logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

The Young Gods
Happy Mondays
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Golden Shitters - Tot de essentie gestripte punk

Nee, Burger Service is geen firma die burgers aan huis levert maar een eenmansproject uit Antwerpen die de twijfelachtige eer had te mogen openen voor het ranzige punktrio Golden Shitters.
Jan Tromp, van oorsprong een Amsterdammer, vond die naam bij het burgerservicenummer, een uniek persoonsgebonden nummer dat iedere Nederlander kan terugvinden op zijn paspoort, ID-kaart of rijbewijs. Een nogal saaie naam en van zijn muziek zou je op het eerste gehoor misschien hetzelfde kunnen zeggen, maar eigenlijk vond ik het toch wel wat hebben. Een voortdurend soepel heupwiegende Tromp beperkte zich tot het zingen terwijl de muziek gewoon op tape meeliep.
De waarschijnlijk met veel zorg geschreven teksten waar ik meestal kop noch staart aan kon knopen, werden opgesmukt met milde synthesizerklanken. Dit lofi knutselwerk deed onvermijdelijk denken aan Spinvis terwijl de twee meegereisde vrouwelijke fans er steeds wilder op begonnen te dansen. Helemaal op het einde kregen we zelfs twee nummers die we onder het label punk konden catalogeren, iets wat ons na de collaboratie van Spinvis met Ploegendienst ook al niet echt kon verbazen.
Het was niet meteen iets wat je verwacht in een punkhol als de Pit's maar de man hield wonderwel stand en daar doe ik graag mijn hoed voor af.

Ik ben bekend met de term ‘Golden drop’ maar of de Golden Shitters daar de inspiratie voor hun mooie naam vonden valt nog te betwijfelen. Golden Shitters is een trio uit het Canadese Hamilton, Ontario waarvan de leden voorheen bij groepjes als Anxious Pleasers of Sam Coffey and The Iron Lungs actief waren.
Getooid in witte overalls met op de rug de groepsnaam geborduurd en met de obligate zonnebril bengelend op de neus verschenen de drie zelfverzekerd op het podium. Klassieke bezetting met Matt Ellis op bas, Dave Tyson op gitaar en Kyle Fisher achter het drumstel.
Meteen werd duidelijk dat we niets nieuws hoefden te verwachten. Golden Shitters hielden het bij sterk door de Ramones beïnvloedde drie akkoorden punkrock met nummers, geplukt uit hun twee platen, die met moeite de minuut haalden. De enige frivoliteit die ze zich enkele keren veroorloofden was een noisy gitaar outro van Tyson. Verder niets dan stampende, tot de essentie gestripte punk waarbij de bassist al eens over de toog wandelde en Ellis languit op zijn rug voor het podium gitaar ging spelen. Gelukkig voor hem, met die witte overall, waren de gekende bierdouches dit keer achterwege gebleven.
Na een groot halfuur was de storm al gaan liggen, waarna de groep toch nog terugkwam en een cover aankondigde van een groep uit New York die wel lange nummers schreef. Dat bleek dan "Chainsaw" van de Ramones te zijn, niet echt een verrassing maar altijd mooi meegenomen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

 

 

IV and The Strange Band - Spookachtige southern roots en authentieke country

Veel informatie over de eerste groep, Kit & Caboodle, kon ik niet vinden. De groepsleden zouden uit Gent en het Henegouwse Flobecq (Vloesberg) komen terwijl de zanger, zo te horen, duidelijk ook West-Vlaamse roots had. Enig speurwerk leerde me dat ik die zanger, Steven De Poorter, al eerder in de 4AD gezien moet hebben met Firefang, ooit een veelbelovend Gents garage-grungebandje.
Met Kit & Caboodle heeft hij het roer wel heel drastisch omgegooid. Het elektrisch geweld heeft plaats moeten ruimen voor Appalachian folk en daar kan ik als liefhebber van dit soort stokoude muziek moeilijk rouwig om zijn.
Kit & Caboodle is een viertal met naast de gitaar en banjo van Steven viool, wasbord en contrabas, dat voor de gelegenheid werd aangevuld met een extra gitaar. Samen brachten ze een geweldige set vol stomende, opwindende hillbilly music met als blikvangers de melancholische viool van Florien Vandecasteele en de doorleefde en af en toe van vibrato voorziene stem van De Poorter.
Een charismatische frontman trouwens, die ons tussen de nummers verblijdde met zwartgallige humor. Zo wist hij ons te vertellen dat zijn ouders typische West-Vlamingen waren die gans hun leven ruzie maakten tot er één stierf waarna ze elkaar misten.
De meeste nummers waren eigen werk zoals "Get it all back" dat voortgestuwd werd door het aalvlugge getokkel op de banjo. Daarnaast werden ook enkele traditionals vanonder de mottenballen gehaald: "900 miles" en als afsluiter het sublieme "Shady grove" dat ik ken van Doc Watson.
Schitterend slot van een schitterende set en ik was duidelijk niet alleen met die mening, gezien de stormloop naar de merchandise stand. 

