logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Deadletter-2026...
avatar_ab_16
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 08 april 2010 02:00

The open road

Met de regelmaat van de klok maakt goeie ouwe songsmid John Hiatt (58 is ie ondertussen al) zo om de twee jaar een nieuwe plaat. De laatste jaren waren zijn werkstukjes zeer degelijk, doch niet onvergetelijk. Voor de betere Hiatt platen moeten we toch al terug naar de periode 1983 tot 1993 (‘Riding with the king’ tot ‘Perfectly good guitar’ en alles wat daar tussenin zat), maar zijn nieuwe komt weer aardig in de buurt.
Met ‘The open road’ betreedt hij geregeld de paden van de blues en dat ligt hem. Het levert een werkelijk schitterende bluessong als “Like a freigth train” op, een nummer waarop hij de eenzame hoogten haalt van het absolute meesterwerk ‘Bring the family’.
Met Doug Lancio heeft Hiatt een knappe gitarist in huis die aardig overweg kan met de slide gitaar en hiermee behoorlijk zijn stempel drukt op de hele plaat. Fijne rockers als “My baby” en “What kind of man” worden op die manier door een bedrijvige Lancio lekker voort gestuwd.
Rustiger gaat het er aan toe in de onvermijdelijke typische Hiatt ballads “Homeland” en “Fireball roberts”, zeer herkenbaar maar ook heel mooi.
‘The Open Road’ is gewoon een oerdegelijk John Hiatt album geworden , wat wil zeggen dat er aan de hoge verwachtingen voldaan is en dat springerige Arctic Monkeys of Yeah Yeah Yeahs fans het ding niet echt zullen aanschaffen. John Hiatt is immers zo hip als een baal stro.

Dat de muziek van Tom McRae meestal geassocieerd wordt met weemoed en duisternis weet hij zelf maar al te goed. Hij speelde hier ludiek op in door onbeschaamd grapjes te maken over zijn zwarte imago en zijn deprimerende liedjes. Dat hij veel meer in zijn mars heeft dan alleen maar droevige liedjes maken kwam hij vanavond duidelijk maken in Tourcoing. Het optreden blonk immers uit in afwisseling en variatie. De singer-songwriter had hiervoor een knappe selectie songs uitgeplozen. Een perfect samengestelde setlist, noemen wij dat.

Tom McRae wist heel intieme momenten sterk af te wisselen met meer bezwerende songs waarin zijn omvangrijke band (maar liefst met zijn vijven stonden ze hem bij) een knappe hoofdrol speelde. De band ging subtiel maar furieus tekeer in opzwepende tracks als “Me and Stenton”, “Please” en een verbluffend “Silent boulevard” waarin gitarist Brian Wright (die ook al met een akoestische set voor een gepast en fijn voorprogramma had gezorgd) zijn elektrische gitaar graag deed spetteren. Daarnaast kon de groep zich ook subliem inhouden in dienst van hemelsmooie songs als “Ghost of a shark” (uitmuntend), “American spirit” (prachtig met dat zalvend elektrisch gitaartje), “The summer of John Wayne” en  “Out of the walls” (pijnlijk mooi). Een paar keer deed Mc Rae het helemaal in zijn eentje met (voor ons althans) kippenvel als gevolg, zo opende hij trouwens het concert met een aangrijpend en integer “Alphabet of hurricanes”.
De bijzonder knappe nieuwe plaat ‘The alphabet of hurricanes’ (die overigens beter wordt bij elke beluistering) was terecht vertegenwoordigd met een zestal songs, en dan heeft hij er nog een paar van de betere achterwege gelaten (tevergeefs zaten wij te wachten op het fraaie “Won’t lie”). Uiteraard werd ook zijn onvolprezen debuutplaat uit 2000 niet ongemoeid gelaten met de 18 karaat diamantjes “End of the world news” en “A and B song”, en als absolute prijsbeest een uitgelaten “The boy with the bubblegun” helemaal op het einde. Opvallend ook dat McRae een viertal songs uit ‘Just like blood’ (2003) terug boven haalde. Tot op vandaag vonden wij dat zijn minste plaat maar we moeten die dringend eens opnieuw aanpakken want uit het oog verloren parels als “Walking 2 Hawai” en “Ghost of a shark” waren namelijk adembenemend en “Karaoke soul” en “Human remains” werden door de voortreffelijke groep met verve nieuw leven ingeblazen.

