logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
dEUS - 19/03/20...
Geert Huys

Geert Huys

In de reeks “Hoe zou het nog zijn met…30 jaar later” werden de spotlights afgelopen donderdag gericht op Grant Hart. Als mede-oprichter van het invloedrijke 80ies undergroundtrio Hüsker Dü en met een reputatie van voormalig junkie heeft deze innemende Amerikaan alles in huis om zich een cult figuur pur sang te noemen. Na zijn gedwongen ontslag uit Hüsker Dü ruilde Hart de drumkit in voor een elektrische gitaar en stortte zich in een aanvankelijk niet onaardig solo avontuur. Op zijn debuut ‘Intolerance’ (‘89) verrijkte hij de muziekgeschiedenis en passant met het tijdloze “All Of My Senses”, en daaropvolgend blikte hij met het nieuwe powertrio Nova Mob begin jaren ’90 twee fraaie albums vol doorleefde gitaarrock in.

Het jongste decennium leidde Grant een schijnbaar wat teruggetrokken bestaan en liet hij zich maar sporadisch opmerken, o.a. tijdens een eenmalig benefietoptreden met zijn oude Hüsker Dü ‘maatje’ Bob Mould, of als gastvocalist op het derde Arsenal album ‘Lotuk’. Toen na tien jaar radiostilte met ‘Hot Wax’ (‘09) dan toch weer een nieuw album verscheen leek niemand daar echt wakker van te liggen. Met de release van de puike rarities collectie ‘Oeuvrevue’ en een aantal reissues kwam Hart eind vorig jaar plots terug wat aan de oppervlakte. De hernieuwde aandacht leverde hem een ticket op richting Europa waar hij momenteel in zijn dooie eentje een clubtour afwerkt. De immer sympathieke patron van de 4AB club Patrick Smagghe moest dan ook geen twee keer nadenken toen de iconische Amerikaan op zoek ging naar een Westvlaams podium om de versheidsdatum van zijn back catalogue te testen.

Met Grant’s muzikale staat van dienst laat een beetje fan zich al vlug verleiden tot al te hoge verwachtingen, maar met cultfiguren weet je maar nooit. Zouden we een overjaarse troubadour op akoestische gitaar te zien krijgen, of dan toch een glimp kunnen opvangen van het strijdvaardige alt.rock icoon van weleer? Het bleek gelukkig het laatste. Met een zelden geziene rauwheid gooide Hart zich in een mistig strijdtoneel, nonchalant heen en weer strompelend tussen de microfoon en zijn gitaar amp waaruit hij voor elk nummer de juiste distortiongolf wist te knijpen. Een hoogbegaafd gitarist is ex-drummer Hart echter niet, een begenadigd zanger des te meer. Na een ronduit verschroeiende start kwam zijn doorleefde stem pas echt goed tot zijn recht tijdens het psychedelisch getinte “You're The Reflection Of The Moon On The Water”.
Hart had in het eerste concertkwartier nog maar weinig woorden gewisseld met het publiek, maar daar kwam geleidelijk aan verandering in. Los van alle sagen en legenden rond zijn muzikaal verleden is de Amerikaan immers de eerste om de iconische beelden rond zijn persoon te doorprikken. Tussen de nummers door ontpopte hij zich gaandeweg tot een alerte meestercynicus die dolde met de eerste rijen van het publiek en grapjes over zijn typische vibrato stem demonstratief in het rond strooide. De sfeer in de dun bevolkte doch intieme 4AD werd hierdoor heel relaxed en spontaan, zo spontaan zelfs dat we er wat aan twijfelen of Hart zich aan een vooraf ingestudeerde setlist hield.
In ieder geval kreeg het publiek de vooraf aangekondigde bloemlezing uit ’s mans beste werk. Maar zoals de recente ‘Oeuvrevue’ verzamelaar duidelijk aangeeft dateren de echt klassieke Hart songs toch wel van twee decennia terug. Het hemelse gitaarpopjuweeltje “2541” uit zijn solodebuut en de Nova Mob classics “Admiral Of The Sea” en “Little Miss Information” horen daar wat ons betreft zeker bij.
Hart zette het publiek heel even op het verkeerde been door op een bepaald moment zijn gitaar te stemmen op de tonen van een Hüsker Dü intro, maar even later werd het 4AD publiek dan toch naar de 80ies gecatapulteerd met de underground evergreen “Don’t Want To Know If You Are Lonely” en een doorleefd “Sorry Somehow”; beide Hart composities zijn afkomstig van het iconische ‘Candy Apple Grey’ album waarmee Hüsker Dü in ’86 de deur wagenwijd openzette voor Dinosaur Jr., The Pixies, The Lemonheads, Buffalo Tom en ander melodieus gitaargeweld die de 90ies zouden kleuren.

Geheel in de traditie van een singer-songwriter optreden nam een nu volledig ontspannen Hart op het einde van de set enkele verzoekjes aan. Ondergetekende viel hier in de prijzen en werd prompt op zijn wenken bediend met een rauwe versie van Hart’s figuurlijke ode aan de Duitse ruimtevaartpionier “Wernher Von Braun”. Met een ander geschiedkundig epos, “The Last Days of Pompeii”, nam de Amerikaan een beetje abrupt afscheid, maar even later zouden we de man onverwacht nog eens tegen het lijf lopen. Aan de gevel van de 4AD bewees Hart met verve dat mannen wel degelijk kunnen multitasken: anekdotes vertellen over ‘the life on the road’ en het gemiddelde IQ van Slayer fans, een versleten Hüsker Dü plaat signeren, gewillig poseren met fans, en tussendoor ook wat CDs aan de man brengen. Dit zijn het soort details die een optreden in een kleine club groots maken, dus Patrick, als er morgen een mailtje van Bob Mould binnen komt dan weet je wat er te doen staat!

Voorafgaand aan Grant Hart konden we nog een handvol nummers meepikken uit de set van publieksopwarmer Pauwel De Meyer. Op het eerste zicht een onbekende figuur in ons muzikaal geheugen, maar na wat speurwerk bleken we deze jongeman uit de regio Sint-Niklaas toch reeds eerder te hebben ontmoet. We herinneren ons immers nog levendig het optreden van Devendra Banhart op Pukkelpop 2007, waar plots een jong kereltje het podium op mocht om samen met Banhart een eigen nummer te brengen; wel, dat bleek bij nader inzien de toen amper 17-jarige De Meyer te zijn. Op de planken van de 4AD deed de ontwapenende jongeman ons eerder denken aan de begindagen van oppermelancholicus Tom McRae. Een talent is De Meyer zeker, want maar weinigen komen weg met “Not Yet” van The Veils zonder het schaamrood op de wangen.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Heimwee als drijfveer voor een muzikale reünie, het blijft risky business. Het Californische Kyuss, oftewel de moeder aller stonerrock bands, werd in ’95 ten grave gedragen aan de vooravond van een internationale doorbraak en geniet sindsdien een mythische status onder liefhebbers van epische drugrock.
Terwijl gitarist Josh Homme met Queens Of The Stone Age de cult status van Kyuss moeiteloos wist te ontgroeien hield frontman en opperstrot John Garcia zich wat afzijdig. Na een resem verdienstelijke albums met de Kyuss rip-offs Slo Burn, Unida en Hermano kreeg de heimweeman in Garcia vorig jaar dan toch de overhand. Vermomd als het weinig verhullende Garcia Plays Kyuss stak de brulboei vorig jaar de neus terug aan het venster in de Vooruit en op Pukkelpop, maar pers en publiek reageerden sterk verdeeld.
Met het nog minder verhullende Kyuss Lives! probeert Garcia het nu opnieuw, ditmaal vergezeld van zijn voormalige Kyuss maatjes Nick Olivieri (bas) en Brant Bjork (drums). En ja, de wereld zit wel degelijk te wachten op Garcia & co: op een paar uur tijd mocht de AB zowel voor de afternoon als de evening show het soldout bordje boven halen.

