logo_musiczine_nl

Trix, Antwerpen - events

Trix, Antwerpen - events - 03 juni: Ben Kweller - 04 juni: Spoor series - 06 juni: kanekoayano - 06 juni: Girls to the front x Trix - 07 juni: Kylesa, Modder - 09 juni: The story so far, Drain - 09 juni: Cass McCombs ‘interior live oak’ tour, Twenty One…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_06
Gavin Friday - ...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

zaterdag 27 juni 2026 16:15

Stepmother - Met pieken en dalen

Stepmother - Met pieken en dalen

Met dergelijke temperaturen naar The Pit's trekken was vroeger een hachelijke onderneming. Maar intussen bleek mijn favoriete punkhol over de luxe van een functionerende airco te beschikken zodat de hitte er, binnen de perken bleef. Het was er zelfs beter binnen dan buiten. Het is ooit anders geweest.

Toen drummer Kobi door kanker een teelbal verloor, doopten de twee andere groepsleden hem meteen liefkozend om tot Kobi One. De groepsnaam, Kobi One & The Full Sacks, lijkt me dan ook een logisch vervolg. Verder bestond het Gentse trio uit bassist 'Lucky' Lukas en zanger-gitarist Almo Gonzalez, die je zou kunnen kennen van Las Almorranas. Toen ze eraan begonnen, dook er achteraan het podium nog een vierde man op. Keurig in het pak en met zijn gezicht verscholen achter een bivakmuts bleef hij zich de hele set lang aan de meest fascinerende dansjes wagen. Heel lang duurde het niet voor hij helemaal vooraan stond en zich van jas en hemd ontdeed. Onvermoeibaar bleef hij alle aandacht naar zich toe zuigen waardoor je bijna vergat dat er achter hem ook nog een groep stond te spelen. Die brachten een compromisloze mix van garagerock en hardcore waarin weinig plaats was voor nuance. Dit klonk meestal lomp en dreunend als een losgeslagen goederentrein. Toch had de band best wel zijn momenten. Vooral de zang kon me bekoren, hoewel Almo Gonzalez zich tegen het einde wat te vaak verloor in hardcoremaniërismen. Ook zijn gitaarspel, dat een paar keer zelfs psychedelische trekjes vertoonde, maakte behoorlijk indruk. Of hij daar zelf tevreden mee was, blijft maar de vraag, want na de laatste noot sloeg hij zijn gitaar aan gruzelementen.
Vreemd slot van een al even vreemde set waarin een anonieme danser met de pluimen ging lopen.

Stepmother is een powertrio uit Melbourne rond Graham Clise die ook actief was en is in enkele andere bands: Annihilation Time, Rot TV, Lecherous Gaze en Witch. Die laatste band is een nevenproject van J Mascis waarin de gitaargeweldenaar van Dinosaur Jr. achter de drums kruipt. Een Amerikaanse band dus, net als Lecherous Gaze uit Oakland, Californië waarmee hij acht jaar geleden al eens in The Pit's speelde, zo meende Clise zich te herinneren. Of dat klopt weet ik niet, maar een duik in mijn archieven leerde me dat ik Lecherous Gaze, samen met Danava, al in 2011 in The Pit's aan het werk zag. Intussen ruilde hij de States voor Australië waar hij met Stepmother onlangs een tweede plaat, ‘Absurdus Manifestus’, uitbracht.
Graham Clise verscheen op het podium in een Blue Öyster Cult-T-shirt, wat niet meteen het beste deed vermoeden. De muziek van Stepmother wordt nogal eens omschreven als proto-punk maar dat zal de lading slechts gedeeltelijk dekken. Mijn definitie van proto-punk is harde, agressieve, rauwe en primitieve rock ontstaan uit de garagerock van de jaren zestig, waarin de eerste kiemen van de punk al hoorbaar waren. De bakermat bevond zich in Detroit met groepen als MC5, The Stooges en Death. De laatste keer dat ik de term proto-punk nog eens boven haalde was bij een optreden van The Schizophonics, maar die band lijkt toch weinig gemeen te hebben met Stepmother. Als invloeden verwijst Graham Clise graag naar groepen als The Damned, The Pink Fairies, Nervous Eaters of Blue Cheer. Vooral die laatste invloed leek me onmiskenbaar, al maak ik meteen de kanttekening dat Blue Cheer door velen wordt beschouwd als de eerste hardrockband.
Want Stepmother mag zich dan wel als een punkband profileren, de hardrock was nooit ver weg. Gelukkig bleef dat goed gedoseerd terwijl Clise voldoende lef had om af en toe flink buiten de lijntjes te kleuren.
Al vroeg in de set verraste hij met "El Gusano", een onversneden surfinstrumental en wat mij betreft het beste nummer van de avond. Stepmother was op zijn best wanneer het tempo werd opgedreven en het fuzzpedaal werd ingetrapt. Jammer genoeg vond Clise het nodig om de band op zijn t-shirt te eren met een paar tamme nummers, voorzien van wel erg gladde backing vocals. Gelukkig bleef het bij die twee uitschuivers en uiteindelijk bleek Stepmother een best genietbare band waarbij mijn sympathie vooral uitging naar de noest meppende drummer Lee Parker, en dat zeker niet alleen om zijn Dead Moon-T-shirt.
Het werd helemaal mooi met het afsluitende "Journey to the center of the mind", een bijzonder gesmaakte cover van The Amboy Dukes, de eerste band van een toen nog niet ontspoorde Ted Nugent.
Dit orgelpunt versterkte alleen maar het gevoel dat er meer in had gezeten, zeker omdat Stepmother het al na een krap halfuur voor bekeken hield.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

woensdag 17 juni 2026 21:05

Left Lane Cruiser - Vulkanische krachten

Left Lane Cruiser - Vulkanische krachten

Achteraf vroeg iemand me hoeveel keer ik Left Lane Cruiser al aan het werk had gezien. Ik heb de teller niet bijgehouden maar ik vermoed zo'n twintigtal keer, al kan dat evengoed een grove onderschatting zijn. "Geraak je daar dan nooit op uitgekeken?" hoor ik niet-ingewijden al meteen denken. In geen geval.
Telkens wanneer ik hen ga zien kijk ik daar even reikhalzend naar uit als een kind naar Sinterklaas.
Nochtans lijkt er sinds die eerste keer in de Antwerpse Bar Mondial in 2008 niet eens zo heel veel veranderd te zijn. Maar hun drieste intensiteit weet me telkens opnieuw midscheeps te treffen.

Tweeëntwintig jaar na hun ontstaan heeft Left Lane Cruiser niets aan urgentie, explosiviteit en frisheid ingeboet. Integendeel, met een verse drummer lijken ze zelfs een nieuwe piek te bereiken.
Drummers: het blijft een heikel punt bij Left Lane Cruiser. Zanger-gitarist Freddy J IV zag er in de loop der jaren al verschillende de revue passeren: Brenn Beck (2X), Pete Dio, Johnny Revers... Sinds een paar jaar mag Rick Kinney, die ook actief is bij de instrumentale progrockband Moser Woods, de honneurs waarnemen. De eerste keer dat ik Kinney aan het werk zag, vorig jaar in de 4AD, vond ik zijn stijl nog wat gezwollen. Zeker in vergelijking met de kurkdroge aanpak van Brenn Beck, drummer van het eerste uur.
Nu ik Rick Kinney voor de vierde keer zag spelen, leek hij volledig geïntegreerd in de sound van Left Lane Cruiser, al is het evengoed mogelijk dat ik me verzoend heb met zijn uitermate explosieve spel. Explosief maar ook met veel oog voor detail waarbij de koebel, nog steeds mijn favoriete percussie-instrument, niet mocht ontbreken. Kortom, Rick Kinney lijkt goed op weg om uit te groeien tot de beste Left Lane Cruiser-drummer ooit.
Freddy J IV begon zijn set voor de gelegenheid eens zonder de gebruikelijke wagonlading bierflesjes naast zich. In de plaats daarvan stond er een gigantische maatbeker, tot aan de rand gevuld met bier. Het leek me erg onhandig om daaruit te drinken, maar Freddy kende er geen enkel probleem mee. In geen tijd was de kan leeg. Gelukkig was er nog een devote fan, "an angel" volgens Freddy, die voor verse aanvoer zorgde.
Net als twee weken eerder in Duinkerke trapte Left Lane Cruiser af met "Wild about you baby" van Hound Dog Taylor, een bijzonder rauw nummer dat het duo uit Fort Wayne, Indiana als gegoten zit. Later volgde nog een cover, "I feel like going home", niet toevallig van Muddy Waters. Samen met Hound Dog Taylor is dat immers een van de bluesmannen die bij Freddy J IV het hoogst staan aangeschreven.
Verder hoorden we niets dan eigen nummers, kris kras bijeen gesprokkeld uit het inmiddels behoorlijk omvangrijke oeuvre van Left Lane Cruiser. "We brengen zowel blues als rock", riep Freddy, wat allerminst impliceerde dat ze bluesrock speelden, of wat daar tegenwoordig voor moet doorgaan. Dit stond mijlenver af van de saaie interpretaties van de blues van artiesten als Joe Bonamassa, Walter Trout of Samantha Fish.
Net als GA-20 omschrijft hij zijn muziek als ‘heavy blues’ maar ook die term dekt volgens mij de lading niet volledig, ook al omdat 'heavy' te gemakkelijk associaties oproept met heavy metal. Ik hou het bij 'trashblues', al is ook dat geen perfecte omschrijving om die unieke sound van Left Lane Cruiser te vatten. Die sound dreef vooral op Freddy's impressionante gitaarspel. Dat klonk luid, gruizig en smerig, maar in die ogenschijnlijke puinhoop gingen verrassend knappe melodieën schuil. Naast hem roffelde Rick Kinney alsof zijn leven ervan afhing terwijl hij ons tussendoor ook nog verblijdde met een streepje mondharmonica.
Schijnbaar niet zonder enige moeite probeerde Freddy met zijn ongelooflijk rauwe strot - het leek wel alsof er grind door zijn bier gemengd was - boven die vulkanische krachten uit te torenen. "Merci beaucoup", brulde hij na elk nummer, waarna hij onverstoorbaar en begeleid door de nodige krachttermen telkens opnieuw zijn gitaar begon te stemmen. Het mocht dan al behoorlijk trashy klinken, Freddy blijft een perfectionist. Die onderbrekingen haalden weliswaar de vaart uit de set, maar zodra een nieuw nummer losbarstte was dat snel vergeten. Dit waren immers stuk voor stuk pareltjes die me de adem benamen en me een pijnlijke nek bezorgden.
Zowel oudere nummers als "Claw Machine Wizard" en "Heavy Honey" als recenter songs als "Turkey Vulture" en "River Picker" bleken erupties van gloeiende lava. Daartussen dook ook een onuitgegeven nummer op, gelardeerd met verrassend zuiver gezongen ooh-oohs. Dat stemt alvast hoopvol voor de nieuwe plaat, waar ze binnenkort werk van zullen maken. Hoogtepunten aanwijzen in een set waarin niet één mindere song te bespeuren viel, is onbegonnen werk. Al veerde ik ook hier weer op toen "Big Momma" en "Hillgrass Bluebilly" passeerden, twee nummers uit hun prille beginperiode. Terwijl het al even oude "Mr. Johnson", een ode aan hun enkele jaren geleden overleden mentor Chris Johnson, me opnieuw kippenvel bezorgde.

Een ontketend Left Lane Cruiser bleek nog maar eens een klasse apart. Daar kon zelfs een irritante asshole, die zich toch zo graag eens in de schijnwerpers wilde werken, niets aan veranderen.

Organisatie: Botanique, Brussel

The Ex - Drie meedogenloze gitaren in de frontlinie

Het werd een heel mooie avond in De Zwerver hoewel ik toch wat meer volk had verwacht voor een monument als The Ex. Maar de groep uit Amsterdam was natuurlijk al enkele keren met exact dezelfde show, waar geen millimeter van wordt afgeweken, in het land te zien geweest.
De zaal werd dan maar geruild voor de foyer en dat bleek de perfecte setting: The Ex klonk er intenser dan ooit.

