logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Johan Meurisse

Johan Meurisse

Het New Yorkse kwartet Liars, onder de weirdo zanger Angus Andrew, staat garant voor avontuur en experiment in hun punk/emo/indie/postrock sound. Ze leunen aan het oude Swans, Cave’s Birthday Party, PIL’s ‘Metal Box’ en ‘Flowers Of Romance’, de indie van Yo La Tengo en de noisepsychedelica van Butthole Surfers. Een apocalyptische, filmische soundtrack door de repetitieve, bezwerende en opzwepende drumritmes, vervormde gitaarloops en elektronica, gedragen door de zoemende praatzang van Andrew. Dit geluid was vooral te horen op de vorige cd ‘Drum’s not dead’. De recente plaat, simpelweg ‘Liars’ genaamd, klinkt terug iets harder en directer.

De projecties van een knetterend haardvuur aan een muur, achteraan het podium, injecteerden het dreunende, dreigende geluid. Liars vloog er meteen in met de stevige “Leather prowles” en “Clear islands”, waarbij ze niet vies waren de pedaaleffecten in te drukken om een noisemuur te creëren . De songs van het vroegere werk klonken intrigerend en aanstekelijk door de repeterende opbouw en de verrassende wendingen. De verdwaalde gitaardwarrels, de diepe bas, de elektronica en de logge, bezwerende en opzwepende drumritmes maakten het geheel wat nerveuzer en gejaagder. Andrew ging als een bezetene tekeer; een podiumbeest wat deed denken aan Mauro en Cave in z’n jonge jaren.
Een catchy elfenpopnummer bracht het publiek en band wat op adem. Genadeloos werd besloten met het strakke “Plaster casts of everything”.
De groep kon rekenen op een sterke respons, wat nog twee pittige songs in de bis opleverde: een stevig “7” en een zweverig, door elektronica en drums gedragen, “Movie …”.

Liars nam z’n publiek op sleeptouw en loodste hen doorheen hun bizarre muzikale kronkels; ze riepen het beeld op van een stel psychotisch dansende heksen rond hun ketel!

Het Gentse Penguins Know Why kaapten vorig jaar al de hoofdprijs weg op het Oost-Vlaamse rockconcours ‘De Beloften’. Het jonge kwartet refereerde aan de rauwe rammelende rock van Pavement en voegden er een vleugje postrock en een gekruid ‘80’s The Sound aan toe. Een muzikale evenwichtsoefening tussen een catchy, traditionele songstructuur en een gewaagder aanpak. “Antfucker”, “Catchers”, “Xoyo” en “Nifty” waren alvast enkele opmerkelijke songs.

Organisatie: 4AD, Diksmuide


donderdag 12 juni 2008 03:00

LP

Holy Fuck is een bandnaam die makkelijk in de mond ligt. Het duo uit Toronto verdiept zich in elektronicagefreak en wordt bijgestaan door een bassist en twee drummers . Ze creëren een broeierig, aanstekelijk en opwindend, energiek geluid. Hun muziek past in het rijtje van de grillige weirdo psychedelicarock van Battles en Trans Am, integreert de ‘90’s elektronica soundscapes van The Aloof en Sabres Of Paradise, verhoogt de trippende sound van Sigur Ros, en haalt een vleugje indie en drum’n’bass aan.
Hun quasi instrumentale sound klinkt groovy, dansbaar en doet ons bewegen in een ‘bevreemdende brave new world’. De negen songs op hun tweede plaat zijn allen even sterk, wat meteen een verdiende doorbraak mag betekenen!