De vorige keer dat we Tom McRae in dezelfde zaal aan het werk zagen ging het er met zijn compacte begeleidingsband iets soberder aan toe. Nu was het geluid wat voller en rijker dankzij de uitmuntende muzikanten. Aan beide concerten zullen wij echter even mooie herinneringen overhouden.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille ism Grand Mix, Tourcoing

donderdag 01 april 2010 02:00

Moon landing

Met Madrugada zal het nu wel echt gedaan zijn. Na het plotse overlijden van gitarist Robert Buras toerde de band nog even met een vervanger om de knappe plaat ‘Madrugada’ van 2008 te promoten, maar daarna viel het doek definitief over de band.
Zanger Sivert Hoyem startte hierop een nieuwe band en zette de teller terug op nul. Hij had eerder al twee solo platen gemaakt, doch deze bleken geen onvergetelijke werkstukjes te zijn, zeer zeker niet in vergelijking met de voortreffelijke albums van Madrugada. De huidige nieuwe plaat komt toch al wat beter voor de dag, het is er eentje waarop Sivert Hoyem duidelijk ander horizonten opzoekt, zodanig dat hij niet eeuwig blijft opgescheept zitten met het Madrugada spook. Van bij de eerste noten van de fraaie opener “Belorado” zou je denken dat je naar The Who aan het luisteren bent, alsof Hoyem er meteen paal en perk wil aan stellen dat hij wel eens wat anders wil. Dingen als “Lost at sea” en “Empty house” neigen naar REM en de geest van Jim Morrison waart rond in ”Shadows high Meseta”, mede dankzij een steeds heter wordende gitaarrif één van de hoogtepunten van deze plaat. Nog een favoriet is de knappe sleper “Sister sonic blue” waarin de duistere sporen van Hoyem’s oorspronkelijke band wel terug opduiken.
De algemene teneur op ‘Moon landing’ is opgewekter, minder donker en de sound gaat meer richting classic poprock. Toch is het nog altijd heel herkenbaar en dat heeft natuurlijk alles te maken met die warme melancholische stem, Hoyem’s belangrijkste troef, zo blijkt ook nu weer.

donderdag 01 april 2010 02:00

I want my crown : The Anthology 1973-1980

Wij zijn nu al een tijdje zoet met met ‘I want my crown : The anthology 1973-1980’, het ultieme overzicht van het eerste decennium van Kevin Coyne’s carrière, verzameld in 4 CD’s oftewel 76 tracks, alstublieft. Bijna allemaal eigen materiaal trouwens, een zeldzame cover van John Lee Hooker niet nagelaten.
Het is een beetje met het schaamrood op de wangen dat wij deze compilatie tot ons nemen, de man heeft immers in 2004 op 60 jarige leeftijd al het loodje gelegd, en wij vinden het nu doodjammer dat we de muziek van deze zwaar onderschatte singer/songwriter niet tijdens zijn leven van naderbij verkend hebben. Het miskend genie Coyne is overigens nooit echt een bestseller geweest, hij is helemaal niet rijk geworden van zijn muziek en, niet te vergeten, van zijn kunst (de man was tevens een fervent dichter en kunstschilder en maakte niet zelden zijn eigen hoesontwerpen). Zijn rijkdom zat duidelijk in zijn werk, niet in zijn portefeuille.
Ook leuk om weten : Kevin Coyne werd ooit gevraagd om de plaats in te nemen van de morsdode Jim Morrison bij The Doors. Hij bedankte vriendelijk, zijn uitleg achteraf : “I didn’t like the leather trousers” .
Tot op heden vond je enkel ‘Marjory Razorblade’ in onze cd collectie, een meesterwerk uit ’73 met daarop zijn enige hit “Marlene” (uiteraard hier ook van de partij), wij schamen ons nog geen klein beetje. De welgekomen nieuwe compilatie is dus onze kans (en ook de uwe) om, helaas postuum, nog één en ander goed te maken. En voor die enkele fans die alles al hadden (bestaan ze echt ?): cd nr 4 bestaat voornamelijk uit onuitgegeven en zeer energieke live opnames waarin Coyne de blues en de rock’n’roll naarstig bedrijft, dus ook zij mogen dit werk aanschaffen.
We ontdekken op ‘I want my crown’ het ene na het andere pareltje. En we gaan die pareltjes niet verklappen zie, want wij vinden dat u ze nu maar zelf eens moet opsporen. U zal daarvoor beloond worden met een rijkdom aan songs, ruwe diamantjes waarvan u niet wist dat ze bestonden.
Kevin Coyne’s roots liggen duidelijk in de blues, maar hij weet ook raad met pure rock’n’roll, glamrock, soul, folk, jazz en zelfs een verdwaalde streep oerpunk. Hij doet dat allemaal op zijn eigen manier en vaak ook in boeiende vertelstijl, met die typische scherpe stem die zich ergens schuil houdt tussen Screamin’ Jay Hawkins, Captain Beefheart, David Thomas (Pere Ubu), Ozzy Osbourne en een verkouden berggeit. Een unieke stem dus die vaak doordrongen is van felle emoties en rauwe agressie (en helaas ook van de drank, Coyne mocht zichzelf na jarenlang geflirt met allerhande soorten vochtige substanties een heuse alcoholist noemen). Drankorgel of niet, hij kan als geen ander volledig opgaan in zijn grillige, rauwe en vaak naakte songs (denk bij wijze van voorbeeld aan jonge zot Joe Cocker die met de nodige spasmen zichzelf destijds in Woodstock een weg baande doorheen “With a little help from my friends”). Coyne liet zich ook steeds omringen door talentrijke muzikanten, onder wie ene Andy Summers die in een later leven bij het bescheiden groepje The Police zijn heil ging zoeken en daarbij een decadent meervoud verdiende van zijn oorspronkelijke karige loontje. Maar hoe goed die muzikanten ook klinken, in quasi alle songs is het Kevin Coyne zelf die de aandacht naar zich toe trekt en de rest mee op sleeptouw neemt in zijn eigen unieke universum.
‘I want my crown’ is een mooie staalkaart van de veelzijdigheid van Kevin Coyne’s muziek, variërend van primitieve rock’n’roll naar mooie intimiteit tot soms experimentele gekte. Een prachtig overzicht van een bewogen carrière ver weg van de glitter en glamour.
Dit is nota bene nog maar een overzicht tot 1980, daarna heeft ie nog zo een vijftiental platen gemaakt. Werk aan de winkel.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Coconut

