logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Janez Detd. - D...
Hooverphonic - ...
Geert Huys

Geert Huys

Lavvi Ebbel , Flesh & Fell
4AD
Diksmuide


Al wie zin had in een rondje Belpop nostalgie moest afgelopen vrijdagavond afzakken naar de ruimdenkende 4AD club voor een unieke dubbelaffiche. Met Lavvi Ebbel en Flesh & Fell deelden twee ronkende namen uit de vaderlandse muziekgeschiedenis medio de jaren ‘80 het podium in Diksmuide, met als ultieme opdracht te bewijzen dat nostalgie geen moeilijk woord is voor oubollig.

Van het oorspronkelijke duo Pierre Goudesone en Cathérine Vanhoucke dat Flesh & Fell eerst in heimat Oostende en vervolgens vanuit Brussel op de muzikale kaart zette blijft anno 2014 enkel de mannelijke helft over. In de nieuwe zangeres Laurence Castelain en gitarist Laurent Stelleman heeft Goudesone intussen twee nieuwe muzikale trawanten gevonden om new wave festivals en muziekclubs mee af te schuimen.
Het muzikale handelsmerk van Flesh & Fell is en blijft geschoeid op een combinatie van donkere electro en ijle gothrock, een formule die aanvankelijk met de openers “Tipsy” en “Something In Between” amper boven de middelmaat uit stak en wat ons betreft wat verkeerdelijk knipoogde naar Vive La Fête. Toen Goudesone tijdens “LSD” een hippe trancebeat uit zijn beatbox opdiepte en Castelain hard haar best deed om een ‘femme fataleke’ neer te zetten waren we plots wel bij de les. Dit klonk als The Knife zonder stemvervorming maar met ballen, meteen een bewijs dat de intussen rotervaren producer Goudesone zich wel bewust lijkt van wat de hedendaagse acts in zijn actieradius allemaal uitvreten. Het kon ook echt traag met het naar chanson neigende “Suicide Hero”, waar Castelain de beste personificaties van Siouxsie Sioux en Jo Lemaire naar boven haalde.
Naast nummers uit hun pas vorig jaar (!) verschenen titelloze debuut zijn er drie songs uit de 80ies waar Flesh & Fell live niet omheen kan. Met de pittige electronic body music van “Hunger” en “The Wind” heeft de groep destijds zonder het goed en wel te beseffen een embryonale versie van new beat ingeblikt, met dat verschil dat die singles toen voor geen meter verkochten. Het bijna-radiohitje “Emma”, een fraaie industrial remake van de Hot Chocolate tearjerker, heeft intussen toch eerherstel gekregen op de ‘Belpop 1986’ compilatie en werd ietwat voorspelbaar tot op het eind van de set opgespaard.
Ondanks het feit dat vele van hun songs erg verankerd zitten in de 80ies bleef Flesh & Fell v2.0 stevig overeind, en kan de band wellicht nog wel een paar jaartjes verder aan de bak in het revival en rewind circuit.

Een feest was de set van Flesh & Fell niet, maar dat hoefde ook niet wanneer je als opwarmer dient voor een prettig gestoorde partyband als Lavvi Ebbel. Tussen 1977 en 1983 groeide deze tienkoppige bende uit Aalst met steeds groter succes uit tot één van de meest originele en spraakmakende new wave bands te lande, met als kers op de taart een plaats op de affiche van het Seaside festival editie ’82 aan de zijde van o.a. The Sound en Simple Minds.
Na 30 jaar freewheelen op een hectisch parcours als acteur, journalist, politicus, reportagemaker en docent riep de welbespraakte frontman Luckas Vander Taelen vorig jaar zijn voormalige troepen terug bijeen voor een nieuw offensief langs Vlaamse culturele centra en clubs. Nog voor er één noot uit de speakers knalde was het overduidelijk dat de flamboyante zanger/entertainer en zijn zeven metgezellen er verschrikkelijk veel goesting in hadden. ‘Eigenzinnig’ en ‘tegendraads’ waren drie decennia terug al adjectieven die Lavvi Ebbel als gegoten zaten, en dat blijft zo anno 2014. Tegen alle ongeschreven regels van elke setlist in gooide de groep reeds vanaf het eerste nummer al haar troeven op tafel met hun all-time classic “Victoria”. De temperatuur in de aardig gevulde maar verre van uitverkochte 4AD ging prompt een pak sneller dan voorzien de hoogte in. Stilstaan was dan ook geen optie toen bleek dat de kenmerkende cocktail van een strakke funkbeat, averechtse gitaren, een goedkoop orgeltje en een roodgloeiende eenmansblazerssectie na al die jaren nog geen nood heeft aan welke smaakversterkers dan ook.
Doorheen de set zou het trouwens steeds duidelijker worden dat de lichtontvlambare potpourri van punkfunk, ska en new wave moeiteloos aansluiting vindt bij een pak bands die nog niet zo gek lang geleden als ‘the next big thing’ werden bestempeld: LCD Soundsystem of The Rapture anyone? Meer gedateerd zijn wellicht een paar van de ideologieën die Lavvi Ebbel ooit in songs hebben gegoten. Grappig genoeg lijkt de immer gevatte Vander Taelen de eerste om dat toe te geven door welgemikte oneliners kwistig in het rond te strooien. Als inleiding voor het slepende “No Place To Go”, het eerste serieuze visitekaartje dat de groep in ’80 afleverde voor de intussen legendarische Belpop verzamelaar ‘Get Sprouts’, herinnert hij het publiek ludiek aan de tijd dat banken als BNP Paribas (in die tijd vermomd als de ASLK) nog platen uitbrachten. Als inspiratiebron voor dat nummer ging de groep toen overigens muzikaal te rade bij de al even politiek incorrecte Gang Of Four. Het kon veteraan en multi-instrumentalist Kloot Per W als vervanger van wijlen Francis Gheys wellicht allemaal worst wezen; de ‘keizer van Tervuren’ toverde met sprekend gemak een gortdroge baslijn tevoorschijn alsof hij die ter plaatse zelf had uitgevonden.
Lavvi Ebbel mag dan wel zijn opgegroeid in jaren van sociale onrust, toch werd het leven doorgaans door een roze bril bekeken. Tijdens uptempo songs als “Out Of The Blue”, “On The Telephone”, “Desire” en “Stand Up And Fight” leunde de groep dicht aan bij de party vibe van The B-52’s, inclusief de bijhorende spastische danspasjes en Mr. Bean-achtige mimiek van Vander Taelen. Weinig democratisch verkozen parlementsleden zouden er mee wegkomen, maar slotnummer “Give Me A Gun” klonk in Diksmuide warempel even naïef en oprecht als de versie die 32 jaar geleden op de nietsvermoedende jeugd werd losgelaten.
Het feestje was toen eigenlijk al compleet, en tijdens de encores leek niemand uit het publiek dan ook bezwaar te hebben tegen een reprise van “Victoria” en de punky reggae van “U And Me”. Een overtuigender bewijs van het feit dat Lavvi Ebbel een paar tijdloze nummers op haar geweten heeft die je nooit beu wordt kunnen we momenteel echt niet verzinnen.

En wat de toekomst van deze dolle bende vijftigplussers betreft zien we echt geen reden waarom Luckas Vander Taelen zijn groen pluche parlementszetel niet stante pede zou inruilen voor een tweede jeugd op de planken. Het mensdom zou er even wel bij varen.


Organisatie: 4AD, Diksmuide

Met een vader als Barry Andrews, mede-oprichter van hippe Engelse artrock bands als XTC en Shriekback, leek het enkel een kwestie van tijd vooraleer ook zoonlief Finn zijn eigen groepje uit de grond zou stampen. Als bezieler van The Veils werd de naar Nieuw-Zeeland geëmigreerde jongeling een grote toekomst voorspeld ten tijde van de fraaie debuutplaat ‘The Runaway Found’ (‘04), maar de grote meute hapte uiteindelijk niet toe. Na vier albums en een handvol EPs vol broeierige gitaarpop blijft Finn Andrews wat hangen in de schemerzone tussen alternatief en mainstream, een biotoop dat hem als intelligente romanticus overigens prima lijkt te bevallen.
Vorig jaar liet de groep Pukkelpop nog jammerlijk links liggen ten voordele van Lowlands. Met een aantal maanden vertraging én vier jaar na hun vorige doortocht kregen The Veils afgelopen woensdagavond met de Orangerie van de Botanique toch ei zo na opnieuw een Belgische zaal volledig gevuld.

The Veils werden bij hun eerste stappen richting podium opvallend enthousiast onthaald, waarop de groep gevat antwoordde met het epische “Train With No Name” en het nog steeds okselfrisse oudje “Calliope”. ‘It’s good to be back’ liet de goedlachse frontman met de eeuwige zwarte deukhoed optekenen, en dat was niet eens gelogen. De avond ervoor had de groep immers nog een show moeten cancelen wegens stemproblemen, maar wonderbaarlijk genoeg bleek de vibrerende strot van Andrews amper een dag later terug redelijk intact. Vocaal refereert de frontman beurtelings aan wijlen G.W. McLennan van The Go-Betweens en Starsailor opperhoofd James Walsh, twee collega’s die net als Andrews niet vies zijn van een streepje weltschmerz. Voor de zes metgezellen van Andrews, waaronder een bevallig duo strijkers, leek er geen plaats weggelegd in de spotlight. Andrews = The Veils, zo leek het wel, aangevuld met wat sessiemuzikanten die zich gedwee in de schaduw van de frontman nestelden.
Aanvankelijk stonden redelijk wat nummers uit hun laatste en meest gestroomlijnde worp ‘Time Stays, We Go’ op de setlist. “Birds”, “The Pearl”, “Sign Of Your Love” en “Out From The Valley & Into The Stars” behoren dan wel tot het traagste materiaal op die plaat, live kregen ze een serieuze trap onder de kont en werkten de erg goed op elkaar ingespeelde muzikanten steevast naar een broeierige climax toe. Niet alle nieuwe nummers dreven trouwens op subtiele arrangementen. Met de opzwepende single “Through The Deep, Dark Wood” bewezen The Veils dat ze evengoed met sprekend gemak een potige rocker uit hun mouw kunnen schudden die om onbegrijpelijke redenen de radio niet heeft gehaald.
Nog spannender werd het toen de groep ging grasduinen in wat ouder materiaal uit het voorlopige magnum opus ‘Nux Vomica’ (‘06), en met verve bewees dat deze passage uit hun back catalogue moeiteloos overeind blijft. Drijvend op een zompig bluesrock rifje bloeide “Not Yet” open tot een explosief nummer waar Nick Cave zowaar een spreekwoordelijke ‘red right hand’ kwam toesteken. Diezelfde Cave inclusief zijn Bad Seeds waren ook nooit veraf tijdens het dreigende titelnummer “Nux Vomica”. De anders redelijk goedlachse Andrews liet hier plots het manische rockbeest in zich los; reken daarbij nog de broeierige combinatie van een onheilspellend orgel en messcherpe gitaaruithalen en je hebt nog steeds een van de meest intrigerend buitenbeentjes in het oeuvre van The Veils.
Het was vervolgens intimiteit troef tijdens de eerste encores, waarbij Andrews solo en enkel gewapend met een akoestische gitaar de oude publiekslievelingen “Lavinia” en “The Tide That Left And Never Came Back” in alle eenvoud tot hun naakte essentie terug bracht. Het zorgde voor twee kippenvelmomentjes die we nog een tijdje gaan koesteren, net als de furieuze afsluiter “Jesus For The Jugular” waarvan Cave en Beefheart eeuwig spijt zullen hebben dat ze deze averechtse brok bluesrock nooit zelf hebben opgenomen.

Het commerciële momentum van The Veils mag dan al geruime tijd verstreken zijn, vanavond stond hier een allesbehalve uitgerangeerde groep die de aandacht van haar kleine fanschare naar waarde weet te schatten. Pa Andrews mag trots zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 04 maart 2014 00:00

Midlake, met de ‘M’ van Meesterlijk

Ze zijn op één hand te tellen, succesvolle bands die na de exit van hun frontman weinig of geen van hun artistieke pluimen verliezen. Het overkwam het uit Denton, Texas afkomstige psychedelische softrock gezelschap Midlake toen zanger Tim Smith midden in de opnames van een nieuwe plaat de groep verliet wegens ‘muzikale meningsverschillen’. Aan opvolgers voor Smith was er allerminst gebrek, om op de loonlijst van een groep als Midlake te staan moet nagenoeg elk bandlid immers een aardig stukje close harmony kunnen zingen. Uiteindelijk zette gitarist van het eerste uur Eric Pulido de stap richting spotlight, en verscheen eind vorig jaar met ‘Antiphon’ na drie jaar nog eens een vers Midlake album.

België en Midlake, het blijken de afgelopen maanden twee handen op één buik. Nadat vorige zomer de Club tent op Pukkelpop en eind oktober ook de Botanique zonder slag of stoot werden ingenomen was vanavond de AB aan de beurt, én staan de Texanen straks ook nog eens te blinken op de derde dag van Rock Werchter. Een groep zou er voor minder stadionallures beginnen van krijgen, wat zich bij aanvang van de set vertaalde in een overdosis decibels die ons onverwacht naar de oordopjes deed grijpen. Ergens wel doodzonde, want zo verdwenen de subtiliteiten die vakkundig zijn verstopt in nieuwe nummers als “Ages”, “Antiphon” en “Provider” als sneeuw voor de zon.
De zeskoppige band leek zich van geen kwaad bewust en musiceerde onder de hoede van nieuwbakken frontman Pulido erg geconcentreerd. Vanaf het grotendeels akoustische “Rulers, Ruling All Things” werd het volume wat teruggeschroefd en kreeg de groep meer grip op zijn muzikale mystiek. Zo kreeg het nieuwe bandlid Jesse Chandler zowel letterlijk als figuurlijk nu en dan de spot op zich gericht tijdens zijn middeleeuws aandoende dwarsfluitintermezzo’s, en gingen de stemmen van alle bandleden minus de drummer steeds beter ‘blenden’ tot een meesterlijke harmonie. Een eerste hoogtepunt zat er dus weldra aan te komen, en wat ons betreft ging een meeslepend “We Gathered In Spring” uit het doorbraakalbum ‘The Trials Of Van Occupanther’ (’06 ) met die eer lopen.
Grossierde Midlake op het vorige album ‘The Courage Of Others’ uit 2010 nog duidelijk in 70ies folkrock, dan lijken Pulido & co op hun nieuwste worp wat voorzichtige uitstapjes richting progpop te maken. In het erg knappe instrumentale “Vale” herkenden we om beurten flarden vroege Pink Floyd en Pavlov’s Dog, terwijl in het atmosferische “Corruption” The Alan Parsons Project nooit veraf bleek. De Texanen schakelden daarna moeiteloos over naar hun meer radiovriendelijke nummers waaronder de evergreen “Roscoe” en de op een repetitieve krautrock drijvende nieuwe single “The Old And The Young”.

Dat het recept van Midlake ook zonder enige vorm van muzikaal ballast moeiteloos overeind blijft bewezen de Texanen met verve tijdens de eerste encore. Je kon werkelijk iemand aan zijn bier horen slurpen tijdens een meesterlijke unplugged versie van “Antiphon”, een kampvuurmoment waarbij Pulido en drie van zijn maats dicht tegen elkaar gingen aanleunen en hun close harmony bangelijk perfect tot in de nok van de goedgevulde AB weerklonk.
Met het intimistische “Provider Reprise” en de symbolische afsluiter “Head Home” stuurde de groep alweer een tevreden Belgisch publiek huiswaarts. Als generale repetitie voor Rock Werchter kon dit dus wel tellen. Wedden dat de zusjes Haim die dag vol afgunst vanuit de backstage zullen meegluren?

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

‘3 is the magic number’ voor vele bands: ofwel ben je als groep creatief uitgeblust tegen dat de derde schijf er ligt, ofwel verdwijnen alle voorgaande platen in het niets in vergelijking met album nummer drie. Het uit Long Beach, CA afkomstige gezelschap Crystal Antlers koos, al dan niet vrijwillig, overduidelijk voor het laatste scenario. Op de vorig jaar verschenen derdeling ‘Nothing Is Real’ dwingt de band immers voor het eerst hun onstuimige mix van garagerock, psychedelica en punk in het strakke keurslijf van echte songs met kop en staart. Op grond van wat gerust één van de beste gitaarplaten van 2013 kan worden genoemd lijkt een bescheiden doorbraak op het Europese continent niet meer dan normaal, maar aan de erg magere opkomst in een gerenommeerde club als De Kreun te oordelen liggen Kortrijk en omstreken nog niet echt wakker van deze Amerikanen.

Na een trits personeelswisselingen is het oorspronkelijke vijftal dat Crystal Antlers in 2007 boven de doopvont hield inmiddels afgeslankt tot een trio, maar op tour hebben de Californiërs wel altijd een extra organist in de rangen die erg bepalend is voor de vintage sound van de groep. Niet toevallig klonken in de opener “Pray” echo’s door van The Animals, The Doors en The Stranglers, stuk voor stuk potige bands die van een krakkemikkige orgelsound hun handelsmerk hebben gemaakt.
Crystal Antlers blijven echter niet steken in de muffe 60ies en 70ies en blijft tot nader order een bende jonge honden die niet vies is van een portie onversneden neo-psychedelische garagerock. Wanneer de groep na een relatief rustige aftrap al gauw het gaspedaal indrukt met een paar punky uppercuts uit de vorige twee platen ‘Tentacles’ (‘09) en ‘Two-Way Mirror’ (‘11) verdwijnen de subtiele orgelpartijen prompt naar de achtergrond en wordt er stevig ingehakt op de trommelvliezen. Dat het gruizige strot van frontman/bassist Jonny Bell hierbij laveert tussen de vocale power van indieveteranen Mark Arm (Mudhoney) en Paul Westerberg (The Replacements) is overigens niks minder dan een compliment.
Hoe groot hun inzet ook was, echt imponeren deden Crystal Antlers pas wanneer het tempo wat zakte en de onstuimige uppercuts het moesten afleggen tegen de meer gelaagde en melodieuze songs vanop ‘Nothing Is Real’. In ons notitieboekje stonden de meeste uitroeptekens naast het van melancholie doorwrongen “We All Gotta Die”, een wereldnummer dat in een meer rechtvaardige wereld gerust een paar maanden in De Afrekening zou kunnen kamperen. Bijna even indrukwekkend was het met machtige tempowisselingen aaneenhangende “Rattlesnake”, de vooruitgeschoven single die vorige herfst al aankondigde dat er iets bijzonders op til was in het repetitiehok van de Californiërs.
Na een opgejaagd “Better Things”, een muzikale battle van het betere soort tussen Pixies en Hüsker Dü, en het nieuwe aan hun heimat opgedragen “California” hadden Crystal Antlers nog één salvo op overschot. Enkele die-hard fans gingen prompt uit de bol toen de eerste noten van die ruim zeven minuten durende afsluiter door de speakers knalden. Na enig opzoekwerk zijn we uitgekomen op “
Parting Song For The Torn Sky”, de debuutsingle uit 2006 waarvan slechts 500 exemplaren ooit het levenslicht hebben gezien. Deze epische brok neo-psychedelica, die overigens niet zou hebben misstaan op de eerste platen van Monster Magnet, was in zowat alle betekenissen van het woord een brutale afsluiter van de avond.

Nothing is real? Toch wel, nadat we onszelf even in de arm hebben geknepen blijkt de herinnering aan deze maandagavond levensecht. On stage lijken de uiterst gretige Crystal Antlers een muzikaal evenwicht te hebben gevonden tussen de sturm und drang uit de begindagen en hun huidige meer geraffineerde aanpak. Niet dat we de verzamelde muziekrecensenten elkaar zagen verdringen in De Kreun, maar wat ons betreft staat de poort naar de bredere erkenning wagenwijd open.

