logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_12
Suede 12-03-26
Ollie Nollet

Ollie Nollet

donderdag 29 augustus 2024 21:55

River City Tanlines - Tweede adem gevonden

River City Tanlines - Tweede adem gevonden

Eerste groep was Itches, nog maar eens een product uit de vruchtbare Kempen, dit keer uit Vorselaar. Itches heeft net een eerste plaat , ‘Two flies in one clap’, uit die werd opgenomen in de Tooth Mountain Studio van Rafael Valles Hilario (Tuff Guac) en uitgebracht door UhmYeahSure Records en Ronny Rex. Zo weet je meteen in welke hoek je het moet zoeken. Moderne psychrock met een hoek af. Het kostte enige moeite om het materiaal, dat blijkbaar geleden had onder het bier tijdens een vorig optreden, deftig aan de praat te krijgen maar eenmaal vertrokken stond er geen rem meer op.
Met een grote gretigheid en tonnen spelplezier brachten ze fuzzy garagerock die me vooral aan Ty Segall deed denken. Niet zonder popgevoeligheid en met zanger-gitarist Philippe Aguilar (bekt wat beter dan Peeters) die al eens een hoog stemmetje durfde op te zetten. Samen met bassist Jonas Torfs en drummer Arno Sels speelde hij een gesmaakte set die toch wat variatie miste. Nochtans wordt de groep geprezen om zijn veelzijdigheid. Misten we iets doordat de set wat ingekort werd? Uiteindelijk werd er in schoonheid afgerond met een Ramones-cover die ik niet meteen kon thuiswijzen.

Ik moest me toch even in de schaarse haren krabben toen ik hoorde dat River City Tanlines naar de Pit's kwam. Was die groep niet al lang dood en begraven? Na hun laatste plaat, ‘Coast to coast’, uit 2012 volgde enkel in 2018 nog een digitale single, "Race/Time", waarna het akelig stil werd rond de band. Niet dat ik ze heel erg miste want hun twee eerdere passages in de Pit's (2005 en 2006) waren verre van onvergetelijk, leerde ik na een duik in mijn archieven. Maar frontvrouw Alicja Trout blijft natuurlijk een naam, vooral in Memphis maar ook ver daarbuiten. Een hardwerkende dame die in talloze groepen speelde, waaronder Mouserocket, Alicja-Pop, Destruction Unit, Nervous Patterns en het beter gekende Lost Sounds, en een eigen platenlabel, Contaminated Records, opstartte. Maar ik zal haar wellicht het langst herinneren als drumster van His C.C. Riders, de groep van de legendarische Monsieur Jeffrey Evans waarin ook ene Jay Lindsey (later bekend geworden als Jay Reatard) gitarist was. Reatard zou trouwens later nog opduiken aan de zijde van Alicja Trout in Lost Sounds en Nervous Patterns.
River City Tanlines bleek met een nieuwe extra gitarist uitgegroeid tot een viertal. Naast Alicja (die steeds meer op Patti Smith begint te lijken), nog steeds op haar vertrouwde Flying V, was enkel drummer John Bonds van de originele bezetting overgebleven. De groep opende met hun laatste wapenfeit "Race/Time" en dat is eigenlijk een Destruction Unit-cover. Ook de twee volgende nummers waren afkomstig van Alicja Trout's nevenprojecten. Eerst "You can't change" van Nervous Patterns (duo Trout/Reatard) gevolgd door "Not gonna be dumb" van Alicja-Pop. Niet meteen de beste songs hoewel het gitaarriffje van "Not gonna be dumb" bijzonder verslavend werkte. De daaropvolgende nummers werden geplukt uit de twee LP's en enkele singles die River City Tanlines op hun actief hebben.
Eerlijke, met de nodige power gebrachte garagerock die op geen enkel moment grensverleggend was, maar die je als een sluipend gif langzaam maar zeker in zijn greep kreeg. De hardrock invloeden werden dit keer tot een minimum beperkt terwijl de komst van een extra gitarist de groep blijkbaar een tweede adem bezorgde. Dit klonk ongetwijfeld stukken beter dan achttien jaar geleden.
Nummers als "Devil made me do it" waarvan de riff verdacht goed leek op die van Them's "I can only give you everything" zorgden voor onverhoopt vuurwerk.
River City Tanlines wist me bijzonder aangenaam te verrassen of zoals iemand zei: derde keer, goede keer. Ik kan enkel maar hopen dat dit de vonk was die de groep herlanceert.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Wine Lips + Crackups - Overrompelend snelle riffs

Het zwoele en plakkerige weer nodigde zeker niet uit om in een volgepakt café naar luide live muziek te gaan luisteren. Maar ik had toch al snel door dat dit veel beter was dan me ergens op een terras lazarus te gaan drinken.
Daar zorgde in eerste instantie Crackups voor, een groep uit Grobbendonk die ik na een vluchtige beluistering van hun tweede plaat, ‘Greetings from Earth’, in 2020 enigszins vergeten was. Totaal onterecht, zo bleek nu. Crackups openden luid en brutaal met een trits korte, nijdige nummers begiftigd met slopende ritmes waaronder de eerder dit jaar verschenen single "Sgt. Haze". Ik maakte me al op voor een set heerlijke, onvermengde punk toen de vier me voor een tweede maal wisten te verrassen door het tempo fors te laten zakken. Het nieuwe "SATAN" begon traag en majestueus, briljant gezongen met die licht gehavende stem van Thomas Valkiers, om dan verder een paar keer tot ontploffing te komen. Meeslepende garagepunk en wat mij betreft de beste song van de avond. Dat belooft alvast voor de later dit jaar te verschijnen derde plaat, ‘Plexi’. Meteen daarna bewezen ze met "Plane crash", de laatste single, opnieuw best wel te weten hoe ze een knap nummer in elkaar kunnen knutselen. Bovendien werd alles soepel en strak ten gehore gebracht door vier gretige, goed op elkaar ingespeelde muzikanten. Naast de eerder vernoemde Valkiers (zang/ gitaar) zagen we Toon Van Looy op gitaar, Niels Meukens op drums en Siebe Le Duc op bas. Een erg sympathieke groep met een zanger die geregeld interactie zocht met het publiek. Zo nodigde hij ons uit om een moshpit te vormen voor een nummer dat na nauwelijks een dertigtal seconden abrupt stopte of verzocht hij iemand uit het publiek die geen gitaar kon spelen om een solo te geven.
Kortom, een verrassend sterke set met alles erop en eraan. Later spelen ze nog op Pukkelpop en de Nederlandse festivals Bruis en Left of the Dial en dat is zeker niet onverdiend.

