logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

the_offspring_i...
dimmu_borgir_01...
Geert Huys

Geert Huys

Thurston Moore – Gavin Friday – sterke double-bill!
Thurston Moore – Gavin Friday

Een slogan als Niet het grootste festival, wel het langste... suggereert een soort valse bescheidenheid die we niet gewoon zijn van onze Antwerpse vrienden van het Openluchttheater (OLT) Rivierenhof. Wel integendeel, OLT mocht afgelopen woensdag met meer dan gepaste trots de maand augustus aftrappen met twee eigenzinnige iconen uit wat we gemakkelijkshalve de alternatieve muziekgeschiedenis zullen noemen.

THURSTON MOORE (****) mag dan al zijn sporen hebben verdiend als frontman en avant-gardistisch snarenwonder van het New Yorkse noise gezelschap Sonic Youth, dat de introverte Amerikaan er ook een solocarrière op na houdt die inmiddels een handvol albums beslaat is minder bekend. Op basis van Moore’s vorig jaar verschenen opus magnum ‘Demolished Thoughts’, waarop rustig voortkabbelende akoestische gitaren en een melancholische viool de dienst uitmaken, hadden wij een eerder intiem concertje verwacht waar de geest van Nick Drake op een gegeven moment wel uit het stadsbos zou kunnen opduiken. Zonder het goed en wel te beseffen waren we echter getuige van de Belgische maiden trip van Chelsea Light Moving, de nieuwe groep die de weinig spraakzame New Yorker ondertussen uit de grond heeft gestampt. In die nieuwe band heeft Moore duidelijk meer zin in een elektrisch overstuurd avontuur waar de viool van Samara Lubelski wonderwel de balans vond met de gecontroleerde gitaaruitspattingen van Moore en diens sidekick Keith Wood.
Opener “Orchard Street” kreeg meteen een wervelende noise outro die menige wenkbrauw deed fronsen, meteen gevolgd door de start-stop rock van “Pretty Bad” uit Moore’s debuut ‘Psychic Hearts’ (‘95). Dat Moore zijn Sonic Youth verleden absoluut niet wou verbergen vonden we helemaal niet erg, maar toch waren we ook benieuwd hoe hij het er met de 12-snarige akoestische gitaar zou vanaf brengen. Het antwoord kwam er uiteindelijk met “Mina Loy” en “Circulation”, en ja, bij dit laatste nummer dachten wij even Mr. Drake goedkeurend te zien knikken tussen het dreigende wolkendek boven het OLT.
Moore probeerde tussendoor ook een paar nieuwe songs uit die hij weldra met Chelsea Light Moving gaat inblikken. We onthouden vooral het venijnige “Burroughs” waar de elektrische gitaren kraakten, krasten, piepten en scheurden als betrof het een lost classic die Sonic Youth vergat op te nemen tijdens de legendarische sessies die vooraf gingen aan ‘Daydream Nation’. Het aan Roky Erickson & The 13th Floor Elevators opgedragen “Empires Of Time” en de bijna radiohit “Ono Soul” besloten een eigenzinnige en hoogste intrigerende set die Moore’s verschillende muzikale gedaanten liet zien.

Het Ierse enfant terrible GAVIN FRIDAY (****) moet zowat de tegenpool zijn van Thurston Moore als het op theatraliteit en extraversie aan komt. Na een bijzonder lange afwezigheid op het live front belandt de voormalige frontman van Virgin Prunes sinds vorig jaar terug regelmatig op Vlaamse podia. En precies daar begint het schoentje toch wel een klein beetje te knellen, want Friday en zijn uitstekende begeleidingsgroep disselden nagenoeg dezelfde set op als tijdens zijn indrukwekkende driedaagse dit voorjaar. Wie de man dus reeds in Hasselt, Leuven of Gent aan het werk zag was onmiddellijk vertrouwd met Friday’s bewondering voor muzikale idolen Jacques Brel (“Next”), Caruso (“Caruso”) en Marc Bolan (“King Of Trash”) en zijn liefde voor de schrijfsels van Oscar Wilde (“Each Man Kills The Thing He Loves”). Het zijn stuk voor stuk nummers die weliswaar voor het theater gemaakt zijn, maar ook onder de blote hemel moeiteloos overeind blijven.
Ondanks de grote voorspelbaarheid blijft een optreden van Friday toch een aparte belevenis, en dat heeft de man volledig te danken aan zijn theatrale podium présence en zijn onnavolgbare kunst om te scoren met elke opmerking uit het publiek. In de cynische Ier die maar wat graag blijft verwijzen naar de kerkelijke hypocrisie schuilt echter ook een melancholische ziel. Het breekbare “Apologia” vanop Friday’s meesterlijk solodebuut was daar ook nu weer het duidelijkste bewijs van. Die ene spotlight gericht op zijn tafeltje met de obligate fles wijn is en blijft emotioneel beklijvend en zorgde opnieuw voor hét kippenvelmoment van de avond.
In de bissen dolde Friday nog wat met het publiek door hen voor de verscheurende keuze tussen een cover van Brel of Bowie te stellen. Tot cynische verbazing van de Ier werd het uiteindelijk “Five Years” van laatstgenoemde, gevolgd door het nieuwe “It’s All Ahead Of You” als ultieme bedtime story in het feeëriek verlichte decor van OLT.

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/fotos/thurston-moore-1-08-2012/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/gavin-friday-1-08-2012/

Organisatie
: OLT Rivierenhof, Deurne (ism Arenberg, Antwerpen)   

 

Cactusfestival Brugge 2012 - zaterdag 7 juli 2012
Cactusfestival Brugge 2012

Singer-songwriters van de oude en de nieuwe garde, vooroorlogse calypsoblues, slowcore, witte afroblues, grungy folkrock, rammelende garagerock tot neo-psychedelische pop: je kon moeilijk ontkennen dat de tweede dag van het 31ste Cactus festival geen klein beetje in het teken stond van koning gitaar. Alleen hadden de weergoden het op bepaalde momenten niet echt begrepen op die eclectische mix aan stijlen, en werden de hemelsluizen een paar keer flink opengedraaid. Hear, Sea, Feel The World! dus, of hoe je als geoefende festivalganger moest laveren tussen frisse mojito’s en hete koffie.

Bij het aantreden van opener KURT VILE & THE VIOLATORS (***) was er alvast nog geen vuiltje aan de lucht. De langharige Amerikaan schuimt nu al ruim anderhalf jaar clubs en festivals af met dat ene wonderlijke album, ‘Smoke Ring For my Halo’, waarop de jonge Springsteen en Young elkaar naar de kroon steken onder het goedkeurend oog van Dinosaur Jr.’s J. Mascis. De combinatie van epische gitaarrock en ingetogen lo-fi werkte weliswaar minder doeltreffend op klaarlichte dag als in een muziekkroeg, maar met “Peeping Tomboy”, “Baby’s Arms” en het manische “Freak Train” scoorden Vile en zijn kompanen al vroeg op de middag een handvol hoogtepunten.

De uit Australië overgevlogen C.W. STONEKING & THE PRIMITIVE HORN ORCHESTRA (**) tekenden voor het laid-back moment van de dag. Stoneking waant zich om de één of andere reden nog steeds in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw waar blues en calypso de muzikale orde van de dag bepaalden. De wat zonderling ogende Aussie klinkt niet alleen alsof hij ruim honderd jaar te laat is geboren, verstopt in een parelwit pakje ziet hij er ook uit alsof hij elke avond de bewakers van een koloniaal strafkamp hoort te entertainen. We hebben best genoten van nummers als “Handyman Blues”, “Jungle Lullaby” of “Going Back To Arkansas”, krakkemikkig opgesmukt door charmante blazers, contrabas en drums van The Primitive Horn Orchestra, maar al vlug werd alles toch wat te stereotiep en ging onze aandacht meer uit naar de cocktailbar. Stoneking en zijn gevolg zijn op zijn minst een genietbare gimmick die zeker een plaats verdienen op de soundtrack van ‘Oh Brother, Where Art Thou’, maar op een festival als dit toch wat te licht uitvielen.

Het was vervolgens bittere ernst geblazen met het Amerikaanse trio LOW (***) dat ietwat tegen wil en dank wordt gebombardeerd als één van de uitvinders van de slowcore. In de praktijk vertaalt het kernduo en echtpaar Alan Sparhawk en Mimi Parker dit genre door elk tempo uit de songs te halen, waardoor hun harmonieuze samenzang plots heel veel ruimte krijgt en enkel het gezelschap moet verdragen van minimale percussie en een gruizige gitaar. Een unieke muzikale formule dus, die met “Especially Me” uit het vorig jaar verschenen album ‘C’mon’ een pastoraal hoogtepunt bereikte. Het Cactus publiek had echter de grootste moeite om de aandacht erbij te houden. Wellicht had Low meer respect kunnen afdwingen na zonsondergang, maar voor het zover was gingen de hemelsluizen een eerste keer open.

Als bij wonder klaarde de hemel helemaal op voor de komst van de achtkoppige ZITA SWOON GROUP (****), en werd het Minnewaterpark omgetoverd tot een gezellig dorpsplein ergens in Burkina Faso waar frontman en creatief mastermind Stef Kamil Carlens in 2010 een sociaal geëngageerd muzikaal avontuur beleefde. Het resultaat is te horen op het dit voorjaar verschenen ‘Wait For Me’, en misschien tot verrassing van de oudere fans plukte de eigenzinnige Carlens zaterdag enkel nummers uit die plaat. Maar wat bleek, de Zita Swoon Group had geen hits nodig om het vuur aan de lont te steken. Voor het eerst op deze festivaldag kregen we een groep met muzikale goesting te zien, en niet in het minst was dit te danken aan de wisselwerking tussen Carlens en zijn twee Afrikaanse vrienden die voor de gelegenheid de Zita Swoon Group kwamen versterken. De authentieke klaagzang van ‘Madame’ Awa Démé en het virtuoze balafon (een Afrikaanse versie van de xylofoon) spel van Mamadou Diabaté Kibié vormden de exotische tegenpool van de withete Captain Beefheart blues van Carlens & co. “Sababu” en “Tasuma/Ji” lokten de eerste voorzichtige danspasjes uit, alleen spijtig dat die door de weergoden werden misbegrepen als het begin van een regendans.

Het Amerikaanse trio GRANT LEE BUFFALO (***) kreeg de twijfelachtige eer om gedurende hun ganse optreden te turen naar een muur van regenjassen en paraplu’s. Net zoals vele van hun generatiegenoten uit de 90ies is ook deze bende rond singer-songwriter Grant Lee Phillips na een lange pauze toe aan een reünie in de originele bezetting. Nieuw materiaal zit er nog niet meteen aan te komen, dus hadden Phillips & co hun set maar wijselijk opgehangen aan hun eerste twee succesplaten ‘Fuzzy’ (’93) en ‘Mighty Joe Moon’ (’94). Ondanks de plensende regen hoorden we dan ook weinigen klagen toen “Jupiter And Teardrop”, “The Hook”, “Stars N’ Stripes”, “Mockingbirds” en “Fuzzy” de revue passeerden. Al haalde Phillips niet steeds de hoge noten bij dit laatste nummer, het blijft voor niet-ingewijden een klein mysterie hoe hij met een reeks effectenpedalen de meest beklijvende solo’s en powerchords uit die acoustische gitaar blijft knijpen. Een welkom weerzien dat we graag nog eens overdoen, maar dan zonder dat half emmertje regenwater in de nek.

De versterkers kregen vervolgens een ferme ruk naar rechts bij het aantreden van BLACK BOX REVELATION (****). De tweede Belgische groep van de dag was duidelijk niet onder de indruk van het aanhoudende regenweer, en gooide zich zoals gewoonlijk vol overgave in een stomende set die intussen een pak radiohits op de teller heeft staan.
“High On A Wire”, “Gravity Blues”, “My Perception”, “Never Alone, Always Together” en “I Think I Like You”, allen knalden ze zonder veel franjes uit de speakers. Daar waar genregenoten Triggerfinger zich wel eens durven verliezen in Het Grote Gebaar willen frontman Jan ‘Ik ben geen veelprater’ Paternoster en drummer Dries ‘Animal’ Van Dijck bij voorkeur zo veel mogelijk nummers in een uur persen. Black Box Revelation bewees met verve dat ze de best geoliede tandem in het Vlaamse rocklandschap zijn, en als het aan de Amerikaanse TV host David Letterman ligt ook ver daarbuiten.

De anders zo serene Ayco Duyster leek toch wel een tikkeltje zenuwachtig tijdens haar aankondiging van JOHN HIATT & THE COMBO (****). Met zijn 60 lentes was Hiatt weliswaar de éminence grise van deze editie van het Cactus festival, maar in plaats van een aftandse songsmid zagen we een van meet af aan goedlachse troubadour die geruggesteund door een stel klassemuzikanten vooral ging grasduinen in zijn back catalogue. Dit resulteerde in een bijna anderhalf uur durende set met niets dan hoogtepunten, en daar hoorden ook een paar nummers uit het nagelnieuwe album ‘Dirty Jeans and Mudslide Hymns’ bij. Een bijzonder vitaal ogende Hiatt speelde weliswaar op veilig door vooral terug te grijpen naar succesplaten ‘Bring The Family’ (‘87) en ‘Slow Turning’ (’88), maar het speelplezier droop er zodanig vanaf dat niemand dat de man kon kwalijk nemen. Toen de regen eindelijk eventjes moest wijken voor de ondergaande zon herleefde het festivalgevoel bij een groot deel van het publiek, zeker toen Hiatt & co een pianoloze versie van “Have A Little Faith In Me” en een lang uitgesponnen “Ridin’ With The King” als uitsmijters serveerden. Alle respect voor Yeasayer in beschouwing genomen had dit de perfecte afsluiter voor de zaterdag kunnen zijn.

Het New Yorkse viertal YEASAYER (***) moest toch wat lijdzaam toezien hoe een groot deel van het publiek er met mondjesmaat de brui aan gaf toen het hemelwater weer rijkelijk over het Minnewater park neerdaalde. Terwijl hun eclectische mix van Aziatische wereldmuziek, neo-psychedelica en 80ies pop tijdens vorige optredens deftig op de dansspieren inwerkten hield de menigte zich eerder apathisch op de vlakte. “Ambling Alp”, “Madder Red” en “O.N.E.” zijn geraffineerde en exotisch aandoende popdeuntjes die nu eenmaal beter smaken met een mojito dan met een doorweekt koffiebekertje in de hand. Het publiek kreeg ook een pak nummers uit het nieuw te verschijnen album ‘Fragrant World’ voorgeschoteld, en zoals de nieuwe single “Henrietta” doet vermoeden lijkt het muzikale spectrum van de groep verder op te schuiven richting electronica. In het najaar krijgen Yeasayer fans een herkansing in de AB om één van de meest boeiende groepen uit de Big Apple met droge voeten te bewonderen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/cactusfestival-2012/ (+ dank aan http://www.festivalnoise.be)

Organisatie: Cactus Club, Brugge


 

“Three is the magic number” was het vaste devies van de Amerikaanse underground held Bob Mould telkens hij op het punt stond om in de loop van de muziekgeschiedenis een band uit de grond te stampen. Als zanger/gitarist van Hüsker Dü, een trio dat hij in de prille jaren ’80 vormde met Grant Hart en Greg Norton vanuit thuisbasis Minneapolis, lag hij mee aan de basis van wat een decennium later grunge of indie zou gaan heten. Na het imploderen van het commercieel weinig potten brekende Hüsker Dü haalde Mould een paar jaar later alsnog zijn gram, dit keer als onbetwiste frontman van het powertrio Sugar dat in ’92 de klassieker ‘Copper Blue’ hoog in de eindejaarslijstjes deed belanden. Ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van deze mijlpaal uit de catalogus van het ooit toonaangevende gitaarlabel Creation gaat Mould dit jaar alweer de boer op als trio.

De Bob Mould performs ‘Copper Blue’ tour hield afgelopen zondag halt in de Brusselse AB. Aanvankelijk zou Mould in de grote zaal met de 100 dB geluidslimiet flirten, maar vanwege een tegenvallende voorverkoop werd het uiteindelijk slechts de AB Box die trouwens ook nog flink wat benenruimte op overschot had. Conform de traditie van de rewind formule passeerde ‘Copper Blue’ integraal en volgens de oorspronkelijke tracklist de revue, te beginnen met de uit staal en beton intro van het gruizige “The Act We Act”. Hoe hard zijn jongere kompanen Jason Narducy (bas) en Jon Wurster (drums) ook hun best deden, toch torende de gebiedende stem van een duidelijk goedgemutste Mould al meteen netjes boven hun ‘wall of sound’ uit. Ook met zijn gitaarspel leek alles van meet af aan snor te zitten: hoekig, energiek, beukend, strak maar altijd melodieus zoals in ‘s mans hoogdagen. De set kwam al heel vroeg in een stroomversnelling terecht met “A Good Idea”, ingeleid door een baslijntje dat Kim Deal niet verkocht kreeg bij de Pixies, en het majestueuze “Changes” dat ook zonder de urgente intro het beste nummer uit ‘Copper Blue’ en bij uitbreiding de volledige Sugar catalogus is en blijft.
Sommige nummers op ‘Copper Blue’ kan je bijna bestempelen als pure poprock, maar daar lijken Mould & co twee decennia later maar weinig boodschap aan te hebben.
Zo werd de synth intro van “Hooverdam” al vlug opgeslorpt door een orkaan van snarengeweld, maar door de puike samenzang van Mould en Narducy bleven de decibels toch verteerbaar. Mould wisselde een eerste keer van gitaar bij het relatieve rustpunt “The Slim”. De frontman bewees tijdens dit nummer dat hij na bijna 51 lentes nog steeds tot vocaal hartverscheurende dingen in staat is, en ja, heel even moesten we zelfs aan Hüsker Dü’s “Diane” terugdenken.
Hoe “If I Can’t Change Your Mind” ooit op ‘Copper Blue’ is terecht gekomen is ons nog altijd een raadsel. Een luchtig folkrock riedeltje waar The Byrds in hun tijd nog konden mee wegkomen, dat wel, en niet toevallig heeft deze vreemde eend in de bijt het tot Sugar’s bekendste radiohit geschopt. In de AB kreeg het nummer de Hüsker Dü injectie waar het al die jaren al recht op had, dus ons hoor je niet klagen. Het strakke “Fortune Teller”, nog zo’n uppercut die op een album van Mould’s eerste groep had kunnen staan, en de broeierige bombast van “Slick” en “Man On The Moon” besloten de herontdekking van ‘Copper Blue’.

In tegenstelling tot veel van zijn generatiegenoten teert Mould niet enkel op oude successen, maar levert hij met de regelmaat van de klok nog nieuwe albums af. Het publiek kreeg in de AB een voorproefje van Mould’s volgende solo schijf die komende herfst zal verschijnen. “Star Machine”, “Dissent” en “Round the City Square” klonken vintage Hüsker Dü en Sugar, en werden met de nodige gretigheid de zaal in geslingerd alsof ze al jaren op de setlist van de groep pronken.
Voor de oudere fans die trouwens in behoorlijke getale de weg naar de AB hadden gevonden was het echte orgelpunt van de avond aangebroken toen Mould tot vier keer toe in de catalogus van Hüsker Dü ging grasduinen. We waanden ons heel even terug in de onrustige tienerjaren anno 1985 toen “I Apologize” en “Celebrated Summer” uit het legendarische ‘New Day Rising’ album werden opgediept. Mould & co lieten nagenoeg alle remmen los tijdens de manische brok emocore geschiedenis “Chartered Trips” uit het één jaar eerder verschenen ‘Zen Arcade’. Met de finale encore “Makes No Sense At All” serveerde Mould zijn come-back match uit met een ace.

Elke set die gedurende een klein anderhalf uur geen enkel dieptepunt kent, bulkt van de energie en zijn afspraak met de muziekgeschiedenis niet heeft gemist krijgt van ons steevast het etiket ‘memorabel’ opgespeld. Wie deze afspraak om welke drogreden dan ook toch heeft gemist krijgt straks van Chokri een herkansing. De Amerikaanse indie held gaf te kennen om er dan opnieuw met volle goesting in te vliegen, we hopen van U hetzelfde.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/bob-mould-03-06-2012/

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

White Denim
Ancienne Belgique (Club)
De pret op Pukkelpop 2011 was weliswaar van korte duur, maar duurde uiteindelijk toch lang genoeg om één muzikale ontdekking op de Main Stage te noteren. Ergens vroeg in de middag op die tragische donderdag tekende het energieke viertal White Denim namelijk met de vingers in de neus voor het beste optreden van de dag, en bij uitbreiding, het festival. Op het eerste gehoor zou je dit in Austin, Texas residerend gezelschap gemakkelijkshalve als een retro band kunnen beschouwen, waarvan de leden te lang op een dieet van Allman Brothers Band en Wishbone Ash heeft geleefd. Wie het vorig jaar verschenen opus magnum ‘D’ voldoende luisterbeurten gunt ontdekt naast de onmiskenbare Southern rock feel echter ook verwijzingen naar folk, progrock, psychedelica en godbetert hier en daar zelfs een snuifje country. Hoe vernuftig dit album ook in elkaar steekt, White Denim is bovenal een band die je live moet gaan zien en wiens vibe tot diep in de onderbuik moet kunnen doordringen.

In een matig gevulde AB Club liet het Amerikaanse viertal alvast geen seconde onbenut om het opvallend jonge volkje te overtuigen van hun kunnen. Want als we eerlijk zijn, dan maalt volgens ons weinig of geen mens om de lyrics van White Denim. Nee, de ware aantrekkingskracht van de band zit hem ontegensprekelijk in de muzikale virtuositeit en het bijna atletisch vermogen waarmee de vier heren op elk nummer de spierballen laten rollen. In beste Allmann Brothers of Lynyrd Skynyrd traditie zijn de gitaren van frontman James Petralli en Austin Jenkins zo in elkaar verweven als betreft het één enkel instrument.
Daar waar hun illustere voorbeelden zich echter wel eens durven verliezen in oeverloze jamsessies, schakelt White Denim voortdurend in een hogere of lagere versnelling waardoor het geheel steeds strak, fris en absoluut niet retro klinkt. Het ruim 15 minuten durende openingssalvo waar verschillende nummers uit ‘D’ naadloos in elkaar overgingen liet het publiek op die manier al meteen naar adem happen.
Na een verschroeiend eerste half uur leek de AB Club wel omgetoverd tot een publieke sauna waar je het zweet zo van Petralli’s gitaar zag druipen. De goedlachse frontman blijkt naast een begenadigd gitarist ook een niet onverdienstelijke zanger, al werd zijn stem steevast ondergedompeld in een bad vol reverb en psychedelische echo’s. Tijdens het aan Eagles refererende “Is And Is And Is” en het countryriedeltje “Keys” liet White Denim zich even van zijn meest aaibare kant zien, maar die momenten van relatieve rust waren eerder schaars. Met de in een ijl tempo op elkaar volgende “It’s Him!” en “Burnished” deelde de groep vervolgens twee nieuwe uppercuts van formaat uit met drummer Josh Block in de hoofdrol. Elke vierkante centimeter van ’s mans compacte drumstel werd met achteloos gemak afgedroogd op een manier waar Triggerfinger’s Mario Goossens volgens ons enkel een natte droom aan over houdt.
De eclectische single “Drugs”, die door samenstellers van de Vlaamse radiozenders vakkundig uit de playlists is geweerd, werd tot op het eind van de set opgespaard. Aan de obligate bisnummers hadden Petralli en zijn kornuiten blijkbaar lak, want dat betekent nu éénmaal tijdsverlies. In plaats daarvan werd het anderhalf uur dat de groep van de AB kreeg toegemeten netjes in één lange ruk volgemaakt.

Eens buiten de muren van de snikhete AB Club werden we opgewacht door een horde Netsky fans die, afgaand op de lichtjes in hun pretoogjes, luttele meters verderop in de uitverkochte grote zaal van de AB net het optreden van hun leven hadden meegemaakt. Vermoedelijk vertelde onze blik iets gelijkaardigs over de doortocht van White Denim, en voeg daar gerust maar een open mond en een stijve nek aan toe.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Toegegeven, we zien wel wat radiomakers struikelen over een groepsnaam als Texas Chainsaw Mass Choir, maar ook toen een aantal leden deze band later omdoopten tot het minder tongue-in-cheek White Rabbits bleef het oorverdovend stil op de StuBru’s en Radio 1’s van deze wereld. Met drie albums vol springerige pop onder de arm is het naar New York uitgeweken gezelschap dus goed op weg om het zoveelste goed bewaarde geheim in indieland te worden. Getuigden de eerste twee platen nog van een gezonde fixatie voor grote voorbeelden The Specials en Spoon, met de vorige maand verschenen nieuweling ‘Milk Famous’ maakten White Rabbits de definitieve stap richting een eigen geluid die hen momenteel langs een reeks bescheiden clubs op het Europese vasteland brengt.

In een erg matig gevulde Rotonde van de Brusselse Botanique werden de instrumenten volgens goede DIY traditie door de groepsleden zelf in de juiste plooi gestreken. Geen overbodige luxe trouwens, want de nieuwe single “Heavy Metal” waarmee het zeskoppige gezelschap uiteindelijk aftrapte is zo een nummer waar werkelijk elk detail er toe doet. Met het gelijknamige muziekgenre heeft het niets van doen, wel met een smeltkroes van no wave, punkfunk en psychedelische pop. Neem daarbij nog de ingehouden falsetstem van frontman Stephen Patterson, zelf een hyperkinetische look-alike van Madness opperhoofd Suggs in zijn jonge dagen, en je zat gebeiteld voor een dik uur pop voor meerwaardezoekers die werkelijk geen seconde verveelde.
Live heeft White Rabbits twee of occassioneel zelfs drie gitaristen in de rangen, maar toch kan je de jonge Amerikanen bezwaarlijk een typische gitaargroep noemen. Daarvoor gaan ze conventionele gitaarriedeltjes of Sturm und Drang snarengeweld te bewust uit de weg, en dienen de minutieus afgemeten gitaren enkel om de gaatjes tussen de piano van Patterson en de drumtandem Jamie Levinson en Matt Clark dicht te plamuren. Enkel wanneer Clark de sticks inruilde voor zes snaren tijdens een uitgesponnen versie van het oudje “The Salesman (Tramp Life)” viel de groep even uit haar rol, en leek het podium even te klein voor zoveel jong geweld.
Het publiek zat of stond erbij en keek ernaar, sommigen uit verwondering voor de intensiteit waarmee die jonge gasten de ene na de andere compacte popsong uit hun hoed toverden, anderen uit verveling wachtend op een hit die nooit zou komen. Want voorwaar, met één radiohit op zak zouden wellicht een pak meer deuren open gaan voor White Rabbits. De groep was er al één keer erg dicht bij met het stuiterende “Percussion Gun”, in ’09 goed voor een bescheiden succes in de Alternative Billboard charts, en in een erg bescheiden kring voorlopig de enige cult classic van White Rabbits. Of neem nu het door een droge ritmebox op gang getrokken “Temporary”, wiens onweerstaanbaar baslijntje spontaan solliciteert voor een stekje in de back-catalogue van The Rapture of LCD Soundsystem, en waarvan de temperatuur op een kille lenteavond als afgelopen maandag prompt een paar graden de hoogte in gaat.
Het zestal bedankte de Belgische fans voor hun -zij het karige- opkomst met het nieuwe “Danny Come Inside”, een opzwepende kruisbestuiving tussen punkfunk en experimentele psychopop, en het oudje “Kid On My Shoulders” dat nog steeds duidelijk de calypso handtekening van The Specials draagt.

White Rabbits bewezen vanavond echter dat ze meer dan ooit op eigen benen kunnen staan, nu nog wat dovemansoren aan het radio-firmament wakker schudden en alles komt goed. En nee, toeval bestaat niet, want bovendien heeft Chokri naar verluid nog wat winddichte tentjes te vullen op Pukkelpop.

De avond werd gezellig maar ongevaarlijk op gang getrokken door Another Belgian Band. Nee, I kid you not, in de categorie ‘verzin eens een originele groepsnaam’ heeft dit vijftal al een prijs binnen handbereik. De muziek daarentegen is hooguit charmant te noemen, o.a. dankzij het gebruik van instrumenten met een eerder laag rock’n’roll gehalte zoals klarinet, ukelele, contrabas en klokkenspel. De groep kwam in de Rotonde haar debuut EP voorstellen waarop pop en folk braafjes met elkaar worden verzoend, occasioneel met een uitspatting richting zigeunermuziek, cabaret en chanson. Een tournee langs Belgische en Franse clubs is momenteel hun deel, eeuwige roem bijlange nog niet.

Organisatie: Botanique, Brussel

De Nits - lotgevallen van een vergeten wereldgroep
Het zal Kraantje Pappie en zijn gevolg worst wezen, maar er was ooit een tijd dat The Nits behoorden tot de hipste Nederlandse bands van hun generatie. Wie in de 80ies en early 90ies boven de Moerdijk op zoek ging naar melancholische Nederpop, orkestrale kamermuziek of progressieve kleinkunst kwam steevast uit bij dit Amsterdamse los-vast collectief rond songsmid Henk Hofstede, percussionist Rob Kloet en keyboardwonder Robert Jan Stips. Jarenlang regende het Edisons, Gouden Harpen en nationale popprijzen ten huize Hofstede & co, maar de jongste twee decennia heeft het trio toch flink wat airplay moeten inboeten.
Nu is commerciële aandacht nooit echt een drijfveer geweest voor The Nits. Meer nog, de groepsleden staan er op om “The” uit hun bandnaam te weren om hun eigenzinnige Hollandse roots niet te verloochenen voor gratuit buitenlands succes. Voor De Nits zelf blijven de artistieke gloriejaren gewoon verder duren, en wordt ver buiten het bereik van de commerciële schijnwerpers met de regelmaat van de klok een nieuw album bedacht in hun Amsterdamse hoofdkwartier De Werf.

De halflege theaterzaal van de Gentse Vooruit vormde afgelopen zaterdag het sfeervolle decor voor de jongste zaalshow van het Amsterdamse trio, dat met ‘Malpensa’ net haar 21ste studioalbum uit heeft. De titel verwijst naar de internationale luchthaven van Milaan, maar ook andere wereldlijke oorden hebben op de één of andere manier bijgedragen tot de sfeer op de nieuwe plaat. Fans van De Zevende Dag op zondagmorgen kennen ongetwijfeld reeds “Five Fingers”, de op een Egyptische folkbeat drijvende nieuwe single waarmee de set avontuurlijk werd geopend.
Ondanks de 38 (!) dienstjaren van Hofstede als minzame frontman van De Nits zijn bij de Amsterdammer nog maar weinig sporen van enig communicatief verval te merken. Gestoken in een te groot zwart maatpak en dito deukhoed vertelt de globetrotter in Hofstede honderduit over zijn reisverhalen, waarin hij graag een al dan niet fictieve hoofdrol voorziet voor zijn muzikale helden. Zo komt Joni Mitchell in “Home Before Dark” als enige klant langs Hofstede’s denkbeeldige tankstation in een godverlaten Amerikaans stadje. Of vinden zijn fascinatie voor melancholische treurwilgen en The Beatles elkaar in “Nick In The House Of John”, het surrealistische verhaal over Nick Drake die ronddwaalt in de leegstaande parelwitte villa van John Lennon na diens emigratie naar The Big Apple. Maar evengoed kan ook Nederland’s enige rock’n’roll animal Herman Brood op de stille bewondering van de Nits frontman rekenen. Die paar dagen ooit samen op tournee in Berlijn worden op het nieuwe album herdacht met het Duitstalige “Schwebebahn”, een muzikale kwinkslag geïnspireerd door Trio’s “Da Da Da” tegen een achtergrond van welgemikte zwart-wit projecties op twee veelhoekschermen.
De Nits vormen niet enkel een muzikaal vehikel voor Hofstede’s verhaaltjes, maar bieden tevens een thuis voor een aantal rasmuzikanten. Dat er op het podium ook visueel iets te beleven valt is grotendeels de verdienste van het inventieve percussiewerk van Rob Kloet; de man aanspreken als de drummer van de groep is dan ook een regelrechte belediging voor de neo-zestiger. De tandem Hofstede-Kloet werd in de Vooruit voorts versterkt door de boomlange Laetitia van Krieken, die voor de gelegenheid de geblesseerde Stips verving en met haar fraaie engelenstem wat extra dramatiek toevoegde aan de meer intimistische nummers.
In het eerste deel van de set kozen The Nits vooral voor recenter en dus minder bekend werk, en moest het publiek het stellen met het vrolijke anti-voetbal lied “J.O.S. Days” en de ingetogen pianosymfonie “Cars & Cars” als enige radiohits. Wie tijdens de pauze een Duvel achterover sloeg werd bij aanvang van het tweede deel van de set echter net niet in slaap gewiegd in de fluwelen zeteltjes. “Jazz Bon Temps’ en “Blue Things” zijn op zich wel genietbaar, maar kabbelden wat te braafjes voorbij om de set echt boeiend te vervolgen. Net op tijd greep van Krieken naar de accordeon om een magistraal “Adieu, Sweet Bahnhof” in te zetten, onmiddellijk gevolgd door de eerste echte Nits hit “Nescio” die ondertussen net geen 30 kaarsjes mag uitblazen.
Ook tijdens de twee bisrondes ging het feest der herkenning gewoon verder met “The Bauhaus Chair”, het onvermijdelijke “In The Dutch Mountains” waar Hofstede ongedwongen publieksparticipatie vroeg en kreeg, en een in bloedrode spots gedrenkt “Sketches Of Spain” waarmee de bijna twee uur durende set werd uitgewuifd.

Dat het publiek uitgerekend op Record Store Day maar met mondjesmaat de weg vond naar de Vooruit is best wel pijnlijk voor een groep die altijd veel aandacht heeft besteed aan haar artwork. Wie Kraantje Pappie al na een halve luisterbeurt beu is weet dus volgende keer waar naar toe.

Neem gerust een kijkje naar de pics van de set in de Roma, Antwerpen (een dag eerder)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/nits-20-04-2012/

Organisatie Culturavof, Kasterlee + Vooruit Gent

Sinds zijn inauguratie tot prominent lid van de Next Dylan Club ergens vroeg in de jaren ’70 heeft de voormalige Rolling Stone journalist Elliott Murphy zich langzaam maar zeker zelf ontpopt tot een stijlicoon voor een hele trits singer-songwriters en indie bands. Maar zoals vele iconen van over de grote plas is ook Murphy nooit sant in eigen land geweest. In Europa kan hij daarentegen reeds decennia lang rekenen op een hondstrouwe aanhang, waardoor de man op zijn oude dag nog een stuk of 100 optredens per jaar weet te versieren.
Wie Murphy op Belgische bodem aan het werk wil zien heeft helemaal geen excuus om de man te mislopen. De gerenomeerde singer-songwriter ruilde een hele tijd terug de Big Apple voorgoed in voor de Franse lichtstad, dus in minder dan een oogwenk staat hij met de Thalys op Belgische bodem voor op zijn minst een paar optredens per jaar.

Op het podium hebben Elliott Murphy en zijn eeuwige hoed een onberispelijke staat van dienst, en dat was afgelopen vrijdag in de aardig volgelopen Orangerie van de Botanique niet anders. Het werd een uiterst ontspannende avond waar speelplezier, geestige bindteksten en eerlijke songs bijna twee uur lang de hoofdrol opeisten. Dat Murphy uitgerekend die dag 63 kaarsjes mocht uitblazen maakte het voor iedere aanwezige een waar voorrecht om op ‘s mans eigen birthday party aanwezig te zijn.
De vele jaren on the road hebben de Franse Amerikaan een pak levenswijsheid bijgebracht die hij als geen ander in grappige quotes weet om te zetten. Zijn cynische dankbetuiging aan de Franse regering voor het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd leek ons één van de meest gevatte quotes van de avond. Dankzij Sarkozy & co kan Murphy immers nog een aantal jaar langer officieel aan de slag blijven, en zowaar, voor één keer onthield zelfs het vakbondsfront zich van elk commentaar.
Wie de tekstvellen van Murphy er op naslaat komt keer op keer tot de conclusie dat de man tot één van de meest veelzijdige singer-songwriters van zijn generatie dient te worden gerekend. De van melancholie doortrokken filosoof in “Jet-Lag” en “You Don’t Need To Be More Then Yourself”, de naïeve romanticus in “The Best Kiss” en “Take That Devil Out Of Me” of de primitieve rocker in “Last Of The Rock Stars” waar een flard “Shout” achteraan holde, allen passeerden ze de revue.
Niet elke bevlogen singer-songwriter is daarom ook een groot entertainer, maar in de persoon van Murphy gaan beiden wonderwel samen. Vergezeld van zijn vaste begeleidingsband The Normandy All Stars zorgde hij steevast dat er altijd wel iets te beleven viel op het podium. Zo zette hij samen met zijn maats tijdens het feelgood deuntje “Rain, Rain, Rain” een karikaturaal ZZ Top dansje in, of schurkte hij in de beste traditie van Neil Young & Crazy Horse dicht tegen zijn gitarist Olivier Durand aan op het ontstuimige “Take Your Love Away”.
In Durand heeft Murphy zowel op als naast het podium een trouwe sidekick gevonden. Beiden durven al eens samen een song schrijven, maar bovenal is de Fransman een meestergitarist van een uitzonderlijk kaliber die de schrijfsels van Murphy een potige rockinjectie toedient. Op “Everything I Do (Leads Me Back To You)” mocht Durand zelfs heel eventjes de plaats innemen van Springsteen, die dit nummer samen met diens vriend en generatiegenoot Murphy ergens midden jaren ‘90 inblikte voor het meesterlijke ‘Selling The Gold’ album.
Toen Murphy & co met het ruim 35-jaar oude “Diamonds By The Yard” het eerste deel van de set afsloten twijfelde geen kat er aan dat het feestje lang nog niet over was. De bezwete hoed was intussen vervangen door een versgestreken bandana toen het grappige “Come On Louann” de bissen op gang trok. Een unplugged versie van “Rockin’ In The Free World” leverde vervolgens een leuk kampvuurmoment op, maar het was vooral een doorleefd “Green River” dat de grootste indruk maakte.

Een deel van het publiek stond al een zuurverdiende pint te bestellen aan de bar toen de groep alsnog een laatste salvo loste. Het oudje “Drive All Night” ging naadloos over in het Easy Rider anthem “Born To Be Wild”, een slotstatement die we de Old Dylan nog niet zo direct zien maken. Vorst Nationaal of het Sportpaleis haalt Elliott Murphy waarschijnlijk nooit meer, de geschiedenisboeken als beste New Dylan ooit wellicht wel.

Organisatie: Botanique, Brussel  

Minneapolis, Mon Amour: het zou een songtitel van Stijn Meuris kunnen zijn, maar het is bovenal een fraaie AB concertreeks die de spotlights richt op één van de belangrijkste epicentra van de Noord-Amerikaanse alternatieve rock scene. The Trashmen, The Replacements, Hüsker Dü, Soul Asylum, Babes In Toyland, Semisonic,...: iedere zichzelf respecterende rockadept weet intussen dat er iets bijzonders in het water van de City of Lakes zit. In bovenstaand rijtje passen ook The Jayhawks, een groep die zoals alle goede dingen in het leven in verschillende versies bestaat. Met zanger/gitarist Mark Olson aan boord was de band in de early 90ies verantwoordelijk voor een revival van de close harmony folkrock, zonder Olson werden The Jayhawks langzaam maar zeker een stuurloos schip onder het bevel van de overgebleven sterkhouder Gary Louris.
Een paar jaar terug kruisten Olson en Louris terug elkaars muzikaal pad, en voor ze het goed en wel door hadden , bevonden ze zich samen met een aantal andere originele Jayhawks kompanen in de studio om een nieuw album in te blikken. ‘Mockingbird Time’ is duidelijk meer dan een fraaie reünieplaat geworden, ze laat bovenal horen dat de tandem Olson-Louris nog een flink eindje kan meefietsen met de Fleet Foxes van deze wereld.

The Jayhawks kregen afgelopen dinsdag de eer om Minneapolis, Mon Amour op passende wijze af te sluiten, maar de diesel van Olson en Louris was duidelijk nog niet warm gelopen toen een slordig en futloos “Wichita” uit hun magnum opus ‘Hollywood Town Hall’ (‘92) werd ingezet. De elektrische gitaar van Louris miste de nodige punch en ook bij Olson was enige bevlogenheid aanvankelijk ver te zoeken. Na een middelmatig “Take Me With You (When You Go)” vreesden we zelfs heel even dat de mot er voor de rest van de avond zou blijven inzitten, ook al omdat de rest van de groep een bezadigde indruk gaf.
Eigenaardig genoeg keerde het tij pas bij de nummers uit de nieuwe plaat ‘Mockingbird Time’, zoals “Closer To Your Side” en het bescheiden radiohitje “She Walks In So Many Ways”. Voor het eerst zat de close harmony tussen beide frontmannen echt goed en deden ze hun reputatie van folkrocking Everly Brothers alle eer aan.

Geen mens die echter nog maalde om de valse start toen een heerlijk melancholisch “Blue” uit de boxen rolde. Met voorsprong de beste single die The Jayhawks op hun geweten hebben, en ook in de AB goed voor één van de hoogtepunten van de avond. De groep hield dit momentum vast met het innemende “No Place”, één van de oude Mystery Demos die vorig jaar aan de reissue van ‘Tomorrow The Green Grass’ werden toegevoegd. Met de nieuwe songs “Tiny Arrows” en “Black-Eyed Susan” bewezen Olson & Louris bovendien dat ze ook anno 2012 in de back catalogues van Flying Burrito Brothers, Byrds en Buffalo Springfield nog steeds genoeg ingrediënten vinden om hun eigen tijdloze countryfolk te brouwen. Klassieke oudjes als “I’d Run Away” en “Two Hearts” moesten qua spankracht en souplesse het zelfs afleggen tegen het nieuwe werk.
De gezapige countryboy Olson en de overgeconcentreerde Louris kon je de ganse set door moeilijk beschuldigen van overdreven enthousiasme. Daarvoor waren hun bindteksten immers te bescheiden en kleurden hun gitaren te weinig buiten de lijntjes om de overigens goed gevulde AB echt te doen vonken. Helemaal op het eind van de set vielen beide heren toch één enkele keer uit hun rol. Toen de guitige Chuck Prophet de rangen kwam vervoegen tijdens het obscure gospelcountry niemendalletje “Up Above My Head” waanden we ons heel even in de evangelische kerk, met Olson in de rol van publieksmennende predikant.

Tijdens de bisronde kregen zowel drummer Tim O’Reagan als Olson elk een vrijgeleide om met respectievelijk “From Tampa To Tulsa” en “How Can I Send Tonight (There To Tell You)” één van hun eigen schrijfsels te brengen. Oerdegelijke nummers, dat wel, maar het publiek bleef toch halsreikend uitkijken naar meer radiovriendelijk voer. Dat kwam er ook, met “Waiting For The Sun” en het van Grand Funk geleende “Bad Time” waarmee het doek definitief viel over Minneapolis, Mon Amour.
The Jayhawks daarentegen zijn, op grond van hun knappe come-back plaat, nog niet aan het einde van hun Latijn maar kunnen op het live front wel een dosis spierversterkende middelen gebruiken.


Opwarmer van dienst Chuck Prophet is voor vele Jayhawks fans ongetwijfeld een oude bekende. Sinds het verscheiden van Green On Red leverde de robuuste singer-songwriter een trits indrukwekkende soloplaten af die net als het werk van Olson en Louris stevig geworteld zijn in de Amerikaanse rock, country en folk traditie. Zonder zijn begeleidingsband The Mission maar met het nagelnieuwe album ‘Temple Beautiful’ onder de arm, opende een goed gemutste Prophet met “Let Freedom Ring”. In tegenstelling tot zijn makkers van The Jayhawks kreeg Prophet meteen de juiste live vibe te pakken, en stond die tijdens zijn halfuur durende set eigenlijk nooit meer af.
We noteerden “The Left Hand And The Right Hand” en “I Felt Like Jesus” als knappe nieuwe songs, maar het meest beklijvende moment had de Amerikaan opgespaard tot helemaal op het eind. Uit de vergeten parel ‘Age Of Miracles’ (‘04) diepte hij het funky ingekleurde “You Did (Bomp Shooby Dooby Bomp)” op, waarmee Prophet het duffe en kleurloze imago van het singer-songwriter metier met de nodige zin voor avontuur van tafel veegde. Nu enkel nog hopen dat de organisaties van Cactus en Dranouter ook meelezen, en het wordt weer een schitterende festivalzomer.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

 

De titel van Ierland’s meest extravagante muzikale exportproduct kan eigenlijk maar naar één man gaan. Als voormalig frontman van het ongecontroleerde gothpunk collectief Virgin Prunes liet Gavin Friday reeds vroeg in de 80ies zijn uitgesproken liefde voor het theatrale en filmische al duidelijk blijken, maar eens op het solo pad kreeg de cabaretier in Friday pas echt vrij spel. Na een reeks fraaie solo albums en een soundtrack hit met boezemvriend Bono voor het aangrijpende epos ‘In The Name Of The Father’ blonk de Ier de jongste vijftien jaar echter vooral uit in afwezigheid. In de luwte kreeg de artistieke duizendpoot in Friday zijn schaapjes weliswaar vlotjes op het droge als filmcomponist en als artistiek adviseur van U2, maar stiekem hoopten liefhebbers van het betere levenslied al jaren op een echte terugkeer van hun idool.
Vorig jaar kwam dan eindelijk het verlossende woord met de release van ‘catholic’, ’s mans eerste liedjesalbum sinds ’95. Een eerder bescheiden return-to-form, zo bleek, maar belangrijker was de vaststelling dat de flamboyante Ier tijdens het afgelopen Crossing Border festival zijn kunstjes nog niet had verleerd.

Tijdens de laatste halte op hun Belgische driedaagse die eerder al Hasselt en Leuven (zie de livereviews ndl en fr op de site) aandeed lieten Friday en zijn vijf kompanen afgelopen zaterdag ook de Gentse Handelsbeurs vlotjes vollopen. Vooraan op het podium een tafel en stoel, een paar glimmende glazen, de obligate fles wijn en een dampende kop thee als vaste attributen, vanuit de achtergrond klonk een onheilspellende avondklok die meteen de juiste dramatische toon zette. Van enige rustige vastheid die je bij een vijftiger met een indrukwekkende staat van dienst zou kunnen verwachten was bij aanvang helemaal geen sprake.
De groep nam een ongemeen venijnige Sturm und Drang start met de Virgin Prunes classic “Caucasian Walk”, het nieuwe “Where’d Ya Go? Gone” sloot daar wonderwel naadloos op aan, en een als “Next” vermomde eigen interpretatie van Brel’s “Au Suivant” sloot het indrukwekkende openingsrijtje af.
Friday zelf zag er met zijn zwart ooglapje aanvankelijk vrij vervaarlijk uit. Hij verkende meteen alle uithoeken van het podium, en nam al marcherend, staand, zittend, knielend of gehurkt zowat alle denkbare poses aan om het publiek doorheen gans het optreden secuur te observeren. De Ier verkeerde als vanouds in bloedvorm, wat hij trouwens ook voor een stuk te danken had aan zijn uitstekende begeleiders waaronder met name celliste Kate Ellis gerust de tweede ster van de avond kon genoemd worden.
Na de misschien wel wat te luide start ging de kurk van de fles en werd Friday steeds spraakzamer. Hij vrijde het publiek op met complimentjes over onze biercultuur, stak de draak met pedofiele priesters die een opmerkelijk gemeengoed blijken te zijn van België en Ierland, maar uitte even goed zijn bewondering voor Jacques Brel. De stap van een Grote Belg naar een Grote Ier was hiermee vlug gezet. Het van zijn illustere landgenoot Oscar Wilde geleende “Each Man Kills The Thing He Loves” gaf destijds de titel aan Friday’s solo debuut, en geldt nog steeds als één van zijn allermooiste chansons noires. Samen met een al even indrukwekkend “Apologia” zorgde dit epos over dood en verlies zonder meer voor één van de meest beklijvende kippenvelmomenten in de set.
Naast Brel en Wilde staan ten huize Gavin nog een pak andere helden op de schouw te pronken. Ter inleiding van het poppy “King Of Trash” mijmerde Friday terug naar die ene magische Top Of The Pops aflevering waarin hij net niet verliefd werd op Marc Bolan, die net als de Ier een extraverte levensgenieter was maar zoals bekend op een dag met de verkeerde chauffeur de baan op ging. In “Caruso” herkende Friday dan weer de eerste popster van de 20ste eeuw. Hij mag dan wel geen partij zijn voor de legendarische Italiaans tenor qua stemtimbre, beide heren vinden elkaar wonderwel als het op Shakespeariaanse dramatiek en pathos aankomt.
Maar het moet gezegd zijn, tussen al dat moois uit de eerste drie solo albums vielen de nummers uit de jongste worp ‘catholic’ doorgaans toch wat te licht uit. De nieuwe songs kabbelden rustig voorbij maar deden nergens haartjes rechtop staan. Enkel het vederlichte “Blame” werd van de nodige emotionele weerhaakjes voorzien, niet in het minst omdat Friday er de vertroebelde relatie met zijn overleden vader uit de doeken deed. De spreekwoordelijke krop in de keel werd echter prompt weggespoeld met de bescheiden radiohit “I Want To Live”. Tijdens het bijzonder funky maar te lang uitgesponnen “Angel” maakte Friday een gezondheidswandelingetje door de zaal, maar bewees hij wel met verve dat zijn verwijfde falsetstem na 52 lentes nog steeds behoorlijk intact klinkt.

