logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Shame
the_offspring_i...
Geert Huys

Geert Huys

Lokerse Feesten 2013 – DAG 09: Sx – Balthazar – The B-52’s - Daan
Lokerse Feesten 2013
Grote Kaai
Lokeren
2013-08-10
Geert Huys

Niet één nationale driekleur hebben we gespot op de voorlaatste dag van de Lokerse Feesten. Met maar liefst drie Belgische acts op de affiche zou dit kleinood anders helemaal niet hebben misstaan op de Grote Kaai. SX, Balthazar en zelfverklaard nuchtere Daan moesten enkel het gezelschap van The B-52’s dulden om het feestje compleet te maken.

Tegen het felgekleurde decor van de ondergaande zon trapte het Kortrijkse trio SX (***) af met de radiohit “Gold”. Of dit nummer verwees naar de goudkleurige BH van frontvrouw Stefanie Callebaut laten we hier eventjes in het midden, feit is wel dat de indiepop van het gezelschap zowel vocaal als muzikaal al meteen een sterke indruk maakte. We verdenken Callebaut er trouwens van in een vorig leven als slangenmens of paaldanseres op deze aardkloot te hebben rondgelopen, om maar te zeggen dat naast de veelzijdige en breed galmende stem ook de mimiek van de frêle blondine volstrekt uniek is.
De pastorale pop noir van SX draagt ontegensprekelijk een 80ies stempel, en bijwijlen hoorden we zelfs een verre echo van de etherische gothic pop à la The Cranes. Een glorieus “Black Video” werd wijselijk tot op het eind opgespaard, maar die Belpop classic had het trio eigenlijk niet meer nodig om de overwinning op een eerder apathisch publiek mee naar huis te nemen.

Eveneens uit de Kortrijkse scene en misschien wel wat té enthousiast aangekondigd door de StuBru presentator van dienst als ‘de beste Belgische groep van het moment’ lokte BALTHAZAR (***) vervolgens een pak meer volk van achter de togen. Het vijftal beleeft momenteel de drukste festivalzomer uit haar bestaan, en dat leek er aanvankelijk wel wat aan te zien. Tijdens de eerste helft van de set kon hun typische meerstemmige en minimale pop maar matig boeien. Het ontbrak de groep aan dynamiek, het spel werd monotoon en de verveling begon om de hoek te gluren. En ja, wanneer festivalgangers rondom jou ineens hun mails beginnen checken dan weet je het wel.
Het kantelmoment kwam alsnog met het magistrale “Blood Like Wine” wiens indringende eindquote “Raise your glass to the nighttime and the ways to choose the mood and have it replaced” lang bleef nazinderen. Ineens was iedereen terug bij de les, inclusief de groep zelf die een magistrale finale in de vingers had met “15 Floors”, “Sinking Ship” en het van een snedige funky intro voorzien “Do not Claim Them Anymore”. Met een meer gebalanceerde setlist en op tijd wat peper in hun gat kan Balthazar de festivalzomer waarschijnlijk toch nog tot een goed einde brengen.

Wie THE B-52’s (****) al op voorhand hadden afgeschreven kreeg zonder pardon het deksel op de neus. Alhoewel originele boegbeelden Fred Schneider III, Kate Pierson en Cindy Wilson ondertussen allemaal kwieke zestigers zijn, toch zat er merkelijk weinig sleet op hun onnavolgbare party jukebox. De drie excentrieke oudjes hadden hiervoor een erg straffe band meegebracht die vanuit de achtergrond een retestrakke groove neerzette. Het was van meet af aan dan ook verdomd moeilijk stilstaan bij de creepy tonen van “Planet Claire”, het pretentieloze “Mesopotamia” en het opzwepende “Private Idaho”. Naast de groove, een unieke mix van rockabilly, new wave en 60ies pop, bleken ook de close harmony vocals van Pierson en Wilson en de nasale zegzang van Schneider na al die jaren nog redelijk intact.
Conditioneel bleek Wilson de fitste van de drie. Terwijl Schneider en Pearson nu en dan eens  de coulissen indoken voor een korte opknapbeurt bleef de blondine gedurende gans de set paraat en nam ze op haar eentje zelfs een kolderiek “Girl From Ipanema Goes to Greenland” voor haar rekening. Ook vestimentair kwam het Amerikaanse gezelschap nog even kleurrijk voor de dag als tijdens de hoogdagen. De feloranje broek en gay danspasjes van Schneider, het roze glitterpakje van Pierson en de nep SM outfit van Wilson: het waren het soort foute details die de show compleet maakten.
Gelukkig lieten ze hun laatste paar platen wijselijk links liggen, waardoor bijna vanzelf een aantal parels uit hun titelloze debuut (‘79) kwamen bovendrijven zoals “Lava” en “6060-842” uit de tijd dat The B-52’s zelfs heel even de dienst uitmaakten in de legendarische New Yorkse punkclub CBGB's. Na het ultieme party anthem “Love Shack” werd tot slot nog een straffe portie “Rock Lobster” als dessert opgediend.
Na dit bombardement door de zotste bende 60+’ers die er momenteel nog rondlopen was uw verslaggever ter plaatse eventjes stomdronken van geluk, en daar kon zelfs een nuchtere Daan niets meer aan toevoegen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/lokerse-feesten-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/lokerse-feesten-2013-dag-9/
Organisatie: Lokerse Feesten, Lokeren

 

Lokerse Feesten 2013 – DAG 05: Monster Magnet – Alice Cooper - Deep Purple
Lokerse Feesten 2013
Grote Kaai
Lokeren


Op de vijfde dag van de Lokerse Feesten was het in de eerste plaats verzamelen geblazen voor overjaarse bierbuikjes, kale(nde) koppen en luchtgitaar virtuozen allerhande om met Alice Cooper en Deep Purple op één avond twee classic rock iconen aan het werk te zien. Creature With The Atom Brain en Monster Magnet kregen de twijfelachtige eer om de nekspieren alvast op te warmen. Uw verslaggever ter plaatse pikte in bij deze laatste.

Met MONSTER MAGNET (***) had de organisatie één van de pioniers van de psychedelische stonerrock naar de Grote Kaai gehaald. Ondanks of misschien wel dankzij een exuberante consumptie van geestverruimende middelen kan dit gezelschap rond de charismatische space lord Dave Wyndorf na ruim twee decennia nog steeds prat gaan op een stevige live reputatie. Anders dan gewoonlijk konden Wyndorf & co in Lokeren echter slechts bij vlagen een vuist maken. Dat de frontman enkel gewapend met een flesje Spa blauw vrolijk het podium kwam opgeslenterd was misschien een veeg teken, of misschien verdragen de meeste songs van Monster Magnet gewoonweg geen daglicht en hadden de heren een uur of twee later een betere performance afgeleverd. De Amerikanen hadden nochtans een verschroeiende start gemaakt met “Hallucination Bomb”, “Dopes to Infinity” en “Look to Your Orb for the Warning”, maar daarna verdwenen zowel tempo als intensiteit als sneeuw voor de zon. De band koos moedig voor de moeilijke weg, maar verdronk bijna zelf in haar eigen futloze psychedelische brij. Voor het publiek zat er niets anders op dan de finale af te wachten. Met de driedubbele uppercut “Crop Circle”, “Powertrip” en “Space Lord” was iedereen ineens terug bij de les, en werd een totnogtoe matige set uiteindelijk toch nog een beetje gevaarlijk.

Van gevaarlijk gesproken, Vincent Furnier aka ALICE COOPER (****) lijkt ondanks zijn respectabele leeftijd (65 intussen) nog behoorlijk goed in zijn sas als het shockerende typetje dat hij begin jaren ’70 op het niets vermoedende hardrock wereldje losliet. Bijna twee uur lang schitterde de vinnige Amerikaan in een strak geregisseerd spektakel dat qua visuele amusementswaarde gestaag crescendo ging. Geruggesteund door een redelijk opzichtig maar oerdegelijk trio gitaristen en een virtuoze Belgische drummer ging Cooper tijdens de eerste concerthelft voor een rechttoe rechtaan offensief. Met “Hello Hooray”, “No More Mr. Nice Guy”, “Under My Wheels” en “Billion Dollar Babies” volgde het ene na het andere hoogtepunt uit diens glorieperiode tussen ’71 en ‘73. Het zijn stuk voor stuk shockrock evergreens die weinig gemeen hebben met meer recente niemendalletjes als “Caffeine” of “Dirty Diamonds” waarvan we ons later enkel nog de gimmick willen herinneren.
Vanaf het nog steeds geweldige “Welcome To My Nightmare” steeg de theatraliteit ten top. Achtereenvolgens waande Cooper zich Dr. Frankenstein en liet hij zich gewillig fixeren in een straight jacket om uiteindelijk toch in de guillotine te belanden. Eenmaal in het hiernamaals maakte hij allusie op een vrolijk weerzien met zijn ‘drunken dead friends’ Jim Morrison, John Lennon, Jimi Hendrix en Keith Moon. Met respectievelijk “Break on Through (To the Other Side)”, “Revolution”, “Foxy Lady” en “My Generation” brachten Cooper & co in ware jukebox stijl een muzikaal erg sterke ode aan deze notoire heren. Na de obligate afsluiter “Poison” serveerde de groep met “School’s Out” nog een fel meegebrulde encore die fraai uitmondde in een flard “Another Brick in the Wall”. Qua spektakel waarde en gevoel voor zelfrelativering kan Alice Cooper met recht en rede de Rammstein avant la lettre worden genoemd.

Met ‘Now What?!’ heeft DEEP PURPLE (***) na lange tijd nog eens een album in elkaar gebokst, maar nog belangrijker nieuws voor de liefhebbers is dat dit Engelse hardrock instituut met die nieuwe plaat ook opnieuw de wereld rond trekt. Echter, wanneer je weet dat zanger en brulboei van weleer Ian Gillan deze maand al 68 lentes op de teller heeft staan moet zelfs de zwaarste fan zijn verwachtingen misschien wel wat bijstellen. Maar kijk, alhoewel Gillan al een tijdje de hoge noten niet meer haalt schuilde er toch nog genoeg raw power in zijn strot om met “Highway Star”, een schuimbekkend “Into the Fire” en een strak “Hard Lovin’ Man” stevig en gevat uit de startblokken te schieten. Ook zijn twee resterende maatjes uit Purple’s gloriejaren, een bijzonder kwiek ogende bassist Roger Glover (67) en drummer Ian Paice (65), draaiden als ritmetandem nog redelijk soepel rond.
Echt gevaarlijk klinkt de groep anno 2013 niet meer, in plaats daarvan trekt het gezelschap resoluut de kaart van de virtuositeit in de persoon van meestergitarist Steve Morse en de klassiek geschoolde keyboard wizard Don Airey die elk ruimschoots hun solo moment kregen toebedeeld. Overbodig of niet, het zijn van die momenten waar traditioneel de vaart wat uit het optreden wordt gehaald en hun maats even aan de zuurstoftank konden.
Vooral Gillan maakte er overigens een sport van om tijdens zowat elke solo in de coulissen te verdwijnen waardoor de groep er niet echt in slaagde om contact op te bouwen met het publiek. De nummers moesten dus maar voor zich spreken, wat niet evident was tijdens de nieuwe single “Vincent Price” maar wel lukte met classics als “No One Came”, “Space Truckin’” en het onverslijtbare “Smoke on the Water”. Tijdens de encores dolde Airey wat met “Green Onions” als prelude van hun eerste hit “Hush”, gevolgd door het machtige slotakkoord “Black Night”. Het bleek een eervolle afsluiter van een avond waar een strakke regie en muzikaal vakmanschap van kranige 60+’ers het haalden van creatieve uitspattingen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/lokerse-feesten-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/lokerse-feesten-2013-dag-5/

Organisatie: Lokerse Feesten, Lokeren

The Broken Circle Breakdown Bluegrass Band - Theater Aan Zee – Oostende
The Broken Circle Breakdown Bluegrass Band
CC De Grote Post
Oostende

Bands of artiesten die een half jaar of meer de vaderlandse albumcharts aanvoeren zijn doorgaans niet onze cup of tea, maar gelukkig kent elke regel zo zijn uitzonderingen. Neem nu het onwaarschijnlijke succesverhaal van ‘The Broken Circle Breakdown’, oorspronkelijk een theaterstuk van Johan Heldenbergh en Mieke Dobbels dat in de competente regisseurshanden van Felix Van Groeningen werd omgetoverd tot een onvervalste blockbuster. Bij deze aangrijpende love story tussen de banjospeler van een bluegrass bandje (Heldenbergh) en een tattoo artieste (Veerle Baetens) hoort tevens een soundtrack vol country en bluegrass deuntjes bij elkaar gezocht en van frisse arrangementen voorzien door muzikaal mastermind Björn Eriksson.
Ingegeven door het immense succes van zowel prent als soundtrack is het bluegrass bandje uit de film intussen de fictie ontgroeid en een heuse Broken Circle Breakdown Bluegrass Band (BCBBB) geworden. Deze zomer zet de groep een tweede live offensief in als headliner van een handvol sfeervolle zomerfestivals. Naast Dranouter en Openluchttheater Rivierenhof stond ook Theater Aan Zee in Oostende op het programma, waarbij we het gezelschap ter hoogte van een volgepakt cc De Grote Post gingen spotten.