Het was best wel een onwaarschijnlijk sfeertje daar in en rond de AB. Rond de klok van halfvijf eisten een deugddoend lentezonnetje en een staalblauwe hemel buiten nog alle aandacht op, maar binnen in de rocktempel moesten die onverbiddelijk plaats ruimen voor de sinistere schaduw van een verloren cactus in een desolaat en verstild woestijnlandschap. Het bleek slechts stilte voor de storm, die met de epische opener “Thumb”, de orkaankracht van “Hurricane” en het oorverdovend funky “One Inch Man” ontaarde in een geluidsmuur die constant met de 100 dB grens flirtte. Stuk voor stuk klassiekers die een beetje Kyuss fan van achter naar voor kan meebrullen, maar toch was er iets of iemand die de vonk aanvankelijk niet deed overslaan. Grote schuldige van dienst bleek de PA man die het om onduidelijke reden nodig achtte om de oerkracht van Garcia’s strot vakkundig naar achter te mixen, waardoor het wel leek alsof de frontman twee straten verder door een versleten micro stond te brabbelen. Nooit gezien in een kwaliteitstent als de AB dat een PA kerel langs alle kanten met blikken vol ongeloof werd aangestaard, en zeker niet dat een fan op het podium sloop om persoonlijk aan Garcia duidelijk te maken dat hij nagenoeg onhoorbaar was. Nefast voor de feestvreugde noemen we zoiets.
Het fanincident zorgde eigenaardig genoeg wel voor een ommekeer. Garcia mocht zich even gaan bezinnen in de coulissen tijdens de instrumentale brok graniet “Asteroid”, en trad vervolgens zonder zonnebril maar met een betere vocal mix terug op het voorplan. Tijdens een lekker langgerekt “Supa Scoopa And Mighty Scoop” en persoonlijke favoriet “Tangy Zizzle” kreeg Garcia’s oerstrot ineens meer greep op onze trommelvliezen.
De Belgische fans kunnen niet weinig trots zijn dat Arsenal gitarist Bruno Fevery sinds een tijdje de nieuwe sidekick is van Garcia & co en er wonderwel in slaagt om uit de schaduw van Josh Homme te treden. Net als Kyuss zaliger is ook Kyuss Lives! echter geen clubje waar muzikanten elk om beurt de show stelen. Fevery’s wall of sound, de lange basuithalen van een opvallend cleane Olivieri en de manische drumpartijen van Brant ‘animal’ Bjork zijn gelijkwaardige ingrediënten die samen de machtige Kyuss groove uitmaken. Met het netjes tot op het eind opgespaarde “El Rodeo” bewezen de heren trouwens ook dat ze die groove van een virtuoze intro kunnen voorzien.


Tijdens de bescheiden bisronde kregen we het opnieuw wat minder warm. Vooral een precisiebommetje als “Green Machine” mocht best wel met wat meer punch worden gedropt, maar misschien zaten Garcia & co al met hun gedachten bij de evening show die luttele uren later de AB voor de tweede keer die dag tot de nok zou vullen.
Rest ons nog antwoorden te verzinnen op twee relevante vragen.
(i) Kyuss lives? Kyuss lives! (ii) Willen we deze PA man straks terugzien in Dour en Lokeren? No way!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Wat typeert een invloedrijke band? Dat pers en publiek in de loop van de muziekgeschiedenis steevast met hetzelfde selecte kransje namen dwepen is natuurlijk mooi meegenomen, maar de referenties die er pas echt toe doen zijn toch wel deze van collega’s artiesten. Neem nu het geval van de Engelse postpunk legende Gang Of Four. De liner notes van hun heruitgegeven mijlpalen ‘Entertainment’ (’79) en ‘Solid Gold’ (‘81) liegen er alvast niet om: als we de lyrische getuigenissen van Flea, Michael Stipe, Michael Hutchence en Page Hamilton mogen geloven dan zou een planeet zonder Gang Of Four wellicht ook Red Hot Chili Peppers, R.E.M., INXS en Helmet op de missing species list hebben staan. Of wat te denken van LCD Soundsystem, The Rapture en Radio 4 die na een overdosis Gang Of Four New York terug omtoverden tot de hipste muziektent ter wereld?

De veteranen uit Leeds bleven er al die tijd stoïcijns kalm bij, tot in 2005 een verzamelaar met heropgenomen oudjes verscheen en de groep zich ook live liet opmerken in het betere nostalgie circuit. Zo kon het Vlaamse Gang Of Four fanlegioen reeds op Sinner’s Day ’09 en de Lokerse Feesten ’10 vaststellen dat hun helden geen schrik moeten hebben van het jonge grut dat notabene bij hen de mosterd haalde.
Maar nog waren de fans niet tevreden en klonk het verzoek om een echt nieuw album almaar luider, zo luid zelfs dat bepaalde fans er grof geld veil voor hadden. Het nagelnieuwe ‘Content’ album is dan ook in verschillende opzichten opzienbarend. Het consolideert niet enkel de terugkeer van één van de meest cruciale bands uit de eerste postpunk golf, maar is uniek in zijn soort omdat het voor een groot deel werd gefinancierd met fandonaties. Of de inhoud van ‘Content’ ook werkelijk de verpakking waard is gingen we afgelopen zaterdag zelf ondervinden in de Brusselse Botanique.


Alhoewel groepsleden van het eerste uur Jon King en Andy Gill de middelbare leeftijd reeds geruime tijd hebben bereikt bleek van meet af aan dat de heren niet bepaald naar de overvolle Orangerie waren afgezakt voor een gezondheidswandelingetje. De forse nieuwe single “You’ll Never Pay For The Farm” gevolgd door de dubbele uppercut “Not Great Men” en “Ether” uit het must-have debuut ‘Entertainment!’ konden wat dat betreft wel tellen als openingssalvo. King eiste van meet af aan de rol van angry old man op en spuwde zijn cryptische maatschappijkritiek uit in één van de vele microfoons langs de frontlinie van het podium. De hyperkinetische frontman liet er alvast geen twijfel over bestaan dat hij en de al even opgefokte gitarist Andy Gill anno 2011 nog steeds de creatieve spil en het kloppend hart van de groep vormen. Voor hun jonge ritmesectie Thomas McNeice (bas) en Mark Heany (drums) lijkt het nog wat wennen aan zoveel 50+ geweld, en eigenlijk mochten beide jonkies al blij zijn dat ze vlotjes bij de les konden blijven.
Het publiek moest toch wel wat naar adem happen na een ronduit verschroeiende start. Met de slepende funk van “Paralysed”, met Gill in de rol van spoken word artiest, en het nieuwe verdraaide reggaedeuntje “A Fruitfly In A Beehive” was de groep dan ook meer dan verdiend toe aan een relatieve rustpauze. Het bleek tevens de voorbode van één van de absolute hoogtepunten van de set. Ja, het moet wat geweest zijn toen in ’79 Gang Of Four een nummer als “Anthrax” op het nog prille postpunk publiek los liet. Ingeleid door een dissonante gitaareruptie en drijvend op het weinig verhullend chorus “Love Will Get You Like A Case Of Anthrax” vormt deze dreigende lap postpunk het epische sluitstuk van hun eerste album. Ruim drie decennia later slaagt Gill er wonderwel in om even geloofwaardig als toen dezelfde dreiging uit zijn gitaar te knijpen, al is schoppen wellicht een beter werkwoord om diens kunstjes op het podium te beschrijven. Alsof dat nog niet genoeg was haalde King op zijn beurt een vocoder boven voor “It Was Never Gonna Turn Out Too Good”, met voorsprong het meest experimentele nummer uit ‘Content’. Op dat nieuwe album staan nochthans een pak andere meer hapklare brokken, maar het typeert de eigenzinnigheid van de groep om nu en dan de vaart uit het optreden te halen zonder dat er ook maar iets aan live vibe verloren gaat. Trouwens, van tempo gesproken: de verslavende beat van het punkfunk anthem “To Hell With Poverty” kreeg tegen het einde van de set zelfs het gros van de aanwezige grijze/kale (schrappen wat niet past) vijftigers aan het swingen.

