logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Deadletter-2026...
Deadletter-2026...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Lilith & The Noise Boys - Psychobilly uit het land van Tadej

Meestal baseer ik me op de albums of, als ik weinig tijd heb, op de recensies daarvan om te beslissen of ik een groep ga zien. In dit geval was het koffiedik kijken want het Sloveense Lilith & The Noise Boys heeft nog geen volwaardige plaat uitgebracht (ze zijn er naar verluidt druk mee bezig), en baarde enkel een viertal singles die alleen digitaal verkrijgbaar zijn. Vooral de eerste daarvan, "Hearts on Fire", klonk veelbelovend, maar het was toch vooral hoe ze hun muziek zelf omschrijven - garage rock-'n-roll - die me naar Waardamme lokte. Dat ik daarbij de onvermijdelijke koffietafel op paasmaandag kon ontwijken was mooi meegenomen.

Lilith & The Noise Boys is ontstaan uit de restanten van Clockwork Psycho (uit Ljubljana), de allereerste Sloveense psychobilly band met een frontvrouw. Tevens een groep met een stevige reputatie en een viertal platen op het conto. Een erfenis die Lilith & The Noise Boys niet konden wegmoffelen maar gelukkig werd er vaak genoeg naast de pot gepist want psychobilly kan me slechts in beperkte doses boeien.
Het viertal nam een eerder makke start met twee hillbilly-achtige songs. Daarna werd het rock-'n-rollgehalte gevoelig opgedreven en sloeg het vuur in de pan. De nummers werden afwisselend gezongen door Lilith Clockwork en gitarist Jure Lenarcic, een man met in whisky gemarineerde stembanden.
Daarnaast ging Lilith met veel enthousiasme tekeer op haar contrabas. Ze moest haar poging om wat acrobatieën met het instrument uit te halen echter staken door te veel feedback. Een derde bepalende factor was leadgitarist Choo Lee, zonder twijfel een virtuoos, maar niet altijd even gelukkig in zijn tussenkomsten, die soms te veel naar metal neigden.
Af en toe liet de band horen meer in haar mars te hebben dan psychobilly zoals in "Marusya", een Oekraïens volkslied of in "Murphy", het enige nummer waarin het tempo werd gedrukt en dat blijkbaar over een hond ging.
Verder viel er ook een obscure cover te noteren: "Bad Habit" van Dypsomaniaxe, een Schotse, volledige vrouwelijke psychobilly band die in 1992 haar enige album maakte.
Hét hoogtepunt zat helemaal op het einde van de set: "Cattin' around", pure rockabilly, strak en kurkdroog gespeeld zoals het hoort. Ook de behoorlijk rock-'n-roll klinkende bis ("Rock Around"?), die we eigenlijk al eens eerder in de set gehoord hadden, was zeker het onthouden waard.

Lang niet alles was even beklijvend, toch hoorde ik voldoende moois om me te laten uitkijken naar die eerste plaat die eraan zou moeten komen. Dit was hun laatste dag van een zeven dagen durende tour door Europa.
De volgende dag stond de terugreis van veertien uur gepland om dan nog een dag later opnieuw te gaan werken. Rock-'n-roll!

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

woensdag 01 april 2026 22:44

The Kids - Nog geen sporen van sleet

The Kids - Nog geen sporen van sleet
The Kids + Vaag + The Covids

Vijftig jaar punk! Vijftig jaar The Kids!! Als dat geen reden tot een feestje is, dan weet ik het ook niet meer. Bovendien bleek dat The Kids nog nooit in De Zwerver geweest waren. Hoe is dat nu mogelijk? Maar na zaterdag is die leemte alsnog gevuld, en dat overigens op een indrukwekkende wijze.

Punk blijkt na vijftig jaar springlevend! Overal schieten jonge punkbandjes als paddenstoelen uit de grond. Eén daarvan is The Covids uit Amsterdam. Ontstaan tijdens de pandemie - vandaar die mooie naam - hebben ze intussen twee albums op hun actief en een stevige livereputatie opgebouwd.
Na een korte intro gaf de band meteen "Banned from the USA" prijs, hun laatste single en wellicht ook hun beste nummer. Een droomstart voor een aanstekelijke set vol korte, no nonsense punkliedjes in de traditie van pioniers zoals The Undertones of Buzzcocks. Zanger Mehdi Tallal leek een pas bevrijd wild dier en ging als een razende tekeer. Daarbij ging de voorraad bier meteen tegen dek waardoor het podium in een schaatsbaan veranderde. Met als gevolg dat Tallal meermaals onderuit knalde maar dat kon hem niet afremmen. Al vlug trok hij zijn shirt uit en onthulde hij zijn blote bast, waarop in grote letters 'No kids more nukes' geschreven stond. De betekenis daarvan is me niet geheel duidelijk. Dat hij geen kinderen wil, weten we uit het nummer "No kids" maar wat hij met die kernwapens wil aanvangen blijft me een raadsel.
Wat provoceren maakt wellicht deel uit van dit soort rauwe, energieke punk die verrassend melodieus klonk. Als slotakkoord diepte het viertal nog een onverwachte cover op: "Just head" van Nervous Eaters, een obscure seventies punkband uit Boston. Mooi!
£
Met Vaag zagen we enkele oudgedienden uit de Kortrijkse underground terug: gitarist Mich Decruyenaere (Hitch, Galatasaray,...) en zanger Bram Coussement (Haemers) met bassist Simon Pertz en drummer Pieter Blancke. Het gezelschap heeft twee EP's op zijn naam staan: ‘Rauw’ en ‘Paniek!’, maar ondanks die titels en de groepsnaam zingen ze gewoon in het Engels. Nu ja, zingen? De zanger bleek een brulboei: zijn met veel overgave gebrachte maar vrij monotone geschreeuw begon na een tijdje op de maag te liggen. De gitaarlijnen van Mich Decruyenaere klonken fris en innovatief maar dat volstond niet om van een geslaagde set te kunnen spreken. Vooral die dichtgeplamuurde sound maakte het voor me te vermoeiend. Toch bleef ik hopen op een moment waarop er wat gas zou worden teruggenomen om zo wat ademruimte te creëren, maar dat kwam er uiteindelijk niet. Maar misschien was ik hier na het argeloze geweld van The Covids niet klaar voor.
De postpunk van Vaag leek plots wat te intellectueel, gekneld als ze zaten tussen twee groepen die zweren bij rechttoe-rechtaan punk.

