logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

the_offspring_i...
The Young Gods
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Jenny Don't and The Spurs + JP Harris - Twee keer country, twee keer raak
(ikv Roots in the Jar Farm Fest 2025)


Na 12 jaar verbrak Muddy Roots Europe zijn samenwerking met de Cowboy Up. De visies van beide partijen liepen blijkbaar te ver uiteen. Muddy Roots vond een nieuwe partner in Roots in the Jar, dat sinds de covid-19 uitbraak in 2020 met succes een online festival arrangeerde en nu na vier virtuele edities met een fysiek festival van maar liefst vier dagen kon uitpakken.
Plaats van het gebeuren was de Laerehoeve in Knesselare, waar de paarden even plaats moesten ruimen voor festivalgangers uit alle windstreken van Europa. Wie heimwee mocht hebben naar de oude locatie kan daar trouwens op 27.28 en 29 juni ook nog terecht voor de Cowboy Up Music Revival.

Door omstandigheden moest ik me beperken tot het strikt noodzakelijke waardoor ik ongetwijfeld heel wat boeiende groepen gemist heb. Maar het lot was mij gunstig gezind. De twee groepen die ik absoluut niet wou missen kwamen er op dezelfde dag en stonden bovendien netjes na elkaar op de timetable.

Vorig jaar wisten Jenny Don't and The Spurs me al midscheeps te treffen in de Cowboy Up maar die krachttoer werd hier moeiteloos overtroffen. Nochtans begon de set vrij aarzelend. Aan de muziek kon dat niet gelegen hebben want de groep opende met een schitterende instrumentale interpretatie van "Bones in the sand", waarin meestergitarist Christopher March zijn gitaar heerlijk liet galmen, gevolgd door "Flying high", één van de prijsnummers uit hun laatste en uitstekende plaat, "Broken hearted blue". De oorzaak lag eerder bij het publiek dat de afspraak duidelijk gemist bleek te hebben en behoorlijk wat tijd nodig had om de weg naar het podium te vinden. Eenmaal dat gebeurd was kwam de groep uit Portland, Oregon op kruissnelheid en was er geen houden meer aan. Heupwiegende country werd afgewisseld met opjuttende honky-tonk.
 Jenny Don't had het duidelijk naar haar zin en zocht voortdurend oogcontact met haar publiek terwijl ze enkele keren beeldig om haar as tolde. Haar warme, heldere stem klonk vaster dan de vorige keer en werd tijdens het absolute hoogtepunt, "Unlucky love", opgetuigd met een zeldzame knik waarbij men niet onverschillig kon blijven.
Dit was country zoals ik ze het liefst lust: met een rauw garagerockrandje en een flinke toef rock-'n-roll.
Voor dat laatste zorgde Christopher March, een onverstoorbare cowboy met een klemvaste hoed die zijn vingers majestueus over de snaren liet dansen, niet zelden in de geest van illustere gitaarhelden als Link Wray of Duane Eddy.
Bassist Kelly Halliburton, man van Jenny, heeft dan weer de uitstraling van een rockster wiens uiterlijk het midden hield tussen Jeff Beck en Neil Young. Zijn basspel was niet meteen spectaculair maar had toch meer dan genoeg stuwkracht terwijl hij met geaccentueerde armbewegingen de show probeerde te stelen.
Tenslotte was er nog de eerder onopvallende maar zeker niet te onderschatten Buddy Weeks die met zijn dynamisch drumspel welbeschouwd de onvermoeibare motor van de band bleek te zijn.
The Spurs zijn een goed geoliede machine die er evenwel alles aan deden om voorspelbaarheid en routine te weren. Zo werd de setlist, die ze overigens niet hadden, op papier althans, tegen het einde nog helemaal overhoop gegooid.
Tijd voor een bisnummer was er eigenlijk niet, maar daar veegde Jenny met haar laarzen de vloer mee aan. De country maakte plaats voor rauwe, explosieve garagerock en met twee Dead Moon klassiekers: "Walking on my grave" en "Parchman Farm" (oorspronkelijk van Mose Allison) ging het dak er helemaal af.

JP Harris werd geboren in Montgomery, Alabama, maar belandde na een langdurig zwervend bestaan in Nashville. Naast muzikant is hij ook een aannemer met een voorkeur voor het restaureren van historische panden. Een man die van aanpakken weet, zoveel mag duidelijk zijn.  De man heeft sinds 2011 vijf platen gemaakt waarvan ik de vierde, ‘Don't you marry no railroad man’ heel diep in mijn hart koester en dat is een probleem. Die plaat, waarop JP Harris stoffige Appalachen songs op een geheel eigenzinnige manier nieuw leven inblaast, is eigenlijk het resultaat van een zijproject, ‘JP Harris' Dreadful Wind & Rain’, en daaruit speelt hij geen enkel nummer tijdens zijn optredens.
Nu kan ik zijn andere platen ook best pruimen maar het blijft toch een beetje knagen. Zijn laatste plaat, ‘JP Harris is a trash fire’ werd geproduced door JD McPherson en dan weet je dat het resultaat behoorlijk gesofisticeerd zal klinken.
De vraag was dan ook of een hillbilly minnend publiek dit wel zou lusten en, hoewel de belangstelling wat minder groot was dan bij Jenny Don't, bleek dit heel goed mee te vallen.
JP Harris, een pezig mannetje met een weelderige baard waarin zonder moeite een handvol vogels onderdak zou vinden, speelde afwisselend akoestische en elektrische gitaar en liet zich begeleiden door een bijzonder competente, Brits-Amerikaanse begeleidingsband (bas, gitaar, pedalsteel en drums).
Maar zijn belangrijkste troef was toch die donkerbruine, uit duizenden herkenbare stem, warm en omhullend als een deken. We hoorden verfijnde maar allerminst gelikte outlaw country -zelf noemt hij het avant-country- waarbij vooral de uptempo nummers op de meeste bijval konden rekenen.
"Wachten jullie op de hits?" klonk het met een grijns, vlak voor hij "When I quit drinking" inzette, een song die, als er al zoiets als een hit was, het dichtst in de buurt kwam. Eindigen deed hij met een cover die je niet meteen zou verwachten: "Beautiful world" van Devo, maar het was beslist één van de mooiste momenten uit de set.
Hoewel JP Harris beweerde een rumoerig publiek, waar al eens een glas sneuvelt, te verkiezen boven een stil en aandachtig publiek denk ik toch dat zijn muziek net bij dat laatste beter tot zijn recht zou komen.