Eerder op de avond mochten The Glücks als opwarmer komen bewijzen waarom ze de laureaten van Westtalent 2013 zijn geworden. Het piepjonge Oostendse duo ging wel erg nadrukkelijk rondneuzen in de back catalogue van The Cramps, Dead Moon en The White Stripes, maar compenseerde dit gebrek aan een eigen muzikaal smoel ruimschoots met een gezonde portie Westvlaamse branie en een energieke stage performance.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-glucks-24-02-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/crystal-antlers-24-02-2014/

Organisatie: Kreun , Kortrijk

Nu het indienoise instituut Sonic Youth voorlopig of misschien wel voorgoed op zijn gat ligt is het voor liefhebbers van het genre al een tijdje nagelbijtend uitkijken naar mogelijke troonopvolgers. Vanuit thuisbasis Chicago solliciteert het viertal Disappears sinds een jaar of vijf al dan niet bewust naar die eretitel, voorlopig met wisselend succes.
Na twee puike maar anonieme platen stak dit gezelschap rond ex-leden van illustere gitaarbandjes als The Ponys, 90 Day Men, Boas en Anatomy of Habit vorig jaar de neus een eerste keer aan het venster met ‘Pre Language’, een amper 35 minuten durende trip langsheen melodieuze noise en gitzwarte postpunk die het tot diverse eindejaarslijstjes schopte. Dat die plaat werd ingeblikt met Sonic Youth’s Steve Shelley op drums zorgde bovendien voor nog wat extra credibiliteit, maar inmiddels heeft de veteraan wegens agendaproblemen alweer het hazenpad gekozen.

Afgelopen woensdag kwam Disappears ten huize muziekclub De Kreun hun nieuwste worp ‘Era’ voorstellen. Het viertal heeft het geweer intussen alweer van schouder veranderd, want in schril contrast tot z’n relatief melodieuze voorganger wint experimenteerdrang het meestal van de memorabele songs op ‘Era’. Dat deze nieuwe bezwerende nummers werden afgewisseld met het beste uit het meer heldere ‘Pre Language’ leek voor de noise puristen uit Windy City dan ook de enige juiste zet om het karig opgekomen gitaarminnend publiek een boeiend concertuur te bezorgen.
Uit die vorige plaat werden tijdens de eerste concerthelft “Replicate”, “Minor Patterns”, “Pre Language” en “Love Drug” geplukt, stuk voor stuk compacte staaltjes van hoekige posthardcore en avant-garde gitaarnoise die het midden houden tussen pakweg Sonic Youth, Girls Against Boys en A Place To Bury Strangers. Disappears is er echter het soort band niet naar om zich te laten vastpinnen als louter een kruisbestuiving van haar muzikale voorvaders. Zeker op de nieuwe nummers durft de groep al eens deftig buiten de lijntjes te kleuren. Zo werd “Weird House” voortgestuwd door een motorische krautrock beat, en dreef een lang uitgesponnen “Elite Typical” op een verslavend punkfunk ritme waar LCD Soundsystem in de begindagen al een patent op had. Noah Ledger is wat dat betreft een waardige opvolger van Steve Shelley; hun nieuwe drumbeest bezorgde Disappears live een  pak meer punch dan op hun jongste plaat het geval is.
Muzikaal zat alles dus wel snor, maar om de één of andere reden weigerden de smeulende vonken die Disappears kwistig in het rond strooide ook echt te ontvlammen. We wijten het aan de pose van de band zelf. De soms erg complexe songs lieten immers weinig ruimte voor de bandleden om met het publiek te interageren, en ook aan bindteksten hadden frontman Brian Case en zijn maats in Kortrijk geen boodschap. Enkel toen deze laatste een snaar naar de kloten hielp mompelde hij wat excuses in zijn door reverb geregeerde microfoon die hij evengoed kon hebben geleend bij The Fall, maar veel verder raakte de voormalige gitarist van The Ponys echter niet.
Met een opzwepend “Joa”, alweer zo’n nummer waarin een strakke krautrock groove de ruggegraat uitmaakte, had de groep één van zijn sterkste troeven opgespaard tot op het eind. De introvert ogende tweede gitarist Jonathan Van Herik kon hier opnieuw echt loos gaan op zijn arsenaal effectpedalen; diens afwisselend subtiele en overstuurde gitaarmotiefjes kleurden dit nummer in tot één van de absolute hoogtepunten van de set.
In een ultrakorte encore ronde werd nog een onbekend oudje opgerakeld, waarna de Chicago boys het na een kort maar intens uurtje definitief voor bekeken hielden.

De groep werd de dag erna al verwacht bij onze noorderburen, maar had even goed nog wat langer kunnen kamperen in De Kreun en de affiche van het komende Sonic City Festival aldaar nog wat meer kleur geven. Benieuwd of de onzichtbare muur tussen groep en publiek toen wel was gesneuveld.

Neem gersut een kijkje naar de pics
Disappears - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4399

His Clancyness - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4400

Organisatie: Kreun , Kortrijk

 

Pavlov’s Dog - Virtuoze progfolk voor drama queens
Pavlov’s Dog
Vooruit
Gent

Wie tijdens een dood moment al eens googled naar lijstjes met ‘The weird voices of rock’ zal al gauw botsen op ene David Surkamp, beter bekend als de enigmatische frontman van het illustere 70ies gezelschap Pavlov’s Dog. Haar cultstatus heeft deze uit St. Louis afkomstige band in grote mate te danken aan de debuutschijf ‘Pampered Menial’ (‘75), een fenomenaal werkstuk waar virtuoze progrock en dramatische popsongs hand in hand gaan. Na een geflopte tweede plaat ging de groep echter al gauw op de fles, en moesten fans zich decennia lang zoet houden met diverse bootlegs en wat solo exploten van Surkamp.
Sinds 2010 staat een soort reïncarnatie van Pavlov’s Dog regelmatig terug op de planken, met naast Surkamp enkel voormalig Chuck Berry drummer Mike Safron als originele leden. Opmerkelijk genoeg zitten zowel nieuwe als overjaarse fans wel degelijk te wachten op deze verknipte reünie, getuige een afgelopen donderdag tot de nok gevulde Vooruit.

Anno 2013 lijkt de groep uitgegroeid tot een soort familiebedrijfje met maar liefst twee koppels op de loonlijst. Naast David en zijn overigens muzikaal redelijk overbodig vrouwlief Sara Surkamp heeft het zevenkoppige gezelschap ook wat vers bloed in de rangen met o.a. bassist Rick (bas) en Abbie (viool) Hainz Steiling. Vooral deze laatste nam meteen het voortouw tijdens het instrumentale opwarmertje “Savage” gevolgd door twee iconische stukken uit ‘Pampered Menial’, “Fast Gun” en “Late November”. Het publiek was meteen mee toen van meet af aan bleek dat er nog maar verbluffend weinig sleet zat op Surkamp’s vibrerende alt. Zijn bijna vrouwelijke stem staat zo bol van melancholie en pathos dat zelfs ruimdenkende fans van Rush en early Placebo hier ook wel pap moeten van lusten.
Na wat dan heet een veilige start ging de band ook wat grasduinen in hun andere albums die op papier niet altijd garant staan voor sterke live momenten. Zo staan
nummers als “I Don’t Do So Good Without You”, “Wrong” en “Canadian Rain” nu niet bepaald te dringen voor een plaats in onze platenkast, maar door de doorwinterde en virtuoze muzikale aanpak van de groep werd enige zweem van meligheid toch ternauwernood vermeden. Vanachter zijn zonnebril ontpopte Surkamp zich bovendien tot een begenadigd verteller en oogstte hij sympathie bij het publiek met ludieke complimentjes over de cultuurstad Gent. Maar evengoed zorgde hij voor een spreekwoordelijke krop in de keel wanneer hij herinneringen bovenhaalde over Siegfried Carver en Doug Rayburn, twee oorspronkelijke leden van de band die intussen het tijdelijke voor het eeuwige hebben ingeruild.
Tijdens een sterk laatste half uur passeerde met het instrumentale niemendalletje “Preludin”, een lang uitgesponnen “Of Once And Future Kings”, “Theme From Subway Sue” (een ludieke fonetische verbastering van de oorspronkelijke titel “Someday Soon”) en het apocalyptische “Song Dance” zowat de helft van ‘Pampered Menial’. De bombast waarmee deze nummers de zaal werden ingeblazen stond in schril contrast met de sobere akoestische aanpak van Surkamp tijdens de eerste encores. Op z’n dooie eentje stak hij de zaal in z’n broekzak met “Lost In America”, het titelnummer van de erg magere comeback plaat van Pavlov’s Dog uit ’90 dat in Gent werd uitgekleed tot het beste nummer dat Elliott Murphy vergat te schrijven.
Met het dramatische “Julia” heeft ook Pavlov’s Dog zijn eigen “Nights In White Satin” beet: een radiovriendelijk nummer waar de groep van generatie op generatie wordt mee vereenzelvigd en de pensioenkas van de Surkamps moet helpen spijzen. Ook in Gent was het weer raak en waren tijdens die drie magische minuten nergens meer dolle vijftigers te vinden dan in de Vooruit.

Bring back the good old days’ mijmerde een voldane Surkamp tijdens het afsluitende “Valkerie”. Ruim twee uur lang waren hij en zijn makkers daar inderdaad in geslaagd, en dat zonder al te vaak te vervallen in cheesy sentiment. Pavlov’s Dog lijkt dus nog lang niet rijp voor het Golden Years circus, tenzij natuurlijk daar plots een garnizoen drama queens zou opduiken.


Organisatie: Live Nation

Met de concertenreeks ‘Dub be good to me: celebrating 45 years of dub’ zet de AB één jaar lang de spotlight op één van de meest vernieuwende stromingen in de muziekgeschiedenis. Het siert de ruimdenkendheid van de Brusselse concerttempel dat niet enkel de originators, maar ook de volgelingen van het genre een podiumplaats wordt gegund. Tot die laatste categorie moeten we ook Public Image Ltd (PiL) rekenen, het notoire gezelschap rond John Lydon wiens prille avant-gardistische postpunk eind jaren ’70 werd voortgestuwd door lome dub grooves.
Na ontelbare personeelswissels en een rits platen die telkenmale wat minder relevant gingen klinken trok Lydon in ’92 de stekker uit PiL om zich op lucratieve reünies met zijn maatjes van de Sex Pistols en een solo carrière te storten. Een groot fortuin heeft de man er blijkbaar toch niet aan over gehouden, want pas na een hilarische reclamespot voor hoeveboter (http://www.youtube.com/watch?v=8hzQsvxtLTM ) kreeg het excentrieke enfant terrible de nodige centen bij elkaar om in 2009 PiL terug te reactiveren.

Anders dan bij de verschillende reïncarnaties van de Pistols wil Lydon als boegbeeld van PiL op artistiek vlak terug au sérieux worden genomen. Met het vorig jaar verschenen comeback album ‘This Is PiL’ zijn hij en zijn maats daar overigens vrij aardig in geslaagd. Met het uit die plaat getrokken “Deeper Water” trapte een vastberaden band afgelopen donderdagavond hun set in een bescheiden gevulde AB Box op gang. Samen met andere nieuwe songs zoals “Out Of The Woods” en “One Drop” kan dit nummer zich meten met het beste materiaal dat de groep pakweg drie tot vier decennia terug heeft ingeblikt, alleen klinkt alles nu een pak luchtiger.
De sfeer werd prompt een stuk grimmiger en dreigender toen het gezelschap een handvol nummers ging plukken uit haar opus magnum ‘Metal Box’ (aka ‘Second Edition’) (‘79). De inmiddels 57-jarige Lydon diende wel wat te spieken om de ellenlange lappen tekst van “Albatross”, “Poptones” en “Careering” niet te laten ontsporen op de slome repetitieve groove, maar het eindresultaat was niettemin indrukwekkend te noemen.
Het zal de fans van het eerste uur wellicht worst wezen, of misschien juist plezieren, dat meesterbassist en architect van de prille PiL sound Jah Wobble anno 2013 niet echt wordt gemist. In de persoon van Scott Firth, die als guilty pleasure o.a. een verleden heeft in de begeleidingsband van The Spice Girls, heeft de groep immers een meer dan waardige vervanger beet. Samen met drummer Bruce Smith, bekend als medeoprichter van The Pop Group en sinds midden jaren ’80 vaste drummer bij PiL, vormde hij een erg straffe ritmetandem die de lome dub grooves tot diep in de onderbuik lieten doorklinken. Lu Edmonds, nog zo een PiL oudgediende, had van zijn kant een arsenaal aan gitaren meegebracht die zowel qua vorm als qua klank een lust voor oog en oor vormden.
Samen met de immer flamboyante krielhaan Lydon in de voorste gelederen vormde dit drietal een erg solide en virtuoos musicerende groep. De tijd dat PiL als één van de belangrijkste postpunk instituten werd aanzien ligt intussen al behoorlijk ver achter ons, toch was van enige oubolligheid geen sprake. Zo werd “This Is Not A Love Song” geïnjecteerd met tribal beats alsof de heren van Leftfield deze duffe 80ies song door de remix mangel hadden gehaald. “Warrior” was een ander hoogtepunt dat dan weer bol stond van de etnische invloeden en het publiek langzaam maar zeker meezoog in een hypnotiserende trance.
De weinige radiovriendelijke songs die Lydon & co op hun kerfstok hebben waren netjes opgespaard tot de toegiften. De hitsige postpunk van “Public Image” en de rustig voortkabbelende meezinger “Rise” stammen uit de tijd dat er nog regelmatig kwaliteit in de hitparades te bespeuren viel. “Open Up”, een trancy breakbeat classic die oorspronkelijk werd ingeblikt door Leftfield & Lydon, kreeg een fraaie PiL make over maar werkte niet echt als afsluiter. Eén schoonheidsfoutje op een set van bijna twee uur, daar maalt niemand om.

Wat we vooral onthouden is dat Lydon & co zorgzaam omspringen met hun cultureel erfgoed én stevig op weg zijn naar een tweede jeugd. Wie nog een pakje hoeveboter?

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4227

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Bij aanvang van de chrysantentijd bekruipt menig muziekrecensent de drang om zich stilaan het hoofd te beginnen breken over die verdomde eindejaarslijstjes. In onze voorlopige tussenstand van het albumjaar 2013 behoort ‘Light Up Gold’, wat na de cassette-only release ‘American Specialties’ het officiële debuut is van het Amerikaanse indie kwartet Parquet Courts, alvast tot één van de zekerheden voor een podiumplaats.
Na hun verhuis naar Brooklyn gaat het voor deze vier Texanen alleen maar crescendo, en hebben ze met hun onstuimige live sets inmiddels de harten van vele indiekids veroverd. Echter, op de jongste editie van Pukkelpop leek die live reputatie eerlijk gezegd noch mossel noch vis. Een veel te grote tent, een publiek dat op de eerste dag nog niet naar festivalmodus was overgeschakeld, en vooral het veel te vroege aanvangsuur maakten dat de passage van Parquet Courts er één was zonder weerhaakjes. Afgelopen zondag diende een herkansing zich aan in De Charlatan, een muziekkroeg met een roemrijk verleden dat nu wel het gedroomde decor bood voor muzikaal vuurwerk.

In Gent bulkte de groep zodanig van het zelfvertrouwen dat ze het eerste kwartier niets uit hun debuut oprakelden, maar wel een pak songs uit de kakelverse EP ‘Tally All The Things That You Broke’ plukten waaronder de straffe huidige single “You’ve Got Me Wonderin’ Now”. Fans van het eerste uur hoeven echter niets te vrezen. Net als op 'Light Up Gold' charmeert het nieuwe materiaal door een soort ongedwongen lo-fi slordigheid dat prominente 90ies indiebands als Pavement, Sebadoh en Guided By Voices als hun muzikale handelsmerk beschouwden. Verschillende nummers klokken niet zelden af na amper anderhalve minuut, maar door hun catchy hooks en speelse tempowisselingen krijg je zelden of nooit de indruk dat je slechts halve of onafgewerkte songs voorgeschoteld krijgt. Zelf noemen ze het graag ‘Americana punk’, verwijzend naar hun zuidelijke roots die nog steeds subtiel in hun sound verweven zitten.
We like your city and we like your beer” liet frontman Andrew Savage ergens tussendoor weten. Dat de vervaarlijk ogende krullebol zich leek te beperken tot Spa Blauw leek in dat verband redelijk ongeloofwaardig. De dubbele uppercut “Master Of My Craft” en “Borrowed Time” daarentegen zorgde voor wat onvervalst duw- en trekwerk in de eerste publiekslinies. Wie oud genoeg is (wat we betwijfelen op basis van de geschatte gemiddelde leeftijd in Gent) of gewoon zijn klassiekers kent kan in beide nummers trouwens de typische motorische beat van The Feelies ontwaren. Ook in de andere nummers hield drummer Max Savage (broer van) het tempo erg strak, en werd iedereen die er ook maar aan dacht om na een zwaar weekendje wat in te dommelen brutaal op andere gedachten gebracht. Met het aan Pavement schatplichtige “N Dakota” noteerden we trouwens maar één rustpuntje in een voor de rest wervelende set.
De thermostaat van De Charlatan werd na een klein uurtje uiteindelijk helemaal opengedraaid. Een opruiend baslijntje trok een broeierig “Yonder Is Closer To The Heart” op gang, waarna een ontketende groep zich vastbeet in hun voorlopige pièce de résistance “Stoned And Starving”, waar echo’s van The Feelies en Television om beurt werden opgejaagd door een ongenadig strakke Ramones beat.

Na een dergelijke uppercut bleken encores een wat overbodige luxe, en de vier kerels besloten dan ook wijselijk om wat uit te blazen in hun veel te kleine tourbus. De valse start op Pukkelpop is bij deze doorgespoeld, wat we onthouden is dat De Charlatan vanavond heel even iets weg had van CBGB's met Parquet Courts als prettig gestoord huisorkest. Volgend optreden van deze gasten, zondag in de AB Club!

Even na negenen mocht het jonge Engelse trio Mazes de dubbelaffiche openen. Dit gezelschap werd in 2009 boven de doopvont gehouden, heeft inmiddels al twee albums op de teller staan, en voegt daar later deze maand nog het mini album 'Better Ghosts' aan toe. Hun repertoire valt uiteen in korte punchy songs volgens de beste traditie van Buzzcocks en The Fall, en in lange meer trancy nummers die invloeden van krautrock en Field Music verraden. Tot die laatste categorie behoorden “Skulking” en “Bodies”, niet toevallig de twee hoogtepunten van de set. Alle twitteraars die iets hebben met hoekige gitaarpop volgen dus voortaan best ook 'mazesmazesmazes'.


Organisatie: Democrazy, Gent

Pukkelpop 2013 thru the eyes & ears of Geert Huys

Pukkelpop 2013
Festivalterrein
Hasselt-Kiewit

PUKKELPOP, Kiewit, 15-17 augustus 2013

Dag 1 (15-08-2013)

PARQUET COURTS
(Marquee, ***½)
Bio
: Naar Brooklyn uitgeweken Texanen die op hun sprankelend debuut ‘Light Up Gold’ met sprekend gemak de hobbelige weg van de strakke punkpop hebben teruggevonden die The Strokes al een aantal jaren kwijt zijn.
On stage
: In een halflege tent bewees de band dat de termen ‘nonchalant’ en ‘slordig’ ook als complimenten kunnen gelden. Echter, voor zowel groep als publiek leek het nog erg vroeg dag en bleef het verwachte muzikaal vuurwerk uit. Graag een herkansing in De Charlatan (20 okt) of de AB club (27 okt).
Highlights: “Gold Record Diamond Minds”; “Borrowed Time”; “Stoned & Starving”

THE ALLAH-LAS
(Club, ***)
Bio
: Viertal waarvan een aantal leden elkaar voor het eerst tegen het lijf liepen in een legendarische platenzaak in Los Angeles én een uitgesproken interesse in de iconische 60ies garagerock verzamelaars Nuggets en Pebbles bleken te delen.
On stage
: Ze klinken niet alleen als een 60ies bandje, met hun strakke donkerblauwe denimpakjes zagen ze er ook zo uit. Net als de meeste ‘Nuggets era’ groepjes bleek dat deze vier jonge kerels behalve twee erg leuke radiohitjes vooral teren op veel afleggertjes die voortborduren op hetzelfde meerstemmige garagerock thema.
Highlights: “Tell Me (What’s on Your Mind)”; “Sacred Sands”

FEW BITS
(Wablief?!, ***½)
Bio
: Belgisch vijftal rond Karolien Van Ransbeeck, de voormalige backing vocaliste van Admiral Freebee en The Go Find. Wordt al maandenlang doodgeknuffeld op Radio 1.
On stage: De ietwat bedeesde Van Ransbeeck lonkte uitdrukkelijk naar de prille Heather Nova en Mazzy Star’s Hope Sandoval. De Antwerpse werd omringd door vier heren die haar spooky folkrock mooi gedoseerd van de nodige tristesse en melancholische weerhaakjes voorzagen. De herfst is dit jaar nog nooit zo vroeg begonnen.
Highlights
: “Shell”; “Wolves”

