logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Kim Deal - De R...
Janez Detd. - D...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Jenny Don't and The Spurs - Onvermoeibaar en met grenzeloze passie

Jenny Don't and The Spurs stonden al enkele jaren op mijn lijstje met groepen die ik absoluut eens aan het werk wil zien. Om uiteenlopende redenen had ik ze al een paar keer gemist en ook nu dreigde een rokende camionette alsnog roet in het eten te gooien. Gelukkig geraakte de band nog aan een vervangend exemplaar en kon het optreden in de Cowboy Up, zij het met de nodige vertraging (zo'n twee en een half uur), toch doorgaan.

Jenny Don't (echte naam Connors) dankt haar bijnaam aan haar weerbarstige aard waarmee ze in haar jeugd het gezag tartte. Ik zag ze al eens in 2016 in de Pit's met een andere groep, simpelweg Don't geheten, die toen met seventies geïnspireerde rock weinig potten wist te breken. Maar eigenlijk was ze toen al samen met haar vriend Kelly Halliburton, die ik ook ken van P.R.O.B.L.E.M.S. en Pierced Arrows (Fred Cole's band na Dead Moon), bezig met een veel interessanter project waarin ze resoluut voor country koos: Jenny Don't and The Spurs, waarmee ze intussen een viertal LP's, één EP en twee handen vol singles gemaakt heeft. Daarbij bleef ze niet van tegenslagen gespaard. Zo moest ze zelf een stemoperatie ondergaan en twee jaar geleden stierf haar drummer, die voorheen de vellen roerde bij The Wipers, Poison Idea, Napalm Beach en The Rats, aan maagkanker. Ondanks dat alles blijft de groep er vol voor gaan.
Dit jaar verscheen het uitstekende ‘Broken hearted blue’ waarna er een erg uitgebreide tour volgde met de nieuwe drummer, Buddy Weeks.

De groep uit Portland, Oregon begon met het stevige "Flying high" dat voorzien was van een lange instrumentale intro waarin al meteen duidelijk werd dat gitarist Christopher March het geheim wapen van de band is. Een beetje zoals Jerry Miller bij Eilen Jewell: bescheiden maar bijzonder doeltreffend en met een gezonde dosis rock-'n-roll in de vingers. Wat kon hij zijn gitaar verfijnd laten trillen en galmen, niet zelden in de geest van Link Wray of Duane Eddy.
Jenny bleek van haar kant een onvermoeibare spring-in-'t-veld die er alles aan deed om ons dat eindeloze wachten te laten vergeten. Toen iemand riep om "Call of the road" en de gitarist er eerst niet wou aan beginnen omdat het te lang geleden was dat hij het nog gespeeld had, bleef zij aandringen om het toch te proberen wat hij uiteindelijk ook deed. Het resultaat mocht er absoluut zijn, al zal de perfectionist in Christopher March daar misschien anders over denken.
Of het nu outlaw country, honky-tonk of wat dan ook was, Jenny Don't bleef glanzen in het centrum van de actie met haar wankelende, schelle stem en vooral met haar grenzeloze passie. Daarbij werd ze comfortabel in het zadel gehouden door de erg aanwezige bas van partner Kelly Halliburton en de adequate drums van Buddy Weeks. Het absolute hoogtepunt was het bijna strompelende "Unlucky love" waarin Christopher March zich nog eens van zijn fijnzinnigste kant liet zien.
En dan was er nog die fenomenale bisronde met eerst "Your cheatin' heart" van Hank Williams, wie wat mij betreft nooit genoeg gecoverd kan worden.

Eindigen deden ze triomfantelijk met de onversneden garagerock van "Fire in the western world" van Dead Moon, de beste band die Portland ooit gekend heeft volgens Jenny Don't. We hadden lang moeten wachten maar dat was het meer dan waard geweest.

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

zaterdag 02 november 2024 18:53

Timmy’s Organism - Wild en onbesuisd

Timmy’s Organism - Wild en onbesuisd
Timmy's Organism en Billiam & The Split Bills

Net geen maand eerder zag ik Billiam & The Split Bills al eens in The Pit's, Kortrijk . Zo te zien had dit piepjonge bandje uit Melbourne hun lange tour vrij goed doorstaan. Het klonk hier zelfs wat beter dan in Kortrijk, maar dat had alles te maken met de klankbalans. De opdringerige synths waar ik me de vorige keer aan ergerde waren minder prominent aanwezig ten voordele van de gitaar terwijl de bas hier duidelijk de stuwende factor was.
Aan de andere kant miste ik dan weer de energie die in een punkhol als The Pit's altijd wat intenser is. Toch kon ik ook hier hun prettig gestoorde, snotterige lo-fi punk best wel smaken. De nummers klokten zelden boven de minuut af zodat verveling geen kans maakte en Billiam, die zich weer in alle bochten wrong waarbij zijn microfoon even al zwiepend het hazenpad koos, blijft een innemende frontman. Toch bleken ook hier de songs iets te primair om lang te blijven hangen tenzij misschien "My metronome", dat bij enkele mensen vooraan blijkbaar goed gekend was.

Timmy's Organism uit Detroit is het vehikel van Timmy Vulgar (né Timothy Lampinen), een man met een behoorlijke staat van dienst. Midden jaren '90 dook hij voor het eerst op met Epileptix maar ik leerde hem pas kennen in de jaren 00 via Clone Defects en Human Eye, twee groepen die ik enigszins volgde en waarvan ik werk op het schap heb liggen. Daarna verloor ik hem wat uit het oog hoewel hij met Timmy's Organism een aanzienlijk aantal platen maakte waarvan er sommige op tot de verbeelding sprekende labels als Sacred Bones Records, Hozac Records, Burger Records, In The Red Records en Jack White's Third Man Records verschenen. Toch bleef het in de marge ploeteren en nadat ik Timmy's Organism in 2017 Het Bos zag op stelten zetten, leek het even over tot er vorig jaar dan toch plots een nieuwe plaat, ‘Lone Lizard’, was.
De opkomst was op zijn zachtst gezegd wat aan de lage kant, maar dat liet Timmy niet aan zijn hart komen. De man, gezegend met een kop waarmee hij kan solliciteren voor een rol in de meest macabere Halloweenfilms, begon zijn set met het prijzen van het Belgische bier. Met dat bier haalde hij later trouwens nog een impressionant trucje uit. Zo goot hij een flesje Maes leeg in zijn oog waarna het bier als een fonteintje uit zijn mond spoot. En de muziek? Die was al even verfijnd... Nee, dit kon je makkelijk wegzetten als lomp, van de pot gerukt en compleet uit de tijd. A
lle begrip voor wie moest afhaken, toch vond ik dit ondanks alle onbeholpenheden een meeslepend en intrigerend optreden. De heavy psych nummers leken met haken en ogen aan elkaar te hangen maar dat maakte het dan weer lekker onvoorspelbaar. Op het podium gedroeg Timmy zich als een losgeslagen projectiel die zwaartekracht tartende riffs en op de rand van de seventies hardrock balancerende solo's uit zijn, met fantastische, psychedelische afbeeldingen versierde, gitaar kneep. Zijn gitaarexploten waren wild en onbesuisd en dreigden meer dan eens faliekant uit de bocht te gaan maar een heerlijk roffelende Scott Dunkerley en bassist Eric Altesleben, die ooit nog deel uitmaakte van het prille Interpol, hielden hem op vakkundige wijze in het gareel.
En dan was er nog zijn stem: weinig toonvast maar de klankkleur leek hij naar believen te kunnen veranderen. Zo klonk hij bij momenten zelfs als Captain Beefheart. Een Spinal Tap mocht uiteraard niet ontbreken: zo stootte onze held zijn hoofd onbedoeld keihard tegen zijn microfoon met wat bloed tot gevolg. Even later dook hij met ware doodsverachting van het podium het publiek in (dat er niet stond) en kwam languit op de vloer te liggen.
We hoorden slechts een drietal nummers uit hun laatste plaat, de rest werd geplukt uit zowat alle platen die de groep gemaakt heeft. De oudste en meer punkgerichte nummers zoals "Poor and bored" uit 2012 werden bewaard voor het slot. Tijdens de apotheose sleurde Timmy Billiam, die het ganse optreden vanop de eerste rij gevolgd had, het podium op en stopte hem zijn gitaar toe waarna hij zelf wat met de effectpedalen ging prutsen.
Een chaotisch einde van een doldrieste set maar of Timmy Vulgar hier veel zieltjes mee gewonnen heeft valt sterk te betwijfelen. Jammer eigenlijk, want mijn respect is schier eindeloos voor iemand die zo lang koppig zijn eigen ding blijft doen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zaterdag 26 oktober 2024 09:33