Ook in geen kot onder te brengen, die mafketels van Archie Bronson outfit. Ze wagen het om een dance beat onder hun garage rock te wurmen, of om een New Order gitaar in de psychedelica te loodsen (“Shark’s tooth”), of om opzwepende funk te laten ontsporen tot verwarde noise. ABO is dus een beetje dansbaar geworden, maar het helpt wel als je een paar niet nader omschreven producten genomen hebt. Als het al wat minder dansbaar moet, dan razen ze als een bezeten Hawkwind in strijd met The Horrors (“Wild strawberries” en “Harness”) doorheen uw stereo. Vervolgens komt zowaar LCD Soundsystem om de hoek kijken (“Chunk”) en wordt een zwaar gehavende Beefheart in allerijl naar de spoedafdeling gebracht (“You have a right to a mountain life”). In afsluiter ”Run gospel singer” klinken ze als Arcade Fire nadat die anderhalve dag aan de coke en LSD hebben gezeten.
‘Coconut’ is een kakafonie van stijlen en genres, en toch zit er wel degelijk wat samenhang in dit ding, maar je moet een beetje moeite doen om die te ontdekken. Dit is immers Archie Bronson Outfit.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Sisterworld

‘Sisterworld’ is vreemd, abstract, grillig, beangstigend, geschift, verward, mysterieus en tegendraads. Kortom, dit is op en top Liars.
Er wordt al enige inspanning gevergd van de luisteraar om de plaat te vatten. Zelfs voor geoefende oren als de onze is de nieuwe Liars op zijn minst gezegd alweer niet simpel. De groep kunnen we zowat in het rijtje gaan plaatsen van King Crimson, Wire, The Residents, Virgin Prunes, Syd Barret en A Certain Ratio. Allemaal eigenzinnige bands die eigenlijk niks met mekaar gemeen hebben, behalve dan dat ze het experiment niet schuwen en in geen enkel vakje zijn onder te brengen.
Liars brengt ritme en melodie in hun songs en breekt die dan abrupt terug af, ze gaan van ingetogen psychedelica naar bruut geweld, of van vernuftige songstructuren naar gestoorde punk en bijtende noise. Ze doen waar ze zin in hebben en sturen hun plaat in alle richtingen, ver weg van de geijkte paden.
Gaat u er gerust even voor zitten en probeer iets aan te vangen met de vreemde en gestoorde songs op ‘Sisterworld’. Wij hebben zo een vermoeden dat u als liefhebber van niet alledaagse muziekjes zal beloond worden eens u zich een beetje heeft kunnen inleven in de geflipte sound van deze rare snuiters.
En als u ons nu even wil gerust laten, want wij hebben hier ook nog serieus ons werk mee. Kom ons binnen zes maanden nog eens vragen wat wij hier van vinden.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Halcyon Times

