Het Depot Leuven - concertinfo 2025 – 2026

Het Depot Leuven - concertinfo 2025 – 2026 events 01-12 Barru 02-12 Otto-Jan Ham & Gloria Monserez 04-12 Hannah Mae 05-12 What-U-On-About?!: DJ Hazard vs Ed Rush 08-12 Kaat Van Stralen 09-12 Isbells 10-12 ECHT! 12-12 NAFT 13-12 Sound Track finale 15-12 Harry…

logo_musiczine_nl

Cactus Club, Brugge - concerts

Cactus Club, Brugge - concerts 2026 18-01 Xink (ism Stricto Tempo) (new date) 19-01 Lydia Lunch & Marc Hurtado play Suicide (+ the songs of Alan Vega) 23-01 Axelle Red (ism Stricto Tempo) 24-01 Nah Mean, NewYear celebration (Org: Do vzw) 28-01 Nicolas…

Democrazy Gent - events

Democrazy Gent - events Concerten 2025 Arsenal, nieuw album ‘okan okunkun’, Vooruit, Gent…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Erwin Vanlaere

Erwin Vanlaere

De naam van de Schotse muzikant en producer Edwyn Collins zal wellicht voor altijd verbonden blijven aan zijn ene wereldhit “A Girl Like You” uit 1994. Sindsdien heeft hij nog enkele soloalbums uitgebracht maar hij slaagde er niet in enig vervolg aan dat succes te breien. Aldus stond Collins zelf niet meer zo nadrukkelijk in de schijnwerpers en waren zijn nummers evenmin in de hitlijsten terug te vinden. Niet dat Collins dit nadrukkelijk opzocht maar enkele cruciale gezondheidsfactoren werkten een verdere muzikale opmars zeker niet in de hand.
In 2005 werd Collins namelijk - met een verschil van amper enkele dagen - het slachtoffer van een dubbele hersenbloeding. Hij overleefde een riskante operatie maar kreeg ook nog eens af te rekenen met de ziekenhuisbacterie zodat een nieuwe operatie zich opdrong. Het verdict na deze zware aanslag op zijn lichaam was keihard: het vermogen om te praten, lachen of staan was compleet weg. Een intensieve revalidatie drong zich op. Maar door een enorme wilskracht en doorzettingsvermogen in combinatie met de niet aflatende, liefdevolle steun van zijn vrouw/manager Grace Maxwell werd - gezien de omstandigheden - een grote progressie geboekt. In die mate zelfs dat hij in 2007 het album ‘Home Again’ uitbracht met songs weliswaar opgenomen voor zijn ziekte, maar nadien afgewerkt en gemixt. Collins vond zelfs nog de energie er een tournee aan te verbinden.
En dit jaar konden we zelfs getuige zijn van een nieuw huzarenstukje. Enigszins onverwacht bracht de inmiddels 51-jarige Collins enkele maanden terug het album ‘Losing Sleep’ met louter nieuwe songs uit. Door een verlamming aan de rechterkant behoort gitaarspelen voor Collins niet meer tot de mogelijkheden maar op zijn intussen zevende studioplaat was er aan hulp geen gebrek.

Collins heeft namelijk een niet onbelangrijk verleden als frontman van de eind jaren ’70 opgerichte post-punk formatie Orange Juice. Deze indiegroep avant la lettre kende slechts een korte levensduur en er werd met het fantastische ‘Rip It Up’ (1983) maar één enkel hitje gescoord, maar door het na verloop van tijd toevoegen van diverse muziekgenres als soul, funk en dub oefenden ze ook na hun bestaan heel wat invloed uit op andere artiesten. Het eerste werk van The Smiths is nauw verwant met het oeuvre van Orange Juice en ook jongere formaties als Belle And Sebastian, Franz Ferdinand en The Drums halen de groep meermaals als belangrijke inspiratiebron aan.
Het is dan ook treffend en mooi om te zien dat heel wat van die intussen bevriende artiesten niet te beroerd waren om wat span- en vriendendiensten te leveren op de nieuwe plaat van Collins. Het rijtje is niet min: The Drums, Ryan Jarman (The Cribs), Johnny Marr (ex-The Smiths), Romeo Stodart (Magic Numbers), Alex Kapranos en Nick McCarthy (Franz Ferdinand) en Roddy Frame (Aztec Camera). Allen hebben hun medewerking verleend.

Afgelopen maandagavond stond Collins op de planken van de AB Club ter promotie van ‘Losing Sleep’ én van ‘Coals From Newcastle’, een prachtige overzichtsbox van Orange Juice met op 6 cd’s en één dvd alles wat de groep ooit heeft uitgebracht, inclusief b-kantjes en radiosessies.
Vanzelfsprekend waren voormelde artiesten niet op het appèl maar Collins had toch een mooie begeleidingsband om zich heen verzameld: Tom Edwards (gitaar), Andy Hackett (ex-The Rockingbirds, gitaar), Carwyn Ellis (frontman van de psychfolkgroep Colorama, basgitaar), Boz Boorer (o.m. medeauteur van diverse nummers van Morrissey, keyboards en saxofoon,) en niet in het minst ook Paul Cook (ex-Sex Pistols, drums).
Ze omringden Collins op het podium niet alleen lichamelijk maar ook muzikaal op een gepaste en aanvullende manier.
Rechterarm verkrampt, wandelde Collins zelf het podium op en af met behulp van een wandelstok en nam nagenoeg het volledige concert plaats op een versterker, tekstenboek naast hem en een flesje water binnen handbereik.
Spreken bleek nog steeds erg moeilijk en langzaam te gaan. Dit kwam tot uiting bij het aankondigen van de nummers. Ook vergat hij af en toe heel even zijn teksten (bij “Consolation Prize”) en sommige rustige passages (zoals “Home Again” of “One Track Mind”) waren iets te hoog gegrepen omdat de spaarzame instrumentatie nog meer de aantasting van zijn stem blootlegde.
Maar voor het overige bleek mede door de passende instrumentatie dat zijn stem nog steeds even broos als energiek kan klinken, zij het dat het Collins de nodige moeite kostte.
Hoogtepunten waren “What’s My Role?” (waarin duidelijk de strakke invloed van The Cribs doorklonk), “Humble” (ondanks de problemen met de effectenpedalen bij Edwards), “Rip It Up” (voorzien van een mooi wahwahgitaartje en andere aanvullende effecten), het bluesrockgetinte “Do It Again” (met Edwards in de rol van Kaprano) en bovenal “Don’t Shilly Shally” (een eenzaam singeltje uit 1987). Vanzelfsprekend ontbrak ook het onvermijdelijke “A Girl Like You” (door Collins overigens rechtstaand vertolkt) niet.
Bij de toegiften verschenen aanvankelijk enkel Collins en Ellis (vergezeld van een akoestische gitaar) op het podium om sober en intiem onder meer “Searching For The Tuth” te vertolken. Collins voorzag dit nummer van extra inkleuring via mondharmonica. Uiteindelijk werd in voltallige bezetting afgesloten met een snedig “Blue Boy”. Daarbij getuigde Collins nog steeds over een grote dosis humor te beschikken want toen Hackett vooraf wat aan het worstelen was met (het stemmen van) zijn gitaar en dito pedalen, moest Collins er om lachen en voegde er zelfrelativerend aan toe dat dit blijkbaar de manier is hoe met een classic binnen het Orange Juice repertorium wordt omgesprongen.

Anderhalf uur zijn we getuige geweest van een muzikant die heeft leren leven met zijn beperkingen. Het concert betrof geen zielige vertoning noch een bikkelharde confrontatie met menselijk leed. Eerder straalde het positivisme en blijdschap uit en had het iets weg van een hartverwarmende vertoning binnen familiale sfeer. Getuige ook het feit dat achter de schermen de nauwlettende entourage – met Grace Maxwell op kop – bekommerd maar vooral trots en ontroerd toekeek naar het verloop en de manier waarop de aanwezigen enthousiast de nummers onthaalden.
Wat het publiek voorgeschoteld kreeg, was geen weergaloos concert maar wel een goede vertoning. Met een mix van nagelnieuwe nummers en een terugblik op het verleden was er voor elk wat wils. En niet te vergeten: we waren niet de enigen die stilletjes hoopten maar eigenlijk niet meer verwachtten om Collins ooit nog op een dusdanig waardige manier de schatkist van Orange Juice live te zien (en vooral horen) openen. De fans trakteerden op een groot applaus en respect.

En dit vormt zeker geen eindpunt. Collins heeft een nieuw platenlabel, ‘The Artisans’ (tevens een nummer van Orange Juice), opgericht en neemt daarbij ook productioneel enkele jongere groepen onder de arm. Een voorbeeld daarvan zijn de van origine Duits maar in Londen residerende The Kinbeats. Zij mochten trouwens in de AB Club het voorprogramma van Collins doen. Met hun samenzang en zeemzoete muziek brachten de drie broers Arthur, Patrick en Paul samen met hun neefje Bart een niet onaardige set maar nummers als “Luh Luh Love” (heel goed geluisterd naar de outro van “Hey Jude” van The Beatles), “You’re My Religion” (volgend jaar de eerste single), of “Sail Away” (zomers en refererend aan de indiepop van het gewezen groepje Dodgy) klonken zo vederlicht dat ze voorbij waaiden zonder de kans te krijgen om in het gehoor te blijven liggen. Enkel “We Don’t Wanna Wake Up” vertoonde wat eigenheid en was voorzien van weerhaakjes door de snedige gitaren.

Setlist Edwyn Collins
Loosing Sleep, Dying Day, What Presence, Make Me Feel Again, Wheels Of Love,, Consolation Prize, What Is My Role?, It Dawns On Me, Home Again, Humble, Falling And Laughing, Rip It Up, Do It Again, Don’t Shilly Shally, A Girl Like Yoo
Bis: Searching For The Truth, One Track Mind, In Your Eyes, Blue Boy

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Andy McCluskey en Paul Humphreys speelden al enkele jaren samen in diverse kleine formaties toen ze in 1978 besloten verder te gaan onder de naam Orchestral Manoeuvres in the Dark (OMD). Vanaf hun gelijknamige debuutplaat zouden ze met hun synthpop in nauwelijks twee jaar tijd uitgroeien tot één van de vaandeldragers binnen de elektronische muziek via als excellent te beschouwen albums ‘Organisation’ en ‘Architecture & Morality’.

Zelf zagen we OMD in 1983 voor de eerste maal aan het werk in de Brielpoort in Deinze waar ze hun vierde studioalbum ‘Dazzle Ships’, een donkere en ietwat meer experimentele plaat, kwamen promoten. We zijn intussen een kwarteeuw later en intussen is er vanzelfsprekend veel veranderd. De Brielpoort is intussen niet langer de gastheer voor overbekende artiesten maar herleid tot een festiviteitenhal waar de grote internationale sterren enkel nog in lp-, cd- of postervorm te bewonderen zijn. Ook OMD maakte met ‘Junk Culture’ (1984) nog een degelijk en succesrijk album maar nadien was het succes zowel artistiek als commercieel tanend. Er werden almaar meer toegiften gedaan richting verkoopcijfers en behalve enkele degelijke singles overheerste de onregelmatigheid.
In 1989 verliet Humphreys de groep uit ongenoegen over de commerciële weg die werd ingeslagen en McCluskey deed onder de naam OMD verder, scoorde her en der nog wat hitjes maar trok in 1996 ook zelf de stekker er helemaal uit.
Het non-actief zou duren totdat ze in 2007 in hun ‘klassieke’ bezetting (inclusief toetsenist Martin Cooper en drummer Malcolm Holmes) aan een nieuwe tournee begonnen om het album ‘Architecture & Morality’ nog eens in zijn totaliteit te brengen aangevuld met enkele andere oude nummers (in het kader hiervan deden ze overigens ook een concert in de AB).
En daar bleef het niet bij want wat niemand nog verwachtte, was dat er in september van dit jaar onder de titel ‘History Of Modern’ een nieuwe plaat werd uitgebracht. Dit 11de studioalbum is geen wereldschokkende plaat en kan zeker niet die de vergelijking doorstaan met hun eerste werk maar onaardig is het ook niet (vooral niet als men rekening houdt met het feit dat er tussen hun vorige studioalbum en tussen het album ‘The Pacific Age’, dat nog met het vertrouwde viertal werd opgenomen, 14 respectievelijk 24 jaar zit).