De postpunk veteranen bleken hun energie netjes te hebben gedoseerd en hadden nog wat lekkers opgespaard voor de twee encore rondes. Na een puntig “At Home He’s A Tourist” stal King opnieuw de show door tijdens “He’d Send In The Army” een zelf ineengeknutselde percussiebox te mishandelen totdat de splinters in het rond vlogen. In schril contrast hiermee stond het verplichte nummer “I Love A Man In A Uniform”, het enige Gang Of Four anthem dat in het collectieve geheugen is blijven hangen maar eigenlijk niet paste in een set die het in de eerste plaats van metalige gitaren, averechtse baslijnen en hakkende drums moest hebben. Maar ach, na een okselfrisse versie van afsluiter “Damaged Goods” waren we die kleine smet op een voor de rest voortreffelijk optreden al lang vergeten.

De vier heren namen beleefd afscheid van de Orangerie met een diepe buiging daar waar ze zelf eigenlijk een staande ovatie verdienden. Want laat er over één ding vooral geen twijfel bestaan: Gang Of Four slaagt er net als generatiegenoten Killing Joke nog steeds in om na dertig jaar het heilige vuur brandend te houden. En ja, ik weet het, het staat wat haaks op de politieke ideologie van de groep, maar de eerlijkheid gebied ons om hier zelfs een dankwoordje richten tot de kapitaalkrachtige fans…

Organisatie: Botanique, Brussel

Bestaan ze eigenlijk nog wel, van die jonge Angelsaksische groepjes die vanaf de eerste noot niet meteen worden versleten voor een zoveelste smakeloos afkooksel van Joy Division, Gang Of Four of The Chameleons? Bandjes die okselfris en gretig klinken, maar waarbij je ‘begot’ niet meteen kan raden waar ze de muzikale mosterd vandaan hebben? Met de geboorte van het Schotse sextet The Phantom Band lijken al onze gebeden ineens te worden gehoord. Hun meer dan beloftevol debuut ‘Checkmate Savage’ uit 2009 is wat blijven steken tussen de plooien van de tijd, maar de vorig jaar verschenen opvolger ‘The Wants’ oogstte unaniem lyrische recensies en stak hier en daar zelfs de kop op in menig eindejaarslijstje. Zelden zo’n intrigerende mix van epische folk, meerstemmige pop en krautrock gehoord, dus wij naar het Gentse muziekcafé De Charlatan om te horen en zien of we ook live even ondersteboven blijven van deze eigenzinnige bende uit Glasgow.

Op hun trip langs de clubs van het Europese vasteland was The Phantom Band in Gent toe aan de laatste stop, en op het eerste zicht bleek het zestal wel wat door haar beste krachten heen te zitten. De verwaaid ogende frontman Rick Anthony vond niet onmiddellijk zijn draai op het gezellige maar claustrofobisch kleine podium van De Charlatan, en op de guitige drummer Damien Tonner na blonken ook zijn makkers niet bepaald uit in speelplezier. Bovendien moesten de Schotten het wel met een heel erg matige opkomst stellen, want na het voorprogramma van eigen bodem bleek zowat de helft van het publiek plots in het ijle verdwenen. Met “O”, één van de absolute prijsbeesten uit ‘The Wants’, leek alles opeens toch in de juiste plooi te vallen. Andy Wake liet uit zijn keyboards een verslavende minimale electrobeat opborrelen, en aanvankelijk deed Anthony’s speelse falset vermoeden dat het nummer richting lichtvoetige Hot Chip discopop uitging. De pastorale bariton van Anthony, een dreigend synthtapijt en logge drums beslisten er echter anders over, en wat overblijft is een geluid dat even ongrijpbaar als verslavend is.
The Phantom Band is gehuisvest bij hét Schotse indie label bij uitstek, Chemikal Underground, dat ooit ook onderdak verleende aan streekgenoten Arab Strap en Mogwai. Niet toevallig moeten al deze groepen het vooral hebben van hun muzikale nonchalance, en werd er duidelijk niet nagedacht over een bepaald imago op of naast het podium. Het feit dat één van de twee gitaristen gedurende gans het optreden zijn rug naar het publiek keerde, spreekt wat dat betreft boekdelen. Ook de Schotse roots worden in het sappige accent van frontman Anthony niet verloochend. Bij het rustige begin van “The None Of One” lijkt hij aanvankelijk wel een zich aan whiskey lavende folkzanger, totdat een verschroeiende krautrock beat het nummer onverwacht richting repetitieve trance uitstuurt. Op de recentste single “A Glamour” krijgen strakke gitaren en tribal drums het voor het zeggen; de magistrale intro van “Into The Corn” lijkt dan weer weggelopen uit een rarities collectie van Kraftwerk.

Om onduidelijke redenen kregen de sympathieke Schotten geen bisnummers toebedeeld, en moesten ze de klus afmaken met de uitgesponnen instrumental “Crocodile” uit hun debuut. Onze eerste live kennismaking met The Phantom Band kon door de aarzelende start en het  ietwat abrupte einde de hoog gespannen verwachtingen weliswaar niet geheel inlossen, maar als er zoiets bestaat als muzikale gerechtigheid dan verwachten we van deze unieke muzikale bende straks niets minder dan een regelrechte revanche in de Chateau tent op Pukkelpop, toch?

Het overwegend jonge publiek leek zaterdag vooral naar de Charlatan afgezakt om met opwarmer Low Vertical de nieuwste knuffelberen van het Vlaamse indie landschap aan te moedigen. Dit jeugdig trio uit het Westvlaamse Beernem maakt, jawel, enigszins prettig gestoorde rocktronica waar liefhebbers van knisperende beats, emo en shoegaze een mooie kluif aan hebben. Ondanks hun enthousiasme en creativiteit heeft de groep momenteel echter één huizenhoog probleem: in het muzikaal straatje waarin ze momenteel vertoeven zijn alle huisnummers al opgeëist door Radiohead v2.0 die vanaf ‘Kid A’ indie gitaren, Warp synths en ijle vocals tot een uniek geheel hebben gekneed. Maar ach, ze zijn nog jong meneer. Met hun huidige fanbase en de uitdrukkelijke steun van StuBru’s Select team moeten deze jongelingen er op korte termijn toch wel in slagen om zich een eigen smoel aan te meten.