The Kids zijn zonder twijfel de beste punkgroep die België ooit gekend heeft en ondanks hun eerder bescheiden oeuvre, vijf studioalbums en twee livealbums, mag de band stilaan als een instituut beschouwd worden.
Hun titelloze debuut uit 1978 is een klassieker in het genre, waarvan de originele exemplaren intussen behoorlijk wat geld waard zijn. In de loop der jaren bouwden The Kids ook in de Verenigde Staten een zekere cultstatus op, waar ze, live graag geziene gasten zijn. Maar onder het huidige regime krijgen ze daar helaas geen visa meer.
De groep bestaat dus vijftig jaar, zij het met een hiaat tussen 1985 en 1996. Na de reünie bleven ze regelmatig optreden maar nieuw werk, buiten een verdwaalde single, kwam er niet meer. Ze blijven dus in feite teren op hun oude nummers die inmiddels minstens 45 jaar oud zijn, maar geen mens die hen dat kwalijk neemt. En wie ze ooit zag weet ook waarom.
De drie originele leden in de frontlinie zagen er ondanks de gevorderde leeftijd vrij patent uit: gitarist Luc van de Poel (73), zanger-gitarist Ludo Mariman (71) en bassist Danny de Haes (63, hij was pas 12 toen The Kids begonnen). En Tim Jult is intussen ook reeds zo'n veertien jaar de drummer.
De set werd traditiegetrouw geopend met "No work". De setlist veranderde, in al die jaren na de comeback, nauwelijks, vertelde een fan me. Waarom zou die trouwens moeten veranderen? Eenmaal de perfecte opbouw gevonden, dan hou je die toch. Wat klonk dit meteen fel, scherp en strak!
Meteen daarna volgden nog een trits nummers uit dat tijdloze debuut, dat er zo goed als volledig werd doorgejaagd: "Bloody Belgium", "Do you wanna know", "For the fret" en "Money is all I need". Het waren punkbommetjes die niets aan frisheid hadden ingeboet, krachtig en helder gezongen door een minzaam grijnzende Mariman.
Van de Poel, de nestor van het gezelschap, was de beweeglijkste en leek zijn leeftijd voortdurend moeiteloos te tarten. Na de vinnige Wire cover, "1 2 X U" volgde "There will be no next time", een nummer dat behoort tot het collectieve geheugen en waarop ik iets meer reactie van het publiek had verwacht.
Dat een echte moshpit zou uitblijven was al voor de show duidelijk. Daarvoor was de gemiddelde leeftijd iets te hoog. Vreemd genoeg meldden de eerste danslustigen zich pas na die hit, bij "I wanna get a job in the city", ook een knaller uiteraard.
En zo verzeilden we haast ongemerkt in de zinderende finale, waarin ik het delirium nabij kwam door "Fascist cops", "This is rock 'n roll" en "Do you love the Nazis", uitzinnige volksliederen die me op slag dertig jaar jonger deden voelen.
Toen The Kids terugkwamen voor een bis was er een groepje enthousiastelingen al "Hey ho, let's go" aan het scanderen maar Mariman liet zich niet vermurwen en zette "If the kids are united" van Sham 69 in. Uiteraard kon "Blitzkrieg bop" van de Ramones dan toch niet ontbreken en met deze twee massaal meegezongen anthems werd het alsnog een behoorlijk wild feestje voor het podium.
Na vijftig jaar bleken er bij The Kids nog geen sporen van sleet merkbaar.  

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

GA-20 - Adembenemende blues dankzij een injectie rock-'n-roll

Ondanks alle ellende liep ik de afgelopen dagen in jubelstemming rond want mijn favoriete bluesband was opnieuw in het land. Zo zullen er wellicht nog meer geweest zijn, want de N9 liep behoorlijk vol voor alweer een passage van GA-20 in ons land.

Maar eerst mocht een ander groepje dat me ook nauw aan het hart ligt het podium inpalmen: het Gentse Harvesters. Ik zag ze ongeveer een jaar geleden nog in het voorprogramma van James Leg in de 4AD waar ze vertelden dat ze druk bezig waren met hun tweede plaat. Die is nu af maar blijkbaar nog niet uit.
De officiële voorstelling staat pas gepland op 30 april in de Missy Sippy. Zo lang hielden ze ons echter niet in spanning want ‘Do some good’, zo heet de nieuwe plaat, werd  in de N9 integraal en met veel gretigheid door de boxen gejaagd. Allemaal nieuwe nummers dus - enkel de vooruitgeschoven single "Blackbird" was me bekend - waaruit bleek dat Harvesters resoluut de kaart van de seventies rock heeft gekozen. Americana en rootsrock invloeden leken definitief verdampt.
Een opmerkelijke keuze want de seventies worden - punk buiten beschouwing gelaten - vaak gezien als de meest dorre periode uit de rockgeschiedenis. Dat neemt uiteraard niet weg dat ook toen tal van uitstekende platen verschenen. Harvesters was ook zo slim om de stadionsound die toen voor het eerst de kop opstak links te laten liggen en te kiezen voor een onopgesmukt geluid dat eerder de geur van verschaald bier en rokerige pubs opriep.
De bas van Bart Soens en de drums van Lion De Clerck (Leopard Skull, Straight Shooter) zorgden voor een robuuste verankering terwijl de gitaren van Paul Lamont (Hitch, Grand Blue Heron), tevens verantwoordelijk voor de donkere, korrelige stem, en Miguel Moors (Blackup) voortdurend de sterren van de hemel speelden. Black Crowes, Robin Trower en Tom Petty worden wel eens naar voor geschoven als inspiratiebronnen, maar dat heb ik er niet in gehoord. Wel riepen de melodieuze gitaarlijnen een enkele keer herinneringen op aan Bad Company.
Eén nummer (een titel kan ik er helaas niet op plakken), dat een vergeten klassieker uit de seventies had kunnen zijn, sprong er zo uit dankzij de heldere, meteen vertrouwd aandoende gitaarriffs. De andere songs hebben wellicht wat meer tijd nodig om zich helemaal te laten doorgronden. Ondanks het ontbreken van de parels uit hun eerste plaat, ‘At Rosie’s Palace’, werd het een knappe set die me in ieder geval nieuwsgierig maakt naar de nieuwe elpee.

