logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (5 Items)

The Low Anthem

The Low Anthem - Live-meerwaarde bleef uit

Geschreven door

De tijd dat ik mijn kot uitkwam voor, wat ik maar als ‘indie folk’ zal omschrijven, met groepen als Iron And Wine, Other Lives, M. Ward, Great Lake Swimmers, Bon Iver, Okkervil River of Bright Eyes ligt ook al weer een poosje achter me. De meeste van die groepen zijn het spoor bijster geraakt terwijl de grootverdieners, zoals een Mumford & Sons, me helemaal van het genre lieten vervreemden. Maar nu kwam The Low Anthem het tienjarig bestaan van hun pièce de résistance, ‘Oh my God, Charlie Darwin’, vieren en dat kon ik toch niet aan me voorbij laten gaan hoewel ik me afvroeg of het wel een goed teken was als een groep één van hun oude platen na amper tien jaar opnieuw komt voorstellen met een integrale uitvoering.

Om het wat intiemer te maken werd het podium dit keer niet gebruikt om mocht de groep op de grond vlak voor de tribune met zitplaatsen zijn intrek nemen. Ideaal was het misschien niet maar het kwam de sfeer zeker ten goede.
The Low Anthem had zelf het voorprogramma meegebracht: Futur Primitif, nom de plume van Daniel Lefkowitz uit Strasburg, Virginia. De vreemde schrijfwijze van Futur Primitif kwam er wellicht om verwarring met gelijknamige boeken, platen en groepen te vermijden. De man speelde enkele jaren in hun beginperiode bij The Low Anthem maar heeft zelf intussen reeds een viertal obscure albums uitgebracht. Zijn laatste, die enkel digitaal verkrijgbaar is, heet ‘Neil’ en is een eerbetoon aan Neil Armstrong en het Apollo programma in het algemeen. De eerste vijf songs kwamen uit dat album maar echt wild werd ik er niet van. Zijn stem klonk nogal dun terwijl zijn akoestische gitaar het al even sober hield. Om de sound toch iets te verrijken duikelde hij enkele keren een mondharmonica op en zette hij wat effecten op zijn stem. Vooral dat laatste hielp wel en toen hij zich dan toch plots aan een uptempo nummer waagde doken zowaar The Everly Brothers in mijn gedachten op.

‘Oh my God, Charlie Darwin’ vond ik destijds een erg mooie plaat maar het meesterwerk waarvoor ze doorgaans versleten wordt , heb ik er nooit in gezien. Maar die status kon ze eventueel nog verwerven nu The Low Anthem (uit Providence, Rhode Island) ze integraal ging uitvoeren maar dat is dus niet gebeurd. De songs mochten er nog steeds zijn maar de meerwaarde, die je live toch verwacht, was er nooit bij.
Het optreden zat simpel in elkaar: eerst werd kant één gespeeld, daarna enkele nieuwere nummers om te eindigen met kant twee. De start was veelbelovend met “To Ohio” maar dat is dan ook het beste nummer van de plaat. Wat volgde , bleef mooi maar ik had voortdurend het gevoel dat het iets meer mocht zijn.
Er was wel een verzachtende omstandigheid: bassist en medeoprichter, Jeff Prystowsky, was er niet bij. Dus moesten we verder met Ben Knox Miller (zang, gitaar), Florence Wallis (violin) en Bryan Minto (mondharmonica) terwijl Miller en Wallis ook al eens achter het orgel plaats namen. Toch nog volk genoeg om er iets heel moois van te maken maar de drie wilden het iets té verstild doen en dat dat ook nog eens moest gebeuren in het halfduister  was ook geen echte hulp. Niet dat hun eigengereide mix van ouderwetse folk, breekbare country, seculiere gospel en lo-fi pop plots aan klasse had ingeboet, het bezorgde me alleen niet de euforie waarop ik gehoopt had. Zo was een nummer als “Music Box” (niet meer dan wat de titel laat vermoeden: wat gefoefel met een muziekdoosje) zeker leuk maar of dit nu bijdroeg tot het meesterwerk dat we verondersteld waren te horen? T
oen  virtuoos Bryan Minto met veel misbaar een andere mondharmonica uit zijn indrukwekkende verzameling griste , dacht ik even ‘nu gaat het gebeuren’ maar ook dat nieuwe exemplaar diende enkel om wat, weliswaar subtiele, accenten te boetseren. Het bleef wel altijd geraffineerd en vooral ook stil. Zo konden de piepende pedalen van het orgel zelfs als wat storend worden ervaren. Toen de laatste noten uitstierven , floepten de lichten meteen aan net zoals de pickupnaald na de laatste groeven omhoog wipt.

Het was alsof we een mooie plaat gehoord hadden maar daarmee was mijn honger toch niet gestild.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Low Anthem

Smart Flesh

Geschreven door

‘Oh My God Charlie Darwin’ werd een adembenemende doorbraak, emotionele schoonheid, breekbare alt.country/folk/americana/lofipop, die af en toe een rauw, ruw randje kreeg. De melancholie, de intimitiet en de rootsrock van hun ‘DIY’- aanpak nam een voorname plaats in. Wat een charme-offensief.
De opvolger biedt ook veel klasse door de variatie en het warme kamergehalte, maar overtreft de voorganger niet.
Maar geen nood … De muzikanten bieden verslavend inwerkende songs en kunnen ontroeren met hun breed arsenaal aan instrumenten zoals onder meer (akoestische) gitaar, klarinet, drums, contrabas, althoorn, xylofoon, viool en een oud, gerestaureerd orgel; ze geven ze hét juiste gevoel en ze wisselen die instrumenten af alsof het niks is; de vaandel qua vocals wordt dan gedragen door de weemoedige, genererende stem van Ben Knox Miller.
De plaat werd opgenomen in een pastasausfabriek en werd geproduced door Mike Mogis (Bright Eyes). Intieme americana, broeierige alt.country en neofolk, , melancho en (ietwat gejaagde) rootsrock , waaronder het dromerige “Ghost woman blues” die de aanzet geeft, verder “Apothecary love” en “Burn”, een rockende “Boeing 737”, een “Hey, all you hippies” met een Green On Red gehalte, ingehouden stemmenpracht op “Love & altar” en “Golden cattle”, een verdwaalde “Matter of time” en “I’ll take out your ashes” en tussenin een prachtig intermettzo van “Wire”.
Een mooie afwisseling horen we, kamermuziek met een pepersausje indien nodig, eenduidiger dan voorheen; ze intrigeren nog steeds door het bedwelmende karakter, de gemoedsrust en de uitbundigheid. Hier komen songwriters Dylan/Cohen, The Band, The Triffids, Green On Red en My Morning Jacket samen. Puik gedaan!

The Low Anthem

The Low Anthem straalt gemoedsrust uit

Geschreven door

The Low Anthem uit Rhode Island overschaduwde zichzelf als een goed bewaard geheim. ‘Oh My God Charlie Darwin’ werd een adembenemende doorbraak, emotionele schoonheid, breekbare alt.country/folk/americana/lofipop, die af en toe een rauw, ruw randje kreeg. Hun passages in de AB en op Crossing Border zal de fan wellicht niet vergeten, en … hun optreden op Pukkelpop ook niet toen in de grote Marquee tent rock’n’beats binnendrongen van de andere kant van het terrein …
De melancholie, de intimitiet en de rootsrock van hun ‘DIY’- aanpak neemt een voorname plaats in. De nieuwe plaat ‘Smart flesh’ verschijnt nogal vlug na het vorige materiaal, overtreft zijn voorganger niet, maar biedt ook veel klasse door het warme kamergehalte.