Organisatie: Democrazy, Gent

We weten het zeker. In de strijd om de eretitel ‘Hardest working man in contemporary rock’ kaapt Steve Wynn zonder veel moeite de bloemen weg. Het leven van de Californiër oogt in feite even routineus als afwisselend: wanneer eventjes niet in de studio trekt hij alleen of met een paar metgezellen prompt op tournee, en eens thuisgekomen van diezelfde tournee klinkt alweer de lokroep van de studio.
Amper zijn we bekomen van Wynn’s recentste opus ‘Northern Aggression’ en de bijhorende memorabele doortocht in de Botanique twee maanden terug, en daar verschijnt de prille vijftiger in alweer een nieuwe gedaante op Europese clubpodia.
Dit keer heeft Wynn een akoestische set in petto waarbij hij zich in verschillende landen telkens door een andere muzikale soulmate laat bijstaan. In het Mechelse Cultuurcentrum konden de Vlaamse Wynn fans alvast rekenen op een primeur, want voor het eerst in hun dertigjarige vriendschap stonden Wynn en de al even legendarische multi-instrumentalist Chris Cacavas als duo samen op de planken.

Voor aanvang van de eigenlijke set mocht Chris Cacavas in de koorzaal van de Minderbroederskerk komen bewijzen waarom hij naast zijn exploten als keyboardspeler bij Green On Red en Danny & Dusty ook een respectabele singer-songwriter mag genoemd worden. Enkel vergezeld van een elektrische gitaar maakte hij voorzichtig gebruik van de gelegenheid om enige promo te voeren voor zijn recentste album ‘Love’s Been Discontinued’ waaruit “Tell Me Everything” en “Who’s Your Whore” werden geplukt. Door zijn mooi resonerende stem klinken Cacavas’ songs een stuk weemoediger en introverter dan deze van Wynn, maar met zijn maatje deelt hij gelukkig wel een gezonde dosis zelfrelativering.
We hadden best wel nog een uurtje kunnen verder luisteren naar Cacavas’ verhaaltjes over mislukte relaties, onbeantwoorde liefdes en morele ontgoochelingen, maar uiteindelijk moest het publiek het stellen met vier proevertjes die de appetijt al voldoende hadden aangescherpt voor de hoofdschotel van de avond.

Artiesten die in de Mechelse Minderbroederskerk komen optreden zijn best wat spaarzaam met genotsmiddelen, want er is immers die verschrikkelijk steile kerktrap waarlangs ze zich in ware Hollywood stijl richting publiek moeten begeven. Wynn kwam wijselijk voorzichtig die gevreesde trap af en dook met “Merritville” (‘84) meteen resoluut in de Dream Syndicate catalogus. Cacavas had ondertussen een accordeon beet en deed zo zijn duit in het zakje om deze Paisley Underground classic om te dopen tot een meeslepend folkepos. Wynn kreeg de pakweg honderd aanwezigen hiermee zonder veel moeite op zijn hand, en gooide meteen wat complimentjes terug over het indrukwekkende culturele erfgoed van de Mechelaars.
De Californiër maakte er ook geen geheim van dat hij tijdens zijn akoestische tournees wel eens wat obscuur werk van onder het stof durft te halen. “Dandy In Disguise” is zo een vergeten parel uit diens tweede solo album ‘Dazzling Display’ (’91) die hier in ere werd hersteld. Ook “Burn” uit het onlangs digitaal opgepoetste Dream Syndicate opus ‘Medicine Show’ is een gem die Wynn de afgelopen jaren doorgaans in de kast liet, maar ook in een acoustische versie en gestript van alle feedback moeiteloos overeind bleef. Het recente werk onderging een zo mogelijk nog grotere transformatie.
Op Wynn’s jongste album staan “We Don’t Talk About It” en “Resolve” stijf van de psychedelische effecten en reverb, in Mechelen werden ze omgevormd tot broeierige folksongs.
Even over halfweg nam de set plots een onverwachte wending. Het technisch weerbarstige orgeltje van Cacavas had al een paar songs lang hier en daar wat roet in het eten gegooid, maar in plaats van zich te ergeren in het onding besloten de ervaren rotten van de nood een deugd te maken. De stekkers werden uit de instrumenten getrokken, en als twee muzikale predikanten begaven Wynn en Cacavas zich in de koorzaal om de set 100% unplugged verder te zetten. Het duo klonk nu helemaal bevrijd van alle stress waardoor “If It Was Easy Everybody Would Do It” en “Wait Until You Get To Know Me” een beetje weg hadden van dronkemansliedjes. De die-hard fans beseften dat deze onverwachte wending zou eindigen in een traditioneel rondje om-het-hardst-persoonlijke-favorieten-schreeuwen, en toen Wynn daartoe het startsein gaf kreeg hij in een mum van tijd “Boston”, “Tears Won’t Help” en “Carolyn” als verzoekjes naar het hoofd geslingerd.

Na een korte adempauze in de lobby namen de twee heren hun vertrouwde stekjes op het podium terug in voor een zinderend en schijnbaar eindeloos durend “Amphetamine”. Cacavas mocht vervolgens uitblazen in de coulissen, waardoor Wynn voor het eerst die avond helemaal alleen op de planken stond. Ondergetekende zag zijn kans schoon om keihard om persoonlijke favoriet “Follow Me” te verzoeken... en met kippenvel op de rug werden wij op onze wenken bediend. Na deze sentimental journey uit het ‘Fluorescent’ album (’94) kon het contrast met de rauwe afsluiter “Days Of Wine And Roses” niet groter zijn. Bestaan ze eigenlijk wel, optredens waar Steve Wynn een mindere dag heeft? In Mechelen had de Californiër alvast de minste moeite om ons van het tegendeel te overtuigen.

Iedereen heeft wel van die avonden die men voor geen geld ter wereld wil missen: de live uitzending van de Miss België verkiezing, de finale van Idool, Clouseau in het Sportpaleis: you name it. Ieder zijn meug natuurlijk, maar wat ons betreft stond de AB affiche van afgelopen dinsdag al maanden vooraf garant voor ‘a night to remember’.
Als vaandeldragers van het betere episch gitaargeweld kunnen zowel Masters Of Reality als The Cult op hun ééntje deze concerttempel vlotjes laten vollopen, dus waarom dan toch kiezen voor de twee-voor-de-prijs-van-één formule? Het antwoord op die vraag schuilt in het jongste project van The Cult, dat voortaan zonder tussenkomst van een platenfirma digitale pakketjes of zogenaamde ‘Capsules’ aanbiedt van nieuwe nummers, live versies van Cult classics en eigenhandig geregisseerde kortfilms. De vier nieuwe nummers uit de twee ‘Capsule 1’ en ‘2’ werden ingeblikt door meesterproducer Chris Goss, die als wederdienst met diens eigen inmiddels mythische Masters Of Reality het voorprogramma van zijn Engelse vrienden mocht invullen.

Het leek een schier onmogelijke en eigenlijk ook wel een ondankbare opdracht voor Goss & co om ruim twee decennia Masters Of Reality in drie kwartier de revue te laten passeren. Dankzij een voortreffelijke songkeuze liet de imposante Amerikaan echter geen seconde onbenut om te bewijzen waar menig stonerrock bandje de mosterd heeft gehaald. Met het splinterbommetje “Domino” uit het moeilijk vindbare titelloze debuut (‘88) en de onweerstaanbare na-na-na-na groove van “Third Man On The Moon” opende het vijfkoppige gezelschap voor een halflege zaal. Mogelijks zat het vroege aanvangsuur daar voor wat tussen, en even hadden we zelfs de indruk dat Goss zich daar een beetje aan ergerde zeker wanneer hij het publiek om enige respons verzocht tijdens het fraaie kampvuur riedeltje “Jody Sings”.
Op het jongste opus ‘Pine/Cross Dover’ (‘09) zijn naast de nodige decibels ook art rock en symfo in het geluid van de groep geslopen, en tijdens de drie nummers die uit dat album werden geplukt konden Goss’ begeleiders hun kwaliteiten uitgebreid etaleren. Opvallendste figuur was hier zondermeer Eagles Of Death Metal gitarist Dave Catching, die in zijn enthousiasme regelmatig de pedalen dreigde kwijt te raken maar eigenlijk een rasmuzikant blijkt te zijn. Ook de niet onaardig ogende bassiste Abby Travis bleek meer dan haar mannetje te kunnen staan in het stoere rockbastion dat Masters Of Reality eigenlijk altijd al geweest is. Tijdens “Always” bleek bovendien dat de zwartharige vamp ook over een fraai koppel stembanden beschikt.
De retestrakke rockabilly pastiche “She Got Me (When She Got Her Dress On)” zette een korte maar krachtige finale in. De zaal was nog steeds amper voor de helft gevuld toen Goss & co met een vertimmerde versie van de miskende stonerclassic “The Blue Garden” hun toebedeelde tijd netjes volmaakten. Masters Of Reality had aan een veldslag van drie kwartier genoeg om zelfs als voorprogramma te imponeren, maar wat graag hadden we Chris Goss zich nog een uurtje langer in het zweet zien werken.

Bij hun vorige passage in de AB tijdens de ‘Love Live’ tournee was The Cult nog goed voor een zeer gesmaakte nostalgie trip, maar gelukkig heeft de creatieve spil Ian Astbury en Billy Duffy intussen niet stilgezeten en werden vorig jaar een beperkt aantal nieuwe nummers ingeblikt. Met één van die nummers, “Every Man And Woman Is A Star”, wordt hun jongste ‘Destroy Europa’ tour elke avond op gang getrokken. Dat de groep hiermee niet meteen potten brak, lag niet aan het speelplezier of het geluid, maar eerder aan de matige muzikale impact en vooral de kleffe tekst van het nummer. Een welkome portie “Rain” kwam net op tijd om dit schoonheidsfoutje weg te spoelen, want voor de rest waren we getuige van een voortreffelijke en strakke set waarin Cult classics werden afgewisseld met een eigenzinnige selectie van tracks uit minder bekende albums én zelfs nummers uit het pre-Cult tijdperk. Zo werden “Horse Nation” en “Ghost Dance” opgediept uit de bescheiden catalogus van Death Cult, het gothrock groepje waarin Astbury en Duffy voor het eerst als muzikaal koppel door het leven gingen maar dat eind ‘83 na amper een paar maanden werd omgedoopt tot The Cult. Ook de keuze van “White” uit ‘Ceremony’ (‘91) en “The Saints Are Down” uit ‘The Cult’ (‘94) kan gerust opvallend genoemd worden. In de 90ies moest The Cult het immers met een pak minder aandacht stellen dan in het decennium ervoor, en werden hun albums genadeloos neergesabeld door de critici. Ook hier brengt tijd raad, want net deze nummers behoorden tot de meest doorleefde van de avond.
Wie The Cult al eerder aan het werk zag weet dat frontman Ian Astbury niet bepaald een spraakwaterval is, en ook deze keer leek het er aanvankelijk op dat de struise zanger zich het ganse optreden lang achter zijn zonnebril zou gaan verschuilen. Met zijn lange gitzwarte haren, dito lederen handschoenen en de nodige stage pose kon hij zelfs gemakkelijk voor Jim Morrison look-alike worden versleten... en zoals later zou blijken was deze vergelijking eigenlijk niet eens zo gek. Naarmate de set vorderde werd Astbury echter steeds spontaner, de zonnebril maakte plaats voor een uitdagende grijns en de frontman waagde zich hier en daar zelfs aan een lichtjes provocerende bindtekst.
Na een splijtend “Wild Flower” richtte Astbury ook een bedankje aan Chris Goss voor zijn productionele kunstjes op het nieuwe “Until The Light Takes Us”. Met zijn strak ritme, dreigende atmosfeer en redelijk verslavende riff heeft dit nummer alles in huis om zich een Cult classic in wording te noemen. Het publiek was meteen opgewarmd voor het bruisende slot. Alle podiumlichten werden gedoofd, behalve die ene spot gericht op Billy Duffy en diens Gretsch White Falcon 1 tijdens de mystieke intro van “She Sells Sanctuary”. Een verplicht nummer, dat wel, maar geen enkele Cult fan lijkt vooralsnog zonder te kunnen. En zoals Astbury het zelf al aangaf: elke andere groep zou na het weggeven van zijn ultiem prijsbeest spontaan de kleedkamer opzoeken, maar The Cult gaf er met “Love Removal Machine” meteen nog een tweede ferme lap op. Drijvend op de beste riff die Keith Richards nooit tot in het repetitiehok van de Stones kreeg, breide dit onweerstaanbaar luchtgitaar anthem een opzwepend slot aan een heel puik optreden.

‘If you want to hear more music, do let us know!’ riep een intussen volledig ontspannen Astbury op zijn weg naar de coulissen. Veel tijd had de groep echter niet meer te goed, want tegenwoordig gaan de schuivers om halfelf onherroepelijk naar beneden in de grote zaal van de AB. Astbury & co leken maar weinig begrip te kunnen opbrengen voor dit soort conservatieve beslissingen, maar persten er met een venijnig “Rise” en de allereerste Cult single “Spiritwalker” toch nog twee fraaie bissen uit. Helemaal op het eind kroop Astbury uiteindelijk dan toch volledig in de huid van Jim Morrison, en nam de groep definitief afscheid met een fraaie interpretatie van “Break On Through (To The Other Side)”.

Wie zin had in nog meer lichtontvlambare gitaren, of gewoon eens wou checken hoe de groep zou flirten met de 100 dB grens, kon achteraf nog terecht in de AB Club bij de jonge Gentse honden van Drums Are For Parades. Voor ons was het echter welletjes geweest, want we kwamen ons er in de eerste plaats van vergewissen dat oude rotten Masters Of Reality en The Cult veel meer zijn dan goed geoliede nostalgie acts. Hun relevantie anno 2011 trekken we niet in twijfel; sterker nog, qua attitude en impact spelen ze volgens ons in een handomdraai de meest hippe rockgroepjes die binnenkort het podium van Rock Werchter zullen bevolken in no time naar huis.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Hollandse Halve Belgen, het is een diersoort die opvallend goed gedijt op Vlaamse bodem. De zeemzoeterige Beatles rip-off van Joost Zweegers, de lekkere gerechjes van Sergio Herman en de bokkesprongen van Jos Lansink zijn intussen genoegzaam bekend, maar onze favoriete HHB moet met ruime voorsprong toch wel Rick De Leeuw zijn. De voormalige frontman van de vrolijke (punk)rockbende Tröckener Kecks is niet echt sant in eigen land, maar lijkt vooral onder de Moerdijk opvallend veel vrienden te maken. Met één van zijn grootste boezemvrienden, radiopionier en Radio 1 baas Jan Hautekiet, vormt De Leeuw sinds 2004 trouwens een muzikaal gelegenheidsduo dat inmiddels aan haar derde theatershow bezig is.
Tijdens ‘Op Drift!’ gaat het onwaarschijnlijke duo dieper dan voorheen graven in de grote levensvragen, enkel gewapend met een reeks (vooral nieuwe) liedjes, gedichten en verhalen. Elke voorstelling die een ondertitel draagt als ‘Een work-out voor oog, oor, ziel en hart’ prikkelt onze nieuwsgierigheid, dus gaven wij acte de présence op één van de laatste voorstellingen van de ‘Op Drift!’ tournee die afgelopen vrijdag in de statige Brugse Stadsschouwburg halt hield.

Artiesten die vanaf de eerste seconde het publiek op het verkeerde been zetten, we lusten er wel pap van. Het was immers niet de rustige vastheid Hautekiet maar wel de hyperkinetische duivel-doet-al De Leeuw die bij aanvang plaats nam achter de zwarte vleugelpiano om een monotoon en  dreigend riedeltje in te zetten. Pas na enige tijd verscheen ook zijn Vlaamse kompaan voor de microfoon om droogjes een tekstfragment uit “De Koning Der Nederlanden” te debiteren. De rollen werden echter al vlug omgedraaid. Hautekiet heroverde zijn vertrouwd zitje achter de piano, en met bevlogen versies van “Deze Oude Wereld” en “Zoek Niet Langer” trok De Leeuw de set op gang. Net wanneer het publiek denkt een knus avondje kleinkunst voor de boeg te hebben gaat de voorstelling plots een andere kant op. De Leeuw gaat rustig zitten en bevestigt zijn reputatie van meesterlijke verteller tijdens “De Koning en De Dood”, een hedendaags sprookje over de tweestrijd tussen de wil om te leven en de onontkoombare dood. Hautekiet duikt ondertussen in de klankkast van zijn piano en mishandelt er de snaren totdat er een grillige soundtrack bij het verhaal wordt tevoorschijn getoverd. Een eerste hoogtepunt noemen we zoiets.
Tijdens “Dit Is Echt” draaft een overdreven molenwiekende De Leeuw over het podium, en Hautekiet grijpt dit moment meesterlijk aan om zijn Hollandse ‘vriend’ een lesje in zelfrelativering aan te smeren. De Radio 1 baas gaat er weliswaar prat op om geen namen te noemen, maar zijn ironische uithalen naar egotrippende rocksterren zonder inhoud zijn heerlijk precies op het lijf van De Leeuw geschreven. De rijzige Hollander met Vlaamse voorliefde gaat eerst prompt in de tegenaanval, maar laat vervolgens zijn sympathie voor Hautekiet blijken door een vers uitgeschonken Duvel op diens piano neer te planten. Stilaan wordt ook duidelijk waarom de voorstelling nu eigenlijk ‘Op Drift!’ heet. Met dit soort driftige sketches herdefiniëren de twee heren meteen ook het begrip ‘vriendschap’: grondig van mening verschillen en soms discussiëren tot je er bij neervalt, maar op het eind van de dag ga je toch steeds met een handdruk of een knuffel uit elkaar.
De sfeer wordt andermaal omgegooid met een liefdesliedje uit, jawel, de Tröckener Kecks catalogus. Ontdaan van alle studiofranjes klinkt “Ik Denk Nooit Meer Aan Jou” uit het afscheidsalbum ‘TK’ (2000) raker dan ooit. Alweer een hoogtepunt, maar dan verpakt in kippenvel.
Het geamuseerde publiek geniet met volle teugen, ook wanneer Hautekiet na een nieuwe anekdotische woordenwisseling met een Duvel in de hand eerst het podium en tenslotte ook de zaal verlaat. Na een reeks smeekbedes verklaart een te trotse De Leeuw dat niet hij maar iemand uit het publiek de pianist dan maar moet terughalen. Of ene Carla wel of niet deel uitmaakte van het complot laten we hier even in het midden, feit is wel dat deze enthousiaste toeschouwer Hautekiet terug de zaal instuurde voor een zinderende finale. Deze wordt ingezet met vrije interpretaties van Bob Dylan’s “Like A Rolling Stone” en Léo Ferré’s “Thank You Satan”, en als klap op de vuurpijl een magistrale vertaling van “Venus In Furs”. Hautekiet en De Leeuw, even in de huid van het onderkoelde Velvet Underground duo Cale en Reed, deden dit onvolprezen stukje muziekgeschiedenis alle eer aan. Al hoorde je die niet echt, toch bleef de laatste noot ervan nog nazinderen toen de heren het podium inmiddels al hadden verlaten.
Voor de verplichte encore hadden we stiekem gehoopt op de moderne kleinkunst klassieker “Het Leven Is Nog Nooit Zo Mooi Geweest”, maar toen de keuze uiteindelijk op “Wat Telt Is De Liefde” viel konden we daar wel mee leven.
Met het finale “Mijn Vriend” en een klapzoen van Hautekiet aan De Leeuw werd de vriendschap tussen de integere intellectueel en de punkpoëet met piekhaar op passende wijze beklonken.

En zoals het goede vrienden past vervolgen beide heren binnenkort terug hun eigen weg, maar wanneer ze elkaars pad straks opnieuw kruisen komt daar gegarandeerd terug heerlijke muzikale hommeles van. Laat maar komen dus die volgende theatertournee!

Ohja "In geen tijden zo genoten als vandaag" (Uit "Een Dag Zo Mooi" van Tröckener Kecks)

Organisatie: Cultuurcentrum Brugge, Brugge

Mooie liedjes horen niet lang te duren, maar ook op deze regel zijn gelukkig een aantal uitzonderingen. Neem nu het geval van Isobel Campbell & Mark Lanegan, het onwaarschijnlijke muzikale koppel dat in 2006 met ‘Ballad Of The Broken Seas’ een parel van een album op wereld zette. Omdat zowel Campbell als Lanegan er bovendien ook een niet onaardige solocarrière op nahouden leek het er echter sterk op dat deze samenwerking de muziekgeschiedenis zou ingaan als een éénmalig wapenfeit. We kregen gelukkig ongelijk, want nu vier jaar verder zijn we inmiddels toe aan het derde album van het Schots-Amerikaanse duo. Het indringende ‘Hawk’ blijkt met voorsprong hun meest veelzijdige album totnogtoe, waarop naast de gekende country noir en pastorale folk ingrediënten ook een flinke portie rhythmn & blues wordt geserveerd. Volgens Campbell zou ‘Hawk’ wel eens de laatste duoplaat met Lanegan kunnen zijn, dus vooraleer het echt over en uit is voor hun mooie liedjes repte ondergetekende zich naar de uitverkochte Gentse Vooruit om het laatste luik van de ‘Hawk’ tour mee te pikken.

 Ruim na half elf slopen Campbell en Lanegan vergezeld van vier muzikanten het podium op en werd het breekbare “We Die And See Beauty Reign” ingezet. Een eenzame folkgitaar en een spaarzame dubbele bas begeleidden de akelig perfecte synchroonzang van het duo die het publiek aanvankelijk monddood maakte. Naarmate het optreden vorderde kwam daar echter verandering in. Een kakafonie aan geroezemoes, rinkelende iPhones en krakende drankbekertjes gooiden tijdens de verstilde momenten meer dan eens roet in het eten, en even stelden we ons zelfs de vraag of de Gentse rocktempel vanavond niet beter was ingeruild voor één of andere schouwburg. Gelukkig staken hier en daar ook wat meer uitbundige nummers in de set die het achtergrondlawaai konden overstemmen, al blijft uitbundigheid in het geval van de statische brombeer Lanegan uiteraard een heel relatief gegeven. Zo kleurde een ongepolijst bluesgitaartje het nieuwe “You Won’t Let Me Down Again”, of weerklonk een fraaie slidegitaar in de broeierige folkversie van Townes Van Zandt’s “Snake Song”.

Op enkele covers na zijn alle nummers van het duo ontsproten in de fantasiewereld van de immer lieflijke Campbell. Maar echt tot leven komen doen ze pas op het podium, temidden het spanningsveld tussen de frèle Schotse schone met de engelachtige stem en de rijzige apatische Amerikaan met de schorre bariton. Tot vervelends toe krijgt het duo hierdoor vergelijkingen met The Beauty and The Beast naar het hoofd geslingerd, maar van enige toenadering tussen de twee fysische uitersten is alvast weinig te merken. Beiden gunden elkaar amper een blik, en van enig contact met het publiek is al helemaal geen sprake.

En dat is eigenlijk maar goed ook, want Campbell & Lanegan brengen het soort muziek waar iedere stilte een betekenis heeft en elk woord er één teveel kan zijn. Wat dat laatste betreft viel Lanegan heel even uit zijn rol toen hij een bijna onverstaanbaar “Thank you” gromde na heel fraaie versies van “Ballad Of The Broken Seas” en “The Circus Is Leaving Town”, beiden geplukt uit het duo’s debuutalbum.

Wanneer hij vervolgens de coulissen indook voor een nicotine, whiskey of andere shot, en Campbell er plots alleen voor stond, werd de sfeer meteen wat minder dreigend. Tijdens “To Hell And Back” en “Saturday’s Gone” refereert haar fluweelzachte stem heel sterk naar Hope Sandoval, maar net voor we zowaar dreigden te verdrinken in Campbell’s zeemzoeterig universum kwam Lanegan haar opnieuw vergezellen voor een broeierig “Back Burner” en het vroege kerstliedje “Time Of The Season”.

Tegen het eind van de set ging het tempo toch één keer de hoogte in met de heerlijke barblues “Get Behind Me”, en begon Lanegan warempel enige neiging tot ritmisch bewegen te vertonen.

Tijdens de enige encore ronde ging het duo met “Revolver”, “(Do You Wanna) Come Walk With Me” en het van Hank Williams geleende “Ramblin’ Man” nog eens uitgebreid grasduinen in hun debuut. Tot grote vreugde van het publiek diepte het duo tenslotte ook Lanegan’s eigen “Wedding Dress” uit diens opus magnum ‘Bubblegum’ op.

 Een ongeslepen ruwe diamant als toetje na anderhalf uur schone liedjes: een mooie climax heet zoiets, en wie weet een memorabel slotakkoord, als de joint venture tussen Campbell en Lanegan binnenkort daadwerkelijk zou eindigen. Of misschien moeten we het gewoon houden op een open einde, want het grimmige sprookje over de Schotse nachtegaal en de Amerikaanse brombeer is veel te mooi om nu al uitverteld te raken.

 Organisatie: Democrazy, Gent

Channel Zero, Pavement, Alice In Chains, Faith No More, Blur, Soundgarden...: wie tegenwoordig zijn geld inzet op reunies van 90ies bands zit gebeiteld voor big business. Of ook het in 2003 ter ziele gegane Suede aan dit rijtje zou worden toegevoegd was aanvankelijk echter weinig duidelijk; afgelopen voorjaar had dit Londens Britpop instituut op uitnodiging van Roger Daltrey weliswaar een one-of gig toegezegd in kader van de Teenage Cancer Trust concerten, maar nadien werd met geen woord meer gerept over een mogelijke reïncarnatie van de groep. De uiterst lovende recensies na hun benefietoptreden in de Royal Albert Hall, de lokroep van de £££ of de smeekbedes van het nog steeds vrij omvangrijke fanlegioen: er waren uiteindelijk toch redenen te over om Suede over de streep te trekken en voorzichtig een tweede leven te beginnen. En ja, zelfs oorspronkelijk gitarist Bernard Butler had openlijk zijn zegen gegeven aan de reünie, maar hij bedankte wel voor de eer om zijn voormalige makkers te vergezellen op een kleinschalige Europese tour die afgelopen maandag ook het majestueuze en tot aan de nok gevulde Koninklijk Circus aandeed.

Het was best wel een vreemd tafereel toen het optreden in het pikdonker werd afgetrapt door de integrale versie van The Sex Pistols’ “Bodies” door de boxen te laten knallen. De levende lijven van Suede kregen we pas te zien toen “This Hollywood Life” en “She” de set strak openden. Geen evidente songkeuzes om een vooraf aangekondigd ‘best of’ feestje mee te openen, maar de groep stond wel van meet af aan op scherp waardoor wij in ieder geval reeds beseften dat dit een mooie avond ging worden. Op de immer slanke frontman Brett Anderson lijken de jaren allerminst vat te hebben. Na een weinig indrukwekkend solo avontuur oogt de Londenaar als herboren tussen zijn vroegere makkers: als een hyperkinetische crooner met overslaande falsetstem zweeft hij over het podium, reeds tijdens het tweede nummer gaat het zwarte hemd spontaan open, en regelmatig zoekt de adonis fysiek contact met het publiek op de eerste rijen waarbij misplaatste karaoke taferelen gelukkig uitblijven.
Vanaf “Trash” kregen Anderson & co het publiek onvoorwaardelijk mee, en dat zou zo blijven voor de rest van de avond. De groep kan dan ook terugvallen op een rijkgevulde catalogus waarbij nadrukkelijk werd geciteerd uit de eerste drie albums ‘Suede’ (’93), ‘Dog Man Star’ (’94) en ‘Coming Up’ (’96). Tussen de snedige post-glamrock van “Animal Nitrate”, “We Are The Pigs” en het briljante B-kantje “Killing Of A Flash Boy” zaten gelukkig ook de nodige rustpunten ingebouwd. Een desolaat “By The Sea” werd door Neil Codling op keyboards ingeleid, en even later mocht hij uit datzelfde instrument ook strijkers te voorschijn toveren toen “Everything Will Flow” het Koninklijk Circus onderdompelde in een bloedrode lichtgloed. Dit waren de zeldzame momenten dat een groepslid uit de schaduw kon treden van Anderson, die als een androgeen bastaardkind van Bowie en Morrissey verder alle aandacht opeiste.
Een zinderende finale werd ingezet met een ferm ingekorte versie van “The Asphalt World”. Ironisch genoeg blijkt dit pastoraal hoogtepunt uit Suede’s opus magnum ‘Dog Man Star’ aan de basis te liggen van het hanengevecht dat oorspronkelijk gitarist Bernard Butler uiteindelijk zijn kop zou kosten in de groep; Butler’s originele versie van het nummer besloeg maar liefst 25 minuten, inclusief een acht minuten durende gitaarsolo, maar nadat hij zijn C4 had gekregen bleven daar nog ‘amper’ 10 minuten van over. Met de eindmeet in zicht werd vervolgens in een strak tempo het indrukwekkend best-of rijtje “So Young”, “Metal Mickey”, persoonlijk kippenvelmoment “The Wild Ones”, “New Generation” en “The Beautiful Ones” afgewerkt.

Suede staat niet bepaald bekend als groot liefhebber van encores, maar toch hadden de heren nog een klein desertje voorzien. “Saturday Night” werd door Brett Anderson een beetje onhandig aangebracht als een probaat middel tegen de maandagavondblues, en dat was het eigenlijk ook wel een beetje. De ranke frontman nam uitgebreid de tijd voor een ereronde langs de eerste rijen en liet een zelfvoldaan publiek achter. En ja, nu de tweede postpunk storm in hun thuisland stilaan begint te verstillen lijkt de tijd misschien wel rijp voor Suede om zich opnieuw in de strijd te gooien om de eretitel ‘Britain’s Best Band’. Vanavond hadden ze alvast geen concurrentie, of om een aantal adjectieven uit Jools Holland’s befaamde woordenschat te gebruiken: ‘Suede were marvellous, magnificent and simply stunning!’

Organisatie: Live Nation

Steve Wynn & The Miracle 3 - Sterren komen sterren gaan, alleen Steve Wynn blijft bestaan. In een betere wereld hijst deze sympathieke Californiër zich moeiteloos naast zijn grote voorbeelden Chilton, Reed en Young, maar in werkelijkheid lijkt hij wel voor eeuwig en altijd veroordeeld tot een bescheiden rol in het clubcircuit. En laat bescheidenheid nu net Wynn’s grootste deugd zijn, ondanks een indrukwekkende staat van dienst als frontman van het invloedrijke The Dream Syndicate en als bezieler van de virtuoze vriendenclubjes Danny & Dusty, Gutterball en The Baseball Project. Wynn heeft een aantal introspectieve jaren achter de rug waar zijn beste vriend een akoestische gitaar bleek te zijn, maar omdat afwisseling een mens nu eenmaal scherp houdt kreeg de volume knop op zijn nieuwste werkstuk ‘Northern Aggression’ een ferme ruk naar rechts. Bovendien haalde hij ook The Miracle 3 terug van stal, zijn oude vertrouwde begeleidingsband gebouwd naar het robuuste model van Crazy Horse. Voor het Belgische luik van hun jongste Europese tour kozen Steve Wynn & The Miracle 3 naast de club vibe van de 4AD ook voor de kosmopolitische sfeer van de Botanique waar uw verslaggever present tekende.

In laatste instantie werd het optreden verhuist van de Orangerie naar de kleinere Rotonde, en daar zal de ronduit magere opkomst van ca. 100 kale(nde) grijze(nde) mannen ongetwijfeld wel voor iets tussen hebben gezeten. Wynn maakte echter van de nood een deugd en gebruikte de intimiteit van de zaal om moederziel alleen de set te openen met “When You Smile”. Veel tijd kreeg het publiek echter niet om van dit onvervalst kippenvelmoment na te genieten, want toen meteen daarna The Miracle 3 vanuit de coulissen verscheen werd prompt een bevlogen “Halloween” ingezet. Met deze twee Dream Syndicate classics op rij lijkt Wynn anno 2010 heel uitdrukkelijk te willen verwijzen naar de sixties geïnspireerde artrock uit zijn beginperiode, en wie er de hoes van het jongste album ‘Northern Aggression’ op naslaat zal de psychedelische elementen wellicht niet ontgaan zijn. Na drie decennia muzikale omzwervingen lijkt de cirkel hiermee rond voor Wynn. Nieuwe nummers als “No One Ever Drowns” en “Colored Lights” kennen dezelfde rusteloosheid als vele pareltjes uit The Dream Syndicate catalogus en klinken dus tegelijkertijd fris en vertrouwd.
Ook Wynn zelf ziet er opmerkelijk fris uit. Of zijn vaste levensgezellin en Miracle 3 drumster Linda Pitmon hier voor iets tussen zit laten we graag in het midden, maar het was in ieder geval wel opvallend dat de kwieke vijftiger in los houthakkershemd er bijzonder jeugdig bijliep zo zonder zijn eeuwig zwart kostuumpje.
Ook aan het indrukwekkend hoge tempo van de set was te merken dat Wynn een zoveelste nieuwe adem heeft gevonden, en eens hij in zijn indrukwekkende back-catalogue begint te graaien kan de pret voor de die-hard fans natuurlijk niet meer op. The Miracle 3 hield de sfeer luchtig op de meezingers van dienst “Shelley’s Blues Pt. 2” en “Cindy It Was Always You”, of duwde ongenadig hard op het gaspedaal tijdens de gemene rootsrockers “Death Valley Rain” en “Southern California Line” uit het monumentale dubbelalbum ‘Here Come The Miracles’ (2001).
Absoluut hoogtepunt blijft echter het kaleidoscopische “The Deep End” waar Wynn zowel tempo als volume naar beneden haalde. Tijdens deze sleper werd de Rotonde langzaam bedolven onder een psychedelisch klanktapijt en kreeg de afgemeten slidegitaar van Jason Victor de hoofdrol toebedeeld. De Paisley Underground classic “That’s What You Always Say” en het punky en bijzonder strakke “Amphetamine” zetten een voorlopig (orgel)punt achter het eerste deel van de avond.
Ondanks hun beperkt aantal produceerden de aanwezige concertgangers toch ruim voldoende decibels om Wynn & co tot twee maal toe tot encores te verleiden. De eerste bisronde werd afgetrapt met het fraaie nieuwe “Resolution” waar The Miracle 3 enige affectie voor de avant-garde noise van Sonic Youth niet onder stoelen of banken stak.
Hét orgelpunt van de avond stond echter in teken van de recente reissue van The Dream Syndicate’s tweede album ‘Medicine Show’ (’84) die straks onder elke zichzelf respecterende kerstboom hoort te liggen. Naast het titelnummer behoort vooral “John Coltrane Stereo Blues” uit deze ‘lost classic’ tot de erfenis van de Amerikaanse gitaarrock. De groep bracht woensdag de definitieve versie van het nummer tijdens 15 (vijftien!) spannende minuten waarin Victor en Wynn tête-à-tête een gitaarrobbertje uitvochten in onvolprezen Crazy Horse stijl. De adjectieven schieten ons nog steeds te kort om dit muzikaal orgasme te beschrijven, dus laten we het gewoon maar houden op FE-NO-ME-NAAL!

Het optreden werd afgesloten zoals het begon. Wynn verschijnt zonder Miracle 3 alleen terug op het podium en krijgt naar goede gewoonte een lawine aan verzoeknummers naar zijn hoofd geschreeuwd. Uiteindelijk kiest hij voor een breekbare versie van het anders zo onstuimige “Boston” dat ook zonder strakke ritmesectie of gitaarfeedback moeiteloos overeind bleef.
Wij hadden met dat laatste toch wat meer moeite, want vanavond kwam wel heel erg dicht in de buurt van het ultieme optreden. Hard versus zacht, fel versus breekbaar, grappig versus dreigend, het zijn het soort muzikale contrasten waar ondergetekende nu éénmaal voor valt, en Wynn beheerst ze allemaal! De fans hoeven hem gelukkig niet al te lang te missen. Op 25 januari komt de sympathiekste aller songwriters in alweer een andere gedaante afgezakt naar Mechelen voor een akoestische set met zijn old buddy Chris Cacavas. De meeste nieuwjaarsrecepties zijn dan al achter de rug, dus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal deze grijzende jongen met een grote grijns terug van de partij zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

Pagina 13 van 18