logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

The Young Gods
dimmu_borgir_01...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

zondag 07 mei 2023 19:47

Hard-Ons - Complete miscast

Hard-Ons - Complete miscast

Het semi-legendarische Hard-Ons zorgde ervoor dat het Sold Out bordje nog eens triomfantelijk in de lucht gestoken kon worden. Deze veteranen uit Sydney zijn duidelijk nog erg populair in de Pit's maar eerst mochten we nog kennismaken met Roda Lits uit Antwerpen. Gelukkig maar.

De vier van Roda Lits begonnen eraan met een lap heftige punkrock. Later zakte het tempo wat en kregen we vuile garagerock gestut door erg aanstekelijke gitaren. Schatplichtig aan de sixties maar toch met beide voeten in het heden. Dit klonk fris en strak en deed me soms denken aan Kookaburra. Ze smokkelden ook een obscure cover in hun set, wat altijd leuk is. Enig speurwerk leerde me dat het om "I'm in Pittsburgh (and it's raining)" ging, een single uit 1966 van The Outcasts. Niet de Noord-Ierse punkgroep maar een vergeten band uit San Antonio die midden jaren zestig een vijftal singles maakte die in 1995 gebundeld werden op een compilatie. Roda Lits bracht in 2018 het album ‘Common specimen’ uit op Belly Button Records, ik denk dat het tijd is om hier een vervolg aan te breien.

Hard-Ons is al sinds 1982 actief, met een korte onderbreking tussen 1994 en 1997, en heeft in al die jaren een stevige live-reputatie opgebouwd, maar die heeft nu toch een flinke deuk gekregen. En dat had alles te maken met hun nieuwe frontman. Die zag eruit als een verlepte Rod Stewart en klonk als Alex Harvey (die van The Sensational Alex Harvey Band) met acute keelpijn. Ik ga niet beweren dat de man niet kon zingen -ik ben trouwens een grote fan van Alex Harvey- maar zijn stem paste totaal niet bij hetgeen waar de Hard-Ons voor staan en dat is voor mij nog steeds ranzige punkrock.
Zowat twee jaar geleden werd de samenwerking met zanger van het eerste uur, Keish de Silva, beëindigd nadat die laatste beschuldigd werd van seksueel wangedrag. Dat mocht eigenlijk geen al te groot probleem zijn want tussen 2001 en 2016 was hij er ook al niet bij en toen nam gitarist Blackie (Peter Black) de vocals voor zijn rekening. Zo zag ik ze ook tweemaal in de Pit's (2011 en 2014).
Waarom er nu een nieuwe man werd aangetrokken blijft een raadsel, terwijl de keuze voor Tim Rogers een nog groter raadsel is. Rogers was jarenlang (zo'n 30 jaar) en waarschijnlijk nog steeds de frontman van You Am I, een nogal saaie powerpopband, hoewel hun eerste platen, die geproduced werden door Lee Ranaldo, misschien wel enige bestaansreden hebben en ze het schopten tot in het voorprogramma van The Who en The Rolling Stones. Bijna niet te geloven dat hij hier nu in een punkhol als de Pit's stond, molenwiekend als een drenkeling en zijn korte broek telkens net niet afstekend. Met zijn dreinende stem leek hij ook het tempo uit de nummers te halen en liet hij de groep af en toe verzanden in belegen glamrock. Nochtans leken de overige groepsleden even enthousiast als altijd: bassist Ray Ahn die niet kon zwijgen over zijn adoratie voor The Kids, de zich flink in het zweet meppende drummer Murray Ruse en Blackie die me opnieuw wist te bekoren met zijn erg gevarieerde gitaarspel waarmee hij een ganse waaier aan stijlen etaleerde.
Ondanks die pijnlijke aanwezigheid van Tim Rogers vielen er toch nog enkele mooie momenten te noteren, zoals afsluiter "Suck 'n' swallow", maar die waren er toch te schaars om mijn gemoed wat op te beuren.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

maandag 10 april 2023 12:37

Daddy Long Legs - Finaal murw gebeukt

Daddy Long Legs - Finaal murw gebeukt

Het was weer feest in l'Aéronef dankzij mijn favoriete rhythm & blues rockers, Daddy Long Legs, maar eerst kregen we nog het losbandige duo, Les Deuxluxes, voor de voeten geworpen.
Het tweetal uit Montréal verscheen in een outfit die zeker niet zou misstaan op het Kamping Kitsch Club festival en had er duidelijk heel veel zin in. De af en toe flink met haar derrière schuddende zangeres Anna Frances Meyer had twee basgitaren meegebracht, waaronder een Flying V, waarop ze gewoon gitaar speelde.
Haar copain, de van een indrukwekkende knevel voorziene Étienne Barry, speelde ook gitaar en ramde met zijn voeten voortdurend een snare en een kickdrum. Het zag er erg rock-'n-roll uit en de twee deden er ook alles aan opdat het ook zo zou klinken maar dat wou nooit echt lukken.
Aan inzet geen gebrek en mijn sympathie hadden ze zelfs meteen maar de nummers en eigenlijk ook de sound klonken te mager om langer dan een paar minuten bij te blijven.
Daar kon een song waarbij Meyer een dwarsfluit tevoorschijn toverde of een Stooges cover (“Loose”) niets aan veranderen.
Qua entertainment viel dit zeker mee, maar hun tweede en meest recente plaat ‘Lighter fluid’, die volledig live werd opgenomen in een 19e eeuwse kerk, zou ik toch niet meteen aanbevelen. Binnenkort krijgen ze nog een herkansing op Roots & Roses.

Ik zag Daddy Long Legs precies één maand voor de lockdown in l'Abattoir in Lillers, een excentrieke kroeg waar de muzikanten na het optreden een glas champagne krijgen aangeboden. Toen al was duidelijk dat een bijzonder ambitieuze Brian Hurd liever in Lille dan in Lillers had gespeeld. Die hoge ambities moeten tijdens de covid periode een flinke knauw hebben gekregen en het was dan ook de vraag of de groep deze moeilijke periode zonder kleerscheuren doorstaan had. Het antwoord hierop kan niet anders dan positief zijn want na het einde van de coronabeperkingen begon Daddy Long Legs als een bezetene te touren en verscheen er een nieuwe plaat die geproducet werd door Oakley Munson (Black Lips) en waarop gastrollen zijn weggelegd voor John Sebastian (The Lovin' Spoonful) en Wreckless Eric.
‘Street sermons’ is zeker een knappe plaat geworden maar misschien net niet dwingend genoeg. Dat laatste kon absoluut niet gezegd worden over hun optreden in l'Aéronef, integendeel. Vanaf de eerste seconden werden we bij ons nekvel gegrepen en die klemvaste greep werd niet meer gelost tot de allerlaatste noot was uitgestorven.
Op het podium wordt Daddy Long Legs tegenwoordig bijgestaan door een vierde man, pianist Dave Klein, iets wat de sound wat voller laat klinken en tevens voor een extra stem zorgt tijdens de vaak samen gezongen nummers. Op ‘Street sermons’ speelt producer Oakley Munson piano en dat beviel Brian Hurd zo goed dat hij er live absoluut een toetsenist bij wou.
Daddy Long Legs mocht dan al een nieuwe plaat komen voorstellen, de oude nummers werden zeker niet vergeten en er werden zelfs enkele bijna vergeten parels van onder het stof gehaald. De set werd furieus geopend met "Dead and gone" en meteen werd duidelijk dat Daddy Long Legs scherper stond dan ooit.
Vier individuen die perfect op elkaar zijn ingespeeld en aan een setlist absoluut geen boodschap hadden. Murat Aktürk die zijn gitaar onontkoombaar liet swingen en zich niet uit het lood liet slaan door vervelende kabelproblemen. Drummer extraordinaire Josh Styles, magiër met de maracas die hij soms gewoon als drumstick gebruikte. Nieuwe man Dave Klein, die er angstvallig voor zorgde dat zijn vetkuif in de juiste plooi lag, viel misschien wat minder op maar paste toch perfect in het plaatje. En dan was er uiteraard nog Mister Daddy Long Legs himself: een fenomenale frontman voorzien van een onvermoeibare rasp. De bluesman van de groep die zijn resonator gitaar delicieus bepotelde en verwoestend uithaalde op zijn mondharmonica. Dat hij een meester is op dat laatste instrument, waarvan hij er een ganse koffer vol bijhad, is nu ook officieel want Brian Hurd kreeg onlangs een endorsement deal van Hohner Harmonicas, iets wat alle grote harmonicahelden op zak hebben en waar hij sinds de geboorte van Daddy Long Legs altijd op aasde.
Van de nieuwe nummers onthoud ik vooral "Nightmare" waarvan de gezongen intro gejat lijkt van het vermaledijde "Sugar baby love" van The Rubettes en dat ondanks de donkere tekst ongelooflijk uitbundig klonk en dat in pure glamrock stijl.
"Street sermon" kon bogen op een onvervalste chain gang sound en met "Rockin' my boogie" werd nog eens een blik ouderwetse rock-'n-roll opengetrokken.
De zaal kwam helemaal tot het kookpunt toen Brian Hurd tijdens "Evil eye" net als Mozes met een handbeweging het publiek liet splijten zodat hij door de zaal kon wandelen.
Afsluiter werd "Motorcycle madness", op verzoek van een motorcycle madman uit het volk, waarin Hurd op een indrukwekkende wijze het geluid van een brullende motor op zijn mondharmonica imiteerde terwijl er voor hem een kolkende moshpit ontstond.
Finaal werden we murw gebeukt met een uitgebreide bisronde. "Death train blues", waarin Hurd dit keer een denderende trein op zijn bluesharp kon nabootsen, gevolgd door het lang niet meer gehoorde "Big road blues" om te eindigen met een weergaloze versie van "Fire and brimstone". Die laatste song, origineel van Link Wray, zag ik reeds door talloze groepen gecoverd worden maar wat Daddy Long Legs er hier van maakte overtrof alles.
Live staat Daddy Long Legs op een eenzame hoogte en wie dat wil checken kan dat nog op zondag 4 juni tijdens Goezot in 't Hofke (Oud-Turnhout).

Organisatie: Aéronef, Lille

Thurston Moore Group - Nog steeds een onvergelijkbare gitarist
Thurston Moore Group

De Zwerver mocht nog eens het bordje ‘Uitverkocht’ afstoffen en dat op een maartse maandagavond. Daar zorgde het gewezen boegbeeld van het nog steeds niet vergeten New Yorkse noise combo Sonic Youth, Thurston Moore, voor. De inmiddels 64-jarige meestergitarist kwam er samen met zijn band de plaat ‘By the fire’ voorstellen.

Maar eerst stond er nog Seaform Walls op het menu. Een groep waar ik met enige spanning naar uitkeek maar dat viel me behoorlijk tegen. Na een toevallige ontmoeting met Eva Prinz, de partner van Thurston Moore, kreeg Seaform Walls de unieke kans om hun debuut, ‘XVI’, uit te brengen op Daydream Library Series, het label van Moore en Prinz. Die plaat stond trouwens helemaal bovenaan in Moore's lijstje met de 30 beste albums van 2021. Aan goede referenties geen gebrek maar zanger-gitarist Jayan Bertrand moest het helemaal alleen zien te redden. De overige drie leden waren immers thuis in Miami gebleven. De muts diep over het hoofd getrokken -het Europese klimaat speelde hem blijkbaar parten- kondigde hij zijn eerste nummer, "Soundcheck", aan en leek het nog even leuk te worden. Maar de zuinig vertolkte nummers waren veel te schaars aangekleed om mijn aandacht lang vast te houden. Zelf noemt hij zijn muziek Caribbean Jazzgaze, een poëtische term voor een allegaartje van jazz, dreampop en indierock waarbij ik heel even aan TV On The Radio moest denken. Naar het einde toe werd de sound wat voller dankzij enkele ter plaatse ingespeelde loops en ik vroeg me af waarom hij dit niet eerder en meer deed. Voor de volledige ervaring verwees hij ons naar de merchandise stand waar we een plaat konden kopen maar ik betwijfel of hier veel gevolg aan gegeven werd.