Wanneer ik Hank Williams hoor, veer ik nog steeds recht. Het werk van de op 29-jarige leeftijd op nieuwjaarsnacht 1953, in nooit geheel opgehelderde omstandigheden overleden ‘happy rovin' cowboy’ spreekt nog steeds tot de verbeelding. Daarna ontvouwde zich een ware Williams dynastie waar ik me echter nooit mee heb beziggehouden. Tot in 2022 Hank Williams Jr., een ergerlijke redneck trouwens en een levende tegenstelling tot de erfenis van zijn vader, me wist te verrassen met een heuse bluesplaat in Fat Possum stijl, ‘Rich white honky blues’. En nu kwam Coleman Williams mijn pad kruisen: achterkleinkind van Hank Sr. en zoon van de, in tegenstelling tot zijn vader, wel uit het juiste hout gesneden Hank Williams III.
Het laatste wat Coleman Williams wil is teren op de erfenis van zijn overgrootvader. Hij laat zich dan ook gewoon IV (and The Strange Band) noemen en op een Hank Williams cover zal je hem nooit betrappen, hoewel hij al diens songs perfect zou kunnen spelen.
Met wat vertraging (fileleed) verscheen het nonchalant lijkende gezelschap op het podium. Naast het vele haar en de cowboyhoeden viel me meteen op dat de band zonder setlist speelde, altijd een goed teken. Het maakt het er voor mij niet makkelijker op, maar het bewijst  dat de groep toch wat op de teller heeft staan.
Coleman bleek een onstuitbare spraakwaterval die zijn woorden mitraillette gewijs de zaal in vuurde. Soms moeilijk te verstaan, maar het zingen ging hem heel wat beter af. Zijn vreemde, nasale stem die niet zelden versierd werd met een lichte vibrato had een mysterieuze aantrekkingskracht. Getogen en geboren in Nashville vond hij zijn inspiratie in zowel de underground van die stad als in het traditionele Nashville. Enerzijds bracht hij beklijvende en spookachtige southern roots om ons enkele tellen later  een countrysong van de zuiverste soort voor onze voeten te gooien. Een voorbeeld van dat laatste was de schitterende uitvoering van "Why I'm walking" van Loretta Lynn dat vorig jaar op plaat gecoverd werd door Jimmie Dale Gilmore en Dave Alvin. Een andere mooie cover was "Nashville wimmin'" van Waylon Jennings, hoewel er iets vreemds gebeurde tijdens dat nummer. De song was nog maar net begonnen of Coleman verdween na enig overleg met zijn gitarist van het podium waarna de band wat ging jammen. Eerst dacht ik nog dat hij een plasje was gaan maken maar hij bleef maar weg zitten. Net toen de groep in slaap leek te dommelen kwam hij terug en werd de song glorieus hernomen. Dit was ongetwijfeld de langste versie ooit van "Nashville wimmin'". Bleek dat hij gewoon een snaar was gaan vervangen maar waarom dat zo lang moest duren blijft een raadsel. Gelukkig was dit de enige smet op een behoorlijk lang optreden.
Coleman Hawkins staat erom bekend ook een voorliefde voor het steviger werk te hebben. Zo durft hij al eens de Melvins te coveren. Deze avond koos hij voor "Sailin' on" van Bad Brains, waar hij een rasechte countrysong uit toverde. Zelf heeft hij ook enkele hardere nummers geschreven die op zijn eerste plaat ‘Southern circus’ te vinden zijn. Daaruit koos hij onder meer "Son of sin", zonder meer een hoogtepunt en meteen ook het signaal voor de gitarist en de bassist om wat te gaan dollen waarbij ze elkaars snaren probeerden te saboteren.
En het werd nog beter... Zijn beste songs had hij duidelijk opgespaard voor de finale. Eerst "Hang dog", titeltrack van zijn tweede en tevens laatste plaat, waarin hij het had over zijn hond, kort daarna gevolgd door het superieure "If the creek don't rise" waarin hij zijn eigen stempel legde op de erfenis van zijn overgrootvader. Een mooiere afsluiter kon ik me niet wensen, toch breide de overigens uitstekende Strange Band (gitaar, bas, drums en pedal steel) er nog een totaal overbodige instrumental aan. Toch was het mooi geweest, heel mooi.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

zaterdag 12 april 2025 12:23

Paul Collins Beat - King of power pop

Paul Collins Beat - King of power pop
Paul Collins

Meestal haal ik mijn neus op voor power pop maar voor the king of power pop maak ik graag een uitzondering en wanneer hij zich dan nog eens laat begeleiden door een vinnig garagerockbandje ga ik helemaal overstag. Bij aankomst voelde ik me een beetje een ramptoerist. Den Trap ligt namelijk net naast de twee gesloten cafés uit de Kortrijkse spiking-affaire.

Maar we waren hier voor Paul Collins die in de jaren '70 enige faam wist te vergaren met groepen als The Nerves en The Beat dat al snel omgedoopt werd tot Paul Collins' Beat omdat er in Engeland een skagroep met dezelfde naam bestond.
Collins mocht hier reeds voor de vierde keer opdraven en had er duidelijk zin in. Zijn begeleiders hadden elk een t-shirt waarop één grote letter geprint stond die samen het woord Beat vormden. Zo kondigde de 69-jarige Paul Collins zichzelf en zijn kompanen ook aan als The Beat maar het betrof hier wel degelijk om Paul Collins en The Manikins, een Zweedse garagerockgroep die tussen 2004 en 2008 wat stof deden opwaaien.
Paul Collins opende zijn set met het kwikzilveren "Rock n roll girl", ook het openingsnummer op de klassieke debuutplaat van ‘The Beat’ uit 1979 die er zo goed als volledig werd doorgedraaid.
Voeg daarbij nog het beste van The Nerves (1974-1978), het eerste groepje van Paul Collins waarin ook Peter Case actief was en je begrijpt dat dit een feest van herkenning werd. De stem van Collins was behoorlijk gehavend maar ze hield wonderwel stand terwijl de twee sprankelende gitaren van The Manikins de songs een frisse opknapbeurt gaven. Dit klonk veel pittiger dan ik vooraf had durven dromen.
Bekendste song was uiteraard "Hanging on the telephone", dat wereldberoemd werd dankzij Blondie maar oorspronkelijk van The Nerves is, weliswaar niet door Paul Collins maar door gitarist Jack Lee geschreven.
Naast het oude werk waren er ook een paar nummers uit zijn soloplaat, ‘King of power pop!’, zijn comeback uit 2010 op Alive Records en zowaar ook eentje uit 2024, “I'm the only one for you”, uit een geruisloos verschenen nieuwe plaat ‘Stand back and take a good look’.
In de obligate bisronde bracht hij eerst twee nummers ("Many roads to follow" van The Nerves en "You and I" van The Beat) solo waarin zijn afgetakelde, breekbare stem plots een troef werd.
Na die twee pareltjes mochten The Manikins hun instrumenten terug inpluggen voor een feestelijk slotakkoord.

Knappe set waarin de aanstekelijke gedrevenheid van The Manikins voor de nodige energie zorgde.

Organisatie: Den Trap , Kortrijk

Maria Iskariot - Charismatische, ongetemde frontvrouw

Achteraf waren de meningen over de eerste groep van de avond op zijn zachtst gezegd nogal verdeeld. Daar was voor sommigen het contrast met Maria Iskariot wellicht te groot voor, hoewel er toch ook enkele gelijkenissen waren.
Een mooie naam had het viertal uit Gent in ieder geval wel: Kleinpunk. Niet helemaal origineel want er loopt ook nog een zekere Gert Kleinpunk rond. Een naam waarbij ik meteen dacht aan een kruising tussen punk en kleinkunst maar dat bleek niet echt te kloppen. 'Klein' blijkt te staan voor de gemiddelde lengte (1,70m) van de groepsleden terwijl de punkfactor niet bijster hoog was tenzij misschien tijdens de eerste nummers. Kleinpunk nam een stevige start met enkele erg knappe songs waarbij de zoetgevooisde Luna Maes, tevens op toetsen, zich opwierp als een innemende frontvrouw met een heerlijke souplesse. Eén van die eerste nummers was de gloednieuwe single: het pittige "Stanny wilde zanger worden", waarvan de hilarische tekst zomaar uit de koker van Hugo Matthysen of Kamagurka had kunnen komen. De Stanny in kwestie was de West-Vlaamse drummer Stanny Rijckaert, die zijn droom een beetje later alsnog werkelijkheid zag worden toen hij "Caravan" mocht zingen. Helaas volgde er al (veel te) snel een dip waarbij hun muzikale exploten termen als kermisdeuntjes, lounge of bloedeloze technopunk door mijn hersens joegen. Net toen ik dacht dat het kalf al verdronken was, veerde de groep alsnog recht met enkele aanstekelijke, funky nummers die zowaar aan Talking Heads deden denken. 

Toen de vier van Maria Iskariot het podium bestormden viel het verschil in maturiteit met de eerste band meteen op. Hier stond een zelfverzekerde groep zonder enige schroom die heel goed wist wat ze wilde. Daar zullen de meer dan honderd optredens die ze intussen op de teller hebben staan of die geslaagde tour door Europa en het Verenigd Koninkrijk met het Australische Tropical Fuck Storm zeker voor iets tussen zitten.
Vond ik Luna Maes al een indrukwekkende frontvrouw, dan was Helena Cazaerck toch nog van een geheel ander kaliber. Met een master in de filosofie op zak, een verleden als oorlogsverslaggever in Oekraïne en de trofee van Humo's Rock Rally op de schouw, ontpopte Cazaerck zich hier als een uitermate charismatische, ongetemde zangeres die het publiek moeiteloos aan haar voeten kreeg.
Hiermee wil ik zeker geen afbreuk doen aan de kwaliteiten van gitariste Loeke Vanhoutteghem, bassiste Amanda Barbosa en drummer Sybe Versluys maar het boegbeeld van Maria Iskariot bleef uitgesproken Helena Cazaerck die alle aandacht telkens naar zich toe wist te zuigen.
En of ze er zin in hadden? Vooraf hadden ze zich twee uur beziggehouden om het podium volledig in te pakken met zilverpapier wat de temperatuur daar een aanzienlijk aantal graden de hoogte in joeg. Maria Iskariot nam een droomstart met de, aan het rollend gitaarloopje van "I wanna be your dog" opgehangen, garage punk stomper "Lief klein kind". Het werd de opmaat voor een set frisse, spannende punk met spitse Nederlandstalige lyrics waarin geen blad voor de mond genomen werd.
Een paar keer werd er wat gas teruggenomen maar ook dan bleef de groep uit Gent elektriserend.
Toch waren het vooral de ruigere nummers die het langst zullen bijblijven. Zoals "Tijm", een cover van de Pixies en een souvenir uit de Rock Rally, waarin Helena Cazaerck wild dansend het publiek in trok.
Het was zeker niet de enige keer dat we haar op de begane grond tussen het volk aantroffen. Zo liet ze tijdens de Gorki-cover "Dat vind ik lekker" enkele mensen de titelregel zingen in haar microfoon. Iets waaraan ook ondergetekende niet wist te ontsnappen en ik me zo ook even Stanny voelde.
Publieksparticipatie hoort er tegenwoordig blijkbaar bij en dan was het dubbel zo jammer dat het applaus na de set een wel erg vroege dood stierf. Als je hier niet wild van werd, dan weet ik het ook niet meer.
Gelukkig volstond het om even vanachter het gordijn te piepen om de handen terug op elkaar te krijgen zodat we de opgespaarde bisnummers alsnog te horen kregen. Het eerste was een nieuw probeersel waar zo te horen nog wat werk aan was.
Eindigen deden ze zoals ze begonnen waren: met een prijsnummer uit hun debuut EP ‘EN/EN’, het met waanzinnige oo-oo-oohs gelardeerde "Bedankt". De perfecte uitsmijter van een begeesterende set.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Jontavious Willis - Blues met het nodige spektakel

Voor dit optreden week De Zwerver uit naar 0.666, een authentiek pand met een wat vreemde naam aan de Hendrik Baelskaai in het havengebied van Oostende. Ondanks enige bevoorradingsproblemen in het begin van de avond bleek dit toch een geslaagde keuze. Een unieke locatie die door de concertgangers blijkbaar moeiteloos gevonden werd want het zaakje was uitverkocht.

Jontavious Willis (29) is, naast een Jerron Paxton bijvoorbeeld, één van die zeldzame zwarte jongemannen die nog voor de blues kiezen. De man is afkomstig uit Greenville, een klein stadje in Georgia waar ook zijn ganse familie woont. En dat is meteen ook een aanzienlijk deel van het aantal inwoners daar, want zijn 102-jarige overgrootmoeder heeft 13 kinderen en die hebben elk op hun beurt ook 13 kinderen, wist hij ons te vertellen. Dat kan tellen.
Zoals zovele zwarte artiesten leerde hij zingen in de kerk waar hij samen met zijn grootvader naar toe trok. Op 14-jarige leeftijd zag hij een video waarin Muddy Waters "Hoochie Coochie Man" vertolkte en werd zo door het bluesvirus gegrepen. Meteen het sein ook om fervent gitaar te leren spelen. Zo kreeg hij heel wat stijlen onder de knie: delta, piedmont, Texas en gospel blues. Dat alles belette hem niet om ook nog eens sociologie en antropologie te studeren. Uiteindelijk werd hij ontdekt door Taj Mahal die zich ‘That's my wonderboy, the wunderkind’ over hem liet ontvallen. Intussen heeft Willis drie platen gemaakt, waarvan de laatste, ‘West Georgia blues’, op Strolling Bones Records me vorig jaar aardig wist te verrassen.

Jontavious Willis
is een man met een missie. Zo wil hij de blues nieuw leven inblazen zonder daarbij het verleden te verloochenen. Eerlijk gezegd viel daar in Oostende niet veel van te merken en wie dacht dat hij er zijn laatste plaat zou voorstellen, kwam ook al bedrogen uit. Nee, Jontavious Willis koos ervoor om ons te entertainen en hij deed dat met het nodige spektakel.
Het begon al tijdens het eerste nummer toen hij zijn mouw als een soort slide over de snaren van zijn akoestische gitaar liet glijden. En hij bleef geregeld stunten op die gitaar, maar niet op de manier zoals we dat van een Steve Vai kennen. Notenneukerij was niet aan hem besteed, hij ontlokte liever onconventionele geluiden uit zijn gitaar. Zo liet hij het ding klinken als een drum tijdens "Drummer boy blues" of ging hij ermee in dialoog waarbij het leek alsof hij de snaren kon laten praten.
Voor het nummer "Train song" ruilde hij zijn gitaar voor een mondharmonica en ik hoef u wellicht niet te vertellen wat er toen gebeurde, het werd een helse rit. De songs zelf waren telkens met veel zorg gekozen. Obscure stokoude bluesnummers waarvan ik er toch enkele herkende. Zoals "Atlanta blues" van WC Handy, "We gonna move (to the outskirts of town)" van Casey Bill Weldon en verrassend genoeg ook "Stewball", een song van Peter, Paul & Mary uit 1963 dat hij zong met het geneurie van het publiek als enige begeleiding.
Uit zijn laatste plaat, die volledig uit eigen nummers bestaat, hoorde ik het onvaste maar daarom niet minder charmant gezongen "Ghost woman" en het broeierige "Keep your worries on the dancefloor", waarmee hij zijn set afsloot. Daarvoor had hij zijn chauffeur en tevens de man die hem naar Europa haalde, mondharmonicaspeler Thomas Toussaint (van de band uit Haarlem met zijn naam), op het podium geroepen om hem tijdens een drietal ruigere nummers bij te staan. Die passage liet vermoeden dat Willis met een groep wel eens heel anders uit de hoek zou kunnen komen.
Een bisnummer kon uiteraard niet ontbreken. Daarvoor werd de traditional "Poor boy, long ways from home" opgevist waarbij hij een waterflesje als slide gebruikte. Het slotakkoord van een mooie avond waarin Jontavious Willis me met een mix van warme vocalen, bevlogen gitaarspel en vooral veel zuidelijke charme wist te bekoren.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

The Belair Lip Bombs – Duizelingwekkend mooie stem …

Met dit optreden knoopte De Zwerver terug aan met een oude traditie: de matineeconcerten op zondagnamiddag. Ideaal om de kater na een alweer uit de hand gelopen zaterdagavond te verdrijven en de taart die op een protesterende maag bleef liggen alsnog te laten verteren.
De opkomst voor deze Australische groep, die toch een zekere faam geniet, was licht teleurstellend, al was het niet duidelijk of dat iets met het ongewone aanvangsuur te maken had. De afwezigen hadden in ieder geval alweer ongelijk.

De feestelijkheden begonnen om 17u15 en het was meteen boenk erop. De eerste band liet er geen gras over groeien en zoog onverwijld alle aandacht naar zich toe. Affaire is een duo uit Bilzen waarvan de leden voorheen actief waren bij de veelbelovende lo-fi rockband Boy Silly. Voor dit nieuwe project, waarvan er reeds een paar singles en dit jaar een EP, ‘International swing’, verschenen, gooiden de twee het roer drastisch om. Ze omschrijven zichzelf als een two-men-multiple-machines-act en dat liet zich vertalen in tonnen synths en drumcomputers en gelukkig ook een elektrische gitaar. Een opstelling die me meestal de gordijnen injaagt maar hier werkte die onconventionele fusie tussen elektronica en rock wonderwel.
Dat had vooral te maken met Michiel Ritzen, een erg charismatische zanger die bovendien zijn gitaar behoorlijk rock-'n-roll liet klinken. Zijn zang deed een paar keer aan Alan Vega denken - ze worden nogal eens met Suicide vergeleken - maar zijn uitstraling in combinatie met de gebrachte muziek riep bij mij voortdurend James Chance in gedachten. En nu die laatste sinds vorig jaar onder de zoden ligt, kon ik daar alleen maar blij om zijn.
Terwijl Nick Caers behendig de machines bediende, zorgde Ritzen voortdurend voor opwinding en entertainment. Zo zette hij even zijn gitaar aan de kant om als een ware crooner een sleper te kwelen om even later tussen de aanwezigen een troostende schouder te zoeken en ook te vinden.
Affaire zorgde voor een bijzonder aangename verrassing en legde de lat meteen hoog voor The Belair Lip Bombs.

The Belair Lip Bombs is de groep van Maisie Everett, een jongedame die me al een paar keer kon verblijden met Clamm, een hardcorepunk band waarin ze de bassiste is. Maar in deze groep, die in 2017 werd opgericht in Frankston, Victoria maar intussen Melbourne als uitvalsbasis heeft, is ze de absolute frontvrouw.
The Belair Lip Bombs, genoemd naar een set skateboard wielen uit de jaren '80, bestaat verder uit gitarist Mike Bradvica, bassist Jimmy Droughton en drummer Daniel Devlin die tot vorig jaar nog deel uitmaakte van Delivery, een groep die momenteel in de kijker loopt met de plaat ‘Force majeure’. Hun goed onthaalde debuut, ‘Lush life’, uit 2023 verscheen op het onafhankelijke label Cousin Will Records en werd later heruitgebracht op Jack White's Third Man Records. Naar verluidt zou de band volop bezig zijn met een nieuwe plaat, maar het overgrote deel van de nummers die we in Leffinge hoorden kwam toch uit ‘Lush life’.
Zoals "Look the part" en het ontvlambare "Gimme gimme", de uitstekende openingsnummers. Eigenlijk viel er niet zo heel veel te zien op het podium. De muzikanten roerden zich nauwelijks en leken zelfs wat bedeesd terwijl ze uitermate beleefd waren en ons om de haverklap bedankten voor onze komst. De muziek moest dus voor zichzelf spreken maar dat vormde geen enkel probleem want ze greep me meteen bij de kladden. Ergens te situeren tussen post-punk, alternatieve 90's rock en new wave waarin ik soms de melodieuze directheid van The Strokes meende te ontwaren.
De catchy songs werden strak en zonder franjes gespeeld, telkens voortgestuwd door die duizelingwekkend mooie, expressievolle stem van de bescheiden Maisie Everett. De machine was goed geolied, iets té want in de tweede helft van de set vond ik de songs soms net iets te glad en inwisselbaar worden. Maar zelfs dan bleef ik met handen en voeten gekluisterd aan die bedwelmende zang. Nochtans kon het ook anders zoals in "World is the one" waarin distortion de norm lijkt, maar dat nummer bleef helaas in de kast. Niettemin wisten ze dit kleine dipje weg te spoelen met een erg knappe finale aan waarin het weer wat rafeliger mocht. Eerst met "Say my name" waarin de, dit keer heerlijk haperende, zang van Maisie Everett me liet zwijmelen om te eindigen met het mij onbekende "Don't let them tell you it's fair" dat randjes had waaraan men de vingers kon snijden. Als dit één van de nieuwe nummers was, dan wordt het echt uitkijken naar die nieuwe plaat.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Thee Cha Cha Chas - Rammelende, primitieve rock-'n-roll
Thee Cha Cha Chas+ Motormouth

Angelo Bedani is een graag geziene gast in The Pit's. Zo'n vijftien jaar lang al mag hij er met de regelmaat van de klok komen opdraven. De eerste helft van de jaren 10 was dat met White Fangs en Warm Toy Machine. De onstuimige psychrock van die laatste groep kan ik me trouwens nog levendig herinneren. Later kwam hij er ook nog met Permanentz langs, maar dat is me veel minder bijgebleven. Samen met leden van Immigrants en Mountain Bike begon de bassist een paar jaar geleden nog maar eens een nieuwe band: Motormouth, van wie een gelijknamige single verscheen op zowel Take The City Records uit Madrid als Roaring Blood Records (dochter van Frantic City Records) uit het Franse La Rochelle.
Met zijn vieren (twee gitaren, bas en drums) nam het Brusselse gezelschap een veelbelovende start. Van de psychrock van Warm Toy Machine was geen spoor meer te bekennen, Motormouth koos er resoluut voor om terug te keren naar de essentie van de punkrock. Agressief, stevig en gebald. Niets nieuws onder de zon maar daar zat dan ook niemand op te wachten. Dit had een ware uppercut kunnen worden maar enkele vervaarlijk tegen de rand van aaibare poppunk aanschurende nummers beslisten daar anders over.
Jammer, maar de finale maakte nog veel goed. Die begon met een cover van het onverslijtbare "Teenage kicks" (The Undertones) gevolgd door "More time", wellicht hun beste nummer waarin zowaar een flard van "Wannabe" van de Spice Girls was verwerkt.

Thee Cha Cha Chas is een koppel uit Melbourne dat actief is sinds 2016 en waarvan er na enkele singles en EP's vorig jaar een schitterende debuut lp verscheen op het Spaanse Folc Records. Dat begerenswaardige plaatje heet ‘Temple of mirth’ en werd gemasterd door Mike Mariconda, een man met een stevige reputatie die je zou kunnen kennen van The Devil Dogs, The Raunch Hands of Los Ass-Draggers.
Mijn verwachtingen waren bijzonder hooggespannen maar die werden aanvankelijk niet ingelost. Dat kwam vooral door een manke klankbalans waarin de gitaar nauwelijks hoorbaar was. Gelukkig was dit euvel verholpen voordat het derde nummer eraan kwam want dat was wat mij betreft hét hoogtepunt van de avond. Een succulente cover van "Midnight bus", dat in 1960 het B-kantje was van "Tobacco road" van John D. Loudermilk. Het zette meteen de toon voor een set heerlijk rammelende, primitieve rock-'n-roll.
Achteraan zagen we duivelskunstenaar Lluis "Fuzzhound" Sanchez zijn gitaar rammen en tegelijkertijd tegen een basdrum en een snare stampen terwijl hij ook nog een paar keer de lead vocals voor zijn rekening nam.
Il faut le faire maar het onmiskenbare uithangbord was evenwel de bijzonder innemende Kylie ‘Kooks’ Coufos die zomaar de dochter van Toody Cole had kunnen zijn. Zowel haar basspel als haar uitstraling herinnerden me alsmaar aan de bassiste van Dead Moon. Bovendien charmeerde de, in een T-Rex T-shirt gehesen, Kooks het publiek met allerhande anekdotes (onder andere over het touren door Europa met de trein) of -en dat vooral- door The Pit's het Europese CBGB's te noemen.
Helemaal op het einde bewees het duo nog maar eens een fijne neus voor covers te hebben door hun tanden te zetten in The Who's "I can't explain" maar "It's all over now, baby blue" van Bob Dylan, nochtans één van de blikvangers op de plaat, werd ons onthouden.
Wellicht was de schroom om dit te brengen in een punkhol als The Pit's te groot. Jammer, toch was dit een meer dan aangenaam optreden waarin misschien net niet het niveau van de plaat werd gehaald. Of zoals iemand achteraf zei: "geef ze een echte drummer en een tweede Dead Moon is in de maak". 

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

The Freaky Buds - Blues met een gezonde dosis rock-'n-roll

Wat was het lang geleden dat ik nog eens in deze bijna 60 jaar oude club was geweest. Begin jaren negentig zag ik er de (in mijn ogen) legendarische Evan Johns (toen al op de terugweg, maar toch) en de eveneens merkwaardige The Leroi Brothers. Later moet ik er nog een paar keer geweest zijn maar dat is me blijkbaar minder bijgebleven.
Nadat de blues revival uit de jaren '80 een stille dood was gestorven kon het aanbod uit de blues me steeds minder boeien waardoor de nood om nog eens naar Ruiselede af te zakken minder hoog werd. Wat niet wegneemt dat de Banana Peel na al die jaren nog altijd een bruisende club is die op een maandagavond (nog steeds!) voor toch niet de grootste naam uit de blues scene zo goed als uitverkocht was.

Daarvoor zorgden dus The Freaky Buds, een Frans viertal uit Nantes dat ons volgens de inrichters ging trakteren op een set hill country blues. Hill country blues is een regionale (North Mississippi) stijl van country blues met een sterke nadruk op het ritme, met aanhoudend stevige gitaarriffs en een hypnotiserende groove. Voornaamste exponenten zijn "Mississippi" Fred McDowell, R.L. Burnside en Junior Kimbrough. Dat die vlag niet helemaal de lading dekte werd al tijdens het eerste nummer duidelijk.
The Freaky Buds wisten me meteen te overrompelen met een cover van het schitterende "Goin' to the church" van de onevenaarbare The Red Devils. Niet zo nijdig als het origineel (kan ook moeilijk) maar toch op hun manier bijzonder smaakvol gebracht. Maar hill country blues was dit uiteraard niet. Misschien wel rockin' blues zoals The Freaky Buds zelf hun muziek omschrijven. Ik hou het bij een gezonde mix van blues en rock-'n-roll. Later kregen we dan toch die beloofde hill country blues met twee nummers van R.L. Burnside: "Skinny woman" en "Goin' down south".
Naast die covers hoorden we ook veel eigen werk die dan geplukt werd uit hun debuutplaat ‘Hard days, fuzzy nights’ uit 2021, waarop trouwens geen cover te bespeuren valt, en uit een begin volgend jaar te verschijnen nieuwe plaat.  
Naast de overduidelijke invloeden van The Red Devils bleek ook GA-20 een grote bron van inspiratie geweest te zijn. Van hen hoorden we evenwel geen covers maar de manier waarop The Freaky Buds Hound Dog Taylor ("She's gone" en "Let's get funky") aanpakten droeg toch het keurmerk van GA-20, die beide nummers trouwens ook op het repertoire heeft staan.
Ondanks die frappante connecties bleken The Freaky Buds wel degelijk een eigen smoel te hebben. Max Genouel, met net als drummer Hugo Deviers een verleden bij het Franse Lowland Brothers, ontpopte zich als een veelzijdig gitarist die zich niet te vaak bezondigde aan lange solo's. En als dat dan toch gebeurde stopte hij er voldoende onconventionele noten in om het spannend te houden. Een rauwe bluesrasp had hij zeker niet maar zijn lijzige, ietwat aparte stem kon ons de ganse avond moeiteloos meeslepen. Naast hem excelleerde Thomas Troussier op mondharmonica, een meester in de stille noten en tevens de man die al vapend voor rookeffecten zorgde. En dan was er nog het geheim wapen van de band: Lonj (ook gekend als Nicolas Coulognes) op tweede gitaar die, met een minzame glimlach op het gelaat gebeiteld, voor een broeierige, swampy sound zorgde. Een man uit Bordeaux die talloze keren naar Mississippi trok en er daar in slaagde om met artiesten als B.B. King, T-Model Ford en James Carr samen te spelen. Hij stelde zich nogal bescheiden op, maar toch was hij de drijvende kracht achter de soepel draaiende motor.  Een motor die zonder moeite tweemaal een uur gesmeerd bleef lopen.
De Banana Peel stelt duidelijk hoge eisen aan haar gasten. Maar The Freaky Buds hadden genoeg bagage bij om de klus te klaren. Hoogtepunten in het tweede deel van de set waren opnieuw twee nummers die werden aangekondigd als zijnde van The Red Devils: "Devil woman" en "So low down". Wat niet helemaal klopt want "So low down" is eigenlijk van 13, de groep van Lester Butler na The Red Devils.
The Freaky Buds slaagden erin dankzij een rock-'n-roll gerichte aanpak, net als wijlen Lester Butler, dertig jaar geleden, en onlangs nog GA-20, een frisse wind door de blues te jagen.