Maar eerst zorgde Frankie Traandruppel voor een gesmaakt aperitief. Frankie Traandruppel (genoemd naar het nummer "Frankie Teardrop" van Suicide) is het alter ego van Lee Swinnen, nog steeds de zoon van Guy. Met de succesvolle groepen Tubelight en Double Veterans haalde Lee Swinnen in de jaren 2010 de Belgische garagerock mee uit het slop.
Na de coronaperiode volgde een drastische koerswijziging  en koos hij voor het slaapkamerproject  Frankie Traandruppel. In zijn eentje maakte hij ondertussen drie albums waarvan ‘Translation is key’ uit 2025 de meest recente is, naast een hele reeks singles en EP's.
Live laat hij zich bijstaan door bassist Bart Weyens (Statue) en drummer Noah Melis ( Bed Rugs, Borokov Borokov, Olden Yolk, Shy Dog en The Porn Bloopers).
Een nonchalant ogende Frankie Traandruppel opende zijn set meteen raak met "It's alright (now)", een single van enkele jaren geleden. Het deed me denken aan The Velvet Underground en dat zou die avond zeker niet de laatste keer zijn.
Met hun drieën brachten ze heerlijk loom rammelende garagerock/pop waarin ik af en toe ook de slackerrock van Pavement hoorde sluimeren. In het van de recentste plaat afkomstige ‘Pop’ leek dan weer de geest van The Beach Boys rond te waren. Een enkele keer werd het gaspedaal wat dieper ingedrukt maar het punky "Working retail" kon toch moeilijk tot de hoogtepunten gerekend worden.
Slotsong "Sad trip" hoorde daar duidelijk wel bij. Als de stelling waar ik vroeger sterk in geloofde - dat een groep staat of valt met de kwaliteit van hun traagste song - enige waarheid bevat, dan zit het meer dan goed voor Frankie Traandruppel.

 Vorig jaar zag ik The Ex nog op Les Nuits Botanique, waar ze zowel Mclusky als The Jesus Lizard het nakijken gaven. Daarvoor hadden ze niet eens een 'best of' nodig. Nee, ze speelden gewoon hun volledige pas uitgekomen plaat van begin tot eind.
Dat kunstje werd in De Zwerver nog eens overgedaan, waar opnieuw bleek hoe sterk ‘If your mirror breaks’ wel is. Deze muziek klinkt zo urgent dat een déjà vu gevoel geen kans krijgt.
Opnieuw werd het van de eerste tot de laatste seconde een feest voor wie houdt van punk, verrijkt met invloeden uit zowel noise, folk, etnische muziek als jazz.
De set werd geopend met "Beat beat drums", een explosie van ritmes met Bo Diddley als leidraad en waarin Terrie Hessels zijn aftandse gitaar te lijf ging met een drumvel. Terrie Hessels, de enige die er van bij het begin bij was en inmiddels de zeventig gepasseerd, dartelde nog steeds als een jong veulen over het podium. De tijd lijkt geen vat op hem te hebben en het aanstekelijke enthousiasme dat hij blijft uitstralen tref je zelfs bij jonge groepen zelden aan.
De rusteloze interactie tussen de drie gitaren was adembenemend. De bizarre, meedogenloos hamerende gitaren van Hessels en Andy Moor in combinatie met het wat conventionelere spel van Arnold de Boer, waarin af en toe wat Afrikaanse invloeden doorsijpelden, vormden een constante bron van vuurwerk. Opvallend daarbij was de afwezigheid van de gebruikelijke effectpedalen. The Ex blijft zweren bij het ambachtelijk creëren van geluidseffecten door de snaren op spectaculaire wijze met allerhande vreemde voorwerpen te manipuleren zoals ook Sonic Youth dat destijds deed. De zang van de Boer mocht dan al wat monotoon klinken, ze bleef mede dankzij de soms verrassende woordkeuzes een dwingende aanwezigheid.
Ten slotte was er nog Katherina Bornefeld, enigszins verscholen in het halfduister achteraan het podium, die met haar stuwende, non-conformistische drumspel de motor soepel draaiende hield. Toen ze haar drumstel even verliet om vooraan "Wheel" te zingen, leverde dat misschien niet het beste nummer van de avond op, maar het was haar van harte gegund en zorgde bovendien voor een welgekomen rustpunt.
Daarna ging het weer crescendo en raakte het publiek steeds meer in de ban, wat vooraan het podium leidde tot uitzinnige danstaferelen. Het kookpunt werd definitief bereikt met "Great", een toepasselijk getiteld en onontkoombaar anthem vol wervelende gitaren en drieste drums. Toen hield een dolenthousiaste Herr Seele het niet langer uit: hij stormde het podium op en hing zijn stropdas om de hals van Katherina Bornefeld.
Uiteraard kon een bisnummer in deze jubelstemming niet ontbreken. Eerst kregen we "The heart conductor", dat na lang aandringen gevolgd werd door "Soon all cities", twee nummers uit hun voorlaatste plaat ‘27 passports’.
Achteraf kon men zich nog vergapen aan een enorme merchandisetafel waarop minstens zestien verschillende platen uitgestald lagen.
The Ex lijkt momenteel werk te maken van een heruitgave van haar volledige catalogus op vinyl. Daardoor drong de vraag zich op waarom er geen nummers uit die heruitgebrachte platen op de setlist stonden. Jammer misschien, maar ook zonder die nummers bleef dit een imposante set. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 31 mei 2026 20:46

Surf Trash - Surf noch trash

Surf Trash - Surf noch trash 

De schrale zandgrond van de Kempen blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor rock-'n-roll. In de schaduw van het onvergankelijke Sjockfestival schieten garagepunkbandjes als paddenstoelen uit de grond.
Zo ook Itches uit Vorselaar dat in 2020 de wereld kwam verblijden met 'carapunk'. Ik zag ze een paar jaar geleden in het voorprogramma van River City Tanlines in The Pit's maar toen konden ze me nog niet helemaal over de streep trekken.
Nu leek de band alleen maar gegroeid. Met ‘House animal included’, tegelijk verschenen bij het Nederlandse Wap Shoo Wap Records en Belly Button Records, hadden ze bovendien een fraaie tweede plaat onder de arm.
Itches opende meteen met mijn favoriete nummer van die plaat, "Indians", waarin de geest van de vroege The Kinks rondwaart. De toon was meteen gezet. Wat volgde was een ceremonie, zoals zanger-gitarist Philippe Aguilar Peeters het verwoordde, van eigentijdse fuzzy garagepunk met onmiskenbaar diepe wortels in de sixties.
Korte, onafgewerkte garagerockdiamantjes die onverbiddelijk op de heupen mikten waarbij ik een tevreden grijns op mijn gezicht onmogelijk kon verbergen.
Met de (nieuwe) bassist Hendrik Vanden Berk (Koala Disco) en drummer Arno Sels (Mitraille) aan zijn zijde vond Peeters de perfecte balans tussen de primitieve garagepunk van de 'Back from the grave'-bandjes en de psychedelische fuzz van Ty Segall en consorten. Hoogtepunt was voor mij zonder twijfel het oudere "Blur vision" dat opgeleukt werd met een dubieuze metalsolo waarna alle remmen werden losgegooid in een psychedelische freak-out. Dit was eigenlijk de perfecte afsluiter geweest, want de twee resterende nummers daarna konden plots heel wat minder boeien. Dat neemt echter niet weg dat dit een geweldige set was.