donderdag 12 juni 2008 03:00

Saturnalia

Het is er uiteindelijk van gekomen dat Dulli en Lanegan eens samen een plaat gingen uitbrengen. Na talrijke los/vast uitwisselingen van Twilight Singers en Mark Lanegan Band, zijn beide Amerikaanse cultsterren van de alternatieve rock te horen onder The Gutter  Twins. Ze doopten hun cd ‘Saturnalia’, net als het Britse The Wedding Present, een kleine vijftien jaar terug.
Het is een eenvoudig op te splitsen plaatje geworden waarbij we het donker dreigende geluid van Lanegan horen en de sensueel prikkelende, dromerige, broeierige soulrock van Dulli. Je kunt duidelijk horen wie vocaal steeds het voortouw neemt.
Een snedig Afghan Whigs en Twilight Singers klinkt duidelijk door op “The stations”, “God’s children”, “Circles the fringes” en “Each to each”; het zijn stevige songs met een sterke groove en een vleugje bombast. Zelfs Lanegan rockt  … luister maar naar “All misery flowers” en “Idle hands”, waarbij hij nauw refereert aan het vroegere Swans.
Beide heren klinken sfeervoller op songs als “The body”, “ Who will lead us?”, “Bête noire” en de afsluitende track “Front street”.
’Saturnalia’ bevat overtuigend eenduidig songmateriaal van een sterk op elkaar ingespeeld duo. Wat een verbroedering! Interessant om weten is dat praktisch elke song in een andere bezetting werd gespeeld.

Het was een unieke kans om het Japanse Melt-Banana uit Tokyo aan het werk te zien in ons landje, want het kwartet toert maar om de 2 à 3 jaar eens door Europa. Ze hielden enkel halt in het kleine, donkere zaaltje van de Kreun. Melt -Banana heeft zes cd’s en maar liefst 23 EP’s uit; vorig jaar verscheen ‘Bambi’s Dilemma’, met een uitgebreide tournee tot gevolg!
Hun noiserock, gekenmerkt met metal en punk, kent onnavolgbare tempowisselingen en bengelt tussen melodie en aritmiek. Ze zijn verwant aan Steve Abini’s Shellac, Sonic Youth, Barkmarket en aan de Mike Patton -John Zorn projecten.

Een woest, beestig geluid en een muzikale ontlading, waarbij de gebalde, samengeperste energie uit hun tenger lichamen wordt gespeeld! Gitarist Ichirou Agata (met mondmasker!) haalde alles uit z’n kast en overspoelde het publiek met jachtige ritmes, noisesounds en pedaaleffecten; de bassiste Rika MM’ liet diep ronkende en snelle basriiffs horen en bracht in de beste Primusstijl de bassnaren onder een continue intense spanning. En tenslotte was er het retestrakke tempo door de opzwepende drums. In deze wall of sound zweefden daar ergens de gierende, gillende hysterische vocals van zangeres Yasuko Onuki.

Een 50 minuten keiharde, (on)toegankelijke unieke liveshow van ogenschijnlijke chaos, herrie en gepolijste broeierige melodieën van soms one-two minute songs, die diverse tempowisselingen en onverwachtse wendingen ondergingen. Ze raasden als een orkaan over ons heen. Een soort oerknal. “They were Melt-Banana from Tokyo, Japan” en we hebben het duidelijk geweten.

Het Gentse kwartet The Germans hebben hard gewerkt, wat hen een indrukwekkend debuut ‘Elf shot lame witch’ opleverde. Live kozen ze voor een rauwe, avontuurlijke aanpak in hun frisse aanstekelijke, mooi uitgewerkte noisepop, waarbij Ampe de songs aan elkaar zingt, schreeuwt en krijst. Hun speldenprikjes bezorgden een opgefokt, nerveus geluid. Muzikale gekte en schoonheid! Onderschatte band op hoog niveau!

Organisatie: De Kreun, Kortrijk

De Kreun te Kortrijk programmeerde een alternatief tof dubbeloptreden, Deerhunter en High Places. Twee bands het ontdekken waard.

Het Amerikaanse kwintet Deerhunter is al zo’n zeven jaar bezig en heeft drie full cd’s uit. Ze debuteerden in 2005 met ‘Turn it up faggot’.Vorig jaar verscheen ‘Cryptograms’ en binnenkort is er de opvolger ‘Microcastle’. Van deze uit Georgia, Atlanta afkomstige band zijn de graatmagere gitarist Bradford Cox en percussionist Moses Archuleta de spil. Ze zijn nauw verwant aan Electrelane, Liars en Yeah Yeah Yeahs, wat betekent dat er sprake is van langgerekte en repetitief opbouwende gitaarlagen onder een bezwerende drums. Door de snedige en slepende ritmes creëerden ze een intens spannend sfeertje, gedragen door de nasale, dromerige zang van Cox. Een wall of sound die het publiek in z’n greep hield, maar door het feit dat Cox ziek aan het optreden begon, moest hij na twee songs noodgedwongen op een stoel neerzitten om te kunnen verder spelen.
Deerhunter hield het een kleine 50 minuten vol met hun aanstekelijk materiaal, waarbij ze vooral het nieuwe werk promoten. Live klonken ze direct en ongepolijst, was er ruimte voor de instrumenten en ondergingen de songs soms frisse en verrassende wendingen. Op plaat is er eerder sprake van een breder concept, door gitaarslides, accordeon, orgel en synthesizer. Gedoseerde noiserock, met een ‘80’s gehalte, die terecht gelinkt werd aan de indie van The Feelies, iets wat ze zelf omschrijven als ‘ambient punk’.

Het uit Brooklyn, NY afkomstige duo High Places bracht een niet alledaags geluid van Caribische en exotische elektronica, zalvende, freakende grooves, trancegerichte soundscapes, dwarrelsounds en drumbeats, onder zweverige vrouwelijke vocals en stemvervorming. Het geheel klonk vrij toegankelijk, leuk, dansbaar en fijngevoelig.

Organisatie: De Kreun, Kortrijk

donderdag 05 juni 2008 18:36

Jukebox

Cat Power & Dirty Delta Blues

Chan Marshall, synoniem voor Cat Power, kwam tien jaar terug in de belangstelling door op een unieke manier op piano songs van Dylan, Nina Simone, Smog en Rolling Stones te bewerken. De songs werden ontdaan van enige franjes, kregen een warme, tedere aanpak en werden gedragen door haar hese, melancholische soms onvaste stem. Haar americanablues biedt een eerlijk, puur, oprecht en doorleefd geluid, een ‘straight from lived in bars’ geluid, kortom, ideale songs die de nacht besluiten in een donkere kroeg.
Sinds de vorige ‘The greatest’ cd beschikt ze over een meer vaste begeleidingsband, The Dirty Delta Blues.
‘Jukebox’ bevat tijdloze klassiekers van o.a. Hank Williams, James Brown, Bob Dylan, Jessie Mae Hamphill en  Billi Holliday, aangevuld met twee eigen remakes, die een eigen unieke wending krijgen. Doorleefde americana/soul/retrobluesrock, ergens tussen V.U., Black Crowes, G Love, Wilco, Joni Mitchell en Janis Joplin.
Sober en kwetsbaar klinken ”Silver stallion”, “Lord, help the poor & needy”, “Song to Bobby”, “Don’t explain”, “Woman left lonely”, “blue” en “Breathless”. Een voller geluid en een krachtiger aanpak hebben “New York”, “Rambling (wo)man”, “Metal heart” en “Aretha, sing one for me” .
’Jukebox’ is een rustige, intieme, kwetsbare als sfeervol broeierige plaat geworden en het is mooi hoe ze met haar band steeds opnieuw paden verkent om verrassende bewerkingen uit haar mouw te schudden.