Fantastic Cat - Folk rock for pussies

Fantastic Cat - Folk rock for pussies

Ik moest me toch wel even de ogen uitwrijven toen ik aangekondigd zag dat Fantastic Cat naar 't Manuscript kwam. Ik zag hen vorig jaar nog in de zaal van De Zwerver en met hun alweer lovend onthaalde tweede plaat, ‘Now that's what I call Fantastic Cat’, leek de groep uit New York alleen maar aan populariteit gewonnen te hebben.
Diezelfde avond stonden The Mystery Lights in de Cactus Club al aangestipt in mijn agenda maar die keuze moest ik toch herzien. Want deze unieke en wellicht ook laatste kans om Fantastic Cat nog eens in een café te zien spelen, wou ik me toch niet laten ontglippen.

Fantastic Cat is, wat men heet, een supergroep waarin vier singer-songwriters de krachten bundelen zoals hen dat is voorgedaan door groepen als Crosby, Stills, Nash & Young, Traveling Wilburys, Monsters Of Folk of The Highwaymen. Zij het met wat minder spectaculaire namen dan bij hun illustere voorgangers. Anthony D'Amato en Brian Dunne waren tot vorig jaar nobele onbekenden voor me. Don DiLego had ik al eens aan het werk gezien met Jesse Malin in De Zwerver maar het bekendste gezicht van het vierspan blijft Mike Montali, die ik meerdere malen zag schitteren met zijn andere groep, Hollis Brown. 
Als ik eerlijk ben moet ik toegeven dat ik lang niet alle nummers op hun twee platen even sterk vind. Zelf omschrijven ze met een knipoog hun muziek als folk rock for pussies maar ik hoor Fantastic Cat vooral schipperen tussen rock, roots en pop en wanneer ze te veel naar dat laatste neigen moet ik toch afhaken. Gelukkig vormt dat live geen obstakel.
Optredens van Fantastic Cat zijn vooral een feest die ons even die verzuurde wereld waarin we leven laat vergeten. Showtime! Op de tonen van "What's new pussycat?" van Tom Jones bestijgen de vier, getooid in identieke, feestelijke kostuums en met als kers op de taart witte lakschoenen, het podium waarna ze hun set met een zelden geziene gretigheid toepasselijk openden met "The gig".
Die eerste nummers waren zeker niet mijn favoriete maar het ongebreidelde spelplezier liet me dat snel vergeten. Vanaf het vijfde nummer, "Amigo", dat me deed herinneren aan The Band, werd er muzikaal een niveau hoger geschakeld zodat ik me helemaal in het walhalla kon wanen. Na iedere song volgde een ware stoelendans waarin driftig van instrumenten werd gewisseld en waarbij niemand te beroerd was om ook eens achter het drumstel post te vatten. Waar dit bij de meeste bands  voor irritatie zou zorgen, leek het hier enkel de spektakelwaarde te verhogen. Ook al omdat de heren tijdens die onderbrekingen behoorlijk wat spitsvondige sneren aan elkaar uitdeelden. Fun! Daar draait het voor een groot deel om bij Fantastic Cat. Zo werd "Oh man!" ingezet met de riff van "Black Betty" van Ram Jam.
Alle nummers werden geplukt uit de twee LP's en twee EP's die de groep rijk is behalve "If you wanna stay a while" dat op het solo-repertoire van Brian Dunne staat. Graag pik er nog een paar hoogtepunten uit. Het door Anthony D'Amato gezongen "C'mon Armageddon" dat onvermijdelijk deed denken aan Dylan's "Subterranean homesick blues" en afsluiter "Goodnight my darling", een heerlijk ouderwetse slijper gezongen door Don DiLego.
Het bisnummer was meteen de enige cover van de avond: het wondermooie "Keep me in your heart" van Warren Zevon. Net als een jaar geleden wisten deze rasentertainers me te overrrompelen met een pretentieloze, maar meeslepende set waarin de stemmenpracht bijna buitenaards was, de gitaren verfrissend klaterden en de songs getuigden van gedegen vakmanschap. Bovendien bleek Anthony D'Amato, die er de vorige keer in Leffinge door een voedselvergiftiging erg bleekjes bij stond, dit keer in bloedvorm te verkeren.
Niets dan stralende gezichten achteraf en de volgende keer wordt het nog beter want dan brengen ze een echte drummer mee, beloofden ze.

Organisatie: Manuscript, Oostende

Billiam and The Split Bills - Kort en krachtig

Met Billiam and The Split Bills en Piss Rules kregen we twee exponenten uit de zogenaamde ‘egg punk’ voorgeschoteld. Dit subgenre ontstond eigenlijk al begin jaren 10 maar kent de laatste tijd blijkbaar een hausse. Een sluitende definitie is er uiteraard niet maar het gaat vooral om lo-fi punk met een grote doe-het-zelf ethiek en satirische, nerdy teksten waarbij Devo vaak een grote bron van inspiratie is. Volgens sommige bronnen heette egg punk aanvankelijk dan ook devo-core.

Piss Rules is een duo dat zowel Leuven als Bristol gebruikt als uitvalsbasis en met een single, "Carsick", waarop vier nummers in evenveel minuten doorgejaagd worden, op het conto. De twee begonnen hun set vrij lieflijk met een duet dat me aan The Moldy Peaches deed denken. Het bleek slechts stilte voor de storm want daarna werden het tempo en het volume gevoelig opgetrokken. Eggman Meringuewell, lijkwit geschminkt met zwartomrande ogen, ramde zijn gitaar op een onorthodoxe manier terwijl het springerige zangeresje Grandma's Special er probeerde bovenuit te gillen. Poor man's Snõõper dacht ik even. Zelf zeggen ze beïnvloed te zijn door Devo (wie anders?) en Brorlab. Dat laatste kan wel kloppen, hoewel ze toch wat minder extreem zijn dan die Antwerpse groep. Korte nummers met titels als "Nietzsche preacher" en "Senile delinquent" werden telkens ingeleid door spitsvondige commentaren, waarna ze als voetzoekers ontploften. Sympathiek, dat zeker, maar lang zal het me toch niet bijblijven.