Organisatie: Banana Peel , Ruiselede

Chuck Prophet - Onwaarschijnlijke combinatie van americana, rock-'n-roll en cumbia
Chuck Prophet and His Cumbia Shoes

Nadat hij er in 2022 noodgedwongen een concert moest annuleren omdat hij een behandeling tegen lymfeklierkanker moest ondergaan kon Chuck Prophet twee jaar later dan toch nog optreden in De Zwerver, zij het met een andere band en een andere plaat om voor te stellen.

Maar eerst dienden we nog Our Man In The Field, die in het zog van Prophet mee door Europa tourt, te trotseren. Our Man In The Field is het project van Alex Ellis, een singer-songwriter gehuisvest in Londen.
De brave man had zijn groep op stal gelaten en probeerde met zijn tweeën onze harten te veroveren. Ellis dankte ons meermaals omdat we zo beleefd naar hem luisterden maar helaas was het ook niet veel meer dan dat. Hij bracht een soort verstilde,uitgeklede indiefolk waarin absoluut geen plaats was voor frivoliteiten. Zijn stem klonk nochtans behoorlijk soulvol maar de onderling inwisselbare songs waren vluchtig en eentonig terwijl zijn gitaarspel wel erg spaarzaam was en dan is dat nog een understatement.
Zijn metgezel, Henry Senior, was zonder twijfel een excellente muzikant. Voortdurend in de weer met een slide op zijn dobro maar goh, wat klonk dit schel en bovendien hielp het de nummers geen meter vooruit. Even leek Ellis wat begeestering los te weken toen hij ons tijdens het nieuwe nummer, "Doing Alright", liet meezingen. Maar veel meer dan 'een Strand Of Oaks van het veertiende knoopsgat' kon ik hierbij niet bedenken.

Chuck Prophet kwam voor het eerst in beeld toen hij in 1985 Green On Red vervoegde en met die groep uit de Paisley Underground meteen hun beste plaat, ‘Gas Food Lodging’ maakte. Na de split in 1992 en een kortstondige reünie in 2005-2006, die hen ook voor een memorabel optreden naar de N9 in Eeklo bracht, bleef hij erg actief en maakte maar liefst 17 soloplaten. Bovendien is hij ook te horen op talloze albums van andere artiesten zoals Paul Collins, Bob Neuwirth, Calvin Russell, Cake, The Silos, Warren Zevon,...
Dit jaar verscheen dan ‘Wake the dead’ op Yep Roc Records waarop hij verrassend een nieuwe uitdaging aanging. Zo werkt hij op die plaat samen met  ¿Qiensave?, een cumbia band met Mexicaanse roots uit Salinas, California.
Cumbia is een van oorsprong Colombiaanse muziekstijl met zowel Spaanse als Afrikaanse invloeden waarin de soms complexe ritmes centraal staan. Misschien niet direct te associëren met iemand als Chuck Prophet maar ‘Wake the dead’ is een verdomd lekkere plaat en één van de beste uit zijn toch wel omvangrijk oeuvre.
Geen volledige ¿Qiensave? in Leffinge, enkel Mario Cortez (percussie, melodica) en Alejandro Gomez (keys, akoestische gitaar) waren van de partij. His Cumbia Shoes bestond verder uit gitarist James DePrato en drummer Vicente Rodriguez, beiden van The Mission Express (Prophet's gewoonlijke begeleidingsband) en bassist Joaquin Zamudio Garcia uit Mexico City.
Het bleek een ongelooflijk sterke combinatie die me vanaf het eerste nummer bij de lurven had. Wat een feestelijke opener trouwens! "Aviéntense todos", een versmelting van de hit van Los Locos Del Ritmo uit 1961 en het origineel, "C'mon everybody" van Eddie Cochran, mikte meteen op de dansspieren en liet mijn rock-'n-roll hart enkele tellen sneller slaan.
Wat volgde was een erg lange set waarin alle nummers, op één na, van de laatste plaat de revue passeerden en waarvan diegene met het meest uitgesproken cumbia karakter de hoogste toppen scheerden.
Songs als het waanzinnig mooie "Wake the dead", "Betty's song" of "Sugar into water", waarin Alejandro Gomez zijn erg kleine keyboard liet klinken als het orgel van Augie Meyers (Sir Douglas Quintet) dropen van het spelplezier en konden je alleen maar gelukkiger maken. Net als de weeral bijzonder raak gekozen cover: het uitermate aanstekelijke "La Danza de Los Mirlos/ Cumbia de Los Pajaritos" van het Peruaanse Los Mirlos.
Niet dat de oude Chuck Prophet nummers (want die waren er ook) daarbij verbleekten. Integendeel: "Jesus was a social drinker" met een koebel in de hoofdrol behoorde zeker tot de hoogtepunten en wat te denken van de finale met "Ford Econoline" (uit 2014) en "You did (Bomp shooby dooby bomp" (uit 2004) die de vinyl versies mijlen hoog overstegen.
De 61-jarige Chuck Prophet genoot duidelijk van iedere seconde en gaf ons alles wat hij in zich had. En dat was behoorlijk wat gezien een set vol hoogtepunten waaraan ook nog eens een gelukzalig makende bisronde werd gebreid. Die begon nog ingetogen met "It's a good day to be alive", waarin hij zijn goede gezondheid en het leven viert na die donkere periode, gevolgd door "Time ain't nothing" (dan toch nog een Green On Red nummer) om uiteindelijk al even feestelijk als de start te eindigen met "Wooly Bully" (Sam The Sham & The Pharaohs).
Deze onwaarschijnlijke combinatie van americana, rock-'n-roll en cumbia genereerde een knetterende energie en barstte van de levenslust.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Jenny Don't and The Spurs - Onvermoeibaar en met grenzeloze passie