Nadat Matthew Stubbs na jarenlange dienst bij Charlie Musselwhite op de keien werd gezet, begon hij in 2018 een eigen bluesbandje om zo de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Met GA-20 schuimde hij eerst de café's en restaurants van zijn thuisstad Boston af maar al snel bleek zijn rauwe, compromisloze blues aan te slaan bij een breder publiek en begon hij heel intensief te touren, zowel in Amerika als Europa.
Zo kon ik de groep maar liefst zeven keer aan het werk zien zonder daarbij verre verplaatsingen te moeten maken. In 2024 leek het noodlot toe te slaan toen zowel Pat Faherty (zang, gitaar) als Tim Carman (drums) de groep totaal onverwacht de rug toekeerden. Vooral Pat Faherty, toch het uithangbord van de band, leek met zijn punk charisma onvervangbaar. Maar Matthew Stubbs is een doorzetter. Hij zocht en vond twee vervangers bij Ward Hayden & The Outliers (het vroegere Girls Guns And Glory), een old school country band die enkele keren had geopend voor GA-20.
Faherty en Carman begonnen van hun kant een eigen band, Canyon Lights, waarmee ze begin mei te zien zijn op twee Nederlandse bluesfestivals: Moulin Blues en Rhythm & Blues Night. Maar hun debuut, ‘Breathe easy’, waar ik hoopvol naar uitkeek, valt me serieus tegen .
Vorig jaar zag ik GA-20 voor het eerst in de nieuwe bezetting in café De Zwerver en toen bleek al dat de groep niets aan kracht had ingeboet. In de N9 kwamen ze zo mogelijk nog sterker uit de verf. Cody Nilsen zal zijn voorganger, Pat Faherty, nooit helemaal doen vergeten. Daarvoor was die laatste, met zijn immense krullenbol en onorthodoxe sprongen, te nadrukkelijk visueel aanwezig. Maar nu ik hem een tweede keer bezig zag, dringt de conclusie zich op dat Nilsen vocaal minstens even sterk is en als gitarist zelfs de betere.
En gitaren, daar draait het toch om bij GA-20. Twee gitaristen mochten, zonder dat een bassist hen voor de voeten liep, elkaar op het voorplan afwisselen: de melodieus en wat bedaarder spelende Matthew Stubbs en de scherpere en venijniger uithalende Cody Nilsen. Stubbs mag dan herhaaldelijk zijn liefde voor Chicago Blues hebben uitgesproken, maar wat GA-20 bracht was zoveel meer dan dat. 95% van de contemporaine Chicago blues vind ik eigenlijk strontvervelend. Maar GA-20 geeft de blues, met een gezonde injectie rock-'n-roll en een uitgekiende songkeuze, een extra dimensie. De blues heruitvinden doen ze niet - dat is ook helemaal niet nodig - maar ze laten haar wel weer fris en opwindend klinken. 
De set werd meteen schitterend geopend met het opgewekte "Cryin' & Pleadin'" van Billy Boy Arnold, misschien wel het beste nummer van hun laatste plaat, ‘Orphans’. Er zouden nog vier nummers uit die plaat volgen maar ook het oudere werk kwam ruimschoots aan bod. Zoals de twee rauwe Hound Dog Taylor covers, "Give me back my wig" en "She's gone", altijd goed voor een hoogtepunt. Bo Diddley's "Crackin' up" werd dan weer wat onderkoeld gebracht. Voor mij had het wat feestelijker gemogen, maar het was in elk geval eens wat anders.
Halverwege de set verlieten Stubbs en drummer Josh Kiggans het podium en worstelde Cody Nilsen zich door Lightnin' Hopkins' "I'm leaving you now". Hoewel de laatste plaat niet zo heel lang geleden verscheen, had een aantal nieuwe nummers al zijn weg naar de setlist gevonden en zeker niet de minste. "Can't hold out" van Elmore James, geschreven door Willie Dixon en "Crazy Love", ook al uit de pen van Willie Dixon maar in 1965 op single uitgebracht door Buddy Guy. Vooral dat laatste was opnieuw een openbaring!
De opbouw van de set bleef ongewijzigd met ook hier tegen het einde ruimte voor een uitstapje tussen het publiek. Maar waar Pat Faherty vroeger als een razende de menigte in dook, zoekt Cody Nilsen het rustig op om daarna te proberen de stilste noot ooit te spelen.
Als uitsmijter zorgde het aan Little Richard schatplichtige "Be my lonesome" nog voor een brok zinderende rock-'n-roll. En omdat zowel Stubbs als Nilsen 'Dale' als tweede naam hebben werd "Nitro" van Dick Dale gekozen als bis.
Een alweer adembenemende set kon nauwelijks mooier eindigen dan met deze spetterende surf-instrumental.

Organisatie: N9, Eeklo

Escape-ism - Rock-'n-roll op zijn elementairst

Het was al een hele tijd geleden dat ik nog eens in Le Watermoulin was geweest, maar veel leek er niet veranderd. Zelfs de drankprijzen bleken onaangetast gebleven. Toch besefte ik meteen dat ik vooral die uitgelaten sfeer gemist had en die bleek nog wat uitbundiger dan gewoonlijk. Want met Ian Svenonius kwam een oude bekende terug - hij was er al eens in 2018 - en de Doornikse club koestert duidelijk zijn helden.

Christophe Clébard, enfant terrible van de Brusselse synthpunk, had zijn kat gestuurd zodat Die Anstalt, een trio uit Berlijn, de feestelijkheden in een uitverkochte Water Moulin mocht openen en dat deden ze met verve. Nochtans waren mijn verwachtingen niet bijster hooggespannen. Ik zat niet echt te wachten op een portie synthpunk, die zijn inspiratie vond in eighties new wave en/of in die Neue Deutsche Welle, en met de Duitse taal heb ik ook al weinig affiniteit. Maar Die Anstalt wist er onverwacht een explosief brouwsel uit te puren. Minstens een paar nummers deden me denken aan D.A.F., en dat is, vooral dankzij "Der Mussolini", één van de weinige groepen uit die Neue Deutsche Welle die ik wel kon pruimen. De metronomische, bijna militaristisch aandoende ritmes werkten erg aanstekelijk en werden bovendien ook nog eens geaccentueerd door de houterige bewegingen van Carmen Redeker. En zo ben ik beland bij de grootste troef van deze groep. Deze frisse verschijning stond in voor de energieke zang en bleek vooral het soort frontvrouw van wie je je ogen nauwelijks kon afhouden. Ze maakte voortdurend de meest onverwachte dansmoves en was ook niet te beroerd om het publiek in te duiken om dan helemaal aan het andere einde van het pand op de toog te klauteren.
Aan spektakel geen gebrek, maar ook muzikaal wist dit trio me overstag te laten gaan. Zo kom ik bij hun tweede troefkaart: Jakob Feyerherm die zowel de elektronica als de gitaar voor zijn rekening nam. Vooral op dat laatste instrument wist hij zijn duivels te ontbinden met een hele waaier aan klankkleuren, gaande van ijle ambient-achtige golven tot duistere industrial.
Tot slot was er Emanuele Mattei, de man die net voor de start nog vlug de setlist neerkrabbelde en de groep met zijn jakkerende bas een nerveuze energieboost verschafte. Die Anstalt wist me te bedwelmen met een combinatie van muziek uit een ver, grijs verleden en tomeloze jeugdige energie.

Ian F. Svenonius (Washington D.C.) wist me in 1997 met zijn toenmalige band The Make-Up compleet van de sokken te blazen in de 4AD, die toen nog gehuisvest was aan de Bortierlaan. Een jaar later deed hij dat nog eens over. Hij had er toen al een verleden bij Nation Of Ulysses (ontstaan in 1988) opzitten. Nadien volgden Weird War, Chain and The Gang en uiteindelijk Escape-ism maar ik zag hem nooit meer terug. Maar dat eerste optreden in de 4AD is me altijd bijgebleven, vooral door zijn onwaarschijnlijke podiumact in de stijl van James Brown, bij wie hij ook muzikaal veel mosterd vond.  Die James Brown-invloeden zijn intussen verdwenen maar de naam ‘Escape-ism’ verwijst ongetwijfeld naar de gelijknamige James Brown song.
Escape-ism is tegenwoordig een duo met naast Svenonius, Sandi Denton op bas en elektronica. Beiden verschenen keurig in een gestreept maatpak op het podium, hoewel Svenonius er toch wat slonzig uitzag.
Dat Escape-ism lo-fi klinkt is eigenlijk een understatement. Svenonius kan in wezen nauwelijks gitaar spelen maar hij steekt dat ook niet onder stoelen of banken. Soms creëerde hij wonderlijke kinderlijke melodietjes maar de helft van de tijd gebruikte hij  het ding gewoon als stoorzender. Gelukkig werd hij in de rug gesteund door een drumcomputer en de sierlijke bas en spaarzame elektronica van Sandi Denton, die enkele keren ook voor betoverende backing vocals zorgde. Dat laatste had ze veel meer mogen doen, wat mij betreft.
Maar het was toch vooral de 57-jarige Svenonius die voortdurend de show stal. Voorovergebogen aan de rand van het podium - een houding die erg aan Nick Cave deed denken - wist hij zijn publiek als geen ander te bespelen.
De set bestond zowat voor de helft uit werk van hun vijfde en laatste plaat, ‘Charge of the love brigade’, waaruit hij de mooiste nummers plukte. Zoals "Black gold", aangekondigd als de eerste protestsong tegen de elektrische auto en waarin hij het volk de titel luidkeels liet meebrullen. Of "The rebel outlaw", "Last of the sellouts" en "Rock 'n' roll man", titels die hem telkens op het lijf geschreven leken terwijl ook oude publieksfavorieten als "Rome wasn't burnt in a day" niet ontbraken. Voortdurend gezongen met een verstikkende intensiteit waarbij het leek alsof hij zijn microfoon wilde verorberen. Niet zonder gevolgen blijkbaar want zijn bovenste snijtanden waren in een boogje afgebroken.
Svenonius bleek een geboren performer die zijn show met al dan niet absurde humor doorspekte. Zo volgde plots een reeks bizarre aankondigingen dat begon met ‘de president en de eerste minister zijn dood’ en eindigde met ‘China en Afrika komen ons bevrijden’.
Een uitermate entertainende set eindigde nogal chaotisch toen twee mannen op het podium klauterden. Het waren duidelijk geen vreemden voor Ian Svenonius, want één ervan, de zanger, gooide hem meteen met een soort karate greep over zijn schouder! Het bleek om twee leden van Spagguetta Orghasmmond, een groep uit Charleroi, te gaan. Na heel wat gerommel werd "Gianni Ricordati" ingezet, een Italiaanse versie van "Johnny remember me", een hit uit 1961 van Joe Meek protegé John Leyton en tevens bekend in de Nederlandstalige versie van Guido Belcanto en Naomi Sijmons. Het nummer met Svenonius als special guest is te vinden op een plaat van Spagguetta Orgasmmond uit 2023. Zijn bijdrage leek me toch eerder bescheiden. Hij murmelde de tekst wat mee via een spiekbriefje terwijl Sandi Denton werkloos mocht toekijken. Maar de stemming werd alleen maar feestelijker, wellicht ook omdat de gitarist zelf tot de sterkhouders van Le Watermoulin behoort.
Na dat Italiaanse intermezzo mocht Escape-ism nog één nummer voor het voetlicht brengen, waarna het duo met een simpel "Let's go" verdween. Rock-'n-roll op zijn elementairst!

Organisatie: Le Watermoulin, Tournai

Johnny Dowd - Op zijn zevenenzeventigste nog steeds even urgent

De 4AD gaf me precies waar ik al een tijdje naar snakte: een avond vol passionele muziek zonder elektronische goochelarij of hinderlijke egotripperij. Dat er tussen beide groepen minstens twee generatiekloven gaapten, was op zijn minst merkwaardig, maar toch bleek dit een perfecte match. 

Het Gentse Ciska Ciska had de eer te mogen openen voor de stilaan legendarische Johnny Dowd. Ciska Ciska is de groep van Ciska Dhaenens en dat is nog steeds de dochter van Derek (& The Dirt) en de zus van Vito. Van die laatste, met wie Ciska eerder al eens samen op het 4AD-podium stond, herinner ik me enkele heel sterke optredens. Maar terwijl het de laatste tijd nogal stil is rond Vito - of is het nu Victoria Pax? - speelt zijn zus zich steeds meer in de picture.
Na een eerder voorzichtige start had Ciska Ciska me bij het tweede nummer al stevig bij de lurven. Het gloednieuwe "Sweet Sixteen" is hun derde en wat mij betreft hun beste single. Een teder gezongen prachtnummer dat zomaar uit de Laurel Canyon-scene geplukt leek. Ciska Dhaenens laat zich naar eigen zeggen nochtans vooral inspireren door contemporaine singer-songwriters als Julia Jacklin, Adrianne Lenker en Aldous Harding. Dat zorgde voor een smaakvolle mix van indie folk en americana waarin ik af en toe ook wat referenties uit een verder verleden meende te horen.
De eerste plaat is gepland voor september maar de groep werkt nu al aan wat daarna komt. Daarbij werden voor het eerst nummers in gezamenlijke sessies geschreven waarvan we al een voorproefje te horen kregen. De inbreng van de groepsleden - gitarist Lukja Vanaverbeke, drummer Lou De Smet en bassist Mathijs Steels (Shht) - zorgde voor een steviger geluid wat hen zeker niet misstond.
Hun debuutsingle en tot op heden bekendste nummer, "Biotope", vormde het sluitstuk van een bijzonder knappe en verrassend gevarieerde set. O ja, Ciska vroeg ons ook beleefd om haar nieuwe single, "Sweet Sixteen", de Vox Top 30 (Radio 1) in te stemmen. Dat is uiteindelijk niet gelukt. De tijd die we daarvoor hadden was ook kort, slechts enkele uren tot middernacht. Maar mijn stem heeft ze alvast voor de volgende aflevering.

De debuutplaat van Johnny Dowd, ‘Wrong side of Memphis’ uit 1998, sloeg hier destijds in als een bom. De man was toen al bijna vijftig en had al tientallen jaren wat aangemodderd in enkele groepjes, zonder dat het ooit ergens toe had geleid. Johnny Dowd, die aan de kost kwam als verhuizer, had dus tijd genoeg gehad om te broeden op dit meesterwerk. Ik zag hem in die periode verschillende keren aan het werk, en dat was telkens een belevenis, terwijl de platen elkaar met de regelmaat van een klok bleven opvolgen. Na een tijdje kwam er wat sleet op de formule en begon hij een beetje te experimenteren wat niet altijd even gelukkig uitpakte.
Maar op zijn laatste plaat uit 2023, ‘Is heaven real? How would I know?’, zijn negentiende al, zit hij duidelijk weer op het juiste spoor en klinkt hij authentiek en ontspannen. Die plaat en de recente vinylheruitgave van zijn debuut lieten me hoopvol naar Diksmuide afreizen.
Ik wilde vooral nummers uit ‘Wrong side of Memphis’ horen en ik werd meteen op mijn wenken bediend.
Johnny Dowd opende zijn set solo met het morbide "Ft. Worth, Texas", niet meteen de vrolijkste binnenkomer. Zevenenzeventig is hij intussen en de ledematen zijn duidelijk wat strammer geworden, maar die roestbruine, uit duizenden herkenbare, krakende strot had niets aan kracht verloren. Ondanks zijn beperkte techniek bleek hij een creatief gitarist die zijn gitaar tegelijk noisy en teder liet klinken.
Bovendien liet hij zich begeleiden door een stel schitterende muzikanten: zangeres en bassiste Amy LaVere uit Memphis die ik ken als de sirene van Motel Mirrors, een nevenproject van John Paul Keith, haar echtgenote Will Sexton op gitaar en banjo en Jennifer Edmondson, de zus van Johnny die in laatste instantie Mike Stark moest vervangen, op minimale maar daarom niet minder efficiënte drums. Wellicht de beste band die hij ooit rond zich wist te verzamelen.
Na dat openingsnummer volgden nog meer songs uit dat meesterlijke debuut zoals "Papa, oh papa", "Heavenly feast" en "Just like a dog" en dat waren niet eens de hoogtepunten. Onze man uit Ithaca, New York bleef de parels nonchalant aaneenrijgen, de ene al wat cynischer dan de andere. "First there was a funeral" met een glansrol voor Amy op tweede stem, het vrolijk hotsende "Honky tonk" en "Evildoers", dat subtiel verweven was met Gershwins "Summertime", waren er maar enkele van.
Toen Johnny Dowd het podium even verliet om een sigaretje te roken, liet hij Amy Lavere een paar nummers zingen. En dat was eigenlijk een beetje waar ik op hoopte. Helaas ging ze hierbij, tot mijn grote ontgoocheling en waarschijnlijk ook de hare, jammerlijk de mist in. Blijkbaar hoorde ze de gitaar niet in haar monitor en ietwat ontredderd liet ze het tweede nummer wijselijk over aan haar man. Die mocht, toen Johnny terug was, meteen weer aan de bak met "16 tons" van Tennessee Ernie Ford, niet meteen de meest originele cover maar wel heel knap gezongen.
Nadat hij in het eerste deel vooral schitterde met zijn spookachtig klinkende banjo ontpopte Will Sexton zich na de rookpauze als een bijzonder veelzijdig gitarist. Tijdens "L.S.D.", een nummer uit de laatste plaat, verkende hij zelfs - heel toepasselijk weliswaar - onvermoede psychedelische wegen.
De vrij lange set werd afgesloten met de even onverwachte als in zijn eenvoud grootse Stones-cover, "You can't always get what you want". De bis volgde meteen, zodat Johnny Dowd niet nodeloos nog eens op en af het podium hoefde te gaan. Mooier kon de avond niet eindigen dan met dit "Gone" waarin hij mijmerde over het tourleven dat ook op zijn zevenenzeventigste nog niet voorbij lijkt: "I love the spotlight/ I love a crowd/ I love a band when it plays too loud/ I love the drive/ no matter how long/ I love the feeling of being gone".

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Green Milk From The Planet Orange - Avontuurlijke mix van postrock en psychedelica

Zelden een concertavond meegemaakt waarbij de twee groepen zo goed bij elkaar aansloten. Twee avontuurlijk ingestelde trio's waarin de gitarist de dans mocht leiden en zowel de bassist als de drummer telkens een even prominente rol opeisten. Het werd een avond vol niet voor de hand liggende muziek die helemaal niet van deze tijd leek, maar door het publiek gul werd ontvangen.

Muziek waarvan je je afvroeg: waar maken ze die nog? Zowaar in Oostende, zo bleek. Soy Fish, zo heette de band met Haroun Minhas aan het roer. Een gitarist die, wars van alle hypes, zijn eigen koers voer. Zijn avontuurlijke gitaarspel kronkelde zich een weg door het schemergebied van jazz, experimentele rock, psychedelica en progrock waarbij ik meende invloeden van Jimi Hendrix te horen en ook John McLaughlin even in gedachten kwam.
Ik kon niet altijd volgen maar dat zal wellicht de bedoeling geweest zijn. Dat onvoorspelbare maakte het net zo mooi. Een volledig instrumentale trip, die één keer werd onderbroken door een soort monoloog die Minhas via zijn smartphone activeerde.
Dit had zwaar op de hand kunnen zijn, maar dat was het helemaal niet, mede door de twee al even intrigerende muzikanten naast hem. De pulserende bas van de bijzonder expressieve David Colameo en de bruisende drums van Louis Feys (zoon van Serge) zorgden ervoor dat alles licht verteerbaar en appetijtelijk bleef.
En dan waren er nog die Engelstalige bindteksten van Haroun Minhas, die hij af en toe wat opvrolijkte met een kwinkslag in het Oostends.
Kortom, een smaakvolle set waarbij ik Soy Fish die paar misstappen richting temerige jazzrock graag vergeef.

Groen en oranje zijn onverwacht wel heel actuele kleuren geworden. Gelukkig had Green Milk From The Planet Orange (GMFTPO) daar niets mee van doen en liet het trio uit Tokio ons zelfs even de dagelijkse realiteit vergeten.
GMFTPO tourt momenteel door Europa; dit was hun vierde van 27 shows, ter gelegenheid van hun 25-jarig bestaan. Hoewel dat laatste niet helemaal klopt.
De band werd 25 jaar geleden opgericht maar kapte ermee in 2008 om in 2016, met een nieuwe bassist, een comeback te forceren. GMFTPO noemt zichzelf een progrockband – ‘progressive rock never dies’, is de lijfspreuk van zanger-gitarist dead k - maar veel progrock heb ik niet gehoord. Het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk.
Ik zou hun muziek eerder omschrijven als een avontuurlijke mix van postrock en psychedelica. Het was een mooi zicht: met zijn drieën zittend rond een denkbeeldig kampvuur. Althans voor wie vooraan stond, de mensen achteraan zullen daar wellicht een andere mening over hebben. Slechts een enkele keer verwaardigden ze zich om recht te staan, waarbij dead k dan ook meteen boven op zijn stoel klom.
Maar uiteindelijk ging het hem om de muziek en die mocht er verdomd wezen. Het lange openingsnummer ontvouwde zich vanuit een knap geboetseerde soundscape waarna het langzaam en bijna onopvallend in crescendo ging. Het had een hypnotiserend effect, maar dat werd plots bruusk onderbroken door de zang van dead k waarmee hij leek te solliciteren bij een hardcoreband. Die zang vormde niet echt een meerwaarde, tenzij de teksten relevant waren natuurlijk, maar daar heb ik geen fluit van verstaan. Nu bleef de zang vrij beperkt terwijl het instrumentaal voortdurend vingers en duimen aflikken was.
Hoewel het zeer zeker drie topmuzikanten waren, lieten ze zich niet betrappen op het etaleren van hun technische virtuositeit en gaven ze steeds voorrang aan de emotionele impact. De impulsieve gitaar van dead k baande zich een weg door de meest prachtige melodieën. Al even opmerkelijk was de solide en melodieuze bas van Damo, die soms leek te gaan zweven, balancerend op zijn stoel met zijn benen in de lucht. En dan had ik het niet eens over A (hoe kort kan een naam zijn?), de baarlijke snelheidsduivel achter het drumstel.
Deze unieke combinatie van drie muzikanten met elk een eigen, erg uitgesproken visie leverde pure schoonheid op. Na het bijzonder mooie "Tragedy Underground", de nieuwe, 22 minuten durende single maakte GMFTPO er ietwat onverwacht een einde aan.
Wat mij betreft had dit gerust nog een tijdje mogen doorgaan.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

donderdag 27 november 2025 22:43

Flasyd + Fruit Tones - Prachtige double bill

Flasyd + Fruit Tones - Prachtige double bill
Flasyd + Fruit Tones

Fruit Tones mochten hun tour afsluiten in de Pit's en waren daar ondanks een wat schrale opkomst duidelijk heel gelukkig mee. Blijkbaar krijg je voor een optreden op een maandagavond in hun thuisstad Manchester geen kat de deur uit. Het drietal is al actief sinds 2014 en kwam hun gloednieuwe derde plaat, ‘Easy peelers’, voorstellen.
Terwijl we tegenwoordig worden overstelpt  met postpunkbands uit Groot-Brittannië, die krampachtig proberen het wiel opnieuw uit te vinden, geeft Fruit Tones geen zier om vernieuwing en zweert de band bij muziek die al duizenden keren is voorgedaan. En toch voelde hun mix van sixties garagerock en oer-Britse pubrock als een verkwikkende douche na een zweterige zomerdag.
Tom Harrison heeft een heerlijk lijzige stem die hij af en toe wellustig liet vibreren terwijl zijn compacte gitaarsolo's pure rock-'n-roll in de geest van Chuck Berry ademden. Samen met de driftig meppende drummer Tom Walmsley en bassist CJ Wood, die de songs geregeld kleurde met sterke backing vocals, serveerde hij ongecompliceerde budget rock die me soms deed denken aan Mickey Jupp. Nummers als "Easy peelers" en "Nothing but a headache" klonken zo urgent en meeslepend dat je haast zou zweren dat het covers waren.
Toch konden we ook één echte cover noteren: het niet meteen verwachte "F-'oldin' money" van The Fall (origineel: "$ F--olding Money $" van Tommy Blake uit 1959), waarmee Harrison stadsgenoot Mark E. Smith wou eren.

Flasyd uit Brooklyn, New York werd aangekondigd als een volledig vrouwelijke punkband maar in de Pit's bleek dat toch even anders uit te pakken. Net voor de tour hadden Kim Sollecito en Bratt de groep immers verlaten. Hun plaatsen werden ingenomen door twee mannen (bas en drums) en een vrouw (gitaar) waarvan ik de namen schuldig moet blijven. Het maakte wellicht weinig verschil:
Flasyd is vooral het project van frontvrouw Syd Suuux en kende in haar jonge bestaan reeds talloze personeelswissels. De band heeft één volwaardig album gemaakt, ‘Always fast, hardly accurate’, dat blijkbaar niet fysiek is verschenen, waarop Syd Suuux haar gal spuwt tegen giftig machismo en ongelijkheid.
In de Pit's opende Flasyd met een lange instrumentale intro waarin de gitariste alle ruimte kreeg om haar duivels te ontbinden. Ze deed dat niet meteen op de makkelijkste manier, maar toch met onmiskenbare panache. Hoewel niet alle riffs even origineel waren - enkele leken zelfs geleend van The Stooges - bleef haar onorthodoxe, behoorlijk heavy klinkende gitaarspel een hele set lang boeien.
Toch bleef ook zij wat bungelen in de schaduw van Syd Suuux, die zonder veel moeite alle aandacht naar zich toe wist te zuigen. De manier waarop ze rond de microfoonstandaard kronkelde, met de micro omgekeerd boven haar hoofd, verried haar verleden in het theater en als model. Haar rauwe, monotone zang vormde de sluitsteen van een fusie van noise, hardcore en punk die het experiment niet schuwde, maar misschien net iets te serieus was.
De lange pauzes tussen de nummers - wellicht een gevolg van de inderhaast samengestelde bezetting - haalden bovendien de vaart uit de set waardoor enkele toeschouwers afhaakten. Toch bleef dit intrigeren tot het einde en werd het zelfs even geinig toen de drummer van Fruit Tones zich plotseling een weg naar voren wurmde om enkele woorden mee te brullen.

Het werd een heel mooie avond, waarin Fruit Tones een ware revelatie bleek en ook Flasyd de nodige punten uit de brand wist te slepen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

The Schizophonics - Elektrificerende protopunk
The Schizophonics + Top Left Club

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit was nog maar eens een avondje in het café van De Zwerver om in te kaderen …

… Nochtans had ik aanvankelijk mijn bedenkingen toen ik de vier van Top Left Club het podium zag betreden. Met hun onverzorgde haar annex nektapijten en flashy trainingspakken zagen ze eruit als een stel verlopen kroegtijgers die enkel in de lokale pubs van Brighton voor wat vertier konden zorgen.
Bovendien hadden de heren een niet meteen spitsvondig dansje ingestudeerd. Dat begon met het vormen van een menselijke "T", ‘Shoulders at 90’ (tevens de titel van hun eerste plaat uit '21), waarna er enkele houterige, robotachtige bewegingen volgden. Alsof het nog niet bont genoeg was, werden ze aangekondigd door een kerel in badpak, die later de zanger van The Schizophonics bleek te zijn.
Op het einde van de set dook er trouwens een vrouw in een identiek flashy trainingspak op die een perfecte demonstratie van dat ‘Shoulders at 90’-dansje ten beste gaf: de drumster van The Schizophonics!
Beide groepen hadden een week samen getourd (dit was hun laatste avond samen) en hadden duidelijk flink verbroederd. Maar mijn scrupules werden al bij de eerste noten weggespoeld. Dit was uitermate aanstekelijke punk, voortgestuwd door de keys van zanger Jimi Dymond. Stuk voor stuk waren het knappe nummers die telkens konden bogen op een onweerstaanbare drive. Een overijverige recensent beschreef hen ooit als het Britse antwoord op de Ramones. Los van de compacte intensiteit van de nummers, hoorde ik eerlijk gezegd weinig overeenkomsten. Dit voelde zeker niet als een verheerlijking van old school punk, het deed me eerder denken aan The Hex Dispensers, dat fenomenale livebandje uit Austin, Texas.
Naast de eerder genoemde Jimi Dymond had Top Left Club nog een tweede en uitstekende zanger in huis, bassist Johnny Hart: wat voor een aangename afwisseling zorgde. Met verder Tim Cox op drums en MacDaddy op gitaar legde Top Left Club met een sterke set, die van de eerste tot de laatste seconde bleef boeien, de lat meteen hoog.

Maar dat bleek absoluut geen obstakel voor The Schizophonics uit San Diego. Vanaf het eerste nummer al, een zinderende, indringende versie van "Black to comm" van MC5 grepen ze me bij mijn nekvel. Een greep die niet meer gelost werd. Meteen werd mijn vrees ook bewaarheid dat dit podium te klein zou zijn voor Pat Beers. Hij breidde zijn territorium dan maar meteen uit tot het hele café, waar hij als een wervelwind tussen het volk zoefde.
Zijn podiumact, waarin hij om de haverklap in een spagaat dook, was duidelijk geïnspireerd op de shows van James Brown maar dan nog net iets duizelingwekkender.
Tijdens al die acrobatieën bleef hij gewoon door spelen en minstens de helft van de tijd deed hij dat enkel met de linkerhand hoog op de gitaarhals.
Dat de muziek daarbij nooit haperde mag een wonder heten. Als er dan toch een gaatje dreigde te vallen, werd dat moeiteloos dichtgereden door een onwrikbaar doordenderde ritmesectie. Die bestond uit zijn partner Lety Beers op drums en de eeuwig minzaam glimlachende Sarah Linton, ooit actief bij Death Valley Girls, op bas.
Achteraf hoorde ik iemand opmerken dat het muzikaal wat minder was, maar daar ben ik het absoluut mee oneens.
Toegegeven: de platen van The Schizophonics zijn geen must-haves, maar live steeg de groep hier onmiskenbaar boven zichzelf uit. Dit was elektrificerende protopunk, zoals die eind jaren '60 begin jaren '70 in Detroit zijn gloriedagen kende met groepen als The Stooges en MC5. Nummers die telkens vonkten en knalden, gedragen door een verbijsterende gitaar waarin de geest van Jimi Hendrix waarde.
Ik zag ze ooit op het Binic Folks Blues Festival en werd ook toen omver geblazen maar hier in dit kleine café kwamen The Schizophonics nog veel beter tot hun recht. Hier kon je ze voelen en werd je, samen met gelijkgestemde zielen waaronder Tina en Alek van The Glücks, meegezogen in een verpulverende maalstroom.
Niet zonder enig risico trouwens. Want toen Pat Beers met zijn gitaar en microfoonstandaard de smalle wenteltrap naar de toiletten beklom, raakte ik verstrikt in de wirwar van kabels die hij meesleepte.  En toen riep Lety Beers plots "Uncle Bill", een vreemde snuiter die tot dan de hele tijd vooraan had staan toekijken, op het podium. Het bleek de semi-legendarische punkrock bluesman uit Los Angeles, Lightnin' Woodcock, te zijn, die er net een tour als gitarist van Bow Wow Wow (!) had opzitten. Hij mocht zijn duivels ontbinden op zijn gitaar tijdens "Riff Raff" van AC/DC, al moest dat het met wat minder tekst dan het origineel stellen.
Het was de ideale springplank naar een spetterende finale vol onvervalste rock-'n-roll in de stijl van Little Richard en Jerry Lee Lewis, waarin Pat Beers nog maar eens rollend en tollend in het publiek verdween.
Hoe Pat Beers deze razende set zonder kleerscheuren overleefde blijft een raadsel, maar dat dit één van de beste optredens van 2025 was, staat buiten kijf.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Blaublues 2025 - Selwyn Birchwood schittert op geslaagde jubileumeditie
Blaublues 2025
Zaal De Levaard
Haringe
2025-11-08
Ollie Nollet