‘Now that's what I call music’ liet Iggy Pop zich ooit ontvallen over Wine Lips op BBC Radio 6 en wie ben ik om de getaande godfather of punk tegen te spreken. Bovendien werd ik vorig jaar op Sjock zelf van mijn sokken geblazen door dit kwartet uit het Canadese Toronto.
Wine Lips draait vooral om zanger-gitarist Cam Hilborn en drumster Aurora Evans. Op plaat laten ze zich bijstaan door bassist en producer Simon Larochette terwijl ze live beroep doen op gitarist Jordan Sosensky en bassist Charlie Weare. Visueel leek er niet veel veranderd. De zonnebrillen waren misschien wat minder extravagant (Aurora was de hare zelfs vergeten) maar de knevels waren intact gebleven.
Ook muzikaal leken ze niet meteen uit een ander vaatje te tappen. Nog steeds die somptueuze mix van garagepunk, psychedelica en fuzzy noise. Het soort psych rock dat we ook kennen van The Oh Sees. Baanbrekend of grensverleggend zal het wel niet zijn - John Dwyer en co zijn dat trouwens ook al een tijdje niet meer - maar dat geeft niet. Ok, sommigen zullen wellicht moeite hebben met dat hoge schreeuwerige stemmetje van Cam Hilborn maar eenmaal die hindernis genomen, kan je niet anders dan je laten meeslepen in de maalstroom die Wine Lips toch wel is.
We werden voortdurend bestookt met overrompelend snelle riffs, spetterende vocals en beukende drums voortgestuwd door een niets ontziende drive. Zo goed als alle nummers kwamen uit hun twee platen die ze voor Stomp Records maakten: ‘Mushroom Death Sex Bummer Party’ (2021) en ‘Super Mega Ultra’ (2024). Veel werd er niet afgeweken van de beproefde formule hoewel ze toch enkele keren voor wat afwisseling opteerden. Zoals tijdens "New Jazz" waarin heel voorzichtig wat jazz invloeden (jawel!) waren binnengesmokkeld of het instrumentale "Lemon party", één van mijn twee favoriete nummers op de laatste plaat. Het andere, "Cash man", lieten ze helaas in de kast liggen. Een ander verfrissend moment kwam er toen de drumster  met een heerlijk kirrende stem in duet ging met Hilborn. Dat had wel meer gemogen.
Wine Lips leek misschien net iets minder onontkoombaar dan op Sjock, een jaar geleden, door het ontbreken van een moshpit maar daar zal de zweterige atmosfeer wel voor iets tussen gezeten hebben. Mocht Rock Zerkegem nog bestaan dan had het hier de perfecte headliner kunnen vinden.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Raut Oak Fest 2024 - Uniek festival met zicht op de Alpen
Raut Oak Fest 2024
Festivalterrein
Riegsee (Duitsland)
2024-07-19 t-m 2024-07-21
Ollie Nollet

Raut Oak Fest is een klein, onafhankelijk festival zonder sponsoring dat doorgaat in Riegsee, deelgemeente van Garmisch-Partenkirchen in Beieren, een unieke locatie met zicht op de Alpen. Ontstaan in 2011 toen Christian na 4 maanden huwelijk besloot te scheiden en daar een feestje voor gaf. Dat viel zo goed mee dat hij het jaar erop enkele groepen uitnodigde wat de kiem bleek van Raut Oak Fest, een driedaags festival vol underground music dat dit jaar iets meer dan duizend toeschouwers mocht verwelkomen.
Een bijzonder aangenaam festival, oude stijl met slechts één podium, waar het bier in halveliterflessen werd verkocht en waar de bar mee bemand werd door een contingent Vlamingen.

dag 1 - vrijdag 19 juli 2024
Het festival werd vrijdag om 15u30 afgetrapt door het in Londen residerende Fraülein dat niets vandoen bleek te hebben met de gelijknamige song van Townes Van Zandt. Dit duo bestond uit de Noord-Ierse Joni Samuels (zang-gitaar) en de Nederlandse drummer Karsten van der Tol. Iemand omschreef hen ooit als PJ Harvey op een autorally en zelf beweren ze geobsedeerd te zijn door Big Thief. Sympathiek, dat zeker, maar dit was het soort indierock die me niet langer dan vijftien minuten kon boeien.

Daarna kregen we opnieuw een duo in exact dezelfde bezetting. Red Money uit Pau, niet te verwarren met de gelijknamige band uit Richmond, Virginia of de rapper uit Atlanta, bestaat uit Laure Laferrerie (zang-gitaar) en drummer Arnaud Dussiau. Hun laatste plaat, ‘Shake, burn and love’ werd in Nashville geproduceerd door Andrija Tokic, die ook al werkte voor Alabama Shakes en Benjamin Booker. Dat schept toch enige verwachtingen en die werden deels ingelost. Dit was stevige rock die het midden hield tussen grunge en stoner. Niet meteen mijn favoriete genres maar met Laferrerie had Red Money een frontvrouw in huis die naam waardig. Haar gitaar klonk meestal als een overstuurde bas, maar wist toch voor voldoende variatie te zorgen. Verder viel er nog een verrassende cover te noteren: "The whores hustle and the hustlers whore" van PJ Harvey.

Voor velen was Tramhaus, een vijftal uit Rotterdam dat zich waagt aan postpunk met een vleugje noise, dé verrassing van de dag. Voor mij was dat wat minder het geval daar ik ze reeds verschillende keren aan het werk zag. Toch bleven ze ook mij van de eerste tot de laatste noot fascineren en was dit wellicht de beste keer dat ik ze aan het werk zag. Als geen ander weet Tramhaus hard en zacht te combineren. Het is hen vele malen voorgedaan, toch bleef het altijd inventief. We hoorden stuk voor stuk sterke, knap afgewerkte nummers waarin opvallend veel aandacht besteed werd aan de tweede stem. En dan had ik het nog niet over die twee gitaren die van een wilde frisheid getuigden (vooral die van Nadya Van Osnabrugge) of het fenomenale natuurtalent Lukas Jansen. Hoe hij met een onwaarschijnlijke souplesse over het podium dartelde zou zelfs een jonge Mick Jagger doen verbleken. Dat terwijl zijn zang al even wonderlijk was. Vooral tijdens een nieuwe song wist hij me te verbazen door vocaal alles uit de kast te halen. Het doet me nu al reikhalzend uitkijken naar de op 20 september te verschijnen debuutplaat, ‘The first exit’.

Met Earth Tongue uit Wellington, Nieuw-Zeeland kregen we opnieuw een duo waarvan een vrouw (Gussie Larkin) de zang en de gitaar voor haar rekening mocht nemen en een man (Esra Simons) achter de drumkit postvatte. Earth Tongue heeft een gloednieuwe (tweede) plaat,  ‘Great haunting’, uit en dat op het befaamde In the Red Records uit Los Angeles. Voldoende om mijn aandacht te wekken en even leek het erop dat dit een memorabele set zou worden. Dit was het soort heavy psych rock dat ik wel kon smaken. Gussie Larkin bleek een innemende frontvrouw met een heldere, etherische stem die men niet meteen verwacht in dit genre. Ook de riffs die ze uit haar luide gitaar kneep, waren best wel pakkend. Helaas sloeg na een tijdje de eentonigheid toe en schoof Earth Tongue iets te veel richting metal op. 

Afsluiter op vrijdag was Endless Boogie uit New York maar niet uit Brooklyn, wat Paul Major ons meteen met buitengewoon harde taal duidelijk maakte. Waarvoor dat nodig was, is me nog steeds niet geheel duidelijk. Het viertal opende de set met een nummer van om en bij de twintig minuten en de overige nummers zullen wellicht niet veel korter geweest zijn. Maar wat geeft dat? Had het er eentje van 50 minuten geweest, dan had dat me even gelukkig gemaakt. Het recept van Endless Boogie is vrij eenvoudig. Gitarist Jesper Eklow, drummer Harry Druzd en de bassist (van wie de naam me niet bekend is) construeren een minimalistisch, hypnotiserend geraamte waarin de, in een eeuwig streepjesshirt gehulde, bijna 70-jarige Paul Major ongehinderd kan soleren. Effectpedalen zijn daarbij compleet overbodig. Enkel Jesper Eklow trapt af en toe op een wah-wah pedaal. Dat lijkt misschien bijzonder saai, maar dat was het allerminst, integendeel. Die twee gitaren klonken zo subtiel dat er geen ontkomen aan was. Het leken wel virussen die zich steels onder je hersenpan nestelden om je zo in een gelukzalige roes te dompelen. Waaruit we bruusk gewekt werden toen Paul Major een snaar brak, zijn eerste in vijftien jaar. Maar eenmaal dat euvel verholpen werden we met "Vibe killer" naar het walhalla getransporteerd. Endless Boogie zorgde voor twee uur puur genot en was vast van plan om dat zondagavond nog een half uur langer te doen. 

dag 2 – zaterdag 20 juli 2024
De line-up op zaterdag stond volledig in het teken van de vorig jaar op 60-jarige leeftijd overleden Chris Johnson. Chris Johnson was de oprichter van het Deep Blues Fest, het grootste alternatieve bluesfestival ter wereld en godfather van de Deep Blues Community. Zijn belang voor die groepen die hun blues of roots net iets rauwer en ongepolijster laten klinken kan niet overschat worden. Alle groepen die op zaterdag optraden hadden dat vroeger ook op Deep Blues Fest gedaan.

Opener op zaterdag was Mudlow uit het Britse Brighton. Met zijn drieën (gitaar/zang,bas en drums) brachten ze donkere blues die wellicht beter tot zijn recht zou komen in een nachtelijke kroeg dan op deze zonovergoten weide. Knap gedaan maar echte vonken bleven uit. Tobias Tester liet af en toe een sardonisch lachje horen tussen de nummers en ergens hoopte ik dat hij ook zo eens zou zingen. Maar hij bleef het beschaafd houden, zeker toen hij "Flesh and blood" van Joe Henry coverde.

Reverend Deadeye is afkomstig uit Denver maar woont al een tijdje in Zwitserland, waar hij ook zijn drumster vond. De man is reeds meer dan twintig jaar actief en mag dus stilaan bij de veteranen gerekend worden. Maar sleet zat er alvast niet op. De vlam sloeg meteen in de pan met "Drunk on Jesus". Een ander hoogtepunt was "Can't take it with you" terwijl hij verder verrassend veel nummers uit zijn eerste en niet meer te verkrijgen plaat bracht. Niet alles was even sterk maar zijn enthousiasme werkte toch aanstekelijk. Zo zagen we hem zijn tamboerijn, die meestal aan zijn voet hing, gebruiken als slide.

CW Ayon was thuis in Las Cruces, New Mexico gebleven, zodat de rest van het programma wat vooruit werd geschoven. Dat leek me eigenlijk niet slecht uit te komen, zo zou ik wat vroeger naar bed kunnen. Die voorsprong op het uurschema werd echter meteen tenietgedaan door de tegensputterende Fender Rhodes van James Leg. Het kostte enig moeite om het orgel, dat hier een jaar onaangeroerd was achtergebleven (James Leg mag ieder jaar acte de presence geven op Raut Oak), terug aan de praat te krijgen.
Maar er was nog meer aan de hand. Onze man uit Chattanooga, Tennessee was afgezakt naar Riegsee zonder drummer. En hoewel er een drumstel werd opgesteld (en nadien ook weer afgebroken) en er een naam van een mogelijke invaller circuleerde besloot James Leg te experimenteren met een drumcomputer. Iets om nooit meer te herhalen want dit klonk gewoon schabouwelijk. Los daarvan hoorde ik een behoorlijk sterke set die geopend werd met twee nieuwe nummers, die het beste laten verhopen voor de nieuwe plaat. Wat kalmer dan gewoonlijk maar met tonnen soul. Meteen daarna bereikte hij ongekende hoogten met een adembenemende en nooit eerder zo intens gebrachte cover van Nina Simone's "Sinnerman". Hij draagt blijkbaar niet voor niets een broeksriem met de beeltenis van deze legendarische zangeres. Daarna bleef het hoogtepunten regenen met onder meer "Every damn time", "Georgia" en zelfs "A forest" dat het origineel van The Cure liet vergeten.
Dat hij een meester is in het zich eigen maken van andermans nummers bewees hij nog maar eens met de twee afsluitende songs: "Drinking too much" (The Kill Devil Hills) en "Fire & brimstone" (Link Wray).

De revelatie van Raut Oak 2024 was ongetwijfeld Restavrant, oorspronkelijk uit Victoria, Texas maar verkast naar Los Angeles. Helemaal uit het niets komen ze nu ook weer niet. In 2012 wist dit duo me al te verrassen met de plaat ‘Yeah, I carve cheetahs’, uitgebracht op Hillgrass Bluebilly Records, maar daarna volgde de absolute stilte. Tot deze passage en dat zal ik geweten hebben! Wat een rollercoaster was dit. Tijd om adem te halen hadden we nauwelijks. Restavrant (zoek niet te veel achter die naam, gewoon verkeerd geschreven) wist als geen ander blues en punk te combineren in ultrakorte en van moordende tempos voorziene nummers. Zanger Troy Murray, wiens petje meer dan één wasbeurt kon gebruiken, ramde op met spuug en paktouw aan elkaar hangende gitaren terwijl Tyler Whiteside een elektronische drumset combineerde met een conventionele snare drum en een hoop trash waaronder plastieken emmers, een autovelg, aan elkaar geknutselde nummerplaten en een gasfles. Achteraf was hun merchandise in geen tijd uitverkocht.

Dat Left Lane Cruiser (Fort Wayne, Indiana) er zin in had werd meteen duidelijk. Nooit eerder hoorde ik Freddie J IV zo de longen uit zijn vege lijf schreeuwen. Zat de volle maan hier voor iets tussen of wou hij er zich van verzekeren dat we Restavrant meteen vergaten. Het werd een onstuimige set (drummer Brenn Beck gaf tussendoor enkele richtlijnen voor de moshpit maar problemen waren er nooit) die niet zo heel veel verschilde met die van in de 4AD enkele weken geleden. Uiteraard kon het lang niet meer gehoorde  "Mr. Johnson", een eerbetoon dat reeds dateert uit 2008, hier niet ontbreken.
Dit was reeds de vijfde keer tijdens deze tour dat ik ze zag en geloof het of niet: van verzadiging is nog steeds geen sprake. Dit was nog maar eens een immens festijn van rauwe, beukende garageblues vol demonische gitaren en triomfantelijk klinkende drums .
Voor de afsluitende en erg uitgebreide jam vroeg Left Lane Cruiser dit keer niet enkel vrijwilligers uit het publiek, die eerst nog abusievelijk door de security terug van het podium werden gejaagd, maar kwam er ook assistentie uit de coulissen opdagen: James Leg en de drie kinderen van Chris Johnson waarvan er één een gitaar bijhad. Veel muzikale potten werden er niet meer gebroken, dit leek eerder een kakofonie maar het straalde wel een enigmatisch gevoel van samenhorigheid uit zodat je toch gefixeerd bleef toekijken.

Na al dat geweld mocht Guadalupe Plata uit het Spaanse Úbeda de tweede festivaldag in schoonheid afsluiten. Zanger Pedro De Dios is een fenomenale gitarist, erg gestileerd en met veel gevoel voor details. Samen met drummer Carlos Jimena en enkele gasten boetseerde hij cinematografische songs met diepe wortels in de blues. Plots konden we zelfs even mee neuriën toen hij "El Condor Pasa" zijn set in smokkelde. 

dag 3 – zondag 21 juli 2024
De zondag begon met een traditioneel ontbijt (waarvoor ik gepast heb) dat opgevrolijkt werd door een uitgebreid orkest onder de eik. Die Landlergschwister uit München telde maar liefst veertien leden: 4 klarinetten, 4 trompetten, een tuba, 2 drums, een accordeon, een banjo en een gitaar annex zang. Gezeten in een grote kring speelden ze de sterren uit de hemel, waarbij we af en toe een cover, zoals "The Model" van Kraftwerk, konden noteren. Een bijzonder aangename verrassing.

De eerste band op het podium kwam ook uit München. Ippio Payo, een project van multi-instrumentalist Josip Pavlov, hield het bij tamelijk experimentele indierock. Knappe momenten, waarbij ik dacht dat hij weleens zou kunnen solliciteren bij ‘Thrill Jockey’, werden te vaak afgewisseld met richtingloze probeersels, al moet ik toegeven dat mijn concentratie nog niet volledig op punt stond.

Dat was wel het geval bij Screaming Dead Balloons uit het Griekse Larissa. Ze haalden hun naam bij het gelijknamige boek, een spannende avonturenroman van Philip McCutchan uit 1968. Een belezen band? Verder viel daar alleszins niet veel van te merken. Met zijn drieën (gitaar, bas, drums) brachten ze vrij stereotiepe psychrock die net iets te weinig uitschieters kende. Maar echt vervelend werd het nooit en toen zanger Ioannis Pispirikos zijn gitaar ruilde voor een mandoline kreeg hun muziek plots een Grieks trekje. Dat had hij gerust meer mogen doen. 

Intussen hadden donkere wolken zich onheilspellend samengepakt en werden we plots gevraagd om het terrein te verlaten en te gaan schuilen in tent of wagen. Wie geen van beide had, kon terecht in een schuur. Binnen enkele minuten was de site ontruimd en bijna meteen daarna brak het tempeest los.
Gelukkig zonder schade en na een paar uur onderbreking mocht Cantes Malditos uit het Spaanse Granada de draad weer oppakken, zij het in de schuur. Verre van ideaal want slechts een paar rijen konden de vier artiesten, die zittend speelden, zien. We herkenden gitarist Pedro De Dios, die we de vorige avond bij Guadalupe Plata hadden gezien. Maar dit keer was de ster Antonio Fernández, een waarlijk fenomenale zanger. Cantes Malditos laat zich vertalen als vervloekte liedjes en gezien de lichaamstaal van Fernández kregen we die ook te horen. Ik ben niet meteen een flamenco fan maar zoals het hier gebracht werd met af en toe een miniem scheutje blues of country, daar kon ik alleen maar mijn hoed voor af doen. Schitterend!

Intussen was het podium netjes opgedweild voor Lonesome Shack uit Escondido, Californië. Opnieuw een exponent uit de Deep Blues community, normaal met zijn drieën maar de drummer was ziek thuisgebleven. Dus moesten zanger-gitarist Ben Todd en Luke Bergman, afwisselend op bas en dobro, het met zijn tweeën zien te rooien, wat naar mijn mening niet helemaal lukte. Het knappe gitaarspel, dat even deed denken aan John Fahey, gecombineerd met die ijle zang van Ben Todd zorgde voor mysterieuze blues maar het hypnotiserende zoals we dat kennen van een Junior Kimbrough bleef dit keer uit. Wellicht door het gebrek aan een drummer. Toch nog altijd goed genoeg om mijn interesse te wekken voor hun nieuwe plaat, ‘Song of the Horse’ die intussen verschenen moet zijn. 

Een twee en een half uur durende show van Endless Boogie. Dat was de geplande apotheose voor deze editie van Raut Oak. Velen keken ernaar uit, maar door de opgelopen vertraging was hier uiteraard geen tijd meer voor. Het einduur was immers al bereikt, nog voor de groep kon beginnen. Toch kregen we nog een volwaardige set met zoals beloofd enkel nummers die we op vrijdag niet gehoord hadden. Paul Major had zelfs zijn eeuwige streepjesshirt in de kast gelaten, een poging om het contrast nog duidelijker te maken? Tot tweemaal toe werd een inzet gemist, wat liet vermoeden dat ze minder vaak gespeelde nummers hadden geselecteerd.
Toch was dit weer Endless Boogie van de bovenste plank. Wat bluesier en zompiger dan op vrijdag en met een Paul Major die tijdens het laatste nummer zowaar ging scatten. Dat terwijl de regen met bakken uit de hemel viel en de frontstage in een modderpoel was herschapen. Maar dat kon geen domper zetten op een alweer adembenemend optreden van Endless Boogie.

Organisatie: Raut Oak Fest

Left Lane Cruiser - Demonische slidegitaar

Een heel mooie opkomst voor een groep die eigenlijk veel te lang was weggebleven uit de Belgische zalen. Na de vaste thuisstek in de 4ad, waren ze nog te zien in de Botanique, met dank aan het vroegere Rootsandroses. Left Lane Cruiser is duidelijk nog niet vergeten …

Dat volk was nog maar net aan het binnensijpelen toen de eerste band eraan begon. Till Morninglight uit het Oost-Vlaamse Berlare was oorspronkelijk een duo maar is intussen uitgegroeid tot een trio dat zijn muziek graag laat omschrijven als garagerock met een toefje blues. Nu is garagerock een uiterst rekbaar begrip maar hetgeen ik hier hoorde, deed me toch eerder denken aan classic rock maar die term klinkt uiteraard minder aantrekkelijk voor een jonge groep. De drie, allen getooid in een beeldig streepjesshirt, probeerden ons  te overtuigen met energiek gebrachte rock waarop weinig af te dingen viel. Zanger-gitarist Frederik Vanhoo, die zich geweldig leek te amuseren, beschikt over een forse strot en samen met drummer Lode Haleydt en bassist Daniel Guerrero wist hij een strakke sound te smeden.
Korte, krachtige songs gebracht met de gretigheid van jonge veulens en toch bleef ik wat op mijn honger zitten. Dit klonk net iets te gestroomlijnd om mijn hart wat sneller te laten kloppen terwijl ik tevergeefs wachtte op een nummer dat er bovenuit sprong. Toch blijf ik geloven dat Till Morninglight voldoende potentieel heeft om in de toekomst wat meer potten te breken.