Organisatie: Roots in the Jar Farm Fest

zaterdag 31 mei 2025 01:03

Blowers - Wonderbaarlijke garagepunk

Blowers - Wonderbaarlijke garagepunk

Mijn eerste kennismaking met cultuurhuis Boegie Woegie, dat zo'n twee jaar bestaat, was er eentje om niet licht te vergeten …

Eerst kregen we LS Gatekeeper op ons bord, een gezelschap dat zijn basis heeft in zowel Amsterdam, Rotterdam als Berlijn. De zanger, Lui Surreal, bleek dan ook nog eens een Brit te zijn. Een man met zwarte lippen, gekleed in een stijlvol zwart jasje met daaronder een groezelig hemdje dat net boven de buik was afgeknipt, die meteen alle aandacht naar zich toe zoog. Met een robotachtige motoriek stuiterde hij zowel vóór als op het podium als een losgeslagen Duracell-konijn in het rond.
Het eerste nummer bleef hij nog aan de kant want dat was een instrumental waarin een zwaar vervormde gitaar met een homp loodzware psychedelica ons op het verkeerde been probeerde te zetten. Daarna stuurde LS Gatekeeper resoluut haar koers richting punk die tegen de hardcore aanschurkte hoewel die gitaar zijn psychedelische trekjes bleef behouden. Het bleef een vreemde combinatie: die wat wereldvreemde gitaar met de krachtige punk vocals, die soms net geen rap waren, van Lui Surreal en de uitermate strakke drums van Bobby Boycott maar het werkte. Ondanks de afwezigheid van de bassist wist LA Gatekeeper een gesmaakte set neer te poten.


Blowers zag ik voor het eerst twee jaar geleden en ze konden me ondanks de hooggespannen verwachtingen na hun schitterende tweede plaat, ‘Blown again’, maar half overtuigen. Er waren wel verzachtende omstandigheden: de grote zaal van Trix, waar ze het voorprogramma van The Chats waren, was nog zo goed als leeg.
Ik kwam toen tot de conclusie dat ze waarschijnlijk veel beter zouden gedijen in een propvol café. Nu bleek cultuurhuis Boegie Woegie geen café maar een knus zaaltje te zijn en propvol zat het ook al niet, toch werd ik dit keer compleet van de sokken geblazen door dit viertal uit Melbourne.
Naast frontman Kit Convict (zang, gitaar), weeral in een Wipers t-shirt, en tweede zanger-gitarist Andrew Porter zagen we twee nieuwe gezichten: bassiste Shannon Cannon en de drummer, die zich blijkbaar net voor de tour  bij de groep kwam vervoegen. Zijn naam moet ik jullie schuldig blijven, maar wat ik wel weet is dat hij jarig was, er ongelooflijk veel zin in had en veel nummers luid schreeuwend op gang trok.
Blowers heeft een van alle subtiliteit ontdane en zelfs boertige benadering van rock-'n-roll die wonderbaarlijk goed uitpakt. De enige momenten waarop ze blijk gaven van enige verfijning, was tijdens de gracieuze samenzang tussen de twee gitaristen en de bassiste.
Hun laatste plaat, ‘Blowmania’, uit op het Portugese Chaputa Records en het Australische Trash Cult Records, viel me na een enkele beluistering wat tegen wegens te poppy en hoewel zowat de helft van de gespeelde nummers uit die plaat kwam kon ik geen enkele misser noteren. De op infantiele melodieën gestoelde nummers werden met zo veel gruis overgoten en met zoveel lust gebracht dat ze stuk voor stuk klonken als verloren gewaande garagepunkparels. 
Vergelijken lijkt me zo goed als onmogelijk maar als het dan toch moet, hou ik het bij een onoordeelkundige mix van Reatards, Oblivians en Ramones.
Dit keer hield Kit Convict het, buiten die ene mislukte poging tot braken, vrij beschaafd en deed hij er alles aan om het vuur erin te houden. Zo dreigde hij zelfs een drietal nummers minder te spelen indien het publiek niet dichter kwam. En tijdens het laatste nummer, het bijzonder wilde "Everybody in the room hates me", zette hij zijn gitaar aan de kant om tussen het volk te gaan dansen.
We hadden dan al een set vol hoogtepunten, inclusief mijn favoriet "Shut the fuck up", achter de rug. Voor de bis mochten twee extra muzikanten (van het Berlijnse S.U.G.A.R., met wie ze samen op Europese tournee zijn maar die hier in Menen om één of andere reden niet speelde) het podium op om er nog een indrukwekkende cover van "New race" van het legendarische Radio Birdman uit te knijpen.

Organisatie: Boegie Woegie, Menen


Les Nuits Botanique 2025 - The Jesus Lizard, The Ex, Mclusky,... - Feest van gitaren
Les Nuits Botanique 2025
Botanique
Brussel
2025-05-18
Ollie Nollet

Deze zondag op Les Nuits Botanique stond in het teken van de wederopstanding van twee spraakmakende groepen uit de sector luide gitaren.

… Maar er was nog meer moois, zoals Snõõper, dat vorig jaar nog de tent op Leffingeleuren liet daveren. Dat overrompelende van toen was er dit keer evenwel niet bij. De attractieve chaos voor en op het podium bleef hier achterwege. Er was duidelijk geen animo om zo vroeg op de middag een moshpit te starten maar ook op het podium leek het er een stuk beschaafder aan toe te gaan.
Zangeres Blair Tramel had haar potsierlijke rekwisieten blijkbaar thuis gelaten, enkel de reusachtige pop uit papier-maché, waarmee ze op het einde van de set kwam opdraven, was er nog bij. Gelukkig had de muziek van dit jonge vijftal uit Nashville niets aan explosiviteit ingeboet.
Korte, venijnige punk erupties gestut door twee stevige, af en toe naar de hardrock lonkende gitaren waarboven de hoge heldere stem van Blair Tramel sierlijk kronkelde. Hun razende egg punk moest het vooral hebben van de tomeloze energie en van de voortdurend stuiterende zangeres.
De overige groepsleden stonden er, buiten dat ene danspasje dan, nogal statisch bij. Maar dat kon de pret niet drukken, mooie opwarmer!

Mclusky zag het levenslicht in 1996 in Cardiff en schreef in 2002 geschiedenis met het door Steve Albini geproducete ‘Mclusky do Dallas’. Nauwelijks drie jaar later was het sprookje reeds uit maar vorig jaar verrees de groep uit haar as en begin deze maand verscheen er na meer dan 20 jaar zelfs een nieuwe plaat: ‘The world is still here and so are we’. Net als Snõõper had Mclusky met hun passage vorig jaar op Leffingeleuren een onuitwisbare indruk nagelaten en ook zij wisten die glansprestatie van toen niet helemaal te evenaren. Nochtans begon het drietal de set met "Lightsabre cocksucking blues", de uitzinnige opener van hun meesterwerkje, ‘Mclusky do Dallas, waaruit later maar liefst nog zes nummers zouden volgen. Maar de klank zat niet meteen goed en de heren, die zichzelf aankondigden als Kings Of Leon, leken nog niet helemaal bekomen van hun middagdutje zodat de stormram toch even op zich liet wachten.
Maar eenmaal op temperatuur was er opnieuw geen houden meer aan. Hun mix van post hardcore en noiserock bleek nog even urgent als twintig jaar geleden en het nieuwe "Onpopular parts of a pig" had zeker niet misstaan op ‘Mclusky do Dallas’.
De inmiddels ook al 50-jarige Andrew Falkous heeft nog steeds die opgefokte maar tevens heerlijke stem terwijl zijn gitaar nog niets aan scherpte heeft verloren. De knappe nummers werden van een woeste energie voorzien door de scheurende bas van Damien Sayell en de mokerende drums van Jack Egglestone. Ongeveer halverwege ruilde Sayell zijn bas even voor een tweede gitaar en zo ging de storm even liggen voor "She will only bring you happiness", dat zowaar een ballad leek maar toch van een in vitriool gedrenkte tekst was voorzien met de als een mantra herhaalde regel "Our old singer is a sex criminal".
Daarna werd het volume opnieuw meedogenloos opgetrokken en volgden nog een rits parels als "Alan is a cowboy killer" en "Chases" om te eindigen met het toepasselijk getitelde "To hell with good intentions".
Het was misschien niet meteen het mooiste zicht: een drummer verborgen achter een scherm van plexiglas en een zanger met een immense koptelefoon op. Maar als Andrew Falkous, die met serieuze gehoorproblemen kampt, daardoor toch nog de mogelijkheid vindt om op een podium te staan, nemen we dat er maar al te graag bij.

The Ex was in de Botanique de groep met de langste carrière en dat, in tegenstelling tot The Jesus Lizard en Mclusky, zonder enige hiatus trouwens. Ontstaan in 1979 uit de Amsterdamse kraakbeweging en nog steeds actief. Hoewel de pauzes tussen de nieuwe releases wat langer zijn geworden, betekent dat niet dat The Ex in de tussentijd stilzit.
Zo wisten ze vorig jaar nog zonder nieuwe plaat de 4AD uit te verkopen. De meeste bands met zo'n lange staat van dienst beperken zich live tot een soort 'best of' of voeren in het beste geval één van hun commercieel succesvolste platen integraal nog eens uit. Zo niet The Ex. Zij hadden het lef om hun gloednieuwe plaat van begin tot eind te spelen. ‘If your mirror breaks’ heet die plaat en ze is opgedragen aan Steve Albini, met wie ze ooit samenwerkten.
De set werd, net als het album dus, geopend met "Beat beat drums", een op een Bo Diddley beat gestoeld nummer dat barstte van de ritmes en waarin Terrie Hessels zijn gitaar bespeelde met een drumvel. Later zou hij zijn instrument ook nog te lijf gaan met een metalen schepje, een schroevendraaier en een drumstick. Samen met Andy Moor en Arnold de Boer bemande hij het drie-gitaren offensief dat soms meedogenloos beukte om op het andere moment subtiel te fonkelen. Daarbij kwamen geregeld Afrikaanse invloeden bovendrijven, niet vreemd natuurlijk na hun collaboraties met de Ethiopische jazz saxofonist Getatchew Mekurya of het Congolese Konono N°1. De ruige, onconventionele drums van Katherina Bornefeld zorgden voor de stuwende kracht. Eenmaal kwam ze vanachter haar drumstel naar voren om "Wheel" te zingen, zeker niet het beste nummer van de avond, maar toch een welgekomen rustpunt. De andere songs werden door De Boer wat monotoon gezongen maar wisten telkens te boeien met een intrigerende woordkeuze.
Eén van de hoogtepunten vond ik het sensuele en geduldig opgebouwde "Circuit breaker" met de herhaalde vraag " What could I keep inside".
Ze eindigden zoals begonnen: met een onstuitbare ritmische uitbarsting waar het spelplezier van afspatte: "Great!". Na 46 jaar klinkt The Ex nog altijd even urgent.

The Jesus Lizard vond in 1987 zijn oorsprong in Austin, Texas maar de vier verhuisden al snel naar Chicago, Illinois waar ze gelijkgestemde zielen als Steve Albini (nog maar eens hij) en de mensen van Touch And Go Records troffen. Met ‘Goat’ ('91) en ‘Liar’ ('92) maken ze twee baanbrekende platen die hen een cultstatus opleveren. Ze tekenen zelfs voor het grote Capitol Records maar na het vertrek van drummer Mac McNeilly in '96 gaat het enkel nog bergafwaarts tot de onvermijdelijke split in 1999. Vanaf 2006 komt de groep af en toe terug samen voor zogenaamde re-enactments. Vorig jaar maakt de groep dan totaal onverwacht na 26 jaar een nieuwe plaat: ‘Rack’. Niet meteen een hoogvlieger maar dat kan je van nogal wat platen van The Jesus Lizard zeggen.
De groep is altijd in de eerste plaats een liveband geweest met het ongeleide projectiel David Yow als aantrekkingspool. De vraag die velen zich dan ook stelden was of David Yow, die zich in het dagelijkse leven bezig houdt met het retoucheren van filmposters, op zijn 64ste nog even destructief tekeer zou gaan.
En daar was hij dan, David Yow, in een rood hemd en een aan flarden gescheurde jeans, met een karakterkop waaraan Stephan Vanfleteren een kluif zou hebben. De rest van het gezelschap hield het bij stemmig zwart. David Yow verwelkomde ons met "We are Kings Of Leon", net als Mclusky dat eerder deed op de avond. Maar nu was het zeker niet de eerste keer dat Yow zijn groep aankondigde met een andere naam.
The Jesus Lizard opende meteen met één van hun beste nummers, "Seasick", gedreven door het steeds herhaalde "I can't swim", uit het befaamde ‘Goat’. Later zouden nog vier nummers uit die plaat uit '91 volgen. Bij de tweede song, "Gladiator", dook hij, de titel indachtig, het publiek in voor een rondje crowdsurfen. Niet zonder enige moeite bereikte hij opnieuw het podium waar hij toch even op adem moest komen terwijl zijn fluimen alle kanten op vlogen. De rest van de set bleef hij naar zijn lichaam luisteren  en hield hij het veilig op de planken, hoewel het af en toe toch leek te kriebelen.
Intussen gingen gitarist Duane Denison en bassist David Wm. Sims te werk als precisiechirurgen en samen met met krachtdrummer Mac McNeilly - terug op het oude nest - leverden ze bijzonder strakke noiserock af.
Je kon hen misschien een gebrek aan variatie verwijten maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door de hoge intensiteit. Die messcherpe gitaar bleef zich vastbijten in mijn nekvel terwijl het charisma van een duidelijk ouder geworden David Yow nog steeds zijn gelijke niet kent.
Hoogtepunten waren "Monkey trick", volgens Yow hun beste nummer en "Mouth breather" dat werd opgedragen aan Steve Albini. Na vijftig minuten verdween hij, kushandjes werpend, achter de coulissen waarna ook Sims en Denison volgden terwijl McNeilly verbeten een drumsolo afwerkte. Het bleek om een korte adempauze te gaan. Na enkele minuten keerde de groep terug om er nog eens vol voor te gaan. Het werd een feest van herkenning met uitzinnige versies van onder meer "Thumper" en "Fly on the wall". Dit mocht wat mij betreft nog een tijdje doorgaan maar met "Chrome" kwam er definitief een einde aan.
Dit keer kregen we geen kushandjes, maar losgepeuterde valse tanden toegeworpen. De oude vos is zijn streken zeker nog niet verleerd.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/index.php/nl/component/phocagallery/category/7509-les-nuits-botanique-2025?Itemid=0

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Botanique)

Puppy and The Hand Jobs - Trash rock-'n-roll in een pamper

Eerst mochten we kennismaken met een nieuwe Antwerpse sensatie, Sportweekend geheten, waarvan de leden hun sporen reeds verdienden bij groepen als Penus, Toxic Shock en Condor Gruppe.
Het viertal zette meteen alle zeilen bij met een turbo offensief dat op gang getrokken werd door de toxische bas van Maarten De With die hiervoor inspiratie leek gevonden te hebben bij "The witch" van The Sonics. Het resultaat was een verschroeiende, van de testosteron barstende punk song.
Die bas zou trouwens de hele set prominent aanwezig blijven, maar de aantrekkingspool was toch zanger Yves, die we nog kenden van Penus. Gehuld in een shortje waarvan je je afvraagt waar hij dat ooit gevonden heeft en het gebronsde lichaam vol getatoeëerd, ging hij zowel vocaal als fysiek tot het uiterste. Optreden staat bij hem duidelijk synoniem voor een uitputtingsslag leveren. De eerste nummers klonken nog behoorlijk punk maar daarna zwenkte Sportweekend alsmaar verder richting noiserock met een steeds impressionanter klinkende gitaar van Kris Delacourt waarbij ze me tijdens dat ene magistrale nummer, ongeveer halverwege de set, aan The Jesus Lizard herinnerden.
Daarna leek de zanger plots alle tijdsbesef verloren en kondigde hij tot vier, misschien zelfs vijf keer toe, het laatste nummer aan. De groep landde uiteindelijk met een repetitief klinkend gewrocht waarbij Yves onverdroten zijn fitnessprogramma leek af te werken, zowel op het podium, de toog als de vloer tussen het volk. Haalden ze daar misschien hun inspiratie voor die toch wat knullige groepsnaam? Desondanks een revelatie!

Puppy and The Hand Jobs (uit Phoenix, Arizona) is het geesteskind van Jaimee Paul Lamb. De man is sinds midden jaren '90 actief. Eerst bij Van Buren Wheels, later bij talloze garagerock- en punkbandjes maar toch is hij het meest gekend om zijn vele nummers op ‘We're loud’, de alom geprezen compilatie dubbel LP op Slovenly Recordings. Als Puppy maakte hij 3 EP's met de spraakmakende titels: ‘I eat abortions’ (2018), ‘I hate everything’ (2019) en ‘I don't care about anything’ (2025).
Terwijl de ouders, Suzy en Bobby Handjob, zich wat aan het opwarmen waren, werd Puppy, enkel gehuld in een oversized pamper, aan de ketting naar het podium geleid. Het was niet echt een fraai zicht: een man van middelbare leeftijd in een pamper, een maalslot bungelend om zijn hals en een witte zonnebril, waardoor hij waarschijnlijk amper iets zag want hij moest hem telkens afzetten toen hij de setlist wou naslaan, op de neus.
Dan zagen de Handjobs er, ondanks hun naam, vrij convenabel uit. Hoewel, de bassist leek eerder op een verfomfaaide tante Sidonia terwijl de keurig in het pak met das gehesen drummer, een Johnny Hallyday lookalike wiens flegmatieke stijl verder deed denken aan Charlie Watts, ook al geen alledaagse verschijning was in een keet als The Pit's.
De muziek dan: rammelende lo-fi punk waarvan de teksten al even provocerend waren als hun podiumact. Ongefilterde absurditeit verpakt in ultrakorte songs die nooit boven de twee minuten afklokten. Die nummers, waarvan vooral "I think I'm gay" en "Killing Spree" me zijn bijgebleven, waren verrassend sterk en hadden een hoog meezing-gehalte.
Puppy kun je bezwaarlijk een virtuoos gitarist noemen maar zijn rammelende snarengepluk werkte behoorlijk aanstekelijk terwijl we hier eindelijk nog eens een zanger hadden die echt kon zingen.
Eindigen deden ze na een goed halfuur met "I eat abortions" waarna er nog één bis volgde: het toepasselijke getitelde "Trash rock-n-roll".

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

GA-20 - Ook in de nieuwe bezetting blijft GA-20 ongeëvenaard

Nadat Matthew Stubbs na 16 jaar dienst bij de tourband van Charlie Musselwhite (tijdelijk) de bons kreeg, besloot hij zelf een bluesband te beginnen teneinde de rekeningen te kunnen betalen.
In 2018 startte hij GA-20, genoemd naar een gitaarversterker uit de jaren '60, waarmee hij de lokale clubs van zijn thuisstad Boston afschuimde. Dat waren meestal plaatsen waar ze nog nooit van de blues gehoord hadden waardoor hij de slogan, die hij ook als opschrift voor een t-shirt gebruikte, "If you don't like the blues, you're listening to the wrong shit" bedacht.
Hun rauwe, compromisloze blues bleek aan te slaan en de groep begon uitgebreid te touren, ook in Europa.
Ik zag GA-20 voor het eerst in 2022 op Roots & Roses waar ze een overrompelende indruk op me nalieten. Daarna zag ik ze nog vier keer en telkens wisten ze me in euforische stemming te brengen. Ik maakte me al op voor een nieuwe extatische roes maar plots leek dat niet meer zo evident te zijn. Het was verdomd schrikken toen ik het nieuws vernam dat zowel gitarist Pat Faherty als drummer Tim Carman er niet meer bij waren. Vooral Faherty, die toch het gezicht van de band was, leek me onvervangbaar. Op de vraag waarom ze vertrokken waren wist Matthew Stubbs niet veel te vertellen: "Ze waren gewoon ineens weg".
Dat de twee intussen een nieuwe groep hebben, Canyon Lights, die onlangs nog als voorprogramma van George Thorogood and The Destroyers mocht opdraven, beweerde hij ook niet te weten. Hun vervangers vond hij bij Ward Hayden & The Outliers (het vroegere Girls Guns And Glory), een old school country band die enkele keren opener voor GA-20 is geweest. Drummer Josh Kiggans en zanger-gitarist Cody Nilsen zijn tevens twee gepokt en gemazelde sessiemuzikanten terwijl die laatste ook een solo-cd, ‘Living is killing’, gemaakt heeft maar veel stelt die niet voor. Het werd toch bang afwachten wat die drastische personeelswissel zou geven.

GA-20 opende de set met het vertrouwde "Cut you loose", een funky rhythm & blues knaller uit 1963 van Ricky Allen dat ook op het repertoire staat van Charlie Musselwhite, gevolgd door een bijzonder smaakvolle uitvoering van Jimmy Reed's "I'll change my style" dat ik nooit eerder van hen hoorde. Ik kon meteen opgelucht ademhalen: de muzikale koers bleef ongewijzigd. Een opzwepende mix van sterke eigen nummers en minder voor de hand liggende maar wel raak gekozen covers.
Matthew Stubbs beweert altijd dat hij de traditionele blues wil laten heropleven maar zijn muziek is zoveel meer dan dat. We hoorden vooral rhythm & blues gespekt met wat soul en een ruime portie rock-'n-roll. En als het dan toch pure blues was klonk die ruig zoals in het gebruikelijke tweeluik "Give me back my wig" en "She's gone" uit hun Hound Dog Taylor tributeplaat uit 2021. Echt traditioneel kan je dit trouwens ook niet noemen want Hound Dog Taylor, die net als GA-20 zelf, zwoer bij een twee gitaren/drums opstelling, was toch een buitenbeentje in de blueswereld.
Vlak na deze uppercut volgde het solospotje voor Cody Nilsen, net zoals Pat Faherty dat vroeger ook mocht doen. Alleen kregen we dit keer geen RL Burnside maar wel "I'm leaving you now" van Lightnin' Hopkins. Het was zeker niet de enige keer dat de nieuwe gitarist de podiumact van zijn voorganger leek te kopiëren. Zo wandelde hij bijvoorbeeld ook al gitaarspelend tussen het volk naar de uitgang. Waarom ook niet. Hij bleek trouwens meer dan een waardige vervanger te zijn met een stem die verrassend goed leek op die van Faherty. Een echt gitaarbeest ook, meer nog dan Faherty, terwijl de drummer evengoed erg onstuimig te keer ging.
Aan het muzikale concept leek er niets veranderd, ook de twee nieuwe en uitstekende nummers "Stranger blues" en "Cryin' & pleadin'" pasten perfect in het plaatje. Eén van de talloze hoogtepunten vond ik het instrumentale "Crackdown" waarin het meer bedaarde gitaarspel van Matthew Stubbs wat meer in de kijker kwam. Maar ook die schitterend gekozen covers lieten me telkens zwijmelen: "My baby is sweeter" (Little Walter), "I don't mind" (James Brown), "Sitting at home alone" (nogmaals Hound Dog Taylor) en "Just one more time" (Ike Turner).
Dit mocht nog uren doorgaan maar met "Easy on the eyes" kwam er toch een einde aan waarna er nog één bis, "Be my lonesome" volgde.

Meer dan ooit was duidelijk dat GA-20 het geesteskind is van Matthew Stubbs, die zich zelfs door een dramatisch personeelsverloop niet uit het lood laat slaan. De twee nieuwkomers slaagden cum laude maar helemaal de oude bezetting laten vergeten zat er toch niet in. Daarvoor was het punk-achtige charisma van de immer in het zwart geklede Pat Faherty te groot en zijn onorthodoxe motoriek te uniek, hoewel ook  Cody Nilsen zich al eens aan een bokkesprongetje waagde.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 27 april 2025 06:59

Bob Wayne - Rauwe onvermengde country

Bob Wayne - Rauwe onvermengde country

Wat kan ik nog kwijt over Bob Wayne … Sinds ik hem ontdekte op de Paulusfeesten in 2009 zag ik hem nog talloze keren en ontgoochelen deed hij nooit. Dit keer zag ik de zingende stoomfluit samen met een Italiaans-Amerikaanse versie van The Outlaw Carnies in een uit zijn voegen barstende Cowboy Up.
De sfeer zat er meteen in en de 'oooh-ooohs' en de 'hell yeahs' waren niet van de lucht. Het behoorlijk lange optreden bestond uit drie delen. Eerst kregen we de greatest hits met songs als "Hell yeah", "Till the wheels fall off", "Fuck the law", "Mack" en "Chatterbox". Mooi maar toch enigszins voorspelbaar.
Daarna werd het een stuk interessanter met een hele reeks nummers uit ‘13 more truckin' songs’, de nieuwe plaat die intussen bijna drie jaar in de steigers staat. Het wordt hoogtijd dat er iemand bereid gevonden wordt om die plaat uit te brengen want hier zaten behoorlijk wat parels tussen. "Space trucker", "Truckaholic", "Psycho trucker" en een paar erg gesmaakte tearjerkers waarvan ik u de titel schuldig moet blijven.
Het laatste deel speelde hij enkel requests uit het publiek. Naast songs als "Love songs suck" en "Kiss my ass God bless the USA" leverde dat verrassend veel akoestische songs zoals "The hangin' tree" op. Deze onverwachte keuzes maakten duidelijk dat Bob Wayne zoveel meer is dan een uitbundige entertainer en te vaak ondergewaardeerd wordt als songschrijver. Sommige van die pure, rauwe countrysongs, en ik hoed me voor heiligschennis, kwamen aardig dicht in de buurt van de ongenaakbare Johnny Cash.
Uiteindelijk werd er traditioneel afgesloten met "Spread my ashes on the highway".
Tot een volgende keer, Bob!

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

Useless Eaters - Energieke postpunk voortgestuwd door een splijtende gitaar

Rock-'n-roll op Pasen, dankzij De Zwerver kon het dit jaar en het werd meteen een avondje die nog een tijdje na zal zinderen.

Aanvankelijk las ik de naam van de eerste groep abusievelijk als Shakatak, de Britse jazz-funkgroep uit de jaren '80 die trouwens nog steeds actief is. Een link met die band was er duidelijk niet, hier hadden we totaal ander vlees in de kuip. Hoewel, vlees? Dit was rock, minutieus afgeschraapt tot op het bot.
Stakattak komt uit Brussel, heeft drie platen uitgebracht en een indrukwekkend aantal optredens op de teller staan. Ze noemen zichzelf de grondleggers van de raout rock, wat dat ook moge betekenen.
Maar hun doortocht in Leffinge zal niet snel vergeten worden. De karige drums van Thijs Beckwé en de repetitieve gitaarpatronen van Lotte Beckwé zorgden voor het gammele muzikale karkas. Speerpunt van de groep was zanger Nick Defour, een man van het principe ‘komt het volk niet naar mij, dan ga ik naar het volk’. Gewapend met een ellenlange microfoonkabel trok hij meteen het publiek, dat redelijk ver van het podium stond, in. Je kon hem zowat overal vinden, behalve op het podium: kronkelend op de vloer, gewrongen tussen de toog en het plafond of zelfs buiten.
Visueel viel er voortdurend wat te beleven en ook muzikaal bleef dit intrigeren tot het einde. Een morsige mix van punk en noise die me soms deed denken aan ‘Trout mask replica’, het ongrijpbare meesterwerk van Captain Beefheart dat na 56 jaar nog steeds tot de verbeelding spreekt of aan de dwarsheid van een prille Pere Ubu. Primitief en onvoorspelbaar, hoewel de gitaar van Lotte Beckwé enkele keren wat bluesy klonk en zo toch voor enig houvast zorgde. Die gitaar ruilde ze voor enkele nummers met de microfoon van Nick Defour en liet zo voor even de rust wat terugkeren. Mooie opwarmer!

Useless Eaters, niet te verwarren met die andere punkband The Useless Eaters UK, zag het levenslicht in Memphis, Tennessee maar is intussen verhuisd naar Oakland, Californië. In de beginjaren werd de groep rond Seth Sutton, die ook in talloze andere bandjes actief was, op sleeptouw genomen door wijlen Jay Reatard. Dat resulteerde tussen 2009 en 2016 in een lawine aan singles en 7 albums waarna de stilte plots intrad.
En nu, negen jaar later, tourt Seth Sutton met een geüpdatete Useless Eaters door Europa, wat hem ook naar Leffinge bracht.
Sutton bleek een klein, pezig mannetje dat met een vinnige verbetenheid zijn ding bracht. Energieke postpunk maar dan zonder het bombastische en de moeilijkdoenerij waar de nieuwe exponenten in het genre zo graag mee flirten. Zelf durft hij zijn muziek al eens omschrijven als neo-guitar music en daar kan ik ten dele wel inkomen want de gitaar staat wel degelijk centraal. Na een wat ingehouden, instrumentale aanhef werd het tempo meteen flink de hoogte ingejaagd met "Industrial park" waarna meteen een eerste hoogtepunt volgde: het superbe "Temporary mutilation" waarin een indrukwekkende bas de melodie afbakende en dat zou zeker niet de enige keer zijn. Andere ingrediënten waren de explosieve drums, de eerder bescheiden maar daarom niet minder mooie synths, de monotone zang en uiteraard die niets ontziende gitaar. Sommigen hoorden hierin gelijkenissen met T.C. Matic en ik kon ze geen ongelijk geven: die hamerende, messcherpe gitaar had zeker van Jean-Marie Aerts kunnen zijn.
Even leek een gebroken snaar de vaart uit de spannende set te halen, maar een attente Lotte Beckwé schoot meteen te hulp door haar gitaar te geven. Zo bereikte Useless Eaters dan toch zonder oponthoud de finish van een set waarin ik slechts één nieuw nummer kon ontwaren.
Het blijft dan ook de vraag of deze tour nog een vervolg zal kennen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Sarah Shook & The Disarmers - Einde van een miskende countryband
Sarah Shook & The Disarmers

Wat was hier aan de hand? Amper een 15-tal aanwezigen voor een groep die dankzij veelvuldig touren en een aantal uitstekende platen toch een zekere reputatie wist op te bouwen.
Eerst aangekondigd in De Casino in Sint-Niklaas, waarna in laatste instantie een kleinere locatie werd gezocht waar je ze bovendien gratis kon zien. Het mocht niet baten en dat is jammer, temeer daar het hier om hun afscheidstournee ging. Want nu duidelijk werd dat de originele gitarist, Eric Peterson, door problemen met zijn rechterarm nooit meer terug zal keren, besliste River Shook, die de vele personeelswissels sinds zijn vertrek beu was, de groep te zullen ontbinden om solo verder te gaan. Intussen klopt de groepsnaam eigenlijk ook niet meer want sinds Sarah Shook zich in 2021 outte als non-binair gaat die vanaf dan als River door het leven. 

