logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Kim Deal - De R...
The Young Gods
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Florry - Freaked-out countryrock in een gedecimeerde bezetting

Net als een paar weken geleden in The Pit's klopte ook hier een naam op de affiche niet. Dit keer betrof het echter geen foutje van de organisatie. De aangekondigde Vito vond er niets beters op dan enkele dagen voor dit optreden zijn naam definitief vaarwel te zeggen om voortaan als Victoria Pax door het leven te gaan. Deze transformatie van de sympathieke Gentse Oostendenaar Vito Dhaenens, nog steeds de zoon van Dirk Dhaenens (Derek & The Dirt), veroorzaakte niet meteen een grote muzikale koerswijziging. Hoewel hij laconiek beweerde enkel songs te spelen uit een twee dagen eerder in zeven haasten opgenomen nieuwe plaat, klonk zijn muziek toch heel vertrouwd in de oren. Nadat hij eerst zijn schoenen uittrok begon hij in opperste concentratie zijn set met een sober, ingetogen nummer. Niet onaardig maar dat kon niet beletten dat mijn aandacht voortdurend wegglipte en ik maakte me al op voor een lastig halfuurtje. Maar vanaf het tweede nummer greep hij me onverwacht en definitief bij de kladden. De verrassend melodieuze songs klonken nu een stuk krachtiger. De eenvoudige begeleiding op akoestische gitaar liet alle ruimte om zijn erg wendbare stem in volle glorie te laten schitteren. Bovendien wist hij ons nog eens te verbazen door een behoorlijk lang stuk te fluiten.
Op zijn eentje hield een imponerende Victoria Pax het anders soms wel rumoerige publiek in De Zwerver muisstil. Iets wat Florry daarna niet zou lukken.

Florry is een zevenkoppig gezelschap uit Philadelphia dat vorig jaar met ‘The holey bible’ een uitstekende tweede plaat maakte die in mijn eindlijstje belandde. Florry is vooral ook het vehikel van Francie Medosch die als tiener begon met het ineenknutselen van depressieve slaapkamer indierock maar uiteindelijk dankzij oude favorieten als Neil Young en Gram Parsons een totaal andere richting insloeg.
Medosch was niet langer depressief en de muziek op ‘The holey bible’ liet zich nog het best omschrijven als onstuimige freaked-out countryrock.
Maar in hoeverre was dit wel Florry die we te zien kregen in Leffinge? Francie Medosch (akoestische gitaar, mondharmonica) had enkel John Murray (gitaar, pedal steel) meegebracht. Geen viool, extra gitaar, bas,drums of tweede stem dus. Een flinke aderlating maar de songs van ‘The holey bible’ waren duidelijk sterk genoeg om dit te overleven. Het pittige "Drunk and high" met heerlijke regels als  "Well, the show was good and the beer was cheap", de zwijmelende country van "Cowgirl giving" met een jankende mondharmonica en de afsluiter, het twangy "Take my heart" bleken ook in deze afgeslankte versies onverwoestbaar. Misschien niet echt de onstuimige countryrock zoals op de plaat maar zeker even meeslepende rokerige americana. Het bleef dan ook wat onbegrijpelijk waarom het duo het bij die drie nummers hield.
Blijkbaar vonden ze het niet nodig om hun laatste plaat, die ze trouwens niet bij hadden, te promoten. Voor de rest hoorden we vooral nieuw werk, waarvan "California", dat op de volgende plaat zal prijken, eruit sprong en enkele oudere songs die ik niet meteen kon thuiswijzen.
Uit hun eerste plaat, "The Fall", uit 2021 meen ik zelfs niets gehoord te hebben. Wel vielen er een paar opmerkelijke covers te noteren.  Eerst kregen we "Speed of the sound of loneliness" van John Prine, die ze ‘the best’ vonden. Geen onvergetelijke uitvoering maar het blijft natuurlijk een schitterende song.
Even later kondigde Medosch een nummer van Bob Dylan aan waarop iemand uit het publiek suggereerde om het met zijn allen mee te zingen. De man zal waarschijnlijk wat bedrogen zijn uitgekomen, want ik denk dat er bitter weinig mensen waren die het nummer kenden. Ik ook niet trouwens, maar gelukkig had ik in mijn onmiddellijke omgeving een Dylan expert die me wist te vertellen dat het hier "Tell ol' Bill" betrof, een nummer dat his Bobness ooit schreef voor de film ‘North Country’.  
Ondanks de beperkingen en het gemis van nummers als "Hot weather" en "Cowgirl in a ditch" wisten een ontwapenende Francie Medosch, die niet te beroerd was om een net gestarte song te onderbreken om eens flink te boeren, en haar kompaan een gesmaakte set neer te poten.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

The Killing Floors - Gefixeerd op de sixties

Als aperitief kregen we Public Toys geserveerd. Niet de punkrockband uit Düsseldorf en ook niet Human Toys, zoals verkeerd vermeld op de affiche, maar een nagelnieuwe groep uit Lille. Een groep die ook wel enige verwachtingen schiep met leden die hun sporen reeds verdienden bij bands als Crusaders Of Love, Ashtones of het Poolse Moron's Morons. Het viertal bracht gedreven ouderwetse punkrock en daarmee sla je de bal nooit mis in een punkhol als The Pit's.
Hun naam refereert aan het gelijknamige nummer van Eater en ze klonken ook wat als die Britse band: snel en stevig. Een behoorlijk goede zanger die af en toe in duet ging met bassiste Didine Guillotine wiens ijzingwekkend hoge, door merg en been snijdende zang al even spectaculair klonk als haar naam. Wat mij betreft had ze gerust wat meer mogen zingen. Het zorgde in ieder geval voor wat afwisseling en dat was broodnodig. Want soms kreeg ik de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren. Voor de laatste twee nummers mochten de twee gitaren dan toch uit hun keurslijf breken en schoven ze wat op richting eigentijdsere postpunk.

Toen ik hoorde dat The Killing Floors naar The Pit's kwamen was mijn aandacht meteen gewekt hoewel ik de groep van haar noch pluim kende. Die naam intrigeerde me. Niet vanwege de betekenis (de slachtvloeren) maar omdat hij me herinnerde aan ‘Hard time killing floor blues’, een song uit 1931 van één van mijn favoriete bluesmannen, Skip James. Het nummer werd trouwens in 1992 voortreffelijk gecoverd door een andere held van me, Ramblin' Jeffrey Lee (Pierce).
Of The Killing Floors bij dezen hun inspiratie vonden voor hun naam valt sterk te betwijfelen want hun muziek had weinig van doen met de blues. Dit vijftal uit Los Angeles zweert immers bij sixties rock-'n-roll. Dat werd meteen duidelijk toen ze het podium opkwamen. Gekleed in de juiste pakjes waarbij ik me afvroeg waar ze die nog wisten op de kop te tikken en met al evenzeer gedateerde kapsels. Toen we de eerste noten van "The getaway" hoorden was er geen twijfel meer mogelijk: deze hispanics beten zich fanatiek vast in de sound van de sixties. Een ongelooflijke drive en een ongebreideld enthousiasme zorgden ervoor dat dit nooit achterhaald klonk en met drie uitstekende zangers in huis was afwisseling ook al geen probleem. Toch wierp de kleine gitarist Jorge Martinez Jr., tevens songschrijver van de groep, zich duidelijk op als onbetwiste frontman. Joel I. Giron, die met zijn Vox orgel de sixties sound completeerde, zong op vrij indrukwekkende wijze de meeste Spaanstalige nummers die de kleine helft van de setlist besloeg. Uiteraard ontbraken de twee nummers van hun tweede en nieuwe single niet: "Too far gone"  en "You know it ain't right".
Van een volledige lp lijkt voorlopig geen sprake. Nochtans is de groep reeds zo'n 10 jaar actief en geniet ze een uitstekende livereputatie. Zo kregen ze enkele jaren geleden een vermelding in de top 100 live performers van Music Connection Magazine. Die reputatie maakten ze hier helemaal waar met een erg gevarieerde set, gebracht met de gedrevenheid van een pas beginnende punkband. Bovendien bleken The Killing Floors erg sympathieke kerels die de Pit's, die nochtans verre van vol gelopen was, opvallend dankbaar waren terwijl ze tevens ontzettend hoog opliepen met hun eerste Europese tour.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

donderdag 25 april 2024 18:27

TEXtival 2024 - Gitaren verdrijven de kou

TEXtival 2024 - Gitaren verdrijven de kou
TEXtival 2024
V-TEX-site
Kortrijk
2024-04-21
Ollie Nollet

Dit was reeds de tiende editie van dit sympathieke gratis familiefestival waarvan de opbrengst integraal gaat naar de Buurtschool V-TEX, vzw Samen Kind Zijn (dat kinderen een zorgeloze vakantie, gratis gezonde voeding en avontuurlijke activiteiten aanbiedt) en Refu Interim (dat vrijwilligerswerk aanbiedt aan nieuwkomers om zo hun taalkennis en netwerk uit te bouwen).
Het festival bestaat uit een rommelmarkt, een knap speeldorp, een enorm zonneterras dat gelukkig deels overdekt was en een podium waarop een tiental obscure groepen hun ding mochten doen.

Eerste groep die ik zag was Harvesters, een viertal uit Gent met als spil zanger- gitarist Paul Lamont (Hitch, Grand Blue Heron) en gitarist Miguel Moors (Blackup). Ik hoorde ongegeneerde seventiesrock met luide gitaren. Het klinkt misschien banaal, maar dat was het allerminst. Dit klonk verrassend fris terwijl de twee gitaren een onuitputtelijke bron van puur genot bleken. De meeste nummers kwamen uiteraard uit hun vorig jaar verschenen, verdienstelijke debuut, ‘At Rosie’s Palace’ maar er was ook ruimte voor enkele nieuwe songs waarin de groep haar horizonten wat probeerde te verleggen. Zo hoorde ik enkele voorzichtige funkinvloeden, in een ander nummer werd dan weer naar de blues gelonkt. Geen onverdeeld succes, maar er is nog tijd om wat bij te schaven. Harvesters sloot in schoonheid af met het subtiele "Reigning Sound" waarvan de titel een verwijzing is naar één van mijn favoriete bands. Mooi!

Daarna kwam Bèta, een vijftal uit Heule, het podium op gestormd. Schreeuwerige zang en wilde gitaren waren ons deel. Kyuss hoorde ik iemand opperen en ik besloot nog even van het zonnetje te genieten terwijl het nog kon.

The Speedways is een kwartet uit Londen dat zweert bij pure powerpop en men moet al van goeden huize zijn om me daarmee te kunnen verblijden. Vestimentair zat het wel snor: allen getooid in een leren jasje en met een zonnebril op de neus geplant. Muzikaal ging het heel wat stroever. De strakke sound mocht er best wezen maar jammer genoeg werden aannemelijke songs afgewisseld met complete draken. Gelukkig bleken ze hun beste nummers opgespaard te hebben voor het laatste deel van de set en kwam het met songs als "Tonight, you'll find love" en vooral "Talk of the town" alsnog goed. Naar verluidt hadden de heren liever in de Pit's gespeeld. Dat punkhol was voor hen wellicht een natuurlijker habitat geweest dan dit podium in volle daglicht.

Vervolgens probeerde Los Atarrayas, een surf 'n' roll trio uit Parijs met leden uit Frankrijk, Italië en Colombia de bijtende kou wat te verdrijven en ze deden dat zeker niet onaardig. Met gitaar, bas en drums brachten ze heerlijk twangende, instrumentale surf. Tijdens het eerste nummer werden ze ‘geholpen’ door een vrouw op een theremin maar dat bleek helaas enkel een stoorzender. Later probeerde een andere vrouw het nog eens, met hetzelfde resultaat. Het was een kleine smet op een voor de rest uitstekende set waarbij ik nog een pluim wil gooien naar de drummer voor zijn subtiele tussenkomsten op koebel en tamboerijn. We werden uiteindelijk nog verwend met een onverhoopt bisnummer, "El Condor Surfa", wat een briljante bewerking bleek van "El Condor Pasa".

The WRS (wat staat voor The Wires) zorgden voor dé verrassing van het festival. Ik had er nog nooit eerder van gehoord, maar dit trio uit Charleroi wist me compleet te overrompelen. De set begon met een vette kluif traag meanderende psychedelica die na een aantal minuten aan flarden werd gereten om plaats te maken voor bekschuimende psychrock. Daarna bleef het tempo meestal roekeloos hoog dankzij de doldraaiende bas van Jaime Sala Hamed, die zich in een knalrode overall van 3M had gehesen, en de knallende drums van Benjamin Podziukas. Maar de hoofdrol was voor Nacho Santamaria y Di Pietro die op indrukwekkende wijze zijn gitaar alle uithoeken van de psychedelische muziek liet verkennen.
Zo werd op drieste wijze een geheel eigen universum gecreëerd dat voor een intense spanning zorgde en waaruit de zang ons enkel kon bereiken via een oude telefoonhoorn. Aanknopingspunten zoeken leek dan ook onbegonnen werk hoewel ik toch één keer aan The Oh Sees moest denken. Bovendien bleek Nacho ook een erg aimabele man die zijn drankjetons het publiek in gooide. Midden in het laatste nummer wisselde hij met de bassist van instrument en mochten enkele dames uit het publiek op het kleine Korg klavier van Jaime Sala Hamed tokkelen. Een wat chaotisch einde van een impressionante set.

Daarna was er nog Kill Test uit Gent maar die kelk heb ik aan me laten voorbijgaan.

Dit was ondanks het barre weer opnieuw een erg geslaagde editie van TEXtival. Benieuwd wat het volgend jaar wordt want er staat een bouwproject in de steigers op deze site.

Organisatie: Textival, Kortrijk

Madou - Vera Coomans, Wiet Van de Leest en Thomas Devos - Intiem en hartverwarmend
Madou - Vera Coomans, Wiet Van de Leest en Thomas Devos

De Lysterscheure in Leke is wellicht de meest idyllische concertplek die ik ken en met Vera Coomans wisten ze daar nu een heel grote dame te strikken.
In de tweede helft van de jaren '70 maakte Vera Coomans deel uit van de legendarische folkgroep Rum, meteen ook de start van haar eeuwige samenwerking met Wiet Van de Leest. Samen met hem stampte ze in 1980 Madou uit de grond en twee jaar later verschijnt hun eerste en enige plaat. Ondanks de zeker niet onsuccesvolle singles "Witte nachten" en "Niets is voor altijd" bleek de hybride folk van Madou haar tijd te ver vooruit te zijn en werd de groep al snel ontbonden. Omstreeks 2000 kent de folk een heropleving en wordt dat titelloze debuut plots een fel gezochte plaat. Het levert Madou alsnog een cultstatus op en in 2021 komt er onder impuls van Thomas Devos en Louis Van de Leest (de zonen van Vera en Wiet) zowaar een tweede plaat, ‘Is er iets?’.
Door die hernieuwde belangstelling voor Madou zou men haast vergeten dat Vera Coomans ook vier platen onder haar eigen naam uitbracht waarvan de eerste, ‘Sad Eyes’ uit 1996, me erg nauw aan het hart ligt. Ergens had ik gehoopt ook uit die plaat iets te horen maar daar was geen plaats voor. Dit was duidelijk Madou in een trio bezetting, zonder toetsenist Louis Van de Leest, drummer Mattijs Vanderleen en saxofonist Marc De Maeseneer.
Een flinke aderlating hoor ik je denken, maar ook in deze afgeslankte bezetting wist Madou moeiteloos te imponeren. Daar zorgde in de eerste plaats die uit duizenden herkenbare stem, waarop ondanks haar 75 lentes geen spatje sleet zat, voor. Daarbij volstonden de gitaar van Thomas Devos (Rumplestitchkin, Tommygun) en de viool en piano van Wiet Van de Leest ruimschoots als begeleiding. Die rudimentaire versie van Madou paste trouwens uitstekend in dit antieke kader.
Het gezelschap opende de avond met een trits nummers uit die tweede plaat, ‘Is er iets?’ waarna al snel "Witte nachten" volgde.
Een ontspannen Vera Coomans, voortdurend met een kamerbrede glimlach op het gelaat, genoot er zichtbaar met volle teugen van. Naast het gekende werk passeerden ook enkele nieuwe nummers de revue, die het beste laten verhopen voor de binnenkort te verschijnen nieuwe EP.
Tussendoor hoorden we nog twee mij onbekende Duitse liederen terwijl er ook nog een song van Rum van onder het stof werd gehaald: "Vannacht", een als kermis deuntje vermomde murder ballad. Net voor de pauze bleek het moment gekomen om Wiet Van de Leest in de spotlight te zetten. Met een wervelende instrumental op viool zorgde hij wellicht voor het luidste applaus van de avond. De man is hier duidelijk nog niet vergeten.
Meteen na de pauze kreeg ook Thomas Devos de kans om een eigen nummer te brengen waarna Vera Coomans het roer definitief overnam. "Niets is voor altijd", dat terecht uitgroeide tot een regelrechte klassieker, vormde het slotakkoord van een intieme en hartverwarmende set waarin Vera Coomans bewees nog lang niet uitgezongen te zijn.
Bij gebrek aan een backstage volgde de obligate toegift stante pede en konden we met "Koude voeten" huiswaarts trekken.

Op 27 juni speelt Madou in aangepaste bezetting ook nog op de Blankaartsessies in Woumen.

Organisatie: De Lysterscheure, Leke

Drunk Mums - Onontkoombare, pretentieloze garagepunk

The Weary, een viertal uit Bever (twee gitaren, bas en drums), mocht openen en deed dat vol overtuiging. Donkere postpunk waarin de gitaren steevast in de laagste regionen vertoefden en de zang van drummer Sim de Maupeou expressieloos en deerniswekkend klonk.
Slechts af en toe zorgde een welgemikte drumfill voor wat licht in de duisternis. Maar dat is de aard van het beestje en ik vond het eigenlijk wel wat hebben. Alleen was het net iets te veel van hetzelfde om langer dan een kwartier te blijven boeien.

Maar ik was hier uiteraard voor Drunk Mums, een kwartet uit Melbourne dat al sinds 2011 actief is. Met zo'n naam en een nieuwe elpee die ‘Beer Baby’ als titel heeft verwacht je een, met gerstenat doordrenkt, punkfeestje maar het werd veel meer dan dat.
Die vreemde naam, Drunk Mums, vond zijn oorsprong in de Jono Blues Bar, waar gitarist Jake Doyle's oude groep de huisband was. Tijdens hun optredens daar kwamen geregeld flink aangeschoten rijpere vrouwen naar voren om hem in de wang te knijpen waarna ze hem "You're so cute" toe sisten. Gelukkig bleef hij van dit soort moeders gespaard in de Pit's.

Drunk Mums kende ik enkel van hun laatste en trouwens uitstekende plaat, ‘Beer Baby’, waarop vooral klassieke punk te horen is. Mijn verbazing was dan ook niet gering toen ik de groep hoorde beginnen met het zes jaar oude "Ode to death", een ferme lap garagepunk waarin ik zelfs wat blues hoorde doorschemeren. Dit was meteen één van de beste nummers van de avond. Naast "Living at night", prijsnummer van de laatste plaat, dat bol staat van de sprankelende gitaarlicks en de feestelijke zang. Met de eerder al genoemde gitarist Jake Doyle, gitarist Dean Whitby en bassist Adam Ritchie heeft Drunk Mums maar liefst drie uitstekende zangers in huis. Enkel drummer Johnny Badlove deed er het zwijgen toe. Zij zorgden voor een set onontkoombare en pretentieloze garagepunk, op smaak gebracht met een snuif pubrock en dat meestal in een versnelling lager dan de concurrentie. 
De verwachte bierfonteinen bleven uit en het bierverbruik op het podium werd verrassend genoeg tot een minimum beperkt, maar dat kon de pret niet drukken.
We werden immers overspoeld door stuk voor stuk schitterende songs, waaronder opvallend veel, mij onbekende, parels uit het verleden, gebracht door een band die er ongelooflijk veel zin in had.
Na een lange afwezigheid kon ik me geen betere groep wensen om mijn rentree te vieren.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Sjock 2023 - 7 t-m 9 juli 2023 - Het rock'n'roll highlight of the year
Sjock 2023
Festivalterrein
Gierle
2023-07-07 t-m 2023-07-08
Ollie Nollet

De organisatoren kunnen terugblikken op een geslaagde editie. Veel volk, het weer dat ondanks de voorspellingen toch geen spelbreker werd en veel goeie muziek, een lappendeken van genres en stijlen. Zondag leek me veruit de interessantste dag, maar toen werd plots nog Stiff Richards toegevoegd aan de line-up van vrijdag. We waren twee van de drie dagen aanwezig …

vrijdag 7 juli 2023
Doordat ik wat langer dan verwacht moest aanschuiven aan de ingang miste ik Bob Wayne, de zingende stoomfluit uit Nashville. Ik zag hem nog net "Spread my ashes on the highway" brengen en kon enkel vaststellen dat hij behoorlijk scherp stond en The Outlaw Carnies een stevige indruk nalieten.

Grootste reden voor mijn komst op vrijdag was Stiff Richards uit Melbourne. Nadat ze vorig jaar op de Bang Bang Stage, het kleinste podium op Sjock, verschroeiend uithaalden werden ze dit jaar opnieuw geïnviteerd en kregen ze een plaatsje op de Main Stage toegewezen voor wat hun enige optreden deze zomer in Europa zou worden. Met een schaapachtige grijns op het gelaat vatte zanger Wolfgang Buckley (wat een naam!) vooraan het podium post en zette zijn tanden meteen in "Point of you", misschien wel hun beste nummer. Snelle, rauwe punk die geen enkele poging ondernam om te vernieuwen en ons als het ware terug katapulteerde naar de jaren '70. En wie dacht dat de Main Stage een maatje te groot zou zijn voor dit soort no nonsense rock-'n-roll mocht zijn mening meteen herzien. Integendeel, dit podium leek eerder te klein want Wolfgang Buckley dook al vlug met ontbloot bovenlijf en ware doodsverachting het publiek in waar hij zowat driekwart van het optreden zou vertoeven. In een moshpit waaruit gigantische stofwolken opstegen bleef hij voortdurend fysiek contact zoeken met zijn fans terwijl de Sjock crew handenvol werk had om alles in veilige banen te leiden.
Tussen al dat spektakel zou je bijna vergeten wat voor een geweldige, van een nijdige rasp voorziene, zanger hij is. Intussen fabriceerden de overige vier groepsleden, weggedoken in de luwte, een strakke, met melodieuze gitaren doorspekte, sound. "State of mind" en het traag en repetitief bonkende "Got it to go" spraken mij het meest aan maar eigenlijk hoefden alle overige nummers hier niet voor onder te doen.
Sjock 2023 was na Stiff Richards voor sommigen al een geslaagde editie!

Na eerder in een sukkelstraatje vol verslavingen, arrestaties, gevangenissen en rehabilitatiecentra te zijn beland herpakte Jesse Daniel zich dankzij de muziek en met de steun van zijn verloofde Jodi Lyford, die hier mee op het podium stond. Het aloude verhaal dus maar ook hier ontsproot er iets moois uit. Dit was zijn allereerste show op Europese bodem en het was er meteen eentje om in te lijsten.
Met een vijfkoppige band, waaronder een pedal steel speler, schonk de man uit Austin, Texas ons verrassend fris klinkende country die zich spiegelde aan de Californische Bakersfield sound. De vergelijkingen met Merle Haggard waren dan ook niet uit de lucht gegrepen. We hoorden stuk voor stuk sprankelende songs, waartussen een heerlijke instrumental.
En het mocht er soms ook wat frivoler aan toegaan. Zo bleek de gitarist een liefhebber van crowdsurfen, wat hij hier dan ook eens moest uitproberen. Waarom niet? Schitterende set waarin prijsbeest "Rollin' on" helemaal achterin zat.

Veel garagerock viel er dit jaar niet te beleven op Sjock zodat alle hoop gevestigd was op het Limburgse The Sha-La-Lees, het bandje van connoisseur Cedric Maes (El Guapo Stuntteam, The Sore Losers). De band opende vrij spectaculair met Link Wray's "Rumble" en ook "Born to lose", dat van Reigning Sound had kunnen zijn, trof me midscheeps. Maar daarna werd het te wisselvallig om van een geslaagde set te kunnen spreken. Drummer Dave Schroyen (Evil Superstars, Peuk) werd wegens ziekte last minute vervangen maar daar zal het niet aan gelegen hebben. De songs waren net iets te zwak en het solo-momentje van Cedric Maes met "Bad man" (Oblivians) was overduidelijk te hoog gegrepen. Verder toch nog genoten van de mondharmonica van Christophe Vaes (hoewel we die niet altijd hoorden) en de MC5-cover "Ramblin' rose".

Na de uppercut van Jesse Daniel verwachtte ik van Dale Watson & His Lone Stars niets minder maar dit kwam toch wat minder hard binnen. Daarvoor speelde hij naar mijn gevoel iets te veel op veilig, getuige zijn cover van "Ring of fire".
Nochtans begon hij zijn set vrij indrukwekkend met een stem die steeds meer in de buurt van Johnny Cash komt en een verrassend snedige gitaar. En op songs als "The train kept a rollin'", "I lie when I drink" of "Nashville rag" viel niets af te dingen. Authentieke country met af en toe wat andere roots invloeden, helemaal mijn ding, maar toch bleef ik ergens op mijn honger zitten. Waren het His Lone Rangers  die er apathisch bijstonden (te lang in de zon gelegen?) of de pedal steel die nogal loom klonk? Ongeveer halverwege de set gleden ze weg in een irriterend lankmoedige sound die het genre voor niet-liefhebbers zo onverteerbaar maakt. Gelukkig duurde dit slechts een drietal nummers waarna Dale Watson zich herpakte en er toch nog een pittig slot aan breide, niet in het minst door zijn eclatant gitaarwerk.

Ik heb nooit begrepen waarom een groep als The Hellacopters (Stockholm) destijds bij de garagerock revival van de jaren '90 werd ingedeeld. Nadat ik ze in 2000 zag in Gent, waar ze naar mijn gevoel naar huis gespeeld werden door het magnifieke Zen Guerilla, dat toen dienst deed als voorprogramma, wist ik zeker dat dit helemaal niets met garagerock te maken had, wat Wikipedia ook mag beweren.
23 jaar later bleek er niet veel veranderd. De show was wellicht wat grootser en de sound nog iets pompeuzer. De set begon en eindigde met helikoptergeluiden, niet bijster origineel maar het had wel wat. En dat in tegenstelling tot hun muziek. Foute glamrock, hair metal en Boston (de groep) waren de termen die onder mijn schedelpan circuleerden. Niet echt geruststellend, maar gelukkig zonder blijvende gevolgen.

Nadat The Legendary Shack Shakers in laatste instantie om familiale redenen moesten afhaken was de affiche van vrijdag onthoofd. Met het Baskische Moonshine Wagon werd alsnog een valabele vervanger uit de hoed getoverd. Een groep die ik reeds twee keer eerder aan het werk zag, wat de beslissing om voor mijn bed te kiezen wellicht wat makkelijker maakte.

zondag 9 juli 2023
Mijn parcours begon op zondag in The Titty Twister met Honeyboy Slim & The Bad Habits uit Vetlanda/ Malmö, Zweden. Het viertal, dat 1 plaat, ‘Who put the Jinx?’ onder de arm had, serveerde ons klassieke rhythm & blues die bij momenten behoorlijk broeierig klonk. Opmerkelijke nummers waren opener "I'm moving on" en de Bo Diddley-cover, "Roadrunner".  Nooit werd duidelijk wie nu eigenlijk Honeyboy Slim was. De band beschikte immers over twee zingende gitaristen die dan ook nog eens broers waren: Josef en Jacob Steinvall. Laat dit gezelschap in een bruine, bedompte kroeg spelen, dan breken ze daar wellicht het kot af. Hier hadden ze toch wat moeite om het vuur aan te wakkeren of zat het vroege uur hiervoor iets tussen?

Eén van de bands waar ik fel naar uitkeek was The Drowns uit Seattle. Het viertal opende met een mokerende lap rock-'n-roll waarin Aaron Rev Peters zich met zijn Flying V gitaar profileerde als een innemend frontman gezegend met stembanden die uit puur grind leken te bestaan. De groep bleek echter over twee zangers te beschikken. Ook de veel conventioneler zingende bassist Andy Wylie mocht zijn bijdrage leveren en zijn nogal brave power-pop punk sprak veel minder tot de verbeelding. Desondanks bleef ik The Drowns, die zich presenteerden als een anti-racist en anti-fascist band, een merkwaardige groep vinden die af en toe onverwacht uit de hoek kwam. Zoals met "Subculture rock 'n' roll" of "Ballroom Blitz", een cover van The Sweet die ze opdroegen aan Cock Sparrer van wie ze vermoedden dat ze oud genoeg waren om de lyrics van dat nummer te kennen.

Lobo Jones and The Rhythm Hounds is een jonge Britse band die vorig jaar debuteerde met "Howlin'". Het viertal bewees dat rockabilly ook anno 2023 fris kan klinken. Elliot ‘Lobo’ Jones uitte zich als een erg getalenteerde zanger, begiftigd met die typische snik in de stem. Terwijl drummer Zack Godden de fles Jack Daniels regelmatig liet rondgaan, bleef de band ons verbazen met parels als "Wind up baby" en "If you gonna rock it". Het absolute hoogtepunt voor mij was de Ronnie Self-cover "Bop-a-lena", een song die na 65 jaar nog niets van zijn glans verloren heeft en hier een schitterende uitvoering kreeg.

Het Deens Hola Ghost zag ik vorig jaar nog blinken in The Titty Twister, waar ze blijkbaar voldoende indruk maakten om dit jaar hun entree te mogen maken op het grote podium. The Copenhagen gringos, zoals ze weleens worden genoemd, zagen er weer stralend uit in hun zwarte Mexicaanse pakken met sombreros en dodenmaskers op het gelaat geschilderd. Ook muzikaal blijft de groep van zanger-gitarist Peter Sandorff (Nekromantix, Mad Sin) een uniek gegeven.
Hun cocktail van surf, punk, mariachi en psychobilly smaakte weer verrukkelijk met de twee trompetten als kers op de taart. Intussen pakten donkere wolken zich samen en toen daar nattigheid van kwam, maakte ik mij uit de voeten. Gelukkig bleef het beperkt tot die ene bui.

Ik had wel enige verwachtingen van His Lordship, een jonge band uit Londen, maar die bleven oningelost. Nochtans openden de drie, allen keurig in het pak, niet onaardig met "All cranked up", een lillende homp rock-'n-roll. Maar daarna bleef His Lordship steken in de goede bedoelingen. Zanger-gitarist James Walborne wil zo graag rock-'n-roll zijn maar slaagde daar nooit in. Hij droeg een nummer op aan Robert Gordon, later nog één ("Sleepwalk") aan Jeff Beck. Hij heeft het hart ongetwijfeld op de juiste plaats zitten en aan inzet ontbrak het hem zeker niet maar alles klonk veel te geforceerd terwijl de sound met haken en ogen aaneen hing. Op hun beste momenten riepen ze herinneringen op aan The Godfathers, maar ik vermoed dat dat geenszins de bedoeling was. His Lordship heeft nog wat werk aan de winkel.

Met Eddie and The Hot Rods, die midden de jaren '70 wat deining veroorzaakten met de albums "Teenage depression" en "Life on the line", mochten we een semi-legendarische groep verwelkomen. Of toch niet? Want nadat zanger Barrie Masters in 2019 het loodje legde was meteen ook het laatste originele lid van de groep uit Essex verdwenen. De toenmalige bassist Ian "Dipster" Dean promoveerde zichzelf daarna tot zanger en de band bleef verder optreden en maakte dit jaar zelfs een nieuwe plaat, "Guardians of the legacy". Veel toepasselijker kan een titel niet gekozen zijn en ook op de planken bewezen ze veel meer dan een ordinaire tributeband te zijn.
Hun setlist bestond uit nagenoeg evenveel oude als recentere songs die trouwens naadloos bij elkaar aansloten. We zagen een goed geoliede band die perfect wist te balanceren op de grens tussen pubrock en punk. Nummers als "Life on the line", "Teenage depression"of "Do anything you wanna do" (hun hitje) stonden nog steeds overeind maar ook een nieuw nummer als "Paradise" met Dean op mondharmonica misstond zeker niet tussen die oude parels. Ik vermoed dat ze in de jaren '70 een stuk urgenter klonken, maar dat kon de feeststemming niet drukken. En al helemaal niet toen er werd afgerond met "Gloria".

Voor een eerste echt hoogtepunt op zondag moest men in The Titty Twister zijn. Reverend Peyton's Big Damn Band uit Beanblossom, Indiana begon in 2004 misschien als een 'gimmick' band met Breezy Peyton, de vrouw van de Reverend, voortdurend ratelend op een washboard. Intussen is het drietal toch uitgegroeid tot een vaste waarde in het rootslandschap.
Terecht, zo bleek nog maar eens in Gierle. Reverend Peyton kan intussen bogen op een indrukwekkende reeks sterke songs. Wat was het weer genieten van nummers als "Pot roast and kisses" of "Devils look like angels", dat zelfs aardig dicht in de buurt van Left Lane Cruiser kwam. Daarnaast is de Reverend ook nog eens een begenadigd gitarist die hier zo'n zestal gitaren ter beschikking had, gaande van een resonator tot een immense bijl waarop enkele snaren gemonteerd waren (gebruikt in het slotnummer "Two bottles of wine").
De man speelde niet alleen gitaar maar zorgde tegelijkertijd met zijn duim op de bovenste snaar voor de bas. In het instrumentale "Train song" kon hij naar hartelust zijn techniek demonstreren. We kregen nog meer spektakel toen Max Senteny zijn drumstel ruilde voor ‘bones’, één van de oudste instrumenten ter wereld die bestaat uit twee dierlijke botten, tijdens "Poor Black Mattie" (R.L. Burnside). Toch was het de muziek zelf, die Peyton omschrijft als front-porch blues, die bleef primeren.

Wine Lips uit Toronto was de eerste band die me kon verleiden om naar de kleinere Bang Bang Stage te trekken en ook nu was de keuze hartverscheurend want op hetzelfde moment speelde Slim Cessna's Auto Club in The Titty Twister. Ik heb het me niet beklaagd want het Canadese vierspan groeide uit tot dé revelatie van Sjock. Ze zagen er misschien wat onnozel uit met hun idiote zonnebrillen en hun potsierlijke knevels, hun muziek was dat allerminst. Een adembenemende mix van garagerock, psychedelica en punk gestut door een onontkoombare drive zorgde meteen voor een uitzinnige moshpit.
De invloeden van Osees waren overduidelijk maar dat kon geen enkel bezwaar vormen want dit klonk veel bezielder dan wat John Dwyer de laatste tijd uitspookt.
Het slotkwartier was ronduit fenomenaal met een lange opzwepende instrumental, "Suffer the joy" en "Electric lady". Wine Lips bewezen dat ook eigentijdse psychrock zijn plaatsje verdient op Sjock.

Hardcore is echt mijn ding niet maar het inmiddels ook al twintig jaar oude debuut van The Bronx vond ik toch net iets meer hebben. Ook live, met toch nog een drietal nummers uit die eerste plaat, konden de vijf uit Los Angeles me nu overtuigen. Het werd een hondsbrutale uitbarsting van energie met meedogenloze riffs en een zanger, Matt Caughtran, die als geen ander zijn publiek wist te bespelen ("I need some bodies over here!"). Bovendien viel er wel altijd wat te beleven. Zo werd de jarige drummer op een taart getrakteerd of dook hun chauffeur, tot grote verbazing van de groep, crowdsurfend het publiek in.
De knappe set werd evenwel ontsierd door het oeverloze gezwam van Caughtran, die zijn rol als dominee duidelijk gemist heeft, en een ellenlange, strontvervelende metal solo van gitarist Ken Horne. 

Mijn verwachtingen voor het Zweeds-Deense (Göteborg/ Kopenhagen) The Kokomo Kings waren hoog maar die werden ruimschoots overtroffen. Wat een groep! Vier schitterende muzikanten serveerden ons een perfecte blend van Louisiana blues, Mississippi swamp en Chicago blues opgesmukt met een toefje rock-'n-roll waarbij het onmogelijk stil staan was.
The Kokomo Kings hebben samengewerkt met artiesten als James Harman, Lazy Lester, Louisiana Red, John Primer, Keith Dunn en Mud (zoon van) Morganfield en dat heeft hen duidelijk geen windeieren gelegd. Het bezorgde hen ongetwijfeld die verbazingwekkende maturiteit.
Het werd een set die geen seconde verveelde en waarin geen noot te veel werd gespeeld en dat is verre van evident in de blues. Dit klonk als The Fabulous Thunderbirds in hun allerbeste dagen, ook al omdat de warme stem van Martin Abrahamsson gelijkenissen toonde met die van Kim Wilson.
Songs als "Bottle up" en " A drive-by love affair" werden met een ongehoorde souplesse vertolkt. Naast Abrahamsson die ook gitaar speelde zagen we nog drie sublieme muzikanten: drummer Daniel Winerö, contrabassist Magnus Lanshammar, die niet om een stunt verlegen was en de van een indrukwekkende baard voorziene gitarist Waldemar Skoglund. Die laatste twee vonden zelfs de tijd nog om af en toe met elkaar te dollen. The Kokomo Kings waren adembenemend en duizelingwekkend sterk.

Cock Sparrer, om eerlijk te zijn: ik had er nooit eerder van gehoord. Of misschien toch en was ik ze al lang vergeten. De groep uit Londen bestaat immers sinds 1972! Zij het met enkele onderbrekingen. Cock Sparrer ( een verbastering van Cock Sparrow en dat is een cockney term voor familiarity) begon als pubrock band maar bekeerde zich tot de oi! toen die punkbeweging opkwam. Met zijn vijven, waaronder nog drie originele leden, verschenen ze aan de aftrap. Zanger Colin McFaull was goed bij stem terwijl ook de overige leden, ondanks hun ongetwijfeld respectabele leeftijd, er kwiek uitzagen. "Riot Squad" en "Watch your back" klonken vrij potent maar langer dan 10 minuten kon deze skinhead Status Quo, zoals ze weleens genoemd worden, me niet boeien. Dat had uiteraard alles met het genre te maken: telkens die meebrulbare teksten en kinderlijk eenvoudige melodieën, ik raak er snel op uitgekeken.

Nadat ze exact een jaar geleden in The Titty Twister werden aangekondigd liep diezelfde tent zondag helemaal vol voor de terugkeer van Belgiës bekendste rockabilly/ roots groep The Seatsniffers. Het werd een triomftocht waarin de groep weinig kon misdoen. Walter Broes (zang/gitaar), Roel Jacobs (sax), Bop De Houwer (bas) en Piet De Houwer (drums) lieten de tent uit haar dak gaan. Het liefst hoor ik The Seatsniffers wanneer ze zich aan de blues wagen. "UFO", met die heerlijke gitaar van Broes, was voor mij misschien wel het hoogtepunt van de set. Hun uitstapjes naar de ska kon ik iets minder smaken. Later kwam Alex Agnew nog "Great balls of fire" zingen maar toen was ik net vertrokken in een poging om de uittocht files voor te zijn.

Neem gerust een kijkje naar de pics van één van de dagen SJOCK @Wim Heirbaut
https://www.musiczine.net/nl/component/phocagallery/category/5059-sjock-2023.html?Itemid=0

Organisatie: Sjock, Gierle

Melvins - Na veertig jaar nog lang niet uitgeteld

De Melvins blijven ook na veertig jaar nog steeds een ietwat miskende groep, terwijl hun invloed op zowel de grunge als de alternatieve metal niet te verloochenen valt. Kurt Cobain was fan en zelfs een tijdje roadie vooraleer hij zelf  met een groepje begon. Naar verluidt zou Buzz Osborne zich soms afvragen waarom de Foo Fighters wel het grote succes kennen en de Melvins, die er volgens hem minstens evenveel recht op hebben, niet. De vele wisselvallige platen zullen daar wellicht niet vreemd aan zijn.
Hun livereputatie daarentegen bleef onwankelbaar, ondanks dat kleine deukje na een toch wat teleurstellend optreden, vijf jaar geleden, in De Kreun, en leverde hen een grote schare bijzonder trouwe fans op.
Het concert in De Zwerver was dan ook uitverkocht.

Taipei Houston, een duo uit San Francisco die samen met de Melvins op tour zijn, mocht de avond openen. Schoon volk want drummer Myles en bassist Layne zijn de zonen van ene Lars Ulrich, drummer bij een niet onverdienstelijk metalgroepje. Die niet alledaagse opstelling met enkel een bas en drums deed onvermijdelijk denken aan Royal Blood hoewel dit toch wat excentrieker klonk. De twee creëerden een vrij stevige sound waarin veel ruimte was om het soms wel indrukwekkende drumwerk van Myles te etaleren. Maar ook Layne liet zich niet onbetuigd en ging hevig tekeer op zijn bas terwijl het hem aan podiumpresence niet ontbrak. Alleen zijn hoge, schrille stem viel me wat tegen, maar het grote mankement was toch het gebrek aan echte nummers. Ach, ik was al blij dat de broers het spoor van hun vader links lieten liggen.

De Melvins verschenen in dezelfde bezetting als vijf jaar geleden met naast King Buzzo drummer Dale Crover, die men met zijn 39 jaar dienst als een origineel lid kan beschouwen, en bassist Steven Shane McDonald (Red Kross en Off!), die zichzelf nog steeds als 'the new one' presenteert hoewel hij er ook al zo'n acht jaar bij is.
Haast triomfantelijk kwamen ze op de tonen van A-Ha's "Take on me" het podium op gewandeld: Buzz zoals gewoonlijk in een zwart, occult gewaad, Crover met oorlogsstrepen op het gelaat en een druk gesticulerende McDonald, helemaal in het rood gekleed.
Opener "Snake appeal" werd er aan een hels tempo doorgejaagd. Meteen ook het enige nummer uit hun nieuwste plaat, ‘The devil you knew, the devil you know’.
Dit was hun ‘40th Anniversary Tour’ en er werden dan ook, zoals ik vooraf hoopte, nummers geplukt uit hun volledige oeuvre, waartussen verrassend veel oud werk. Vooral doorbraakplaat ‘Houdini’ (1993) en ‘Bullhead’ (1991) kwamen ruimschoots aan bod. Het tweede nummer "Zodiac" klonk al even explosief maar werd gestoord door een incident net voor het podium. Twee straalbezopen individuen begonnen plots iedereen te duwen en te stompen, waarbij ook ikzelf rijkelijk in de klappen deelde. Dat daarbij iemand zijn bril verloor leek hen niet te kunnen deren. Dit was er echt over en dat was ook Dale Crover niet ontgaan. Hij kwam van achter zijn drumstel en joeg hen de zaal uit waarbij hij de krachttermen niet schuwde. Mooi toch, hoe de groep begaan was met zijn publiek. Net voor het optreden hadden ze trouwens nog een rolstoelgebruiker de kans gegeven om het optreden vanop de zijkant van het podium te volgen. Die eerste nummers mochten dan al bedoeld zijn als splinterbommetjes, echt raken deden ze me niet. Dat gebeurde wel met de Beatles-cover "I wanna hold your hand" dat kon bogen op enkele maffe tempowisselingen.
Twee nummers verder trokken ze me met het nochtans zeer recente  "Never say you're sorry" helemaal over de brug. Dit waren de Melvins zoals ik ze het liefst hoor: sludgy, hoekig en meeslepend.
Vanaf nu ging het crescendo en bleven we struikelen over de talloze hoogtepunten. Het heilige vuur dat ik vijf jaren geleden in Kortrijk zo miste laaide hier nu in alle hevigheid op. Dale Crover mokerde als nooit tevoren op zijn drums. Buzz struinde, met zijn bizarre haardos schuddend, over het podium en kneep daarbij telkens de juiste noten uit zijn gitaar. Je zal hem wellicht nooit terugvinden in een lijstje met beste gitaristen, toch klinkt zijn gitaarspel verdomd adequaat. En dan was er nog de onvermoeibaar dansende Steven McDonald wiens rol als bassist niet overschat kan worden. Nu nog net niet de langst dienende bassist bij de Melvins die bekend staan als een kerkhof van bassisten, het zegt wel wat.
De finale werd al vroeg ingezet met het door McDonald gezongen "A history of bad men". Daarna volgden nog een drietal onverwoestbare krakers uit het verleden die ons compleet murw beukten: "Honey bucket", "Revolve" en "Night goat".
Na veertig jaar kon er wel een ‘encore’ af grapte Dale Crover terwijl hij ook nog even terugkwam op zijn interventie tijdens het begin van de set. Dit was iets wat hij nooit eerder deed terwijl hij Leffinge wel een heel speciaal dorp vond met maar liefst twee ‘village idiots’. Waarna een hemels log en zwaar "Boris" volgde dat eindigde met King Buzzo moederziel alleen op het podium maar zelfs zonder zijn twee onwrikbare steunpilaren ging hij verrassend genoeg niet onderuit.
Voor wie eraan mocht twijfelen: de Melvins zijn nog lang niet uitgeteld.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Wim Heirbaut (Trix, Antwerpen op 25 juni 2023)
Melvins
https://www.musiczine.net/nl/component/phocagallery/category/5051-melvins-25-06-2023.html?Itemid=0
Tapei Houston
https://www.musiczine.net/nl/component/phocagallery/category/5050-tapei-houston-25-06-2023.html?Itemid=0

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

GA-20 + Scott H. Biram - Eindelijk nog eens opwindende blues

Met GA-20 en Scott H. Biram had de 4AD een gedroomde double bill beet. Twee acts met een bijzonder stevige live-reputatie die touren alsof hun leven ervan afhangt.

Bij Scott H. Biram mag je dat zelfs vrij letterlijk nemen want toen hij in 2003 na een frontale botsing met een vrachtwagen zowat verpletterd was, bevond hij zich nog geen twee maanden later al opnieuw op een podium, zij het in een rolstoel en met het infuus nog bungelend aan zijn arm. Nadat hij in 2006 zijn Belgisch debuut maakte in de Brusselse Beursschouwburg was hij een jaar later al eens te gast in de 4AD, toen in het voorprogramma van de Black Diamond Heavies.
Op die memorabele avond moest hij bij aanvang van zijn optreden het publiek nog vragen om wat dichterbij te komen. Die vraag hoefde hij dit keer alvast niet meer te stellen want intussen heeft hij een trouwe schare volgelingen die aan zijn lippen hangt.
Omringd door een resem versterkers wist The Dirty Old One Man Band, zoals de 49-jarige Scott H. Biram uit Austin, Texas zich wel eens laat noemen, een stevige en erg gruizige sound te creëren. Rammend op aftandse gitaren en af en toe briesend op de mondharmonica verkende hij het schemergebied tussen country, blues en hillbilly terwijl hij ook één keer het tempo flink de hoogte injoeg voor een dartelend bluegrassnummer. 
Zijn verwrongen songs met eigenwijze, duistere verhalen zingt hij met een akelig krassende stem. Daarbij geeft een nimmer aflatende stampende linkervoet de kadans aan op een stompbox.
Een paar keer bracht hij ook hulde aan zijn oude helden met covers van Mississippi Fred McDowell en Lightnin' Hopkins. De eerste bracht hij met een heerlijke bottleneck gitaar terwijl die van Lightnin' Hopkins, die hij trouwens vereeuwigd heeft met een tattoo op de arm, een rudimentaire uitvoering kreeg op een krakkemikkige heavy metal gitaar.
Het mooiste nummer vond ik het nieuwe "No man's land" waarin hij terugblikt op zijn jeugd en dat wellicht zal prijken op zijn, dit najaar te verschijnen, nieuwe plaat. Een intense set werd afgesloten met een begeesterende ZZ Top interpretatie. Dit was een halte in zijn 27ste (!) Europese tour en het einde lijkt nog lang niet in zicht.

