logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 20 mei 2010 02:00

Live from The Montreal International

Ben Harper heeft iets met live albums. Dit is inmiddels al zijn vijfde live registratie die op cd wordt geperst. Maar geen waarop hij meer briest, scheurt, knarst, bijt en gromt als deze hier. Met dank aan The Relentless 7, zijn nieuwe band waarmee hij in 2009 al het ziedende ‘White lies for dark times’ opnam en daarmee al onze twijfels wegnam na de daaraan voorafgaande middelmatige plaatjes. Quasi het volledige album is hier in deze live set opgenomen. Kan ook moeilijk anders, want dit was tot op heden nog maar de enige plaat die onder deze bezetting werd gemaakt. Wat we wel kunnen zeggen is dat de songs in een live kleedje nog een flinke brok gloeiender en scherper klinken, een stuk langer ook zoals in “Keep it together” waarin Harper zwaar aan het soleren gaat. Harpers gitaar klinkt overigens heter en gevaarlijker dan ooit, zijn Hendrix demonen zijn volledig losgeslagen en The Relentless 7 gaan geweldig tekeer.
Ook een paar interessante nieuwigheden zijn te vinden op dit live album. De bijzonder felle opener “Faster Slower dissapear come around” is een verdomd knappe en brute nieuwe song en Harper zet iets verder ook een vlijmscherpe versie van Hendrix’ “Red House” in de etalage.
Enkel de overbodige cover “Under pressure” (Queen en Bowie) staat hier een beetje onnozel te wezen en ook de ballad “Another lonely day”, de enige overblijver van The Innocent Criminals tijd, is nogal lauwtjes en past evenmin op dit bruisend live album.
Een live plaat die zeer in de smaak zal vallen bij Hendrix adepten, zoals Harper er natuurlijk zelf één is.

De, laat ons zeggen, vrij productieve Paul Weller heeft met ‘Wake up the Nation’ alweer een puike plaat uit, en dit kort na het nogal uitgebreide ’22 dreams’. Opnieuw een hoop materiaal dus om mee op tournee te gaan.
Wat een live optreden van Weller steeds zo bijzonder maakt is de variatie en de vrij verassende keuze van setlist. In de AB was dit niet anders.

Gedreven als altijd begon Weller stevig aan zijn werk, met al heel vroeg in de set een vinnig “Changingman”. Een straffe nieuwkomer als “Moonshine” kon perfect het tempo aanhouden. The modfather, zoals we hem kennen, schakelde moeiteloos over van gebalde rock naar klare soul (“No tears left to cry”), zwevende seventies rock (de klassieker ‘Porcelain Gods’ was alweer één van de hoogtepunten) en akoestische intimiteit (de eerste bisronde met een knap “All on a misty morning” was volledig unplugged).
Grasduinen in het verleden van zijn andere bandjes deed hij met “Pretty Green”, “Start” en, als zeer aangename verassing in de tweede bis, de gebalde punk van “Art School”, alle drie van The Jam. Doch het was vooral een soulvolle opzwepende versie van “Shout to the top” (Style Council) die de zaal deed ontploffen.
Weller’s band, met nogal wat keyboards, musiceerde foutloos en zonder veel franjes. De tendens van de nieuwste plaat werd met overwegend korte songs volledig doorgetrokken.
We vonden weinig of geen schoonheidsfoutjes, alhoewel “You do something to me” ons een beetje te routineus was, maar dat is dan ook zowat het enige wat we kunnen bedenken.

Dit optreden blonk weer eens uit door de veelzijdigheid en de klasse van een zeer invloedrijke en immer boeiende artiest. Die gast is nog niet versleten, gewoon al omdat hij zichzelf nooit herhaalt. Daarom ook, beste fans, zal hij nooit of te nimmer The Jam terug uit de kast halen, en eigenlijk is dat maar goed ook. Oude koeien uit de gracht halen is niets voor een creatieve geest als goeie ouwe Paul.

Organisatie: Live Nation

Dave Eugene Edwards is nu al met ‘The threshing floor’ aan de zesde Wovenhand plaat toe. De plaat is nog maar net uit, ze is zelfs nog warm, en de sympathieke club 4AD in Diksmuide krijgt als één van de eersten de live voorstelling ervan.
Anderhalf jaar geleden zagen we de groep nog aan het werk in de Kortrijkse Schouwburg met een felle en verbeten set ter promotie van het snedige album ‘Ten Stones’. De sfeer van een kleine club als de 4AD is toch wel wat anders, Edwards staat dichter bij zijn publiek, wat toch voor zowel artiest als publiek een andere beleving teweegbrengt, aardser zeg maar. Zo mogen wij vlak voor onze neus meemaken hoe Edwards op een alweer heftige en bezwerende manier omgaat met vooral nieuwe songs die het vertrouwde geluid in zich dragen, maar zich soms iets meer gaan inhouden.

De withete woede van ‘Ten Stones’ zit er nog in, maar wordt hier afgewisseld met al iets rustiger momenten. Wij hebben zo de indruk dat de nieuwe songs iets minder van zich afbijten maar soms nog dieper graven. De stijl is onmiskenbaar Edwards, hij zingt met de bezetenheid van een overtuigd prediker en gaat een verwoede strijd aan met zijn gitaar waaruit hij onheilspellende klanken tovert. De sfeer is er één van mistige moerassen, kwade geesten en dreigende onweerswolken.

Wanneer we Dave Eugene Edwards aan het werk horen en zien komt steeds dezelfde naam voor onze gedachten: Nick Cave. Diezelfde woede, bezieling en bezwering, doch, laat het duidelijk zijn, geen kopie.
Het eerder korte optreden is er alweer eentje om te onthouden. Spreekt daar eigenlijk nog iemand over Sixteen Horsepower?

Organisatie: 4AD Diksmuide

donderdag 13 mei 2010 02:00

Landing

Dit album is al een vijftal maanden geleden uitgebracht, het was zowaar bijna aan ons voorbijgegaan wegens geen noemenswaardige aandacht in pers en media, laat staan airplay op de radio. Maar kijk, we hebben het nu toch weten op te vissen en we zijn nog geen klein beetje onder de indruk. Het ding werkt namelijk verslavend.
Eerst even kennismaken. De groep is samengesteld uit de restanten van Minimal Compact (herinnert u zich deze nog ?) en Wire. Het geluid heeft iets eighties maar draagt ook een verslavend repetitief karakter, denk ondermeer aan Alan Vega, Death In Vegas, PIL, The Raveonettes, Pixies en Throwing Muses. Het is een boeiende mengeling van synths en ruisende gitaren die het constant goed met elkaar kunnen vinden. De jongedame Malka Spiegel’s bezwerende stem jaagt de songs gestaag vooruit (“Lightswimmer”, “Take off”) of houdt ze plagend tegen (zoals bij “Ride” waarin ze zowaar een overtuigende Grace Jones neerzet). Spiegel beroert ook de basgitaar en is hiermee prominent aanwezig, meermaals moeten wij denken aan een bedrijvige Kim Deal. Een zeldzame keer neemt Wire boegbeeld Colin Newman de vocals voor zijn rekening en dan krijgt het geheel meer een typisch nonchalante Britse post punk sound (is het geval in “Over the limit” dat vooral klinkt als euh…Wire).
Moeilijk om hier uitschieters te vermelden, de plaat staat er immers als geheel, maar afsluiter “Transmission tower” is met zijn acht minuten wel een tamelijk verzwelgende brainwasher en het bijzonder verslavende “Take off” heeft ons zodanig in de greep dat wij het telkens opnieuw willen afspelen.
Een plaat die absoluut uw aandacht verdient. En zeg later niet dat wij het u niet gezegd hebben.

donderdag 13 mei 2010 02:00

Love & Desperation

John Petkovic, die doorgaans frontman is van indie-rock groep Cobra Verde, heeft na het overlijden van zijn moeder met nogal wat persoonlijke demonen te kampen gehad en heeft die van zich afgeschreven op ‘Love & Desperation’. Zijn gekwelde geest zorgt echter niet voor een neerslachtige plaat, maar eerder voor een venijnig rockbeestje.
Petkovic wordt hier bijgestaan door Tim Parnin (ook al gitarist bij Cobra Verde), bassist Dave Sweetapple (van de stonerrock groep Witch) en verder niemand minder dan Jay Mascis (Dinosaur Jr) op drums, … jawel drums.
De stuiterende rock heeft nogal een seventies kantje, de gitaren gieren bij momenten onstuimig door (vooral die zeldzame keren dat Mascis ook eens een solootje voor zijn rekening neemt, u haalt die er zo uit) en er wordt niet op een valse noot meer of minder gekeken.
De stevige opener “Do you remember” is volgens ons het beste nummer die de Foo Fighters vergeten te maken zijn, Dave Grohl vloekt zich een ongeluk. Verder klinkt Sweet Apple vettig en smerig als The Eagles of Death Metal (“Crawling over bodies”) of The White Stripes (de lekker spitse rocker “Flying up a mountain”),  puntig en catchy als Big Star (“I’s over now”, “I’ve got a feeling”, “Goodnight”) en knarsend als The Gun Club (“Hold me, I’m dying”).
‘Love & Desperation” is een denderend plaatje geworden van amper 39 minuutjes. Voor de oudjes onder ons, was dat niet de reguliere looptijd van een goeie ouwe elpee ? Overdaad schaadt, Sweet Apple heeft dit begrepen, er moesten er zo meer zijn.
U geeft dit schijfje best een plaats ergens in de buurt van uw cd’s van The Raconteurs en Eagles of Death Metal.
Nog dit : Waarom de hoes een kopie moest zijn van Roxy Music’s ‘Country life’ is ook voor ons een volkomen raadsel. Petkovic zal zo wel zijn redenen gehad hebben, muzikaal heeft dit immers niets te maken met Roxy Music, moge dit duidelijk zijn. 

donderdag 13 mei 2010 02:00

Steve Conte & The Crazy Truth

’Who the fuck is Steve Conte?’ zien wij u al denken. Steve Conte, beste mensen, is de gitarist die bij de herboren New York Dolls de onmogelijke taak heeft gekregen om Johnny Thunders te vervangen. Laat ons zeggen dat hij zich bij The Dolls tamelijk goed van die taak gekweten heeft, maar daar heeft hij natuurlijk nog ouwe rot Sylvain Sylvain naast zich staan. Nu hij als volwaardige NYD (ook zijn imago is dermate aangepast) enige naambekendheid heeft verworven, vond hij de tijd rijp om zijn eigen band The Crazy Truth samen te stellen en hiermee een plaatje te maken. En nu wil u natuurlijk weten wat wij als NYD fan daarvan vinden.
Wel, Conte is Thunders niet, The Crazy Truth zijn The New York Dolls niet. Maar daarmee is natuurlijk nog niets gezegd, want in twee groepjes spelen en met allebei hetzelfde doen, dat zou pas een beetje dom zijn, denkt u niet ?
Vooruit dan maar. Dit album is niet onvergetelijk, wel verdienstelijk. Er staan een paar potente rockers op, maar die gaan net iets te weinig in het rood naar ons gedacht. Het is soms iets te veel op de Amerikaanse leest geschoeid, alhoewel de rock cliché’s af en toe met glans worden gemeden. Er mogen bijvoorbeeld al eens blazers meedoen en die staan dikwijls op hun plaats, en op “Get off” komt zelfs een dwarsfluit opduiken.
Geen van de songs zal echter als klassieker de geschiedenis ingaan, de kracht van het album zit hem eerder in de variatie. We horen classic rock en soms wel snedige hard rock met een sleazy kantje, Zo rollen “Her higness” en “This is the end” lekker door en de plaat eindigt ook nog eens stevig met de vuile rocker “Junk Planet”. Onvervalste en licht ontvlambare rock’n’roll komt er uit “Strumpet-hearted monkey girl” en met “Indie Girl” wordt er gas terug genomen in de vorm van een fijne Zuiderse ballad. Zelfs de blues komt aan de deur piepen in “Busload of hope” dat nogal naar Tom Waits of diens volgeling Chuck E Weiss neigt.
Op deze plaat staan er overwegend korte songs trouwens, wat het geheel een puntig rechttoe-rechtaan gevoel geeft. En dat is goed bekeken van Steve Conte, hij is er zich van bewust dat hij niet de beste songs maakt, maar hij weet ze wel overtuigend te brengen.

donderdag 13 mei 2010 02:00

Koonyum Sun

Rudd’s vorige album, het sterke ‘Dark shades of blue’ dreef voornamelijk op grillige en soms wel donkere rock, een niet echt voor de hand liggende wending voor deze vrolijke Australiër. De nieuwe ‘Koonyum Sun’ leunt echter weer dichter aan bij Rudd’s vorige werk en ziet het leven dus aan een wat zonniger kant via organische wereldmuziek, luchtige reggae, swingende funk en overwegend optimistische klanken.
Met zijn Zuid-Afrikaanse ritmesectie Tio Molontoa (bass) en Andile Nqubezelo (percussie) heeft Xavier Rudd een lekker swingend duo te pakken gekregen. De heren voegen vaak een aardige hap schwung toe aan de songs, zo doen zij het extreem funky “Set me free” een flink potje swingen en voelen zij zich perfect thuis in de opzwepende reggae van “Yandi” en “Fresh green freedom”. Hun stemmen (want zingen kunnen ze wel degelijk) accentueren nog wat meer het wereldlijke karakter van de songs. In combinatie met het alweer uitgebreide instrumentarium (didgeridoo, banjo’s, conga’s, funky orgeltje,…) bezorgt dit steeds avontuurlijke muziek.
Ook dit keer zijn er hele mooie ingehouden en akoestische momenten te bespeuren, zoals “Love comes and goes” en het perfecte wiegeliedje “Soften the blow” dat met een heerlijk slide gitaartje voorbij glijdt. Xavier Rudd’s stem doet weer wonderen, van helder naar hoog, van indiaans naar zacht. Maar het is vooral zijn zalvende gitaar die schittert, ze klinkt nergens overdadig en is meermaals wonderbaarlijk, ondermeer in lentefrisse pareltjes als “Woman dreaming”, “Breeze” en “Bleed”.
In de lekkere laatste song “Badimo” wordt het nog eens duidelijk gemaakt, het album ‘Koonyum Sun’ is een zwoel en ritmisch Australisch-Afrikaans huwelijk. U haalt er de zomer mee in huis.

De leadgitarist van het Brusselse Driving Dead Girls had zich voor de gelegenheid door zijn coiffeur een heuse vetkuif laten zetten, maar het was vooral de zanger/gitarist die hardnekkig probeerde Jon Spencer te zijn. Helaas is er een hemelsbreed verschil tussen proberen en slagen en de man viel dan ook volledig door de mand. Zijn geforceerde rock’n’roll pose ergerde ons mateloos en het geluid mocht dan wel strak en stevig zijn, echt overtuigend was het nooit wegens te veel clichés en te weinig songs. Er zit nog meer rock’n’roll in de broodrooster van ons grootmoeder. Termen als nep en fake waren hier volledig op hun plaats.

Over naar Wintersleep dan maar, een Canadese indie groep. Weer zat het probleem bij de zanger. Die had wel een paar aardige songs, die in het beste geval iets naar Grandaddy neigden, maar met zijn stem was het al veel erger gesteld. De man stond te zingen alsof er voortdurend iemand met een dildo in zijn aars zat te koteren en die irritante stem overheerste jammer genoeg de vaak wel interessante songs. Wil er dus dringend iemand dat ding uit zijn reet komen halen. 

Ook van Zaza hadden wij nog nooit gehoord, en wij zouden dat graag ook zo houden. Hun setje kunnen we nog best omschrijven als mislukte Raveonettes, en verder willen wij hier geen woorden aan vuilmaken.

Taai dat we zijn, hebben we toch de beproeving van de drie voorprogramma’s weten te doorstaan en werden we hiervoor rijkelijk beloond met een wervelende twee uur durende show van The Black Rebel Motorcycle Club. Uiterst nieuwsgierig waren we na de geweldige nieuwe plaat ‘Beat the devil’s tattoo’, en de band overtrof onze stoutste verwachtingen. Uit dat album werd trouwens rijkelijk geput, met maar liefst 9 songs, en met al direct twee overtuigende kleppers op kop, de stroomstoten “War machine” en “Mama taught me better”. De sound zat meteen goed, BRMC klonk van bij de aanvang fel, gretig en verbeten. Lekker gemeen, maar ook loepzuiver.
Met nu al vijf albums op zak kunnen BRMC terugvallen op een breed repertoire met pure rock’n’roll, shoegaze en donkere blues. Werkelijk al het beste uit die platen zat in de setlist vanavond. Een sterke troef is dat zij met Robert Levon (bas/zang) en Peter Hayes (gitaar/zang en af en toe eens een scherpe smoelschuiver) eigenlijk twee frontmannen in huis hebben, die ook al eens van instrument durven te verwisselen, en dat maakt dat op geen enkel moment het spook der verveling kan komen opduiken, de heren houden het lekker spannend.
Dat de blues soms onderhuids schuilt in hun massieve sound, mochten we ervaren in “Beat the devil’s tattoo” en in een geweldig “Ain’t no easy way”. Ook de nieuwkomers “Aya” en “River styx” werkten bezwerend, donker en bluesy. Een tandje hoger schakelden ze met rauwe en smerige rock’n’roll in het ophitsende trio “Berlin”, “Weapon of choice” en prijsbeest “Whatever happened to my rock’n’roll”.
De vuilste, heetste en meest vlammende song uit de nieuwe plaat is “Conscience killer” en was ook vanavond moordend en wild, de song werd meteen in dezelfde furie gevolgd door het stomende “Six Barrel shotgun”, ook een hete lap dynamiet.
In een versnelling minder was BRMC vooral overtuigend met de slepende gitaarnoise van “Love burns”, “Red eyes and tears”, “Bad blood”, “Half state” en “Spread your love”. De stekker mocht er zelfs een keertje volledig uit toen Robert Levon een mooi akoestisch “Mercy” bracht.
BRMC wist de spanningsboog maar liefst twee uur aan te houden en overdonderde ons van de eerste tot de laatste minuut. Onze vriend de Oasis-fan floepte er zelfs in al zijn enthousiasme een gemeend ‘Fuck Oasis’ uit. En of hij gelijk heeft.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organistie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2010)

donderdag 06 mei 2010 02:00

Astro Coast

Een beetje te veel groepen willen naar onze goesting vandaag op Vampire Weekend lijken, maar voor Surfer Blood willen wij toch een beetje tijd vrijmaken. Omdat zij ook naar Pavement, The Modern Lovers, The Pixies, Weezer, My Morning Jacket en Band of Horses geluisterd hebben. En omdat zij puntige en frisse songs ineengeknutseld hebben. Daarom.
Elders zal men u misschien vertellen dat zij de mosterd zijn gaan halen bij The Beach Boys, maar laat u vooral niks wijsmaken, daar is nauwelijks iets van aan. Hun naam, afkomst en hun zomerse sound verwijzen natuurlijk wel naar de zonnige Californische stranden, maar Beach Boys it ain’t, gelukkig maar.
Dit is een avontuurlijk, optimistisch en fijn plaatje met exotische uitstapjes (Vampire Weekend, weet u wel) en hier en daar wat stekelige gitaartjes a la Pavement en soms zelf een beetje SonicYouth. Dit werkt aanstekelijk en smaakt naar meer.
Beloftevolle jonge band, zeg maar.

zondag 25 april 2010 02:00

The NYD - Nostalgische proto-punk

Samen met The Stooges (die we vorige week nog magistraal aan het werk zagen in Lille, check het verslag op deze website) kunnen de NewYork Dolls aanzien worden als de ware voorvaders van de punk. Net als Iggy’s wilde bende speelden zij al punk van voor het woord werd uitgevonden. Daar waar The Stooges vooral rauwer waren, gingen de Dolls wat meer richting glamrock en soms ook zelfs 50’s bubblegum pop, maar de spirit en oerkracht van wat men later punk zou noemen zaten al duidelijk in hun muziek vervat. De platen ‘New York Dolls’ (1973) en ‘Too Much too soon’ (1974) zijn de mijlpalen die als vereeuwiging van The Dolls hun proto-punk in onze platenkast staan te pronken.

Op vandaag staan The New York Dolls er terug, weliswaar maar met twee originele bandleden (de rest is al lang het hoekje om), de graatmagere zanger David Johansen die zijn Mick Jagger allures nog niet is kwijtgespeeld en de immer fris ogende en uiterst sympathieke gitarist Sylvain Sylvain. Het zijn ook deze twee die vanavond de meeste aandacht naar zich toe trekken. Verder is de band aangevuld met een drietal jongere gasten die zich met gemak het nonchalante NYD imago aanmeten. De sound die het vijftal groep weet te brengen is fel, verbeten en straight to the bone. Volledig naar onze goesting, dus.
Onder de reünie bezetting hebben The Dolls trouwens al twee voortreffelijke platen opgenomen die live de nodige aandacht verdienen. Vooral de snelle en potige songs “Cause I sez so” en “Gotta get away from Tommy” beuken dat het een lust is. Ook de felle jungle rock van “Dance like a monkey” is hier welgekomen, alleen jammer dat The Dolls er geen “Stranded In The Jungle” aan koppelen, een song waar wij vergeefs de hele avond op zitten te wachten.
Van jungle rock gesproken, Met het heftige “Pills” wordt de erfenis van Bo Diddley in ere hersteld. De song wordt uitgebreid met flarden “Bo Diddley” en “Who Do you love” en mondt zo uit tot een knap eerbetoon aan de overleden bluespionier.
Ook The Dolls hun eigen punk-icoon Johny Thunders wordt geëerd in het knappe “You can’t put your arms around a memory” (Sylvain achter de micro) met daaraan een fraai “Lonely planet boy” geplakt.
Nog een hoop klassiekers : “Looking for a kiss” en “Private world” rammelen dat het een lust is, “Who are the mystery girls” is spits, fel en very punk, “Trash” is gloeiend heet en is middenin voorzien van de frisse reggae uitwaaier die het ook op de laatste plaat heeft meegekregen en “Personality Crisis” is de onvermijdelijke stomende genadestoot als afsluiter.

Het mocht van ons gerust iets meer zijn, want een hoop van onze NYD favorieten (“Frankenstein”, “Puss’n boots”, “Subway train”, “Chatterbox”,…) worden vanavond jammerlijk achterwege gelaten. Maar ja, wij zijn dan ook nooit content.
Uiteraard kan dit niet tippen aan die uitmuntende buffelstoot van een concert waarmee The Stooges ons vorige week overdonderden in Lille, maar qua oudjes die nog steeds geloofwaardig rock’n’roll plegen te spelen, kan dit ook wel tellen.

Organisatie: Depot, Leuven

Pagina 93 van 113