DEFTONES
(Main stage, ****)
Bio
: Amerikaans vijftal dat midden jaren ’90 tegen wil en dank tot nu-metal act werd gebombardeerd, maar vanaf de mijlpaal ‘White Pony’ (’00) is uitgegroeid tot een genre op zich. Bij elk optreden draagt de groep een nummer op aan de oorspronkelijke bassist Chi Cheng die na een jarenlange coma overleed op 13 april jl.
On stage
: Deftones bedankten Chokri voor hun derde ticket naar Kiewit met een ongezien enthousiasme, en vooral met een erg afwisselende set waarin hard-zacht contrasten subtieler dan ooit waren uitgewerkt. Memorabel was het moment waarop de overigens erg fit ogende brulboei Chino Moreno midden het publiek gewillig zijn kindergeld liet betasten en daarna eensklaps een verschroeiend “Elite” inzette. Een kippenvel versie van “Change (In the House of Flies)” werd opgedragen aan hun gevallen makker Cheng.
Highlights: “Poltergeist”; “Rosemary”; “Elite”; “My Own Summer (Shove It)”; “Change (In
the House of Flies)”

PHOSPHORESCENT (Club,
***½)
Bio
: Nom de plume van Matthew Houck, een minzame singer-songwriter die net als collega treurwilgen Bonnie ‘Prince’ Billy en Bon Iver de introspectie opzoekt als voornaamste inspiratiebron.
On stage
: De ranke Amerikaan koos resoluut voor de vlucht vooruit alsof hij de tent moest opwarmen als voorprogramma van Springsteen. Vergezeld van een vijfkoppige band, inclusief twee keyboardspelers, klonk de americana van Phosphorescent ongewoon extravert, groots en bijwijlen zelfs swingend. Sire, er zijn geen zekerheden meer.
Highlights: “Song for Zula”; “Terror Canyons (The Wounded Master)”

MILES KANE
(Marquee, ****)
Bio
: Amper 27, en toch heeft de frivole Brit er reeds carrières opzitten bij The Rascals en The Last Shadow Puppets én is hij net bevallen van een tweede solo album waarop merseybeat en glamrock op luchtige wijze worden gerecycleerd.
On stage
: Ontdaan van alle studio tierlantijntjes en geruggesteund door een straffe groep klonken Kane’s nummers onverwacht snedig en pretentieloos. Met dit bevlogen optreden in een volle tent nam Kane een klinkende revanche voor zijn gedwongen forfait tijdens de rampeditie van Pukkelpop twee jaar terug.
Highlights: “Rearrange”; “Better Than That”; “Don’t Forget Who You Are”; “Come Closer”

QUICKSAND
(Shelter, ***
½)
Bio
: Kortlevend 90ies gezelschap rond el sympathico Walter Schreifels dat in de voetsporen van Helmet hardcore injecteerde met alternative metal. Schreifels ging later de emo tour op met Rival Schools, en staat 19 jaar na hun eerste doortocht in Kiewit opnieuw op de affiche met zijn oude makkers van Quicksand.
On stage
: De houdbaarheidsdatum van Quicksand’s melodieuze post-hardcore bleek nog niet overschreden, getuige de uitgelezen bloemlezing uit het redelijk fantastische debuut ‘Slip’ (‘93). Anders dan bij Rival Schools kon de schreeuwzang van veteraan Schreifels dit keer wel overtuigen. Ook bassist Sergio Vega verdiende een pluim. Eerst met zijn huidige werkgever Deftones op de Main Stage, en vervolgens met zijn oude Quicksand maatjes in de Shelter speelde de man op een tijdspanne van twee uur twee denderende gigs.

Highlight
: “Dine Alone”
JOHNNY MARR
(Marquee, ****
½)
Bio
: Vormde in The Smiths samen met ene Steven Patrick Morrissey de Lennon & McCartney van de Engelse indiescene tijdens de zes glorieuze jaren ’82-’87. De briljante gitarist werd nadien tijdelijk ingelijfd bij o.a. Electronic, The The, Modest Mouse en The Cribs, en bracht dit voorjaar met ‘The Messenger’ een degelijk solo debuut uit.
On stage
: Op de tonen van John Barry’s ‘The Persuaders Theme’ en met een sneeuwwitte roos tussen de lippen begon Marr als een jonkie die nog alles te bewijzen had aan een vlammende set. Vergezeld van een straffe band etaleerde de ouderdomsdeken van Pukkelpop 2013 (50 binnenkort) zijn briljant en kristalhelder gitaargetwinkel en kwam hij ook vocaal erg aardig uit de hoek. Geen zinnig mens had echter kunnen of durven dromen dat His Godlike Genius ook een stel Smiths evergreens op het menu had gezet, vier om precies te zijn.
Emo moment van de dag: een halflege tent die “To Die By Your Side is Such a Heavenly Way to Die” acapella meebrulde tijdens “There’s a Light That Never Goes Out”.
Highlights: “The Right Thing Right”; “Stop Me if You Think You’ve Heard This One Before”; “Bigmouth Strikes Again”; “I Fought the Law”; “How Soon is Now”; “There’s a Light That Never Goes Out”

SAVAGES (Club, ****)
Bio
: All female postpunk revelatie die met ‘Silence Yourself’ hengelen naar de eretitel ‘debuut van het jaar’. Nauwelijks twee weken na de release van deze plaat scoorden deze straffe meiden ook nog eens hét concert van het voorjaar in een volgepropte Orangerie van de Botanique. U merkt het, we zijn redelijk weg van deze meisjes.
On stage
: Frontvrouw Jehnny Beth tuurde naar het publiek als betrof het een tegenstander die tegen elke prijs moest overwonnen worden. Het zorgde voor meer afstandelijkheid dan in Brussel, maar tegelijkertijd ook voor meer muzikale uitstraling. Furieuze postpunk uppercuts werden afgewisseld met broeierige gothrock die soms naar de performance art neigde. De fans weten intussen wat er hen te wachten staat als finale stroomstoot, en toch, het blijft kicken op “Husbands! Husbands! Husbands! Husbands! Husbands! Husbands! Husbands!”.
Highlights: “City’s Full”; “I Am Here”; “She Will”; “Hit Me”; “Husbands”

MEURIS (Wablief?!, ****)
Bio
: Limburgs vat vol emotie dat zich naast Nederlandstalige rock ook onledig houdt met sterrenkunde, journalistiek en politiek incorrecte opinies. Heeft na ‘Gigant’ (‘94) met Noordkaap en ‘Grand’ (‘05) met Monza nu ook met zijn eerste echte soloschijf ‘Mirage’ opnieuw een klassieker in het genre beet.
On stage
: Voor de Stijn was Pukkelpop 2013 een soort homecoming na jaren afwezigheid. Geruggesteund door een erg straffe groep verkende de geboren entertainer met jeugdige gretigheid alle uithoeken van het podium en strooide hij kwistig met (soms gevatte, soms onfortuinlijke) one-liners. Op de nieuwste plaat omarmen Meuris & co uitdrukkelijk de donkerste en dus interessantste jaren van de 80ies. Niet alleen de recente nummers, maar ook de evergreens van weleer staken bijgevolg in een glinsterend new wave jasje dat gesneden koek bleek voor het Pukkelpop publiek.
Highlights
: “Panamarenko”; “1974”; “Gigant”; “Omerta”; “Wie Danst Er Nog?”; “Arme Joe”

GODSPEED YOU! BLACK EMPEROR (Marquee, ***½)
Bio
: Van oorsprong uit Montreal, Quebec afkomstig instrumentaal collectief dat in 2000 eigenhandig de postrock herdefinieerde met de mijlpaal ‘Lift Your Skinny Fists Like Antennas to Heaven’. Na een lange periode van muzikale bezinning, dat o.a. het zijproject Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra & Tra-La-La Band heeft gebaard, komt dit toonbeeld van de antirock haar plaats terug opeisen.
On stage
: De apocalyps is onafwendbaar, en GY!BE heeft alvast de bijhorende soundtrack gecomponeerd. De Canadezen negeren hierbij alle wetten van een conventioneel rockoptreden. De nauwelijks zichtbare muzikanten hullen zich in een waas van mystiek door niet zichzelf maar wel de muziek centraal te plaatsen, aangevuld met sobere filmprojecties. In feedback gedrenkte gitaren, jankende strijkers en tribal drums vormden de funderingen van composities die begin noch einde schijnen te kennen. Een unieke totaalervaring als afsluiter van de eerste Pukkelpopdag.
Highlights
: “Hope Drone”; “Mladic”

Dag 2 (16-08-2013)
IN THE VALLEY BELOW (Castello, ***)
Bio
: M/v duo uit Los Angeles dat dit voorjaar met ‘Hymnal’ een eerste EP vol pastorale indierock op de wereld losliet. De Passion Pit remix van hun eerste single “Peaches” groeide inmiddels uit tot een bescheiden YouTube hit.
On stage
: Aangevuld met twee extra muzikanten creëerde de van tristesse doorwrongen samenzang van Angela Gail en Jeffrey Jacobs een broeierig en mysterieus sfeertje. Hun 19de eeuwse retro outfit paste dan ook volledig in het plaatje. Fans van Aimee Mann, Cold War Kids en Woven Hand hebben er een favoriet bij.
Highlight: “Peaches”

ANiMAL MUSiC (Dance Hall, ***)
Bio
: Londens trio dat heftige dubstep door de punkmangel haalt. Bouwden eerst een stevige reputatie op in het clubcircuit als remixers en DJs, en gaan sinds kort ook als ‘live’ band de boer op.
On stage
: Deze kerels deden hard hun best om te klinken als The Prodigy in overdrive, en slaagden daar ondanks het vroege uur nog vrij goed in ook. Muzikaal viel het trio terug op pretentieloze cut’n’paste recyclage van vijf decennia popmuziekgeschiedenis, van Ray Charles over Daftpunk tot Queens Of The Stone Age. Bevorderlijk voor de feestvreugde ... en voor de vertering van een stevig ontbijtje.
Highlight: “Jump”

CLOUD BOAT (Castello, ***)
Bio
: Duo uit Noord-Londen dat na omzwervingen in metal en post-rockbandjes besloot om zich te bekeren tot een soort hybride van melancholische folk en downtempo dubstep. Brachten in 2011 hun eerste 10’’ uit op ons eigenste R&S label.
On stage
: Tom Clarke en Sam Ricketts zijn niet enkel boezemvrienden en tourcompagnons van James Blake, maar laten zich ook vocaal en muzikaal duidelijk inspireren door de Londense wonderboy van de offbeat dubstep. Hun combinatie van knisperende electronica en subtiele gitaarecho’s durfde trouwens ook wel eens te knipogen naar The Notwist en post-‘OK Computer’ Radiohead. Ingegeven door de populariteit van Blake lustte het publiek wel pap van Cloud Boat’s dramatische soundscapes. Het duo was duidelijk een beetje van zijn melk door zoveel enthousiasme, en bleef het publiek maar bedanken tot het zelfs een beetje gênant werd.
Highlight
: “Wanderlust”

LORD HURON
(Club, ***)
Bio
: Amerikaans indiefolk gezelschap dat in 2010 het daglicht zag om de muzikale ideeën van natuurfilosoof Ben Schneider aan mens en dier toe te vertrouwen. Hun debuutschijf ‘Lonesome Dreams’ is schatplichtig aan de pastorale close harmony van Fleet Foxes en de organische americana van My Morning Jacket.
On stage
: De zon bleek een prima compagnon voor de luchtige folkpop van het Amerikaanse vijftal. Paul Simon en Vampire Weekend wisten het al langer, en nu heeft ook Lord Huron ontdekt dat het verweven van Afrikaanse gitaarmotiefjes in hun wijdse sound een glimlach op het gezicht van elke festivalganger tovert.
Highlights: “The Man Who Lives Forever”; “Ends of the Earth”

NOAH AND THE WHALE (Main stage, **)
Bio
: Londense folkies die zich gaandeweg steeds meer op radiovriendelijke 80ies pop zijn gaan storten, én bijgevolg al flink wat weken in de Britse charts mochten kamperen. De nieuwe godin van de Engelse folk, Laura Marling, verliet intussen de band en uiteindelijk ook haar lief in de persoon van frontman Charlie Fink.
On stage
: Twee technische pannes zetten de groep een flinke hak onder een loden middagzon, maar ook zonder pech verdenken we Fink & co ervan met bijzonder weinig goesting naar Kiewit te zijn afgezakt. Werkelijk geen enkel nummer, zelfs niet een op stadions bemeten perfecte popsingle als “Tonight’s the Kind of Night”, klonk oprecht catchy of bleef op onze bezwete huid plakken. Ironisch genoeg kregen deze netjes uitgedoste Londenaars de meeste handen op elkaar met een leuke Daftpunk cover, maar tegen dan was Noah’s ark al lang gezonken.
Highlight
: “Digital Love”

FACTORY FLOOR (Castello, ***)
Bio
: Postindustrieel trio uit Londen met een onvoorwaardelijke adoratie voor zowat alles wat eind jaren ’70 tot begin jaren ’80 op het vermaarde Factory Records label (o.a. Joy Division en New Order) verscheen, maar uiteindelijk onderdak vond bij de hippe DFA stal van Tim Goldsworthy en James Murphy (LCD Soundsystem).
On stage
: Na een eerste ronduit indrukwekkend kwartier dachten we één van dé revelaties van Pukkelpop ‘13 beet te hebben. De combinatie van onderkoelde electronica, dubby vocals en retestrakke drumpatronen zoog het publiek steeds dieper mee in een hypnotiserende trance trip waar reguliere bezoekers van de Boiler Room een moord voor zouden begaan. Echter, waar hun inspiratiebronnen New Order en  Giorgio Moroder de nodige variaties op hetzelfde thema inbouwen reed Factory Floor zich gaandeweg vast in de monotonie. Hopelijk/mogelijks/misschien biedt hun langverwachte debuut meer soelaas.
Highlight
: “Two Different Ways”

THE BLACK HEART REBELLION (Wablief?!, ***½)
Bio
: Met deze zes men in black heeft de Gentse muziekscene terug een sensatie van formaat gebaard. In de schaduw van Amenra, sowieso al een plaats waar geen zinnig mens een nachtje wil doorbrengen, brouwt dit gezelschap een mengsel van claustrofobische postrock en gotische folk dat best niet in het bijzijn van gevoelige zielen wordt gedegusteerd.
On stage
: We verdenken frontman Pieter Yuttenhove er niet van een vrolijke jongen te zijn, maar durven wel met zekerheid stellen dat ’s mans stem zich kan meten met deze van Woven Hand’s David Eugene Edwards op een druilerige herfstdag. Maar goed dat zijn maats verscholen zaten in een dik mistgordijn, want hun dreigende postrockmetal verdraagt nu eenmaal niet het minste beetje licht. Als duivelsuitdrijvingen nog bestaan, dan is er geen betere achtergrondmuziekje te bedenken dan een plaat van BHR.
Highlights: “The Woods I Run From”; “Circe”

UNKNOWN MORTAL ORCHESTRA (Club, ***)
Bio
: Geesteskind van Ruban Nielson, een uit Portland, OR afkomstige gitaarwizard die in een vorig leven de stiel leerde bij de Nieuw-Zeelandse punkband The Mint Chicks. Na de split van die groep ontdekte Nielson de subtiliteiten van de luchtige psychedelica waarmee hij inmiddels reeds twee albums van Unknown Mortal Orchestra heeft gevuld.
On stage
: Het orkest in kwestie bleek naast Nielson ook een strakke ritmesectie in de rangen te hebben die zijn gitaaruithalen ondersteunden met een groovy upbeat. De tonnen reverb konden niet verhullen dat toonvast zingen niet het sterkste punt is van de kleine Amerikaan, dus ter compensatie stortten hij en zijn maats zich dan maar op soms ellenlange jams. Zoiets heet dan leuk maar niet onvergetelijk.
Highlights: “Swim and Sleep (Like a Shark)”; “Ffunny Ffrends”

GIRLS IN HAWAII (Marquee, ***)
Bio
: Eén van de weinige Waalse poprock bands die in Vlaanderen een zekere fanbase heeft opgebouwd. De groep vierde haar comeback op Pukkelpop na een lange periode van persoonlijke en muzikale bezinning door het tragische overlijden van drummer Denis Wielemans in een verkeersongeval in 2010.
On stage
: Ook na de wederopstanding blijven we Girls In Hawaii een sympathieke groep vinden die echter over een te hoge aaibaarheidsfactor beschikt om ons echt te beklijven. Met Lionel Vancauwenberghe en Antoine Wielemans heeft de groep 2 ideale schoonzonen in de rangen, weinig verwonderlijk dus dat hun light versie van Grandaddy meets Sparklehorse vooral door het vrouwelijke deel van het publiek erg warm werd onthaald.
Highlight: “This Farm Will End up in Fire”; “Time to Forgive the Winter”

GRUPPO DI PAWLOWSKI
(Wablief?!, ***)
Bio
: Aflevering 314 in de avonturen van de gekste en creatiefste muzikale duizendpoot die Limburg ooit heeft voortgebracht. Bijgestaan door andere veteranen uit de vaderlandse muziekgeschiedenis waaronder Elko Blijweert en Pascal Deweze tast Mauro de grenzen van de experimentele waanzin op.
On stage
: Geen zinnig mens heeft zich waarschijnlijk ooit afgevraagd hoe een jamsessie met Captain Beefheart, Frank Zappa en The Jesus Lizard zou geklonken hebben. Wel, dat is  natuurlijk buiten Mauro en zijn maats gerekend die dergelijke vraag interessant genoeg vinden om met averechtse blues, nowave, freejazz en fusion als basisingrediënten dan maar zelf een wansmakelijke doch unieke cocktail in elkaar te flansen. Anti-rock? Als het genre nog niet bestond, dan bombarderen we Mauro bij deze tot de geestelijke vader ervan.
Highlight: “Who Do You Love?”

POLIÇA (Club, ***)
Bio
: Indiepop gezelschap uit Minneapolis wiens ijle synthpop een grote commerciële toekomst wordt voorspeld. De lead single “Dark Star” uit het debuut is intussen een klassieker, benieuwd of er op de moeilijke tweede ook een dergelijke kanjer prijkt.
On stage
: Voor wie de band enkel kent van haar etherische hitjes was het toch even schrikken. Voortgestuwd door twee drummers klinkt de groep live immers een pak dynamischer en krijgt hun melancholische electropop een welgemikte triphop injectie. Als de frêle zangeres Channy Leaneagh zich een nog iets extravertere pose kan aanmeten dan komen de harde dollars van Clear Channel erg dicht binnen handbereik.
Highlights: “Dark Star”; “Wandering Star”

EELS (Main stage, ****)
Bio
: De eerste vier platen (’96-‘01) van eeuwige anti-held Mark Oliver Everett (oftewel E) als Eels zijn klassiekers waar multi-instrumentale vindingrijkheid en ontwapenend songschrijverschap elkaar wonderwel vinden. Daarna evolueerde Eels naar een muzikaal minder interessante rechttoe rechtaan rockgroep, maar dan wel één die mateloos populair blijft bij de nieuwe jeugd die intussen E’s kids hadden kunnen zijn.
On stage
: Eels besteedt tegenwoordig evenveel aandacht aan volksvermaak als aan een muzikaal sterke prestatie. Het is en blijft een lust voor oog en oor hoe de band een op voorhand strak geregisseerde show toch zo spontaan en ontwapenend kan brengen. Getooid in donkere Adidas trainingspakken en dito sunglasses zoeken en vonden de groepsleden elkaar voor knuffels, fratsen en retestrakke rock. Wetende dat op dat moment Neil Young & Crazy Horse normaal gezien alle registers hadden moeten open gooien trakteerden E en zijn maats het publiek op een fraaie date met Young’s “Cinnamon Girl”.
Highlights: “Cancer for the Cure”; “Oh Well”; “Fresh Feeling”; “That Look You Give That Guy”; “Cinnamon Girl”; “My Beloved Monster/Mr. E’s Beautiful Blues”

LOW (Club, ****)
Bio
: De spil van dit uit Minnesota afkomstig gezelschap is het Mormoonse echtpaar Alan Sparhawk en Mimi Parker, die tegen hun zin als de grondleggers van de slowcore worden beschouwd. Het duo heeft na 20 jaar een indrukwekkende cult following opgebouwd, met als grootste compliment het feit dat ene Robert Plant twee Low originals op zijn laatste plaat had staan.
On stage
: Tegen het eind van een slopende festivaldag moet een mens soms moeilijke keuzes maken wanneer een monument als Low de tent sluit: overeind blijven om met open mond Sparhawk’s gitaarcapriolen te aanschouwen, of toch maar languit wegdromen op de plankenvloer met de hemelse vocal harmonies van dit uniek rock’n’roll echtpaar op de achtergrond. Het werd uiteindelijk een combinatie van beide. Net als Eels had ook Low een pleister op de wonde voorzien met een magische versie van Neil Young’s “Down by the River”.
Highlights: “Murderer”; “Especially Me”; “Down by the River”