Left Lane Cruiser uit Fort Wayne, Indiana werd in 2004 boven de doopvont gehouden maar het duurde tot 2008 vooraleer ik ze leerde kennen. In dat jaar verscheen hun eerste officiële plaat, het fenomenale "Bring yo' ass to the table" en dat precies een jaar nadat "Every damn time" van dat andere duo, Black Diamond Heavies, op hetzelfde ‘Alive Records’, me ook al een mokerslag bezorgde. De toekomst van de rock-'n-roll zag er toen plots heel rooskleurig uit. Maar mooie liedjes duren doorgaans niet lang. In 2010 gaven Black Diamond Heavies er de brui aan terwijl het voortbestaan van Left Lane Cruiser ook even aan een zijden draadje hing toen drummer Brenn Beck besloot ermee te kappen om zo voor zijn gezin te kiezen. Maar Frederick ‘Joe’ Evans IV is een doorzetter en hij vond in 2014 met Pete Dio een nieuwe drummer en kreeg er zelfs heel even gratis een totaal overbodige bassist (Joe Bent) bij. Vijf jaar geleden keerde Brenn Beck terug op het oude nest en enkele weken terug verscheen er ook een eerste plaat van die hernieuwde oerversie van Left Lane Cruiser: ‘Bayport BBQ Blues’, een eerbetoon aan hun mentor en oprichter van het Deep Blues Fest, Chris Johnson, die vorig jaar overleed.
De set begon met het iconische "Wash it", een nummer uit die eerste plaat dat drijft op het ratelend wasbord, de bonkende basdrum en het droge getik op een koebel van een staande Brenn Beck. Voeg daarbij de gruizige stem en de demonische slidegitaar van Freddie J IV en je hebt vintage Left Lane Cruiser. De avond kon toen al niet meer stuk, hoewel er na de tweede song toch wat twijfel rees toen het geluid plots begon te sputteren. Schuldige bleek een niet volledig gerodeerde nieuwe mengtafel maar dat euvel was snel verholpen zodat het feest opnieuw in alle hevigheid kon losbarsten.
Hoewel Left Lane Cruiser intussen reeds zo'n tiental platen heeft gemaakt die nagenoeg volledig gevuld zijn met eigen werk, blijft het duo ons tijdens hun optredens verrassen met niet altijd even voor de hand liggende covers. Dit keer hoorden we een paar keer RL Burnside, "Wild about you, baby" van Hound Dog Taylor, "Mule plow line" van Jimbo Mathus en een verwoestende versie van Freddie King's "Going down".
Uiteraard diende er ook nieuw werk geïntroduceerd te worden en dat waren stuk voor stuk adembenemende parels: "River Picker" dat kon bogen op een meeslepende proggy gitaar, het uitermate smerige "The desert" of het slidefestijn "Big momma shake" dat alle botten in je lijf door elkaar schudde. Ook wie kwam voor het oude werk werd ruimschoots op zijn wenken bediend. Dat andere "Big momma" uit 2008, "Amy's in the kitchen" dat werd aangekondigd als een song over ‘neuken in de keuken’ (ja, het Nederlands van Freddie gaat erop vooruit) en "Mountain top" dat reeds in 2006 verscheen op een in eigen beheer uitgebrachte cd, ‘Gettin' down with it’, die in 2010 een re-issue kreeg, zijn maar enkele voorbeelden. Bluesrock, garage blues, trash blues, hillbilly punk,...? De muziek van Left Lane Cruiser omschrijven lijkt onbegonnen werk waarbij woorden telkens te kort schieten. Slechts met zijn tweeën creëerden ze een onwaarschijnlijk volle en unieke sound. Het exceptionele gitaarspel van Freddie J IV is nog inventiever geworden, alsof de duivel ermee gemoeid is. Hij geselde waarlijk zijn snaren tot ze er als slappe elastiekjes bij hingen terwijl Brenn Beck zijn drums heerlijk triomfantelijk liet knallen.
Left Lane Cruiser sloot af met een jam geïnspireerd op het werk van John Lee Hooker waarbij een viertal fans het podium op mochten om er percussie-instrumenten te bespelen. Niet iedereen was daar even bedreven in. Vooral de man met het wasbord wist duidelijk niet waarvoor dat ding op zijn borst diende. Zo eindigde een buitengewoon intense set nog met een vrolijke noot.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Slim Cessna's Auto Club - Weergaloos muzikaal ritueel

Met Tripodero stond een gloednieuwe Oostendse band op het podium waarvan ik één lid kende: Fabian Schweiger. En dat is zeker geen onbekende in de 4AD. De laatste keer dat ik hem daar zag, zal wellicht met Saddle For Sale geweest zijn. Tripodero, genoemd naar een mythisch, angstaanjagend beest, maakt naar eigen zeggen soggy containerpunk. Maar dat zal dan waarschijnlijk enkel slaan op hun repetitieruimte, een aftandse, vochtige container, want veel punk heb ik niet gehoord. Het drietal (twee gitaren en drums) begon verrassend sterk met "Voodoo recipes", een rock-'n-roll nummer dat uit de catalogus van Dave Edmunds geplukt kon zijn en waarvan de gitaren me kippenvel bezorgden. Tijdens de tweede song gingen ze nog even op dat elan door, maar daarna werd er vlot van stijl gewisseld.
Naast rock-'n-roll hoorden we nu ook americana, country, seventiesrock en één enkele keer punk, wellicht niet toevallig het enige nummer dat Fabian zong. Dat terwijl de zanger zijn gitaar voor enkele nummers ruilde met een basgitaar. Niet alle songs waren even sterk maar de sound bleef overeind en de gitaren sprankelden tot de laatste noot. Achteraf was ‘te braaf’ het meest gehoorde commentaar maar dat vond ik dit keer eigenlijk geen bezwaar.

Slim Cessna's Auto Club uit Denver, Colorado ontstond in 1992 uit de assen van The Denver Gentlemen, een groep waartoe ook David Eugene Edwards en Jeffrey-Paul Norlander van 16 Horsepower behoorden. Slim Cessna is de enige constante in de groep en die vreemde groepsnaam is eigenlijk een eerbetoon aan één van Cessna's vrienden die een collectie oude auto's bezat. Eerst heette de band trouwens San Juan's Car Club maar na wat puzzelen werd er uiteindelijk voor Slim Cessna's Auto Club gekozen.
Hun moeilijk te catalogeren muziek wordt meestal omschreven als gothic country of dark folk, zelf definiëren ze het als de Denver sound wat dan op een brede mix van country, alt country, American gothic, folk, garagerock, americana en gospel lijkt. Jello Biafra, op wiens label, ‘Alternative Tentacles’, ze enkele platen uitbrachten, omschreef de groep misschien nog het best toen hij ze ‘the country band that plays the bar at the end of the world’ noemde.
SCAC vloog er meteen in met het onbehoorlijk rammelende "Pine Box", een oud nummer uit 2005. Het werd een set waarin de laatste plaat, ‘Buell Legion’, het tweede deel uit het drieluik, ‘Kinnery of Lupercalia’, centraal stond. Bijna alle nummers uit die plaat passeerden de revue maar ook ‘Cipher’ uit 2008 was met vijf songs ruim vertegenwoordigd. Het werd een weergaloos muzikaal ritueel met als ceremoniemeesters Slim Cessna en Munly Munly die ons voortdurend verblijdden met hun gewiekste, synchrone danspasjes of hun dubbelzinnige tafereeltjes met homo-erotische elementen. Daarbij was de Heer nooit ver weg, getuige nummers als "Jesus is in my body - My body has let me down" of "Everyone is guilty #2". Die twee publieksmenners werden in de rug gedekt door vier niet te onderschatten muzikanten. Rebecca Vera, partner van Munly Munly op keyboard en pedal steel, die ze regelmatig met een strijkstok attaqueerde; Lord Dwight Pentacost op doubleneck gitaar versierd met een Heilig Hart afbeelding en op een door effecten onherkenbaar klinkende banjo; nieuweling George Cessna (zoon van Slim) op bariton gitaar en de spitsvondige drummer, Andrew Warner, die soms aan een percussie block (tijdens "Ichnabod") genoeg had.
De set was vernuftig crescendo opgebouwd en kende een uitgesproken hoogtepunt toen Munly Munly, die er nog steeds uitziet als een levend lijk, het publiek introk om er zieltjes te winnen. Als een volleerd levend standbeeld wist hij enkel met zijn ogen aanwezigen tot knielen te dwingen. Zelf kon ik er ook niet aan ontsnappen en ging gedwee door mijn roestige knieën. Tot een verlossing van mijn kwaaltjes heeft dit niet geleid maar mijn geloof in de muzikale exploten van SCAC werd nog maar eens gesterkt.
Slim Cessna liet van zijn kant meermaals weten hoezeer hij het een privilege vond om (voor de derde keer) in deze zaal te mogen spelen. "Standaard geslijm" denk je dan maar hier was ik toch geneigd hem te geloven want ik meen dat ik SCAC tijdens deze erg lange set nooit eerder zo gedreven en vol vuur aan het werk zag en ik mocht ze toch al zo'n vijf keer meemaken.
En dan was er nog die merkwaardige bisronde waarin tijdens het tweede nummer, het erg noisy "Americadio" nog eens alles uit de kast werd gehaald en de zaal volledig uit zijn dak ging.
Dan denk je "nu hebben we het wel gehad" maar toen het stof wat was gaan liggen stond de groep nog steeds op het podium en werd er doodgemoedereerd een nieuw nummer ingezet.
Daarna bleek het nog steeds niet afgelopen want Slim Cessna bracht met wat assistentie van zoon George een karaokeversie van Kris Kristoffersons "For the good times". Een vreemd einde van een bijzonder indringende set.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Etran De L'Aïr  - Onvervalst dansfeest met hoogstaande muziek
Etran De L'Aïr + Tartit

Met Etran De L'Aïr en Tartit stonden twee belangrijke exponenten van de Toeareg scene op het podium. Toch verschillen beide groepen als dag en nacht. Terwijl Tartit zweert bij de traditie heeft Etran De L'Aïr een gepaste dosis Westerse invloeden geabsorbeerd.

Tartit, waarvan de leden afkomstig zijn uit de Timboektoe regio in Mali, ontstond in 1992 in een vluchtelingenkamp in Mauretanië. Ze worden algemeen beschouwd als de bewakers van de Toeareg-traditie. Ik zag ze al eens eerder, in 2007, tijdens de legendarische ‘Nuit Touareg’ in de Botanique waar ik toen ook kennismaakte met Tinariwen, de absolute vaandeldragers van de Toeareg-blues. Zeventien jaar later bleek Tartit nog niets aan magie te hebben ingeboet.
Vijf vrouwen en twee mannen van alle leeftijden, uitgerust in prachtige traditionele gewaden, zaten achteraan het podium in een rij op de grond. Enkel de twee buitenste leden hadden het voorrecht op een stoel te mogen zitten. Het instrumentarium bestond, buiten één akoestische gitaar die dan nog niet altijd gebruikt werd, uit traditionele instrumenten waarvan ik u de meeste namen schuldig moet blijven. Wel herkende ik een imzad, een soort primitieve viool, en enkele traditionele handtrommels (tendé?) waarvan er één voortdurend met water besprenkeld werd.
Een eerder sobere begeleiding die enkel diende als ondersteuning voor de imponerende samenzang. Die betrekkelijk rustige zang met veel herhaling werkte uitermate hypnotiserend terwijl we voortdurend uitgenodigd werden om mee te klappen. Af en toe kwam er een lid (of met zijn tweeën) naar voren om zich aan een dansje te wagen. Soms gebeurde dat dansje al zittend en leek het erop alsof ze denkbeeldige slangen bezwoeren.
Naarmate de set vorderde werd er steeds enthousiaster gedanst en sprong er zelfs een Toeareg man uit het publiek het podium op om mee te dartelen. Toch was het die schijnbaar simpele muziek die tot de laatste noten bleef intrigeren.

Etran De L'Aïr staat voor sterren van de Aïr, een bergachtig gebied in het noorden van Niger. De groep is gevestigd in Agadez, een bruisende stad die bekend staat omwille van de productie van muziek, vooral desertblues met veel elektrische gitaren zoals we die kennen van Mdou Moctar of Bombino.
Etran De L'AÏr, actief sinds 1995, leerde het klappen van de zweep kennen in het zogenaamde bruiloftencircuit waarin ze één van de bekendste en langst spelende groepen was. De groep is ook een echte familieaangelegenheid die enkel bestaat uit verwanten (broers en neven).
Piekfijn uitgerust in traditionele klederdracht met erg elegante teensletsen kwamen de vier kwiek het podium opgerend. Twee gitaristen, een bassist en een drummer waarbij de snarenplukkers regelmatig met elkaar van instrument wisselden. Meteen werd duidelijk dat dit weinig gemeen had met de woestijnblues zoals we die kennen van groepen als Tinariwen of Tamikrest.
Ik hoorde eclatante Afrikaanse pop met pakkende zangpartijen en vooral veel gitaren die klonken als klaterende bergriviertjes. Misschien een wat ongelukkige vergelijking voor een groep die uit de woestijn komt maar dit klonk allesbehalve stoffig. De groovy klanken hadden een wilde frisheid terwijl het spelplezier met dikke klodders uit de boxen spatte. U begrijpt meteen dat stilzitten hierbij geen optie was. Het duurde niet lang vooraleer de leden van Tartit beurtelings het podium opklommen om mee te dansen. Het publiek liet zich daarbij niet kennen en gooide massaal de beentjes los.
Etran De L'Aïr straalde niets dan positiviteit en enthousiasme uit en daar was geen ontkomen aan. Met als gevolg dat mijn stramme, door artritis geplaagde ledematen plots bewegingen maakten die ik in geen twintig jaar meer gezien had.
Dit was authentieke Afrikaanse pop van de meest elastische soort waar er in de laatste rechte lijn steeds meer rock elementen aan toegevoegd werden en de, overigens uitstekende, drummer plots de vrijheid kreeg om al eens loos te gaan.
Een onvervalst dansfeest met hoogstaande muziek: mocht ik een bruiloft in het verschiet hebben, ik zou niet twijfelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Jake La Botz - Pendelend tussen pop en rock'n’roll

Openers van dienst waren The Rusty Zippers uit Gent. Een duo bestaande uit Ed De Smul, die jaren actief was bij Ed & The Gators, en Tom De Poorter die je onder andere zou kunnen kennen van Little Kim & The Alley Apple 3. Achter die merkwaardige naam, The Rusty Zippers, hoef je trouwens niets te zoeken, de heren vonden het gewoon lekker klinken.
Vooraf werden een paar camera's gemonteerd zodat ze hun set konden opnemen. Goed idee want het geluid zat, zoals altijd in deze zaal, perfect. De twee brachten, gezeten op een stoel, stemmige en meeslepende americana. Ik vermoed dat alle songs uit de koker van Ed De Smul kwamen. De pure blues van Ed & The Gators heeft plaats moeten ruimen voor een verfrissend amalgaam van folk, blues en country. Beklijvend gezongen met die donkerbruine stem van hem, gestut door een voetdrum en af en toe wat opgeleukt met een streepje mondharmonica. De knappe songs werden verder mooi ingekleurd door een schitterende Tom De Poorter op zowel gitaar, mandoline als banjo en kregen daardoor ook meer body.
Als slot kregen we dan toch nog een cover gepresenteerd. Het werd een stomende versie van Blind Willie Johnsons "Nobody's fault but mine" met gesmaakte solo's op gitaar en mondharmonica.
Een boeiende set die echt wel wat langer had mogen duren dan het toegemeten halfuurtje.

Nadat hij wat rondhing in punkrock milieus en zelfs even in de jeugdcriminaliteit verzeilde leerde Jake La Botz (geboren in 1968) de blues kennen via de laatste bluesmannen uit het vooroorlogse tijdperk in Chicago, zijnde David ‘Honeyboy’ Edwards, ‘Homesick’ James en ‘Maxwell Street’ Jimmy Davis. Later begon hij door de VS te reizen om uiteindelijk in Hollywood te belanden waar hij dankzij Steve Buscemi een onwaarschijnlijke carrière als filmacteur startte. Het leverde hem rollen op in films zoals ‘Rambo’ maar ook een heroïneverslaving die hij uiteindelijk op zijn dertigste overwon. Naast muzikant en acteur is Jake La Botz ook nog eens een begenadigd schrijver en leraar somatische meditatie. Kortom, een bezig baasje die bovendien regelmatig in Europa komt touren. Zo zag ik hem al een paar keer op Roots & Roses en nu was hij dus te gast in de 4AD.
Jake La Botz koos ervoor om zich te laten begeleiden door een Europese groep en liet daarbij zijn oog vallen op Smokestack Lightnin' uit het Duitse Nürnberg. Een uitstekende keuze want Smokestack Lightnin' is één van de betere bluesgroepen die ik ken. De vier gedegen muzikanten deden hun job perfect. Bernie Batke op bas, Frank Schwab op drums, Axel Brückner afwisselend op gitaar en orgel terwijl Flo Kenner voor de tweede stem zorgde en zich voor de rest onledig hield met percussie-instrumenten als woodblock, claves, tamboerijn of maracas.
Jake La Botz opende zijn set met het heerlijk galopperende "Everybody got to fall down" en meteen kwamen zijn twee voornaamste kwaliteiten bovendrijven: zijn zoete, pretentieloze zang en zijn immer verfijnde gitaarspel. Bij het derde nummer verklaarde hij de dansvloer voor geopend en op de tonen van het bluesy "Hobo on a mystery train" verscheen warempel een danslustig koppel. De weg leek meteen wagenwijd open te liggen voor een weergaloos concertje …
Maar dat werd het net niet. De reden daarvoor lag enkel en alleen bij de songkeuze. Ik hoorde net iets te veel bijna pure popsongs. Niet dat die smakeloos klonken, maar vergeleken met rock-'n-roll nummers als "Damsel in distress" en "Shaken and taken", waarmee hij mijn hart liet smelten, vielen die toch te licht uit. Zijn laatste plaat, ‘Hair on fire’, waarvoor een huwelijk tussen muziek en meditatie aan de basis lag, is niet echt aan mij besteed. Die vreemde titel vond hij trouwens bij een gezegde uit het Boeddhisme: "men moet oefenen alsof je haar in brand staat". Niet dat alles kommer en kwel is op die plaat, dat nu ook weer niet. De titelsong en ""First McDonnel's on the moon" bleken live zelfs aan waarde te winnen. Maar het liefst hoor ik hem stijlen uit lang vervlogen tijden zich eigen maken zoals ook een Nick Waterhouse dat kan. En zulke nummers waren er toch in overvloed aanwezig zodat ik absoluut niet hoef te zeuren.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

zaterdag 01 juni 2024 19:07

The Cavemen - Ranzige rock-'n-roll

The Cavemen - Ranzige rock-'n-roll
The Cavemen + Killer Kin

Met twee groepen die pretenderen rock-'n-roll te spelen, The Cavemen en Killer Kin, hadden ze in The Pit's (waar anders?) een mooie double bill te pakken. Rock-'n-roll kent vele verschijningsvormen, zo bleek nog maar eens. Beide groepen pakten het op een nogal verschillende manier aan, maar het resultaat mocht er telkens zijn.

Killer Kin is een relatief nieuwe band (ontstaan in 2018) uit New Haven, Connecticut die vorig jaar een eerste titelloze lp uitbracht op Dead Beat Records. Inspiratie voor hun naam vonden ze bij Arthur ‘Killer’ Kane, bassist van de New York Dolls. Muzikaal moeten we het ook ergens in die richting zoeken. Naast de Dolls worden ook AC/DC, The Stooges, Dead Boys en zelfs Motörhead vaak vernoemd als invloeden. Ik hoorde vooral MC5, snoeiharde garagerock op het scherp van de snee. Met zanger Mattie Lea, die jammerlijk zijn broek vergeten was, had Killer Kin alvast een erg charismatische frontman in huis. Vanaf de eerste noten dook hij al het publiek in terwijl we hem enkele tellen later op de toog aantroffen. Tussen de nummers door bleef hij eindeloos ratelen ondanks een stem die compleet aan flarden gereten bleek. Veel kon ik uit die onstuitbare woordenvloed niet opmaken behalve dan dat hij niet erg hoog opliep met New York, wat nog zacht uitgedrukt is gezien de gebruikte krachttermen.
De groep had naast Lea nog een tweede opvallende verschijning in de rangen: de ravissante Chloe Rose, een ware rock chick op Flying V gitaar. Samen met haar partner Lea is ze ook verantwoordelijk voor alle nummers van de band. De overige drie leden van het gezelschap oogden wat minder spectaculair.
Toch was de rol van leadgitarist Brady ‘The Cat’ Wilson niet te onderschatten. Zijn, voor dit soort muziek, vrij cleane gitaarspel bleef me tot de laatste noot boeien. Op hun touraffiche beloofde Killier Kin ons ‘a giant dose of rock & roll’. Dat is misschien niet helemaal gelukt maar ze kwamen toch aardig in de buurt.

Intussen zijn The Cavemen qua populariteit ver voorbijgestoken door een gelijknamige highlife band uit Nigeria die sinds 2020 actief is. Maar dat zal onze favoriete garagerockers uit het Nieuw-Zeelandse Auckland waarschijnlijk worst wezen.
Vijf jaar na de vorige heeft de band eindelijk een nieuwe en uitstekende plaat uit: ‘Ca$h 4 Scrap’ (op Slovenly Recordings), misschien wel hun beste tot nu toe. Meteen ook een goeie reden om nog eens te touren en daarbij kon The Pit's uiteraard niet overgeslagen worden.
Net als een paar jaar geleden begonnen The Cavemen hun set met een nummer bestaande uit één enkele zin: "Who's gonna win the war". We kunnen alleen maar hopen dat deze song binnenkort overbodig wordt. Niet dat we The Cavemen meteen au sérieux moeten nemen. Optreden betekent voor hen nog steeds lol trappen middels luide, met bier doordesemde rock-'n-roll.
Zanger Paul Froggatt kon moeilijk onderdoen voor Mattie Lea van Killer Kin en koos zo ook al snel voor de toog als extra podium. Inmiddels is de groep kind aan huis in de Pit's en kon hij zowat de helft van de aanwezigen met de voornaam aanspreken wat het feestgevoel nog wat aanzwengelde. Want een feestje, dat werd het! Nieuwe prijsnummers als "Night of the demon" en "Personal WW III" werden afgewisseld met gekende anthems als "Boyfriend".
Compromisloze garagepunk die een aanslag pleegde op de nekspieren terwijl het rondspattende bier voor wat verkoeling zorgde. Een paar keer mocht gitarist Jack Beesley de vocals overnemen en dat deed hij uitermate sappig. Mocht de schorre strot van Froggatt het ooit begeven dan is de vervanging alvast verzekerd.
Naar het einde toe begonnen de micro's wat te sputteren terwijl de avondklok ervoor zorgde dat een bisnummer in laatste instantie werd afgeblazen. Maar dat maakte dit weergaloze festijn vol ranzige rock-'n-roll er niet minder op.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Florry - Freaked-out countryrock in een gedecimeerde bezetting

Net als een paar weken geleden in The Pit's klopte ook hier een naam op de affiche niet. Dit keer betrof het echter geen foutje van de organisatie. De aangekondigde Vito vond er niets beters op dan enkele dagen voor dit optreden zijn naam definitief vaarwel te zeggen om voortaan als Victoria Pax door het leven te gaan. Deze transformatie van de sympathieke Gentse Oostendenaar Vito Dhaenens, nog steeds de zoon van Dirk Dhaenens (Derek & The Dirt), veroorzaakte niet meteen een grote muzikale koerswijziging. Hoewel hij laconiek beweerde enkel songs te spelen uit een twee dagen eerder in zeven haasten opgenomen nieuwe plaat, klonk zijn muziek toch heel vertrouwd in de oren. Nadat hij eerst zijn schoenen uittrok begon hij in opperste concentratie zijn set met een sober, ingetogen nummer. Niet onaardig maar dat kon niet beletten dat mijn aandacht voortdurend wegglipte en ik maakte me al op voor een lastig halfuurtje. Maar vanaf het tweede nummer greep hij me onverwacht en definitief bij de kladden. De verrassend melodieuze songs klonken nu een stuk krachtiger. De eenvoudige begeleiding op akoestische gitaar liet alle ruimte om zijn erg wendbare stem in volle glorie te laten schitteren. Bovendien wist hij ons nog eens te verbazen door een behoorlijk lang stuk te fluiten.
Op zijn eentje hield een imponerende Victoria Pax het anders soms wel rumoerige publiek in De Zwerver muisstil. Iets wat Florry daarna niet zou lukken.