Wij herinneren het ons nog alsof het gisteren was, de uiterst vitale country rock en cowpunk van Jason & The Scorchers’ vlammende debuutplaat ‘Lost and found’ uit 1985. Ook het memorabele en wilde concert in dezelfde periode in de Gentse Vooruit staat met stip in ons geheugen gegrift. Op hun albums na ‘Lost and found’ konden ze dat stomend plaatje misschien niet meer evenaren, maar de cowboys zijn toch flink blijven doorrocken en de lekker hete live plaat ‘Midnight roads & stages seen’ uit ’98 is daar het levende bewijs van.
En kijk nu eens, zie, 25 jaar na ‘Lost and found’ komen de heren met een bronstige plaat op de proppen met de power en energie van weleer, alsof er maar een jaartje tussen zat. Dit is bij wijze van spreken de enige echte opvolger van ‘Lost and found’, een plaat die nu de verwachtingen wel inlost, zelfde stoomkracht, zelfde dynamiek en vooral dezelfde goesting.
De hoofdrollen zijn weer eens weggelegd voor de intact gebleven aanstekelijke vocals van Jason Ringenberg en de immer splijtende gitaaruithalen van Warner Hodges. Wat betreft de andere groepsleden zijn er ondertussen wel al wat personeelswisselingen uitgevoerd, maar het hart en de spirit zijn gebleven.
Vooruit met de geit ! Jason en zijn hitsige bende stormen zich doorheen snelle cowpunk (“Moonshine guy/releasing celtic prisoners”, “Mona Lee”, “Gettin’ nowhere fast” en “We’ve got it goin’ on’), vette hardrock (“Better than this”), snedige rockabilly (“Fear not gear not”) en ronkende country rock (“Land of the free”, “Deep holy water”, “Twang town blues”). Natuurlijk staat er hier ook weer een onvervalste country plakker onbeschaamd te blinken (“Days of wine and roses”), en dan mogen we de knappe akoestische country folk van  “When did it get so easy to liet o me” nog niet vergeten (met Dan Baird als gastzanger).
It’s get good but it don’t get better than this” luidt het in “Better than this”. En dat is er pal op.
Ze zijn het niet verleerd, integendeel, ze hebben het weer helemaal te pakken.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Wrecking ball

Grunge revival ?! Nee, hebben we niet zelf gevonden. Zo wordt immers deze Amerikaanse band aan de buitenwereld aangeprezen. Het kind moet een naam hebben.
Dit plaatje is trouwens al een beetje ouder, van eind 2008 al, maar het ding wordt nu pas op de Europese markt gegooid, met 3 bonustracks, alstublieft.
De stem van Hardy Morris (vocals/gitaar) is vuil en scherp, en dat komt het soms ruige sfeertje op het album ten goede. Als Morrris al wat properder gaat zingen moeten we aan The Veils denken. Dit is het geval op het sterke “The rat”, een gebalde song die blijft hangen, waar scherpe gitaren en melodie elkaar mooi vinden.
Hoe verder we in dit album stappen, hoe meer we de vergelijkingspunten met Kings Of Leon of Alberta Cross kunnen beamen, niet bepaald referenties om zich bij te schamen.
Dead Confederate bedient zich op deze plaat al wel eens van de betere rock-ballad, en dan hebben we het niet over het soort drollen die doorgaans door prefab hard rockers als The Scorpions of Nickelback worden afgescheiden. Nee, we hebben het over emotievolle rocksongs zoals ook Pearl Jam die weet uit te spuwen, songs met een ziel in plaats van een bal slijm. In die categorie plaatsen we gerust het begeesterende “It was a rose”.
Nog iets waarom wij dit plaatje meer dan OK vinden : In salpeterzuur gedrenkte songs als “Start me laughing” doen ons meermaals denken aan het schaamteloos onderschatte Come, de fantastische band van Thalia Zedek. En bij de meeste smerige ballads als “The news underneath” komen de bloedende gitaren van The Drones ons voor de geest, en moge dit toevallig ook één van onze favoriete bands zijn. Het 12 minutenlange ingetogen “Flesh Colored Canvas” met een mijmerende Morris in de hoofdrol is zo een hoogtepunt. “Wrecking ball”, de titelsong die de normale speelduur afsluit begint mooi en rustig en groeit uit tot een knap en meeslepend nummer.
En dan gaan we naar de verlengingen, want de Europese release doet er zoals gezegd nog eens drie bonusstracks bovenop en -hoera- wij Europeanen zijn lucky bastards, want het zijn hoegenaamd geen opvullers. “Tortured artist aint” is een gemene en venijnige sleper die meermaals uitbarst en het scherpe en heftige “Shadow on the walls” is de gepaste patat om het album met verve af te sluiten.
De term ‘grunge revival’ mag u van ons gerust met de nodige korrel zout nemen, want daar zaten wij nu ook niet echt op te wachten. Hou het gewoon bij een stevige doorleefde rockplaat van een nieuwe beloftevolle band die de komende jaren nog potten gaat breken. Grote potten !