JAMES BLAKE (Marquee, ***½)
Bio
: 25-jarige Londenaar die ooit op de schoolbanken zat met Katy B, zijn eerste songs opnam in de slaapkamer en intussen is uitgegroeid tot dé posterboy van de downtempo dubstep.
On stage
: Enkel vergezeld van een gitarist en een drummer ontpopte Blake zich tot een erg veelzijdige performer die er in slaagde om een groot deel van de tent in een soort collectieve trance te brengen. In wezen is de Londenaar een singer-songwriter die met behulp van atmosferische dubstep, zwoele neosoul en jachtige electro een geheel eigen geluid weet neer te zetten. De ietwat bedeesde Blake kreeg van de massaal aanwezige tentsletjes een hartverwarmend applaus, maar stuurde ons met koude rillingen de nacht in.
Highlights: “Limit to Your Love”; “The Wilhelm Scream”; “Retrograde”; “Unluck”

Dag 3 (17-08-2013)

CLOCK OPERA (Marquee, ***½)
Bio
: Viertal uit Londen dat aan de overzijde van het kanaal tot één van dé hypes van 2012 werd gebombardeerd  op grond van hun debuutschijf ‘Ways to Forget’. Hun ingenieuze doch licht verteerbare samplepop lonkt voorzichtig naar het soort stadions waar ook de jongens van
Coldplay al een paar liters hebben afgezweet.
On stage
: Elke zanger die vocaal ook maar in de buurt komt van The Blue Nile’s Paul Buchanan kan bij ons weinig verkeerd doen, en tot dat selecte gezelschap moet ook Clock Opera frontman Guy Connelly worden gerekend. Anders dan op hun debuutschijf straalden de songs overigens veel meer grandeur uit door een duidelijk klaarwakkere ritmesectie. Dat veel van hun pianospielerei voorgeprogrammeerd was deerde wonderwel niet.
Highlights: “Move to the Mountains”; “Once and for All”; “Lesson no. 7”

THE SEDAN VAULT (Wablief?, **½)
Bio
: Belgische band met een geweten rond drie telgen uit de familie Meeuwis die reeds twee albums vol experimentele/progressieve rock op hun conto hebben staan. Voor de opnames van de langverwachte derde ‘Minutes to Midnight’ gooiden de broertjes hun Vlaamse bescheidenheid overboord en gingen te rade bij sterproducer Richard Woodcraft (Radiohead, Arctic Monkeys, Duffy).
On stage
: “Goeienavond”!? Om 14u in de namiddag? De zenuwen stonden duidelijk gespannen bij The Sedan Vault, ofwel konden de gasten na een nachtje repeteren wel een stevige cafeïne shot gebruiken. De groep nam in ieder geval een verschroeiende start met een paar manische gitaar/synth/drums uppercuts die onvermijdelijk deden denken aan The Mars Volta. Naarmate hun set vorderde gingen de jongens echter gevaarlijk dicht aanleunen bij Muse, en laat dat nu net een overbevolkt eiland zijn waar ondergetekende niks verloren heeft.
Highlights
: Waren er wel, maar weinig van de nieuwe titels verstaan

I AM KLOOT
(Marquee, ***
½)
Bio
: Oorspronkelijk een trio uit Manchester dat in de begindagen werd ingedeeld bij de ‘New Acoustic Movement’, maar intussen ook het bestaan van strijkers, piano’s en blazers heeft ontdekt. Hun beste songs zijn ontstaan op weg naar, in, of op de terugweg van de pub.
On stage
:  Op Pukkelpop 2001 en 2004 blonk I Am Kloot nog uit in simpele levensliedjes die je onmiddellijk bij het nekvel grepen, maar datzelfde gevoel kregen we dit jaar maar sporadisch. Natuurlijk is en blijft de versleten stem van John Bramwell de sterkhouder van de groep, alleen vragen we ons af wat die drie extra bandleden op keyboards en blazers op het podium hadden verloren.  Less is more, dat had de groep op het eind gelukkig ook begrepen toen ze met z’n drietjes een paar oude krakers bovenhaalden en dat nekhaar alsnog ging rechtstaan.
Highlights:  “Some Better Day”; “86 TV’s”; “From Your Favourite Sky”; “Proof”

ALABAMA SHAKES (Main stage, ***)
Bio
: Een vrouwelijke postbode met het sex appeal van een nijlpaard die samen met een paar vrienden uit Athens, Alabama uit voorliefde voor zowel Led Zeppelin als Otis Redding een rock’n’soul bandje uit de grond stampt dat intussen elk groot Europees festival op de CV heeft staan? Het is en blijft één van de onwaarschijnlijkste succesverhalen uit de recente popgeschiedenis.
On stage
: Chokri luistert naar de StuBru jeugd van tegenwoordig, zoveel is zeker, want hoe kan een band wiens muzikale roots ruim een halve eeuw achter ons liggen anders op de Main stage van Pukkelpop belanden? Op Blues Peer was dit waarschijnlijk een topconcert geweest, zeker wanneer je in de imposante strot van de sympathieke Brittany Howard om de haverklap de geesten van Janis Joplin en Otis Redding ontwaard. In Kiewit luisterde de vintage rhythmn & blues van Alabama Shakes gewoon lekker weg in het gezelschap van een bordje Breydelham.
Highlights: “Hold On”; “Hang Loose”; “Be Mine”

HOLY OTHER (Castello, ***½)
Bio
: Echte naam: onbekend. Woonplaats: ergens tussen Manchester en Berlijn. Beroep: producer. Hobby: naar donkere electronica luisteren. Tja, de Jan Becaus in ons moet het soms stellen met wel heel erg beknopte CVs.
On stage
: In de donkere beslotenheid van de Castello tent ontpopte deze mysterieuze knopjesdraaier zich tot de kroonprins van de slowbeat. Stilstaand dansen was toegestaan, wegdromen met de ogen dicht een must. Hier een genre opplakken is geen sinecure, we houden het bij atmosferische postdubstep met een dramatische ondertoon. Klinkt als: Craig Armstrong, Ryuichi Sakamato en Art Of Noise in de mix.
Highlights: “Love Some1”; “Feel Something”

!!! (Dance Hall, ***½)
Bio
: Gezellige bende New Yorkers die zich ook laten aanspreken als ‘chk chk chk’ en in ’96 besloten om saaie house parties op te luisteren met funky postpunk en strakke leftfield D.I.S.C.O. Met hun vijfde album ‘Thr!!!er’ halen deze bad boys tegenwoordig zelfs Radio 1, wat niet kon verhinderen dat ze reeds voor de derde keer een telefoontje kregen van Chokri.
On stage
: Alhoewel hun platen steeds meer inwisselbaar worden valt live niet te ontkomen aan de verslavende groove van dit zestal. Zoals elke zichzelf respecterende party band heeft ook !!! in de persoon van zanger Nic Offer een volksmenner in de rangen die als een hyperkinetische Mick Jagger kloon met krullen alle uithoeken van het podium verkent. Dat Offer een foute bermuda droeg met de hoesprint van het klassieke Stones album ‘Some Girls’ leek ons overigens puur toeval.
Highlights: “Get That Rhythm Right”; “Californiyeah”

THE SOFT MOON (Castello, ***)
Bio
: Eenmansproject van de Afro-Cubaanse producer, instrumentalist en songwriter Luis Vasquez die zich onledig houdt met de erfenis van Joy Division en Suicide. Jongste album ‘Zeros’ staat dan ook stijf van de dreigende postpunk en kille new wave.
On stage
: Elke combinatie van holle drums, rubberen baslijntjes, doomy synths en uitwaaierende gitaren kan sowieso op onze aandacht rekenen, wat nog niet betekent dat we The Soft Moon daarom op handen dragen. Vocals zijn voor Vasquez immers niet meer dan een instrument zonder boodschap, dus ging de man gretig aan de slag met allerlei stemvervormers. Goed voor een half uurtje, daarna hopeloos monotoon.
Highlights
: “Parallels”; “Insides”

FOALS
(Main stage; **½)
Bio
: Hyperkinetisch indierock vijftal uit Oxford dat zich dankzij een flitsend debuut ‘Antidotes’ (‘08) ergens tussen Bloc Party, Klaxons en Talking Heads in nestelde. Na de overstap naar een major label (Warner MG) koos de groep op hun recente doorbraak album ‘Holy Fire’ voor meer hapklare songs die hen bakken airplay en de sleutel tot grote concertzalen opleverden.
On stage
: Wie niet beter weet zou Foals gemakkelijk kunnen afschilderen als een one-hit wonder. Eens publiekslieveling “My Number” de revue was gepasseerd had de groep namelijk heel wat moeite om nog meer van dat soort catchy artpop uit haar mouw te schudden. Meer dan goed voor hen was verloren Yannis Philippakis en zijn maats zich soms in te lange instrumentale stukken, en gingen hierdoor onnodig op de rem staan. De gebruikelijke duik van Philippakis in het tienerpubliek leverde leuke beelden op, maar kon een bloedeloze set niet meer redden.
Highlights: “Red Socks Pugie”; “Two Steps Twice”

BAT FOR LASHES (Marquee, ***½)
Bio
: Nom de plume van Natasha Khan, een 33-jarige Engelse deerne met Pakistaanse roots wiens etherische indiepop al twee Mercury Prize nominaties voor ‘album of the year’ opleverde.
On stage
: Toegegeven, alleen al Khan’s ontwapenende glimlach volstond om een groot deel van de tent uit haar hand te doen eten. Haar aan Kate Bush en Björk verwante sprookjespop klonk afwisselend erg breekbaar, of werd opgejut door hitsige electrobeats en percussie. Khan en haar muzikaal gevolg genoten zichtbaar van de warme ontvangst die hen te beurt viel.
Highlights: “Horse and I”; “Rest Your Head”; “Daniel”

FRANZ FERDINAND (Main stage, ****½)
Bio
: Vier vrolijke Schotten die de politieke angel uit de punkfunk van Gang Of Four haalden om er dansbare gitaarpop mee te brouwen. De band hield het na drie albums bijna voor bekeken, maar forceert met het kakelverse ‘Right Thoughts, Right Words, Right Action’ momenteel een comeback.
On stage
: De jukebox van Alex Kapranos & co stond overduidelijk in ‘party mode’ en liet in een verschroeiend tempo en met de gretigheid van een stel jonge honden al hun radiohits het publiek in knallen. Akkoord, het muzikale recept van Franz Ferdinand is intussen beproefd, maar smaakte als na een lange vastenperiode des te lekkerder. Met de mash-up van hun “Can’t Stop Feeling” en Donna Summer’s “I Feel Love” maakten deze kerels uit Glasgow hun ultieme statement: een publiek van indie kids en disco lovers zij aan zij uit de bol laten gaan, il faut le faire!
Highlights
: Teveel om op te noemen, wel meeste nekklachten overgehouden aan “This Fire” en “Ulysses”.