Nonchalant met een kopje thee in de hand kuierde een goedgeluimde Thurston Moore het podium op. Na wat gemorrel in zijn tekstbladen, die hij voor elk nummer nodig had, startte hij de set met "Hypnogram", de gloednieuwe single. Zijn voorzichtig deinende gitaar zorgde voor een weidse sfeer die nog arcadischer werd toen gitarist Alex Ward zijn klarinet bovenhaalde. Ward, met wie Thurston Moore vroeger al eens samenwerkte, kwam de zieke James Sedwards vervangen, wat hij overigens uitstekend deed. Verder hadden we de onveranderlijk met de zij naar het publiek gekeerde Deb Googe (My Bloody Valentine) op bas en drummer Jem Doulton die voor de onwrikbare ritmesectie zorgden terwijl helemaal links Jon Leidecker (Negativland) ietwat onopvallend instond voor de perfect gedoseerde en erg doeltreffende elektronica.
Even werden we nog opgeschrikt toen Thurston Moore constateerde dat hij zijn whammy bar (metalen hendeltje waarmee je de toonhoogte van de snaren tijdelijk kan veranderen) miste en vroeg of er iemand soms eentje bij had. Gelukkig was er achter de coulissen nog ene Tommy uit Brussel die het ding terugvond. Met "Hashish" en "Siren" (beide uit ‘By the fire’) borduurde de groep even verder in dezelfde stijl als het openingsnummer. Omzichtig en zelfs wat jazzy met alle ruimte voor Moore's karakteristieke gitaar maar toch minder dwingend dan wat we van een gigant als deze verwacht hadden. Toen zowel Ward als Moore een twaalfsnarige gitaar beetpakten keerde het tij op een spectaculaire wijze. De twee intens en repetitief hamerende gitaren zorgden voor een sonische storm die ons mee zoog in een intergalactische trip. "Venus" was een kwartier durende hallucinante aanvaring die ons murw beukte.
Hiermee was dit concert pas echt begonnen en de groep hield het momentum klemvast want met "Temptation inside your heart" volgde meteen een nieuw hoogtepunt. Een song die Lou Reed in 1965 schreef, wist Thurston Moore ons te vertellen, maar het zou nog tot in 1985 duren vooraleer het nummer boven water kwam op de compilatieplaat ‘V.U.’. Het werd een onontkoombare versie die me liet dromen hoe The Velvet Underground moet geklonken hebben toen ze midden de jaren zestig ergens in een tochtige kelder in New York debuteerden. Zelfs de stem van Moore kwam dicht in de buurt van die van Lou Reed. Toch kreeg het nummer een onverwachte wending toen Moore plots de snaren van zijn gitaar met iets wat op een dikke breinaald leek begon te manipuleren. Een gitaargeseling. Ik zag de jonge Lou Reed het niet meteen doen maar zo leerde ik Thurston Moore met Sonic Youth wel kennen, begin jaren '80.
Daarna volgde het ferm rockende "Cantaloupe" om te eindigen met het fenomenale "Aphrodite" uit ‘Rock n roll consciousness’ (2017) waarin hij nog eens alle mogelijkheden van zijn gitaar leek af te tasten.
Bisnummer "Locomotives" begon als het neefje van "Venus" om ons vervolgens mee te sleuren op een verbijsterende treintrip waarvan de kadans werd aangegeven door de mallets van drummer Jem Boulton en waarin er zelfs plaats was voor een conventionele maar daarom niet minder gesmaakte solo van Alex Ward.
Een impressionant slot van een set die misschien wat moeizaam van start ging maar uiteindelijk toch alle verwachtingen inloste en waarin Thurston Moore bewees nog steeds relevant te zijn. Hier werd de liefhebber van Swans en het oude Sonic Youth op z’n wenken bediend.

Organisatie : VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Fantastic Cat - Zelden gehoorde stemmenpracht

Na zijn deelname aan de preselectie van Humo's Rock Rally vorig jaar stond Nir Shemmer opnieuw in De Zwerver. Ik had de sympathieke Oostendenaar met Israëlische roots zo'n anderhalve maand geleden al eens gezien in de 4AD, toen in het voorprogramma van Jerry Joseph.
Veel was er uiteraard niet veranderd. De songs klonken me wel wat vertrouwder in de oren en leken zelfs aan kracht gewonnen te hebben. Nu het verrassingseffect er niet meer bij was durft een groep, zo kort nadat je ze een vorige keer zag, al eens wat tegenvallen maar dat was hier allerminst het geval.
Hun smaakvolle americana klonk weer even behaaglijk en hartverwarmend. Samen met zijn vijfkoppige band boetseerde Nir Shemmer een somptueuze sound die een stuk steviger klonk dan op zijn digitale singles. Cruciale ingrediënten daarin waren de impressionante gitaar van Thomas Decock, de betoverende pianoklanken van Harrison Steingueldoir (ook actief in het jazztrio Donder) en de feeërieke backing vocals van Annelies Gheeraert. Shemmer zelf speelde afwisselend op akoestische en elektrische gitaar terwijl hij een enkele keer ook een slide over de snaren liet glijden. Net als de vorige keer sloot hij af met "Winona", een schitterende song gebaseerd op een personage uit het boek ‘A thousand moons’ van Sebastian Barry, die eindigde met een furieuze gitaar-eruptie van Thomas Decock.
Ik zag dit gezelschap nu twee keer aan het werk maar ik ben er nog lang niet op uitgekeken. 

Fantastic Cat is een zogenaamde supergroep samengesteld uit vier singer-songwriters, vergelijkbaar met eerdere projecten als The Highwaymen, Traveling Wilburys of Monsters Of Folk. De plannen werden gesmeed aan een tafeltje in een club in New York door Don Dilego, die ik eerder al met Jesse Malin aan het werk zag in De Zwerver, en Mike Montali, zanger van Hollis Brown, een groep die ik meer dan eens zag schitteren waarvan één keer ook al in De Zwerver.
Diezelfde avond werd daar ook die toch wat vreemde naam gekozen. Beiden heren besloten om aan de serveerster te vragen hoe ze hun nieuwe band zou noemen en haar antwoord sowieso te gebruiken met Fantastic Cat als resultaat dus. Later vervoegden de mij tot dan toe onbekende singer-songwriters Anthony D'Amato en Brian Dunne het duo en volgde er vorig jaar een plaat, ‘The very best of’. Die titel is niet eens gelogen daar dit het enige werk is die ze hebben maar helemaal kon die plaat me toch niet overtuigen.
Toch had ik het vermoeden dat dit live wel eens vonken zou kunnen geven en het was natuurlijk ook een ideale gelegenheid om de onvolprezen Mike Montali nog eens te kunnen bewonderen.
En of dit vonken gaf! Die waren er meteen met het door D'Amato gezongen "C'mon Armageddon", een song die op Dylan's ‘Highway 61 revisited’ had kunnen staan. Daarna werd er driftig van instrumenten gewisseld, een ritueel dat zich na elk nummer zou herhalen en waarbij niemand te beroerd was om ook eens achter het drumstel plaats te nemen. Vreemd genoeg stoorde dit voortdurende gerommel niet, integendeel, het leek de spektakelwaarde zelfs te verhogen. Dit kwam wellicht doordat het eindeloos stemmen van de instrumenten dat hier doorgaans mee gepaard gaat achterwege bleef.
Na een eerste rondje waarbij elk van de vier leden een nummer van het album had mogen zingen mocht er vervolgens uit het individuele oeuvre geput worden. Dat zorgde onder meer voor een verrassende cover van "To love somebody" (Bee Gees), vaak gehoord natuurlijk maar hier toch erg beklijvend vertolkt door Don Dilego.
Maar het moment suprême kwam er toen Mike Montali "Wait for me Virginia" van Hollis Brown met zijn engelachtige stem zong. Het werd een broze, akoestische uitvoering met Don Dilego op mandoline.
Ook Brian Dunne, die iets had van een jonge Bruce Springsteen maar dan zonder de bombast, en Anthony D'Amato, die met het voortjakkerende "All my fault" aan Donovan deed denken, konden hun plaats moeiteloos opeisen in dit fenomenale bandje.
We werden overrompeld door gracieuze harmonieën, fonkelende gitaren en vooral uitstekende songs. Naar het einde toe kwam er toch nog een dipje en dat niet toevallig met een nieuwe greep nummers uit hun plaat. Slecht werd het zeker niet maar het aanstekelijke tempo verdween terwijl ze iets teveel richting softrock opschoven. Wellicht een kwestie van persoonlijke smaak want ik kan me inbeelden dat een nummer als "Fiona", waarin de vier leden om beurten de lead vocals voor hun rekening namen, tot de verbeelding van velen sprak.
Met het afsluitende nummer, "Goodnight my darling", gezongen door Don Dilego, was ik weer helemaal bij de les. Mocht dit een nieuw nummer zijn (wat ik vermoed) dan is het absoluut een belofte voor de toekomst. Hun pas opgenomen nieuwe single fungeerde als bis en toen die werd aangekondigd als een Warren Zevon cover kon dat op enig applaus rekenen. Zevon is hier duidelijk nog steeds populair maar met "Keep me in your heart" (te vinden op zijn LP ‘The wind’ uit 2003) werd er wel voor een minder gekend nummer gekozen.
Het was lang geleden dat ik nog zo'n stel enthousiastelingen op een podium gezien had, het spelplezier droop er werkelijk vanaf. Binnenkort nog te bewonderen op Roots & Roses!

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

maandag 27 februari 2023 12:27

Tramhaus - Rock Zerkegem revisited

Tramhaus - Rock Zerkegem revisited
Tribute avond Rock Zerkegem - Tramhaus, Asbest Boys en Vagina's What Else?
De Zwerver
Leffinge

Rock Zerkegem mag dan al dood en begraven zijn, vergeten is het festival allerminst gezien de hoge opkomst op deze tribute avond. Dankzij de drie vaten Maes Pils die DJ Chuck Snorris won via De Ideale Wereld werden de pintjes naar goede gewoonte aan één euro verkocht en was de sfeer al even ongeremd als op de weide aan de Schooiweg.

Vagina's What Else ontstond in 2016 toen drie vrouwen zonder ook maar de minste muzikale ervaring besloten een groep te vormen. In 2018 mochten ze Rock Zerkegem openen en een jaar later volgde een eerste plaat. Niets leek deze Gentse cultband een bloeiende carrière in de weg te staan en toch leek het drietal van de radar verdwenen. Deze Rock Zerkegem tribute leek dan ook een ideale gelegenheid voor een glorieuze comeback. Feestelijk en kleurrijk uitgedost bestormden ze het podium maar veel leek er niet veranderd. De liedjes klonken nog even kinderlijk als schetterend terwijl het nieuwe materiaal eerder beperkt was. Ze waren nu -naar eigen zeggen- huisvrouwen geworden wat zich ook vertaalde op het podium. Charlotte Nierynck had haar keytar geruild voor of gemonteerd op een strijkplank inclusief stomend strijkijzer terwijl haar zoontje ook even de show mocht stelen op het grote podium. Veel stelde het niet voor maar sympathiek bleef het altijd. En als Frank Zappa eind jaren '60 The Shaggs, die toen absoluut niet over meer muzikale bagage beschikten, zelfs beter vond dan The Beatles dan is er zeker nog hoop voor dit Vagina's What Else.

Met Asbest Boys hadden we een totaal ander soort vlees in de kuip. Dit kwartet uit Haarlem raasde als een niets ontziende wervelwind door hun set. Ziedende, tegen de hardcore aanschurkende punk met een gitariste, Anna van Asseldonk, die zeker niet vies was van wat overjaarse maar daarom niet minder vettig smakende hardrock. Eyecatcher was zonder enige twijfel de voortdurend over het podium buitelende zanger Buster Van der Guchten. Een echt podiumbeest die voortdurend de grond in dook om via een met schakelaars verminkte babypop zijn stem van speciale effecten te voorzien. Korte, explosieve nummers ook waar geen speld tussen te krijgen viel. Dit had alles om een uitzinnig punkfeestje te worden, toch leek de boel niet echt te willen ontploffen en bleef een moshpit uit. Buster dook dan maar zelf het publiek in om tegen iedereen op zijn weg aan te botsen. Een live sensatie zijn ze zeker maar dit podium was net een maatje te groot voor deze Asbest Boys.

Het Rotterdamse Tramhaus is genoemd naar het legendarische oude tramhuis dat nu getransformeerd is in een krap bemeten eettent op het Eendrachtsplein in hun thuisstad. De groep verrees in 2020 en na veel optredens (ook in ons land) volgde vorig jaar een eerste single, "I don't sweat" en een EP, "Rotterdam". Zeer recent dan verscheen nog een tweede single, "Goat". Vorig jaar waren ze de absolute uitblinkers op Rock Zerkegem, hun aanwezigheid hier op deze tribute leek me dan ook een logische keuze en dat vertrouwen werd niet beschaamd.
Op de tonen van The Cramps verscheen het vijftal op de planken om ons meteen bij het nekvel te grijpen. De charismatische zanger Lukas Jansen dartelde gracieus over het podium terwijl de overige vier leden er nogal statisch bijstonden. Het oogde misschien niet bijster spectaculair maar het was de muziek die telde en die klonk bijzonder aanstekelijk. Een pittige mix van postpunk en noise waarmee ze wel eens vergeleken worden met Viagra Boys terwijl ik er eerder de wilde frisheid van de jonge Pixies in hoor. De knappe songs, strak gespeeld en gezongen met die heerlijk scheurende stem van Lukas Jansen, hielden zich ver van de deprimerende sound die veel hedendaagse postpunkbands hanteren. Met "Amour amour", dankzij die splijtende gitaren van Nadya van Osnabrugge en Micha Zaat nog steeds mijn favoriete Tramhaus song, slaagde de groep waar Asbest Boys faalden en ontstond er spontaan een moshpit.
De drie jongens en twee meisjes bleven er hun sympathieke zelf bij en misschien is die pure spontaniteit zonder ook maar het minste spoortje van gekunsteldheid wel hun sterkste troef. Een korte maar krachtige set werd afgesloten met een bommetje genaamd "Karen is a punk" terwijl de plastic bekertjes door het zwerk zwierden.
Intussen hebben zowat alle clubs Tramhaus dit voorjaar op het programma staan en lijkt een doorbraak in zicht.

Organisatie: Rock Zerkegem ism VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Ignatz en De Stervende Honden + Christophe Clébard - Een bedachtzame gitaar explorateur + een exhibitionistische synthpunk
Ignatz en De Stervende Honden

Een bedachtzame gitaar explorateur en een exhibitionistische synthpunk op dezelfde avond programmeren, het leek geen evidente keuze maar het viel wonderwel mee. Dit nobele initiatief werd genomen door ‘De Algemene Verwarring’, een programma op de avontuurlijke jongerenradio Quindo uit Kortrijk. 

Ignatz is het alias van Bram Devens, een naam die hij vond in de Krazy Kat-strip van George Herriman. Daarin is Ignatz de wrede muis en aartsvijand van de kat. De man is sinds 2005 bezig en heeft volgens Discogs -hou je vast- negentien albums op zijn actief. Het overgrote deel solo en zo zag ik hem ook ooit in zijn beginperiode eens aan het werk waar hij toen een verpletterende indruk op me naliet. Sinds 2013 houdt hij er ook een groep, De Stervende Honden, op na met wie hij drie LP's uitbracht op het Antwerpse label ‘Ultra Eczema’, waarvan de laatste ‘Saturday’s Den’ in 2021. 
Met zijn drieën (allen zittend) begonnen ze ontspannen aan wat een bijzonder intrigerende set zou worden hoewel het nog even schrikken was toen een cymbaal tegen het hoofd van Ignatz belandde, gelukkig zonder erg.
De eerste twee stukken waren een soort verstilde psych rock, van het soort waarin het stemmen van de gitaar gewoon deel uitmaakt van het geheel. Klinkt misschien saai maar dat was het dankzij de immer onvoorspelbare gitaar allerminst. Daarna schoof hij op richting blues en werd het nog mooier. Hij ontrafelde de blues volledig om er iets hypnotiserends van te maken dat me deed mijmeren over Mr. Airplane Man. Daarbij werd hij perfect in het zadel gehouden door de swampy bas van Tommy Denys en de inventieve drums van Erik Heestermans. De Stervende Honden zorgden ervoor dat de meanderende gitaar omzwervingen van Ignatz steeds behapbaar bleven. Laatste nummer was dan weer een timide folksong die ontaardde in een portie verhitte noise. Jammer dat de tijd beperkt was want dit smaakte naar meer, veel meer!

Christophe Clébard is een Italiaan die via Vancouver in Brussel verzeild geraakte om daar behoorlijk wat indruk te maken in de lokale muziekscene. Getooid met een rattenkapsel en een pornosnor verscheen hij achter een tafel vol elektronica op het podium. Een opstelling die me meestal de schrik om het hart laat slaan maar hier was dat nergens voor nodig. Meer nog, de eerste nummers waren ronduit imponerend en klonken al even hypnotiserend als Ignatz maar dan op een compleet andere manier.
Een onheilspellende mix van doom, new wave en synthpunk die aan de ribben bleef plakken. Dat nagenoeg alles, buiten de zang en enkele spaarzame toetsaanslagen, vooraf was opgenomen bleek geen echte hinderpaal dankzij de ongeremde persoonlijkheid van Clébard. Al vlug sloeg hij zich een wonde in het voorhoofd om vervolgens zijn kleding stap voor stap uit te trekken. Het leek wel een acceptabele versie van GG Allin. Wat dat strippen betreft had hij zich wel wat moeite kunnen besparen door voor een wat makkelijker schoeisel dan die bottines met lastige veters te kiezen. Ik had nog even gedacht dat een kouwelijke Pit's hem ervan kon weerhouden maar die hoop bleek ijdel. Ook hier ging Clébard volledig naakt en net op dat moment gaf zijn keyboard de geest. Het werd een wat genante vertoning met nieuwe batterijen en een netsnoer maar na lang foefelen kwam het dan toch nog in orde.
Helaas werd het nu muzikaal iets minder doordat de nadruk teveel op de beats kwam te liggen terwijl Clébard als een ware exhibitionist tussen het volk of op de toog pareerde. Tijdens het laatste nummer schreeuwde hij nog eens alle tristesse van zich af maar die overrompelende sound van bij het begin kwam niet meer terug. Achteraf excuseerde hij zich nog voor zijn dienstweigerende keyboard maar of dat de oorzaak van het wat tegenvallende slot was valt toch te betwijfelen.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

Girls In Synthesis - Ziedende postpunk met veel stoorzenders

Postpunk bands, je kan er tegenwoordig de straten mee plaveien. De overgrote meerderheid van al die groepen kan me echter niet meer dan een vermoeide geeuw ontlokken. Ik vertrok dan ook niet zonder enige scepsis naar Café De Zwerver om er nog maar eens twee postpunk exponenten te gaan aanschouwen.

Het was uiteindelijk de eerste band, het Brusselse Warm Exit, die me over de streep getrokken had. Die hadden me immers bijzonder aangenaam verrast op de laatste editie van Rock Zerkegem en ook hier, in een uitverkocht café, stelden ze niet teleur. Integendeel, het drietal klonk hier nog een stuk hechter dan vorige zomer. Waar bassist Max Poelmann (Easy Ego, Magic Max, Abstract Sense) in Zerkegem alle aandacht naar zich toe zoog door als een losgeslagen gek over het podium te stuiteren bleef hij er dit keer opvallend rustig bij (waarschijnlijk noodgedwongen door het krappe podium) zodat de focus automatisch meer op de songs kwam te liggen. En die mochten er, op een schaarse uitzondering na, best wel zijn. Hoekig en tegelijkertijd melodieus zoals ook Wire dat kon. Ze reden zich ook niet vast in het doodlopende straatje dat postpunk wel eens kan zijn en zo kwamen ze soms aardig in de buurt van iets dat ik eerder als rammelrock zou omschrijven.
De voorspelbaarheid werd af en toe handig omzeild door een onverwachte tempowisseling of die heerlijk lage brom van Max Poelmann als tweede stem. Zanger Valentino Sacchi (Bayacomputer, Easy Ego) ontpopte zich zonder grootse gebaren als een charismatische frontman die bovendien erg fijne klanken uit zijn gitaar kneep ondanks een tegensputterende effectpedaal. Die gitaar mocht bij momenten heerlijk aan de ketting rammelen zoals tijdens "Ultra violence", de nieuwe en knappe single.
Derde hoeksteen van dit gezelschap was de solide drummer, Martin Dubessay, die tevens verantwoordelijk was voor de bevreemdende geluiden.
Warm Exit moet één van de betere Belgische groepen zijn die ik de laatste tijd aan het werk zag.

Girls In Synthesis uit Londen wordt gezien als één van de meest opwindende bands van het moment in het Verenigd Koninkrijk. Een belofte die meteen werd ingelost door een groep die zich duidelijk enkele haltes verder bevond dan Warm Exit wat podiumervaring betreft.
In een ietwat vreemde podiumopstelling met twee microfoonstandaards pal tegenover elkaar zodat beide zangers elkaar recht in de ogen keken laat Girls In Synthesis met "Watch with mother" meteen één van de beste nummers van hun laatste plaat ‘The Rest is Distraction’ op ons los.
De groep hakte er meteen furieus in en veel tijd om op adem te komen werd ons niet gegund. De twee frontmannen legden elkaar voortdurend het vuur aan de schenen. Links joeg gitarist Jim Cubitt, die een beetje het voorkomen had van een jonge Pete Townshend (alleen het molenwieken ontbrak), aan een energiek tempo de ene snerpende riff na de andere het café in terwijl zijn stemgeluid af en toe raakpunten vertoonde met dat van Jello Biafra ten tijde van "Fresh food for rotting vegetables".
Rechts hadden we dan John Linger, met zijn geblokte lijf niet meteen moeders mooiste maar wel imponerend op een erg aanwezige, donkere bas. Achteraan deed drumster Nicole Pinto er met een verbeten trek om de lippen alles aan om de twee heethoofden voor haar te volgen. Het resultaat was een gierende mix van militante noise en ziedende anarcho punk. Een paar keer bediende Cubitt ook een klein keyboard maar dat was eigenlijk niet meer dan een stoorzender terwijl beide zangers achteraan ook nog enkele knoppen hadden waarmee ze de boel konden saboteren.

Stoorzenders genoeg dus, misschien zelfs net iets te veel. Die zeeën van feedback en distortion zorgden wel voor de nodige opwinding maar waren niet altijd even noodzakelijk. Het hoorde natuurlijk bij deze adrenaline opwekkende pot herrie vol gecontroleerde chaos.
Na de reguliere set was er nog tijd voor een uitgebreide bisronde, iets wat je eigenlijk niet verwacht bij dit soort groepen, met twee nummers uit 2018 : "We might not make tomorrow" en het lang uitgerokken "Sentient".

Organisatie: VZW de Zwerver - Leffingeleuren, Lefinge

maandag 06 februari 2023 09:56

Clamm - Een verpletterende muur van geluid

Clamm - Een verpletterende muur van geluid

De eerste groep van de avond had op zijn minst gezegd een intrigerende naam. MIT - The Male Idiot Theory is genoemd naar een theorie die beweert dat mannen idioten zijn en veel meer dan vrouwen risicovolle activiteiten ondernemen waarvan het voordeel verwaarloosbaar of onbestaande is. Dat werd aangetoond in een Engelse studie die liep van 1995 tot 2014 waarin de winnaars van de Darwin Awards, die worden uitgedeeld aan mensen die bijdragen aan de menselijke evolutie door zichzelf op een spectaculair domme manier te laten verongelukken of er in slagen de mogelijkheid om zichzelf voor te planten te verliezen, te vergelijken. Daaruit bleek dat 88,7% van de genomineerden mannen waren!
Interessant maar nog interessanter was de bezetting. Dit Doornikse duo bestaat namelijk uit Lulu Sabbath en Cédric Delaunoy die ik vooral ken van Thee Marvin Gays, een groep waar ik zo'n 10 jaar geleden nogal wat uitstekende optredens van gezien heb en die het toen ook helemaal leek te gaan maken maar daar om één of andere duistere reden nooit in slaagde.
Later zag ik ze nog terug in Vision 3D en nu proberen ze het dus met zijn tweeën in MIT - The Male Theory waarmee ze een cassette uit hebben op Discos Peroquébien, een label uit Valencia. Door een eindeloze zoektocht naar een parkeerplaats - Kortrijk leek wel herschapen in één grote werf - miste ik helaas de eerste tien minuten.
Het duo leek aardig op dreef toen ik binnenkwam: Delaunoy liet zijn jangle gitaar als geen ander rammelen terwijl bassiste Lulu me verblijdde met brutaal snauwende zang. Dat leverde lofi klinkende, hoekige nummers op die mijn nekspieren weer aardig op de proef stelden. Een primitieve mix van garage en punk die men tegenwoordig wel eens als egg punk wegzet. Toch wisten ze me niet helemaal voor zich te winnen. Daarvoor bleven teveel nummers steken bij een overigens altijd uitstekende aanzet terwijl het "boem shaka boem" van de drumcomputer me na een tijdje begon te irriteren. Misschien toch maar een drummer zoeken (als dat enigszins haalbaar is) en de nummers wat beter uitwerken, dan komt het gegarandeerd helemaal goed met MIT - The Male Idiot Theory.

Hoofdattractie van de avond was Clamm, een punk powertrio uit Melbourne dat geregeld in één adem genoemd wordt met Stiff Richards en Amyl & The Sniffers, twee groepen waar ze overigens ook mee bevriend zijn.
Clamm had me vorig jaar op Leffingeleuren compleet van de sokken geblazen wat natuurlijk verwachtingen schept. De kans dat die verwachtingen bij een tweede kennismaking niet ingelost worden en er een ontnuchtering volgt behoort dan zeker tot de mogelijkheden.
En dat was hier helaas ook een beetje het geval waardoor ik me voortdurend zat af te vragen hoe het kwam dat de euforie dit keer uitbleef. Aanvankelijk zat het hen ook niet mee. De eerste 10 à 15 minuten was de gitaar nauwelijks hoorbaar in de betonnen muur van bas en drums. Maar ook toen de klank beter werd bleef ik op mijn honger zitten. Andere mogelijke oorzaak was het ontbreken van bassiste Maisie Everett, die menig hart had weten te veroveren in Leffinge. Ze verliet Clamm om zich volledig te concentreren op haar eigen band, Belair Lip Bombs. Zij werd vervangen door Stella Rennex maar ook die was er niet bij in Kortrijk.
Voor deze Europese tour werd Alan Jones, bassist van het eerste uur, nog eens opgetrommeld en die leek wel een tegenpool van Maisie Everett te zijn. Waar Everett er vorig jaar onbeweeglijk en wat bedeesd bij stond en zo fel contrasteerde met de gebrachte muziek en de taferelen voor het podium, stuiterde Jones uitbundig mee op de bastonen. Het lijkt een detail maar het maakte wel degelijk een verschil.
En dan was er nog de locatie. Dit optreden vond plaats in een uitverkochte bar van De Kreun, een ruimte die destijds waarschijnlijk niet gebouwd werd met de bedoeling er concerten te laten doorgaan. Erg comfortabel was het niet. Nu maak ik zulke situaties wel meer mee maar van een gerespecteerde club als het Wilde Westen verwacht ik toch net iets meer.
Tot zover de azijnpisserij. Was dit dan een slecht optreden? Bijlange niet, meer nog. Was dit de eerste keer geweest dat ik Clamm zag dan had ik hier waarschijnlijk geen kwaad woord over geschreven.
De drie hielden het immers uitermate strak en bestookten ons met korte nummers die telkens aankwamen als mokerslagen. Een verpletterende muur van geluid die vakkundig gebetonneerd werd door de ad interim bassist en drummer Miles Harding waarbij de verrassend gevarieerd klinkende gitaar van Jack Summers met invloeden uit hardcore, noise en zelfs industrial voor wat ademruimte zorgde. De monotone en in galm badende zang van Summers klonk bruut en venijnig alsof hij een bende demonstranten diende op te jutten. Toch bleef zijn verkwikkende gitaarspel, waarvoor hij meer dan eens door de knieën zeeg, het meest tot de verbeelding spreken. Helemaal mooi werd het toen Clamm de set, waarin we vooral nummers uit hun tweede en laatste plaat "Care" hadden gehoord, afsloot met mijn absolute favoriet, "Done it myself", een nummer waarin het melodieuze voor één keer niet verbannen werd.

Organisatie: Wide Westen, Kortrijk

maandag 23 januari 2023 17:08

Jerry Joseph - Cultfiguur over de vloer

Jerry Joseph - Cultfiguur over de vloer

Opener van dienst, Nir Shemmer, zorgde voor een bijzonder aangename kennismaking. Geboren uit Israëlische ouders groeide Nir Shemmer op in Oostende waar de microbe voor muziek hem al vlug te pakken kreeg.
Zijn eerste grote voorbeelden situeerden zich verrassend in de seventies: James Taylor, Jackson Browne en Bill Withers. Maar wanneer hij zich in 2020 samen met zijn vriend Thomas Decock aan een eerste opname waagt blijken de invloeden toch uit een meer hedendaagse hoek te komen.
Nadat hij zich al eerder liet opmerken tijdens de preselectie van Humo's Rock Rally in Leffinge en de Paulusfeesten mocht hij zich nu tonen in de 4AD, een kans die hij met beide handen greep. In de rug gedekt door een vijfkoppige band bracht hij een set smaakvolle americana die aanvoelde als een welgekomen warme deken op deze kouwelijke januari avond.
Hoewel zijn songs zeker gehoord mochten worden, was het toch vooral die band die mijn hart liet gloeien. Wat een weelde! Vijf uitstekende muzikanten met maar liefst drie speerpunten die dit optreden naar een hoger plan wisten te tillen. Thomas Decock zorgde samen met Nir zelf voor een vorstelijke gitaarsound terwijl de backing vocals van Annelies Gheeraert van een angelieke schoonheid waren. En dan was er nog Harrison Steingueldoir, gekend van het jazztrio Donder, die de songs omzwachtelde met betoverende pianoklanken.
Alles werd minutieus aangekleed terwijl Nir Shemmer voor elk nummer telkens zorgvuldig de best passende gitaar koos uit de drie meegebrachte exemplaren. Er werd afgesloten met "Winona", wat straks de nieuwe single moet worden en misschien wel het beste nummer van de avond was, niet in het minst door de heftige interventie van Thomas Decock.

Met Jerry Joseph haalde de 4AD een cultfiguur in huis die een hele grote had kunnen worden. Op handen gedragen door critici en artiesten als Patterson Hood maar een diep bewaard geheim gebleven voor de meesten onder ons.
Een man die zowat de hele wereld heeft afgereisd en getekend is door het leven. Het begon al in zijn jeugd toen zijn ouders hem, toen hij op het verkeerde pad dreigde te raken, vanuit San Diego, Californië naar een kostschool in Nieuw-Zeeland stuurden. Maar ook daar bleven de problemen niet uit en hij mocht opnieuw zijn koffers pakken.
Toen hij twintig was begon hij een eerste bandje, Little Women. Het werd de start van een odyssee die hem zelfs tot in de vluchtelingenkampen van Afghanistan en in Koerdisch Irak leidde, waar hij gitaarlessen gaf, terwijl hij tussendoor ook nog worstelde met enkele verslavingen.
Een man met een verhaal maar hier in Europa totaal onder de radar gebleven tot hij in 2020 ‘The beautiful madness’ uitbracht. Zijn 29ste (!) plaat en eerste officiële Europese release. De plaat werd opgenomen in de Dial Back Sound studio van Drive-By Truckers bassist Matt Patton in Water Valley,  Mississippi, ook gekend van het door mij erg gewaardeerde gelijknamige label dat onder andere Teardrop City, Eleganza!, The Great Dying en Krista Shows onderdak biedt.
Op ‘The beautiful madness’ wordt Jerry Joseph bijgestaan door The Stiff Boys (pseudoniem voor de voltallige Drive-By Truckers) die een groot aandeel in het welslagen van de plaat hebben.
Het was dan ook de vraag of die nummers zonder hen wel overeind zouden blijven. Er is intussen reeds een nieuwe plaat, ‘Tick’, verschenen maar die is gevuld met restjes uit diezelfde opnamesessies en enkele liveopnames, ook al met The Stiff Boys ofte Drive-By Truckers.
Ik had nog gehoopt dat hij zijn eigen band, The Jackmormons, of op zijn minst een deel ervan zou meegebracht hebben maar dat bleek helaas niet het geval te zijn. Dat was financieel wellicht niet haalbaar en zo stond Jerry Joseph moederziel alleen op het podium, enkel gewapend met een akoestische gitaar en een stevige borrel. Bovendien was de man, na een negatieve ervaring de avond voordien, nogal nukkig wisten insiders me te vertellen.
Maar buiten die nijdige ruk waarmee hij zijn muts van zijn glimmende schedel trok en in de hoek katapulteerde was daar niets van te merken.
De gebruikelijke warme ontvangst in deze club had hem dan toch in een mildere stemming weten te brengen. Hij opende zijn set met het bijzonder krachtig gezongen "Beautiful child of God", een nummer uit 2000. Meteen werd duidelijk dat de 61-jarige Jerry Joseph het ook in zijn eentje ging redden. Daarvoor was zijn aanwezigheid op het podium dwingend genoeg maar het was niet altijd even makkelijk.
Zijn bijtende kijk op de waanzin en het verval van de wereld vertaalde zich immers in een tomeloze woordenvloed die je soms naar adem deed happen. Voor een avondje luchthartig entertainment moet men duidelijk niet bij Jerry Joseph zijn. Alhoewel er tussen de nummers al eens gelachen mocht worden, dankzij een gezonde portie relativerende humor waarin hij niet te beroerd was om ook zichzelf te kijk te zetten.
Met "White dirt", "Hallelujah trail" en "Tick" hoorden we wel beklijvende songs maar voor een echte uitschieter was het toch wachten tot het laatste nummer waarvoor hij Nir Shemmer op het podium riep. Met "Dead confederate", een song waarin hij afrekent met het racisme in het zuiden van de VS en het zogenaamde historisch belang van standbeelden en monumenten onderuit haalt, kregen we eindelijk één van de hoogtepunten uit ‘The beautiful madness’. Meer nog: Nir Shemmer mocht op slidegitaar de rol van Jason Isbell, die voor dit nummer na 13 jaar nog eens de Drive-By Truckers kwam vervoegen, vervullen en dat deed hij met verve. Zo goed zelfs dat Jerry Joseph de smaak nu helemaal te pakken kreeg en er samen met een glunderende Nir Shemmer onvermoed nog twee nummers aan toevoegde. Het magistrale "San Acacia", ook al uit ‘The beautiful madness’ en het lang uitgesponnen " Wisconsin death trip" waarin Jerry zowaar een wandelingetje door het publiek maakte.
Een zinderend slot van een mooie set die anderhalf uur geduurd had. Ik mag er wel niet aan denken wat dit MET groep gegeven zou hebben. Misschien moet Jerry Joseph bij een volgende Europese tour Nir Shemmer en zijn band eens vragen om hem te begeleiden.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

The Hooten Hallers - Op sleeptouw door een baritonsax

The Hooten Hallers uit Columbia, Missouri begonnen in 2007 als een duo maar de bezetting viel pas in 2014 in een definitieve plooi met de komst van baritonsaxofoniste Kellie Everett, die de band meteen een unieke sound bezorgde. Het trio kwam hun gloednieuwe plaat, ‘Back in business again’, waarop onder andere een gastbijdrage van James Leg te horen is, voorstellen.

De set begon veelbelovend met een zittende John Randall die een vijfsnarige lapsteel op de knieën had waarop hij verschroeiend met een slide tekeer ging. Dit leek wel een alternatieve versie van Left Lane Cruiser. Gruizige blues gezongen met die ongelooflijk rauwe rasp van Randall, voortgestuwd door de mokerende drums van Andy Rehm en van een swingende factor voorzien door de baritonsax van Kellie Everett. Wat mij betreft was zij de ster van de avond. Met een schijnbaar log instrument zorgde zij toch voor een onverdroten dynamiek. Toen Randall zijn lapsteel wisselde voor een elektrische gitaar werd het iets minder. Niet dat zijn gitaarspel plots niet deugde. Nee, het waren de songs die soms van beduidend minder allooi waren. Ze leken het nu meer te gaan zoeken in de mainstream rock of zelfs pop waardoor de beperkingen van Randall als zanger plots hoorbaar werden.
Toch bleven er genoeg mooie momenten over zoals "My own kick going", dat van George Thorogood had kunnen zijn maar een excellente cover was van vergeten cultfiguur, Ronnie Self, die net als The Hooten Hallers een inwoner van Missouri was. Na de pauze werd het niveau terug opgekrikt en wisten ze met een aanstekelijk enthousiasme, dat me deed denken aan Reverend Peyton's Big Damn Band, alle harten voor zich te winnen.
Eén keer liep het nog fout toen ze het laatste nummer, "Rhythm & Blues" te lang bleven uitmelken maar dat werd dan weer onmiddellijk goedgemaakt door een onverhoopte bisronde met als blikvanger een opmerkelijke cover van Louis Armstrong's "What a wonderful world". 

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

Pagina 7 van 25