Surf Trash is een groep uit het Australische Lake Macquarie die in 2017 werd opgericht door de broers Andrew (zang/drums) en Nick (bas) Scott. Verder bestaat de band uit de twee gitaristen Lachlan ‘Jacko’ Jackson en Patrick Russell. Hun debuut, "The only place I know", bereikte in 2024 de hoogste plaats in de Australian Aria Charts, de belangrijkste charts down under.
Surf Trash is eigenlijk een wat misleidende bandnaam. Met surf zoals we die kennen van Dick Dale of The Ventures had de groep weinig gemeen maar misschien belichaamden de bandleden zelf het stereotype van de Australische surfer. Van 'trash' was al helemaal geen sprake, gelikter kon het nauwelijks.
Na een vluchtige beluistering vooraf had ik wel het vermoeden dat dit eens kon tegenvallen, maar ik vertrouwde op de doorgaans betrouwbare keuzes van De Zwerver. Bovendien hoopte ik op een Babe Rainbow-effect, ook dat is een Australische band die me op plaat niet echt weet te overtuigen, maar die op Leffingeleuren al twee keer de sterren van de hemel speelde.
Surf Trash opende zijn set, die grotendeels bestond uit nieuwe nummers van hun binnenkort te verschijnen tweede plaat, met een van hun allereerste nummers: "Over my shoulder". Meteen werd de oorzaak duidelijk waarom dit me niet volledig wist mee te slepen: de zang.  Als zingende drummer begin je sowieso met een handicap: je zit achteraan op het podium en vanuit mijn positie was hij bovendien zowat tachtig procent van de tijd verborgen achter de rug van de bassist. Maar dat bleek niet eens het probleem. Het was simpelweg de zang zelf die me niet beviel. Andrew Scott klonk als een in galm gedrenkte, glad gepolijste versie van Tom Petty die bovendien geen boodschap had aan variatie. Een stem die geknipt leek voor grote stadions maar waar ik persoonlijk niet op zat te wachten.
De muziek dan maar? Daar had ik gelukkig minder problemen mee. Zorgeloze, zonovergoten gitaarrock waaraan ze zich nauwelijks een buil konden vallen. Surf Trash wordt meestal geklasseerd bij indie of alternatieve rock maar veel alternatiefs heb ik niet gehoord.
Eenmaal kwamen ze in de buurt van rock-'n-roll, tijdens het oudere "Wave M8", maar voor de rest bleef het bij veilige, zij het best genietbare, classic rock.
Toen bleek dat het applaus na het laatste nummer niet meteen oorverdovend zou worden, gooiden ze hun bis er meteen achteraan. "Friends" bleek zowaar een romantische uitsmijter mede dankzij de oproep van de bassist om je maat eens stevig vast te pakken of samen een dansje te wagen, een suggestie die minstens door twee meisjes werd opgevolgd. Die twee waren daar trouwens zeker niet alleen.
Tijdens de set van Surf Trash stond het vooraan plots vol jonge meisjes die me tijdens het voorprogramma niet waren opgevallen. Zij zullen hier ongetwijfeld met volle teugen van hebben genoten. Wie ben ik dan om te oordelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Automatic Lovers - Punk 'n roll uit Madrid

Keeper Volant uit Brussel werd aangekondigd als een punktrio maar veel punk heb ik niet gehoord en ze oogden al helemaal niet als een punkband. Dit zou ik eerder catalogiseren als vuile (pub) rock. Voor hun Franstalige nummers vonden ze inspiratie bij vooral vrouwen, auto's en voetbal.
Tijdens het nummer "Erling", ongetwijfeld een ode aan Erling Haaland, sterspeler van Manchester City, bleek de band ook een mondje Duits meester te zijn. Hoogstaand zal het niet geweest zijn en ook muzikaal bleef het een wat rommelige bric-à-brac. Soms klonk het als een zwijmelende Jacques Dutronc na een stevig nachtje stappen en dat mag gerust als een compliment worden opgevat. Ik hou wel van dit soort kaduke rock-'n-roll die elk ogenblik lijkt te kunnen ontsporen. Die slordige aanpak, gecombineerd met de weinig toonvaste zang van Samuel Durt deed me tijdens een traag nummer zelfs even denken aan Cheater Slicks, toch een van mijn favoriete groepen. Bassist Wilfrid Morin, met een sardonische grijns op het gezicht gebeiteld, deed er alles aan om de schwung erin te houden maar na een tijdje begon Keeper Volant toch tekenen van metaalmoeheid te vertonen.
In een te lange set werden de mooie momenten te vaak afgewisseld met onuitgewerkte probeersels. Met wat snoeiwerk had dit een boeiende set kunnen zijn, nu werd het vooral slepen richting eindmeet.