Na een uitbundig dagje Vlaamse kermis in de Ronde was het contrast toch erg groot met de zondagavond rust van The Low Anthem. De muzikanten bieden verslavend inwerkende songs en kunnen ontroeren met hun breed arsenaal aan instrumenten zoals onder meer (akoestische) gitaar, klarinet, drums, contrabas, althoorn, xylofoon, viool en een oud, gerestaureerd orgel; ze geven ze hét juiste gevoel en ze wisselen die instrumenten af alsof het niks is of ze houden het klassiek, eenvoudig en omarmen je letterlijk door een vierstemmige zang, dicht bij elkaar achter 1 microfoon; de vaandel qua vocals wordt dan gedragen door de weemoedige, genererende stem van Ben Knox Miller.
Een ‘close harmony’ dus, die een hoogtepunt bereikte op “This God dawn house”, toen in het tweede deel van de ingehouden song we naar elkaar mochten bellen, de speaker aanzetten en de stemmetjes en bleeps allerlei feedback opleverde. Spitsvondig en Sterk!
Eerder hadden we de schoonheid van de sobere “Ticket taker” en “Ghost human blues” die door de opstelling van akoestische gitaar, staande bas, klarinet en ander leuks de stemmenpracht beklemtoonde. “Sally, where did you get your liquor from“ en “To the ghosts who write history books” toonde de veelzijdigheid, finesse en subtiliteit van het kwartet aan en intrigeerde folk, 70’s retro en americana. De respons was enorm voor de band, die door de fans in het genre op handen wordt gedragen …
Toegegeven, niet alles intrigeerde zoals bij hun vorige concerten; ze klonken ietwat eenduidiger en gewoontjes, maar hun présence werkte bedwelmend en ademde gemoedsrust uit. Of de stemming was uitbundiger door krachtiger materiaal “They all you hippies” en “Boeing 737”. Met z’n vieren dicht bij elkaar maakten ze een puike indruk, van een Irish folksong (“Old triangle”), een aan ‘In the Pines – Triffids’ neigende, pakkende versie van “To Ohio”, “(Oh my God) Charlie Dawn” en een keur aan covers die toegevoegd werden, “Evangeline (Robbie Robertson) en “Bird on the wire” (Cohen). De band graaft graag in het verleden van sing/songwriters.

Vreemd genoeg hielden ze het bij een beperkte bisronde met de broeierige neofolky titelsong “Smart flesh”, titelsong van de nieuwe cd. Juist, we konden niet klagen, anderhalf uur lang.
Ze eigenden zich een uniek plaatsje in deze scène toe, bleven misschien nu wat ter plaatse trappelen, maar bezorgden ons nog steeds een bijzondere avond!

Ook de support The Head & The Heart klonk uiterst aangenaam, meeslepend en fijngevoelig. Dromerige en broeierige neofolky/indie, kleur gegeven door piano, toetsen, viool en een mooie samenzang sierden en overtuigden. Het intense materiaal van het sextet werd net als The Low Anthem steevast sterk onthaald.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

The Low Anthem

Oh My God Charlie Darwin

Geschreven door

The Low Anthem was een goed bewaard geheim van drie muzikanten uit Rhode Island, Ben Knox Miller, Jeff Prystowski en Jocie Adams. Eerst was hun cd enkel verkrijgbaar via de internet downloads, maar door een groeiende belangstelling en respons werd de plaat op het Nonesuch label uitgebracht. Opzoekingwerk leverde op dat het hier gaat om een do-it-all-self-band, ze aan hun tweede plaat toe zijn, opvolger van het in 2007 verschenen ‘What the crow brings’, waarbij 27 verschillende muziekinstrumenten werden gebruikt over de twaalf songs. De groep put uit de indie/americana en graaft in het verleden van de sing/songwriting van Cohen - Dylan – Young – Waits en plaatst zich geruisloos naast een Bon Iver, Sparklehorse, Great Lake Swimmers en Ray LaMontagne. We horen vooral ingetogen materiaal door de brede omlijsting, wat de songs uitermate gevoelig sfeervol maakt (o.a. “Charlie Darwin”, “To Ohio”, “Home I’ll never be” en “Cage the songbird”). Af en toe mag het eens rocken, beuken en rauw klinken, “Ticket taker”, “The horizon is a beltway” en “Champion angel”). Verslavend inwerkende songs, die bijdragen tot de gevarieerde aanpak. The Low Anthem onderscheidt zich van de doordeweeks americana bandjes …