Dit was al de 25ste editie van het Blaublues festival in Haringe, een vergeten dorpje, diep verscholen in de Westhoek vlak bij de Franse grens waar de blauwers ooit vrij spel hadden. 
En toch was ik er slechts één keer, in 2008, maar het optreden toen van Boo Boo Davis herinner me nog levendig. Meestal paste het niet in mijn drukke concertagenda, al moet ik eerlijk toegeven dat mijn liefde voor de contemporaine blues de laatste jaren flink bekoeld is. De Joe Bonamassas en Marcus Kings van deze wereld weten me nauwelijks te raken.
Toch wilde ik er voor deze jubileumeditie bij zijn. Niet dat ik het programma wereldschokkend vond, maar eerder uit sympathie voor de organisatoren die zoveel jaren trouw bleven aan het oorspronkelijke concept. Daar kan ik alleen maar mijn pet voor afdoen. 

De zaal was al behoorlijk gevuld toen Alice Armstrong eraan mocht beginnen. Armstrong is een aanstormend talent uit Engeland dat de European Blues Challenge 2025 won en Joe Bonamassa (ja, hij!) tot haar fans mag rekenen. Tja, de blues lijkt tegenwoordig eerder een sportdiscipline. Bij iedere beschrijving van een groep vind je vandaag de dag een lijst met de gewonnen prijzen. Zelfs de halve finaleplaatsen en de nominaties duiken in sommige bronnen op. Voor mij hoeft het in ieder geval niet.
De blootvoetse Alice Armstrong bleek zo al een imposante verschijning, maar haar stembereik was nog indrukwekkender. In tegenstelling tot wat haar postuur liet vermoeden was haar stem zuiver, soulvol en uitgerust met een scala aan emoties. Armstrong is uiteraard in de eerste plaats een blueszangeres maar ook zoveel meer dan dat. Dat bewees ze onder meer met het lichtjes fantastische "Bombshell" dat naar de vaudeville neigde. Verder hoorden we mooie covers van Howlin' Wolf en Freddie King maar het moment suprême kwam er toen ze op magnifieke wijze een geheel eigen draai gaf aan "Bang bang (My baby shot me down)" van Cher. Laat ik vooral ook niet vergeten dat Alice Armstrong deel uitmaakte van een heerlijk down to earth klinkende band met Olly Knight-Smith op een spaarzame maar effectieve gitaar, een laconieke Josh Rigal op bas en een nadrukkelijk aanwezige Kev Hickman op drums.

Mark Hummel maakte samen met The Blues Survivors zijn album debuut (‘Playin' in your town’) midden in de jaren '80 blues revival. Het grote succes bleef evenwel uit, maar de man is tot op de dag van vandaag smaakvolle platen blijven maken. Zijn laatste, ‘True believer’ verscheen vorig jaar nog.
In Haringe verscheen hij met een Californisch-Texaanse band die bol stond van gerenommeerde namen. Aan de Californische zijde zagen we naast Hummel zelf bassist Bill Stuve, een man die 30 jaar lang deel uitmaakte van Rod Piazza & The Mighty Flyers waarmee hij talloze artiesten kon begeleiden, gaande van Big Joe Turner tot Willie Dixon. De Texanen waren drummer Wes Starr, die nog op de loonlijst stond bij onder meer Omar and The Howlers en Jimmy Vaughan, en meester-gitarist Anson Funderburgh, gekend van zijn eigen band Anson Funderburgh and The Rockets en zijn samenwerking met Sam Myers. Vier topmuzikanten, dan verwacht je vuurwerk, maar Hummel en Funderburgh zijn inmiddels prille zeventigers en het ging er wat bedaarder aan toe.
Veel eigen werk waartussen toch enkele nummers van Muddy Waters ("She's got it") en uiteraard Little Walter ("Who").
Het nooit minder dan delicieus klinkend mondharmonicaspel van Mark Hummel doet trouwens voortdurend aan Little Walter denken maar daar is absoluut niets mis mee. Dat zijn zang niet altijd even gracieus klonk, was telkens snel vergeten zodra hij zijn smoelschuiver tegen de lippen zette.
En dan was er nog die andere gigant, Anson Funderburgh, die de snaren van zijn gitaar met fluwelen vingers toucheerde. Wat klonk zijn gitaar helder, stijlvol en elegant. Toch had ik net iets meer verwacht. Zijn zelfgecreëerde comfortzone, die hij nooit verliet, mocht wat mij betreft wel wat ruimer zijn.
Toch bleef het genieten, en het geeuwen, waar ik tijdens bluesoptredens, en gitaarsolo's in het bijzonder, al eens last van durf te hebben, bleef uit. De twee konden bovendien rekenen op stevige steun in de rug. De droge meppen van Wes Starr, die één van zijn drumsticks tussen wijs- en middelvinger moest klemmen omdat hij bij een zaagincident een deel van zijn linkerduim had verloren, misten hun doel niet. De lichaamshouding van Bill Stuve deed vermoeden dat hij vaak de staande bas hanteert, maar zijn soepel plukkende vingers op de elektrische bas waren een lust voor oor en oog. Dat alles leverde een geraffineerde, goed geoliede bluesset op: pure klasse maar zonder verrassingen.

Die waren er wel bij Selwyn Birchwood. Al van bij de instrumentale opener, waarin een zweem van ska rondwaarde, werd duidelijk dat bluespuristen bij hem niets te zoeken hadden. Het was vooral dat tweede nummer dat me van de sokken blies: "Freaks come out at night". Wat klonk dit zompig en broeierig! Met een brede grijns ging Selwyn Birchwood meteen helemaal loos en bespeelde zijn gitaar zowaar met zijn tong. Dit was ongetwijfeld de beste song van het hele festival. Daarna werd het vanzelfsprekend wat minder maar zijn mix van deep blues, psychedelische rock, funk en southern soul - zelf noemt hij het electric swamp funkin' blues - bleef bijzonder intrigerend.
Hij werd omringd door vier uitstekende muzikanten:  Henley Connor III op drums, Donald "Huff" Wright op vijfsnarige bas, Eric Cannavaro, wiens keyboard standaard plots in elkaar zakte, op toetsen en geheim wapen van de groep, Regi Oliver op bariton sax.
Birchwood bleef me verbazen met zijn rauwe stem, waarmee hij perfect het gehuil van John Lee Hooker kon imiteren, en zijn flamboyante gitaarspel. Zijn doorleefde interpretatie van Robert Johnsons "Come on in my kitchen" zorgde opnieuw voor een kippenvelmoment.
Maar Birchwood maakte deel uit van de Chicago Blues Festival-tournee - inmiddels al aan haar 55ste editie toe - en dus kwam er nog een tweede artiest het gezelschap versterken. "Helaas", ben ik geneigd te schrijven, maar dat zou de grootse talenten van Carly Harvey tekortdoen. Chicago Blues dekt niet echt de lading want Selwyn Birchwood komt uit Orlando, Florida en Carly Harvey werd in 2016 uitgeroepen tot D.C.'s Queen of the Blues en woont nog steeds in Washington D.C.. Maar dit geheel terzijde.
Harvey bleek zo mogelijk een nog imposantere verschijning dan Alice Armstrong terwijl ze vocaal al even indrukwekkend uit de hoek kwam. Deze diva wist gratie en branie perfect te combineren en kon zo dan toch mijn honger naar meer Selwyn Birchwood laten vergeten.

