Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014 - Rock-‘n-roll springlevend in Bretagne
Binic Folk Blues Festival 2014
Festivalkaai
Binic (Bretagne)
01 t/m 03/08/2014
Ollie Nollet
Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014
De zesde editie van Binic Folks Blues (Côtes D’Armor, Bretagne) was opnieuw een voltreffer. Zowel artistiek als wat de opkomst betreft. Duizenden bezoekers (vooral op zaterdag kon men op de koppen lopen) voor een festival waarvan de headliners op andere dagen enkel kroegen als de Pit’s frequenteren. Ok, het Parijse Cheveu zal wel in grotere zalen spelen en de populariteit van Left Lane Cruiser is bij onze zuiderburen een stuk groter maar toch... Ligt de verklaring voor dit enorme succes bij het feit dat dit een gratis festival is? Niet altijd een garantie op veel volk maar hier zal het wel meespelen en dat terwijl je ongehinderd hele voorraden drank op het terrein kan sleuren en de sfeer tijdens de optredens niet zelden uitzinnig is.
vrijdag 1 augustus 2014
Mijn parcours langs de drie podia begon aan de Place de la Cloche met Stop II (Bordeaux). Twee niet meer zo jonge en al evenmin erg fris ogende mannen brachten zittend rammelende countrybluestrash. Twee gitaren, een stompbox en occasioneel een washboard volstonden ruimschoots. Mooie cover van Blind Willie Johnson’s “In my time of dying”.
Pete Ross & The Sapphire (uitvalsbasis Milaan) bestaat uit zanger-gitarist Pete Ross (uit Sydney), de Nieuw-Zeelandse bassiste Susy Sapphire en de Italiaanse drummer Alessandro Deidda. Oubollige rock met enkele progrocktics en een gezwollen stem van Pete Ross kregen mijn handen niet meteen op elkaar. Een onberispelijke start was het dus niet maar gaandeweg werden de songs een stuk meer bijdegronds en met “The devil inside” dwong de groep meteen haar bestaansrecht af. Verder hoorden we nog een opmerkelijke cover van “Somebody to love” (Jefferson Airplane), gezongen door het bloemenmeisje Sapphire.
Lilith Lane (Melbourne) viel me toch wat tegen ondanks haar uitstekende begeleidingsband Many Wives (staande bas, gitaar en drums). Enige schuldige was Lilith zelf die veel te theatraal klonk (in een poging om de vrouwelijke Nick Cave te worden?) en daar kon de nochtans bijwijlen smerig klinkende gitaar niets aan verhelpen.
Het Franse duo Harold Martinez (Nîmes) deed hard hun best om te klinken als Sixteen Horsepower wat niet zo’n goed idee was.
Van The Pussywarmers uit Zurich aangevuld met de Hongaarse zangeres-toetseniste Réka had ik niet al te veel verwacht. Daarvoor klonk hun plaat die ik kende te krampachtig en bevatte ze te veel gepingel. Maar het zestal (twee gitaren, bas, drums, keys en trompet) zorgde zowaar voor het eerste hoogtepunt van het festival. Waar ze het vroeger meestal in de jaren ‘30 en ‘40 zochten lag de focus dit keer meer op de jaren ‘60 en dat zorgde voor een milde nostalgische sfeer die me zelfs enkele keren aan Shannon & The Clams deed denken.