The Low Anthem

The Low Anthem – Ingetogen of fel, het lukt hen allemaal wonderwel

Geschreven door

De recentste plaat van The Low Anthem, ‘Oh My God, Charlie Darwin’, verscheen reeds vorig jaar maar nadat deze in 2009 werd heruitgebracht en -verdeeld door het Nonesuch label en de daarop geëtaleerde combinatie van folk, rock, country en blues mocht rekenen op uitermate lovende recensies in onder meer diverse gereputeerde muziektijdschriften, begon ook een ruimer publiek hun muziek op te pikken. Ook hier gaat de groep intussen al vlotter over de tongen, in die mate zelfs dat afgelopen donderdag de AB Club in een mum van tijd uitverkocht was voor hun eerste passage op Belgische bodem.

Vooraf mocht Marcisz de temperatuur en de spanning in de zaal al wat doen toenemen met een innemende, overwegend akoestische set. ‘Marcisz’ is het eenmansproject van Erwin Marcisz, vooral bekend als zanger en gitarist van het Limburgse vijftal Mint en verantwoordelijk voor melodieuze popgetinte liedjes als “Your Shopping Lists Are Poetry” (de titel alleen al neigt al naar pure poëzie) en “The Magnetism Of Pure Gold”.
Zopas heeft hij met ‘Songs From Red Brick Road’ een eerste soloplaat uitgebracht. Hierop staan tien tot de basis van folk en rock herleide miniatuurtjes die thuis met enkele microfoons en een 4-track recorder zijn opgenomen en een veruiterlijking zijn van enkele ideeën die niet onmiddellijk pasten in het concept van Mint maar die toch te goed bevonden werden om ze ongebruikt te laten wegkwijnen.
Live werd hij in de AB bijgestaan door niemand minder dan Ilse Goovaerts (alias Neeka) die percussie, achtergrondzang en het bespelen van een oude casio en een xylofoon op zich nam, alsook door Raf Timmermans (alias Lazy Horse) die eveneens instond voor achtergrondzang en percussie maar zich vooral in het gehoor speelde via een resem snaarinstrumenten, zoals slide gitaar (“The Miller’s Wife”), mandoline (“Be Lazy”), jumbus (“The Golden Boy”) en banjo (“Darkness Go!” en “Mad Love”). Mede hierdoor klonk de set straffer dan op plaat en voorzagen de instrumentale extra’s de liedjes van de nodige bijkomende stroomsnelheid en ze zich aldus niet reduceerden tot een voortkabbelend beekje.
Nagenoeg alle nummers van ‘Songs From Red Brick Road’ kwamen aan bod en werden in de volgorde van de tracklist van het album gespeeld. Op het einde kwam er nog een mooie uitgeklede versie van “Enjoy The Silence”. Wat Milow lukte aan airplay en respons met zijn herwerking van “Ayo Technology”, daar zou Marcisz minimaal ook moeten kunnen in slagen met de aanpak van deze klassieker van Depeche Mode.

We vermeldden daarnet dat bij de set van Marcisz enkele malen van instrument werd gewisseld. Welnu, dat was nog maar een fractie van wat The Low Anthem opvoerde tijdens hun concert. Alle 27 instrumenten die de Amerikaanse band uit Providence, Rhode Island aanwendde tijdens de opnames van het recentste album (die overigens plaatsvonden in een tot studio omgebouwd vakantiehuisje), werden donderdag niet meegebracht naar Brussel maar het kleine podium in de Club stond wel aardig volgepakt. We noteerden onder meer een gitaar, klarinet, drumtoestel, contrabas, althoorn, viool, alsook een oud, gerestaureerd orgel en zowaar een crotales (dat hier niet enkel als een slaginstrument werd gebruikt maar ook met een strijkstok werd bespeeld). Voor de groepsleden was het dan ook steeds behoedzaam slalommen tussen en voortdurend wisselen van plaats, en dus ook van plaats. Tot een verlamming van het gebeuren leidde dit niet, integendeel het gebeurde – mede door de gedempte belichting – zo vlot dat het telkens opnieuw uitkijken was waar wie stond opgesteld. En met ‘wie’ bedoelen we Ben Knox Miller en Jeff Prystowski, de samen de groep in 2006 hebben opgericht, en Jocie Adams die hen een jaar later kwam vervoegen.

