Het Brusselse duo Hydrogen Sea had zeker iets geweest kunnen zijn. De breekbare vocals van Birsen Uçar waren niet onaardig en deden me zelfs heel even aan Nico denken maar uiteindelijk viel het muzikaal veel te licht uit. Ondanks een molenwiekende PJ Seaux, het leek wel Pete Townsend. Veel luchtverplaatsing om dan één enkele onnozele toets aan te slaan. Even leek het tij na drie nummers te keren toen hij een gitaar beetnam. Maar voor ik het goed en wel besefte had hij het ding al teruggezet en wist ik niet eens wat hij ermee gedaan had.
Intergalatic Lovers brachten doodbrave pop maar voor die vier saaie mussen stond wel ene Lara Chedraoui. Een fantastische zangeres waar velen een moord voor over zouden hebben om haar in hun groep te krijgen. Deze spontane, charismatische verschijning liet de intussen volgelopen tent uit haar hand eten.
Daarna volgden Trentemoller en Magnus die het ongetwijfeld goed deden (hoewel over die laatste de meningen verdeeld waren) maar waar ik met de beste wil van de wereld geen voeling mee kan krijgen.
Dan maar even Robbing Millions (uit Brussel) geprobeerd om na één nummer onthutst de zaal uit te spurten. Pop voor de kleuterklas waarbij ik nog het gevaar loop de intelligentie van onze kleuters te onderschatten.
Intussen was het middernacht geworden en had ik bitter weinig gezien waaraan ik me kon opwarmen. Maar dan verscheen een zootje ongewassen tuig uit Austin, Texas op het kleine podium van het café en viel er eindelijk iets te beleven. In die mate zelfs dat al snel alle ellende vergeten was. Holy Wave heette het bandje en ze bracht beklijvende psychrock die de ene keer dromerig klonk om even later lekker door te drammen. Er werd nogal wat van instrumenten gewisseld en blijkbaar werd iedereen behalve de drummer eens verbannen naar de keyboard, die nochtans erg bepalend was voor hun geluid. Te vergelijken met Jacco Gardner, Morgan Delt, The Warlocks en The Velvet Underground. Een cover van die laatsten kon dan ook niet uitblijven en we kregen een hypnotiserende uitvoering van “Foggy notion”, waarna de gelukzalige grijns op mijn smoel niet meer verdween.
Na een teleurstellende vrijdag kon het op zaterdag alleen maar beter gaan, dacht ik. Maar ook deze tweede dag begon in mineur toen bleek dat BRNS, waarvoor ik mijn middagdutje had opgegeven, verstek liet gaan. Maar dat leverde dan weer een ideale gelegenheid op om eens kennis te maken met Busker Street, het nieuwe en piepkleine podium waarop jong, aanstormend talent het beste van zichzelf mocht geven. Een mooi initiatief dat ik best kon appreciëren en waardoor ik gespaard bleef van één van dé sensaties van het festival, Dotan!
De zanger van het Londense Childhood had, zo te zien, de zoon van Phil Lynott kunnen zijn maar dan was de appel wel heel ver van de boom gevallen. Nee, deze vier hielden het bij lome gitaarpop die erg Brits klonk en waaraan niemand zich een buil kon vallen. Alleen wanneer de leiband van de gitaren wat losser gelaten werd leek er wat meer in te zitten maar vraag me niet wat.
Voor een eerste hoogtepunt moesten we in de tent bij Bombino (een touareg uit Agadez, Niger) zijn. Een aparte verschijning : gehuld in een wit gewaad, met voortdurend een kamerbrede glimlach om de lippen terwijl de communicatie met het publiek zich beperkte tot één enkel prevelend “merci”. Maar de muziek die stond er : aanstekelijke woestijnblues, die de heupen niet onbewogen liet, met in de hoofdrol die eeuwig swingende gitaar van Bombino. Wat een verfijnde schoonheid wist die man uit zijn snaren te knijpen, haast achteloos terwijl hij voortdurend bleef dansen. Misschien had het wel wat ruwer gemogen maar daar wil ik nu niet over kniezen. Eén keer werden we nog opgeschrikt toen de bassist ons plots in bijna vlekkeloos Nederlands toesprak maar voor de rest deden ze er het zwijgen toe en lieten ze de muziek primeren.
The Wytches zijn een trio, afkomstig uit het Engelse Peterborough, dat flink met de haren schudde. Hier zat duidelijk pit in : een diepe bas, een gewelddadige gitaar en een krijsende zanger die soms aan Jack White deed denken. Anderen hoorden dan weer duidelijke sporen van Nirvana. Enkel wanneer ze het tempo lieten zakken liep het grondig fout. Er is duidelijk nog wat werk aan de winkel maar de kiemen waren alvast veelbelovend.
Woods (uit Brooklyn) was de groep waar ik het meest naar uitkeek. Net voor het optreden vernam ik nog het slechte nieuws dat hun vierde man hals over kop naar huis was moeten vertrekken. Toch was het de basiskern die op het podium verscheen : zijnde Jeremy Earl (gitaar, zang), Jarvis Taveniere (bas, gitaar) en Aaron Neveu (drums). Jeremy Earl begon de set op akoestische gitaar voor een drietal folksongs, schitterend gezongen met die unieke hoge stem van hem. Na die schijnbaar simpele songs nam hij zijn elektrische gitaar en waren we vertrokken voor een ellenlang maar steeds boeiend epos op de snaren. De nummers die daarop volgden waren opnieuw gebald en telkens van een superieure klasse. Misschien wat jammer dat Jeremy Earl, die wat weg had van een ernstige professor, geen contact zocht met zijn publiek maar op de muziek viel alleszins niets af te dingen, ondanks die amputatie waar trouwens met geen woord over gerept werd. Dit was misschien wel het mooiste op deze editie van Leffingeleuren.
Op basis van hun laatste plaat had ik van The John Steel Singers (genoemd naar het gelijknamige speelgoedpaard van zanger Tim Morrissey) niet zo gek veel verwacht. Maar op het kleine podium van het café kwamen de vijf uit het Australische Brisbane verrassend sterk uit de hoek. En dat zeker niet met de meest voor de hand liggende muziek. De harmonieuze samenzang van de vier frontmannen, die herinnerde aan The Mama’s and The Papa’s moest het opnemen tegen dwarsliggende gitaren. Een enkele keer klonk het wat melig maar voor het overige klonk dit verbazend fris en zelfs feestelijk wanneer Scott Bromiley zijn trompet bovenhaalde. Een herbeluistering van die laatste plaat dringt zich op!
Op zondag mocht Het Zesde Metaal van Wannes Cappelle de spits afbijten en ze deden dat met verve. Net als Flip Kowlier in het sappige West-Vlaams maar dan wat meer ingetogen. Maar Het Zesde Metaal is veel meer dan allen maar goeie teksten. De songs zitten ook muzikaal bijzonder sterk in elkaar. Filip Wauters (op gitaar en lapsteel) en Tom Pintens op piano en één keer op gitaar (meteen het mooiste nummer van de set) wisten het geheel prachtig in te kleuren.
En ook op deze derde dag werden we aangenaam verrast in het café. Verantwoordelijk hiervoor was de verstilde pracht van Quilt, een kwartet uit Boston, Massachusetts. Een miniatuurmeisje, met ogen waarin je moeiteloos kon verdwalen, zong, was actief op gitaar en orgel en leek de drijvende kracht achter dit gezelschap. Hierbij kreeg ze de hulp van een gitarist (tevens tweede zanger), een bassist en een drummer. Psychedelische folk die weeral eens uit de sixties leek te komen en waarbij ik spontaan aan één van de grootste iconen uit die tijd, Love, moest denken. Het lijkt er intussen op alsof er op iedere hoek van de straat een psych band staat te spelen maar dit Quilt was zeker het ontdekken waard.
De tijd van het geweldige Sixteen Horsepower ligt al een eeuwigheid achter ons en hetgeen David Eugene Edwards tegenwoordig met Wovenhand uitspookt heeft daar nog bijzonder weinig mee gemeen. Americana kun je dit bezwaarlijk noemen, eerder Gothic rock, bijna drone rock. Alle nummers waren gehuld in een donkere, zware sound. Edwards haalde wel zijn mandoline nog eens boven maar het geluid ervan was nauwelijks te herkennen. Impressionant, dat zeker maar ook zwaar op de hand. Ideaal voor in een duistere zaal waarin je je volledig kan laten meezuigen in hun pikzwarte universum. Maar toch iets minder geschikt voor een festival want dit was niet meteen het soort muziek waar je vrolijker van wordt. En toch was ik blij dat ik ze zag. Kan dat?
Neem gerust een kijkje naar de pics (dag 2)
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/leffingeleuren-2014/
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge