logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

De AB werd in gang gereden met de poppunkertjes van Sharks, zo een groepje van dertien in een dozijn. Piepjonge kereltjes die helemaal nog niet rijp waren voor een concerttempel als de AB. Hun geslaagde cover van de onsterfelijke Clash klassieker “I fougth the law” was het enige vermeldenswaardige momentje.

Een stuk beter was de doortocht van Chuck Ragan, in een vorig leven nog frontman van emo-punkers Hot Water Music. Het bleek een goedgemutste struise kerel te zijn met een doorleefde, rauwe en naar Springsteen neigende stem. Hij vertolkte, vergezeld van een naarstige violist, op akoestische gitaar zijn songs met veel bezieling en kon op nogal wat respons van het publiek rekenen.
Wij wensen de man nog een glorieuze toekomst, maar een beetje meer variatie in de songs zou hier wel op zijn plaats zijn. De chuck mocht later trouwens met The Gaslight Anthem nog een potje komen meespelen en zingen, hij bleek een vertrouwde makker te zijn.

The Gaslight Anthem stond vanavond garant voor een aardig staaltje powerrock met de spirit van The Clash, de passie van The Replacements en de schwung van -we kunnen er echt niet omheen- Bruce Springsteen. Er zijn immers te veel raakpunten (die stem, die gedrevenheid) om The Boss niet te vermelden, maar laat toch duidelijk zijn dat The Gaslight Anthem niet zomaar een bandje zijn die hun grote voorbeelden naspelen, ze hebben wel degelijk een eigen geluid ontwikkeld, en wat voor één.

Je voelde en hoorde dat de heren een punk verleden hebben, en daar hebben ze de juiste drive aan overgehouden. Songs als “1930”, “Stay lucky” en “The backseat” waren er het levende bewijs van, dingen die zonder omkijken rechtdoor stormden en niet te veel omwegen opzochten.
De kracht van The Gaslight Anthem zit hem trouwens in de puntigheid van de steeds kort gehouden efficiënte rocksongs die met zijn allen sterk op hun poten staan. Maar liefst 24 nummers kregen we voorgeschoteld in anderhalf uurtje. Geen ruimte voor solo’s of onnodige muzikale opschepperij dus. Heel even nam frontman en uiterst sympathieke peer Brian Fallon de tijd om de zaal toe te spreken, maar voor de rest gaf de groep er zonder veel commentaar een geweldige lap op met gebalde rocksongs voorzien van ijzersterke melodieën, zoals de uiterste knappe en goudeerlijke “Diamond church street choir”, “The Queen of lower Chelsea” en “Miles Davis and the cool”, om er maar een paar te noemen.
Eigenlijk zat het vuur er al van bij de aanvang goed in, maar toch bleek de band naarmate de set vorderde meer en meer onder stoom te komen en ontmondde het hele optreden in een heuse climax. De jonge wolven speelden met een ongedwongen drive en passie en zonder enig zweempje van arrogantie. En om te tonen dat er ook een portie soul door hun bloedvaten stroomt, brachten ze een knappe eigen versie van de onverslijtbare Wilson Pickett kraker “In the midnight hour”.
Trouwens een bijzonder goede inval van Fallon om zonder het podium te verlaten al meteen de bisronde aan te vangen. “Laten we hier gewoon blijven staan en die overbodige pauze overslaan, zo kunnen we meer songs spelen”, zei Fallon. Groot gelijk had ie en daarop zette The Gaslight Anthem al van ver de eindspurt in met een splijtende demarrage met pure Philip Gilbert allures. Het dak ging er af met de gloeiende knalpotten “Great expectations” en “The ’59 sound” (hebben ze elders al een paar keer met nonkel Springsteen hemzelve tot een spetterend vuurtje uitgebouwd) en het almachtige “American slang”. Dan werd er heel eventjes gas teruggenomen met een mooi “Here’s looking at you, kid” om vervolgens finaal te ontploffen met de felle punkrocker “The backseat”.

Kijk, The Gaslight Anthem was nu een groepje volledig naar ons hart …

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

donderdag 11 november 2010 01:00

Headstrong

Qua metal valt er in ons  landje maar heel weinig te beleven. Het is veelzeggend als de reanimatie van Channel Zero zowat het belangrijkste metal feit is van het laatste jaar.
Het is aan bands als Trafficjam om daar verandering in te brengen. Zelf noemen ze hun muziek ‘ alternative hardness’, het kind moet een naam hebben. Wij horen vooral stampende metal die dicht aanleunt bij Machine Head, maar dan met een hoop samples, keyboards en synths tussen gewrongen. De ene keer zijn die keyboards een meerwaarde, elders zitten ze dan weer hevig in de weg.
Het geheel klinkt best wel stevig en er staan handenvol snedige en harde riffs op dit album, maar onvergetelijke songs hebben we niet ontdekt. Wel een potige sound.

Info op http://www.trafficjam.be

donderdag 11 november 2010 01:00

Well Hunger

Het debuutalbum van het Gentse Kapitan Korsakow is niet echt geschikt -en we drukken ons nog zeer voorzichtig uit- om op een zondagmorgen zachtjes te ontwaken. Uw ochtendlijke boterkoek zou wel eens in uw keel kunnen blijven steken, want dit is een hardnekkige brok noise waarbij een gezonde mens meermaals naar adem moet happen.
Voor zij die iets van Mc Lusky in hun platenkast staan hebben, dit is misschien iets voor u. Voor alle anderen, eerst uw oren oefenen ! Dit is hoegenaamd geen toegankelijke pop, op de radio zal je dit niet horen.
De gitaren piepen, kraken, scheuren en knarsen dat het een lust is.
Enkele rake neurotische kopstoten als “Sinksleeping” (stonerrock in een bad salpeterzuur), “Wild smile” (Nirvana op zijn vuilst), “Cozy bleeders” (Black Sabbath en Killing Joke samen in de kelders van Cockerill-sambre) razen door uw brein, hard, schreeuwerig, gemeen en tamelijk verschroeiend. Onze favoriet is “The looder”, de meest gruizige stoner die we in jaren gehoord hebben.
Afsluitstuk “Sheep dip” -we spreken van stuk omdat je dit bezwaarlijk een song kan noemen- is een klomp herrie van 48 minuten (u leest het goed, 48 !) vol met gestoorde noise en totaal ontspoorde gitaren. Als u dat ding volledig kan uitzitten, krijgt u van ons een fles vodka. In één keer uitdrinken en ontdek op die manier de ware betekenis van het Korsakow syndroom. Moet u beslist eens proberen.

Info op http://www.myspace.com/kapiteinkorsakov

donderdag 11 november 2010 01:00

Little trouble kids

Een duo, nog maar eens. Koppeltje uit Gent, vrouwtje drumt en zingt, mannetje speelt gitaar en zingt. We gaan u niet meer lastigvallen met de voor de hand liggende vergelijkingen met u weet wel wie.
Lo fi, zegt u ? Ze doen het in een gammel repetitiehok, Thomas Werbrouck’s gitaar is niet altijd even zuiver gestemd en Eline Adam zou naar verluidt geen echt drumstel beroeren maar wel een simpele houten kist (nee, geen Dash ton, klinkt nochtans wel zo) die ze met flamencoschoenen bewerkt. Lo fi it is.
Het is meer indie dan blues en het rammelt nogal, zullen we het maar voor het gemak garage-indie noemen. Het heeft wel iets, een soort primitieve energie bijvoorbeeld die we ook kennen van prille Pixies. In de beste gevallen komen daar een paar spetterende songs uit (“Cool kids”, “90’s dream”, “She made me”) maar daartegenover staat dat bepaalde tracks gebouwd zijn op een paar halve ideeën en wat krakkemikkige akkoorden waardoor ze te mager uitvallen, hoewel ze spontaan en sympathiek klinken.
Leuk debuut, maar om er in dit genre boven uit te steken zal er toch nog wat meer vet in de soep mogen.

Info op http://www.myspace.com/bostonteapartytheband

donderdag 04 november 2010 01:00

Before today

Een plaat die doordrongen is van seventies geluiden en eighties kitsch, zo te horen opgenomen met bedenkelijke apparatuur (alsof u dat ouwe cassette recordertje nog eens heeft bovengehaald), rollebollend van disco naar rock, pop, soft rock, easy listening en glam. En toch, bij momenten wonderlijk, omdat hier een sfeertje gecreëerd wordt van een bruisend stadsleven vergeven van allerlei vreemde figuren en onvoorziene kronkelingen.
Zappa en Bowie worden voor de voeten gelopen door de meest kitscherige synths, galmende gitaartjes wroeten zich een weg doorheen onwaarschijnlijke combinaties van new wave, funk en old school disco.
De refreinen zijn dikwijls kitscherig, maar steeds bijzonder aanstekelijk. Dit uit zich in heerlijke prikkelende songs als “Bright lit blue skies”, “Fright night”, “Round and round” en “Beverly kills”.
Plots komt er een venijnige hard rock gitaar “Butt-house Blondie” inzetten, een nummer die gemarineerd is in de seventies, en met afsluiter “Revolution’s a lie” bevinden we ons eensklaps in de post punk wereld van Wire, PIL en Joy Division.
Dit is een album dat overloopt van de ideeën en toch niet over zijn eigen voeten struikelt. Ariel Pink stuurt zijn songs alle richtingen uit en pikt onderweg de fijnste muzikale kwinkslagen en vondsten op.
Er broeit iets ongewoons in dat geschifte brein van Ariel Pink en ‘Before today’ is daar de uiterst boeiende neerslag van.
Dit blinkt uit in originaliteit en vindingrijkheid.

donderdag 28 oktober 2010 02:00

Nothing Hurts

Britse Indie rock met een scherp punkrandje en met een gebeurlijke brok stevige shoegaze in verwerkt. Denk Thermals en A Place To Bury Strangers samen op een Formule 1 circuit. Het gaat razend snel en soms loeihard, zonder de melodie uit het oog te verliezen. Zo kweekt men goede song, beste mensen ‘T is poepsimpel als het lukt. En hier lukt het.
Wij hebben een zwak voor dit soort kwaaie rock die er met een onbegrensde gedrevenheid wordt doorgeramd terwijl men toch nog steeds het bos door de bomen blijft zien. Die van Male Bonding kunnen er behoorlijk weg mee, zij razen opgehitst doorheen buffelstoten als “Pumpkin”, “Year’s not long” en “All things this way”, allemaal oplawaaien van amper twee minuutjes rechtstreeks gemunt op onze schaamstreek.
Als het tempo een tandje naar beneden gaat (niet zo vaak op dit album, maar toch) komen er ook al interessante songs aan de oppervlakte (“Pirate key”, “Franklin”, “Worse to come”), iets meer diepgang, beetje complexer en steeds met dezelfde verbetenheid.
Verbluffend plaatje.

donderdag 28 oktober 2010 02:00

Tin Can Trust

Verwacht geen flagrante stijlbreuk, want dit nieuwe album klinkt vertrouwd in de oren. Vintage Los Lobos dus, maar wel hoogstaand. Hoewel de klasbakken hier nergens naast de door henzelf geijkte paden treden, ontwijken ze met glans de automatische piloot en staan ze op scherp, alsof het een bende jonge gedreven snuiters waren die nog volop de wereld moeten veroveren.
De gitaren van David Hidalgo en Cesar Rosas zijn overal fris en snedig en de solo’s zijn uit een grand cru vaatje getapt. Het duo zingt dan ook nog eens de songs naar eenzame hoogtes.
Het alom gekende geluid vertaalt zich naast de onvermijdelijke latino fuifjes (“Yo Canto”, “Mujer Ingrata”) in een paar puike bluessongs (“Do the murray” , “27 Spanishes” en het geweldige ”West L.A. fadeaway”) en enkele ingetogen pareltjes (“Jupiter on the moon”, “All my bridges burning”).
‘Tin Can Trust’ is Los Lobos in topvorm.

donderdag 28 oktober 2010 02:00

Blues + Power = Destiny

Hoes en titel doen vermoeden dat we hier met zware en zompige biker-bluesrock zouden te doen hebben, maar volgens ons neigt dit eerder naar classic hard rock met hier en daar een knipoogje richting grunge en met weliswaar een bluesrandje -vooral wanneer zanger Johny Ogle een harmonica uit zijn mouw tovert- maar toch te proper opgekuist om van een vettige bluesrock plaat te spreken. Ogle zijn stem doet overigens aardig aan Ian Astbury (The Cult) denken en, hoewel dit een Britse band is, het album klinkt in zijn geheel nogal Amerikaans. Niet slecht, maar we hebben het allemaal wel al eens eerder gehoord. Te onthouden songs zijn een stuwend “Golden”, die ergens tussen Alice In Chains en Wolfmother hangt, en de naarstig rockende afsluiter “Death Rattle”.
Een behoorlijke plaat dus die bij momenten stevig uit de hoek komt, met flink en potig gitaarwerk, maar met al bij al te weinig eigen smoelwerk om het peloton te kunnen los rijden.