Het verschil met Automatic Lovers was immens. Hoewel de Madrilenen heel wat jonger waren, leken ze over tonnen meer ervaring te beschikken. Dit was pure dynamiet verpakt in strakke songs vol pakkende melodieën.
Het openingsnummer was de B-kant van hun debuutsingle: een cover van "Who cares if tomorrow never comes" van Kirk and The Jerks, een mij totaal onbekende groep uit Pennsylvania uit de jaren '80.
Daarna volgde zowat het volledige pas verschenen debuutalbum in exact dezelfde volgorde als op de plaat. Daarmee stonden meteen ook de enige twee covers en toevallig ook de beste nummers van die plaat, zonder het eigen werk tekort te willen doen, helemaal vooraan in de set.
Eerst "High degree", dat zo mogelijk nóg obscuurder was dan die eerste song. Het nummer verscheen in 1977 op de B-kant van de enige single, met op het hoesje in grote letters 'English rock 'n roll', die Next, een Britse groep die in het Franse Toulouse resideerde, ooit uitbracht. Het blijft me een raadsel hoe een stel jongelingen uit Madrid hier ooit op is uitgekomen maar het is verdomd een fantastische song. Het nummer wordt op gang geknald met een uitgesproken Chuck Berry-lick waarna het ergens tussen Dr. Feelgood en The Flamin' Groovies voortdendert.
De tweede cover klonk een stuk vertrouwder: "Pushin' too hard" in de versie van The Vibrators, die het op hun beurt haalden bij de Amerikaanse sixties oergarageband The Seeds. Automatic Lovers lijken trouwens iets te hebben met The Vibrators, want hun groepsnaam haalden ze naar alle waarschijnlijkheid ook bij een single van die Britse punkband uit de jaren zeventig.
Britse seventiespunk, gemixt met Amerikaanse garagepunk, vormde het recept voor hun van rauwe energie barstende sound.
De bijzonder snedige gitarist Arthurr Crash (né Arturo Rodriguez) absorbeerde subtiel invloeden uit andere genres waarbij soms een zweem Angus Young opdook.
Zanger Passedout Kid had een gemene snauw die aanvankelijk nauwelijks hoorbaar was maar dat werd gelukkig snel rechtgezet. Een geboren frontman van wie ik vermoed dat hij nogal wat jonge meisjesharten wat sneller kan doen slaan. Deze keer stond wel wat vrouwvolk vooraan, al waren het eerder dames van rijpere leeftijd maar dansen deden ze in ieder geval vol overgave.
Ondertussen hielden bassist Whisky David en drummer Juan Sinovas het tempo ongenadig hoog.
Tijdens het eindoffensief dook de zanger, terwijl zijn lijf parelde van het zweet, het publiek in, waarna de gemoederen met een Spaanstalig nummer nog verder werden verhit.
Na die zinderende finale sloot Auromatic Lovers stijlvol af met een instrumentale outro die duidelijk schatplichtig leek aan "Purple Haze" van Jimi Hendrix.
Het was weer al een tijdje geleden dat een jonge debuterende band me nog zo bij de kladden greep.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Local Punkheroes - The Spanks - Tijdloze garagerock vol passie

Rock-'n-roll brengt een mens nog eens ergens. Zoals in een godvergeten gat als Schuiferskapelle, deelgemeente van Tielt. Dirty Pik, voorman van The Dirty Scums, organiseert er af en toe, wanneer het hem uitkomt, een festivalletje in zaal Club 77. De release (de 31ste!) van de nieuwe Dirty Scums cd, ‘Before we die!’, vormde de perfecte aanleiding om nog eens enkele lokale punkgroepen op te trommelen.

De eerste twee bands liet ik aan me voorbijgaan en dat had ik met de derde groep net zo goed kunnen doen. Street Rock Rebels uit Maldegem bracht streetpunk, een variant van oi!, en dat is niet meteen het soort punk waar ik warm van loop. Maar met bassist UxJx - alias Jan Vandekerckhove, bekend van onder meer Liar en Congress - had de groep toch een prominent figuur in de rangen, wat mijn interesse wekte.
Hoewel het niet echt mijn ding was, kon ik deze simpele, strak gebrachte, meebrulbare punk best wat smaken. Soms kreeg ik wel de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren, iets wat bij "Ghosts & demons" zelfs letterlijk gebeurde. Daar viel nog mee te leven, in tegenstelling tot het oeverloze gezwam tussen de nummers door van Fred Van Opstal, die nochtans als zanger niet onverdienstelijk was, maar met zijn geleuter alle geloofwaardigheid te grabbel gooide.

Daarna liep het zaaltje plots helemaal vol voor The Dirty Scums, de langst onafgebroken spelende punkband van België en wellicht zelfs van West-Europa. Zanger-gitarist Dirty Pik, drummer Dirty Zjantie en bassist Dirty Keez werden als helden onthaald en de sfeer zat er meteen goed in.
Ik keek er wat verweesd naar want de gammele punk van de Tieltse sterren wist me nooit echt te raken. Nieuwe nummers als "Debbie Harry" leken kant noch wal te raken terwijl ik de oudere nummers vroeger zeker al beter gehoord had. Toen de groep de carnavaleske toer opging met nummers als "Rit'n zat te skit'n" en "Bob De Brouwer" haakte ik helemaal af. Ik had toch veel meer verwacht van een groep die al 45 jaar actief is.

Dat smaken verschillen werd duidelijk toen meer dan de helft van het publiek al vertrokken was voordat The Spanks aan hun set begonnen. Vooral de diehard punkers waren met de noorderzon verdwenen. The Spanks zijn dan ook geen punkband.
De groep uit Merchtem zag in 1984 het levenslicht nadat zanger Rik Tielemans en gitarist Jan Van Den Bergh The Nomads aan het werk hadden gezien. Samen met The Paranoiacs en The Mudgang vormden ze het hart van de toen bloeiende Belgische garagerockscene. The Spanks maakten drie albums waarvan ‘In your face’ uit 1990, verscheen op het befaamde Get Hip Records, het label van Gregg Kostelich, gitarist van The Cynics.
In 1992 houden ze er noodgedwongen mee op nadat de gitarist voor zijn job naar Madrid verhuist. Nadat zanger Rik Tielemans ernstig ziek wordt en bassist Willy Annaert sterft, lijkt het einde definitief. Maar wanneer Jan Van Den Bergh terugkeert uit Spanje, worden The Spanks in 2022 nieuw leven ingeblazen. Naast Van Den Bergh maakten ook drummer van het eerste uur Bart Teugels en de nieuwkomers Mike Du Bois (zang) en Willy Douterloigne (bas) hun opwachting.
The Spanks namen een wat aarzelende start en "Keep on hidin'" klonk zelfs wat braaf, al kan een half leeggelopen zaal die indruk versterkt hebben. Heel wild werd het nooit, maar gaandeweg werd het vuur toch steeds meer opgepookt. Wat kon ik mijn hart ophalen aan die met zorg gekozen covers van obscure nummers uit lang vervlogen tijden: "Good guys don't wear white" van The Standells, "Night of the phantom" van Larry & The Blue Notes, "Picture my face" van Teenage Head, "Dateless night" van Allen Page with The Deltones, "Long gone" van The Customs.
Tussen al dat moois verbleekten de eigen nummers zeker niet. Integendeel, "Baby please come back", de gloednieuwe single die net zo goed in de sixties gemaakt had kunnen zijn, zou zeker niet misstaan in dat rijtje. De bevlogen zang en de immer smaakvolle gitaar zorgden voor pretentieloze, tijdloze garagerock die me steeds meer in haar ban kreeg. Zeker toen klassiekers als "Strychnine" van The Sonics en "You're gonna miss me" van The 13th Floor Elevators de zaal in werden gevuurd.
Een enkele keer sloegen ze wat mij betreft toch de bal mis. "(What's so funny 'bout) peace, love and understanding" van Nick Lowe vind ik best een aardig nummer maar het aangemeten garagejasje zat niet echt als gegoten.
Ondanks het fel uitgedunde publiek en het feit dat ze eerder die avond al een set in Gent hadden gespeeld, maakten The Spanks nog tijd voor een uitgebreide bisronde met drie songs die voor eeuwig in mijn denkbeeldige jukebox gestationeerd blijven.
Nadat Mike Du Bois tevergeefs naar zijn mondharmonica had gezocht volgde alsnog een excellente cover van "It's all over now, baby blue" van Bob Dylan, die me deed denken aan de versie van Thee Cha Cha Chas, het duo uit Melbourne, van enkele jaren geleden.
Om het feest compleet te maken volgden nog "Have love will travel" van Richard Berry, vooral bekend in de versie van The Sonics, en "Teenage kicks" van The Undertones. Misschien wat veel covers, maar garagerockbands hebben eigenlijk nooit anders gedaan.
Met een energieke set waar de passie van afdroop, bewezen The Spanks dat ze er weer helemaal staan.