Toen OMD ook aankondigde er een concertenreeks aan te verbinden, werd dit erg positief onthaald door de fans. Afgelopen maandag stonden de vier heren in dat kader opnieuw in de Brusselse AB.
Het uit Brighton afkomstige kwartet Mirrors werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen en toen zij aan hun set begonnen, was de zaal al vrij aardig gevuld met overwegend dertigers en veertigers. Men had deze groep niet toepasselijker kunnen programmeren. Getooid in stijlvolle grijze pakken, het haar kort geknipt en de bij momenten robotachtige houding deed meermaals aan Kraftwerk, de groep waar ook OMD de mosterd haalde, denken. Ook de muziek in combinatie met projecties op de achtergrond flirtte meer dan eens overduidelijk met de karakteristieken van de Duitse elektronische pioniers.
Over het kanaal wordt de groep als erg beloftevol gecatalogeerd en we kunnen begrijpen waarom. Zanger James New (ex-Mumm-Ra en lichamelijk bijna een jongere kopie van Alex Kapranons, zanger bij Franz Ferdinand), James Arguile (elektronische percussie en eveneens ex-Mumm-Ra) en Ally Young en Josef Page (allebei keyboards) weten melodieuze nummers te brengen waarbij oude met nieuwe elementen en invloeden gecombineerd worden. Zoals net aangehaald, hoorden we onder meer bij “Ways To An End”, “Lights And Offerings”, “Into The Heart” en “Hide And Seek” vooral Kraftwerk maar tevens Depeche Mode en New Order. Maar telkens wisten ze mede door de warme stem van New aan hun ‘pop-noir’ een catchy eigenheid te geven. Een geslaagde set die het publiek zich vlotjes liet smaken. Hun eerste fullalbum mag begin 2011 verwacht worden.

Stipt om 21u vatte OMD zijn concert aan met enkele op een groot zwart gordijn geprojecteerde beelden die – excuseer ons voor de herhaling – erg deden denken aan het onvermijdelijke Kraftwerk. De begeleidende intro bestond uit “History Of Modern (Parts III & IV)” die enkel terug te vinden is als b-kantje op de vinyl versie van de nieuwe 7’’ ‘Sister Marie Says’.

Hierna mochten ook de spots hun werk doen en toen het doek letterlijk gevallen was, werd ingezet met “New Babies: New Toys” uit het meest recente album.
Andy McCluskey kondigde meteen aan dat de setlist wat oud en wat nieuw werk zou bevatten en met de woorden “This is old” kwam het nog steeds bijzonder sterke “Messages” (1980) aan bod. Het geluid zat meteen goed, McCluskey was goed bij stem en er werd gemusiceerd met de viriliteit als toen ze twintig waren.  Dit gold evenzeer bij “Bunker Soldiers” (eveneens uit hun debuutplaat) dat tot menige tevredenheid op de setlist werd geplaatst.
Het klonk allemaal strak en mede door de extra basgeluiden en de korte aanhalen van de keyboardtoetsen kon bij een nummer als “Tesla Girls” de dreiging van middelmaat en  verveling moeiteloos afgewimpeld worden.
De groepsleden hadden er duidelijk zin in en bij “History Of Modern (Part I)” kon de ‘bad dancing’ beginnen. McCluskey voegde de daad bij het woord, liet zijn basgitaar links liggen en gaf zich expressief over aan de meest gekke danspasjes. We waren nog maar enkele nummers ver of het zweet gutste van hem af.
Een rustpunt was op zijn plaats en Paul Humphreys mocht de vocalen voor zijn rekening nemen bij “(Forever) Live And Die” en deed dit nadien nog even over bij het rustige “Souvenir”.
Prachtig was “She’s Leaving” uit ‘Architecture & Morality’ (de toevoeging van de ietwat overbodige echo op de stem had ons inziens evenwel niet gehoeven). Het tweeluik “Joan Of Arc” en “Joan Of Arc (Made Of Orleans)” blijft – zeker in de Lage Landen - nog steeds in het geheugen van de (aanwezige) fans gegrift en kon op bijzonder veel respons rekenen. Terecht want mede door de fraaie projecties werden beiden mooi uitgevoerd. In dezelfde donkere sfeer vertoefde het nieuwe “New Holy Ground” dat verwantschap toont met hun eigen “Romance Of The Telescope” (uit ‘Dazzleships’) en zelfs dicht aanleunt bij”‘Leave In Silence” van Scooter.
Na “Green” volgden “
Talking Loud And Clear”, “So In Love” (voorzien van extra saxofoon bespeeld door Cooper en gesamplede hoge stem) en “Locomotion”. OMD ontving een uitbundig applaus van een bijzonder enthousiast publiek en een zuchtende – en nog steeds  transpirerende - McCluskey nam het namens het viertal met grote dank in ontvangst.
De zopas uitgebrachte nieuwe single “Sister Marie Says” werd aangekondigd als een nieuwe doch fantastische song. Gedeeltelijk slechts waar want deze track werd al gecomponeerd in 1981, haalde net niet het album ‘Universal’ (1996) maar werd nu wel opgenomen op ‘History Of Modern’.
”Pandora’s Box” had wat weg had van de Pet Shop Boys en bij “Sailing The Seven Seas” werden er wat extra oosterse klanken toegevoegd.
Het obligate - en absolute publiekslieveling – “Enola Gay” sloot het eerste deel van de set af. De uitzinnige toeschouwers in de AB dansten en schreeuwden het geheel oorverdovend naar een hoogtepunt.
Er waren nog twee toegiften. Bij “Walking On The Milky Way” speelde Humphreys niet enkel de intro maar ook de outro verkeerd. Charmant was dat hij zelf met het geklungel kon lachen en ook McCluskey dreef de spot met hem door het publiek te vragen of iemand dit op tape had staan omdat een dergelijke vergissing zelden gebeurde. Waarop Humphreys repliceerde dat aldus werd aangetoond dat de concerten van OMD wel degelijk live verlopen. Elektronisch muziek kreeg meteen een bijzonder menselijk gelaat.
Afsluiter van dienst was “Electricity”, niet enkel de allereerste single van OMD maar ook “The fastest song we have” aldus McCluskey zich richtend tot de toeschouwers die knusjes in de zeteltjes op het balkon zaten. Het publiek liet zich niet onbetuigd, zong luidop mee en ging zich een allerlaatste maal te buiten aan ondefinieerbare dansbewegingen.

Vier glimlachende gezichten op het podium en algemene tevredenheid in de zaal. Met een set van exact anderhalf uur en een combinatie van nieuw werk en heel wat hits en/of oudere favorieten, bezorgde OMD de aanwezigen een erg leuke avond. De plaat ‘Dazzle Ships’ bleef onaangeroerd en aldus ontbeerden “Genetic Engineering” en “Telegraph”. Maar ach, OMD heeft aangetoond dat hun repertorium de tand des tijds heeft doorstaan en met groepen als Mirrors lijkt het erop dat ook de toekomst van de elektronica verzekerd wordt.

Setlist OMD: Intro - History of Modern Parts (III & IV), New Babies: New Toys, Tesla Girls, Bunker Soldiers, History Of Modern (Part I), (Forever) Live And Die, She’s Leaving, Souvenir, Joan Of Arc, Joan Of Arc (Made Of Orleans), New Holy Ground, Green, Talking Loud And Clear, So In Love, Locomotion, Sister Marie Says, Pandora’s Box, Sailing On The Seven Seas, Enola Gay
Walking On The Milky Way, Electricity

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

De Schotse zanger Jim Kerr behoeft in de Lage Landen weinig of geen introductie. Als frontman van de Simple Minds heeft hij hier de voorbije drie decennia met zijn groep zonder al te veel moeite zalen kunnen uitverkopen, weiden laten vollopen en menige hartjes sneller doen slaan.
Vorig jaar leverden ze hier in hun bijna originele bezetting nog een glansprestatie af tijdens Suikerrock, op de Lokerse Feesten en in Vorst Nationaal. En ook afgelopen zomer zouden ze in beginsel als hoofdact fungeren op Werchter Classic maar dat feestje ging niet door omdat een annulering zich wegens productionele redenen (men kon niet tijdig alle apparatuur vanuit Noorwegen overbrengen) opdrong.

De fans hoefden echter niet te treuren. Voor het eerst in zijn carrière bracht Kerr enkele maanden terug zijn allereerste soloalbum uit onder de noemer ‘Lostboy! A.K.A. Jim Kerr’. Geen wereldschokkende plaat maar meer dan verdienstelijk en van een dusdanige niveau en stijl dat dit ook de fans van de Simple Minds zou moeten kunnen bekoren.
De promotionele clubconcerten brachten Kerr op 30 mei naar een snel uitverkochte Botanique (Brussel). Voor wie toen naast een ticket greep, had de Democrazy voor een herkansing gezorgd. Ze waren er namelijk in geslaagd om de openingsavond van het tweede luik van de tournee in de Gentse Handelsbeurs te laten plaatsvinden. Ideale gelegenheid dus om Kerr vanaf enkele minieme meters en dus (bijna) lijfelijk te kunnen meemaken.