Jerry Teel (Chrome Cranks) en zijn vrouw Pauline vormen de vaste spil bij Chicken Snake (New Orleans). Terwijl in vorige bezettingen gekende cultfiguren als Bob Bert (o.a. Chrome Cranks, Sonic Youth) en Nicholas Ray (Viva L’American Death Ray Music) de dienst uitmaakten waren het nu de minder gekende Josh Lee Hooker (gitaar) en Jessica Melain (staande drums) die de groep vervolledigden. Minder gekend maar daarom zeker niet minder goed. Josh Lee Hooker ontpopte zich als de absolute revelatie (schitterde later ook nog met zijn eigen groep) van het festival terwijl Melain voor het nodige showelement zorgde. Chicken Snake staat voor heerlijk midtempo voortdenderende trashy swampblues. We hoorden al eens een riffje dat gepikt was van de Stones maar wie zou daarom balen? En als ze al eens iets coverden werd het nummer met veel smaak gekozen : “Cowgirl blues” van de ten onrechte vergeten blueszangeres uit Memphis, Jessie Mae Hemphill. Naar het einde toe durfde de samenzang tussen Jerry en Pauline ietwat zeurderig te gaan klinken maar dat is echt wel detailkritiek op een grandioos optreden waarin vooral Josh Lee Hooker, die soms aan en paar noten genoeg had om een song een wat groter rock-‘n-rollgehalte te geven, ontegensprekelijk de uitblinker was. Ik zag Chicken Snake de volgende dag terug op het grote podium waar ze een stuk steviger uithaalden (of was dat slechts een indruk). In ieder geval werd hun prestatie van de dag voordien bevestigd, mocht ik mijn puntje van kritiek inslikken en droop het spelplezier er in beken vanaf. Deze ene keer vond ik het jammer dat de organisatie zich strikt aan het strakke tijdsschema hield en het optreden abrupt stillegde. Gelukkig volgde na enig overleg toch nog extra nummer.
Vrijdag werd er op het hoofdpodium afgesloten met The U.V. Race (Melbourne) die enkele platen uitheeft op het befaamde ‘In The Red’-label. De band was al bezig toen ik arriveerde en ik werd meteen geconfronteerd met de enorme, blote, zwabberende pens van de zanger. Geen zicht en tot overmaat van ramp draaide hij zich zodat we dan ook nog eens de helft van zijn reet mochten bewonderen. Enkele songs verder had hij enkel nog zijn boxershort aan. En de muziek? Korte meebrulbare bulldozerpunksongs. Soms had het wel wat maar meestal vond ik het orgel de boel verpesten of was ik nog te zeer onder de indruk van Chicken Snake?
zaterdag 2 augustus 2014
Dag twee begon alweer uitstekend met Destination Lonely (Toulouse, Bordeaux). Groepsnaam gevonden bij de eerste LP van Cheater Slicks, die net nu opnieuw is uitgebracht? De twee gitaristen en drummer stonden garant voor vuile, vette garagebluesrock.
Het Frans/Australische The Outside bestond uit ex-leden van Screaming Tribesmen, Radio Birdman en TV Men. Mooi volk dus dat zorgde voor hersenloze turborock (waarin je vaag echo’s van The Ramones of Cosmic Psychos kon horen). Kon mooi geweest zijn maar dat was duidelijk niet het geval.
Neen, geef mij dan maar Weird Omen uit Limoges. Na een chaotische start met enkele onverteerbare nummers viel na een tijdje alles in de plooi. Garagerock, surf, punk en artrock en dat alles meestal in één en dezelfde song. De zanger had energie te over en kwam in al zijn enthousiasme zelfs een paar keer ten val terwijl we saxofonist Fred Rollercoaster nog kenden van Head On en King Khan & The Shrines. Opmerkelijke cover : “20th Century boy” (T-Rex).
Bob Wayne (Seattle/Nashville) heeft zijn Outlaw Carnies blijkbaar gedumpt maar de line-up is nagenoeg dezelfde gebleven : staande bas, viool, gitaar met dit keer ook een drummer die zo geplukt leek uit een verlaten berghut in het Appalachen gebergte. Die laatste mocht er dan al uitzien als een verwaarloosde neef van Seasick Steve, drumlessen hoefde hij zeker niet meer te volgen. Bob Wayne, met een grote tattoo van Neurosis op de onderkant van zijn voorarm!, hield het verrassend strak. Hillbilly en alternatieve country voorzien van spitante teksten, we kennen het intussen maar het blijft steeds zeer amusant. Jammer van die verveeld voor zich uitstarende gitarist die blijkbaar enkel (en met lichte tegenzin) zijn job kwam doen. Wat had ik graag die man een trap voor de kont gegeven.
Go!Zilla is een trio uit Firenze dat duidelijk naar de nieuwe lichting psych rockers (Ty Segall, Mikal Cronin, Thee Oh Sees) heeft geluisterd maar een stuk potiger dan de geciteerde namen voor de dag komt. Twee gitaren en drums (stilaan de nieuwe klassieke opstelling) waren ruimschoots voldoende voor een indrukwekkende sound. Voeg daarbij een zanger-gitarist (Luca Landi) die werkelijk alles gaf en het plaatje klopt helemaal. Op het einde vroeg hij een 15-tal mensen bij zich op het podium. Dat werd uiteindelijk een veelvoud en de chaos werd compleet wat niet wegneemt dat Go!Zilla een ijzersterke set had gespeeld.
Na Chicken Snake (waar ik het al eerder over had) zag ik nog net de finale van de set van een verbluffende Harlan T Bobo (verder meer over het volledige optreden dat hij zondag gaf). De tonnen elektronica van Cheveu (Parijs) werden ontiegelijk luid de Esplanade de la Banche opgejaagd. Vreemde eend in de bijt die ik niet kon smaken hoewel ik moet toegeven dat ik ze nooit echt een kans heb gegeven.
Afsluiter op zaterdag was Mr. Quintron & Miss Pussycat uit New Orleans (Mr Quintron zou je kunnen kennen van de derde Obliviansplaat ‘Play 9 songs with Mr. Quintron’). Hoe lang zou het geleden zijn dat ik die twee in de Pit’s zag? En toch leek er niet veel veranderd sinds toen. Miss Pussycat opende met een poppenkastspel waarin de speciale effecten en de zelfgemaakte poppen best leuk waren maar wie zag dat achteraan? Na de gebruikelijke technische problemen ging Mr. Quintron oorverdovend van start alsof hij Cheveu de loef wou afsteken. Het leek erop alsof zijn Drum Buddy (zijn zelf uitgevonden analoge drummachine met duizelingwekkende mogelijkheden) zelf het heft in handen had genomen. Maar na verloop van tijd begon zijn orgel steeds meer organisch te klinken en kregen de nummers meer structuur. Naast de eerder genoemde instrumenten bediende hij ook nog een hi-hat en een lapsteel die dienst deed als slaginstrument. Miss Pussycat hield het wat bescheidener bij de maracas. Het volk was gekomen om eens flink uit de bol te gaan en dat gebeurde dan ook massaal. En vreemd genoeg leken de toch eerder ongewone klanken ideaal om de massa op te hitsen. Ondanks de valse start werd dit uiteindelijk toch nog een schitterend optreden!
zondag 3 augustus 2014
Dead Horse Problem is slechts één van de vele projecten van zanger Boogie, tevens baas van Beast Records en zo leverancier van vele groepen aan dit festival. Samen met twee gitaristen, een saxofonist en een drummer brachten ze smerige rock die soms net iets te dicht geplamuurd was. Niet echt overtuigend maar ze coverden toch maar mooi twee geweldige songs, beide van de hand van Greg Cartwright: “Sour and vicious man” (Compulsive Gamblers) en “Straight shooter” (Reigning Sound). Mijn middag kon al niet meer stuk.
Het Frans, Duits, Nieuw-Zeelandse trio met residentie in Berlijn, Canyon Spree, serveerde vederlichte garagepop. De drie piepjonge meiden hadden krek dezelfde sound (minus de harmonieuze samenzang) als La Luz en daar kon ik echt niet rouwig om zijn. Met slechts een handvol goeie nummers onder de arm was er duidelijk er nog veel werk aan de winkel maar ze hebben uiteraard nog tijd zat.
