Binic Folks Blues Festival 2013 van 02 t/m 04 augustus 2013 - Drie dagen rock-'n-roll in een idyllisch badplaatsje
Binic Folks Blues Festival 2013
Festivalkaai
Binic (Bretagne)
Binic Folks Blues Festival 02/03/04 augustus
Binic ligt net voorbij St.-Brieuc in het departement Côtes d'Armor in Bretagne. Het pittoreske havenstadje, verscholen tussen de hoge rotswanden, zal het wellicht vooral van de toeristen moeten hebben maar sinds een jaar of vijf duiken er in het eerste weekend van augustus ook horden, al dan niet ruige, rock-'n-roll liefhebbers op wier meestal zwarte kledij nogal contrasteert met de gebruikelijke vakantieoutfit. Verantwoordelijk hiervoor is het Binic Folks Blues Festival, een organisatie van La Nef-D-Fous. Drijvende kracht hierachter is de uitbater van het plaatselijke etablissement "Le Chaland qui passe" die hierbij hulp krijgt van het managementbureau "U-Turn Touring" uit Bordeaux en het platenlabel "Beast Records" uit Rennes. Twee jaar geleden had ik al eens het geluk dit gratis festival te mogen meemaken maar sinds die keer is er daar toch wel wat veranderd. Vooral de komst van een derde en wat groter podium op de Esplanade de la Banche, net naast het strand, heeft het festival een ander gezicht gegeven. Bovendien leek het aantal bezoekers me meer dan verdubbeld. Een groot festival is het nog steeds bijlange niet maar veel meer mensen kan het plaatsje toch niet meer aan. Desondanks werd het nooit te druk, bleef de sfeer steeds gemoedelijk en viel er muzikaal heel wat te genieten. Enerzijds van een hele lading garagerockbands (meestal via U-Turn Touring) en anderzijds van een contingent singer-songwriters en folkrockbands uit Australië (dankzij Beast Records).
DE FRANSEN
Uiteraard nogal wat Franse bands op het menu maar daarnaast ook een drietal groepen met het mysterieuze (BZH) achter hun naam. Enig speurwerk was nodig om uit te vissen waar deze vreemde lettercombinatie voor stond. Dat onbekende land bleek Breizh te zijn en dat is gewoon Bretagne in het Bretoens. Eén van die drie was Head On uit Rennes met een werknemer van "Beast Records" als niet onverdienstelijk zanger. Ze zagen er erg rock-'n-roll uit en zo klonken ze ook. Wijdbeens grijnzend joegen ze een luide en smerige sound door de boxen die deed denken aan Australische garagepunkbands als The Beasts Of Bourbon. Niets nieuws onder de zon wel bijzonder amusant, vooral tijdens de laatste drie nummers toen ze de hulp kregen van een niet zo jonge saxofonist in een erg strak zittend rolkraagtruitje met luipaardmotief. Rock-'n-roll !!
Ook het drietal Ultra Bullitt, eveneens uit Bretagne, wist me te charmeren. Zelf omschrijven ze hun muziek als high energy rock-'n-roll garage. Dat zal wel kloppen. Het klonk alleszins luid, deed heel even aan MC5 herinneren en de gitarist was uitermate vinnig bezig.
Chicken Diamond is een one-man-band uit Thionville. In een voor de hand liggend t-shirt van Bob Log III bracht hij trashblues met een van distortion kromtrekkende gitaar. Twee jaar geleden vond ik hem net iets beter maar toen zag ik hem op het wat kleinere podium aan de Place de la Cloche. Een wat intiemere omgeving komt hem (en de meeste anderen ook trouwens) wat beter uit.
Een andere one-man-band was Thomas Schoeffler Jr. uit Straatsburg. Countryblues gezongen met een folkstem lijkt me de meest adequate omschrijving. Een akoestische gitaar, soms wat slide, een mondharmonica en een tamboerijn-stompbox waren zijn attributen terwijl hij zijn hoge stem soms wat liet vibreren. Naast een cover van "Alone and forsake" van Hank Williams bracht hij uitsluitend eigen werk dat er best mocht zijn.