Organisatie: The Dirty Scums

Bella and The Bizarre - Tussen camp en elementaire rock-'n-roll
Bella and The Bizarre + Straight Shooter

Tributebands? Daar loop ik normaal in een grote boog omheen maar voor Straight Shooter maak ik graag een uitzondering. Je kunt iemand die een eerbetoon aan Greg Cartwright brengt moeilijk van plat opportunisme verdenken, want de man blijft bij het grote publiek nog steeds een nobele onbekende.
Straight Shooter is het geesteskind van Steven Gillis, die zijn sporen verdiende bij onder meer Fifty Foot Combo, Thee Andrew Surfers en Blackup. Verder bestond de bezetting uit gitarist Felix Gillis (zijn zoon) en bassiste Stella Lemmens, beiden actief bij Thee Deadly Comments, en drummer Lion De Clerck die we kennen van Harvesters en Leopard Skull.
Het Gentse kwartet opende de set met een viertal nummers van Reigning Sound waarbij ik meteen antwoord kreeg op mijn grootste vraag vooraf: "Zou de stem van Steven Gillis wel geschikt zijn voor dit project?". Ja dus, want ze kwam verrassend dicht in de buurt van die van Greg Cartwright en dan was het natuurlijk dubbel zo jammer dat de vocals zo diep in de mix verdwenen. Ook de fijne tweede stem van Stella Lemmens was nauwelijks hoorbaar. Gelukkig was dit het enige minpunt en heb ik verder niets dan lof.
Er werd bijzonder strak gespeeld. Geen geleuter tussen de nummers die elkaar in een razend tempo opvolgden. Het werd uiteraard een feest van herkenning met niets dan parels: "Straight Shooter", "We repel each other" en "Reptile style" van Reigning Sound; "The way I feel about you" van Compulsive Gamblers en "Mary Lou" (oorspronkelijk van Young Jessie) van Oblivians waren er maar enkele van.
Even moest ik me toch achter de oren krabben toen ik plots "Hey Sailor" van The Detroit Cobras hoorde. Maar al snel begon het me te dagen: Greg Cartwright speelde ooit een blauwe maandag bij The Detroit Cobras. Op zich heeft hij niets te maken met deze cover van "Hey Sah-Lo-Ney" van Mickey Lee Lane, maar het blijft een fantastisch nummer en het was wel Greg Cartwright die de dood van Detroit Cobras-zangeres Rachel Nagy in 2022 wereldkundig maakte.
De knap opgebouwde set mondde uit in een zinderende finale met eerst drie Oblivians nummers,  "Part of your plan", "Big black hole" en "Bad man", gevolgd door "You got me hummin'" van Reigning Sound.
Kon Straight Shooter tippen aan het origineel? Dat niet, maar wie de nummers niet kende, werd zonder twijfel omver geblazen door deze compromisloze garagerock. En nu de inspiratie van Greg Cartwright, die zich tegenwoordig wegcijfert in andermans groepen (Laundry Bats en het dodelijk saaie The Hypos), lijkt te zijn opgedroogd is dit een welgekomen alternatief.

Bella Khan is de dochter van de stilaan legendarische King Khan, die in The Pit's enkele onvergetelijke passages op zijn naam heeft staan. Ik zag haar eerder enkele nummers zingen bij een concert van haar vader maar verder was dit voor mij compleet nieuw. The Bizarre bestond uit een gitariste, een bassiste en een drummer terwijl Bella zelf ook gitaar speelde. De Berlijnse zangeres verscheen in een opzichtige lange jas en het vervolg liet zich raden.
Na enkele nummers werd het te warm en moest de jas plaats ruimen voor een luchtigere outfit. Bella kwam zeker wat gecultiveerder dan vaderlief voor de dag, al leek haar broek zo uit de garderobe van King Khan te komen, die er ongetwijfeld nog de schaar in zou zetten. Het openingsnummer dreef op bekoorlijke grooves van jaren '60-meidengroepen waarna werd overgeschakeld naar stevige elementaire rock-'n-roll.
Met "Wo bleibst du?" probeerde Bella het zelfs even in het Duits, iets wat ik al lang niet meer gehoord had. Het durfde soms wat rommelig te klinken maar de soulvolle, gepassioneerde zang maakte veel goed.
Naarmate de set vorderde zakte het tempo en nam het campgehalte toe. Soms balancerend op het randje maar het bleef steeds genietbaar. Iemand maakte de vergelijking met Tav Falco's Panther Burns en daar had hij beslist een punt: diezelfde zwijmelende camp die er net niet over ging.
Het theatrale werd allerminst geschuwd, zo schoof Bella even haar gitaar opzij om zich over te geven aan een soort slangendans.
Voor de twee bissen werd het tempo opnieuw opgeschroefd met nummers die het midden hielden tussen punk en exotica.
Tijdens de slotsong droeg Bella, zelf juwelenontwerpster, een prachtige juwelensluier die naadloos aansloot bij haar Oosterse roots.
Toen ik na afloop de setlist kon inkijken viel me nog iets vreemds op. Van de debuutplaat uit 2024 op In The Red Records was geen spoor te bekennen. "Delusions", de tweede single, bleek het enige gekende nummer.
De rest bestond waarschijnlijk uit materiaal van de nieuwe plaat die er zit aan te komen. En dat zou mits wat schaafwerk best wel eens een mooie kunnen worden.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