Jenny Don't and The Spurs stonden al enkele jaren op mijn lijstje met groepen die ik absoluut eens aan het werk wil zien. Om uiteenlopende redenen had ik ze al een paar keer gemist en ook nu dreigde een rokende camionette alsnog roet in het eten te gooien. Gelukkig geraakte de band nog aan een vervangend exemplaar en kon het optreden in de Cowboy Up, zij het met de nodige vertraging (zo'n twee en een half uur), toch doorgaan.

Jenny Don't (echte naam Connors) dankt haar bijnaam aan haar weerbarstige aard waarmee ze in haar jeugd het gezag tartte. Ik zag ze al eens in 2016 in de Pit's met een andere groep, simpelweg Don't geheten, die toen met seventies geïnspireerde rock weinig potten wist te breken. Maar eigenlijk was ze toen al samen met haar vriend Kelly Halliburton, die ik ook ken van P.R.O.B.L.E.M.S. en Pierced Arrows (Fred Cole's band na Dead Moon), bezig met een veel interessanter project waarin ze resoluut voor country koos: Jenny Don't and The Spurs, waarmee ze intussen een viertal LP's, één EP en twee handen vol singles gemaakt heeft. Daarbij bleef ze niet van tegenslagen gespaard. Zo moest ze zelf een stemoperatie ondergaan en twee jaar geleden stierf haar drummer, die voorheen de vellen roerde bij The Wipers, Poison Idea, Napalm Beach en The Rats, aan maagkanker. Ondanks dat alles blijft de groep er vol voor gaan.
Dit jaar verscheen het uitstekende ‘Broken hearted blue’ waarna er een erg uitgebreide tour volgde met de nieuwe drummer, Buddy Weeks.

De groep uit Portland, Oregon begon met het stevige "Flying high" dat voorzien was van een lange instrumentale intro waarin al meteen duidelijk werd dat gitarist Christopher March het geheim wapen van de band is. Een beetje zoals Jerry Miller bij Eilen Jewell: bescheiden maar bijzonder doeltreffend en met een gezonde dosis rock-'n-roll in de vingers. Wat kon hij zijn gitaar verfijnd laten trillen en galmen, niet zelden in de geest van Link Wray of Duane Eddy.
Jenny bleek van haar kant een onvermoeibare spring-in-'t-veld die er alles aan deed om ons dat eindeloze wachten te laten vergeten. Toen iemand riep om "Call of the road" en de gitarist er eerst niet wou aan beginnen omdat het te lang geleden was dat hij het nog gespeeld had, bleef zij aandringen om het toch te proberen wat hij uiteindelijk ook deed. Het resultaat mocht er absoluut zijn, al zal de perfectionist in Christopher March daar misschien anders over denken.
Of het nu outlaw country, honky-tonk of wat dan ook was, Jenny Don't bleef glanzen in het centrum van de actie met haar wankelende, schelle stem en vooral met haar grenzeloze passie. Daarbij werd ze comfortabel in het zadel gehouden door de erg aanwezige bas van partner Kelly Halliburton en de adequate drums van Buddy Weeks. Het absolute hoogtepunt was het bijna strompelende "Unlucky love" waarin Christopher March zich nog eens van zijn fijnzinnigste kant liet zien.
En dan was er nog die fenomenale bisronde met eerst "Your cheatin' heart" van Hank Williams, wie wat mij betreft nooit genoeg gecoverd kan worden.

Eindigen deden ze triomfantelijk met de onversneden garagerock van "Fire in the western world" van Dead Moon, de beste band die Portland ooit gekend heeft volgens Jenny Don't. We hadden lang moeten wachten maar dat was het meer dan waard geweest.

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

Pagina 3 van 24