Het jong trio Libido Fuzz uit Bordeaux klonk krek als The Jimi Hendrix Experience. De gitaar van Pierre Alexis Mungual zag er uit alsof hij net uit de verpakking was gehaald maar de jongeman beheerste het instrument als geen ander, Jimi achterna. Toch was het vooral het geluid van de bassist en de drummer die de Experience voor de geest riep. Goed naar Radio Moscow gekeken dacht ik maar dan moet ik er meteen bij vertellen dat deze Libido Fuzz hun nummers nooit lieten verzanden in oeverloos gesoleer, iets wat bij Radio Moscow jammer genoeg wel het geval is. Ik zat hier zeker niet op te wachten maar kon er toch best mee leven.
Beste Franse band was voor mij zonder twijfel The Feeling Of Love uit Metz. Ik zag ze al eens schitteren in de 4AD en hier was dat niet anders. Op plaat komt het er voorlopig nog niet helemaal uit maar live zijn ze onweerstaanbaar. De groep rond zanger-gitarist Guillaume Marietta klonk als een geüpdate versie van The Velvet Underground en dat vooral door de toetsen (waaronder een Farfisa) van Hess. Maar ook meer bijdetijdse bands als The Ponys, Mmoss en Allah-Las (maar dan met meer ballen) bleken vergelijkingspunten. Eenmaal gegrepen door deze muziek werd je niet meer losgelaten. Mensen die wat meewarig doen als het over Franse rock gaat moeten hier dringend eens naar luisteren.
Jammerlijk gemist : Strong Come Ons.
HET AUSTRALISCHE LEGIOEN heb ik grotendeels aan me voorbij laten gaan.
De drie songs die ik van Suzie Stapleton (Melbourne) zag waren veelbelovend. Solo met een elektrische gitaar waarop ze soms fors uithaalde viel ze ergens te situeren in de alternatieve rockhoek.
Twenty Seven Winters (ook al uit Melbourne) serveerde smaakvolle americana (australiana?) waarin de lapsteel van Paul Mileham voor het verschil zorgde. Zeker niet onverdienstelijk maar na enige tijd begon wat eenvormigheid hen parten te spelen.
Het koppel Louise O'Reilly en Paul Hannan verliet destijds Melbourne om diep in de beboste heuvels van Natural Bridge in een hut aan de rand van een uitgedoofde vulkaan te gaan leven om zo wat inspiratie op te doen. Tegenwoordig hebben ze hun stek in Berlijn gevonden maar de folkrock die ze met Laneway brengen ademt nog steeds de sfeer van die bossen uit en blijft tot de verbeelding spreken. Het weliswaar veel kleinere aantal geïnteresseerden op de Place de la Cloche luisterde ademloos naar songs met titels als "Love is the devil". Mooi!
TWEE AMERIKAANSE EINZELGÄNGERS
Het allereerste optreden dat ik in Binic zag was er meteen één van uitzonderlijke klasse. Op de Place Pommelec bracht de 69-jarige David Evans uit Memphis, Tennessee (en dat is dus niet The Edge, die dezelfde naam draagt) de blues zoals die in het begin van de vorige eeuw moet geklonken hebben. Zichzelf begeleidend op fingerpickin' gitaar (af en toe wat slide) zong hij nummers van Robert Johnson, Blind Lemon Jefferson, Charley Patton en ook van minder bekende namen als Tommy Johnson en Peetey Wheatstraw met een stem die perfect zou passen tussen die stokoude opnames van de hierboven geciteerde bluesmannen. De kerel was de bescheidenheid zelve maar wat hij bracht was in al zijn eenvoud superieur. David Evans speelde maar liefst vier sets op het festival en ik zag hem nog een aantal keer terug. Zo hoorde ik hem ook nog op verzoek "Special rider blues" van Skip James haast achteloos uit zijn mouw schudden. Meesterlijk! Achteraf kwam ik te weten dat die David Evans toch niet de eerste de beste is. Hij blijkt een etnomusicoloog te zijn die reeds verschillende boeken schreef (o.a. één over Tommy Johnson) en is tevens directeur van een etnomusicologisch, regionaal studieprogramma aan de universiteit van Memphis. Een ontdekking!