donderdag 25 maart 2010 01:00

Classic Fantastic

Fun Lovin’ Criminals zijn cool as fuck … Nog steeds … Ondertussen is het toch alweer 5 jaar verstreken sedert hun laatste werkje ‘Livin’ in the city’; nu zijn ze weer helemaal terug met een verdomd pittig plaatje.
De heren houden meer dan ooit vast aan hun imago van strak in het maatpak gehesen maffiabazen. De seventies gangstersfeer van de titelsong laat meteen blijken dat het supercoole trio nog zeer geloofwaardig is, een verduiveld knappe song waarbij we ons zo in een maffia film wanen. Ook “The originals” dendert lekker door met venijnige gitaarsolo’s tussen de raps. “She sings at the sun” swingt met zijn exotische klanken als een tiet en een driftig “Jimi Choo” flirt gewillig met Zappa. De lome funk van “El Malo” brengt ons volledig terug naar de geest van de jaren zeventig langs indrukwekkende afro kapsels in combinatie met imposante american cars, een song met een heerlijk sfeertje.
Op het onweerstaanbare “We, the three” zal u de beentjes helemaal niet meer kunnen stilhouden, maar nadien mag u met de mellow-sound van “Rewind” languit in uw hangmat gaan kuieren en genieten van een knappe gitaarsolo.
‘Classis Fantastic’ is heerlijke rap, funk, rock en soul. FLC hebben zichzelf overtroffen. Hun beste in jaren.

donderdag 18 maart 2010 01:00

Cat Fit Fury!

Eerste vaststelling: Met die knoert van een Bowie fixatie waar The Van Jets zouden mee zitten valt het reuze mee. Enkel op de laatste song, de knappe ballad “Our heads”, is Bowie prominent aanwezig.
Tweede vaststelling : Bepaalde media die al wel eens een belangrijk tweejaarlijks rockconcours organiseren moeten altijd de door hen ‘ontdekte’ beloftevolle bands volledig de hemel in prijzen, hierbij morsend met de superlatieven dat het geen naam meer heeft. Als u het ons vraagt, hebben bijvoorbeeld de Deus klonen van Mintzkov het talent van een regenworm op sterk water. Toch een beetje relativeren en wat voorzichtig zijn met bepaalde lofbetuigingen, bedoelen wij daarmee.
Met dit in het achterhoofd kunnen we stellen dat The Van Jets een vitaal, consistent en pittig rockplaatje hebben gemaakt maar dat er toch ook wat wisselvalligheid is te bespeuren. Het is op zijn beste momenten allemaal lekker vinnig, maar de ene song blijft toch al wat meer hangen dan de andere. “The future” bijvoorbeeld, die als opener zijn entree niet gemist heeft, en een geweldige kraker als “Givers & takers” doen ons volop naar de luchtgitaar graaien. De puntige gitaarsolo’s op de plaat grijpen ons trouwens evenveel naar het nekvel als die op dat wervelende plaatje van The Soft Pack van begin dit jaar (recensie moet u maar eens nalezen op deze site). De schwung en het hitsige tempo maken van “Dancer”, één van onze favorieten, in het duivels knappe “Comes the crying” huist een flinke streep White Stripes en op “Matador” wordt er gescheurd dat het een lust is.
Dingen als “Onawa” en “Teevee” klinken dan weer zeer matig en zouden zelfs in tweede klasse in de degradatiezone bengelen.
Het venijn zit hem duidelijk in de staart, want de betere songs nestelen zich in de tweede helft van de plaat.
De balans helt echter wel naar de positieve zijde. Overtuigend plaatje dus, met een paar struikelmomenten.

Pagina 94 van 112