Thee Vibrafingers - Met fuzz doordrenkte garage rock-'n-roll

Met Thee Vibrafingers en Oil City Band had de boEgie woEgie een mooie double bill op de agenda maar die spatte jammer genoeg uiteen toen die laatste groep in laatste instantie om medische redenen moest afzeggen. En laat Oil City Band nu net de band zijn waar ik het hardst naar uitkeek.

Gelukkig hadden Thee Vibrafingers genoeg referenties om me toch uit mijn kot te lokken. Deze Franse groep uit Tours bestaat intussen al meer dan dertig jaar en haalde destijds haar inspiratie bij uit het juiste hout gesneden groepen als The Cramps, Teengenerate, Oblivians en The Stooges. Erg productief waren ze niet. Slechts vier albums brachten ze uit, maar dat volstond ruimschoots om hun kontobsessie te etaleren met titels als "Play in your ass!" en "Back from your ass!".
Hun recentste plaat verscheen vorig jaar en heet dan weer ‘Don't push me, asshole!!!’.
Hoogstaande poëzie hoefden we dus niet meteen te verwachten, rock-'n-roll des te meer. Gehuld in witte smokingjasjes en getooid met Afropruiken betraden de vier het podium waarna zanger Vinz meteen al zijn duivels ontbond. Hoewel hij toch niet meer van de jongsten is, stuiterde hij als een waanzinnige in het rond, zich van niemand of niets iets aantrekkend. Terwijl hij over het podium rolde of door het publiek scheerde, serveerde de rest van het orkest met fuzz doordrenkte garagepunk.
De rammelende lo-fi rock-'n-roll, gebracht met het nodige enthousiasme, had eigenlijk alles in zich om er een memorabel feestje van te maken. Toch leek er iets te ontbreken om dat helemaal waar te maken. Bij momenten klonk het toch wat te braaf en dat was vooral te wijten aan de stem van Vinz. Die klonk wat zwak en toen hij het op een schreeuwen zette, was hij vaak nauwelijks nog hoorbaar. Stemproblemen of gewoon een slechte microfoon? Wat ook niet bepaald meehielp, was de wel erg bescheiden opkomst. Desondanks wisten Thee Vibrafingers een spetterende finale uit de brand te slepen. Die begon met het Franstalige "Baba", gevolgd door een overtuigende cover van "Do you wanna know" van The Kids (gaat er altijd in!) die eindigde met een tuimelperte over de monitor van Vinz.
Uiteindelijk werd er afgesloten met publieksfavoriet "Put your finger in your ass", een nummer uit hun allereerste plaat en het sein voor Vinz om met een enorme rubberen middelvinger het publiek in te duiken waarbij ik toch iets verdachts tussen de billen voelde.

Organisatie: boEgie woEgie, Menen

Michelle David & The True-Tones - Souldiva zonder kapsones

De laatste plaat van Michelle David & The True-Tones, ‘Soul woman’, klinkt me net iets te gesofisticeerd om echt te bekoren maar hun stevige livereputatie kon me toch verleiden om naar Les 4 Écluses af te zakken. Daar speelden ze al mijn twijfels genadeloos van tafel. En alsof dat nog niet volstond kregen we vooraf nog een tweede revelatie gepresenteerd, Moïra.

Moïra verwijst naar de Griekse godin van het lot maar blijkt tevens een erg populaire groepsnaam. Maar vanaf nu zal ik de naam Moïra vooral associëren met een kwartet uit Lille. Hoewel de groep enkel de digitale single, "Butterfly effect", heeft uitgebracht, maakte ze live een opvallend mature indruk.
Moïra bewoog zich in het schemergebied tussen jazz en rock en kon daarbij rekenen op de sensuele uitstraling van frontvrouw Maï. Haar soepele, soulvolle zang deed voortdurend aan Amy Winehouse denken en daar is absoluut niets mis mee.
Wat verder opviel, was het ontbreken van de alomtegenwoordige elektronica en de keuze voor louter ambachtelijke instrumenten. De bassist en de drummer leken zo uit een jazzcombo geplukt terwijl de gitarist wat meer rock georiënteerd was en niet vies bleek van een toefje psychedelica.
Het echte uithangbord bleef evenwel de gracieuze zangeres die een enkele keer ook de keys bespeelde.
Moïra toonde zich een veelzijdige groep door zowel stevig als fijnbesnaard uit de hoek te komen. Knap!

Michelle David (°1966) groeide op in New York waar ze vanaf haar vierde in de kerk zong. Nauwelijks een jaar later maakte ze al deel uit van een eerste groep, The Mission Of Love. Daarna was ze vooral actief in musicals en studiosessies. In 1994 verhuisde ze naar Nederland, waar ze in de buurt van Amsterdam woont. Sinds 2015 heeft ze er ook een Nederlandse groep, The Gospel Sessions, die in 2022 werd omgedoopt tot The True-Tones. Dit jaar verscheen haar achtste plaat met die band: ‘Gospel woman’, een goed excuus om nog eens de hort op te gaan.
Michelle David bleek een gedrongen verschijning die zich meteen ontpopte tot een souldiva, maar dan wel eentje zonder kapsones. Ik was meteen in de ban van haar warme stem die ze af en toe rauw liet uithalen en steeds oprecht klonk.
Haar Nederlandse begeleiders, alle drie keurig in het pak, oogden misschien wat droog, muzikaal bleken ze van onschatbare waarde.
Michelle David opende de set met "Brothers and sisters", titeltrack van haar voorlaatste plaat. Klassieke uptempo soul, energiek gebracht met twee gitaren en zonder bas; pas na enkele nummers ruilde Onno Smit zijn gitaar voor een basgitaar.
"Speak to me", dat zo een hit van Diana Ross & The Supremes had kunnen zijn, klonk wat ruwer dan op plaat, mede doordat David een deel enkel begeleid door de drums van Bas Bouma zong.
Onmiddellijk daarna kreeg diezelfde Bouma tijdens "You are" zijn solospot, waarin hij zijn talenten ongehinderd mocht botvieren. Het werd een erg gevarieerde set inclusief twee schitterende gospelsongs ("Peace" en "I thank you"), waarvoor de muzikanten even gingen zitten. Voor mij was "If you don't try", dat de rauwe energie van James Brown bezat, het absolute hoogtepunt. Met "More grace" waagde David zich dan weer aan een streep hitsige funk.
Maar er was niet alleen die fenomenale stem, die soms aan Candi Staton herinnerde, ook de gitaar van Paul W. Willemsen klonk al even verbazingwekkend. Zeker geen krachtpatserij, maar vooral de met zorg gekozen klankkleuren, niet zelden met vintage rock-'n-roll tinten, spraken tot de verbeelding.