donderdag 05 juni 2008 03:00

Sunday at the devil dirt

Mark Lanegan beleeft drukke tijden, want hij is een veel gevraagd gastvocalist. Onder z’n eigen band is het van 2004 geleden dat hij nog werk kon uitbrengen. Lanegan was te horen bij QOSA, Soulsavers, Creature  with the atom brain en The Twilight Singers. Dit voorjaar leverde hij met Greg Dulli zelfs onder The Gutter Twins een prachtplaat af.
En met Isobel Campbell kwam het twee jaar terug tot een samenwerking op afstand, met ’The ballad of the broken seas’ als overtuigend resultaat. Ze werden bestempeld als de ‘60’s icoontjes Lee Hazelwood en Nancy Sinatra.
‘Sunday at the devil dirt’ is het vervolgverhaal, waarbij ze deze maal samen de studio introkken. De donker dreigende sound en het dromerig, sfeervol karakter blijven behouden. Lanegan neemt met z’n grauwe, diep krakende zegzang een prominente rol in (een tweede Johnny Cash/Michael Gira), en zangeres/componiste/celliste Campbell neemt genoegen om als achtergrondzangeres te fungeren. Enkel op “Shotgun blues” is ze leading vocaliste!
Het lijkt eerder op een solo-uitstap van Lanegan die de composities van de ex Belle& Sebastian Schotse songschrijfster zingt.
”The raven” en “Come on over (turn me on)” zijn de pareltjes op de plaat. Overwegend horen we spaarzaam begeleide songs, af en toe omlijst van sfeervolle strijkers, zoals op “Seafaring song” en “Who built the road”. De country killers “Something to believe” en “Keep me in mind, sweetheart” huiveren door het akoestisch gitaargetokkel en Lanegan’s gegrom. “Back burner” en “The flame that burns” laten een andere kant van het duo horen: lekker zwoel en zwierig.
Kortom, we houden er heerlijke variaties aan over op deze tweede samenwerking.

Twee jaar terug noteerden we een opmerkelijk samenwerkingsproject tussen de Schotse Isobel Campbell, de vroegere celliste van Belle & Sebastian, en Mark Lanegan, ex Screaming Trees, een veel gevraagd gastvocalist bij talrijke bands als QOSA, Soulsavers Creature with the atom brain en Twilight Singers. En hij bracht samen met Greg Dulli, onder The Gutter Twins, ‘Saturnalia’ uit en trad onlangs in april op in het kader van het Dominofestival. Zijn eigen band staat momenteel op non actief.
’Ballad of the broken seas’ en ‘Sunday at the devil dirt’ zijn de twee worpen van het duo; ze worden door de media bestempeld als een ‘the beauty & the beast’ en ‘60’s icoontjes Nancy Sinatra en Lee Hazelwood.
Muzikaal is er sprake van een donker,dreigende en een dromerig sfeervolle sound bepaald door Lanegan’s diepe, grauwe, krakende stem en Campbell’s frêle, hemelse backing vocals en gefluit. Hun, in countryblues gedrenkte, intiem pakkende, broeierige luisterliedjes (by the way composities van Campbell!) zijn tekenend voor een soundtrack van Quentin Tarantino of een apocalyptische ‘Once upon a time’.

Ze waren spaarzaam begeleid door akoestisch gitaargetokkel, af en toe omlijst door piano, toetsen, cello en contrabas. Het duo speelde een ontwapende, innemende en beklijvende set. Het publiek bezorgde het kwintet telkens een warm onthaal, maar van interactie was er geen sprake. Lanegan stond vastgenageld aan z’n microfoonstaander, het hoofd half opzij, en dronk na elke song een klein teugje water; Campbell op haar beurt wendde haar blik van het publiek af. En tenslotte stond er een denkbeeldig ijzeren gordijn tussen de twee. Ergens middenin de set hoorden we een schuchtere dankjewel.
Een goed anderhalf uur wisselden ze af van tempo en ritme en plukten songs uit hun twee verschenen cd’s. Een sobere “Seafaring song” leidde in onder de grommende zegzang van Mark, ondersteund door het lieflijk hemels gezang van Isobel. “Deus ibi est” klonk indringend door een venijnig snedig gitaarspel. We zagen een oneindig desolaat landschap voor ogen op “Carry home”, “Who built the road” en “Back burner”. ”The false husband”, “Salvation”, “Keep me in mind, sweetheart” en het afsluitende “The circus is leaving town”, waren vaudeville countrykillers op z’n Michael Gira’s en Tom Waits.
“The flame that burns” en “Hony child what can I do” legden wat meer gemoedelijkheid aan de dag en leverden een perfecte samenzang op. Isobel Campbell kwam eventjes op het voorplan om de schitterende elfensong “Saturday’s gone” te zingen, en vulde mooi aan op “Free to walk”.
Heerlijk geslaagde variërende nummers, wat de melancholie en zwaarmoedigheid draaglijker maakte.
Ze trakteerden ons op een uitgebreide bis van vier songs: pareltjes waren “Come on over (turn me on)” en Hank Williams’ “Ramblin’ man”, aangevuld met een integere “Revolver” en het repetitief opbouwende “Wedding dress”, die door een krachtiger gitaarspel het overtuigende concert definitief besloot.