Florry is een zevenkoppig gezelschap uit Philadelphia dat vorig jaar met ‘The holey bible’ een uitstekende tweede plaat maakte die in mijn eindlijstje belandde. Florry is vooral ook het vehikel van Francie Medosch die als tiener begon met het ineenknutselen van depressieve slaapkamer indierock maar uiteindelijk dankzij oude favorieten als Neil Young en Gram Parsons een totaal andere richting insloeg.
Medosch was niet langer depressief en de muziek op ‘The holey bible’ liet zich nog het best omschrijven als onstuimige freaked-out countryrock.
Maar in hoeverre was dit wel Florry die we te zien kregen in Leffinge? Francie Medosch (akoestische gitaar, mondharmonica) had enkel John Murray (gitaar, pedal steel) meegebracht. Geen viool, extra gitaar, bas,drums of tweede stem dus. Een flinke aderlating maar de songs van ‘The holey bible’ waren duidelijk sterk genoeg om dit te overleven. Het pittige "Drunk and high" met heerlijke regels als  "Well, the show was good and the beer was cheap", de zwijmelende country van "Cowgirl giving" met een jankende mondharmonica en de afsluiter, het twangy "Take my heart" bleken ook in deze afgeslankte versies onverwoestbaar. Misschien niet echt de onstuimige countryrock zoals op de plaat maar zeker even meeslepende rokerige americana. Het bleef dan ook wat onbegrijpelijk waarom het duo het bij die drie nummers hield.
Blijkbaar vonden ze het niet nodig om hun laatste plaat, die ze trouwens niet bij hadden, te promoten. Voor de rest hoorden we vooral nieuw werk, waarvan "California", dat op de volgende plaat zal prijken, eruit sprong en enkele oudere songs die ik niet meteen kon thuiswijzen.
Uit hun eerste plaat, "The Fall", uit 2021 meen ik zelfs niets gehoord te hebben. Wel vielen er een paar opmerkelijke covers te noteren.  Eerst kregen we "Speed of the sound of loneliness" van John Prine, die ze ‘the best’ vonden. Geen onvergetelijke uitvoering maar het blijft natuurlijk een schitterende song.
Even later kondigde Medosch een nummer van Bob Dylan aan waarop iemand uit het publiek suggereerde om het met zijn allen mee te zingen. De man zal waarschijnlijk wat bedrogen zijn uitgekomen, want ik denk dat er bitter weinig mensen waren die het nummer kenden. Ik ook niet trouwens, maar gelukkig had ik in mijn onmiddellijke omgeving een Dylan expert die me wist te vertellen dat het hier "Tell ol' Bill" betrof, een nummer dat his Bobness ooit schreef voor de film ‘North Country’.  
Ondanks de beperkingen en het gemis van nummers als "Hot weather" en "Cowgirl in a ditch" wisten een ontwapenende Francie Medosch, die niet te beroerd was om een net gestarte song te onderbreken om eens flink te boeren, en haar kompaan een gesmaakte set neer te poten.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Killing Floors - Gefixeerd op de sixties

Als aperitief kregen we Public Toys geserveerd. Niet de punkrockband uit Düsseldorf en ook niet Human Toys, zoals verkeerd vermeld op de affiche, maar een nagelnieuwe groep uit Lille. Een groep die ook wel enige verwachtingen schiep met leden die hun sporen reeds verdienden bij bands als Crusaders Of Love, Ashtones of het Poolse Moron's Morons. Het viertal bracht gedreven ouderwetse punkrock en daarmee sla je de bal nooit mis in een punkhol als The Pit's.
Hun naam refereert aan het gelijknamige nummer van Eater en ze klonken ook wat als die Britse band: snel en stevig. Een behoorlijk goede zanger die af en toe in duet ging met bassiste Didine Guillotine wiens ijzingwekkend hoge, door merg en been snijdende zang al even spectaculair klonk als haar naam. Wat mij betreft had ze gerust wat meer mogen zingen. Het zorgde in ieder geval voor wat afwisseling en dat was broodnodig. Want soms kreeg ik de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren. Voor de laatste twee nummers mochten de twee gitaren dan toch uit hun keurslijf breken en schoven ze wat op richting eigentijdsere postpunk.

Toen ik hoorde dat The Killing Floors naar The Pit's kwamen was mijn aandacht meteen gewekt hoewel ik de groep van haar noch pluim kende. Die naam intrigeerde me. Niet vanwege de betekenis (de slachtvloeren) maar omdat hij me herinnerde aan ‘Hard time killing floor blues’, een song uit 1931 van één van mijn favoriete bluesmannen, Skip James. Het nummer werd trouwens in 1992 voortreffelijk gecoverd door een andere held van me, Ramblin' Jeffrey Lee (Pierce).
Of The Killing Floors bij dezen hun inspiratie vonden voor hun naam valt sterk te betwijfelen want hun muziek had weinig van doen met de blues. Dit vijftal uit Los Angeles zweert immers bij sixties rock-'n-roll. Dat werd meteen duidelijk toen ze het podium opkwamen. Gekleed in de juiste pakjes waarbij ik me afvroeg waar ze die nog wisten op de kop te tikken en met al evenzeer gedateerde kapsels. Toen we de eerste noten van "The getaway" hoorden was er geen twijfel meer mogelijk: deze hispanics beten zich fanatiek vast in de sound van de sixties. Een ongelooflijke drive en een ongebreideld enthousiasme zorgden ervoor dat dit nooit achterhaald klonk en met drie uitstekende zangers in huis was afwisseling ook al geen probleem. Toch wierp de kleine gitarist Jorge Martinez Jr., tevens songschrijver van de groep, zich duidelijk op als onbetwiste frontman. Joel I. Giron, die met zijn Vox orgel de sixties sound completeerde, zong op vrij indrukwekkende wijze de meeste Spaanstalige nummers die de kleine helft van de setlist besloeg. Uiteraard ontbraken de twee nummers van hun tweede en nieuwe single niet: "Too far gone"  en "You know it ain't right".
Van een volledige lp lijkt voorlopig geen sprake. Nochtans is de groep reeds zo'n 10 jaar actief en geniet ze een uitstekende livereputatie. Zo kregen ze enkele jaren geleden een vermelding in de top 100 live performers van Music Connection Magazine. Die reputatie maakten ze hier helemaal waar met een erg gevarieerde set, gebracht met de gedrevenheid van een pas beginnende punkband. Bovendien bleken The Killing Floors erg sympathieke kerels die de Pit's, die nochtans verre van vol gelopen was, opvallend dankbaar waren terwijl ze tevens ontzettend hoog opliepen met hun eerste Europese tour.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Pagina 6 van 26