donderdag 28 oktober 2010 02:00

Diary of a soul fiend

Saint Jude uit London zijn een beetje de poulains van Ron Wood die overal van de daken gaat roepen dat dit ‘the new revelation of rock’  is. Voor één keertje heeft de Rolling Stone meer aandacht voor de zangeres haar stem dan voor haar tieten en de ontdekking van een nieuw talent is dan ook een feit. De stem is duidelijk de grootste troef van Saint Jude (de tieten hebben we nog niet van dicht mogen aanschouwen). Lynne Jackaman is inderdaad gezegend met een volbloed stem die barst van de soul en doet denken aan BJ Scott, Janis Joplin of aan een jonge Tina Turner toen zij nog regelmatig troef kreeg van Ike en zo wakker genoeg gehouden werd om uit frustratie een portie kwaaie soulsongs uit haar strot te rammen (dus niet die plastieken Tina die op vandaag met slappe tupperware soul overal ter wereld sportpaleizen doet vollopen).
Qua sound mogen we het gaan zoeken bij The Faces (en hun volgelingen Black Crowes), Janis Joplin en The Rolling Stones. Qua kwaliteit van de songs zitten we toch een trapje lager, op deze ‘Diary of a soul fiend’ staan nogal veel middelmatige songs die echter wel naar een hoger niveau getild worden door de krachtige vocals van Jackaman. In combinatie met wat steviger gitaarwerk geeft dit soms vonken (“Soul on fire”, “Southern belle”, “Parallel live”, “Sweet melody”), maar er mag van ons over heel de lijn toch nog wat meer vet en hete lava aan toegevoegd worden om tot een echt stomende plaat te komen. Vooral de ballads zitten een beetje in een cliché keurslijf gewrongen en geven ons de indruk dat hier niet alles is uitgepuurd wat er wel degelijk in zit. Een portie Kick Out The Jams van MC5 zou hen goed doen.
Niettemin, verdienstelijke plaat van een band en vooral een zangeres met potentieel (en misschien ook tetten, we houden u op de hoogte).

Zoals Obelix bij zijn geboorte in een vat toverdrank is gevallen, zo is Jim Jones volgens ons in een ton kolkende rock’n’roll getuimeld. De man heeft rock’n’roll in zijn  tenen, zijn bloed en in al zijn aderen, en dat zullen we geweten hebben. Live is dit dan ook een wervelwind, denk hierbij gerust aan Jon Spencer, diezelfde gretigheid, diezelfde super-coole présence en attitude, de rock’n’roll die uit alle lichaamsgaten tegelijkertijd spat. Zet daarbij een band die speelt alsof een dolgedraaide stier hen constant op de hielen zit, en je hebt de perfecte rockshow.

Van de twee platen die The Jim Jones Revue nog maar op hun conto hebben, weten we dat alle wijzers geregeld in het rood gaan. Live is het niet anders. Dit is de meest gruizige, harde, explosieve en opgejaagde rock’n’roll die je dezer dagen op een podium kan horen. Smerig, snel, ranzig en uitermate fantastisch. Een gloeiende song als “Rock’n’roll psychosis” dekt volledig de lading, een betere omschrijving van hun sound kunnen we zelf niet bedenken.
Dit is de gekte van Jerry Lee Lewis, de punk attitude van Johnny Thunders, de onstuimigheid van The Gun Club, de vulkaankracht van MC 5 en de ranzigheid van The Stooges.
Jim Jones  richt zijn pijlen rechtstreeks naar onze onderbuik en naar onze trommelvliezen, want het is loud as hell.
The Jim Jones Revue vlammen en razen doorheen splijtende rockers als “Hey hey hey hey”, “Princess and the frog” , “Dishonest John” en gortige bluesbeesten als “Cement mixer”, “Big Len” en “Burning your house down”. De gitaren gaan over de rooie, de drums roffelen als bezeten, de piano gaat door het lint. Subtiel is het niet, subliem wel.

De eerder magere opkomst in de 4AD is helemaal geen domper op het feestje. Het kot bruist en kolkt  vanavond, de rock’n’roll duivel kotst zijn ziel eruit. Een betere Halloween kunnen wij ons niet voorstellen.
Muzikanten mogen technisch begaafd zijn al wat ze willen, niets is beter op een podium dan een portie vuile rock’n’roll die uit al zijn voegen barst, vooral dat is ons weer iets duidelijker  geworden vanavond.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Pagina 88 van 113