Als een verdwaalde ziel stuurden Campbelle & Lanegan ons de nacht in, maar al gauw werden we  wakker geschud op de boulevard door enthousiaste jonge EK feestvierders …

Organisatie: Live Nation

zaterdag 07 juni 2008 03:00

De rukwindenrock van Tokyo Police Club

Tokyo Police Club is een jong beloftevol kwartet uit Toronto; ze kwamen vorig jaar in de spotlights met de EP ‘A lesson in crime’, die acht aanstekelijke, energieke twee minuten songs bevatte; kenmerkend zijn een diep ronkende bas, een scherp gitaarspel, kleurrijke toetsen en opzwepende drums onder een licht neurotische, zweverige nasale zang van David Monks (vocaal iets mee van Julian Casablancas van The Strokes!). Postpunk op z’n Futureheads, de dynamiek van Bloc Party, de frisse rock van Strange Death Of Liberal England en de retro van The Strokes; en tenslotte vullen ze aan op Pavement en Dinosaur Jr.

In een klein uur brachten ze speels, ongedwongen en rommelig bijna 20 vakkundige songs, die nogal snel op elkaar volgden; ze klonken strak, scherp en krachtig. De schreeuwerige backing vocals scherpten het jeugdig enthousiasme aan. Ze putten uit hun EP en de pas verschenen full cd ‘Elephant shell’. Ze staken voldoende afwisseling in die strakke sound: er waren de rauw springerige “In a cave”, “Sixties remake” en “Centennial” of de snedige rockers “If it works”, “Craves”, “Citizens of tomorrow”, “Tesselate”, “Shoulders & arms” en “Frames”. Intens broeierig en sfeervoller klonken opener “La ferrassie”, “Juno”, “Nursery academy” en “Nature of the experiment”.

De ‘rukwindenrock’ van Tokyo Police Club intrigeerde en raasde niet als een orkaan over je heen. Het hyperkinetische “Be good” besloot overtuigend de set. Zonder veel poeha speelden ze een kort, stevig gebald, ‘to the point’ concertje.

Het Amerikaanse The Mobius Band trad enkele maanden terug al op als support van Editors in de AB. Deze ‘lookalikes’ van Cake konden met hun broeierige indierock, elektronica geflirt en enkele avontuurlijke wendingen, maar matig boeien, ondanks het feit dat het trio er duidelijk zin in had. Het ontbrak hen doodgewoon aan aantrekkelijke songs …

Organisatie Botanique, Brussel

donderdag 29 mei 2008 03:00

The Seldom Seen Kid

De platen van het Britse Elbow uit Manchester laten zich ontdekken per luisterbeurt; ze bieden een weemoedige sound van fraai gearrangeerd, subtiel uitgewerkt materiaal. ‘The Seldom Seen Kid’ volgt ‘Leaders of the free world’ op en is vernoemd naar een bevriende singer/songwriter.
Het is een afwisselend plaatje van heerlijk muziek, grillig, sfeervol, somber als zwierig en poppy. De songs kunnen onverwachtse wendingen ondergaan. “Mirrorball” onderscheidt zich binnen de rustige, dromerige nummers. “The fix”, een duet met Richard Hawley, is leuk door toetsen; “Starlings” wordt bepaald door strijkers, er is het koortje van “One day like this”of je hoort het licht klassieke, door soundscapes gedomineerde, “Friends of ours”. In deze rij besluit “Some riot” heel intiem. “The loneliness of a tower crane driver” straalt een Twin Peaks sfeertje uit en tenslotte is er de dynamiek van de broeierige “An audience with the pope” en “Weather to fly”.
Het geheel klinkt ontroerend, stijlvol en schoon en wordt gedragen door de melancholische stem van zanger/componist Guy Garvey.
Elbow is een erg originele band, die de kunst heeft fijnzinnige pop te schrijven, zonder écht veel grootse hits.

Pagina 315 van 338