Dit was één van die optredens waarin zowat alles klopte en de songs stuk voor stuk de plaatversies overtroffen. Slechts één keer lukte dat niet: "When all is said and done" klonk me toch iets te glad. Maar dat bleek uiteindelijk een te verwaarlozen detail in een grandioze set waarin Michelle David het publiek in extase wist te brengen.
Dat publiek mocht tijdens de bis, "Yeah yeah yeah", nog een keer massaal meebrullen, waarna het voldaan en uitgeput huiswaarts kon trekken.

Organisatie: Les 4 Écluses, Dunkerque

Cat Clyde - Frisse kijk op traditionele muziekvormen

De Zwerver nodigt niet zo vaak singer-songwriters uit, maar wanneer dat wel gebeurt, worden die met zorg geselecteerd en blijken het meestal artiesten van een uitzonderlijk kaliber. Zo staat het optreden van Kassi Valazza, vorig jaar ook in het café, nog steeds op mijn netvlies gebrand. Na haar verbluffende set op Leffingeleuren 2024 leek het erop dat we met Cat Clyde een concert van hetzelfde niveau mochten verwachten.

Tijdens de twee Belgische haltes van de tour (De Roma en De Zwerver) mocht de Brusselse Maya Teklal het voorprogramma verzorgen en dat leek me een logische keuze. Zoals zoveel anderen begon Maya Teklal tijdens de lockdown met het schrijven van songs. Als grootste invloeden noemt ze Haley Heynderickx en de haast onvermijdelijke Adrianne Lenker. Dat leverde eigentijdse indiefolk op waarin af en toe een zweem van de klassieke seventies singer-songwriters opdook.
Maya Teklal bracht een reeks sterke nummers waarvan het broze "Mother song" en het met heerlijke hoge ooh-oohs opgesmukte "Ocean" me het meest zijn bijgebleven. De sobere begeleiding bleef beperkt tot haar akoestische gitaar, aangevuld met een tweede gitarist die afwisselend akoestisch en elektrisch speelde.
Vooral op elektrische gitaar liet die laatste zich opmerken met enkele fraaie accenten. Helaas konden we die nauwelijks horen en leek het alsof hij Teklal vooral niet wou storen. Gelukkig bleef die hemelse, bijzonder wendbare stem me de hele set verbazen.
Maya Teklal ontpopte zich tot een aangename verrassing van wie ik hoop haar ooit met een volledige band terug te zien.

Cat Clyde, die Métis-roots heeft, groeide op in de landelijke omgeving van de Canadese provincie Ontario, waar ze momenteel nog steeds in Stratford woont. Haar eerste podiumervaring doet ze op bij The Big Wheels, een band, opgericht door een plaatselijke muziekwinkel, die het niet verder schopt dan enkele optredens op braderieën maar wel de kiem zaait. Later volgde nog een surfpunkgroepje, The Shitbats, waarna ze in 2017 solo debuteerde met het album ‘Ivory castanets’.
Dit jaar verscheen haar zesde studioplaat, ‘Mud blood bone’, een album dat nu al lijkt te solliciteren naar een plek in  de eindejaarslijstjes.
Na een instrumentaal opwarmertje van de band begon Cat Clyde haar set met "Where's my love", tevens het openingsnummer van die laatste plaat, die ze zo goed als volledig zou spelen. Tweede song was "My love", een cover van de Marty Robbins-hit uit 1960, waarbij ik me afvroeg hoe ze ertoe komt zo'n oud nummer te coveren en het zelfs boven het origineel te laten uitstijgen. Het was meteen een treffend voorbeeld van wat Cat Clyde zo uniek maakt: haar frisse kijk op traditionele muziekstijlen als blues, soul, folk, jazz en zelfs rock-'n-roll. Die interesse in dat brede scala aan stijlen is misschien niet zo verwonderlijk als je weet dat ze op haar dertiende gitaar leerde spelen aan de hand van de akkoorden van Leadbelly en Robert Johnson.
De muzikanten van de plaat waren er niet bij. Ze liet zich begeleiden door een tourband bestaande uit bassist Frank Styles, drummer Danny Jerome en gitarist Laurence Hammerton. Drie competente muzikanten, elk een boerensjaaltje om de hals geknoopt, die wat in de schaduw bleven van hun nochtans niet bijster grote werkgeefster.
Clyde bleef alle aandacht opeisen met haar indrukwekkende, soepele stem, doordrenkt van een heerlijke twang, en haar onnavolgbare mimiek. Het leek wel alsof ze voor elke zinsnede een andere gelaatsuitdrukking had. Die verongelijkte blikken tijdens het rockabilly-achtige "Man's World", waarin ze het heeft over het zich verweren tegen een door mannen gedomineerde wereld, waren onweerstaanbaar.
Het werd een set met louter hoogtepunten, al sprong "Dark back" er toch nog uit: zwevende countryfolk met borstelende drums die aan Gillian Welch deed denken. Ze had eerder al vermeld dat ze jarig was, maar toen de drummer haar een gebakje met een kaarsje aanbood kon een door het hele café voluit meegezongen "Happy Birthday" niet uitblijven.
Cat Clyde bleek een onvervalst natuurtalent dat met haar rauwe, levendige zang en begeesterende songs alle harten voor zich won. Na een sensationele set kwam ze nog één keer terug voor een ingetogen soloversie van "The river", afkomstig van haar tweede plaat uit 2019. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Pagina 1 van 26