De laatste band begon om twintig over twaalf, een uur waarop ik normaal al lang schaapjes aan het tellen ben. Ik was dan ook vast van plan, mocht het enigszins tegenvallen, meteen mijn biezen te pakken.
Blaublues koos met Nico Wayne Toussaint voor geen kleine jongen om deze jubileumeditie af te sluiten. De man werd geboren in het Franse Toulon-Sur-Mer maar pendelt vanaf zijn achttiende voortdurend tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, waar hij alle knepen van het vak leerde.
Hij was in 2002 al eens eerder te gast in Haringe. Dit keer kwam hij zijn laatste album, ‘From Clarksdale with love’, opgenomen na een verblijf in die stad, bakermat van de blues, voorstellen. Dat deed hij met een 'Big Band' - drums, gitaar, toetsen, bas, trompet, saxofoon en trombone - waarin ik op de trompet Louis De Funès meende te herkennen. H
et werd me toch even zwart voor de ogen toen Toussaint, met een kamerbrede grijns waar zelfs tandpasta adverteerders van zouden schrikken, als een op hol geslagen Duracell-konijn het podium op stuiterde. Gelukkig herpakte hij zich snel en bleek hij dan toch niet de gladjanus te zijn die ik aanvankelijk in hem zag. Het hielp ook dat hij al vlug mijn favoriete nummers van die laatste plaat prijsgaf: het aan Bo Diddley schatplichtige "Valentine" en het samen met Neal Black geschreven "Jesse James".
Toussaint toonde zich net als zijn mentor James Cotton een mondharmonicaspeler met passie en temperament. Het werd een wervelende set vol variatie maar niet alle nummers pasten in dit Big Band jasje. Zo ging "Rocket 88", van Jackie Brenston maar vermoedelijk geschreven door Ike Turner en vaak beschouwd als het allereerste rock-'n-rollnummer, jammerlijk de mist in.
Tijdens de afsluiter blies hij nog één keer de longen bijna stuk op de mondharmonica, waarbij hij Magic Dick van The J. Geils Band naar de kroon stak.
Uiteindelijk bleek de Nico Wayne Toussaint Big Band, ondanks die desastreuze start, dan toch een waardige afsluiter van een mooie festivalavond, waarin Selwyn Birchwood de hoofdvogel afschoot en er geen afknappers te noteren vielen. 

Organisatie: Blaublues, Haringe

Carolyn Wonderland - Abrupt einde door gebroken stem
Carolyn Wonderland

Carolyn Wonderland is een bluesgitarist uit Austin, Texas die dit jaar nog haar dertiende plaat op de markt gooide: ‘Truth is’, uit op Alligator Records en geproduced door niemand minder dan Dave Alvin (The Blasters).
Maandagavond was ze te bewonderen in een uitpuilende Banana Peel waar ik soms de indruk kreeg de enige aanwezige te zijn die haar nog nooit eerder zag. Blijkbaar was ze vroeger vaak te gast in deze contreien. Bovendien is Bob Dylan fan en was ze van 2008 tot aan zijn dood vorig jaar leadgitarist in de tourband van John Mayall. Hoog tijd dus om kennis te maken.

Ze begon al meteen sterk met Blind Willie Johnsons "Nobody's fault but mine", misschien niet de beste versie die ik ooit hoorde, maar toch. Daarna volgde een trits eigen nummers waaronder het erg indringende "Blues for Gene", een eerbetoon aan de betreurde pianist Gene Taylor, die naast zijn solocarrière ook actief is geweest bij onder meer James Harman Band, Canned Heat, The Blasters en The Fabulous Thunderbirds.
Wonderland, die afwisselend elektrische gitaar en lapsteel speelde, werd geruggesteund door een solide bassist, Naj Conklin en een dito drummer, Giovanni ‘Nooch’ Carnuccio. Naast haar zagen we op akoestische gitaar Shelley King met wie ze vroeger samen deel uitmaakte van Sis DeVille, een band die ooit omschreven werd als de Cadillac onder de girlbands. Shelley King mocht ook enkele nummers zingen en die situeerden zich eerder in de folk. Vooral "Madam Mystic", waarin Wonderland mocht bewijzen dat ze ook goed kon fluiten, kon me bekoren. Even later volgden twee John Mayall covers, "Don't waste my time with your jive" en "The laws must change" - souvenirs uit de periode dat ze bij hem op de loonlijst stond, waarin ze liefst 150 nummers onder de knie moest krijgen.

Na de pauze werd de set opnieuw hervat met een stokoude bluessong, dit keer "I got to cross the river of Jordan" van Blind Willie McTell. Ook tijdens het tweede deel werden eigen songs afgewisseld met raak gekozen covers zoals het zonnig klinkende "Honey bee" van Billy Joe Shaver. Wonderland liet zich niet vastpinnen op pure blues en bracht eerder een soort met blues versmolten americana waarin ook elementen uit de folk en country opdoken. De zang beviel me af en toe wat minder - misschien door de onnodige uithalen of lag het gewoon aan de klankkleur? Maar de gitaar, en nog meer de lapsteel, klonken daarentegen nooit minder dan delicieus. 
Net toen ik stond te mijmeren dat er iets leek te ontbreken, gebeurde het. Een nummer werd traag en dreigend ingezet, en ik wist meteen: dit wordt het! En dat uitgerekend met een nummer van Jerry Garcia! Ik ben helemaal geen fan van Grateful Dead maar "Loser", te vinden op het solodebuut van Garcia uit 1972, is een mooie song en Carolyn Wonderland maakte er een magisch epos van. Ongelooflijk hoe ze dit nummer een geheel eigen draai gaf en dat was het publiek ook niet ontgaan, want de applausmeter ging plots in het rood. Het maakte de ontnuchtering des te groter toen Wonderland na die tour de force amper nog een woord kon uitbrengen. Ze had haar stem blijkbaar compleet aan gruzelementen gezongen. Een lange, zware tour die ze met de trein aflegde, eiste duidelijk haar tol. Na wat onderling overleg werd besloten dat Shelley King nog één nummer mocht brengen: "Who needs tears" van Toni Price, waarvoor een extra gitarist het podium opkwam. En dat was het.
Een verbouwereerde Banana Peel-presentator probeerde nog een instrumental los te peuteren maar ook dat zat er niet meer in - een pijnlijk gescheurde vingernagel kwam nog meer roet in het eten gooien. Ach, het was mooi geweest, hoewel we natuurlijk nooit zullen weten of Wonderland het resterende kwartiertje op hetzelfde elan van dat magistrale "Loser" zou zijn doorgegaan.

Organisatie: Banana Peel, Ruiselede

Pagina 2 van 26