THE KNIFE SHAKING THE HABITUAL SHOW (Marquee, ****)
Bio
: Eigenzinnige Zweedse broer-zus combinatie die met hun unieke combinatie van oculte vocals, ratelende beats en claustrofobische soundscapes een buitenbeentje vormt in de electronica scene. Het gezelschap veroorzaakte dit voorjaar de nodige ophef toen de ‘live‘ voorstelling van hun nieuwe opus ‘Shaking The Habitual’ door de verzamelde pers als een impactloze playback show werd beschreven.
On stage
: Karin Dreijer Andersson en broer Olof Dreijer lezen ook recensies, zoveel is duidelijk. The Knife werd op grond van hun eerste concertenreeks wat te vlug met pek en veren overgoten, want dit totaalspektakel zal menige Pukkelpopper nog lang heugen. Met een eclectische mix van choreografische hoogstandjes, grillige electronica, tribal beats en bijhorende visuals kleurde het duo ver buiten de lijntjes van een klassiek festivaloptreden. Live en playback stukken wisselden elkaar regelmatig af, maar nergens kregen we de indruk in een aflevering van Top of the Pops te zijn beland.
Highlights: “A Tooth for an Eye”; “Full of Fire”; “Silent Shout”

THE XX
(Main stage, *****)
Bio
: De Londense kids Oliver Sim en Romy Madley-Croft telden amper 15 lentes toen ze The xx boven de doopvont hielden. Pas met de komst van beatmaster Jamie xx kreeg hun ongeziene symbiose van minimale new wave en onderkoelde R&B langzaam maar zeker voet aan de grond. Op Pukkelpop 2010 mochten ze de Marquee afsluiten met songs van hun titelloze ‘Mercury Prize winning’ debuut, dit jaar zijn ze gepromoveerd tot één van de headliners van het festival.
On stage
: Hoofdacts op een allerlaatste festivaldag moeten het doorgaans hebben van dreunende beats, scheurende gitaren en/of volksmennende frontmannen/vrouwen. The xx kwam, zag en overwon de anders zo rumoerige festivalmeute met geen enkele van deze ingrediënten. Hun devies luidt dan ook ‘less is more’: geen enkele beat of noot teveel, stiltes die even belangrijk bleken als de muziek zelf, en geconcentreerde blikken op oneindig. Voor ons kon dit wel tellen als emotioneel hoogtepunt van de Pukkelpop driedaagse. Zelfs het ijskonijn in Romy Madley Croft ontdooide even toen ze onder toeziend oog van tienduizenden festivalgangers een verjaardagsknuffel kreeg van Oliver Sim.
Highlights: “Heart Skipped a Beat”; “Islands”; “VCR”; “Intro”; “Infinity”; “Angels”

MIDLAKE (Club, ****)
Bio
: Texaans retro gezelschap dat Jethro Tull en Fairport Convention even hoog in het vaandel draagt als pakweg Radiohead en Grandaddy. Frontman Tim Smith verliet een jaartje terug de band om met Harp een nieuw muzikaal avontuur te starten.
On stage
: Ook met gitarist Eric Pulido als kersvers boegbeeld bleef de pastorale folk van Midlake moeiteloos overeind. De vierkoppige close harmony was even welkom als een warm deken op een frisse zomernacht, enkel het knetterende kampvuur moest je er zelf bij verzinnen. Ach, uw verslaggever ter plaatse mag al eens lyrisch worden na optreden no. 38.
Highlights: “Winter Dies”; “Roscoe”; “Rulers, Ruling all Things”

Neem gerust een kijkje naar de pics van het Nederlandse Lowlandsfestival
http://www.musiczine.net/nl/news/divers/lowlands-2013-16-t-m-18-augustus-2013-21e-editie-pics/

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

 

Samen met generatiegenoten 10cc, Procol Harum en ELO stond Supertramp symbool voor de betere gestyleerde progpop die tijdens de jaren ’70 niet weg te denken was uit de betere platenkast. In 2010 mocht de groep 40 kaarsjes uitblazen, en om de pensioenkas van de nog overgebleven leden nog wat te spijzen werd daar uiteraard een anniversary tour aan vastgeklonken. Grote afwezige op dat verjaardagsfeest was Roger Hodgson, die 13 jaar lang een songwriting tandem vormde met oprichter Rick Davies maar in ’83 Supertramp definitief verliet.

Hoe groot de verdiensten van Davies als zanger en componist ook moge zijn, het is Hodgson die de meeste van Supertramp’s grootste hits heeft ingezongen en dus voor het grote publiek voor altijd het gezicht van de groep zal blijven. Het was dus enkel een kwestie van tijd of de naar Californië uitgeweken Brit zou op zijn beurt de erfenis van Supertramp proberen verzilveren. We troffen de 63-jarige Hodgson en zijn vierkoppige band in het statige Oostendse Kursaal voor één van de laatste Europese haltes van zijn huidige ‘Breakfast in America’ wereldtournee.
Aan de ingang kregen we een foldertje toegestopt maar daarop een lijst van 33 songs waaruit Hodgson put tijdens deze tour. De eerste op dat lijstje, “Take the Long Way Home”, is tevens steevast de opener van deze concertenreeks. Meteen werd duidelijk waarom de overigens erg relaxte Hodgson zich nog steeds met recht en rede ‘the golden voice of Supertramp’ mag noemen. De man heeft zich al die jaren duidelijk goed gesoigneerd onder de Californische zon, want zonder overdrijven kunnen we stellen dat zijn van melancholie doortrokken hoge stem werkelijk geen spat is veranderd, en misschien zelfs expressiever klinkt dan vier decennia geleden. Naast zijn karakteristieke stem is er natuurlijk dat typische vibrerende geluid van zijn onafscheidelijke Wurlitzer piano die de signature sound van de meeste Supertramp evergreens heeft bepaald. Hodgson brak ooit beide polsen, maar heeft daar zichtbaar niets aan over gehouden te oordelen aan het enthousiasme waarmee hij twee uur lang zijn ‘wurly’ betastte en bepotelde.
We kunnen ons wel inbeelden dat het bovenvermelde songlijstje een aangenaam geheugensteuntje betekende voor het 50+ deel van het publiek, maar anderzijds wisten we ook meteen welke nummers we aan onze neus zouden zien voorbij gaan. Persoonlijke Supertramp favorieten als “Bloody Well Right” en “Crime of the Century” dragen nu eenmaal de handtekening van Rick Davies, dus moeten we leren leven met Hodgson’s keuze om enkel zijn personal darlings in de set te stoppen. En waarom niet, want de man heeft op die manier nog altijd keuze te over.
Alleen al tijdens het eerste concertuur zette de man met “School”, “Breakfast in America”, “Lord is it Mine” en “Hide in Your Shell” een indrukwekkende Supertramp reeks neer. Dat die songs er nog steeds staan was trouwens niet enkel de verdienste van Hodgson, maar evenzeer van de twee Amerikaanse en twee Canadese muzikanten die de gelaagde en bijwijlen symfonische sound van Supertramp virtuoos onder de knie hadden. De grandeur die sommige songs hierdoor uitstraalden leek wel weggelopen uit de Night of The Proms, het soort nachten waar we trouwens vriendelijk voor bedanken. Terwijl al zijn muzikanten hun métier als hun broekzak kennen stak Hodgson toch expliciet een pluim op de hoed van Aaron MacDonald, een polyvalente kerel die naast extra keyboards en backing vocals ook vlotjes laveerde tussen klarinet, fluit en natuurlijk de karakteristieke saxofoon.
De eerlijkheid gebied ons om te stellen dat de ruim twee uur durende show ook een aantal minder beklijvende momenten opleverde. Niet zelden ging Hodgson daarvoor te rade bij de drie solo albums die hij in zijn post-Supertramp periode uitbracht en amper memorabele songs hebben opgeleverd. Eén opmerkelijk lichtpunt was echter “Death and a Zoo” uit zijn laatste solo exploot ‘Open the Door’ (‘00), een muzikaal erg avontuurlijke song waarin de typische progpop van zijn oude band werd gedrapeerd met geluiden uit de Afrikaanse rimboe.
Bleef het publiek aanvankelijk nog netjes in de comfortabele zeteltjes zitten, tegen het eind van de set kwam er een stuk meer beweging in de massa. Na een magistraal “The Logical Song” en een lang uitgesponnen “Child of Vision” met een schitterende piano outro ging het hek toch van de dam tijdens het nog steeds onweerstaanbare “Dreamer”. De kale en grijze herenkoppen en de wulpse dames die massaal naar het Kursaal waren afgezakt zetten het op een dansen als betrof het hun eerste T-dansant ergens in de zomer van 1974 toen dit nummer Supertramp definitief op de kaart zette. Met de progpop suite “Fool’s Overture”, volgens Hodgson het resultaat van drie onafgewerkte songs die op een dag het begin, midden en einde bleken te zijn van een groter geheel, zwaaide de groep een eerste keer af.
Ietwat voorspelbaar maar daarom niet minder doeltreffend werd de sfeer luchtig gehouden  met “Give a Little Bit” en “It’s Raining Again” als encores. Hodgson had vanavond reeds bewezen dat hij een pak betere nummers heeft gepend en gezongen, maar toch bekende hij dat net deze twee songs hem avond na avond nog erg veel voldoening geven. Ergens willen we hem wel geloven, ook toen hij twee uur ervoor het publiek had verzocht om alle dagdagelijkse problemen en zorgen even aan de kant te zetten.

De man is met verve in die opzet geslaagd, vraag dat maar aan die overjaarse dame die voor onze neus eensklaps een bloedrode paraplu tevoorschijn toverde en een averechtse regendans inzette tijdens “It’s Raining Again”.

Organisatie: Kursaal Oostende - AJA concerts

Pagina 8 van 18