Hetzelfde kan ik eigenlijk ook zeggen van Billiam and The Split Bills hoewel deze band uit Melbourne toch wat duurzamer bleek. Billiam maakt naar eigen zeggen autismecore (wat ik me daarbij moet voorstellen is me niet geheel duidelijk) en knutselt zijn platen (en dat zijn er nogal wat) gewoonlijk solo in elkaar op zijn slaapkamer.
Maar als hij de hort op gaat kan hij rekenen op het vierkoppige The Split Bills. Billiam had er duidelijk zin in en voelde zich meteen thuis in de Pit's.
En ik kon hun snotterige en prettig gestoorde punk best wel smaken alhoewel ik me soms stoorde aan de synths die erg lo fi maar vooral ook lelijk klonken terwijl de gitaar te ver in de mix zat. Maar Billiam, die smeet zich ten volle en dat mag je vrij letterlijk nemen. Op een gegeven moment lag hij zelfs languit op de grond tussen het volk. Ook Ada Duffy liet even haar synths voor wat ze waren om  het publiek te gaan verkennen en ze deed dat met een ijselijk gegil, een ware aanslag op de trommelvliezen.
Na een groot halfuur was alle munitie reeds verschoten. Kort en krachtig zoals het hoort, maar toch iets te vluchtig.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Leffingeleuren 2024 - Voor het eerst uitverkocht
Leffingeleuren 2024
Festivaldorp
Leffinge
2024-09-13 t-m 2024-09-15
Ollie Nollet

Zeggen dat ik meteen wild enthousiast werd bij het zien van de affiche van Leffingeleuren 2024 zou de waarheid geweld aandoen. Maar intussen weet ik dat er in Leffinge altijd ontdekkingen te rapen vallen en wat is er leuker dan drie dagen lang in een ontspannen sfeer kennismaken met nieuwe groepen? Blijkbaar zijn er steeds meer mensen die er zo over denken want het festival was voor het eerst in haar bestaan volledig uitverkocht. En de oogst? Die was groot, vooral op zondag bleef het onwaarschijnlijk hoogtepunten regenen.

dag 1 - vrijdag 13 september 2024
Het festival werd in de zaal op gang gefloten door Koala Disco, een vijftal uit Lommel dat onlangs nog de publieksprijs van Humo's Rock Rally won. Het werd een aangename verrassing met alle kanten op stuiterende nummers waarvan de zang (afwisselend man/ vrouw) sterk aan The B-52's deed denken. Frontman/ gitarist Niels Tuijaerts was ook de eerste die deze editie van Leffingeleuren het publiek indook en hij deed dat al vrij vroeg in een set die altijd wel wat te bieden had. Zo kreeg Koala Disco op het eind nog versterking van de paus, of althans een jongere versie, die Tuijaerts meteen een stevige tong draaide.

In tegenstelling tot Koala Disco hield Omni (Atalanta, Georgia) het daarna in de Apollo bij een stevige, strakke sound waarvan niet werd afgeweken. Hun hard door new wave geïnspireerde muziek kon niet langer dan twee nummers boeien en dat ze zichzelf uitgebreid voorstelden met kitscherige loungemuziek als achtergrond maakte me ook al niet veel blijer. 

Met Snapped Ankles (Londen) verschenen er vier vreemde en bijzonder harige wezens, die vermoedelijk van bomen afstamden, op het podium. Hun leider, die gebruik maakte van een mij onbekend instrument dat nog het meest leek op een tak, vroeg meteen om enkel groene podiumbelichting zodat we ons in het diepe woud konden wanen. Daar was het de eerste tien minuten wonderlijk toeven dankzij een hypnotiserende sound vol ongrijpbare, kosmische synths die schatplichtig leken aan Tangerine Dream. Ik maakte me al op voor hét hoogtepunt van Leffingeleuren maar dan werd plotseling alle melodie resoluut gebannen waarmee meteen ook de magie verdween. Wat restte waren niets ontziende beats die resoluut op de dansbenen mikten.

Bad Bangs uit Melbourne liet de mastering voor hun tweede plaat, ‘Out of character’, die eerder dit jaar verscheen, over aan de legendarische Jim Diamond en dan is mijn aandacht meteen gewekt. De vier mochten een vijf weken durende Europese tour aftrappen in het café en ze deden dat met verve. Zelf situeren ze zich tussen punk, country, folk en psych. Ik hoorde vooral complexloze garagerock/pop, rock-'n-roll met een hoge feelgood factor die soms aan Shannon and The Clams herinnerde. Het klonk een stuk steviger dan op plaat en wat was het heerlijk om de twee vrouwelijke gitaristen (tevens zangeressen), Shelby De Fazio en Sophia Lubczenko, onbevangen te zien duelleren. De groep had trouwens speciaal voor deze tour een collectie strings laten ontwerpen die Lubczenko tijdens de set met veel vuur en een exemplaar in de hand aanprees, wat de temperatuur in het stampvolle café nog enkele graden liet stijgen.

Meteen daarna was het opnieuw raak in de Apollo met Snõõper, een geschift vijftal uit Nashville die een plaat, ‘Super Snõõper’, mocht maken voor Third Man Records, het label van Jack White. Het werd een razende storm vol korte explosieve nummers die nooit boven de twee minuten afklokten. Zangeres Blair Tramel, in het dagelijks leven lerares in het basisonderwijs, leek wel een fitnessprogramma af te werken: voortdurend op en neer springend of een halter (die later in de kolkende moshpit belandde) torsend. En ze kon verdomd nog zingen ook. Haar heldere, hoge stem torende steevast boven de teringherrie uit en zorgde zo voor een verfrissende toets. Het ging er bijzonder heftig aan toe, zowel voor als op het podium maar ook puur muzikaal bleef er steeds voldoende te beleven. Zo haalden ze op een verrukkelijke wijze "Come together" van The Beatles door de punkmangel. Tijdens het laatste nummer verscheen nog een enorme pop uit papier-maché, gedragen door de zangeres, op het podium. Van enige vorm van voorspelbaarheid kon je Snõõper niet verdenken. Dit was wellicht het beste wat ik op vrijdag zag.

Daarna had ik Tje aangestipt maar die groep uit Hasselt moest verstek geven wegens ziekte. Zo kreeg ik wat extra tijd om op adem te komen en trok ik met frisse moed naar de zaal voor Whispering Sons. Voor alle duidelijkheid: ik ben absoluut geen onvoorwaardelijke fan van Whispering Sons maar ik zag ze voorheen al eens aan het werk en kon daar toen best wel van genieten. Dit keer bleef ik toch wat op mijn honger zitten. Uiteraard blijft Fenne Kuppens een charismatische frontvrouw. Ook hier wist ze in haar oversized kostuum en met haar duizelingwekkend diepe stem alle aandacht naar zich toe te zuigen. Daarbij werd ze niet echt gehinderd door de overige bandleden, die er wat bleekjes bijstonden. Misschien hoort dit bij dit soort donkere, onderkoelde postpunk maar wat meer weerwerk van de groep had wellicht geen kwaad gekund. Of waren het dan toch de nummers, die bijna allemaal uit de laatste plaat, "The great calm", waren geplukt, die niet konden overtuigen? De devote fans zullen hier ongetwijfeld met volle teugen van genoten hebben maar voor de niet-ingewijden zal dit vermoedelijk toch wat te eenvormig geklonken hebben waardoor de aandacht wat verslapte, getuige het geroezemoes achterin de zaal.

Achteraf hoorde ik dat O. op hetzelfde moment in de Apollo een schitterende set had gespeeld. Dan toch een verkeerde keuze gemaakt maar een mens kan niet alles hebben.

dag 2 - zaterdag 14 september 2024
De eerste band die ik op zaterdag zag was Wombo, een trio uit Louisville, Kentucky. Naar verluidt is de groep tekstueel beïnvloed door de sprookjes van de gebroeders Grimm en Hans Christian Anderson. Dat liet zich muzikaal vertalen in een mix van art-rock en dreampop. De bas van zangeres Sydney Chadwick droeg de melodieën terwijl de gitaar van Cameron Lowe, die soms venijnig uit de hoek kwam, voor de ornamenten mocht zorgen. Veel potten werden er niet gebroken. Daarvoor klonk de zang te broos en waren de songs te weinig memorabel.

Het was wachten op Beige Banquet uit Londen om echt wakker geschud te worden. De vijf begonnen hun set vrij kalm om na enkele nummers compleet los te barsten. De dwingende praatzang van Tom Brierly en de schurende gitaren waren de voornaamste kenmerken maar de stuwende kracht achter deze donkere postrock werd gevormd door een drummer, een percusionist en een beest op bas. Niet meteen mijn ding, daarvoor neigde het te veel naar new wave, maar toch: een intensieve set!

Mohammad Syfkhan werd in laatste instantie aan het programma toegevoegd ter vervanging van Talk Show. Deze Koerdisch/ Syrische zanger vluchtte, nadat IS één van zijn zonen vermoordde, vanuit Raqqa naar Ierland waar hij nu in Carrick-On-Shannon woont. Eerst dacht ik nog dat Guy Mortier plaatsnam op de stoel vooraan het podium maar bij nader inzien bleek het toch de keurig in het pak gestoken Mohammad Syfkhan te zijn. Zijn Koerdische zang en indrukwekkende spel op bouzouki werden begeleid door de (soms te) feestelijke klanken uit een ritmebox. De man probeerde ons aan het dansen te krijgen wat slechts gedeeltelijk lukte. In ieder geval chapeau voor de organisatie om op zo'n korte termijn zo'n waardige vervanger uit de hoed te toveren.

Leffingeleuren, dat is ook pijnlijke keuzes maken. Hier staan zoveel interessante groepen geprogrammeerd zodat spijtige overlappingen niet te vermijden zijn. Ik ben nog altijd van oordeel dat je om een concert echt te beleven je er vanaf de eerste minuut bij moet zijn, liefst zelfs een vijftal minuten vooraf. Ergens halverwege de set binnenstormen om dan na drie nummers te besluiten dat je een goede groep hebt gezien, dat kan er bij mij niet in. Zo verloochende ik mijn punkziel door Plexi Stad links te laten liggen ten voordele van Dijf Sanders, omdat ik die laatste al een paar keer miste en ik hem nu eindelijk eens wou zien. En dat ondanks mijn aversie tegen elektronica. Want wat we hoorden waren elektronische klankentapijten doorspekt met field recordings, meegebracht van verre reizen. Verre van makkelijk verteerbaar maar de inbreng van de fascinerende drummer Simon Segers (De Beren Gieren, Black Flower) zorgde ervoor dat dit niet als een steen om de maag bleef liggen. 
Intussen is Duyster. Live met Ayco Duyster en Eppo Janssen in de Onze-Liev-Vrouw Kerk een vast onderdeel van dit festival geworden en tracht ik elk jaar toch minstens één sessie mee te pikken. En als je er tijdig bij bent kan je er ook even zitten wat mooi meegenomen is.
Dit jaar zag ik er Few Bits, die voor het eerst in zes jaar weer op een podium stonden. De groep van Karolien Van Ransbeeck leek het even te gaan maken toen ze na het verschijnen van ‘Big sparks’ mochten toeren met groepen als The War On Drugs en The Lemonheads. Nu zijn ze terug en is er zelfs een nieuwe plaat op komst. Hun dreampop, gebracht met een akoestische en een elektrische gitaar plus bas klonk verfijnd en sympathiek. Een koerswijziging voor de nieuwe plaat moeten we niet verwachten.

Rendez-Vous uit Parijs bouwde zonder al te veel subtiliteit een muur van geluid gestut door (meestal) drie gitaren. Postpunk of posthardcore met een vleugje grunge die me soms wat deed denken aan Metz maar dan van beduidend lagere kwaliteit. Het drieste geweld miste directie waardoor het zwaar op de maag bleef liggen. Enkel de synths brachten af en toe wat verlichting. Dat ik dat nog mag schrijven! Overigens had één van de gitaristen ook een mooie Moog ter beschikking maar die werd dan weer nauwelijks aangeraakt. Een tegenvaller.

Vervolgens in het café bleek Axis: Sova, een trio uit Chicago dat connecties heeft met Ty Segall, een moeilijk te catalogeren band. Het eerste en het laatste nummer (net dezelfde plaatsen als op hun laatste plaat, "Blinded by oblivion"), "People" en "That dream again" klonken als naar americana neigende rock waarin de mooie stem van Brett Sova klonk als die van Mike Montali (Hollis Brown, Fantastic Cat). Voor de overige nummers, die ook zo goed als allemaal uit die laatste plaat kwamen, ging die vergelijking helemaal niet op. De stem klonk plots veel donkerder terwijl de nummers veel dwarser van structuur waren. Psyched-out artrock met af en toe een nostalgische seventiesrock gitaarsolo, zoiets. Of ik alles even goed vond, daar ben ik nog steeds niet uit. Intrigeren deed het in ieder geval tot de laatste noot.

Daarna werd het weer kiezen: dit keer tussen Pedro The Lion uit Seattle en Dorpsstraat 3. Het werden de Amsterdammers. Die vreemde groepsnaam ontstond toen vrienden door het leegstaande huis van de dorpspriester dwaalden en daar tot hun grote verbazing een kelder vol analoge synthesizers en ritmeboxen aantroffen. Als eerbetoon werd de straatnaam en huisnummer van dit pand hun groepsnaam. De zang van Merlijn Breedland klonk soms wat zeurderig maar het was vooral hun sound die me aansprak. Die stond bol van de ouderwetse synthesizerklanken en refereerde meermaals aan de Turkse psychedelica uit de jaren '60. Mooi!

Met Baby's Berserk zag ik opnieuw een groep uit Amsterdam. Dit drietal gaf een vestimentair goed uitgekiende show waarbij de derrière van zangeres-bassiste Eva Wijnbergen uitgebreid bewonderd kon worden. Sommigen omschrijven hun muziek als DIY glamourpunk, ik hoorde vooral kitscherige disco met wat punkaccenten waar ik al vlug de buik vol van had. Maar het moet gezegd: Wijnbergen is een podiumbeest dat bleef fascineren en zelfs niet te beroerd bleek om zich tussen de boxen en het plafond te wurmen.

Strand Of Oaks zal ik blijven associëren met zijn solo-optreden in het café nu elf jaar geleden op dit eigenste festival. Beter dan toen wordt het nooit en na zijn eerder dit jaar verschenen teleurstellende plaat, ‘Miracle focus’ waren mijn verwachtingen eerder aan de lage kant. Ik maakte me al op om de band neer te sabelen toen de synths als een suikeren deken de muziek dreigden te verstikken. Gelukkig kwam het zover niet en buiten enkele miskleunen bleek dit dan toch een best genietbare set waarin Tim Showalter met veel passie het beste van zichzelf gaf.

Een dag zonder echte hoogtepunten werd dan toch nog afgesloten met een voltreffer. Een mokerslag eerder. Daar zorgde Prison Affair uit Barcelona voor met een half uur ultrakorte rammelende punksongs waarin de gitarist ons nog even op het verkeerde been probeerde te zetten door er de riff van "Paranoid" tussen te gooien. Veel had het allemaal niet om het lijf en de zang leek soms op een plaat die op een verkeerd toerental werd afgespeeld maar de energie die hieruit straalde was onbetaalbaar.

dag 3 - zondag 15 september 2024
ILA, de band van de uit Peer afkomstige Ilayda Cicek, zorgde meteen voor een straffe start op zondag. De drie brachten een gesmaakte combinatie van grunge en noiserock waarbij Nirvana enkele keren om de hoek kwam loeren. Frontvrouw Ilayda Cicek leek alleen maar aan charisma gewonnen te hebben en wist het publiek moeiteloos aan zich te binden.

De vier van Great Gable uit het Australische Perth hadden er een rit van negen uur vanuit Zwitserland voor over gehad om hier te geraken en daar kon ik alleen maar blij mee zijn. Hun mix van slacker rock en surf werkte bijzonder aanstekelijk. De zwoele gitaar van Matt Preen en de soms licht haperende stem van Alex Whiteman, die aan The Strange Boys deed denken, hielden het helemaal volgelopen café in de ban. Toen ze ook nog eens "Blister in the sun" van Violent Femmes coverden, kon het niet meer stuk.

Het podium van de zaal was aardig gevuld toen Ibibio Sound Machine uit Londen aantrad. Zo ontwaarde ik maar liefst twee Moog synthesizers maar die werden niet zo heel veel gebruikt. Speerpunt was uiteraard de feestelijk in geel en zwart uitgedoste Eno Williams, een wonderlijke zangeres met Nigeriaanse roots die op een spontane manier het publiek voor zich wist te winnen. West-Afrikaanse funk en Afrobeat werden gecombineerd met elektronica en wat disco-invloeden terwijl een erg gretige gitarist er nog wat rockelementen aan toevoegde. Maar de kers op de taart kwam van de sublieme blazers (sax en trombone).

University uit het Britse Crewe zorgde voor een explosie aan energie. Mathrock en posthardcore werden afgewisseld met wat emo momenten. Zanger-gitarist Zak Bowker bleek over een mooie huilende stem te beschikken maar meestal schreeuwde hij zich gewoon schor. Een poging tot fluiten ging hem minder af. En dan was er nog Edy, vast lid van de band die voor de 'song title exposition' instond door telkens een papier met de titel erop in de lucht te steken vooraleer het nummer begon. Tussendoor hield hij zich vooraan het podium onledig met wat videogames. Een job als een ander.

De laatste plaat van singer-songwriter Dylan LeBlanc (Nashville), ‘Coyote’, kan me maar erg matig boeien wegens te veel songs die zich lamlendig voortslepen. Erg gerust was ik er dus niet in en de eerste helft van de set was dan nog eens volledig gewijd aan die plaat. Nu was Leblanc wel zo slim geweest om er de beste nummers zoals de titelsong uit te pikken. Bovendien had hij een roedel doorgewinterde muzikanten (The Steel Vaqueros) bij die voor een stevigere aanpak zorgden terwijl die ellendige strijkers gelukkig ontbraken. LeBlanc liet twee gezichten zien. Enerzijds had je de wijd meanderende en van etherische toetsen voorziene sound die dicht in de buurt van de ongenaakbare Israel Nash kwam. Anderzijds waren er de meer gitaar geïnspireerde songs die duidelijk de mosterd gehaald hadden bij Neil Young & Crazy Horse. Misschien had alles wel wat compacter gemogen en die uitgebreide groepsvoorstelling waarin ieder zijn solospotje kreeg leek me wat van het goede te veel.

Daarna moest ik een hartverscheurende keuze maken. Mclusky, de groep waar misschien wel het meest naar uitgekeken werd, stond om 19u in de zaal geprogrammeerd terwijl Cat Clyde, waar ik persoonlijk erg veel van verwachtte, zou er twintig minuten eerder aan beginnen in het café. Het plan was om toch alvast maar de start van Cat Clyde mee te pikken, maar na één nummer wist ik al zeker dat ik hier niet voor de laatste noot zou vertrekken. De Canadese uit Stratford, Ontario begon ronduit verpletterend met "I been drinking", een a capella gebrachte cover van de vooroorlogse blueszangeres Vera Hall, bekend van "Trouble so hard" dankzij de sample van Moby. Klein van gestalte maar met een indrukwekkende stem en een ontwapenende persoonlijkheid zorgde ze voor één van de onmiskenbare hoogtepunten van Leffingeleuren 2024. Zichzelf afwisselend begeleidend op een elektrische en een viersnarige akoestische gitaar reeg ze de ene parel aan de andere, die zich ergens tussen indiefolk en countryfolk situeerden.
Halverwege de set wist ze me zelfs te verrassen met een rock-'n-rollsong, "Man I loved blues". Schijnbaar moeiteloos wist ze alle harten voor zich te winnen. In die mate zelfs dat ik iemand "Will you marry me" hoorde roepen.

Zo miste ik natuurlijk de eerste helft van de wederopstanding van Mclusky, het fenomeen uit Cardiff, Wales. Het drietal klonk nog net hetzelfde als op hun pièce de résistance, ‘Mclusky do Dallas’ uit 2002: beenhard, compromisloos, rauw en toch met enig gevoel voor verfijning. Post hardcore of power postpunk met een theelepel noiserock zou je het kunnen noemen. Frontman Andrew Falkous was bijzonder goed op dreef, kon nog steeds rekenen op die geweldige strot van hem en sneerde tussendoor even naar Nigel Farage. Mclusky staat er weer maar een drummer in zo'n glazen kooi blijf ik geen zicht vinden.