In de bisronde liet Friday opnieuw enkele van zijn muzikale stokpaardjes aandraven. Met “Five Years” haalde de Ier nog eens het beste glamrock album ooit op naam van David Bowie en diens ‘Spiders From Mars’ van onder het stof, en Grote Belg Brel passeerde zowaar een tweede keer met “Port Of Amsterdam”. Tussendoor flirtte Friday met een (uiteraard) vrouwelijke fan die het net als hij zonder Valentijnsgeschenk had moeten stellen, waarop een koppel rode rozen in beide richtingen prompt van eigenaar veranderden.

De flamboyante ladiesman kreeg uiteindelijk waar hij al bijna twee uur lang subtiel naar hengelde: een staande ovatie. En eerlijk, we gunnen het hem op een manier meer dan zijn boezemvriend Bono. Op de stoep bij Mr. Friday vallen nu eenmaal geen goedkope slogans te rapen, wel diepgravende observaties over zijn eigen heilige drievuldigheid: liefde, sex en de dood. Amen!

Neem gerust een kijkje eerder naar de pics Muziekodroom, Hasselt
http://www.musiczine.net/nl/fotos/gavin-friday-15-02-2012/

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

vrijdag 03 februari 2012 01:00

S.C.U.M: le nouveau shoegaze est arrivé

S.C.U.M - Ancienne Belgique (Club)
Afgekorte groepsnamen hebben iets mysterieus. Geoefende (muziek)kwisfanaten zien er een spielerei in om de volledige naam in een mum van tijd uit te braken, maar voor de band in kwestie draaien ze meestal rond een soort mission statement die integraal deel uitmaakt van hun imago. In navolging van niet onverdienstelijke voorgangers als R.E.M., D.R.I en N.W.A. probeert nu ook het Londense gezelschap S.C.U.M (for the record: zonder puntje na de M) op die manier een pagina in de muziekencyclopedie te versieren. Met het ‘Society for Cutting Up Men’ manifest van de Franse feministe Valerie Solanas als inspiratiebron voor hun groepsnaam geeft dit vijftal niet enkel te kennen nu en dan een controversieel literair werkje achterover te slaan, ook op muzikaal gebied is er een arty kantje te bespeuren.
Het vorig jaar verschenen S.C.U.M debuut ‘Again Into Eyes’ is wat men noemt een ongrijpbaar album, op zich niet ongewoon als je weet dat de groep onderdak heeft gevonden bij het eigenzinnige Mute Records label. Wel ongewoon voor een jonge Engelse band is dat hun geluid niet onmiddellijk referenties oproept aan een trits andere bands. Vele critici stoppen S.C.U.M gemakkelijkshalve in het shoegaze hokje, maar evenzeer zijn er ankerpunten met de postrock, postpunk, gothic, electrowave of zelfs krautrock.

In thuisland England gaat het intussen crescendo met hun populariteit, maar voor de maiden trip op Belgische bodem moest S.C.U.M echter vrede nemen met een halfvolle AB Club. Geen nood, vanaf de epische opener “Days Untrue” werd duidelijk dat de groep zelfs voor twee man en een paardenkop het volle Britse pond zou geven. Badend in een kaleidoscopische lichtgloed namen twee keyboards vlotjes de rol over van de gitaren die gewoonlijk de scepter zwaaien in de doorsnee shoegaze band. Naast de onderkoelde stortvloed aan synthklanken die over zowat elk S.CU.M nummer wordt uitgekieperd vormt de creepy grafstem van Thomas Cohen hét handelsmerk van de band. De tengere frontman is geen familie van opa Leonard, maar elders in de groep zijn wel een paar interessante muzikale familiebanden te vinden. Zo blijkt keyboardspeler Samuel Kilcoyne de zoon van Barry 7, medeoprichter van het geschifte electrocombo Add N To (X), en heeft bassist Huw Webb een broer rondlopen bij The Horrors. Alhoewel Cohen & co te kennen geven dat hun iPods vooral door Throbbing Gristle en Liars worden geterroriseerd zijn hier en daar trouwens wel wat invloeden van The Horrors in het repetitiehok van S.C.U.M binnengeslopen. De nieuwe single “Faith Unfolds” zou bijvoorbeeld niet misstaan als bonus track op het opus magnum van The Horrors ‘Primary Colours’.
Met slechts één album onder de arm beschikte de groep over net te weinig songs om een gans concertuur te vullen, maar de toegemeten tijd werd door S.C.U.M ruimschoots benut om een paar hoogtepunten te scoren. Tijdens het woeste “Amber Hands” kregen de gitaren voor één keer toch de bovenhand op de synths. Wie het ooit heeft aangedurfd om een album van Spacemen 3 te beluisteren kan zich wellicht het best inbeelden welk hallucinant sfeertje er tijdens dit nummer in de zaal rond hing. Niet alles draaide echter rond decibels en georchestreerde kakafonie, ook als er even gas werd terug genomen zoals tijdens het pastorale “Sentinal Bloom” bleef de groep indruk maken. Afsluiter “Whitechapel” werd opvallend voortgestuwd door een averechtse disco beat van drumster Melissa Rigby; het kind lijkt qua styling wel geknipt voor de betere Engelse kostschool maar heeft blijkbaar toch genoeg gespijbeld om haar drumkit met kennis van zaken te geselen.

Zoals het een eigenzinnige Engelse band met zin voor mysterie betaamt kreeg het publiek er ondanks stevig aandringen geen encores bovenop. Het moeilijke tweede album of de aangekondigde strijd tussen bevestigen of ontgoochelen wacht het jonge gezelschap nu op. En ja, nu The Horrors langzaam maar zeker richting mainstream evolueren gunnen we S.C.U.M maar wat graag het vrijgekomen plaatsje onder de spotlights.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 11 van 18