De komende concertreeks is trouwens geen herhalingsoefening van deze die in het voorjaar werd afgewerkt omwille van een nieuwe aanpak. Na een generale repetitie bij enkele Europese radiostations waarop een beperkt publiek van wedstrijdwinnaars was uitgenodigd, werd het concept ‘Electro Set’ boven de doopvont gehouden. Kerr wordt op het podium muzikaal enkel begeleid door synthesizerklanken voortgebracht door toetsenist Simon Hayward (Automated Groove Machine en tributegroepen als Sample Minds en Depeche M@de) en vocaal ondersteund door Sarah Brown (Roxy Music, Duran Duran, Simply Red, e.d.m.). Of anders uitgedrukt: qua instrumentatie ontberen (bas)gitaren of drums en krijgen alle nummers derhalve een louter elektronische uitvoering.
Een kwartier later dan aangekondigd werd met “Kill Or Cure” de avond in Gent geopend. Een nieuwe compositie die volledig in de lijn lijkt te liggen van het materiaal op de debuutplaat ‘Lostboy! A.K.A. Jim Kerr’ en waarvan de klankkleur onderhuids verwantschap vertoont met ouder werk dat terug te vinden is op de albums ‘Sons And Fascination’, ‘Sister Feelings Call’ en ‘New Gold Dream (81-82-83-84)’, een drieluik van de hand van Simple Minds dat in zijn genre tot het sterkste van de jaren ’80 mag gerekend worden.
Daarna volgden de allereerste single “Shadowland”, “She Fell In Love With Science”, “Bulletproof Heart” (oorspronkelijk van Fingerprintz) en “Karma To This Rain”. Verdienstelijk maar niet echt beklijvend.
Zonder absolute drang naar een nostalgische trip werd het pas echt interessant toen Kerr liet weten ook enkele fragmenten te brengen uit het Simple Minds’ album ‘Empires And Dance’ uit 1980. “This Fear Of Gods” klonk nog steeds even donker, bezwerend en kernachtig als dertig jaar terug en het niveau van de set werd hiermee kordaat opgekrikt. ‘De eerste keer dat we dit nummer spelen in sinds weet ik veel welke tijd’, aldus een zuchtende Kerr.
Ook “Cynical Heart”, van oorsprong een trancenummer van de hand het Duitse duo Jam & Spoon waarop Kerr in 2003 de gastvocalen verzorgde, klonk goed. Niet in het minst door de warme stem van Jim die mooi boven de klanken zweefde.
Maar daarna zakte het concert als een pudding in elkaar. “Refugee” klonk te mechanisch, te koel en vooral te flauw. De tastbare ‘klassieke’ instrumenten werden gemist en de song ontbeerde aan grandeur en epiek. Ook bij nieuwelingen “In Every Heaven” en “Sense Of Discovery” was het dansen op een slappe koord. Hoofdverantwoordelijke was opnieuw de synthesizer die de muziek liet klinken als kwam het uit een blikken doos.
”Remember Asia” met het fijne gitaarrifje en “Red Letter Day” boden iets meer kwaliteit maar vervielen door het gesamplede in hetzelfde euvel.
In de eerste bisronde nam Sarah Brown bij “The Wait” een deel van de hoofdvocalen voor haar rekening en vertoonde het dromerige “Broken Glass Part” duidelijk referenties met de begindagen van de Simple Minds.
Nadien verliet het trio opnieuw het podium waarna Kerr aanvankelijk alleen terugkwam om het publiek nog eens uitvoerig te danken voor hun komst en voor de jarenlange steun. Hij liet weten dat voor het volgende nummer iets speciaals werd voorzien. Ingegeven door het feit dat zijn naam in de loop van het concert al eens door Kerr vernoemd werd, droomden wij er stiekem van dat rechterhand Charlie Burchill mee op het podium zou komen – wat in het voorjaar in de Amsterdamse Melkweg daadwerkelijk gebeurde. Maar dat de meeste dromen bedrog zijn, werd nog maar eens aangetoond. Geen Burchill te bespeuren maar het was Sarah Brown die haar eigen gloriemoment toebedeeld kreeg en een nummer mocht zingen. De keuze viel op “Teardrop” van Massive Attack. Dat Brown een goede stem heeft, hoefde niet bewezen te worden maar dit nummer lag haar niet en ook de instrumentatie – nog steeds die ene synthesizer - kon het origineel qua impact totaal niet benaderen. Wij zouden zelfs durven spreken van een tenenkrullende versie.
En de kelk moest blijkbaar helemaal leeggedronken worden want van een finale climax was evenmin sprake. “Spaceface” (uit het Simple Minds’ album ‘Cry’, 2002) vloeide over naar “I Travel” (Empires And Dance’). Op zich een fantastische keuze ware het niet dat door te overvloedige pompende beats alles naar de verdoemenis gespeeld werd. Had men laten weten dat het een verborgen camera programma betrof met onze eigenste Reggie Penxten of Pat Krimson betrokken in het complot, we hadden niet vreemd opgekeken.

Anderhalf uur concert met enkele fraaie maar veeleer matige tot bijzonder flauwe (instrumentale) momenten is de slotsom. Aan Jim Kerr lag het niet. Hij was goed bij stem en was helemaal in zijn vertrouwde doen. Het publiek vragen de handen in de lucht te steken, de microfoon statisch in de lucht steken, knipogend naar enkele fans, op zijn ondertussen kenmerkende manier bewegen op het podium: het was er allemaal. Bij de muziek - hoe futuristisch en vernieuwend ook – werd het gaspedaal iets teveel op onnodige momenten ingedrukt zodat men zichzelf leek voorbij te rijden.

Setlist: Kill Or Cure, Shadowland, She Fell In Love With Science, Bulletproof Heart, Karma To This Rain, This Fear Of Gods, Cynical Heart, Refugee, In Every Heaven, Sense Of Discovery, Remember Asia, Red Letter Day
The Wait, Broken Glass Park
Teardrop, Spaceface / I Travel

Organisatie: Democrazy (ism Handelsbeurs), Gent

De muzikale invloed van de inmiddels 62-jarige Britse artiest Steve Winwood gedetailleerd in kaart brengen, zou een uiterst intensief en omvangrijk werk zijn. Wijzelf beperken ons hierbij tot een kleine greep uit de overvolle ton van realisaties.

Reeds als tiener maakte Winwood duidelijk dat hij een begenadigd gitaar- en Hammond B3-speler was en begeleidde hij artiesten als Muddy Waters, John Lee Hooker, B.B. King, Chuck Berry en Bo Diddley tijdens hun respectievelijke tournees in zijn thuisland. Amper de leeftijd van 15 bereikt, maakte hij deel uit van de Spencer Davis Group en pende enkele wereldhits neer in de vorm van “I’m A Man” en “Gimme Some Lovin’”. Omdat Winwood – nooit vies van een muziekgenre meer of minder – het muzikale spectrum van de groep breder wou zien (onder meer via een injectie jazz) en andere opportuniteiten zag, verliet hij de groep om in 1967 samen met Jim Capaldi, Chris Wood en Dave Mason de formatie Traffic op te richten. Vervolgens vormde hij in het gezelschap van Eric Clapton, Rick Grech en Ginger Baker de supergroep Blind Faith waarbij de samenwerking resulteerde in één gelijknamig album (1969). Met Grech en Baker werkte Winwood eventjes samen binnen een jazz-rock fusion groep genaamd Ginger Baker’s Air Force om zich uiteindelijk na een hereniging met Traffic op een meer dan succesvolle, met grammy’s overladen solocarrière toe te leggen. En zelfs daar hield het niet op. Bracht Winwood geen eigen werk uit, was hij in de weer als studiomuzikant bij grootheden als pakweg The Who, Joe Cocker, Lou Reed, George Harrison, David Gilmour, Tina Turner of James Brown.

Het hoeft dan ook geen betoog dat Winwood hoog aanzien geniet. Maar ondanks al die eer en aandacht, kan hem geen kapsones verweten worden. Afgelopen zaterdag betrad hij namelijk onaangekondigd en losjes gekleed (hemd uit de broek) het podium van de AB, stapte terwijl de lichten nog niet gedoofd waren rustig naar zijn geliefde Hammond en sloeg met enkele rake bewegingen de juiste noten aan om aldus met “I’m A Man” het concert van start te laten gaan. Meteen een strakke en swingende opener waarbij de soul en de R&B broeierig klonken als vanouds. Het publiek reageerde met groot applaus en Winwood nam het vriendelijk in ontvangst.
Na het uit zijn meest recente album ‘Nine Lives’ (2008) afkomstige “Hungry Man”, volgde “Can’t Find My Way Home” (Blind Faith) waarbij Paul Booth de Hammond bespeelde en Winwood de gitaar ter hand nam. Met zichtbaar gemak evenaarde hij de kunde van Clapton. Ook bij “Dirty City” (‘Nine Lives’) waar Clapton op plaat eveneens een belangrijk deel van deze gitaarpartijen voor zijn rekening neemt, etaleerde Winwood zaterdag nogmaals dat hij de evenknie kan zijn van Mr. Slowhand.
Na “Fly” (eveneens uit ‘Nine Lives’) dat met zijn mix van Braziliaanse, Afrikaanse en Keltische elementen en mede door de zachte gitaarklanken van Tim Cansfeild en de percussie van Satin Singh erg zomers klonk, was het hoofdstukje Traffic aangebroken.
”Light Up Or Leave Me Alone” kreeg een minutenlange uitvoering waarbij jazz en funk primeerden, mede door de aan Maceo Parker refererende saxofoonklanken voortgebracht door Booth. Winwood op Hammond en Cansfeild op gitaar duelleerden en werden ritmisch vooruitgestuurd door drummer Davide Giovannini. Zonder de jazz-puristen op de tenen te willen trappen, het klonk alsof de acid jazz stroming aan een revival begonnen was.
Ook bij “The Low Spark Of High Heeled Boys / Empty Pages” kon er flink wat gesoleerd worden en stonden de jazz en funkklanken op de eerste plaats. De combinatie van Hammond, percussie en gitaar leek bij momenten weggeplukt uit een set van Carlos Santana. Een mogelijke vergelijking is niet zo vreemd te noemen want Winwood ondernam enkele maanden terug een tournee met de Mexicaanse gitaarvirtuoos.
Een ietwat matte versie van “Higer Love” was niet meer dan een voorbode voor een spetterende finale. In de bisronde bleek “Dear Mr. Fantasy” (Traffic) nog steeds een onverwoestbaar bastion te zijn waarbij het publiek kon genieten van de tempowisselingen, het gitaarwerk van Winwood en de extra bluesgetinte outro waarin zowaar zelfs een miniem instrumentaal stukje “Child In Time” van Deep Purple in verwerkt werd. “Gimme Some Lovin’” sloot de cirkel en vormde een fantastisch einde waarbij de vocalen, de Hammond, de wah wah gitaar, de sax en de drums in perfecte symbiose op elkaar aansloten.
”Keep On Running”, “Paper Sun”, “While You See A Chance”, “Valerie”, “Back In The High Life” en “Roll With It” bleven zaterdag in de jukebox steken maar door de vakkundigheid waarmee Winwood en zijn begeleidende muzikanten de wél gebrachte nummers aanpakten, was dit op zich geen absoluut gemis.

Toch dient te worden opgemerkt dat de duur van het concert (amper 1u20 en door het soleren nauwelijks tien nummers) veel te kort mag genoemd worden voor een artiest met een dergelijk oeuvre en die zonet een 4-delige overzichtsbox heeft uitgebracht onder de naam ‘Revolutions. The Very best Of Steve Winwood’.

Ook viel het enigszins te betreuren dat de setlist nagenoeg identieke vormen aannam als tijdens zijn vorige passage in de AB (op één dag na exact twee jaar geleden). Ietwat vreemd als men weet dat Jimi Hendrix tijdens de opnames van ‘Electric Ladyland’ hemel en aarde (en intussen al geruime tijd enkel de hemel) bewoog om een sessie met Winwood te kunnen doen en volop te kunnen improviseren (zie “Voodoo Chile” als resultaat). Een nieuw publiek zal Winwood namelijk niet meer aansnijden (ook niet de jongeren die hem kennen via Eric Prydz die zijn hit “Call On Me” volledig bouwde rondom “Valerie”) dus jammer dat de trouwe aanhang ei zo na dezelfde show voorgeschoteld kreeg en grote verrassingen als dusdanig uitbleven. Mede hierdoor hadden we de indruk dat middenin de set de aandacht van een deel van het publiek wegebde.
Anderzijds, de klasse en het spelplezier dat van het podium droop bij de vijf muzikanten, maakten veel goed.

En als we het woord ‘spelplezier’ gebruiken, willen we u ook niet de prestatie van The Holmes Brothers onthouden die hun nieuwe album ‘Feed My Soul’ (in een productie van Joan Osborne) kwamen voorstellen. Zij mochten als ‘voor’programma van Steve Winwood fungeren en deden dit op hun vertrouwde manier. Na een carrière van drie decennia en het podium dan wel de studio te hebben met gedeeld met onder meer Bob Dylan, Bruce Springsteen, Patti Smith, Peter Gabriel en Al Green, hebben de broers Holmes, Sherman (basgitaar en vocalen) en Wendell (gitaar, piano en vocalen), alsook Popsy Dixon (drums en vocalen) niks meer te bewijzen. Mooi om zien was hoe ook zij zich nog steeds kunnen vermaken op het podium. Wendell was vooral degene die het publiek met allerlei grapjes op sleeptouw nam en met hun mix van blues, gospel, R&B en soul brachten ze een hartverwarmende show. Zowaar een dubbelaffiche.

Setlist Steve Winwood: I’m A Man, Hungry Man, Can’t Find My Way Home, Dirty City, Fly, Light Up Or Leave Me Alone, The Low Spark Of High Heeled Boys / Empty Pages, Higher Love,
Dear Mr. Fantasy, Gimme Some Lovin’

Organisatie: Greenhouse Talent

Binnen de ruim twintigjarige bestaansgeschiedenis van The Divine Comedy is de Noord-Ierse zanger en muzikant Neil Hannon dé centrale figuur. Hij is niet enkel de enige constante en overblijvende factor maar hij is bovendien leverancier van de liedjesteksten en hoofdverantwoordelijke voor de muzikale omkleding.