Tussen al het zwaar georkestreerde en digitaal (voor)geprogrammeerde geweld dat menig concertpodium tegenwoordig soms teistert is het authentieke kampvuurgevoel waarmee BCBBB op de planken staat een ware verademing te noemen. Schouder aan schouder staan zes muzikanten in een halve cirkel opgesteld, en - conform de ongeschreven wetten van de country en bluegrass - zonder enige vorm van percussie en enkel versterkt door één vintage microfoon.
La Baetens mag dan al beschikken over de knapste looks en stem, hét gezicht van de groep is ontegensprekelijk de ‘Gentsche’ praatwaterval Johan Heldenbergh die het publiek vanaf de speelse opener “Will the Circle be Unbroken” als een rasechte master of ceremony doorheen de set loodste. Bovendien is de sympathieke baardemans tijdens gans de voorstelling zo down to earth als maar kan zijn. “We spelen vanoavond een poar liedjes van diene film, ge weet wel, uit diene CD die allemaal in uldere otto zit”; doldwazer, nonchalanter en meer ontwapenend kan een introductie op een succesalbum dat de marketing jongens van Universal aanvankelijk niet eens wilden uitbrengen moeilijk zijn.
Heldenbergh is niet weinig trots dat hij de scène mag delen met een uitgelezen selectie van klassemuzikanten waaronder verschillende oude bekenden van de vaderlandse muziekscène. Bjorn Eriksson (gitaar/dobro) en Tomas de Smet (contrabas) verdienden ooit hun boterham bij Zita Swoon, terwijl mandoline virtuoos Bert Van Bortel al decennia lang de dienst uitmaakt bij de Vlaamse bluegrass trots Rawhide. Tel daarbij banjo guru Karl Eriksson (juist, vader van) en de grappige violist Nils de Caster en je hebt een virtuoos close harmony orkest dat zich met passie en een vleugje humor voluit op classics uit The Great American songbook en instrumentale traditionals stort.
Nuttig en amusant voor zowel leek als kenner was de vakkundige commentaar van Heldenbergh bij zowat elk nummer uit de anderhalf uur durende set. Zo kwamen we te weten dat de man een onvoorwaardelijke fan is van Lyle Lovett en Bruce Springsteen die respectievelijk met “Cowboy Man” en “Further on up the Road” elk hun graantje meepikken op de originele soundtrack. Op de setlist prijkten trouwens ook een pak nummers die de soundtrack om de één of andere reden niet haalden. Zo waande Heldenbergh zich heel even de Vlaamse Kris Kristofferson tijdens diens “Help Me Make it Trough the Night”, en kwam er nog vlotjes mee weg ook. Baetens van haar kant bekende dat ze Dolly Parton, en bij uitbreiding het volledige country en bluegrass genre, voordien maar niks vond maar sinds ze in de getatoeëerde huid van haar personage Elise is gekropen tot een openbaring is gekomen. Een heerlijke versie van Parton’s “Do I Ever Cross Your Mind” kon alleszins tellen als muzikale mea culpa. Ook de muzikaal sterk verwante soundtrack van ‘O Brother, Where Art Thou?’, door een gekscherende Heldenbergh beschouwd als de op één na beste bluegrass prent ooit, kwam heel even voorbij met “I’ll Fly Away” van Gillian Welch en Alison Krauss.
Hopelijk hebben de nazaten van wijlen Townes Van Zandt intussen de eerste check ontvangen van BCBBB. Zijn “If I Needed You” werd even voorspelbaar als onvermijdelijk tot op het eind van de set opgespaard waarna het gezelschap een staande ovatie te beurt viel.

Van acteurs die achter de microfoon kruipen heeft de geschiedenis ons intussen geleerd dat daar zelden of nooit spectaculaire of memorabele resultaten uit komen. Heldenbergh en Baetens mogen zich voortaan met recht en rede niks minder dan trotse uitzonderingen op die regel noemen.

Neem gerust een kijkje naar de pics van OLT Rivierenhof, Deunre en Festival Dranouter
http://www.musiczine.net/nl/news/divers/the-broken-circle-breakdown-bluegrass-band-olt-rivierenhof-deurne-op-1-augustus-2013-pics/
http://www.musiczine.net/nl/news/divers/festival-dranouter-2013-zaterdag-3-augustus-2013-indrukken/

Organisatie: Theater Aan Zee, Oostende

donderdag 25 juli 2013 02:00

Boomtown 2013 – Iceage - DIIV

Boomtown 2013 – Iceage - DIIV
Boomtown 2013
Handelsbeurs
Gent

Ter bevordering van het algemeen muzikaal welzijn wordt elk jaar in de rand van de Gentsche Fieste met Boomtown een alternatief op mensenmaat georganiseerd. Op en rond de Kouter, en net ver genoeg verwijderd van de mensenzee die 10 dagen lang de Gentse binnenstad overspoelt, kan de meerwaarde zoeker zich vergapen aan de ruim 50 bands en artiesten die de Boomtown programmatie uit binnen- en buitenland wist te strikken.

De eerste dag van de Boomtown vijfdaagse werd in de Handelsbeurs op gang getrokken door Iceage. Dit vierkoppige avant garde punk gezelschap uit Kopenhagen heeft inmiddels twee albums op de teller staan, waarvan vooral het vorig jaar verschenen ‘You’re Nothing’ niet bepaald in dovemansoren is beland. Wie nog aan het bekomen was van een zwoele zomernacht werd met de uppercut “Ecstasy” zonder pardon met de kater van de dag geconfronteerd. Hard, ruw en met een rotvaart raasde het onbezonnen viertal door hun set, wat met de Sturm und Drang van “Burning Hand” en “Everything Drifts” aanvankelijk nog wel op onze goedkeuring kon rekenen. Beetje bij beetje gleden de Denen echter weg van het strakke melodieuze pad, en kreeg een nihilistische attitude de overhand op muzikaal vermogen. Het publiek stond er bij en keek er naar toen na een dik half uur de groep er de brui aan gaf. Met een beetje goede wil kunnen we hierop terug kijken als een halfgeslaagde aanval van hondsdolheid, meer niet.

Als hoofdact in de Handelsbeurs werd uit Brooklyn de chillwave sensatie DIIV overgevlogen. Tussen het touren met het al even lichtvoetige indiebandje Beach Fossils door hield gitarist Zachary Cole Smith zich vorig jaar onledig met het nieuwe project Dive, dat omwille van verwarring met een gelijknamige industrial band uiteindelijk werd herdoopt tot DIIV. Debuutschijf ‘Oshin’ haalde prompt menig eindejaarslijstje, en sindsdien worden Smith & co zowat doodgeknuffeld door het Europese clubcircuit. Een blijvertje kan je ‘Oshin’ echter bezwaarlijk noemen. Daarvoor zijn diens ijle indiepop songs wat te eenvormig en missen ze de spanningsboog die het prille werk van Lush, The Chameleons en The Cure wel tijdloos en onmisbaar maken. Dankzij de knappe atmosferische gitaarpop pareltjes “Past Lives”, “Air Conditioning” en “How Long Have You Known?” bleef de band bijwijlen goed bij de les, maar daar tegenover stonden evenveel momenten waar spanning het moest afleggen tegen oppervlakkigheid.

Vanavond passeerden twee jonge bands die wel in het hetzelfde bedje ziek bleken: een beloftevolle start werd gaandeweg ingeruild voor verveling en onbezonnenheid. Terug naar dat repetitiehok dan maar?

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/boomtown-2013/
Organisatie: Boomtown, Gent
 


Het Amerikaanse los-vast collectief Masters Of Reality rond frontman en gevierd producer Chris Goss wordt in kennerskringen wel eens doodgeknuffeld als peetvaders van de stonerrock, een reputatie die ze in eerste instantie hebben te danken aan hun titelloze debuut uit ’88. Dit album vol heavy bluesrock werd destijds ingeblikt door ene Rick Rubin, en heeft door de jaren heen een soort mythische status verworven. De plaat was zelfs geruime tijd onvindbaar, maar dat euvel is inmiddels verholpen. Dit voorjaar kondigde Goss immers aan dat zijn eersteling een digitale oppoetsbeurt had ondergaan, en om deze langverwachte reissue wat meer kracht bij te zetten doet de groep momenteel een aantal gigs op Europese bodem.

Enkele dagen na hun acte de présence op Pinkpop belandden Masters Of Reality afgelopen vrijdag diep in de West-Vlaamse polders ter hoogte van De Zwerver in Leffinge. De zaal zat allesbehalve afgeladen vol toen de Amerikanen van wal staken met “Always”, “Up In It” en “Absinthe Jim And Me”. Met dit openingstrio uit de recentste plaat 'Pine/Cross Dover'’, intussen ook al zo'n vier jaar oud, zetten Goss en zijn vier metgezellen meteen een bijzonder compact geluid neer. De strakke groove, de psychedelische tierlantijntjes en de diepe gebiedende stem van een in een zwart maatpak gevangen Goss klonken weliswaar meteen vertrouwd in de oren, toch misten we bij aanvang nog dat tikkeltje bezieling.
Wie Masters Of Reality al vaker aan het werk heeft gezien (Leffinge was intussen al onze zesde afspraak met Goss & co) weet echter dat de Amerikanen soms wat traag op gang komen. En kijk, drijvend op een gortdroge riff en heerlijke lalala's kreeg een snedig “Deep In The Hole” vervolgens de nodige beweging in de zaal, en ook de performer in Goss ontdooide na een wat gereserveerde start. De imposante Amerikaan is geen veelprater, maar stond er toch op om “Doraldina's Prophecies” op te dragen aan zijn Belgische vrienden. Deze epische brok bluesrock uit het debuut van de Masters met Goss in de rol van enigmatische storyteller was meteen goed voor één van de eerste hoogtepunten van de avond. Ook “Rabbit One” behoorde tot die laatste categorie. Dit schijnbaar lome funky blues niemendalletje ontaardde in het soort jamsessie die je ook wel eens op een live plaat van Cream of Ten Years After met open mond en trillende trommelvliezen kan aanhoren.

Net als tijdens vorige passages werd ook nu midden in de set een akoestisch intermezzo ingelast. Het publiek mocht even op adem komen, en Goss kon bewijzen over wat voor een fantastisch strot hij beschikt. Enkel vergezeld van oudgediende John Leamy, die zijn drumkit eventjes inruilde voor een akoestische gitaar of een soort speelgoedorgeltje, waagde Goss  zich met succes aan de fraaie kampvuurliedjes “Lookin' To Get Rite”, “Hey Diana” en “Jody Sings”.
Het publiek had intussen door dat er niet onmiddellijk nieuw werk zat aan te komen, maar nam genoegen met de 'best of' selectie die Goss zorgvuldig had samengesteld. Daar hoorden uiteraard ook klassieke album tracks als “Third Man On The Moon”, “100 Years (Of Tears On The Wind)” en “It's Shit” bij, maar allen verzonken ze in het niets toen het alles overtreffende “The Blue Garden” verrees uit de psychedelische gitaarbrij die Goss en diens sidekick Dave Catching even tevoren uit hun mouwen hadden geschud.
Na een welverdiende nicotineshot kwamen Goss en zijn maats tijdens de encores op de proppen met nog meer fraais. De brombeer in kwestie zal het misschien niet graag horen, maar ook zonder Mark Lanegan kon de boogierock van “High Noon Amsterdam” moeiteloos overtuigen. Ook rakelden de heren voor het eerst sinds heel lang nog eens de dronkemansblues “The Eyes of Texas” op, voor de gelegenheid opgedragen aan ZZ Top’s Billy Gibbons. Helemaal op het eind kondigde Goss doodleuk alsnog een nieuwe song aan, die hij en zijn maats amper een paar uur tevoren in elkaar hadden gebokst. Het resultaat, “It All Comes Back To You”, bleek een potige rocker zonder veel franjes die alleszins doet uitkijken naar een nieuwe plaat van Goss & co.

Die ene nieuwe song kon uiteraard niet verhullen dat vanavond vooral een gevoel van nostalgie de bovenhand haalde. Wie echter de jongste worp van Queens Of The Stone Age onder de loep neemt komt meermaals uit bij de psychedelische powerblues van de Masters. De meester en de leerling lijken dus wel voor eeuwig tot elkaar veroordeeld... we kennen parabels die een pak slechter aflopen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/safi-28-06-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/masters-of-reality-28-06-2013/

Organisatie: de Zwerver, Leffinge (Leffingeleuren)

We stalken de Amerikaanse indierock veteraan en singer-songwriter Steve Wynn nu inmiddels zo’n twee decennia langs clubs, festivals, parochiale centra, cafés, platenwinkels, huiskamers en ja, zelfs tot in kapellen en kerken toe. Waar en met met wie de man ook opduikt, telkens kan hij rekenen op een loyale fanbase die hij te danken heeft aan zijn verleden als bezieler van de legendarische LA band The Dream Syndicate. Met deze prominente exponent van de zogenaamde Paisley Underground scene blikte Wynn in ’82 het debuutalbum ‘The Days Of Wine And Roses’ in, een mijlpaal in het alternatieve gitaarlandschap wiens invloed achteraf nog lang bleef nagalmen in menig repetitiehok, inclusief dat van pakweg R.E.M. en Nirvana.
In september van vorig jaar zou de 30ste verjaardag van de plaat aanvankelijk met slechts één reünie concert in Spanje worden herdacht. Deze one-night stand smaakte echter meteen naar meer, met als resultaat dat Wynn en zijn oude makkers de komende weken opnieuw in een trits Europese steden worden gesignaleerd.
De opgefriste Leuvense concerttempel Het Depot kreeg afgelopen donderdag de eer om met The Dream Syndicate meteen een legendarische naam op de lichtkrant boven de ingang te projecteren.

Anno 2012 heeft de herenigde Dream Syndicate naast Steve Wynn voorts ook nog de vertrouwde ritmetandem Dennis Duck (drums) en Mark Walton (bas) in de rangen, verder aangevuld met snarenwonder Jason Victor uit Wynn’s vaste begeleidingsband The Miracle 3. De manier waarop dit gezelschap hun set had opgevat leek opvallend veel weg te hebben van een rijkelijk gevuld viersterren-menu.
In het eerste deel kreeg het overwegend 40+ publiek een uitgebreid buffet aan aperitiefhapjes voorgeschoteld uit de laatste drie Dream Syndicate platen: ‘The Medicine Show’ (‘84), ‘Out Of The Grey’ (‘86) en ‘Ghost Stories’ (‘88), waarna met de integrale versie van ‘The Days Of Wine And Roses’ de hoofdschotel werd opgediend.
De groep stak van wal met het van Blind Lemon Jefferson geleende “See That My Grave Is Kept Clean”, de countryrockabilly van “Daddy’s Girl” en het strakke FM rock anthem “Forest For The Trees”. Het zijn stuk voor stuk nummers waarvan de meeste doorgewinterde Dream Syndicate fans voor het eerst in 25 jaar nog eens live konden proeven, en hier gelukkig werden ontdaan van het overbodige laagje productionele vernis dat de oorspronkelijke studioversies wel eens durfden te ontsieren. Vooral Jason Victor, de junior in het gezelschap, kreeg van Wynn geregeld carte blanche om naar Neil Young & Crazy Horse lonkende rockers zoals “Bullet With My Name On It” en “Now I Ride Alone” te injecteren met vurig snarengeweld. Gitaargenot van de bovenste plank dus, dat culmineerde in een lang uitgesponnen versie van publiekslieveling “Boston”.
Niet dat we tijdens de eerste concerthelft niet hebben genoten van Wynn & co’s trip down memory lane, toch diende het eerste echte kippenvelmoment zich pas aan toen de groep zich na goed drie kwartier uiteindelijk op de integrale versie van ‘The Days Of Wine And Roses’ stortte. De inleiding was op zich reeds bepaald beklijvend te noemen. De ritmesectie hield zich even koest terwijl Wynn en Victor dicht tegen elkaar gingen aanleunen voor een snelcursus tegendraadse notenleer. Prompt hing er onheilszwangere atmosfeer in de zaal, en heel eventjes waanden we ons zelfs de stille getuigen van een onuitgegeven demo die Lou Reed en Sterling Morrison in het repetitiehok van The Velvet Underground  in elkaar hadden geflanst. De spanningsboog mondde uit in de beginnoten van openingsnummer “Tell Me When It’s Over”, een muzikale kruisbestuiving tussen de jingle-jangle gitaarpop van The Byrds en het rauwe nihilisme van (alweer) The Velvet Underground.
De hoogtepunten volgden elkaar daarna in ijl tempo op, kon ook moeilijk anders wanneer één van de meest bepalende schijven uit de USA gitaar underground scene van voor naar achter én zonder veel blabla worden opgediend. De storyteller en grapjas in Wynn had vanavond immers duidelijk plaats geruimd voor zijn gitaarheld alter ego.
Tijdens “That’s What You Always Say” en persoonlijke favoriet “Halloween” kon de veteraan lekker loos gaan, en ook zijn oude makkers Duck en Walton klonken net dat ietsje hechter en puntiger dan tijdens de eerste concerthelft. Bovendien hadden de heren bepaalde songs van een extra scherp randje voorzien en zo de 30 jaar oude studioversies extra nieuw leven ingeblazen.
Zo kreeg “When You Smile” een dissonante feedback intro mee van Jason Victor, en kwam The Dream Syndicate nooit eerder zo dicht in de buurt van punkrock als tijdens het ontregelde “Then She Remembers”. Wynn informeerde voor alle zekerheid of er Black Flag T-shirts in de zaal aanwezig waren, maar dat bleek al bij al nog mee te vallen. In afsluiter “The Days Of Wine And Roses”, een cowpunk anthem avant la lettre, werd dan weer een flard van de evergreen “Who Do You Love” verwerkt.
En nog was de koek niet op. Het eerste bismoment werd volledig opgehangen aan het stomende “John Coltrane Stereo Blues” dat afklokte op een slordige 10 minuten. Het gitaargefriemel duel tussen Wynn en Victor laveerde hierbij tussen pakweg Television en Sonic Youth, om maar ergens aan te geven dat beide heren in dit nummer niet vies waren van enige avantgardistische spielerei. Na al dat snarengeweld overheersten bezinning en weemoed de tweede encore ronde. “When The Curtain Falls” klonk dermate donker en bevreemdend dat dit onmogelijk de afsluiter van een geweldige avond kon zijn. Die eer bleek weggelegd voor “Merrittville”, een van melancholie doortrokken brok americana waar alweer Neil Young om de hoek kwam kijken.

Als grappenmaker in Danny & Dusty, Gutterball of The Baseball Project, samen met The Miracle 3 of gewoon in zijn dooie eentje: in welke gedaante Wynn ook opduikt, steeds staat de man garant voor zinneprikkelende sets. In het gezelschap van The Dream Syndicate willen we daar na vanavond ook de term ‘memorabel’ aan toevoegen, met de ‘M’ van Magistraal, Meeslepend en Majestueus.

Steve Wynn had eerder op de avond een paar van zijn Vlaamse vrienden opgetrommeld om het publiek alvast wat te entertainen. Piv Huvluv kreeg de eer om de boel aan elkaar te praten, terwijl Derek en Bruno Deneckere als voorprogramma een intieme akoestische set hadden voorzien. Hun close harmony folkrock riedeltjes luisterden lekker weg, en op het eind was het duo zelfs bepaald indrukwekkend te noemen toen bleek dat ze erg goed overweg konden met Dylan’s “You Ain’t Goin’ Nowhere”.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/dream-syndicate-23-05-2013/
Organisatie: Depot, Leuven

 

Les Nuits Botanique 2013 – Johnny Hostile – Savages (Girlpower voor gevorderden!)
Les Nuits Botanique 2013
Botanique (Orangerie)
Brussel

De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn sinds 2 oktober 2012. In het weinig benijdenswaardige gezelschap van o.a. Lisa Marie Presley, Neil Sedaka en Mumford & Sons kreeg BBC2 icoon Jools Holland die avond het Londense Savages over de vloer voor wat later een spraakmakend televisiedebuut zou blijken. Het jonge all-female kwartet kreeg toen nauwelijks drie minuten toebedeeld, maar dat bleek ruimschoots voldoende om het nietsvermoedende publiek met een furieuze versie van hun debuutsingle “Husbands” vlotjes van haar sokken te blazen.
Zowat gans postpunkminnend England heeft intussen door dat Savages misschien wel het langverwachte gezelschap is dat het ingedommelde genre nieuw leven kan inblazen. De rest van de wereld moet en zal volgen, dus waren de samenstellers van Les Nuits Botanique er zoals gewoonlijk als de kippen bij om deze nieuwe sensatie naar een net niet uitverkochte Orangerie te lokken. De timing kon echt niet beter, want Savages heeft sinds begin deze maand met ‘Silence Yourself’ een kopstoot van een eersteling gebaard die nu al druk solliciteert naar de hoogste regionen van menig eindejaarslijstje.

Met de verbeten opener “City’s Full” leverde het kwartet meteen een indrukwekkend visitekaartje af. Muzikale echo’s van iconische postpunk pioniers als Siouxsie & The Banshees, The Slits, The Fall en The Au Pairs klonken dan wel redelijk vertrouwd in de oren, toch kan je de groep bezwaarlijk een copycat noemen. Met Savages lijkt namelijk eindelijk nog eens een jonge band met een eigen filosofie te zijn opgestaan wiens songs niet zelden in de eigen ziel kerven, en die nummers live ook nog eens overtuigend en zelfverzekerd kan neerzetten.
Alhoewel de groep met Gemma Thompson (gitaar), Ayse Hassan (bas) en Fay Milton (drums) drie gepassioneerde muzikanten in huis heeft, is het toch overduidelijk dat Savages valt of staat met de enigmatische girlpower van zangeres Jehnny Beth. In een vorig leven heette deze naar Londen uitgeweken Française nog Camille Berthomier en verdiende ze de kost als actrice, maar het gitaarminnend volkje is maar wat blij dat ze de cameralens intussen heeft ingeruild voor een microfoon. Met haar tenger lijf, kort zwart piekhaar en indringende blik lijkt ze overigens wel de vrouwelijke verpersoonlijking van Ian Curtis, met dit verschil dat Beth rondhuppelt als een dartel veulen en niet vies is van een rondje shadow boxing. Vocaal leunt ze afwisselend aan bij collega drama queens Siouxsie Sioux, PJ Harvey, Anna Calvi en Yeah Yeah Yeahs’ Karen O, maar als het op emotionele geladenheid en verbetenheid aankomt wint Beth het met de vingers in de neusgaten van haar voorgangers.
Na een verschroeiende start duwde de groep met “I Am Here” en “She Will” nog eventjes verder op het gaspedaal, en liet het publiek pas na een kwartier een eerste keer op adem komen met het nieuwe en voorlopig onuitgegeven “Fuckers”. Althans, daar leek het aanvankelijk toch op. Beth dolde een beetje in het rond door het publiek te waarschuwen dat deze te mijden mensensoort altijd en overal, en ja zelfs in de Orangerie kan opduiken. Wat begon als een soort militante white rap song, drijvend op de repetitieve mission statement “Don’t Let The Fuckers Get You Down”, barstte uiteindelijk toch los in een gecontroleerde woede aanval van Beth in een decor van dissonante noise. Na de bevlogen punk van “No Face” volgden met “Strife” en “Waiting For A Sign” de enige twee relatieve rustpunten van de avond, waarin de getormenteerde uithalen van een theatrale Beth en de abstracte gitaareffecten van Thompson de hoofdrol opeisten.
Toen het tempo in de laatste concerthelft opnieuw genadeloos de hoogte werd ingejaagd kwam het gevreesde spook van de eenvormigheid toch heel eventjes de kop opsteken. Nummers als  “Flying To Berlin”, “Another War” en “Hit Me” zijn op zich prima postpunk uppercuts, maar herbergen in deze volgorde iets te weinig variatie om de opgebouwde spanning lang vast te houden. Dat laatste lukte wel met het brutale “Shut Up” en een stomende versie van “Husbands”, dat intussen is uitgegroeid tot dé signature song van Savages.
We hadden jullie maar wat graag verder laten watertanden over hoe fantastisch de bisnummers wel klonken, maar dat was buiten de eigenzinnige filosofie van Savages gerekend waarin voorlopig geen plaats is voor encores. En eigenlijk, waarom iets opsparen tot de tweede ronde als je alles in één stomend muzikaal orgasme kwijt kan? Het publiek maalde er niet om, in de wetenschap dat het net één van die zeldzame grand cru optredens had meegemaakt die nog lang zal blijven nazinderen.

Het olijke Pukkelpop duo Chokri en Eppo knikten goedkeurend vanuit een donker hoekje in de Orangerie, al zijn ze er volgens ons nog lang niet aan uit in welke tent ze Savages straks gaan huisvesten nabij het anders zo vredige Kiewit. Een middagspot op de Main Stage zou een fatale vergissing zijn, de afsluiter in de Club om Eminem door te spoelen daarentegen een zegen.

Als opwarmer hadden Savages gewoon de producer van hun viersterren debuut, ene Nicolas Congé aka Johnny Hostile, meegetroond naar Brussel. Samen met Savages frontvrouw Jehnny Beth vormde hij trouwens tot voor kort het lofi indie duo John & Jehn, en in 2011 richtten ze hun eigen Pop Noire label op waar o.a. Savages ondertussen onderdak heeft gevonden. In een pikdonkere Orangerie vergreep Hostile zich wat te vaak aan de back catalogue van Suicide om echt van een eigen muzikaal smoelwerk te kunnen spreken. Enkel bij vlagen sloeg de manische electropop wat gensters, met als enig echt memorabel moment het door Beth voorgedragen “Pricks”. Én producer, én platenbaas én performer? Een mens moet niet alles willen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/savages-13-05-2013/
Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

 

Les Nuits Botanique 2013: The Lumerians - Girls Against Boys - 20 years and counting
Les Nuits Botanique 2013
Botanique (Chapiteau)
Brussel

Les Nuits Botanique hebben als alternatief indoor festival in hartje Brussel een stevige reputatie opgebouwd dankzij een eclectisch genre aanbod van aanstormend talent en gevestigde waarden. Girls Against Boys (zie pics homepag) moeten we tot die laatste categorie rekenen, sterker nog, we gingen er tot voor kort gewoon van uit dat dit New Yorkse noise gezelschap voorgoed van de aardbodem was verdwenen. Na een trits goed ontvangen indieplaten in de 90ies en early 00ies had frontman Scott McCloud in 2003 de groep immers officieus ontbonden om zich o.a. te concentreren op het meer intimistische Paramount Styles samen met drummer Alexis Fleisig.