Ook bluesman Mississippi Gabe Carter uit Chicago, Illinois deed het op zijn eentje. Zijn stem klonk net als zijn gitaar erg metalliek en al bij het derde nummer dreigde hij weg te zinken in een kleurloze gladde brei. Maar na een tiental minuten joeg hij met zijn stompbox het ritme opnieuw de hoogte in en kon hij het tij alsnog keren. In de buurt van David Evans kwam hij evenwel nooit terwijl hij net iets te veel reclame maakte voor zijn cd om sympathiek over te komen.
DE TOPPERS
Movie Star Junkies uit Turijn hadden een nieuwe gitarist bij die in nauwelijks twee dagen tijd alle nummers had ingestudeerd maar daar was op het podium niets van te merken. De groep begon indrukwekkend met een nummer dat kon tippen aan het beste van The Birthday Party. De erg charismatische zanger Stefano Isaia zou trouwens het ganse optreden Nick Cave naar de kroon steken. Het bleef een vreemde combinatie : de bijwijlen bombastische noise gekoppeld aan ritmes die uit de soundtracks van Ennio Morricone leken geslopen. Maar het werkte wonderwel en wanneer naar het einde toe de noise-erupties achterwege bleven bewees de groep ook het subtielere werk aan te kunnen.
Na hen verscheen op vrijdag een vol getatoeëerde John Dwyer in een tot op de draad versleten t-shirt (hij heeft er blijkbaar maar één) op het podium. Het duurde even voor de overige drie van Thee Oh Sees (San Francisco) volgden maar eenmaal kompleet barste de hel los. Zowel op het podium als ervoor. Dwyer leek beter dan ooit op zijn gitaar die hij meermaals als een soort oorlogswapen gebruikte. Er waren nog steeds die malle hoge stemmetjes van hem en Brigid Dawson terwijl eens te meer die fenomenale ruggengraat van de band opviel : tweede gitarist Petey Dammit!, die steeds beangstigend hard met zijn hoofd stond te knikken plus de nooit aflatende drummer Mike Shoun die zelfs tijdens de onderbrekingen (gebroken snaren) onverdroten verder mepte. Vuurwerk op de stage dus maar ook ervoor. Daar ging het er ongemeen heftig aan toe met talloze stagedivers en crowdsurfers. Thee Oh Sees maakten er een stormachtig feestje van waarin slechts tijdens het laatste nummer het gaspedaal werd losgelaten. Meteen een draak van een song vond ik maar toen een Française me onverwacht ten dans vroeg zag ik er plots toch nog enkele onvermoede kwaliteiten in. Na een eerste bisronde bleef het publiek koppig aandringen en na een schier eindeloze discussie verschenen Thee Oh Sees opnieuw op de planken. Helaas had de geluidsman toen de P.A. al afgesloten wat hem niet in dank werd afgenomen. Ik was reeds ver weg toen ik nog steeds verwensingen aan zijn adres door de lucht hoorde klieven.