Toen The Luxurious Faux Furs (New Orleans/ Brooklyn) het podium opwandelden bleek dat gewoon de helft van Chicken Snake te zijn : Josh Lee Hooker, de man met de mooiste schoenen op het festival en drumster extra-ordinaire Jessica Melain die er alles aan deed om er vervaarlijk uit te te zien. Het zag er niet alleen goed uit, het klonk zo mogelijk nog beter. Dit was zonder meer de revelatie van Binic dit jaar. Uitgebeende rock-‘n-roll : Alan Vega op de (straffe) koffie bij The Gories, zoiets. We hoorden ondermeer een briljante cover van The Staple Singers, “Swing down, chariot” en op het einde een ellenlange, uitgemergelde boogie (met een naam als de zijne kon dat niet uitblijven). Adembenemende set!!!
Na The Luxurious Faux Furs (die zelf ook helemaal vooraan stonden) zag ik meteen al een nieuw hoogtepunt. Harlan T. Bobo bleek samen met zijn drie Franse begeleiders in de vorm van zijn leven. Dit jaar maakte hij in Memphis met zijn nieuwe band The Fuzz (niet te verwarren met Fuzz, ook al een nieuwe band met Ty Segall) een halfslachtige plaat maar hij was wel zo verstandig om daaruit slechts de beste nummers te puren : “Merry-go-round” en “When I die”. Daarnaast had hij het beste uit de rest van zijn platen geselecteerd waarbij mijn favoriet “Left your door unlocked” niet over het hoofd werd gezien. Harlan T. Bobo, voortdurend buiten adem en nogal wat whiskeys binnenkappend schitterde zowel in de zeer ingetogen nummers als de uitbundige rockers. Heerlijk artiest!
Na nog een flard Reverend Beat-Man (klonk zoals we hem kennen) werd het tijd voor headliner Left Lane Cruiser (Fort Wayne, Indiana). Talloze keren zag ik ze en het was toch even slikken toen tijdens de opstelling tot me doordrong dat drummer Brenn Beck er niet meer bij was. Freddy J. IV had hem vervangen door het duo White Trash Blues Revival: zijnde drummer Pete Dio en bassist Joe Bent. Er werd geopend met een song van Hound Dog Taylor (Hound Dog Taylor met bas, brrr!). Maar het dient gezegd: met dit duo erbij had Left Lane Cruiser nog meer power en songs als “Mr. Johnson”, “Big Momma” en “Cheyenne” zijn niet stuk te krijgen en klonken furieus. En toch begon het te knagen. Pete Dio is ongetwijfeld een superieur drummer maar ik miste de eenvoud van Brenn Beck en zijn koebel, en zijn washboard... Bassist Joe Bent leek verdacht veel op Alex Agnew en metselde de sound te veel dicht (of het een wat met het andere te maken heeft weet ik niet). Toen hij zijn bas ruilde voor een skiddely-bo (een skateplank met daarop een fles en twee snaren gemonteerd) leek het tij te keren. Helaas zong hij dan (wat een vlakke stem) zijn eigen songs die absoluut niet konden tippen aan de originele Left Lane Cruiser songs.
Ach, misschien ben ik aan het zeuren: Left Lane cruiser speelde het plein gewoon plat. Het zwerk werd doorkliefd met crowdsurfers en een jonge deerne sprong zelfs op het podium om meteen haar t-shirt uit te trekken zodat iedereen kon genieten van de wonderen der natuur. Nooit iemand zo snel zien afvoeren! De jonge snaak van Dirty Deep beleefde de tijd van zijn leven toen hij de twee laatste nummers mocht meeblazen op mondharmonica terwijl er nog een verrassend coda volgde waarin de drummer zich liet kennen als een volleerd rapper, iets wat hij zo’n 15 minuten volhield, olé!
Heel vreemd maar Binic was weer eens mooi geweest!
Organisatie: Binic Folks Blues Festival