Maar kijk, schijnbaar out of nowhere troffen we afgelopen zondag Girls Against Boys in de speciaal voor Les Nuits opgetrokken Chapiteau tent. De vier Amerikanen, intussen allemaal kwieke veertigers, zitten midden in een Europese tour die wordt opgehangen aan de 20ste verjaardag van hun post-hardcore classic ‘Venus Luxure No.1 Baby’. De beukende opener van die plaat, “In Like Flynn”, stak helemaal voorin de set en zette de bijzonder soepel draaiende band meteen op ramkoers. Een erg goedgemutste McCloud en zijn drie makkers hadden duidelijk genoten van het luie lentezonnetje boven Brussel, maar eens in de tent ontpopten ze zich als meesters van groovy noise en beklemmende hardcore.
De basisingrediënten van de befaamde ‘GvsB sound’ blijken hun houdbaarheidsdatum nog niet te hebben overschreden. Meest bepalend blijft de schorre stem van McCloud, een soort genetische mix van Mark E. Smith (The Fall) en Richard Butler (The Psychedelic Furs). Met Eli Janney en Johnny Temple heeft de groep bovendien twee bassisten in huis, die samen voor een dwingende drive zorgen die zijn weg zoekt en vindt tot diep in de onderbuik. Janney laat zijn vier snaren al eens aan de kant voor keyboards, wat nummers zoals het poppy “Park Avenue” van een donker wave randje voorzag.
In een dik uur serveerden Girls Against Boys een snedige bloemlezing uit pakweg de eerste vier platen. Deze keuze resulteerde in één lange en bijzonder strakke aaneenschakeling van enkel maar hoogtepunten. De meeste van hun bekendste nummers annex bescheiden radiohitjes zijn terug te vinden op de bijna doorbraak plaat ‘House of GVSB’ (‘96), die in de Chapiteau werd bedacht met lekkere brokken funky noise als “Super-Fire”, “Disco Six Six Six” en “TheKindaMzkYouLike”. Op het bezwerende “Satin Down” na vielen de rustpunten trouwens op één vinger te tellen. Het contrast met de opruiende post-hardcore van “Explicit Now” en “Bulletproof Cupid” kon daarna niet groter zijn. Wie zich op dat moment in de eerste publieksrijen bevond moest duidelijk tegen een stootje kunnen.
In twee korte bisrondes rakelden de Amerikanen nog een aantal publiekslievelingen op. Dankzij de ongemeen strakke basgroove blijft “Kill The Sexplayer” één van de absolute kroonjuwelen uit de GvsB catalogus, maar even goed imponeerde de groep met een claustrofobische remake van Joy Division’s “She’s Lost Control”. Met “Psychic Know-How” schudden de Amerikanen nog een laatste uppercut uit hun mouw. McCloud hing de gitaar aan de haak en liet zich als een onbezonnen jonkie door het publiek op handen dragen in een rondje crowdsurfing.
De frontman waande zich tijdens die ene minuut ongetwijfeld een stuk of 20 jaar jonger, een gevoel dat wij eigenlijk al gans de avond hadden. Tegelijkertijd lonken Girls Against Boys ook al naar een volgend hoofdstuk. De kakelverse single “It’s A Diamond Life” is al een feit, een nieuwe EP binnenkort misschien ook. Het is een huizenhoog cliché, maar de toekomst ligt wel degelijk bij de meisjes en jongens.

Even ervoor werd het publiek opgewarmd door The Lumerians, een vijftal uit de San Francisco Bay Area dat in Brussel de recente release van hun tweede full album ‘The High Frontier’ kwam opluisteren. De muzikale geschiedenis van hun thuisbasis indachtig zit hun spacerock volgepropt met psychedelische invloeden, hier en daar geïnjecteerd met een verslavende krautrock groove. Niet meteen hapklaar radiovoer dus, wel een stevige aanrader voor liefhebbers van pakweg Hawkwind, Can en early Suicide.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/girls-against-boys-05-05-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/lumerians-05-05-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/driving-dead-girl-05-05-2013/

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique 2013)

 

In het Belfast van eind jaren ’70 had je als street kid op zoek naar wild muzikaal vertier maar weinig andere opties dan de militante en licht ontvlambare punk van Stiff Little Fingers. Wie zichzelf een beetje ernstig neemt als muziekliefhebber heeft op zijn minst één van de drie essentiële platen van dit viertal in huis: het rauwe debuut ‘Inflammable Material’ (‘79), de gepolijste maar zo mogelijk nog betere opvolger ‘Nobody’s Heroes’ (‘80) en de legendarische live schijf ‘Hanx!’ (‘80). Daarna leek het heilige vuur wat geblust, en dook de band onder leiding van de politiek incorrecte brulboei Jake Burns eerder sporadisch en in tal van verschillende bezettingen nog eens onder de spotlights.
Met de terugkeer van originele bassist Ali McMordie ligt Stiff Little Fingers de jongste jaren opnieuw goed in de markt van het live circuit. Om de opnames van de sinds lang aangekondigde nieuwe plaat te financieren trekt het Noord-Ierse gezelschap deze lente in full force door Europa. Lucky bastards als we zijn konden we een kaartje verzilveren voor de laatste avond van de ‘Up A Gear’ tour in de jarige 4AD club.

De hamvraag bij uitstek blijft of strijdvaardige bands als Stiff Little Fingers na al die decennia hun idealen nog geloofwaardig kunnen neerzetten, en welke songs de tand des tijds hebben doorstaan. Op die laatste vraag kregen vooral de talrijk opgekomen veertigers en vijftigers prompt een niet mis te verstaan antwoord. Oudjes “At The Edge” en “Wasted Life” werden retestrak en melodieus geserveerd, en brachten al meteen enige beweging in de voorste rijen. De grove korrel in de schuurpapieren strot van Jake Burns is met de jaren wel flink wat afgesleten, met als logisch gevolg dat songs uit de eerste platen een pak minder gevaarlijk en baldadig klinken als in ’79. Gebleven zijn de vinnige commentaren van de frontman op alles wat ruikt naar sociale onderdrukking en politieke hypocrisie, zelfs op de vrij potige nieuwe nummers zoals “Trail Of Tears” en “Welcome To The Liars Club”.
Vooral in hun begindagen kreeg Stiff Little Fingers door de Engelse muziekpers wel eens de nickname ‘The Irish Clash’ opgespeld. De groep liet die vergelijking allesbehalve aan zijn hart komen, temeer er toen wel meer groepjes kwamen boven drijven die zich bedienden van working class punk en een vleugje ska. Burns & co werden uiteindelijk dikke maatjes met wijlen Clash opperhoofd Joe Strummer, en droegen ook in de 4AD hun gevallen kompaan een warm punkhart toe getuige het ontwapenende “Strummerville”. Ook de olijke vrienden van The Specials kregen met een vertimmerde versie van hun “Doesn’t Make It Alright” een eresaluut. Het werd zo mogelijk nog luchtiger toen ook “Barbed Wire Love” uit de debuutschijf ‘Inflammable Material’ werd opgevist, volgens Burns één van de weinige pogingen van Stiff Little Fingers om een love song te schrijven die uiteindelijk een soort kruisbestuiving tussen punkrock en doowop opleverde.
Niet dat er tijdens de eerste concerthelft niets opwindends te beleven viel, maar ergens hadden we toch de indruk dat de groep zich een beetje had gespaard voor een soort grand final tijdens het laatste halfuur. Net voor de bisronde hadden de punkveteranen al een eerste splinterbommetje gedropt met een snedige versie van hun allereerste single “Suspect Device”. Vlak daarna werden de encores afgetrapt met alweer een tribute song, dit keer aan het adres van hun semi-legendarische tijdsgenoten The Ruts wiens “Staring At The Rude Boys” van onder het stof werd gehaald. Met een militant “Tin Soldiers” en hun all-time signature song “Alternative Ulster” werden de laatste adrenalinestoten uitgedeeld.

Slotsom: Stiff Little Fingers is meer dan een museum voor en door overjaarse punkrockers. Hun arsenaal aan klassiekers in het genre blijft onaangetast, en alhoewel de nieuwe songs een paar versnellingen lager schakelen blijft hun onderliggende boodschap brandend actueel.


Als opwarmer van dienst kregen we het Westvlaamse Unwanted Tattoo voorgeschoteld. Aan het roer van dit kwartet staan twee ‘ervaren’ dames op gitaar en bas die samen met hun twee mannelijke kornuiten ons een heerlijk potje psychobilly voorschotelden. Referenties naar The Cramps waren bijwijlen wel erg duidelijk, inclusief de obligate tijgervelletjes, maar het speelplezier droop er zo van af dat je dit moeilijk een bezwaar kon noemen.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Toegegeven, normaal gezien fietsen wij in een wijde bocht omheen Engelse groepjes die met de titel van NME’s best track of the year aan de haal gaan. Vorig jaar viel die twijfelachtige eer te beurt aan “Best Of Friends” van het Londense Palma Violets, maar voor één keer lijkt er meer aan de hand dan louter one minute of fame. Hun onlangs verschenen debuut ‘180’, vernoemd naar de krakkemikkige Studio 180 waar ze maandenlang aan hun eersteling sleutelden, staat immers bol van het soort vintage gitaargerammel waar The Libertines, Arctic Monkeys en The Vaccines  al eerder de hoofdvogel mee afschoten. Bovendien heeft het in 2010 opgerichte viertal in korte tijd een behoorlijke live reputatie bij elkaar gespeeld. Dankzij intensief touren langs pubs en clubs heeft de populariteit van Palma Violets in hun thuisland intussen ongekende hoogtes bereikt.
De groep is intussen ook bezig aan de verovering van het Europese vasteland, logisch dus dat zowat alle Vlaamse muziekclubs in de rij stonden om dit jonge Engelse grut in vette letters op de affiche te zetten. De strijd werd uiteindelijk ietwat verrassend gewonnen door de Democrazy in de Gentse Charlatan, die dan ook in no time het bordje ‘sold out’ mocht bovenhalen voor de laatste halte op de Europese toer van het viertal.

Elk groepje dat op de tonen van The Damned’s “New Rose” vrolijk het podium komt opgewandeld kan per definitie op onze sympathie rekenen. En warempel, net als hun iconische landgenoten hebben ook Palma Violets twee zingende frontmannen in de aanbieding. De bariton van gitarist Sam Fryers, die uitdrukkelijk lonkt naar Nick Cave of de crooner in Iggy Pop, wordt hierbij achterna gezeten door de oerschreeuw van bassist Chilli Jenson die het van meet af aan zijn heilige plicht vond om het publiek op te hitsen. Dat lukte al aardig met de nonchalante opener “Johnny Bagga’ Donuts”, maar pas met de psychedelische garagerock van “Rattlesnake Highway” was het er echt wel boenk op. Dit soort nummers zouden niet eens misstaan op één van de 60ies Nuggets verzamelaars of op de eerste paar platen van The Stranglers, en daar zit het gammele orgeltje van Peter Mayhew ongetwijfeld voor iets tussen. Fryers en Jenson mogen dan al de show stelen, toch lijkt Mayhew de belangrijkste man in de groep die de set gedecideerd orkestreert en de songs van een donker psychedelisch randje voorziet.
Palma Violets raasden met een rotvaart door hun debuut en lieten hierbij geen dieptepunten noteren. “All The Garden Birds” was een introspectief rustpunt opgehangen aan een kabbelend Zombies orgeltje, het bezwerende “Chicken Dippers” baadde in een bad van reverb en stond bol van de tempowisselingen, en tijdens de prille Britpop classic “Best Of Friends” noteerden we de eerste verdienstelijke poging tot skydiving. Op de B-kant van die debuutsingle prijkt trouwens “Last Of The Summer Wine”, één van de prijsbeesten op ‘180’ waarvan in de Charlatan duidelijk werd dat dit een festivalanthem in wording is.
Na een stomende set van drie kwartier werden de Belgische fans bedankt voor het warme onthaal met het wiegeliedje “14”. Hiermee hadden we nagenoeg de volledige debuutschijf gehad, maar de fans van het eerste uur wisten intussen dat hun Violets zich in een korte maar bijzonder heftige bisronde nog zouden vergrijpen aan “Invasion Of The Tribbles” van de obscure Canadese 80ies punkband The Hot Nasties. Deze miskende pogo classic ging er bij het jonge volkje in als zoete broodjes, met als resultaat dat het podium in no time werd bevolkt door een kolkende horde fans die een mondje kwamen meebrullen. Het genadeschot kwam er met het ironische niemendalletje “Brand New Song”, waarin de groep heerlijk de draak stak met zichzelf en met de muziekbusiness.

Lang hoeven we niet op zoek te gaan naar een eerlijk oordeel over deze bezwete avond in de Charlatan. In geen tijden hebben we zo genoten van een bevlogen en onbezonnen Engels groepje als Palma Violets, en zie, onze inkt is nog niet helemaal droog of Jan Smeets en Herman Schueremans zijn intussen ook wakker geschoten. We wensen de Violets straks het beste op resp. Pinkpop en Rock Werchter, maar dat eerste wervelende optreden op Belgische bodem in afwezigheid van dronken tentsletjes neemt niemand ons nog af.

Organisatie: Democrazy, Gent

Pagina 9 van 18