Vanaf de eerste noten waarbij Ben Knox Miller de hoofdzang voor zijn rekening nam, klonk alles goed en had men de aandacht van het publiek vast en dit zou het komende anderhalf uur niet wijzigen. Niet alleen de diversiteit aan geluiden maar vooral ook het enthousiasme, het gemak, de precisie en vooral de overgave waarmee gemusiceerd werd, was verbluffend.
Hoogtepunten opsommen, het heeft geen zin want het gehele concert mag in feite als een aaneengesloten climax beschouwd worden. Of het nu ingetogen was zoals bij “To The Ghosts That Write History Books” (opener van de avond), “Charlie Darwin”, “Señorita”, “Ticket Taker”, een verbluffende “Cage The Songbird” of een al even wondermooie versie van “This God Damn House” (geschreven door Dan Lefkowitz, die een tijd ook lid van The Low Anthem was en die in de AB de groep tijdens enkele nummers kwam vervoegen), dan wel wanneer de groep een metamorfose onderging en de fraaie samenzang en rustige instrumentatie plaats maakte voor rauwe blues zoals tijdens hun cover van Tom Waits’ “Home I’ll Never Be” (een adaptatie van een tekst van Jack Kerouac) waarbij twee mobiele telefoons dienst deden als nog een extra instrument, het raakte de toeschouwer helemaal en meteen.
Er werd natuurlijk geput uit hun twee albums, ‘What The Crow Brings’ (2007) en ‘Oh My God, Charlie Darwin’, maar behalve “Home I’ll Never Be” werd er ook nog andere covers gespeeld. Zo was er een jazzy “Don’t Let Nobody Turn You Around” (een gospel traditional die reeds in de jaren ’30 door Blind Willie McTell werd opgenomen), “Sally, Were’d You Get Your Liquor From” (van Gary Davis) en een expansief, wild om zich heen schoppende “Cigarettes And Whiskey, And Wild, Wild Women” (neergepend door Tim Spencer).
The Low Anthem grossiert volop in de rijke Amerikaanse muziektraditie en worden meermaals vergeleken met een groep als The Band. Van deze laatste brachten ze een respectvolle, op akoestische gitaar en contrabas gespeelde en van een mooie samenzang voorziene versie van “Evangeline”. Alsof het trio de critici hierop muzikaal van antwoord wilde dienen.
Het eerste deel werd zoals te verwachten afgesloten met “On The Way To Ohio”.
Er werden nog twee bijzonder intieme toegiften gebracht, met name het Dylaneske “Two Sisters” en het al even aangrijpende “(‘Don’t) Tremble”, geschreven voor een vriend in moeilijke tijden. Men kon een speld horen vallen of beter: de deuren van de Club horen klapperen. Toen het geluid van enkele joelende bezoekers aan de set van The Orb (dat plaatsvond in de grote zaal) zich een weg baande naar boven (achteraf zou onze man ter plaatse bij The Orb duidelijkheid verschaffen waaraan het ongenoegen te wijten was), werd op de eerste verdieping van de AB door het publiek gefronst opgekeken. Behalve heel wat applaus (dat het trio beantwoordde met een diepe buiging), was enkel een stil nagenieten toegelaten. Zo zie je maar: twee concerten, twee werelden.

The Low Anthem heeft met ‘Oh My God, Charlie Darwin’ een van de fraaiste albums van 2009 uitgebracht en ook met hun concert in de AB Club mogen ze zich in de bovenste regionen positioneren van wat we dit jaar op een podium te zien en in dit geval vooral te horen kregen.
Op 22 november staan ze ook nog op Crossing Border te Antwerpen. Mis ze niet!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel