens overschrijden. Een mens vraagt zich dan wel eens af waarom dit dan 6 jaar heeft moeten duren, ‘Black Ice’ dateert immers al van 2008 en ‘Rock Or Bust’ klinkt spontaan alsof die eventjes snel op een avondje is opgenomen.
Maar goed, dit is AC/DC, ze hebben niks meer te bewijzen en hebben gewoon hun tijd genomen. Dit is zelfs één van de betere platen uit het Brian Johnson tijdperk, Bon Scott blijft natuurlijk wel buiten categorie.
De stoomtrein die ze bij hun vorige tournee op gang gestuwd hebben draait weer op volle snelheid, helaas passeert hij komende zomer niet in België. Waar zit de zogenaamde invloedrijke Schueremans nu ?

donderdag 04 december 2014 00:00

Ming City Rockers

Ze zien eruit als de bastaardkinderen van The New York Dolls en The Horrors, ze klinken als The Strypes on acid. Niets nieuws onder de zon, helemaal niet, maar dit is wel van de meest smerige punk’n’roll die we de laatste dagen op ons bord hebben gekregen. Nu de wildebrassen van The Jim Jones Revue er de brui hebben aan gegeven komen Ming City Rockers als geroepen.
Gortige catchy kopstoten als “She’s A Wrong Un” en “Chic And The Motherfuckers” vlammen als een wild everzwijn voorbij. De klassieker “Crossroads” mag dan al dertig keer gecoverd zijn, u heeft ‘em nog nooit in zo een razende versie gehoord.
Alle songs zijn opwindend, kort en krachtig en hebben het tempo van een op hol geslagen driftig konijn, in “You’re Always Trying To Hard” (met heerlijk Angus-rifje) gaat het  zo snel dat zelfs Lewis Hamilton er duizelig van wordt. Enkel afsluiter “Get Outta Your Head” komt met zijn vier minuten wat trager op gang maar treedt algauw toch ook weer binnen in het territorium van de ongewassen en superhete rock’n’roll.
Topplaatje !

donderdag 27 november 2014 00:00

Sonic Highways

Dave Grohl is een drummer, een hele goeie overigens (Nirvana! Queens Of The Stone Age! Them Crooked Vultures! Killing Joke!), maar toch een drummer. Dat hij na Nirvana het in zijn hoofd gehaald heeft om voor de gitaar te kiezen en zelf songs te gaan componeren was best een moedige poging, maar nooit kon hij qua songs schrijven tot aan de enkels reiken van Kurt Cobain. In het begin zag het er nochtans wel vrij belovend uit, ten tijde van hun strakke eerste plaat zagen wij Foo Fighters met een vlammend energieke set nog flink van jetje geven op Pukkelpop 1995, maar bij hun laatste PP doortocht in 2012 merkten wij toch vooral een hitmachine die op half automatische piloot stond ingesteld.

Foo Fighters zijn nu veel groter dan Nirvana ooit geweest is, en dat met een zeer matig repertoire. Komt het omdat Grohl een sympathiek peer is die niemand tegen de borst stuit ? Het kan, wij begrijpen het in ieder geval niet. Foo Fighters zijn volgens ons mega geworden omdat ze op elk nieuw album minstens een tweetal verdomd catchy en hitgevoelige songs hebben neergepoot, en voor de grote massa zijn die hits blijkbaar genoeg, alleszins voldoende om een volle festivalweide plat te spelen.
Getuige de volkstoeloop in Pukkelpop 2012 bleek de populariteit van Foo Fighters totaal uit zijn voegen te zijn gebarsten. Chokri had een (weliswaar peperdure) voltreffer geboekt, Scheuremans was groen van jaloezie. Vandaar dat Herman op vandaag diep in zin buidel heeft getast en speciaal voor Foo Fighters zijn festivalletje een week heeft vervroegd. Gans België verlangt nu al naar Rock Werchter 2015. Wij niet, en nadat we ‘Sonic Highways’ aan een paar luisterbeurten onderworpen hebben al zeker niet.

Het is hetzelfde liedje als de vorige keer, ook ‘Wasting Light’ uit 2011 werd vooraf met veel bombarie aangekondigd als een ‘vuile’ garagerock plaat, het bleek uiteindelijk een veel te afgelikt en gestroomlijnd album die uiterst geschikt leek als achtergrondmuziek bij de zondagopeningen van IKEA. Wederom is op dit logische vervolg ‘Sonic Highways’ niks meer te merken van de punkroots van Grohl en zijn band (je mag ook niet vergeten dat gitarist Pat Smear ooit nog bij hardcore band The Germs heeft gespeeld, ’t is haast niet te geloven), je zou hen eerder een verleden bij Boston, Bon Jovi of godbetert Nickelback toeschrijven.
Welgeteld drie songs zijn (een beetje) de moeite waard, de single “Something For Nothing”, het ietwat hevigere “Feast and The Famine” en de behoorlijke rocksong “Outside”. De rest varieert van zeer oppervlakkig tot schaamteloos melig. Dit neigt meer naar de gevreesde Amerikaanse AOR rock of FM rock (Journey, Survivor, Styx,…help!) dan naar fris alternatief geweld.
Foo Fighters hebben naar hun financiële raadgevers geluisterd en op veilig gespeeld, ‘Sonic Highways’ is een schoolvoorbeeld geworden van het perfecte commerciële product, een rockplaat voor boekhouders en managers, eentje voor onder de kerstboom. Wij hebben geen kerstboom.
U hoeft zich niet aan onze mening te storen, want u bent waarschijnlijk één van die miljoenen die de cd zullen aanschaffen, maar wij vinden dat Foo Fighters nu echt wel de uitgesproken kandidaat is voor de Grammy van “Meest overschatte band van de planeet”.

Future Of The Left + Cloud Nothings - Gitaarherrie van de betere soort
Future Of The Left + Cloud Nothings

Beetje eigenaardig, twee van de meest  bruisende indie bands van dit moment kregen de Grand Mix amper half gevuld. Jammer, want wie een beetje het wereldje volgt, wist op voorhand dat hier twee niet te missen bands op één unieke affiche stonden te schitteren, een dubbelslag dus.

Future Of The Left is enkele jaren terug verrezen uit de assen van Mc Lusky en heeft gewoon de explosiviteit van dit legendarische noise combo verdergezet. Met een urgent,  ontvlambaar en schitterend vierde album op zak (‘How To Stop Your Brain In An Accident’, toch ook alweer een jaartje oud) kwam dit frontale bandje de Grand Mix in de fik zetten. FOTL bracht een bruisende mengelmoes van indie, hardcore en uit zijn voegen gebarsten pop.
Recente brandende pareltjes als “She gets passes around at parties”, “Bread, Cheese, Bow and Arrow” en het fantastische “How To Spot A record Company” explodeerden op de meest geniale wijze. Andrew Falkous, toch wel het brein achter dit furieuze bandje, draaide de klok nog even terug naar die ultra hevige Mc Lusky tijd met het geweldige “To Hell with Good Intentions” en de ongeremde punkuitbarsting van “Lightsabre Cocksucking Blues”.
Future Of The Left hield er een vol uur de spanning en een razende drive in, dit was van de meest zinderende gitaarrock die we dit jaar op een podium mochten beleven.
Een rollercoaster van een optreden, ’t was nog niet helemaal afgelopen en we wilden al direct nog een keer.

Beetje ondankbaar voor Cloud Nothings (zie pics homepag) die na deze stormachtige performance de moeilijke opdracht kregen om de opgewekte elektriciteit in de zaal te kunnen aanhouden. Het merendeel van het publiek bleek dan ook van zijn sokken geblazen door de striemende herrie van FOTL zodat er hier aanvankelijk een lichte vorm van apathie in de lucht hing.
Cloud Nothings bracht er toch met succes snel verandering in met hun heftige, driftige en vaak rammelende gitaarrock die al wel eens raakpunten vertoont met Dinosaur Jr en Nirvana.  Punk was het codewoord bij smerige buffelstoten als “Stay Useless” en “Psychic Trauma”, Sonic Youth kwam om de hoek kijken bij de ontspoorde gitaaruitbarsting van “Pattern Walks” en Shellac hing in de lucht bij het slepende en droge “No Future/No Past”.
Cloud Nothings gooide zich alsmaar heviger in de strijd en stuwde zichzelf naar een verbluffende climax toe met een uiterst intensief “I’m not part of me”. Daarna ging de band nog een laatste keer geweldig tekeer in een briesend “Wasted Days”, een fameuze lel van een song waarin frontman Dylan Baldi’s zijn gitaar met gulle geuten liet janken, krijsen en uitfreaken.

Een striemend avondje gitaarherrie!

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/future-of-the-left-24-11-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/cloud-nothings-24-11-2014/
Organisatie: Grand Mix , Tourcoing

dinsdag 25 november 2014 00:00

Chris Rea - Te routineus en veel te clean

Stilstaan is achteruit gaan. Twee en een half jaar na zijn vorige doortocht in de Lotto Arena kwam Chris Rea met quasi dezelfde setlist aanzetten. Een ZZ Topke doen, zou je dat ook kunnen noemen, met dat verschil dat die ouwe baarden toch nog wat meer vet en gasoline in hun live act droppen, wat je van deze Chris Rea niet echt kon zeggen. Aanvankelijk lokte zijn passage vooral een paar flinke geeuwen los bij ons.

Stiekem hadden wij op voorhand gehoopt dat Chris Rea de bluesman in zichzelf hevig zou laten losbarsten, maar dit was helaas maar sporadisch het geval. Chris Rea, die de dood al recht in de ogen heeft gekeken, heeft de blues wel degelijk in zijn lijf zitten, maar hij had vanavond de ballen niet om die er ongeremd uit te spuwen, hij speelde gans de tijd met de veiligheidspal op. Aan de verveelde houding van zijn bandleden was duidelijk te merken dat die hier nu al jaren aan een stuk dezelfde setlist routineus stonden af te haspelen. Nog maar zelden heb wij een stel muzikanten zo zielloos hun ding zien doen. Een duo overbodige achtergrondzangeressen, die zichzelf Island Sky noemden en hier al voor het lamlendige voorprogramma hadden gezorgd, maakte het nog wat erger, de dames stoorden meer dan dat ze aanvulden. Chris Rea’s stem was trouwens nog voldoende bij de pinken waardoor hij die twee wichten beslist niet nodig had.
Nu goed, er was ook wel nog wat positiefs te melden, maar het vergde wat tijd en geduld. De te gezapige inloopronde duurde maar liefst vier songs.
Bij het melige en met krokodillentranen gevulde “Josephine” pakten de ouwe koppeltje mekaar eens goed vast, maar wij maakten al aanstalten om terug naar onze auto te wandelen, tot Chris Rea ons een eerste keer aangenaam wakker schudde met een stevig “Easy Rider”.
Plots was hij daar, de artiest waarvoor we gekomen waren, een gitarist die als geen ander een lekker potje slide kon spelen.
Wij terug op onze stoel dus (allemaal zitplaatsen trouwens vanavond, en aan de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen te zien dachten we even dat we hier op een fuckin’ eucharistievering waren terechtgekomen). “Easy Rider” bleek voorlopig maar een tijdelijke opflakkering want het duurde alweer enkele oudbakken songs (“Julia”, “Looking for The Summer”, ochére toch) tot Chris Rea ons een tweede keer uit onze coma haalde, maar deze keer zat de stoom toch wat langer op de ketel. “Stony Road”, “The Road To Hell” en vooral een krachtig “Somewhere Between Highway 61 & 49”, zowat het enige echte hoogtepunt van de avond, deden de blues met brio heropleven, er mocht zelfs al eens voorzichtig gerockt worden. Ook met “Stainsby Girls” konden we nog leven, het rockte een aardig eindje weg. Chris Rea had zich kennelijk herpakt en was hier goed bezig zijn eigen hachje te redden.
Maar in plaats van crescendo te gaan en eindelijk de handrem volledig af te zetten, ging het met de melige bisronde terug naar af. Het goedkope sentiment van “On The Beach” en de geforceerde vrolijkheid van “Let’s Dance” zorgden voor een einde in mineur. Best grappig eigenlijk, een song met een titel als “Let’s Dance” spelen voor een apathisch publiek die met geen stokken uit zijn (kerk)stoel is te krijgen.

Geen onvergetelijke bedoening dus, maar de momenten waarop Chris Rea zijn gitaarkunstjes etaleerde maakten het nog net de moeite waard. We gaan hem nog niet afschrijven, maar hij moet dringend eens langsgaan bij Dokter Rick Rubin. Kan wonderen doen.

Organisatie: Live Nation

dinsdag 18 november 2014 00:00

Jack White - Ode aan de rock’n’roll



Jack White mag dan al een vergevorderd stadium van het rocksterrendom bereikt hebben, op een podium harkt hij nog altijd stevig door alsof hij in zijn eigen garage van jetje staat te geven. Wij zien er nog altijd het equivalent van Jon Spencer in, maar dan met wat meer gitaarvernuft (en een grotere bankrekening). Jack White is wel degelijk een gitaarheld, maar dan eentje die niet kiest voor allerlei technisch ingewikkelde solo’s, wel een held die met brio zijn gitaar laat gieren, janken, huilen en openrijten.

Wij herinneren ons nog klaar en duidelijk onze eerste kennismaking met dit talent, de legendarische doortocht van de jonge White Stripes in de AB Club in 2001. Jack White bleek nu 13 jaar later nog niets van die jeugdige gretigheid verloren te zijn. Integendeel, met zo een uitgebreid arsenaal aan prachtsongs en een stel gedreven muzikanten in de rug kon hij de teugels in Vorst nog veel rijkelijker loslaten.

De splijtende instrumental “High Ball Stepper” was de oerknal die de set opende, het was meteen duidelijk dat vuile rock’n’roll en ontvlambare blues vanavond de hoofdrol zouden opeisen. Daarnaast toch ook een behoorlijke scheut country, de ene keer sober en eerlijk (“Temporary Ground”), de andere keer geniaal ontspoord (“Wheep Themselves To Sleep” en een zeer fijne country versie van “Hotel Yorba”). Jack White groef ook gretig in zijn White Stripes catalogus met onder meer een schuimbekkend “Dead Leaves and The Dirty Ground” en met de gortige blues van “Cannon” en “I Fought Piranhas”.
White’s stem haalde geregeld het bereik van de jonge Robert Plant, in combinatie met dat heerlijke gitaargeweld waren de Led Zeppelin referenties dan ook niet uit de lucht gegrepen. White leek trouwens het soort gitarist die voortgaat op de ingevingen van het moment, een rocker die spontaniteit hoog in het vaandel draagt en zijn songs vaak als ruwe brokstukken aan elkaar lijmt met geïmproviseerde pattex (zo begrijpt u ook waarom wij in onze gedachten geregeld bij Jon Spencer aankomen). Hij maakte het op die manier zijn begeleidingsmuzikanten niet altijd even makkelijk, maar de ervaren rotten waren verdomd goed bij de les. Het klonk vanavond dan ook allemaal ongeremd, snedig en vooral rauw, en zo hebben wij de rock’n’roll nog altijd het liefst op onze boterham.

Dit avondje top rock’n’roll van de meest driftige soort kreeg een overrompelende bisronde met een bruisend “Icky Thump” (de zoveelst White Stripes klassieker), een denderend “Steady As She Goes” (het Raconteurs paradepaardje) en een alleraardigst duo uit de nieuwe plaat “Would You Fight For My Love” en “That Black Bat Licorice”. Natuurlijk mocht de uitbundige finale ”Seven Nation Army” niet ontbreken, het was dan ook uitermate fantastisch dat een rockgrootheid als Jack White zo een krachtige set kon afsluiten met iets wat inmiddels uitgegroeid is tot een internationale hymne. En het doet toch zoveel meer deugd om “Seven Nation Army” samen met the man himself in levende lijve te mogen meemaken dan ergens op een idiote voetbalmatch. By the way, hier een paar kilometer verder stonden diezelfde avond De Rode Duivels in een kil Koning Boudewijnstadion een zielloze vertoning te geven, wij wisten wel beter.

Jack White is een held…

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://jackwhiteiii.com/live-photos/ (@ David James Swanson)

Organisatie: Live Nation

Festival les inrocks 2014 - Palma Violets – Parquet Courts - The Orwells
Palma Violets speelt de rest naar huis

Bij The Orwells kon je gerust stellen dat hun gitaarrock live een pak meer rammelde dan op hun frisse debuutplaat ‘Disgraceland’. Of dat nu ook de bedoeling was is iets anders. De band, en dus ook de songs, waren duidelijk onder invloed van drank en eventuele andere substanties, bij momenten werd er tamelijk richtingloos gemusiceerd. Soms ging het wel de goede richting uit en ontsproot er een gloed van acute energie uit The Orwells, maar over ’t algemeen werd er iets te veel geknoeid met de eigen songs waardoor wij deze overigens talentrijke band met spijt in het hart naar de herkansingen moesten verwijzen. Naar verluidt hadden ze de dag voordien een betere indruk gemaakt in de Brusselse Botanique, de off day was dus misschien te wijten aan een kater ten gevolge van een nachtje stappen in Brussel. Let wel, er zat duidelijk iets in, het kwam er alleen maar bij momenten een beetje gekunsteld uit.

Er zat behoorlijk wat leven in Parquet Courts, één van de interessantste bands die tegenwoordig in het indie-circuit floreren. Ze hadden meteen onze aandacht vast met de geweldige opener “Ducking & Dodging”. Parquet Courts bleek een bandje te zijn met diverse gezichten, op hun meest felle momenten betraden ze resoluut het pad van de snedige indie-punk met “Sunbathing Animal” (Velvet Underground on speed), “Master Of My Craft” en “Light Up Gold II”, elders neigden ze dan weer naar het nonchalante vernuft van Television en de ongedwongen romantiek van The Modern Lovers (“Dear Ramona”). Misschien haalden ze net iets te vaak de vaart uit hun set om van een echt memorabel concertje te spreken, maar dit was alleszins een frisse performance met een stel bruisende songs die in bed gelegen hebben met Pavement, Feelies, Sonic Youth.DIIV en Traams.

Le Grand Mix stond pas helemaal in vuur en vlam met de frontale Britrock van Palma Violets. Yep, wij spreken hier liever van Britrock want het etiket Britpop is voor zo een geweldige groep eerder een affront (ter info, ook The Libertines, een bandje waar die van Palma Violets toch wel sterk naar geluisterd en gekeken hebben, sorteren wij ook graag bij Britrock).
Hier stond een band die rockte, brieste en gedurig ontplofte. Sorry voor de zeer verdienstelijke Parquet Courts, maar Palma Violets speelde met de vingers in de neus en dynamiet in de anus de twee vorige bands moeiteloos naar huis. De immer vitale songs zorgden in de frontzone voor een hartig moshpit-feestje, bommetjes als “Rattlesnake Highway”, “Best Of Friends”, “I Found Love” deden het kot uit al zijn voegen barsten. Palma Violets had ook wat vers materiaal meegebracht, een stel uiterst kwieke nieuwe songs deden ons het beste hopen voor de volgende plaat. De band ging er stijlvol uit met het anthem “14”, ondertussen uitgegroeid tot een heuse klassieker, een krachtig slot van een zeer dynamisch concertje. Eentje om in te kaderen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/les-inrocks-2014/
Organisatie: Grand Mix, Tourcoing + Les Inrocks

 

donderdag 06 november 2014 00:00

Carnival Of Souls

Pere Ubu zou Pere Ubu niet zijn mochten zij geen zonderling, obscuur en afwijkend album gemaakt hebben. Dit is een band die al jaren in een eigen bevreemdend universum platen fabriceert, ver weg van de mainstream. Maar eenmaal een mens in dit buitenissige universum is binnengedrongen zijn er steeds opmerkelijke ontdekkingen te doen, het vergt alleen wat tijd.
Dit is eigenlijk een soort conceptplaat gebaseerd op de horrorprent ‘Carnival Of Souls’, een lowbudget movie uit 1962, doch het klinkt vooral als een typische Pere Ubu plaat, grillig, dwars, onconventioneel en bizar, maar dan met een grimmig filmisch karakter.
Passages als “Dr Faustus” en “Carnival” lijken zich af te spelen in donker steegje waar het gevaar onophoudelijk van achter de muren gluurt.
Pere Ubu weet de ganse plaat die beklemmende sfeer aan te houden, de ene keer ingetogen en sluimerend (“Irene”), de andere keer schril en briesend (“Golden Surf Pt 2”).
Rare snuiter David Thomas grijpt zijn volgelingen bij het nekvel met zijn doordringende stem en intrigerende vertelstijl in “Visions Of The Moon” en vooral in het kille en naargeestige “Brother Ray”, een desolaat en griezelig epos van 12 minuten die de plaat in een benauwende sfeer afsluit en een spoor van onbehagen achterlaat.
‘Carnival Of Souls’ is wederom een excentriek hoofdstuk in het ondoorgrondelijke oeuvre van Pere Ubu.

Pagina 47 van 112