Toen op zaterdag Shannon and The Clams hun opwachting maakten vielen er opnieuw diezelfde woeste, waanzinnige taferelen als bij Thee Oh Sees te zien op de Esplanade de la Banche. De volslanke Shannon (ook deeltijds lid van Hunx and his Punx) bleek wat overdonderd door die enorme respons en voelde zich duidelijk wat onwennig. Het verschil met zaaltjes als de DNA in Brussel, die ze tijdens deze tour aandeden, was dan ook zeer groot. Gelukkig had dat geen gevolgen voor hun muziek want die klonk hemels. Deze groep uit Oakland, Californië bracht springerige fifties rock-'n-roll doorkneed met doowopvocals en op smaak gebracht met een fikse scheut punk. Shannon zorgde naast de bas meestal voor de leadvocals terwijl gitarist Cody Blanchard met zijn knetterend hoog stemmetje voor de heerlijke doowopeffecten zorgde. Achter hen hadden ze nog een niet te onderschatten schakel : een kampioen bekkentrekken op drums die af en toe beslist niet onaardig meezong. Hier absoluut geen gitaargeweld zoals bij Thee Oh Sees maar de afgeknepen gitaarnoten van Blanchard lieten het volk evengoed 't zwin deur de bjêten joagn. Toen ze Del Shannon's "Runaway" (een song die hen op het lijf geschreven is) inzetten was er vooraan helemaal geen houden meer aan. Het hoogtepunt van het festival. Hoewel! Op zondag zag ik ze nog eens terug op een afgeladen "de la Cloche" pleintje en die set die ze begonnen met "You will always bring me flowers" (mijn favoriete Shannon and the Clams-song) bleek zo mogelijk nog beter.
Nadat ze net die uitzinnige meute bij Shannon and The Clams gezien hadden dachten Waves Of Fury uit Londen blijkbaar gewonnen spel te hebben. Niet dus en het duurde even voor er wat beweging kwam in het fel uitgedunde publiek. Wat meteen opviel bij Waves Of Fury was dat die onwaarschijnlijk gekke stem van op hun plaat "Thirst" (op Alive Records) in het echt heel wat normaler klonk. De muziek van Waves Of Fury omschrijven is geen kattenpis (vrij naar Jan Becaus). Powersoul met grote dosissen rhythm 'n blues, punk en zelfs jazz. Het lijkt een vreemde combinatie en dat was het ook. Soms verrassend sterk maar bij andere nummers wrong het dan weer een beetje. Uitblinkers bij dit vijftal waren de superbe saxofonist en Jamie Bird aan een stomend Rhodes-orgel. Ook Waves Of Fury zag ik een dag later terug op de Place de la Cloche en ook daar klonk de band van zanger-gitarist Carter Sharp een stuk beter dan op het grotere podium.
Op zondag verscheen Mikal Cronin meer dan een half uur te laat op de afspraak maar dat had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat Shannon and The Clams toen nog op la Cloche bezig waren en al wie hen de dag voordien gezien had wou daar natuurlijk bij zijn. Mooie zet dus van een overigens prima organisatie, zo zag ook ik Mikal Cronin zeer sterk beginnen. Maar toen de nieuwe nummers eraan kwamen zakte de pudding zienderogen in elkaar. De laatste plaat "MCII" is dan ook, ondanks alle lovende recensies, een wat halfbakken werkstuk. En door de volumeknop wat verder open te draaien kon Cronin dat niet verbergen. Gelukkig voor hem liet de harde kern vooraan dat niet aan hun hart komen en zagen we weeral veel voeten en armen door de lucht zwieren. Hoe meer de set vorderde hoe meer Cronin zich liet verleiden tot oeverloze gitaarorgieën. Zelfs bisnummer "Whole wide world" (Wreckless Eric) eindigde met minutenlang gierende gitaren. Mikal Cronin kwam nog een tweede keer terug, helemaal alleen. Maar die slotsong ging grotendeels de mist in omdat hij zijn lach, om de uitzinnige toestanden voor hem, niet kon onderdrukken. Een heetgebakerde fan slaagde er zelfs in om zijn micro mee te grissen maar ook dat incident werd diplomatiek opgelost terwijl Cronin bijna de slappe lach kreeg.
Het was een mooi festival geweest met als uitschieters David Evans, Thee Oh Sees, The Feeling Of Love en Shannon and The Clams. Het laatste wat ik zag in Binic was Clams-gitarist Cody Blanchard die geduldig stond te wachten aan het wafelkraam. Hier zijn nog steeds geen grenzen tussen artiesten en toeschouwers.
Organisatie: Binic Folks Blues Festival