Sarah Shook had een niet bepaald makkelijke jeugd, opgroeiend in een fundamentalistisch christelijk gezin in Rochester, New York. Na talloze verhuizingen vond ze eindelijk haar stek in Chapel Hill, North Carolina waar ze het eerst nog probeerde als Sarah Shook and The Devil om in 2015 te debuteren met The Disarmers. Het resultaat, ‘Sidelong’, was verpletterend maar het duurde nog tot 2017 vooraleer we daar kennis mee konden maken dankzij een heruitgave op Bloodshot Records.
Daarna volgden nog twee uitstekende platen: ‘Years’ (2018) en ‘Nightroamer’ (2022). Hun recentste worp, ‘Revelations’ van vorig jaar, kon me heel wat minder bekoren omdat de sound te veel richting gladde pop was verschoven.
Nu valt die sound live meestal wat ruiger uit en met de hoop dat het oude werk niet verloochend werd was ik er uiteindelijk toch helemaal klaar voor. En ik werd verdomd op mijn wenken bediend met maar liefst acht nummers uit mijn favoriete plaat, ‘Sidelong’. De kleine River Shook leek zich van de bizarre situatie niets aan te trekken en smeet zich meteen met "Years". Diens doorleefde stem bleef de ganse set fascineren. Een paar keer leek die moeite te hebben om de hoogste noten te halen maar dat maakte het er alleen maar mooier op.
The Disarmers met Blake Tallent op gitaar, Mason Thomas op bas, Ethan Standard op drums en Taylor Swan op pedal steel bleek een competente zij het wat grijze band. Vooral de pedal steel vond ik wat onder de verwachtingen steken maar River Shook was mans genoeg om het vuur erin te houden.
Een eerste hoogtepunt volgde al snel met het trage "Heartache in hell", opgekalefaterd met een heerlijke snik in diens stem. Rafelige outlaw country die met veel passie werd gebracht waarbij ook hier de nummers uit de laatste plaat de mindere bleken maar echte fausse keus zaten er toch niet tussen.
We zaten al een eind ver in het tweede deel van de set toen gitarist Blake Tallent tijdens "Fuck up" eindelijk eens op het voorplan durfde te treden en meteen hing er magie in de lucht. Het leek het sein voor The Disarmers om het wat steviger aan te pakken en daar zal niemand rouwig om geweest zijn.
Uiteindelijk werd de avond besloten met het behoorlijk rock-'n-roll klinkende "Talkin' to myself".
Mooi, maar met zo weinig volk bleef dit toch op een veredelde repetitie lijken en kan ik alleen maar gissen hoe dit in een stampvolle kroeg geklonken zou hebben.
Verder is het afwachten wat de toekomst River Shook zal brengen. Hopelijk iets anders dan Mightmare, een wat tegenvallend, eerder soloproject uit '22.

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

Golden Shitters - Tot de essentie gestripte punk

Nee, Burger Service is geen firma die burgers aan huis levert maar een eenmansproject uit Antwerpen die de twijfelachtige eer had te mogen openen voor het ranzige punktrio Golden Shitters.
Jan Tromp, van oorsprong een Amsterdammer, vond die naam bij het burgerservicenummer, een uniek persoonsgebonden nummer dat iedere Nederlander kan terugvinden op zijn paspoort, ID-kaart of rijbewijs. Een nogal saaie naam en van zijn muziek zou je op het eerste gehoor misschien hetzelfde kunnen zeggen, maar eigenlijk vond ik het toch wel wat hebben. Een voortdurend soepel heupwiegende Tromp beperkte zich tot het zingen terwijl de muziek gewoon op tape meeliep.
De waarschijnlijk met veel zorg geschreven teksten waar ik meestal kop noch staart aan kon knopen, werden opgesmukt met milde synthesizerklanken. Dit lofi knutselwerk deed onvermijdelijk denken aan Spinvis terwijl de twee meegereisde vrouwelijke fans er steeds wilder op begonnen te dansen. Helemaal op het einde kregen we zelfs twee nummers die we onder het label punk konden catalogeren, iets wat ons na de collaboratie van Spinvis met Ploegendienst ook al niet echt kon verbazen.
Het was niet meteen iets wat je verwacht in een punkhol als de Pit's maar de man hield wonderwel stand en daar doe ik graag mijn hoed voor af.

Ik ben bekend met de term ‘Golden drop’ maar of de Golden Shitters daar de inspiratie voor hun mooie naam vonden valt nog te betwijfelen. Golden Shitters is een trio uit het Canadese Hamilton, Ontario waarvan de leden voorheen bij groepjes als Anxious Pleasers of Sam Coffey and The Iron Lungs actief waren.
Getooid in witte overalls met op de rug de groepsnaam geborduurd en met de obligate zonnebril bengelend op de neus verschenen de drie zelfverzekerd op het podium. Klassieke bezetting met Matt Ellis op bas, Dave Tyson op gitaar en Kyle Fisher achter het drumstel.
Meteen werd duidelijk dat we niets nieuws hoefden te verwachten. Golden Shitters hielden het bij sterk door de Ramones beïnvloedde drie akkoorden punkrock met nummers, geplukt uit hun twee platen, die met moeite de minuut haalden. De enige frivoliteit die ze zich enkele keren veroorloofden was een noisy gitaar outro van Tyson. Verder niets dan stampende, tot de essentie gestripte punk waarbij de bassist al eens over de toog wandelde en Ellis languit op zijn rug voor het podium gitaar ging spelen. Gelukkig voor hem, met die witte overall, waren de gekende bierdouches dit keer achterwege gebleven.
Na een groot halfuur was de storm al gaan liggen, waarna de groep toch nog terugkwam en een cover aankondigde van een groep uit New York die wel lange nummers schreef. Dat bleek dan "Chainsaw" van de Ramones te zijn, niet echt een verrassing maar altijd mooi meegenomen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

 

 

IV and The Strange Band - Spookachtige southern roots en authentieke country

Veel informatie over de eerste groep, Kit & Caboodle, kon ik niet vinden. De groepsleden zouden uit Gent en het Henegouwse Flobecq (Vloesberg) komen terwijl de zanger, zo te horen, duidelijk ook West-Vlaamse roots had. Enig speurwerk leerde me dat ik die zanger, Steven De Poorter, al eerder in de 4AD gezien moet hebben met Firefang, ooit een veelbelovend Gents garage-grungebandje.
Met Kit & Caboodle heeft hij het roer wel heel drastisch omgegooid. Het elektrisch geweld heeft plaats moeten ruimen voor Appalachian folk en daar kan ik als liefhebber van dit soort stokoude muziek moeilijk rouwig om zijn.
Kit & Caboodle is een viertal met naast de gitaar en banjo van Steven viool, wasbord en contrabas, dat voor de gelegenheid werd aangevuld met een extra gitaar. Samen brachten ze een geweldige set vol stomende, opwindende hillbilly music met als blikvangers de melancholische viool van Florien Vandecasteele en de doorleefde en af en toe van vibrato voorziene stem van De Poorter.
Een charismatische frontman trouwens, die ons tussen de nummers verblijdde met zwartgallige humor. Zo wist hij ons te vertellen dat zijn ouders typische West-Vlamingen waren die gans hun leven ruzie maakten tot er één stierf waarna ze elkaar misten.
De meeste nummers waren eigen werk zoals "Get it all back" dat voortgestuwd werd door het aalvlugge getokkel op de banjo. Daarnaast werden ook enkele traditionals vanonder de mottenballen gehaald: "900 miles" en als afsluiter het sublieme "Shady grove" dat ik ken van Doc Watson.
Schitterend slot van een schitterende set en ik was duidelijk niet alleen met die mening, gezien de stormloop naar de merchandise stand. 

Wanneer ik Hank Williams hoor, veer ik nog steeds recht. Het werk van de op 29-jarige leeftijd op nieuwjaarsnacht 1953, in nooit geheel opgehelderde omstandigheden overleden ‘happy rovin' cowboy’ spreekt nog steeds tot de verbeelding. Daarna ontvouwde zich een ware Williams dynastie waar ik me echter nooit mee heb beziggehouden. Tot in 2022 Hank Williams Jr., een ergerlijke redneck trouwens en een levende tegenstelling tot de erfenis van zijn vader, me wist te verrassen met een heuse bluesplaat in Fat Possum stijl, ‘Rich white honky blues’. En nu kwam Coleman Williams mijn pad kruisen: achterkleinkind van Hank Sr. en zoon van de, in tegenstelling tot zijn vader, wel uit het juiste hout gesneden Hank Williams III.
Het laatste wat Coleman Williams wil is teren op de erfenis van zijn overgrootvader. Hij laat zich dan ook gewoon IV (and The Strange Band) noemen en op een Hank Williams cover zal je hem nooit betrappen, hoewel hij al diens songs perfect zou kunnen spelen.
Met wat vertraging (fileleed) verscheen het nonchalant lijkende gezelschap op het podium. Naast het vele haar en de cowboyhoeden viel me meteen op dat de band zonder setlist speelde, altijd een goed teken. Het maakt het er voor mij niet makkelijker op, maar het bewijst  dat de groep toch wat op de teller heeft staan.
Coleman bleek een onstuitbare spraakwaterval die zijn woorden mitraillette gewijs de zaal in vuurde. Soms moeilijk te verstaan, maar het zingen ging hem heel wat beter af. Zijn vreemde, nasale stem die niet zelden versierd werd met een lichte vibrato had een mysterieuze aantrekkingskracht. Getogen en geboren in Nashville vond hij zijn inspiratie in zowel de underground van die stad als in het traditionele Nashville. Enerzijds bracht hij beklijvende en spookachtige southern roots om ons enkele tellen later  een countrysong van de zuiverste soort voor onze voeten te gooien. Een voorbeeld van dat laatste was de schitterende uitvoering van "Why I'm walking" van Loretta Lynn dat vorig jaar op plaat gecoverd werd door Jimmie Dale Gilmore en Dave Alvin. Een andere mooie cover was "Nashville wimmin'" van Waylon Jennings, hoewel er iets vreemds gebeurde tijdens dat nummer. De song was nog maar net begonnen of Coleman verdween na enig overleg met zijn gitarist van het podium waarna de band wat ging jammen. Eerst dacht ik nog dat hij een plasje was gaan maken maar hij bleef maar weg zitten. Net toen de groep in slaap leek te dommelen kwam hij terug en werd de song glorieus hernomen. Dit was ongetwijfeld de langste versie ooit van "Nashville wimmin'". Bleek dat hij gewoon een snaar was gaan vervangen maar waarom dat zo lang moest duren blijft een raadsel. Gelukkig was dit de enige smet op een behoorlijk lang optreden.
Coleman Hawkins staat erom bekend ook een voorliefde voor het steviger werk te hebben. Zo durft hij al eens de Melvins te coveren. Deze avond koos hij voor "Sailin' on" van Bad Brains, waar hij een rasechte countrysong uit toverde. Zelf heeft hij ook enkele hardere nummers geschreven die op zijn eerste plaat ‘Southern circus’ te vinden zijn. Daaruit koos hij onder meer "Son of sin", zonder meer een hoogtepunt en meteen ook het signaal voor de gitarist en de bassist om wat te gaan dollen waarbij ze elkaars snaren probeerden te saboteren.
En het werd nog beter... Zijn beste songs had hij duidelijk opgespaard voor de finale. Eerst "Hang dog", titeltrack van zijn tweede en tevens laatste plaat, waarin hij het had over zijn hond, kort daarna gevolgd door het superieure "If the creek don't rise" waarin hij zijn eigen stempel legde op de erfenis van zijn overgrootvader. Een mooiere afsluiter kon ik me niet wensen, toch breide de overigens uitstekende Strange Band (gitaar, bas, drums en pedal steel) er nog een totaal overbodige instrumental aan. Toch was het mooi geweest, heel mooi.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Pagina 3 van 25