Toen het concert van The Divine Comedy afgelopen woensdag in de Orangerie van de Botanique aangekondigd werd als ‘An Evening With Neil Hannon’ keek dan ook wellicht niemand vreemd op. De verrassing situeerde zich eerder in het feit dat hij de huidige concertenreeks ter promotie van het tiende studioalbum ‘Bang Goes The Knighthood’ voor de allereerste maal in zijn carrière solo afwerkt.
Vier jaar geleden stond The Divine Comedy namelijk nog in dezelfde Botanique in vol ornaat te schitteren en als men weet dat er op de recente platen niet op enkele strijkers of andere toeters en bellen meer of minder wordt gekeken (de muziek wordt daarom vaak te gemakkelijk ingedeeld in de categorie van de zogenaamde ‘chamber pop’), was het de vraag of de typerende warme, orkestrale en vaak sfeervolle klanken niet live zou gemist worden.

Iets na 21 uur zou het antwoord op deze vraag ons aangeleverd worden toen Hannon strak in pak, met een bolhoed op het hoofd en een Sherlock Holmes’ aandoende pijp tussen de lippen geprangd, het podium betrad. Hij begroette het publiek, zette zich aan zijn piano, nam uit zijn aktetas de setlist, nipte wat aan zijn glas wijn en zette “Down In The Street Below” in, gevolgd door het naar cabaret neigende “The Complete Banker” waarin Hannon uitdrukking geeft van zijn zeldzame boosheid over het feit dat naar aanleiding van de recessie de gewone belastingbetaler bleek op te draaien voor de hebzucht van bankiers.
Meteen werd duidelijk dat door de vrij naakte uitvoeringswijze van de nummers (louter piano en zang) de fraaie melodieën overeind bleven en de teksten veel meer op de voorgrond kwamen en dat mag gerust als een extra troef beschouwd worden gezien het feit dat deze schrijfselen doorgaans uitmunten in leuke doch gevatte verhalenlijnen. Hannon is namelijk een meester om rond de vaak meest eenvoudige onderwerpen schitterende nummers te schrijven en deze te voorzien van een prachtige instrumentatie.
Zo heeft hij vorig jaar samen met Thomas Walsh van de formatie Pugwash onder de naam The Lewis Duckworth Method een volledige plaat gemaakt rondom het simpele gegeven van de cricketsport. Lijkt op het eerste gehoor tot niks zinnigs te leiden maar dat zou buiten de vaardigheden van Hannon gerekend zijn want er werd opnieuw een knap werkstukje afgeleverd.
Anderzijds, doordat Hannon ditmaal op de planken niet geruggensteund wordt door een begeleidingsgroep komen natuurlijk wel de eventuele mankementjes nadrukkelijker onder de schijnwerpers te staan. Vooral in het begin van de set werd er als eens een verkeerde noot op de piano aangeslagen en had Hannon het soms moeilijk om de juiste zangtoon aan te houden. Maar met een kwinkslag en vooral veel enthousiasme en droge humor kwam Hannon er moeiteloos mee weg en toverde hij eerder een glimlach op het gezicht van de aanwezigen dan wel dat dit als een storend effect werd aanzien.
Sowieso droeg het massaal opgekomen publiek – het concert was al wekenlang uitverkocht – Hannon figuurlijk op handen en trakteerde hem na ieder nummer op een uitbundig applaus. Hoewel de muziek van The Divine Comedy niet om de haverklap op de radio te horen is, heeft hij intussen duidelijk een vaste fanbase opgebouwd niet in het minst ook door zijn samenwerkingsverbanden met onder andere Charlotte Gainsbourg, Air en Robbie Williams.
En Hannon hield ook voortdurend de aandacht van de aanwezigen vast door hen regelmatig bij het gebeuren te betrekken. Zo nodigde hij hen uit om mee te zingen of extra gezelligheid te brengen via ritmisch handgeklap. Hij onthulde de inhoud van zijn aktetas en zat de toeschouwers ook af en toe wat te plagen en zelfs uit te dagen. Toen er vanuit de zaal volop potentiële verzoeknummers werden aangevraagd, repliceerde hij hierop dat hij zou spelen wat hijzelf wou en vergeleek de schreeuwers als ronddwalende zombies. De mimiek die daarmee gepaard ging, kunnen we u jammer genoeg niet tonen maar het was hilarisch. 
Een ander markant moment viel te beleven bij de single “At The Indie Disco” dat zelfs in sobere pianoversie er niet in slaagde te verhullen dat dit een potentiële wereldhit zou kunnen zijn. Want we willen niemand op slechte gedachten brengen maar als hier aan de hand van een remix een extra beat zou worden aan toegevoegd, moet dit in staat zijn gensters te slaan en niet enkel op de dansvloer van een zogenaamde independent discotheek. “She makes my heart beat the same way as at the start of Blue Monday. Always the last song that they play” zong Hannon en om het plaatje compleet te maken, gaf hij een perfecte imitatie van de intro van New Order’s “Blue Monday” weg door op zijn microfoon te tikken. Om de sfeer van de jaren ’80 aan te houden, gooide hij er zelfs een ‘over the top’ versie van de hitsingel “Don’t You Want Me” van The Human League bovenop, inclusief het nabootsen van de hoge vrouwelijke stemmen. Er zat veel ironie en humor in vervat maar wat was het opnieuw verdraaid knap uitgevoerd.
Ook binnen het eigen repertorium werd af en toe teruggegrepen naar het verleden via ‘old tunes’ (dixit Hannon) als daar zijn: “The Pop Singer’s Fear Of The Pollen Count” (‘Liberation’, 1993), “The Summerhouse” en “Going Downhill Fast” (allebei uit ‘Promenade’, 1994). Uit het album ‘Casanova’ (1996) werden “Songs Of Love” en “Becoming More Like Alfie” geplukt en deze werden ook nog eens op akoestische gitaar vertolkt. Hetzelfde geschiedde voor “Neapolitan Girl” en voor “A Lady Of A Certain Age” uit ‘Victory For The Comic Muse’ (2006). Niet alleen op plaat een meesterwerkje maar ook live een kippenvelmoment dat de gehele zaal muisstil kreeg.
Een ander hoogtepunt vormde onder meer “Assume The Perpendicular” en ook de aanloop naar de finaleronde was er eentje om in te lijsten met prachtige versies van achtereenvolgens “Our Mutual Friend” (‘Absent Friends’, 2004), “I Like” (wat een liefdesverklaring!) en “Tonight We Fly” (‘Promenade’, 1994).
Na de toegiften die bestonden uit publiekslieveling “National Express” (‘Fin De Siècle’, 1998) en het grappige “Can You Stand Upon One Leg”, dankte Hannon iedereen en België in het bijzonder omdat de cover van het laatste album eigenlijk een ‘rip off’ zou zijn van René Margritte. Was het ironisch of surrealistisch bedoeld? Met Hannon weet men nooit maar in ieder geval was dit optreden dat tekstueel en muzikaal slingerde tussen vreugde en verdriet en tussen humor en ernst, bijzonder onderhoudend te noemen en viel er tijdens het anderhalf uurtje volop te genieten.

Neil Hannon onderstreepte duidelijk dat hij symbool staat voor The Divine Comedy en etaleerde dat zijn nummers ook zonder veel franjes overeind blijven. Geen geringe prestatie en wat ons betreft een geslaagde avond.

Setlist: Down In The Street Below, The Complete Banker, The Pop Singer’s Fear Of The Pollen Count, The Summerhouse, Going Downhill Fast , Assume The Perpendicular, Neapolitan Girl, Becoming More Like Alfie, The Lost Art Of Conversation, At The Indie Disco, Don’t You Want Me, Neptune’s Daughter, Have You Ever Been In Love, A Lady Of A Certain Age , Songs Of Love, Geronimo , Our Mutual Friend , I Like, Tonight We Fly
Bis: National Express, Can You Stand Upon One Leg

Neem gerust een kijkje naar de pics

Kijk gerust naar de review op site fr

Organisatie: Botanique, Brussel

Cactusfestival Brugge 2010 - Elvis Costello en Jamie Lidell niet enkel hoofd - maar ook topact

Telkenmale we het festivalterrein van het Brugse Cactusfestival betreden, wordt het ons keer op keer meteen duidelijk waarom wij zo weg zijn van dit driedaagse gebeuren. Het festivalterrein is prachtig gelegen midden het Minnewaterpark en slechts enkele stappen verwijderd van het historisch centrum. Het laat zich ook kenmerken door een gemoedelijke en ontspannen sfeer en er dienen geen hartverscheurende keuzes gemaakt te worden welke groep (niet) te gaan zien op welk podium. Alle artiesten passeren namelijk de revue op slechts één podium. U kan derhalve gemakkelijk de dorst lessen en de honger stillen zonder het idee te hebben diverse ontdekkingen of uitzonderlijke concerten te missen.

En dat deze combinatie niet enkel door ons gesmaakt wordt, getuigt het feit dat de kaartenverkoop - in het zog van het succes die concerten al enkele jaren mogen genieten - jaar na jaar crescendo toeneemt (ook deze keer mocht in de loop van de namiddag het bordje met het niet mis te verstane opschrift ‘Uitverkocht’ bovengehaald worden). Daarenboven is er nu ook internationale erkenning. Zo heeft het festival sinds januari van dit jaar de European Festival Award op zak voor het beste kleine festival van Europa.

Zelf koos uw recensent van dienst dit jaar voor dag 2 en zagen daar meteen Balthazar (***1/2) als leuke opwarmer – dat mede gelet op de officiële hittegolf in het vizier ook letterlijk zo opgevat mag worden - fungeren. Dit (van origine) Kortrijkse vijftal is aan een heuse opmars bezig. Hun dit jaar verschenen debuutalbum ‘Applause’ lokte erg positieve reacties en beoordelingen uit en als beloning staan ze geprogrammeerd op zowat alle grote Belgische festivals (afgelopen vrijdag mochten ze op Rock Werchter bijvoorbeeld nog de Pyramid Marquee op kwaliteitsvolle manier voor geopend verklaren). Ook nu was hun passage bijzonder geslaagd. Nummers als « Fifteen Floors » en « Hunger At The Door » klonken nog hoekiger, snediger en weerbarstiger dan we op plaat van hen gewoon zijn en het oogde ook allemaal iets minder verkrampt dan in de Werchterse tent, mede door de kleinschaligere omkadering – die dus al meteen opnieuw enkele troeven kon uitspelen. Dat Jinte Deprez en Maarten Devoldere door de felle zon moeite hadden om te zien of de gitaarpedalen al dan niet ingeschakeld waren, kon hen niet deren. Het aantal handen die Balthazar op elkaar kreeg van de reeds aanwezigen zou zaterdag een hele tijd overeind blijven als het meest intensieve, zeker omdat het publiek nog massaal aan het binnenkomen was.

Wie beter wel wat meer en steviger de pedalen had ingedrukt, was het Zweedse Little Dragon (*1/2). Op hun platen ‘Little Dragon’ (2007) en ‘Machine Dreams’ (2009) zijn diverse fijne momenten te bespeuren maar zaterdag bleken deze als sneeuw voor de zon weggesmolten te zijn nog voor de eerste noot werd aangeslagen.
Zangeresje Yukimi Nagano die via haar felgekleurde kimono haar deels Japanse afkomst accentueerde, had duidelijk haar dagje niet. Wij zagen haar nog ooit op fraaie wijze de gastvocalen voor haar rekening nemen bij het Zweedse elektronica-jazz duo Koop maar daar was zaterdag niks van terug te vinden. Als dieptepunt noteerden wij « Never Never », nochtans in wezen een totaal niet onaardige song.
Ook de begeleidende synthesizergeluiden die Håkan Wirenstrand er omheen strooide, waren ondoeltreffend en verre van origineel. De verveling sloeg snel toe en hoe zeer we ook ons best deden om ons er tegen te verzetten, de set had meer weg van een compilatie met herkenbare deuntjes die doorheen de nummers verweven zaten en ze zelfs gingen meebepalen. Een selectieve opsomming: Harold Faltermeyer en « Come Live With Me » (Heaven 17) waren present bij « Feather », een vleugje New Order en Sisters Of Mercy bij « Blinking Pigs », « The Man With The Red Face » (Laurent Garnier) en « The Lebanon » (Human League) bij « My Step » en « Gypsy Woman » (Crystal Waters) en « Put Your Hands Up For Detroit » (Fedde le Grand) bij « Swimming » dat – en het moet gezegd - dan weer wel beter klonk dan op plaat.
In het programmaboekje stond bij de omschrijving van Little Dragon vermeld dat het ging om “een samenwerkende vennootschap die soul, jazz, r&b en lounge fijntjes vermaalt tot een licht verteerbare doch bitterzoete delicatesse”. Tot op vandaag zijn wij nog steeds op zoek naar één woord uit deze omschrijving die strookt met wat het Little Dragon liet horen en zien in Brugge. We moeten het antwoord schuldig blijven. Lag het aan de warmte, het te vroege uur of aan het ontbreken van een nog intiemere clubsfeer? In ieder geval trakteerde de groep ons grotendeels op een draak van een concert.

Meer hoop en vertrouwen hadden wij in het Canadese Black Mountain (***). De groepsleden zien er niet alleen uit alsof een teletijdmachine hen rechtstreeks uit de jaren ’70 heeft overgebracht, hun muziek klinkt ook zo. Via een mix van klassieke (prog)rock en psychedelica roepen zij herinneringen op aan pakweg Deep Purple, Led Zeppelin en Jefferson Airplane (de stem van zangeres Amber Webber klinkt zelfs als deze van Grace Slick). Maar toch leggen zij via het toevoegen van onder meer bepaalde orgelklanken en een portie stonerrock bepaalde accenten waardoor hun werk boeiend en niet integraal gedateerd klinkt.
Of (ook) zij hun meerdere moesten erkennen in de kracht van de zon, is ons niet duidelijk maar de set begon traag en wat inspiratieloos (getuige « Angels » uit hun recentste plaat ‘In The Future’, 2008) en het duurde tot « Tyrants » (eveneens uit het voormelde album) vooraleer het publiek het de moeite vond om wat extra applaus terug te schenken. Dat er ook divers nieuw en onbekend materiaal (onder meer « Rollercoaster ») uit de op 13 september te verschijnen nieuwe plaat ‘Wilderness Heart’ voorgesteld werd, zal ook wel mede aan de basis gelegen hebben van de lauwe reactie van het publiek.
Het beste hielden ze tot op het laatste via een bij Queens Of The Stone Age aanleunende « 
Don’t Run Our Hearts Around » (uit het debuutalbum, 2005) en een stomende « Stormy High » (uit ‘in The Future’ van 2008). Een goed concert maar het miste de nodige drive – vooral Webber keek meermaals doelloos voor zich uit - om het te catalogeren als overweldigend ten tijde van hun bezoek aan Pukkelpop twee jaar terug.

José James (***) heeft zopas met onze landgenoot en pianotalent Jef Neve samengewerkt en dit mondde uit in een gezamenlijke plaat ‘For All We Know’ waarop covers te vinden zijn van tien jazz- en popstandards. Afgelopen zaterdag stond hij er met zijn eigen werk, geruggensteund door een eigen groep.
José James mag dan een vriendelijke persoon op zich zijn, live is hij een charismatische lefgozer. Nadat hij met « Code » zijn set opende, trok hij voluit de kaart van de jazz waarbij hij met zijn fantastisch klinkende bariton stem de uitdaging aanging om met zijn bekwame muzikanten – die hij diverse malen uitvoerig dankte - in duel te gaan teneinde via een soort freestyle hun instrumenten te laten anticiperen op zijn stemkunsten. Dat hij een fantastische zanger is, staat buiten kijf maar het leek er op dat hij dit via een opeenstapeling van repetitieve stemklanken iets te veel wou etaleren.
Voor een jazz festival of een zaalconcert zou dit perfect passen maar voor een openluchtfestival als Cactus impliceert dit een serieuze uitdaging. Het publiek aanhoorde de show maar liet het wat over zich heen gaan.
Door de bijdrage van de bevriende zangeres Jordana de Lovely uit Brooklyn, New York (het zwoele en intense « Love Conversation »), de toenemende mix van soul, contempary R&B, hiphop (« Made For Love ») en dubstep (zie onder meer « Warrior ») kwam er wat meer zwier en opwinding in de set en kreeg hij meer en meer luisterende oren mee.
“I bring the jazz to the hop” zong José James. Volgende keer de stijlen wat meer evenwichtig verdelen en er mag een sterretje aan de beoordeling toegevoegd worden. Een mooi en gedurfd concert, maar wel eentje voor de fijnproevers en de doorzetters.

Waar vroeger de zondag werd voorbehouden voor voornamelijk wereldmuziek werd de formule door de organisatoren van het Cactusfestival de voorbije jaren geheel aangepast in die zin dat alle stijlen en genres doorheen alle dagen verweven worden. Dit is niet enkel commercieel een goede zet gebleken maar het biedt aan het publiek de mogelijkheid om zich ook geluiden toe te eigenen waar het normaal niet mee in aanraking komt of zich niet mee vertrouwd voelt. Dit jaar was dit dus een beetje het geval met José James maar bovenal met het collectief Balkan Beat Box (***) die als ‘vreemde’ bijt geprogrammeerd stonden tussen overwegend rock- of popgroepen.
Door een amalgaam aan instrumenten en stijlen is het geluid dat dit Israëlisch/Amerikaans collectief voortbrengt een duidelijk toonbeeld hoe eclectisch muziek kan zijn. Rockmuziek, hiphop, klanken uit het middenoosten, opzwepende ritmes uit de Balkan en daarenboven wat Afrikaanse invloeden: het werd allemaal door het publiek fel gesmaakt en hun concert mondde uit in een waar feest. Vanaf de allereerste noot zat de stemming er in en dit bleef aanhouden tot het einde met als apotheose enkele meisjes die op het podium mochten mee swingen.
Voor wie houdt van Goran Bregovic, Shantel & Bucovina Club Orkestar of Gogol Bordello (medeoprichter Ori Kaplan maakte daar trouwens nog ooit deel van uit), of voor iedereen die lekker wil feesten, is dit een aanrader. ‘Hear, see, feel the world’ is de festivalslogan van Cactus en dat was integraal van toepassing op het concert van de Balkan Beat Box. O ja, en voor wie begaan is met het natuurbehoud: u mag gerust zijn. Bij navraag is gebleken dat alle bloemen in het park het hebben overleefd.

Na tien jaar en wat solowerk besloten Sarah en Gert Bettens nog eens als K’s Choice (***) samen de studio in te duiken en een nieuw album uit te brengen. Ze lieten zich omringen door vorige groepsleden Eric Grossman (basgitaar) en Koen Lieckens (drums), alsook door een nieuwe gitarist en toetsenist in de persoon van respectievelijk Thomas Vanelslander en Reinout Swinnen. ‘Echo Mountain’ was het resultaat en kwam dit jaar in de winkels te liggen. Het werd meteen een dubbelaar waarbij de ene kant is gevuld met rustige liedjes en op de andere plaat rocknummertjes terug te vinden zijn die een publiek moet kunnen aanspreken in de leeftijdscategorie van 7-77 (waarbij uitschieters aan beide kanten zelfs niet tot de onmogelijkheden behoren). Niet dat we hiermee enige kritiek willen uiten op het sympathieke duo en hun muzikanten maar we willen aangeven dat als de muziek gehoor vindt bij zo’n grote bevolkingslaag, dit er op duidt dat de scherpe kantjes er van afgehaald zijn.
En dat is ook wat het optreden in Brugge uitstraalde. Gedegen en goed maar zonder uitschieters. Nog in negatieve noch in positieve zin. Extreme, alternatieve of provocerende horizonten werden niet opgezocht maar dat verwachten de fans wellicht ook niet.
Sarah was haar uitbundige zelve en Gert musiceerde goed maar hield zich wat afzijdig mede doordat hij een tijd buiten strijd was wegens. Enige uitzondering vormde zijn mooie gitaarintro bij « If You’re Not Scared ». Het rustiger songmateriaal zoals « Killing Dragons » genoot onze voorkeur. De klassieke rockers klonken namen te weinig als echte rock. « Cocoon Crash », « I Will Carry You » en het onmiddellijk daarop aansluitende – want de intro is intussen zo herkenbaar geworden – « Not An Addict » klonken allemaal wat vlak. »‘God Is In My Bed » vormde wel een mooie afsluiter maar kon niet verhinderen dat dit alles net een nodig extraatje mistte.

Wij keken vooral uit naar de komst van Elvis Costello And The Sugarcanes (****). Na eerdere uitstapjes richting onder meer klassieke muziek en jazz blikte Mr. MacManus (beter bekend als Costello) vorig jaar de uit blues, bluegrass, zydico, americana en country opgetrokken plaat ‘Secret, Profane & Sugarcane’ in. Hij deed dit samen met een begeleidingsgroep bestaande uit ervaren muzikanten als Jeff Taylor (accordeon), Mike Compton (mandoline), Dennis Crouch (contrabas), Jerry Douglas (dobro), Stuart Duncan (viool) en niet in het minst Jim Lauderdale (gitaar).
Ook in Brugge werd Costello door voormelde zes groepsleden omringd en er kwam een afwisselend aanbod van nieuw en bekend werk.
Het begon een beetje aarzelend met « Complicated Shadow » en « Blame It On Cain » waarbij de instrumentatie nog niet perfect aansloot bij de zingende en gitaarspelende Costello.
Maar vanaf dan zou het hoogtepunten regenen (onthoud dit werkwoord). « Down Among The Wine And Spirits », « New Amsterdam » dat naadloos verweven werd met het van de Beatles afkomstige « You've Got To Hide Your Love Away », « Brilliant Mistake », « Good Year For The Roses » (met een intro die het publiek even op het verkeerde been zette) en « (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes » waren allemaal bijzonder mooi en het ouder werk klonk met de nieuwe manier van uitvoering toch fris.
En frisjes werd het helemaal toen bij « The Delivery Man » de weergoden besloten om de hemelsluizen helemaal te openen en het Minnewaterpark te laten onderdompelen in grote waterplassen. Waarvoor kon gevreesd worden, namelijk dat zowel het publiek als de artiesten zich hierdoor zouden laten imponeren, was onterecht. De aanwezigen bleven enthousiast in de handen klappen en ook Costello bleef onvermoeibaar verder musiceren en gooide er diverse gevatte en ‘droge’ Britse humor en woordspelingen tegenaan (zeker bij de aankondiging van « Jimmie Standing In The Rain ».
Dit zorgde voor een bijzondere sfeerschepping en er volgden nog fraaie momenten waaronder een verrassende cover van The Grateful Dead (« Friend Of The Devil »), een schitterend « Everyday I Write The Book » in een donkere, uitgeklede versie die in schril contrast stond met het van een stevige ritmesectie voorziene « Don't Lie To Me » dat massaal door het publiek werd meegezongen.
Apotheose vormde ons inziens het door de begeleidingsgroep sober maar zo accuraat uitgevoerde « I Want You » dat slingerde van hartverwarmend naar hartverscheurend. Met « Sulphure To Sugarcane » en « Happy » werd een – opnieuw - bijzonder straf concert van en door Costello afgesloten. De natte kledij had het publiek er duidelijk graag voor over.

Jamie Lidell (****) speelde op 24 uur tijd drie concerten in ons land met voor hem gevoelsmatig als hoogtepunt het voorprogramma van Prince op de weide van Werchter. Dat  dit op dezelfde dag plaatsvond als zijn bezoek aan Brugge zal er ook wel iets mee te maken hebben gehad dat niet Costello maar wel hij als hoofdact van de tweede dag van het Cactusfestival werd geprogrammeerd (ook vorig sloot hij Cactus af maar dat was ter vervanging van een zieke Joss Stone).
En ook hier bleek de keuze van de organistoren een schot in de roos te zijn. Niet alleen Lidell maar ook zijn jonge, nieuwe begeleidingsgroep verkeerden nog steeds in euforie van het feit dat ze op hetzelfde podium mochten staan als waarop een van hun grote voorbeelden nadien zijn opwachting zou maken. Dit was overduidelijk en muzikaal kwam dit tot uiting in het feit dat zij onmiddellijk in het goede ritme zaten en niet alleen hun instrumenten maar ook hun lichamen ostentatief lieten swingen.
 »The Ring » (uit zijn zopas verschenen album ‘Compass’) en « Wait For Me » zetten meteen de toon en blonken uit in opzwepende funk. De muzikanten bleken gelukkig de gretigheid van hun zanger te kunnen volgen. Het nieuwe als eerbetoon aan Prince opgevatte « I Wanna Be Your Telephone » werd voorzien van nerveuze pianogeluiden en diepe beats geproduceerd door een volledig uit zijn dak gaande toetsenist. Lidell zelf maakte bij zijn zangpartij ook gebruik van zijn intussen vertrouwde megafoon.
Er was natuurlijk ook een solomoment voor Lidell weggelegd waarbij hij ter attentie van de old school liefhebbers zichzelf al beatboxend op tape vastlegde, dit mixte, hierover heen zong, er diepe beats aan toevoegde en dit geheel als echo het Minnewaterpark instuurde.
Bij « When I Come Back Around » vond een jamsessie plaats en toen tijdens « Little Bit Of Feel Good » de drummer plaatsnam aan de percussie en daarbij zoveel enthousiasme aan de dag legde, sneuvelden enkele cimbalen. Ondertussen kwamen ook nog « Enough’s Enough », « Where D’You Go » en « Multiply » aan bod en kon ook hierop gedanst worden.
Grappig waren dan weer de inleidende woorden van Lidell bij het van ‘Compass’ afkomstige « Your Sweet Boom ». Dit blijkt namelijk een eerbetoon te zijn aan de ‘fine derrière’ van zijn vriendin. Blijkbaar verschaft dit lichaamsonderdeel hem nog steeds de nodige inspiratie want hij ontpopte zich volop als klankentovenaar.
Lidell dankte het publiek voor de steun gedurende de voorbije jaren en droeg ‘Compass’, het titelnummer van het nieuwe album, op aan alle verloren zielen die een extra steuntje kunnen gebruiken. Net zoals op plaat was het ook op de Brugse planken een van de hoogtepunten. Hoewel ietwat steviger uitgevoerd, droop niet alleen het zweet maar ook de intimiteit er met vele druppels vanaf.
Na « Another Day » dat een a capella stukje meekreeg waarop het publiek gretig inpikte en  Lidell beatboxend de basgeluiden verzorgde, kwam hij nog eenmaal solo terug voor een afsluitend bisnummer.

Lidell beschouwde het Cactusfestival als een perfecte afsluiter van een ongelooflijke dag. Wijzelf zagen een tweede festivaldag gevuld met enkele matige tot goede concerten maar bovenal bleken Elvis Costello And The Sugarcanes en Jamie Lidell niet alleen de hoofdacts maar duidelijk ook de muzikale topacts te vormen.

Organisatie: Cactus Club, Brugge

Twee jaar geleden scoorde de Londense formatie Noah And The Whale in eigen land een top 10 hit met het aanstekelijke, zomers getinte «5 Years Time». Aan het succes werd een vervolg gebreid toen de reclamewereld dit nummer oppikte en aanwendde bij onder meer enkele TV-filmpjes. Ook hun debuutalbum ‘Peaceful, The World Lays Me Down’ uit 2008 dat gekenmerkt werd door een mix van pop, folk en rock, mocht op tal wat positieve reacties rekenen.

Het leek de groep dan ook voor de wind te gaan maar toen groepslid Laura Marling niet alleen haar relatie met liedjesschrijver, zanger/gitarist Charlie Fink beëindigde maar daarenboven de  samenwerking met de totale groep staakte om een solocarrière uit te bouwen, maakte de euforie plaats voor gemis en verdriet. In de eerste plaats was het Fink die verweesd en behept met een gebroken hart, achterbleef. Hij vond een manier om de treurnis van zich af te zetten en vooral van zich af te schrijven door de relationele breuk te verwerken - in alle betekenissen van het woord - in de opvolger van hun debuut, het vorig jaar uitgebrachte album ‘The First Days Of Spring’. Of zoals hij zelf zingt in «Love Of An Orchestra», een van de hoogtepunten die daarop te vinden zijn: “I’ll know i’ll never be lonely. I’ve got songs in my blood”.
Weg waren de optimistische, lichtvoetige teksten en voortgebrachte klankkleur via onder meer akoestische gitaar, ukelele en handgeklap. In de plaats hiervan kregen een spaarzame elektrische gitaar, een weemoedig klinkend piano, strijkers en een zangkoor de boventoon met daartussen de vocalen van Charlie Fink die als het ware volledig aangepast aan de sfeer van de plaat, veel donkerder doorklonken als voorheen. De bijzonder sterke gelijkenis met het stemgeluid van Adam Green dat op de debuutplaat nog nadrukkelijk aanwezig was, verdween hiermee wat meer achter de coulissen.
Het resultaat van deze koerswijziging was dat naar onze mening Noah And The Whale met  ‘The First Days Of Spring’ niet minder dan een meesterwerkje had gemaakt. In die mate zelfs dat ondergetekende het tot album van het jaar verkoos.

Met bijzonder hooggespannen verwachtingen reisden we dan ook richting Tourcoing alwaar de groep – kan het nog toepasselijker gelet op de albumtitel? – afgelopen zaterdag bij het astronomisch begin van de lente acte de présence gaf in Le Grand Mix.
Opener van de avond was «Blue Skies», een lied voor iedereen met een gebroken hart. Mede door de intro die aanleunt bij de somberheid van het monumentale «Atmosphere» van Joy Division, blijft de studioversie ons na ontelbare draaibeurten nog steeds kippenvel bezorgen. Maar meteen werd duidelijk dat de trieste schoonheid en grandeur die op plaat terug te vinden zijn, niet geëvenaard konden worden op het podium.
De band koos er immers voor om nagenoeg alle nummers van een extra elektrische laag te voorzien met als gevolg dat de set een tweeslachtig karakter kreeg. De op het eerste gehoor eenvoudig klinkende folk van ‘Peaceful, The World Lays Me Down’ verloor hierdoor namelijk aan sympathie en onschuld, terwijl de emotie wat wegebde bij de nummers uit het  album ‘The First Days Of Spring’.
»Love Of An Orchestra», een liefdesverklaring aan de muziek zelf, vormde hierop een uitzondering. Omwille van de afwezigheid van enig zangkoor, was de uitvoering in Le Grand Mix aardser en minder orkestraal en bleek de eenvoud positief  uit te pakken. Het had zelfs iets weg van een southern rock versie uit de jaren ‘70.
Er vielen ook andere fraaie momenten te noteren, vooral bij de passages waarbij Tom Hobden op het voorplan trad en zich met behulp van viool propageerde als een van de bepalende factoren van de groep. Op de rustige momenten, zoals bij «My Broken Heart», verschafte hij een extra portie gevoeligheid, terwijl de uptempo nummers mede hierdoor extra aangestuurd en onderbouwd werden. Onder meer bij «Rock And Daggers» uit de eerste plaat, was dit duidelijk merkbaar.
In voormelde twee nummers was er ook een mooi samenspel met de basgitaar bespeeld door Matt ‘Urby Whale’ Owens, die als het ware een optreden binnen een optreden aan het geven was door zijn expressieve houding. Geheel in contrast met Fink. Dat hij een introverte persoonlijkheid heeft, is geweten maar nu bleef enige interactie met het publiek grotendeels uit (enkele Franse woorden buiten beschouwing gelaten).
Er kwamen in totaal slechts 11 korte nummers aan bod en het concert zelf duurde amper een uur (wat inhield dat de Rijselse formatie ‘Roken Is Dodelijk’ als voorprogramma langer musiceerde dan de hoofdact). En dit valt dubbel te betreuren.
Alles voltrok zich supersnel (hun «5 Years Time» die terug op de setlist werd geplaatst, werd als het ware afgehaspeld), terwijl het album dat ze kwamen voorstellen, het nu net moet hebben van een voortschrijdende en langzaam opbouwende sfeer.
Bovendien bleken de laatste twee nummers van de set de beste te zijn die we zaterdag te horen kregen. «The First Days Of Spring» was onderhuids dreigend door de mooie gitaarsolo en de expressieve outtro van Fink, terwijl de enige toegift van de avond, zijnde «Tonight’s The Kind Of Night», een swingende uptempo rocker was met een al even vlotte melodie en dito instrumentale ondersteuning. Hobden nam plaats achter de keyboards en toverde er een deuntje uit die zo uit de ‘Born To Run’ plaat van Bruce Springsteen leek gehaald te zijn,  toetsenist Fred Abott nam de gitaar ter hand nam en voegde er een americana rifje aan toe, terwijl drummer Jack Hamson (die vorig jaar Doug Fink – de broer van – verving toen deze zich voltijds wou toeleggen op zijn job als arts) voluit zijn ding kon doen.
Dat de afsluiter van de avond een volledig nieuw nummer betrof en de voorloper is van het later dit jaar te verschijnen derde album, opent perspectieven voor de toekomst maar kon niet meer verhinderen dat de groep naliet over de gehele lijn voldoening te verschaffen.

Wat Noah And The Whale live in Tourcoing bracht, was goed maar moet gelet op het potentieel, als een gemiste kans beschouwd worden.

Setlist: Blue Skies, Give A Little Love, Slow Glass, My Broken Heart, Love Of An Orchestra, Jocasta, Shape Of My Heart, 5 Years’Time, Rock And Daggers, The First Days Of Spring, Tonight’s The Kind Of Night

Organisatie: GrandMix, Tourcoing

De Britse groep Depeche Mode kan inmiddels terugblikken op een dertigjarige carrière en is en blijft een buitenbeentje. Ooit begonnen als een in ogen van velen gewone synthpopformatie, staat de teller van het aantal verkochte albums op meer dan 75 miljoen en vullen ze heden ten dage nog steeds met groot gemak de grootste zalen en stadions. Zonder twijfel mag gesteld worden dat het hierbij een van de meest succesrijke elektronische bands ooit betreft die tevens een bijzonder grote invloed uitgeoefend heeft op het muzieklandschap.

En toch verliep de tocht naar de top niet zonder slag of stoot. Nauwelijks een jaar na de oprichting hield liedjesschrijver Vince Clarke het voor bekeken. Depeche Mode had in eigen land net een eerste top 10 notering gescoord met het nummer “Just Can’t Get Enough”, maar compleet in tegenstelling tot de titel van het nummer doet vermoeden, besloot Clarke andere oorden op te zoeken om eerst met Alison Moyet Yazoo op te richten en nadien  samen met Andy Bell als Erasure door het leven te gaan.
Er werd gevreesd voor het einde van de groep maar Martin L. Gore werd de nieuwe componist en met succes: onder meer “See You”, “Everything Counts”, “People Are People” en “Master And Servant” werden de daaropvolgende jaren stuk voor stuk hits. In navolging hiervan stonden ze in 1985 te prijken op de affiche van Torhout-Werchter en bleven daar niet onopgemerkt. Niet zozeer in de eerste plaats omwille van de muzikale prestaties maar wel omdat ze hét gespreksonderwerp waren. Op vele fronten werden ze door rockliefhebbers uitgejouwd vanuit het idee dat een plastische, op synthesizers en drumcomputers berustende groep op ‘hun’ festival niks te zoeken had. De vermenging van rock- en dansmuziek was in de 80’s namelijk niet aan de orde.
Het geluid van Depeche Mode werd daarna volwassener. Met ‘Black Celebration’ (1986) werd een uitstekend, donker getint album gemaakt maar de singles vertaalden zich niet in enig commerciële succes.
Ook dit liet de groep niet aan hun hart komen en met ‘Music For The Masses’ (1987), ‘Violator’ (1990) en ‘Songs Of Faith And Devotion’ (1993) pakten ze  uit met drie bijzonder goed onthaalde albums op een rij. De muzikale horizonten werden verruimd en elektrische gitaren, echte drumpartijen en overige instrumenten traden meer en meer op het voorplan.
Maar de roem begon zijn tol en bijhorende slachtoffers te eisen. Alan Wilder – die indertijd Clarke verving – verliet de groep. Gahan kreeg een echtscheiding te verwerken en verloor zichzelf in een hevige heroïneverslaving die uitmondde in een bijna fatale overdosis op een hotelkamer en een zelfmoordpoging. Studio-opnamen werden tot een hel herleid. Maar Gahan en de groep krabbelden overeind en schreven de problemen van zich af met het sterke album ‘Ultra’ (1997).
Het daaropvolgende ‘Exciter’ (2001) was wisselvallig (en ook de groep worstelt met dat idee want live wordt de plaat tegenwoordig integraal links gelaten) maar met ‘Playing The Angel’ (2005) bestendigde Depeche Mode hun bestaansrecht en waarde. Ze schopten het zelfs tot hoofdact op Rock Werchter waarmee ze hun ‘revanche’ beet hadden.
Vorig jaar verscheen dan hun 12de studioalbum ‘Sounds Of The Universe’ en er werd vol vertrouwen aangekondigd dat er uitgebreid getoerd zou worden. Maar nauwelijks was de ‘Tour of The Universe’ op gang getrokken of er dienden enkele shows geannuleerd te worden nadat bij Gahan een tumor in de blaas moest verwijderd worden. Hij werd met succes geopereerd en de concertenreeks kon terug aangevat worden (met onder meer een passage op Werchter Classic).

Tijdens de huidige tournee worden Gahan, Gore en Andrew Fletcher op het podium bijgestaan door de Oostenrijkse drummer Christian Eigner (die sinds ‘Ultra’ de rangen versterkt) en toetsenist Peter Gordeno (de opvolger van Alan Wilder).
Dat Depeche Mode er nog steeds staat, is niet enkel te wijten aan hun grote weerbaarheid maar ook aan hun vermogen om muzikaal emotie en menselijkheid aan machines te koppelen en hierdoor wereldwijd een groot netwerk van aanspreekpunten uit te bouwen.
Afgelopen zondag was de groep present in een reeds maanden uitverkocht Stade Couvert Régional in het Franse Liévin waar ze mochten aantreden voor ruim 11.000 dolenthousiaste toeschouwers.
Nadat Gahan met een diepe buiging het publiek begroette, kwamen er meteen drie nummers van het nieuwe album aan bod, zijnde “In Chains”, de single “Wrong”en “Hole To Feed”. Allen klonken ze bijzonder donker en vooral “In Chains” werd voorzien van een stevige drumpartij waarbij de groep als het ware nog maar eens wou onderstrepen dat ze intussen veel meer zijn dat het elektronische wave bandje van weleer. Het moet gezegd zijn, de nummers klonken live gedegen maar waren niet van aard om te beklijven. Met uitzondering van ‘Miles Away / The Truth Is’ waren het overige de enige stukken die uit ‘Sounds Of The Universe’ geplukt werden.
Voor het overige werd er gegrossierd in het verleden. “Walking In My Shoes” (uit ‘Songs Of Faith And Devotion’) kreeg een stevige intro mee, “It’s No Good” (‘Ultra’) werd voorzien van mooie combinatie tussen gitaar en synthesizer en dit gold ook voor “Precious” (‘Playing The Angel’). Visueel knap daarbij was dat de grote, centraal opgehangen bol dienst deed als een typemachine en de getikte woorden geprojecteerd werden op de beeldschermen achteraan het podium.
Gahan ontpopte zich als vanouds tot een rasechte performer, de toeschouwers opjuttend, zwaaiend met de handen en jonglerend met de microfoonstandaard op een wijze waarop Freddy Mercury zaliger een patent had. Tijdens het vertimmerde “A Question Of Time” (‘Black Celebration’) draaide hij daarbij ook nog eens herhaaldelijk om zijn as, terwijl hij zich bij “World In My Eyes” (‘Violator’) begaf op de voorziene loopbrug. Tijdens dit nummer bespeelde Gore, getooid in een blinkend zilveren jasje, overigens een zeldzame keer synthesizer. Voor het overige was hij bovenal aan de slag met de gitaar.
De hoogtepunten situeerden zich op het einde van het eerste deel van de set. De intussen tot klassiekers uigegroeide “Policy Of Truth” en “Enjoy The Silence” (allebei uit ‘Violator’) waren bijzonder straf. Laatstgenoemde blonk uit door de symbiose tussen enerzijds de bariton stem van Gahan en de veel zachtere klanken van Gore en anderzijds een treffende gitaarrif en zachtjes tokkelende synthesizergeluiden die zich gaandeweg transformeerden in een pompende technobeat. Op de projecties zweefden Gahan, Gore en Fletcher rond in ruimtepakken.
Ook bij “Never Let Me Down Again” (‘Music For The Masses’) werd het tempo opgedreven aan de hand van een beat die ons deed denken aan die andere 80’s hit “Los Niños Del Parque” van Liaisons Dangereuses.
Hét piekmoment was ongetwijfeld het bijzonder bezielde “I Feel You” (Songs Of Faith And Devotion’) waarbij opnieuw Gore de vocalen van Gahan aanvulde en een strakke gitaarpartij zich op dezelfde geluidsgolven voortbewoog als de overheersende drumpartijen van Eigner, vervolledigd door beats.
Ook “Insight” en “Home” (beiden uit ‘Ultra’) mogen tot de categorie der hoogtepunten gerekend worden. Beide nummers werden gezongen door Gore die louter begeleid werd door het zachte pianospel van Gordeno. Vooral “Home” dat tot volle naaktheid werd gereduceerd, was prachtig in alle eenvoud en bracht de zaal tot algemene stilte. Het publiek trakteerde Gore na afloop met een bijzonder uitbundig applaus en bleef het refrein meezingen, zelfs als de overige groepsleden het podium betraden. Daarop werd spontaan geanticipeerd door zacht tromgeroffel en een streepje synthesizer. “Very Nice, Very Nice” riep Gahan en dat was het inderdaad ook.

Als toegiften kwamen aan bod: “One Caress” (‘Songs Of Faith And Devotion’), “Stripped” (‘Black Celebration’) en “Behind The Wheel” (‘Music For The Masses’). Met het onvermijdelijke “Personal Jesus” - dat we Depeche Mode al beter hebben zien doen – kwam na iets minder dan twee uur een einde aan een show met enkele vlakkere, duidelijk zeer (lees: te) goed ingestudeerde momenten maar die evenzeer diverse hoogtepunten bevatte.

In ieder geval blijkt Depeche Mode ook na drie decennia live nog steeds inventieve muziek voor de massa te kunnen brengen.

Komende zaterdag staat de groep in een uitverkocht Antwerps Sportpaleis.
Setlist: In Chain, Wrong, Hole To Feed, Walking In My Shoes, It's No Good, A Question Of Time, Precious, World In My Eyes, Insight, Home, Miles Away/The Truth Is, Policy Of Truth, In Your Room, I Feel You, Enjoy The Silence, Never Let Me Down Again
Bis:
One Caress, Stripped, Behind The Wheel, Personal Jesus

Neem een kijkje naar de pics

Organisatie:
France Leduc Productions, Lille

Nu dat we amper een maand verwijderd zijn van de kerstperiode maken de eerste  muzieklijstjes traditiegetrouw hun opwachting. Of het nu gaat om de geschreven pers dan wel om radio of televisie, elkeen pakt graag uit met een klassement van nummers of albums die naar hun oordeel of dat van hun publiek tot de beste in hun genre worden beschouwd. In de categorie ‘memorabel, onverslijtbaar en tijdloos’ ontbreekt Deep Purple nooit op het appel. Hun onvervalste klassieker “Child In Time” (1970) positioneert zich namelijk steevast in de bovenste regionen, en dit in het gezelschap van andere minutenlange epossen als Queen’s ‘Bohemian Rhapsody’ en Led Zeppelin’s ‘Stairway To Heaven’. Ook “Smoke On The Water”, voorzien van één van de meest efficiënte oerrifs uit de muziekgeschiedenis, dient hiervoor niet onder te doen, zeker omdat op dit nummer nagenoeg iedere rockliefhebber wel eens uit de bol is gegaan, daarbij dansend en/of gitaarspelend (of het daarbij een echte dan wel een luchtgitaar betrof, moet u maar voor uzelf uitmaken).

Wel, dié Deep Purple stond donderdagavond in de Lotto Arena. Opnieuw bleek dat de groep nog steeds mag rekenen op een vaste fanbasis van alle leeftijden. Ook al hield de ‘Rapture Of The Deep’ wereldtournee die in 2006 startte ter promotie van het gelijknamige 18de studioalbum, de voorbije vier jaar telkenmale halt in ons land en hebben ze sinds die plaat geen nieuw werk uitgebracht, dit belette hen niet om de Lotto Arena opnieuw vrijwel helemaal uit te verkopen. Dat in een tijdsspanne van ruim 40 jaar Deep Purple een stevige livereputatie heeft opgebouwd, zal hier niet vreemd aan zijn.
Maar net als zoveel groepen met een lange staat van dienst heeft ook de groep in het verleden met diverse perikelen te kampen gehad. Vooral qua personeelswissels heeft Deep Purple een bewogen carrière achter de rug, in die mate dat de bezetting die in Antwerpen aantrad, al de 8ste in de reeks is.
Het enige lid dat de woelige stormen heeft overleefd en er van het prille begin in 1968 bij was, is drummer Ian Paice. Zanger Ian Gillan en bassist Roger Glover kwamen pas het jaar nadien over van Episode Six (en verlieten op bepaalde ogenblikken zelfs Deep Purple om nadien terug te keren), terwijl gitarist Steve Morse en toetsenist Don Airey veel recenter de groep kwamen vervoegen. Morse (ex-Kansas, Dixie Dregs en Steve Morse Band) verving in 1994 Ritchie Blackmore, terwijl Airey – die meegewerkt had aan platen van klinkende namen als onder meer Cozy Powell, Gary Moore, Ozzy Osbourne, Judas Priest, Black Sabbath, Jethro Tull, Whitesnake, en Rainbow - in 2002 de plaats innam van Jon Lord die zich op andere projecten wou gaan toeleggen.
In deze vorm blijkt Deep Purple opnieuw een solide en goed op elkaar ingespeelde formatie te zijn. Dit werd meteen duidelijk bij opener “Highway Star” uit ‘Machine Head’ (1972), dat samen met ‘(Deep Purple) In Rock’ wellichte tot hun beste studioalbums mag gerekend worden. De goedgeluimde groep trok meteen alle registers open en Morse en Glover gingen harmonieus aan de haal met hun gitaren.
Natuurlijk volgde de ene na de andere, nog steeds vitale oudjes uit de 70’s. Zo waren er onder meer uitstekende versies van het psychedelisch getinte, door Airey van mooie orgelklanken voorziene “No One Came” en “Fireball” (uit het gelijknamige album uit 1971) en uit ‘Machine Head’ werden ook nog het bluesgetinte “Maybe I’m A Leo”, het opzwepende “Space Truckin'” dat door Glover een extra basintro kreeg aangemeten, en “Smoke On The Water” geput. De teksten van deze laatste zijn gebaseerd op de brand die uitbrak tijdens een concert van Frank Zappa And The Mothers Of Invention en die het casino van Montreux helemaal in vlammen deed opgaan. De geprojecteerde beelden spraken voor zich en beklemtoonden dat het nummer in tegenstelling tot het casino, nog steeds onverwoestbaar is.
Enkel bij het al even straffe “Strange Kind Of Woman” vielen er bij aanvang wat ouderdomstekenen te bespeuren doordat de blootsvoetse Gillan moeite had om alle (hoge) tonen even expressief te halen. Ook klonk het gitaarspel van Morse daarbij iets te afgeborsteld.
Wie dacht dat het concert een opeenstapeling van hun bekendste nummers zou zijn, werd verrast door enkele minder voor de hand liggende momenten. Zo zat helemaal vooraan de set “Things I Never Said” dat een bonus track is op de Japanse versie van ‘Rapture Of The Deep’ en nadien werd ook nog het instrumentale “The Well Dressed Guitar”, een outtake van het ‘Bananas (2003)’ album, gebracht.
Met het jazzy en bluesy “Wring That Neck” (uit ‘
The Book Of Taliesyn’, 1968) werd de toeschouwer zelfs helemaal teruggeslingerd in de tijd want de opname gebeurde nog vooraleer Gillan bij Deep Purple de zang overnam van Rod Evans. Mooi hierbij was het gitaarspel van Morse dat middenin het nummer duelleerde met de orgelklanken van Airey.
Jonger van leeftijd waren het zware, progressief opbouwende
“The Battle Rages On” (uit het gelijknamige album, 1993), het zich via onderliggende Oosterse klanken voortbewegende “Rapture Of The Deep” en de minder beklijvende ballade ‘Wasted Sunsets’ (uit ‘Perfect Strangers’, 1984).
Virtuoos Steve Morse mocht zich vooral in het drieluik “Contact Lost” (een instrumentale track uit ‘Bananas’), het reeds aangehaalde “The Well Dressed Guitar” en “Sometimes I Feel Like Screaming” (uit ‘Purpendicular’, 1996) letterlijk en figuurlijk in de spotlights spelen. Dat Deep Purple met hem een fantastische gitarist in de rangen heeft, daar twijfelt niemand aan maar het gebeurde wel eens dat de grens tussen pracht en overdaad bijzonder nauw werd. Ter compensatie kregen ook de andere
groepsleden hun eigen gloriemoment toebedeeld toen ze solerend hun kunde mochten tonen. Airey bijvoorbeeld mocht duidelijk maken waarom hij een veelgevraagd studiomuzikant is en Lord opvolgde.
Als toegift werden twee covers gespeeld, met name een stukje “Green Onions” (Booker T. & The M.G.’s) dat vlekkeloos overging in “Hush”, het eerste commerciële succes ooit voor Deep Purple. Met dit door Joe South geschreven nummer scoorde Billy Joe Royal in 1967 een bescheiden hitje maar de versie van Deep Purple (het jaar nadien), is veel bekender geworden.
”Black Night” (1970) blijft nog steeds een publiekslieveling en fungeerde als terechte afsluiter van de avond. Een uitgebreide basintro door Glover, goede zang door Gillan, de herkenbare gitaarrif gespeeld door Morse (waarin zelfs een passage te horen viel die bijzonder veel verwantschap toonde met “Love Rollercoaster” van de Ohio Players), het mooi aanvullende orgelgeluid van Airey en dit alles vooruitgestuurd door de rake drumslagen van Paice: het zat er allemaal in vervat en het refrein bleef ook na het 1u45’ durende concert door de gangen van de Lotto Arena nagalmen.

Deep Purple onderstreepte nog maar eens hun grote invloed en bestaansrecht. Bij monde van Gillan lieten ze weten niet van plan te zijn het hierbij te laten. In februari 2010 zou een nieuw studioalbum verschijnen. We zijn benieuwd of ook dan het vijftal op een Belgisch podium te zien zal zijn.

Setlist: Highway Star, Things I Never Said , Maybe I'm a Leo, Strange Kind Of Woman,,Wasted Sunsets, Rapture Of The Deep, Fireball, Contact Lost, The Well Dressed Guitar, Sometimes I Feel Like Screaming, Wring That Neck, No One Came, The Battle Rages On, Space Truckin', Smoke On The Water
Green Onions, Hush ,
Black Night

Organisatie: Live Nation

De recentste plaat van The Low Anthem, ‘Oh My God, Charlie Darwin’, verscheen reeds vorig jaar maar nadat deze in 2009 werd heruitgebracht en -verdeeld door het Nonesuch label en de daarop geëtaleerde combinatie van folk, rock, country en blues mocht rekenen op uitermate lovende recensies in onder meer diverse gereputeerde muziektijdschriften, begon ook een ruimer publiek hun muziek op te pikken. Ook hier gaat de groep intussen al vlotter over de tongen, in die mate zelfs dat afgelopen donderdag de AB Club in een mum van tijd uitverkocht was voor hun eerste passage op Belgische bodem.

Vooraf mocht Marcisz de temperatuur en de spanning in de zaal al wat doen toenemen met een innemende, overwegend akoestische set. ‘Marcisz’ is het eenmansproject van Erwin Marcisz, vooral bekend als zanger en gitarist van het Limburgse vijftal Mint en verantwoordelijk voor melodieuze popgetinte liedjes als “Your Shopping Lists Are Poetry” (de titel alleen al neigt al naar pure poëzie) en “The Magnetism Of Pure Gold”.
Zopas heeft hij met ‘Songs From Red Brick Road’ een eerste soloplaat uitgebracht. Hierop staan tien tot de basis van folk en rock herleide miniatuurtjes die thuis met enkele microfoons en een 4-track recorder zijn opgenomen en een veruiterlijking zijn van enkele ideeën die niet onmiddellijk pasten in het concept van Mint maar die toch te goed bevonden werden om ze ongebruikt te laten wegkwijnen.
Live werd hij in de AB bijgestaan door niemand minder dan Ilse Goovaerts (alias Neeka) die percussie, achtergrondzang en het bespelen van een oude casio en een xylofoon op zich nam, alsook door Raf Timmermans (alias Lazy Horse) die eveneens instond voor achtergrondzang en percussie maar zich vooral in het gehoor speelde via een resem snaarinstrumenten, zoals slide gitaar (“The Miller’s Wife”), mandoline (“Be Lazy”), jumbus (“The Golden Boy”) en banjo (“Darkness Go!” en “Mad Love”). Mede hierdoor klonk de set straffer dan op plaat en voorzagen de instrumentale extra’s de liedjes van de nodige bijkomende stroomsnelheid en ze zich aldus niet reduceerden tot een voortkabbelend beekje.
Nagenoeg alle nummers van ‘Songs From Red Brick Road’ kwamen aan bod en werden in de volgorde van de tracklist van het album gespeeld. Op het einde kwam er nog een mooie uitgeklede versie van “Enjoy The Silence”. Wat Milow lukte aan airplay en respons met zijn herwerking van “Ayo Technology”, daar zou Marcisz minimaal ook moeten kunnen in slagen met de aanpak van deze klassieker van Depeche Mode.

We vermeldden daarnet dat bij de set van Marcisz enkele malen van instrument werd gewisseld. Welnu, dat was nog maar een fractie van wat The Low Anthem opvoerde tijdens hun concert. Alle 27 instrumenten die de Amerikaanse band uit Providence, Rhode Island aanwendde tijdens de opnames van het recentste album (die overigens plaatsvonden in een tot studio omgebouwd vakantiehuisje), werden donderdag niet meegebracht naar Brussel maar het kleine podium in de Club stond wel aardig volgepakt. We noteerden onder meer een gitaar, klarinet, drumtoestel, contrabas, althoorn, viool, alsook een oud, gerestaureerd orgel en zowaar een crotales (dat hier niet enkel als een slaginstrument werd gebruikt maar ook met een strijkstok werd bespeeld). Voor de groepsleden was het dan ook steeds behoedzaam slalommen tussen en voortdurend wisselen van plaats, en dus ook van plaats. Tot een verlamming van het gebeuren leidde dit niet, integendeel het gebeurde – mede door de gedempte belichting – zo vlot dat het telkens opnieuw uitkijken was waar wie stond opgesteld. En met ‘wie’ bedoelen we Ben Knox Miller en Jeff Prystowski, de samen de groep in 2006 hebben opgericht, en Jocie Adams die hen een jaar later kwam vervoegen.

Vanaf de eerste noten waarbij Ben Knox Miller de hoofdzang voor zijn rekening nam, klonk alles goed en had men de aandacht van het publiek vast en dit zou het komende anderhalf uur niet wijzigen. Niet alleen de diversiteit aan geluiden maar vooral ook het enthousiasme, het gemak, de precisie en vooral de overgave waarmee gemusiceerd werd, was verbluffend.
Hoogtepunten opsommen, het heeft geen zin want het gehele concert mag in feite als een aaneengesloten climax beschouwd worden. Of het nu ingetogen was zoals bij “To The Ghosts That Write History Books” (opener van de avond), “Charlie Darwin”, “Señorita”, “Ticket Taker”, een verbluffende “Cage The Songbird” of een al even wondermooie versie van “This God Damn House” (geschreven door Dan Lefkowitz, die een tijd ook lid van The Low Anthem was en die in de AB de groep tijdens enkele nummers kwam vervoegen), dan wel wanneer de groep een metamorfose onderging en de fraaie samenzang en rustige instrumentatie plaats maakte voor rauwe blues zoals tijdens hun cover van Tom Waits’ “Home I’ll Never Be” (een adaptatie van een tekst van Jack Kerouac) waarbij twee mobiele telefoons dienst deden als nog een extra instrument, het raakte de toeschouwer helemaal en meteen.
Er werd natuurlijk geput uit hun twee albums, ‘What The Crow Brings’ (2007) en ‘Oh My God, Charlie Darwin’, maar behalve “Home I’ll Never Be” werd er ook nog andere covers gespeeld. Zo was er een jazzy “Don’t Let Nobody Turn You Around” (een gospel traditional die reeds in de jaren ’30 door Blind Willie McTell werd opgenomen), “Sally, Were’d You Get Your Liquor From” (van Gary Davis) en een expansief, wild om zich heen schoppende “Cigarettes And Whiskey, And Wild, Wild Women” (neergepend door Tim Spencer).
The Low Anthem grossiert volop in de rijke Amerikaanse muziektraditie en worden meermaals vergeleken met een groep als The Band. Van deze laatste brachten ze een respectvolle, op akoestische gitaar en contrabas gespeelde en van een mooie samenzang voorziene versie van “Evangeline”. Alsof het trio de critici hierop muzikaal van antwoord wilde dienen.
Het eerste deel werd zoals te verwachten afgesloten met “On The Way To Ohio”.
Er werden nog twee bijzonder intieme toegiften gebracht, met name het Dylaneske “Two Sisters” en het al even aangrijpende “(‘Don’t) Tremble”, geschreven voor een vriend in moeilijke tijden. Men kon een speld horen vallen of beter: de deuren van de Club horen klapperen. Toen het geluid van enkele joelende bezoekers aan de set van The Orb (dat plaatsvond in de grote zaal) zich een weg baande naar boven (achteraf zou onze man ter plaatse bij The Orb duidelijkheid verschaffen waaraan het ongenoegen te wijten was), werd op de eerste verdieping van de AB door het publiek gefronst opgekeken. Behalve heel wat applaus (dat het trio beantwoordde met een diepe buiging), was enkel een stil nagenieten toegelaten. Zo zie je maar: twee concerten, twee werelden.

The Low Anthem heeft met ‘Oh My God, Charlie Darwin’ een van de fraaiste albums van 2009 uitgebracht en ook met hun concert in de AB Club mogen ze zich in de bovenste regionen positioneren van wat we dit jaar op een podium te zien en in dit geval vooral te horen kregen.
Op 22 november staan ze ook nog op Crossing Border te Antwerpen. Mis ze niet!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 3 van 6