Matthew Stubbs was dertien jaar lang gitarist bij blues harmonica veteraan Charlie Musselwhite totdat die laatste besloot om te gaan touren met Ben Harper en Stubbs een jaar op non-actief werd gezet. Om toch aan een inkomen te geraken besloot hij een groep te beginnen met zijn oude vriend Pat Faherty en GA-20, genoemd naar een Gibson gitaarversterker uit de jaren '50, werd geboren.
Na wat puzzelen volgde al snel de definitieve  bezetting met drummer Tim Carman. In die beginperiode grepen ze elke kans om ergens op te treden met beide handen aan en speelden zo telkens voor een publiek dat er geen flauw benul van had dat het blues hoorde want bluesclubs waren er blijkbaar niet in thuisstad Boston.
Toen hij na ieder optreden telkens moest uitleggen welke muziek ze speelden, bedacht Stubbs de slogan "If you don't like the blues you're listening to the wrong shit", die zelfs op een t-shirt werd gedrukt. Die t-shirt is intussen al lang uitverkocht maar die harde periode zal hen ongetwijfeld gesterkt hebben in hun idee hoe ze de blues moeten brengen. En die blues staat mijlenver van de Joe Bonamassa's van deze wereld, gelukkig maar.
De mannen van GA-20 openden hun set met het rauwe en wervelende "No no", dat voorlopig op geen enkel album verscheen en alleen als digitale single verkrijgbaar is. Daarna zakte het tempo flink voor "Just because", een cover van de, een paar jaar geleden, overleden Lloyd Price die meer gekend is van zijn hits "Personality" en "Lawdy miss clawdy".
De twee gitaristen, die elk om beurt op het voorplan traden, zorgden voor een magische wisselwerking. Links de statische Matthew Stubbs die zijn gitaar lekker vettig liet scheuren en net iets traditioneler klonk dan de man links. Pat Faherty, helemaal in het zwart en met een zonnebril onder de wilde krullenbol, etaleerde op zijn twee vintage gitaren, waaronder een zeldzame Stratotone Newport, een meer afgemeten en wat punkier stijl die soms aardig in de buurt van Wilko Johnson kwam. Daarnaast is hij met zijn schrille, door merg en been dringende stem een fascinerende zanger en een attractieve performer. Zo stuiterde hij af en toe als een springveer over het podium. Tijdens de apotheose sprong hij zelfs het publiek in om al gitaarspelend even door de knieën te gaan tot groot jolijt van enkele vrouwelijke fans. Daarna vertrok hij solerend door de zaal en zowaar naar buiten maar dat was zonder de geluiddichte deuren van de 4AD gerekend die het signaal tussen gitaar en versterker doorknipten.
Twee gitaristen en een drummer (Tim Carman die voorheen als sessiemuzikant en drumleraar aan de bak kwam deed het trouwens uitstekend), dat was ook de bezetting van Hound Dog Taylor (and The HouseRockers) één van hun grote voorbeelden. In 2021 maakten ze zelfs een tributeplaat voor hem, ‘Try it... you might like it!’waaruit we drie nummers hoorden. Het explosieve "Give me back my wig", het gruizig doordenderende "She's gone" en de ultieme  Hound Dog Taylor song "Let's get funky", vier en een halve minuut scheurend gitaargeweld met wat opzwepende kreten en de intensiteit van de Ramones.
Een andere opmerkelijke cover was "I don't mind" van James Brown, waarmee GA-20 nog maar eens bewees zoveel meer te zijn dan een doorsnee bluesband.
Maar ook met eigen nummers zoals "Fairweather friend", een melodieuze garage rocksong die van The Black Keys had kunnen zijn of het behoorlijk swampy klinkende "Dry run" kleuren ze buiten de lijntjes.
Bovendien blijft de groep voortdurend zoekende. Zo is Pat Faherty momenteel volop R.L. Burnside aan het ontdekken wat hier in het solo gebrachte "Come on in" resulteerde.

Dit was opnieuw een adembenemende set van een groep die ik reeds voor de vierde keer zag. De beste keer ook waarmee ik niet wil zeggen dat de vorige optredens minder waren. Maar dit was de eerste keer dat ik ze zag in een kleine club en dat bleek nog maar eens de meest geschikte plaats om live muziek te consumeren.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Goezot in ’t Hofke 2023 - Opwindende roots
Goezot in' t Hofke 2023
Oud-Turnhout
2023-06-04
Ollie Nollet

Dit was reeds de negentiende editie van Goezot in't Hofke, een gezellig festival, ver weg verscholen in de Kempen en waar men het bier nog in een glas serveert. Ik was er nooit eerder maar dit jaar stonden er met Daddy Long Legs en GA-20 twee van de meest opwindende rootsbands van het moment op de affiche waardoor een kennismaking met Goezot niet langer kon uitblijven.

Verslag van dag drie van dit event
Eerste band die ik zag waren The Deslondes uit New Orleans, een groep die me in 2015 al op Leffingeleuren wist te bekoren. Hun swampy country-soul werd afwisselend gezongen door bassist Dan Cutler, akoestische gitarist Riley Downing en gitarist/pianist Sam Doores, wat voor de nodige afwisseling zorgde.
Intussen zijn zowel Downing als Doores een solocarrière begonnen, maar dat had gelukkig geen gevolgen voor het voortbestaan van de groep. Naast de knappe songs en de stemmenpracht was er ook nog een glansrol voor John James Tourville die enkele stevige gitaarsolo's en een paar knappe lapsteel interventies uit zijn mouw schudde.
Hoogtepunten waren er in overvloed. Het rockende en met de heerlijk zware en in Duvel gemarineerde stem van Riley Downing gezongen "Les honkin' more tonkin' (de titel is ook verkrijgbaar als bumpersticker), de samen gezongen Joe Tex-cover "Yum yum" en het slepende "South Dakota wild one" waren er maar enkele van.
Eigenlijk hebben The Deslondes vier zangers maar drummer Cameron Snyder was er niet bij. Toch mocht zijn vervanger tijdens het afsluitende "Run wild when you're young", een oud rockabilly nummer van Jimmy Jay, ook eens de vocals voor zijn rekening nemen.

Constantine & The Call Operators uit Helsinki brachten soulblues die te glad gepolijst was om op veel belangstelling te kunnen rekenen. Toch hadden ze met Konstantin Kovalev een fantastische zanger in huis terwijl de warme orgelklanken me af en toe deden opveren. Bekendste nummer was de Dionne Warwick-cover "Walk on by", hier in de onvergetelijke versie van Isaac Hayes en op de wei vooral bekend van "2 wicky" van Hooverphonic.
Maar voor de rest een set om snel te vergeten. Daar kon zelfs de bassist, een Keith Richards lookalike, niets aan veranderen.

We keken toch even verbaasd op toen Oakley Munson, gehesen in een niet geheel onberispelijk wit pak, plaatsnam achter de drumkit van Daddy Long Legs (New York). Toch was de drummer van de Black Lips geen verrassende keuze om de pas vader geworden Josh Styles te vervangen daar hij producer was van de laatste Daddy Long Legs plaat, ‘Street Sermons’. Hij leverde trouwens een prima job met, net als Styles, in de ene hand een maracas en de andere een drumstick.
Ondanks het vroege uur wist een enorm enthousiaste Brian Hurd in geen tijd het publiek voor zich te winnen. Het werd een verschroeiende set waarin hij als een razende tekeer ging op zijn mondharmonica en enkele keren ook behoorlijk wat indruk maakte op zijn resonator gitaar. Eigen werk ("Nightmare", "Harmonica razor", "Death train blues",...) werd afgewisseld met enkele opmerkelijke covers: "Ramblin' gamblin' man" van Bob Seger, "High flyin' baby" van Flamin' Groovies en een fenomenale uitvoering van Link Wray's "Fire and brimstone".
Naast dat briesende natuurgeweld zagen we ook nog een eerder bescheiden Murat Aktürk excelleren op gitaar en de nieuwe man, Dave Klein, rammen op de piano hoewel dat laatste net als in l'Aéronef een aantal weken geleden nauwelijks hoorbaar was. Uiteindelijk werden we compleet murw gebeukt met een uitzinnig gebruld "Motorcycle madness".

McKinley James is afkomstig uit Webster, New York maar woont reeds geruime tijd in Nashville. Op zaterdag had hij al drie setjes van een goed kwartier, tussen de optredens op het hoofdpodium door, mogen spelen op de Swamp Stage maar nu wachtte hem dus het grote werk.
Normaal treedt hij op in een trio bezetting maar hier was het gebruikelijke Hammond orgel niet te bespeuren zodat hij het enkel met een drummer moest zien te rooien. En dat was zijn vader, Jason Smay, die je zou kunnen kennen van Los Straitjackets of de JD McPherson Band.
Nauwelijks 21 is hij, maar aan maturiteit had hij alleszins geen gebrek. Met een soulvolle stem, die me meermaals deed denken aan een jonge Van Morrison, wisselde hij potige rock-'n-roll af met gloedvolle soulslijpers. Al even indrukwekkend als zijn stem was hetgeen hij uit de snaren van Annie Mae (zijn gitaar) kneep. Wat klonk dat soepel en swingend! Brian Hurd werd ook nog even op het podium geroepen waar hij nog maar eens op zijn mondharmonica mocht uithalen tijdens "Baby how long" van Howlin' Wolf.

Veel leek er niet veranderd bij GA-20 uit Boston sinds ik ze eind vorig jaar zag in Roncq buiten die extra kilo's dan, die Matthew Stubbs nu moet torsen. Het drietal gooide meteen de beuk erin met het wervelende "No no" om daarna meteen wat gas terug te nemen met de magistrale Lloyd Price-cover "Just because".
GA-20 brengt blues zoals je ze nog zelden hoort: gegoten in korte, krachtige songs en vooral zonder overbodige ellenlange solo's. ‘Blues klinkt vervelend’ is de meest gehoorde kritiek op het genre maar bij GA-20 krijg je gewoon de kans niet om het vervelend te vinden. Bij de jachtige Hound Dog Taylor-cover "Give me back my wig" was het zelfs serieus naar adem happen.
Die Hound Dog Taylor maakte begin jaren '70 al blues met een zekere punkaanpak en is één van hun grote voorbeelden. Ze maakten zelfs een plaat, ‘Try it...You might like it!’ met enkel maar nummers van hem waaruit we nog "She's gone", "Sitting at home alone" en het onvermijdelijke "Let's get funky" (punkier kan de blues bijna niet klinken) hoorden.
Slechts eenmaal werd ons wat rust gegund toen gitarist Matthew Stubbs en drummer Tim Carman het podium verlieten op zoek naar een Duvel en de andere gitarist, Pat Faherty, ons een RL Burnside interpretatie ten beste gaf. Maar daarna werd het adrenalinepeil opnieuw de hoogte ingejaagd en bleef het vonken regenen met als moment suprême een gitaarspelende Faherty die door het publiek liep en zo de boel nog wat meer opjutte.

Afsluiter was de Nick Moss Band featuring Dennis Gruenling, een collaboratie waarvan binnenkort een derde plaat, ‘Get your back to it!’, op Alligator Records verschijnt. Hedendaagse Chicago blues  met naast gitarist Nick Moss nog drie schitterende muzikanten: contrabassist  Rodrigo Mantovani, drummer Pierce Downer en toetsenist Taylor Streiff. Talent zat, maar dat zorgde niet meteen voor sprankelende muziek. De nummers werden veel te lang uitgemolken en de solo's leken telkens schier eindeloos. Gelukkig bood de exuberante mondharmonica virtuoos Dennis Gruenling, getooid in een beeldig The Cramps t-shirt, voor wat tegenwicht. Hij zorgde voor wat rock-'n-roll animo, zeker in die drie nummers die hij zelf mocht zingen of toen hij het gezelschap kreeg van McKinley James, Jason Smay en de onvermoeibare Brian Hurd met wie hij kon duelleren. Dat laatste was een mooi moment om afscheid te nemen van dit bijzonder aangename en meer dan geslaagde festival.

Organisatie: Goezot in’ t Hofke, Oud-Turnhout

Rose City Band - Laidback country-eske psychedelica
Rose City Band + Rosali

Woensdag was Rose City Band, één van mijn favoriete groepen, voor het eerst in ons land. Een gebeurtenis waar ik al enkele jaren vertwijfeld op zat te wachten en nu plaatsvond in café De Zwerver, een ideale plek waar de afstand tussen artiest en publiek zo goed als onbestaande is en waar je altijd kan rekenen op een optimale klank.

Voor deze tour nam Rose City Band ook een speciale gast mee op sleeptouw: Rosali (Middleman), een zangeres uit North Carolina die opereert vanuit Philadelphia. Deze Rosali was me niet onbekend. Haar vierde en laatste plaat, ‘No medium’ uit 2021, was me in positieve zin opgevallen, vooral omdat ze werd opgenomen met de groep van de door mij bijna verafgoodde David Nance. Hier moest ze het zonder de David Nance Group doen waardoor ik de Crazy Horse-achtige sfeer van die plaat miste. Maar de songs hielden ook in deze kale uitvoering stand dankzij de innemende zang van Rosali. Haar begeleidend gitaarspel klonk rudimentair en werd, gelukkig maar, wat opgepimpt door de pedal steel van Zena Kay. Niet dat ze een beroerd gitarist zou zijn. Ze verdiende haar sporen trouwens als gitariste van Long Hots en maakte ooit deel uit van het elektrische gitaartrio Wandering Shade van de door mij mateloos bewonderde Kryssi Battalene. Hier hield ze het bij een spaarzame begeleiding en het was dan ook geen toeval toen de voltallige Rose City Band haar bij de laatste twee nummers kwam bijstaan haar songs plots een stuk beter uit de verf kwamen. Achteraf wist ze me te vertellen dat er nog een tweede plaat met de David Nance Group is opgenomen. Hopelijk laat ze zich ooit eens verleiden om met die bezetting naar Europa te komen.

Ripley Johnson volg ik al sinds hij Wooden Shjips (genoemd naar een nummer van Crosby, Stills & Nash) oprichtte in San Francisco (2007). Niet veel later begon hij met zijn vrouw Sanae Yamada een tweede project, Moon Duo, verhuisde hij naar Portland, Oregon om uiteindelijk in 2019 met Rose City Band een derde avontuur te beginnen. Bij die drie bands benadert hij de psychedelica telkens vanuit een andere hoek. Bij Wooden Shjips ging hij richting garagerock, noise en stoner, Moon Duo klonk dan weer heel wat poppier en bij Rose City Band introduceert hij een oude liefde, country. Hoewel ik (vooral) Wooden Shjips en Moon Duo ook al uitstekende groepen vond van wie ik ook verschillende optredens zag, schat ik Rose City Band net een trapje hoger in.
Hoewel Ripley Johnson zonder twijfel de voorman is van Rose City Band (op de platen speelt hij overigens het overgrote deel van de instrumenten zelf) stelde hij zich bescheiden achteraan op. Alsof hij een statement wou maken waarmee duidelijk moest worden dat zijn medemuzikanten even briljant waren als hijzelf.
En meteen werd ook duidelijk dat dit absoluut het geval was. Wat een schitterend stel muzikanten: pedal steel gitarist Zena Kay die blijkbaar Barry Walker moest vervangen, drummer Dustin Dygvig, toetsenman Paul Hasenberg en bassist Dewey Mahood die ik ken van zijn succulente soloproject Plankton Wat en die ook nog in tientallen andere groepen actief is of was.
De groep begon uiterst relaxed  aan een set die onloochenbaar niet de bedoeling had om enkel en alleen de laatste en overigens uitstekende plaat , ‘Garden party’, te promoten maar was samengesteld uit nummers evenredig geplukt uit de vier platen die ze tot nu toe gemaakt hebben. Zelf omschrijft Johnson zijn muziek als porch music en dat is zeker een rake definitie. Laidback countryeske psychedelica waarbij het heerlijk weg zwijmelen was. Gelukkig gebeurde dat laatste niet echt dankzij de sprankelende interventies van zowel gitaar, pedal steel als toetsen die trouwens telkens konden rekenen op een applausje als was het een blues of jazz optreden.
Vergelijkingen zoeken met andere bands lijkt zinloos, dit klonk zo uniek. Toch moest ik even aan Pink Floyd denken, meer bepaald ‘Echoes’, bij de klanken die Paul Hasenberg uit zijn piano en Mellotron toverde maar de man had natuurlijk zelf al de aanzet gegeven door een ‘Pink Floyd live at Pompeii’ t-shirt aan te trekken. De uitgesponnen jams riepen op hun beurt vage herinneringen op aan Jerry Garcia's Grateful Dead maar ook niet meer dan dat.
Het onvergelijkelijke Rose City Band sleurde ons zachtjes mee in een kosmische trip waaruit je niet wilde ontwaken. Daarbij kwamen details en wendingen naar boven die ik op plaat nooit opmerkte. Toch kan ik me inbeelden dat niet iedereen zomaar in extase raakte. Het onthaastende karakter en de aparte, wat mompelende zang van Ripley Johnson maakten het misschien wat minder toegankelijk. Maar eenmaal die hindernissen genomen, bereikte je het walhalla. Een set met niets dan hoogtepunten maar als ik dan toch moet kiezen: "Slow burn" en "Reno shuffle" hadden misschien een wat dwingendere drive.
Helemaal op het einde kwamen we nog te weten waarom het podium versierd was met vlaggetjes en ballonnen: een jarige drummer.
Na een vrij lange set kregen we nog twee toegiften van de groep samen met Rosali waarbij die laatste nog een eigen nummer mocht zingen. Dit was nog maar eens een concertje in Café De Zwerver die lang in mijn geheugen gegrift zal blijven.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Pagina 6 van 25