Daarna kon ik even op adem komen aan de Busker Street, een podium in het gratis gedeelte van het festival waar jonge talenten hun kans krijgen. Blue Gene vind ik een mooie naam omdat het me herinnert aan het onsterfelijke "Dirty Blue Gene" van Captain Beefheart. Maar het was toch vooral omdat hij ons ‘cheesy country’ beloofde dat ik hier naartoe trok. Mooie, eenvoudige countrysongs spitsvondig aan elkaar gekout, waartussen zelfs een Spaanstalig nummer. De West-Vlaamse Gentenaar sloot af met zijn nieuwe en smaakvolle single "Texas" waarvan de eerste noten me erg deden denken aan "I'm not drunk, I'm just drinking" van Mack Allen Smith.

Cool Sorcery uit de Braziliaanse hoofdstad Brasilia werd aangekondigd als een éénmanszaak maar toen ik aankwam in het café stond het podium volgeladen met materiaal. Bleek dat Marcos Assis intussen een groep rond zich heeft verzameld. Met zijn vijven zorgden ze voor een ware Braziliaanse furie waarbij het publiek zich niet onbetuigd liet en vanaf de eerste noten een niets ontziende moshpit vormde. Razende punk werd afgewisseld met hoekige jazzrock terwijl "Riders on the storm" van The Doors vakkundig door de psychrockmolen werd gehaald. Naast de verwachte elektronica bestond het instrumentarium verder uit twee gitaren, bas, drums en zelfs een dwarsfluit. Naarmate de set vorderde kozen ze steeds meer voor furieuze punk, verbaasd als ze waren door de enorme respons en daar was niemand rouwig om. Dit was wellicht dé verrassing van het festival.

The Grogans uit Melbourne mochten vorig jaar al eens optreden in café De Zwerver en blijkbaar viel dat toen zo goed mee dat ze nu mochten afsluiten in de Apollo. Met de perfecte line-up zijnde twee gitaren en drums grepen ze me met twee ongelooflijk sterke songs uit hun laatste plaat, "Find me a cloud", meteen bij mijn kladden. "Heads in the sand", garagerock met een zware, fuzzy riff die The Mystery Lights in gedachten riep en "I need you", verslavende retrorock die van The Spyrals had kunnen zijn.
De lat lag meteen erg hoog maar veel minder dan dat werd het nooit buiten een paar te slappe surfnummertjes dan. Een schitterende set werd afgesloten "Hey ma'am", een lap vonkende rock-'n-roll. Zanger Quin Grunden had even daarvoor zichzelf al uitgenodigd voor volgend jaar, ik maak alleszins geen bezwaar.

Daarna zag ik nog de finale van de set van King Hannah uit Liverpool. Een set, die ik op basis van hun laatste plaat, ‘Big Swimmer’, wel helemaal had willen zien. Hannah Merrick, getooid in een indrukwekkende rode jurk, zong mooie liedjes die meestal intiem begonnen, waarna de spanning werd opgebouwd om uiteindelijk te eindigen met een gitaaruitbarsting van Craig Whittle. Best spannend en had ik dit van in het begin mogen meemaken was ik wellicht euforisch geweest. Nu raakte het me niet echt doordat ik nog te bedwelmd was door The Grogans.
Toch was dit een mooi slotakkoord van een alweer zeer geslaagde editie van Leffingeleuren waarvan de zondag er met kop en schouders bovenuit stak.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/nl/component/phocagallery/category/6898-leffingeleuren-2024.html?ltemid=0

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

donderdag 29 augustus 2024 21:55

River City Tanlines - Tweede adem gevonden

River City Tanlines - Tweede adem gevonden

Eerste groep was Itches, nog maar eens een product uit de vruchtbare Kempen, dit keer uit Vorselaar. Itches heeft net een eerste plaat , ‘Two flies in one clap’, uit die werd opgenomen in de Tooth Mountain Studio van Rafael Valles Hilario (Tuff Guac) en uitgebracht door UhmYeahSure Records en Ronny Rex. Zo weet je meteen in welke hoek je het moet zoeken. Moderne psychrock met een hoek af. Het kostte enige moeite om het materiaal, dat blijkbaar geleden had onder het bier tijdens een vorig optreden, deftig aan de praat te krijgen maar eenmaal vertrokken stond er geen rem meer op.
Met een grote gretigheid en tonnen spelplezier brachten ze fuzzy garagerock die me vooral aan Ty Segall deed denken. Niet zonder popgevoeligheid en met zanger-gitarist Philippe Aguilar (bekt wat beter dan Peeters) die al eens een hoog stemmetje durfde op te zetten. Samen met bassist Jonas Torfs en drummer Arno Sels speelde hij een gesmaakte set die toch wat variatie miste. Nochtans wordt de groep geprezen om zijn veelzijdigheid. Misten we iets doordat de set wat ingekort werd? Uiteindelijk werd er in schoonheid afgerond met een Ramones-cover die ik niet meteen kon thuiswijzen.

Ik moest me toch even in de schaarse haren krabben toen ik hoorde dat River City Tanlines naar de Pit's kwam. Was die groep niet al lang dood en begraven? Na hun laatste plaat, ‘Coast to coast’, uit 2012 volgde enkel in 2018 nog een digitale single, "Race/Time", waarna het akelig stil werd rond de band. Niet dat ik ze heel erg miste want hun twee eerdere passages in de Pit's (2005 en 2006) waren verre van onvergetelijk, leerde ik na een duik in mijn archieven. Maar frontvrouw Alicja Trout blijft natuurlijk een naam, vooral in Memphis maar ook ver daarbuiten. Een hardwerkende dame die in talloze groepen speelde, waaronder Mouserocket, Alicja-Pop, Destruction Unit, Nervous Patterns en het beter gekende Lost Sounds, en een eigen platenlabel, Contaminated Records, opstartte. Maar ik zal haar wellicht het langst herinneren als drumster van His C.C. Riders, de groep van de legendarische Monsieur Jeffrey Evans waarin ook ene Jay Lindsey (later bekend geworden als Jay Reatard) gitarist was. Reatard zou trouwens later nog opduiken aan de zijde van Alicja Trout in Lost Sounds en Nervous Patterns.
River City Tanlines bleek met een nieuwe extra gitarist uitgegroeid tot een viertal. Naast Alicja (die steeds meer op Patti Smith begint te lijken), nog steeds op haar vertrouwde Flying V, was enkel drummer John Bonds van de originele bezetting overgebleven. De groep opende met hun laatste wapenfeit "Race/Time" en dat is eigenlijk een Destruction Unit-cover. Ook de twee volgende nummers waren afkomstig van Alicja Trout's nevenprojecten. Eerst "You can't change" van Nervous Patterns (duo Trout/Reatard) gevolgd door "Not gonna be dumb" van Alicja-Pop. Niet meteen de beste songs hoewel het gitaarriffje van "Not gonna be dumb" bijzonder verslavend werkte. De daaropvolgende nummers werden geplukt uit de twee LP's en enkele singles die River City Tanlines op hun actief hebben.
Eerlijke, met de nodige power gebrachte garagerock die op geen enkel moment grensverleggend was, maar die je als een sluipend gif langzaam maar zeker in zijn greep kreeg. De hardrock invloeden werden dit keer tot een minimum beperkt terwijl de komst van een extra gitarist de groep blijkbaar een tweede adem bezorgde. Dit klonk ongetwijfeld stukken beter dan achttien jaar geleden.
Nummers als "Devil made me do it" waarvan de riff verdacht goed leek op die van Them's "I can only give you everything" zorgden voor onverhoopt vuurwerk.
River City Tanlines wist me bijzonder aangenaam te verrassen of zoals iemand zei: derde keer, goede keer. Ik kan enkel maar hopen dat dit de vonk was die de groep herlanceert.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Wine Lips + Crackups - Overrompelend snelle riffs

Het zwoele en plakkerige weer nodigde zeker niet uit om in een volgepakt café naar luide live muziek te gaan luisteren. Maar ik had toch al snel door dat dit veel beter was dan me ergens op een terras lazarus te gaan drinken.
Daar zorgde in eerste instantie Crackups voor, een groep uit Grobbendonk die ik na een vluchtige beluistering van hun tweede plaat, ‘Greetings from Earth’, in 2020 enigszins vergeten was. Totaal onterecht, zo bleek nu. Crackups openden luid en brutaal met een trits korte, nijdige nummers begiftigd met slopende ritmes waaronder de eerder dit jaar verschenen single "Sgt. Haze". Ik maakte me al op voor een set heerlijke, onvermengde punk toen de vier me voor een tweede maal wisten te verrassen door het tempo fors te laten zakken. Het nieuwe "SATAN" begon traag en majestueus, briljant gezongen met die licht gehavende stem van Thomas Valkiers, om dan verder een paar keer tot ontploffing te komen. Meeslepende garagepunk en wat mij betreft de beste song van de avond. Dat belooft alvast voor de later dit jaar te verschijnen derde plaat, ‘Plexi’. Meteen daarna bewezen ze met "Plane crash", de laatste single, opnieuw best wel te weten hoe ze een knap nummer in elkaar kunnen knutselen. Bovendien werd alles soepel en strak ten gehore gebracht door vier gretige, goed op elkaar ingespeelde muzikanten. Naast de eerder vernoemde Valkiers (zang/ gitaar) zagen we Toon Van Looy op gitaar, Niels Meukens op drums en Siebe Le Duc op bas. Een erg sympathieke groep met een zanger die geregeld interactie zocht met het publiek. Zo nodigde hij ons uit om een moshpit te vormen voor een nummer dat na nauwelijks een dertigtal seconden abrupt stopte of verzocht hij iemand uit het publiek die geen gitaar kon spelen om een solo te geven.
Kortom, een verrassend sterke set met alles erop en eraan. Later spelen ze nog op Pukkelpop en de Nederlandse festivals Bruis en Left of the Dial en dat is zeker niet onverdiend.

‘Now that's what I call music’ liet Iggy Pop zich ooit ontvallen over Wine Lips op BBC Radio 6 en wie ben ik om de getaande godfather of punk tegen te spreken. Bovendien werd ik vorig jaar op Sjock zelf van mijn sokken geblazen door dit kwartet uit het Canadese Toronto.
Wine Lips draait vooral om zanger-gitarist Cam Hilborn en drumster Aurora Evans. Op plaat laten ze zich bijstaan door bassist en producer Simon Larochette terwijl ze live beroep doen op gitarist Jordan Sosensky en bassist Charlie Weare. Visueel leek er niet veel veranderd. De zonnebrillen waren misschien wat minder extravagant (Aurora was de hare zelfs vergeten) maar de knevels waren intact gebleven.
Ook muzikaal leken ze niet meteen uit een ander vaatje te tappen. Nog steeds die somptueuze mix van garagepunk, psychedelica en fuzzy noise. Het soort psych rock dat we ook kennen van The Oh Sees. Baanbrekend of grensverleggend zal het wel niet zijn - John Dwyer en co zijn dat trouwens ook al een tijdje niet meer - maar dat geeft niet. Ok, sommigen zullen wellicht moeite hebben met dat hoge schreeuwerige stemmetje van Cam Hilborn maar eenmaal die hindernis genomen, kan je niet anders dan je laten meeslepen in de maalstroom die Wine Lips toch wel is.
We werden voortdurend bestookt met overrompelend snelle riffs, spetterende vocals en beukende drums voortgestuwd door een niets ontziende drive. Zo goed als alle nummers kwamen uit hun twee platen die ze voor Stomp Records maakten: ‘Mushroom Death Sex Bummer Party’ (2021) en ‘Super Mega Ultra’ (2024). Veel werd er niet afgeweken van de beproefde formule hoewel ze toch enkele keren voor wat afwisseling opteerden. Zoals tijdens "New Jazz" waarin heel voorzichtig wat jazz invloeden (jawel!) waren binnengesmokkeld of het instrumentale "Lemon party", één van mijn twee favoriete nummers op de laatste plaat. Het andere, "Cash man", lieten ze helaas in de kast liggen. Een ander verfrissend moment kwam er toen de drumster  met een heerlijk kirrende stem in duet ging met Hilborn. Dat had wel meer gemogen.
Wine Lips leek misschien net iets minder onontkoombaar dan op Sjock, een jaar geleden, door het ontbreken van een moshpit maar daar zal de zweterige atmosfeer wel voor iets tussen gezeten hebben. Mocht Rock Zerkegem nog bestaan dan had het hier de perfecte headliner kunnen vinden.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Raut Oak Fest 2024 - Uniek festival met zicht op de Alpen
Raut Oak Fest 2024
Festivalterrein
Riegsee (Duitsland)
2024-07-19 t-m 2024-07-21
Ollie Nollet

Raut Oak Fest is een klein, onafhankelijk festival zonder sponsoring dat doorgaat in Riegsee, deelgemeente van Garmisch-Partenkirchen in Beieren, een unieke locatie met zicht op de Alpen. Ontstaan in 2011 toen Christian na 4 maanden huwelijk besloot te scheiden en daar een feestje voor gaf. Dat viel zo goed mee dat hij het jaar erop enkele groepen uitnodigde wat de kiem bleek van Raut Oak Fest, een driedaags festival vol underground music dat dit jaar iets meer dan duizend toeschouwers mocht verwelkomen.
Een bijzonder aangenaam festival, oude stijl met slechts één podium, waar het bier in halveliterflessen werd verkocht en waar de bar mee bemand werd door een contingent Vlamingen.

dag 1 - vrijdag 19 juli 2024
Het festival werd vrijdag om 15u30 afgetrapt door het in Londen residerende Fraülein dat niets vandoen bleek te hebben met de gelijknamige song van Townes Van Zandt. Dit duo bestond uit de Noord-Ierse Joni Samuels (zang-gitaar) en de Nederlandse drummer Karsten van der Tol. Iemand omschreef hen ooit als PJ Harvey op een autorally en zelf beweren ze geobsedeerd te zijn door Big Thief. Sympathiek, dat zeker, maar dit was het soort indierock die me niet langer dan vijftien minuten kon boeien.

Daarna kregen we opnieuw een duo in exact dezelfde bezetting. Red Money uit Pau, niet te verwarren met de gelijknamige band uit Richmond, Virginia of de rapper uit Atlanta, bestaat uit Laure Laferrerie (zang-gitaar) en drummer Arnaud Dussiau. Hun laatste plaat, ‘Shake, burn and love’ werd in Nashville geproduceerd door Andrija Tokic, die ook al werkte voor Alabama Shakes en Benjamin Booker. Dat schept toch enige verwachtingen en die werden deels ingelost. Dit was stevige rock die het midden hield tussen grunge en stoner. Niet meteen mijn favoriete genres maar met Laferrerie had Red Money een frontvrouw in huis die naam waardig. Haar gitaar klonk meestal als een overstuurde bas, maar wist toch voor voldoende variatie te zorgen. Verder viel er nog een verrassende cover te noteren: "The whores hustle and the hustlers whore" van PJ Harvey.

Voor velen was Tramhaus, een vijftal uit Rotterdam dat zich waagt aan postpunk met een vleugje noise, dé verrassing van de dag. Voor mij was dat wat minder het geval daar ik ze reeds verschillende keren aan het werk zag. Toch bleven ze ook mij van de eerste tot de laatste noot fascineren en was dit wellicht de beste keer dat ik ze aan het werk zag. Als geen ander weet Tramhaus hard en zacht te combineren. Het is hen vele malen voorgedaan, toch bleef het altijd inventief. We hoorden stuk voor stuk sterke, knap afgewerkte nummers waarin opvallend veel aandacht besteed werd aan de tweede stem. En dan had ik het nog niet over die twee gitaren die van een wilde frisheid getuigden (vooral die van Nadya Van Osnabrugge) of het fenomenale natuurtalent Lukas Jansen. Hoe hij met een onwaarschijnlijke souplesse over het podium dartelde zou zelfs een jonge Mick Jagger doen verbleken. Dat terwijl zijn zang al even wonderlijk was. Vooral tijdens een nieuwe song wist hij me te verbazen door vocaal alles uit de kast te halen. Het doet me nu al reikhalzend uitkijken naar de op 20 september te verschijnen debuutplaat, ‘The first exit’.

Met Earth Tongue uit Wellington, Nieuw-Zeeland kregen we opnieuw een duo waarvan een vrouw (Gussie Larkin) de zang en de gitaar voor haar rekening mocht nemen en een man (Esra Simons) achter de drumkit postvatte. Earth Tongue heeft een gloednieuwe (tweede) plaat,  ‘Great haunting’, uit en dat op het befaamde In the Red Records uit Los Angeles. Voldoende om mijn aandacht te wekken en even leek het erop dat dit een memorabele set zou worden. Dit was het soort heavy psych rock dat ik wel kon smaken. Gussie Larkin bleek een innemende frontvrouw met een heldere, etherische stem die men niet meteen verwacht in dit genre. Ook de riffs die ze uit haar luide gitaar kneep, waren best wel pakkend. Helaas sloeg na een tijdje de eentonigheid toe en schoof Earth Tongue iets te veel richting metal op. 

Afsluiter op vrijdag was Endless Boogie uit New York maar niet uit Brooklyn, wat Paul Major ons meteen met buitengewoon harde taal duidelijk maakte. Waarvoor dat nodig was, is me nog steeds niet geheel duidelijk. Het viertal opende de set met een nummer van om en bij de twintig minuten en de overige nummers zullen wellicht niet veel korter geweest zijn. Maar wat geeft dat? Had het er eentje van 50 minuten geweest, dan had dat me even gelukkig gemaakt. Het recept van Endless Boogie is vrij eenvoudig. Gitarist Jesper Eklow, drummer Harry Druzd en de bassist (van wie de naam me niet bekend is) construeren een minimalistisch, hypnotiserend geraamte waarin de, in een eeuwig streepjesshirt gehulde, bijna 70-jarige Paul Major ongehinderd kan soleren. Effectpedalen zijn daarbij compleet overbodig. Enkel Jesper Eklow trapt af en toe op een wah-wah pedaal. Dat lijkt misschien bijzonder saai, maar dat was het allerminst, integendeel. Die twee gitaren klonken zo subtiel dat er geen ontkomen aan was. Het leken wel virussen die zich steels onder je hersenpan nestelden om je zo in een gelukzalige roes te dompelen. Waaruit we bruusk gewekt werden toen Paul Major een snaar brak, zijn eerste in vijftien jaar. Maar eenmaal dat euvel verholpen werden we met "Vibe killer" naar het walhalla getransporteerd. Endless Boogie zorgde voor twee uur puur genot en was vast van plan om dat zondagavond nog een half uur langer te doen. 

dag 2 – zaterdag 20 juli 2024
De line-up op zaterdag stond volledig in het teken van de vorig jaar op 60-jarige leeftijd overleden Chris Johnson. Chris Johnson was de oprichter van het Deep Blues Fest, het grootste alternatieve bluesfestival ter wereld en godfather van de Deep Blues Community. Zijn belang voor die groepen die hun blues of roots net iets rauwer en ongepolijster laten klinken kan niet overschat worden. Alle groepen die op zaterdag optraden hadden dat vroeger ook op Deep Blues Fest gedaan.

Opener op zaterdag was Mudlow uit het Britse Brighton. Met zijn drieën (gitaar/zang,bas en drums) brachten ze donkere blues die wellicht beter tot zijn recht zou komen in een nachtelijke kroeg dan op deze zonovergoten weide. Knap gedaan maar echte vonken bleven uit. Tobias Tester liet af en toe een sardonisch lachje horen tussen de nummers en ergens hoopte ik dat hij ook zo eens zou zingen. Maar hij bleef het beschaafd houden, zeker toen hij "Flesh and blood" van Joe Henry coverde.

Reverend Deadeye is afkomstig uit Denver maar woont al een tijdje in Zwitserland, waar hij ook zijn drumster vond. De man is reeds meer dan twintig jaar actief en mag dus stilaan bij de veteranen gerekend worden. Maar sleet zat er alvast niet op. De vlam sloeg meteen in de pan met "Drunk on Jesus". Een ander hoogtepunt was "Can't take it with you" terwijl hij verder verrassend veel nummers uit zijn eerste en niet meer te verkrijgen plaat bracht. Niet alles was even sterk maar zijn enthousiasme werkte toch aanstekelijk. Zo zagen we hem zijn tamboerijn, die meestal aan zijn voet hing, gebruiken als slide.

CW Ayon was thuis in Las Cruces, New Mexico gebleven, zodat de rest van het programma wat vooruit werd geschoven. Dat leek me eigenlijk niet slecht uit te komen, zo zou ik wat vroeger naar bed kunnen. Die voorsprong op het uurschema werd echter meteen tenietgedaan door de tegensputterende Fender Rhodes van James Leg. Het kostte enig moeite om het orgel, dat hier een jaar onaangeroerd was achtergebleven (James Leg mag ieder jaar acte de presence geven op Raut Oak), terug aan de praat te krijgen.
Maar er was nog meer aan de hand. Onze man uit Chattanooga, Tennessee was afgezakt naar Riegsee zonder drummer. En hoewel er een drumstel werd opgesteld (en nadien ook weer afgebroken) en er een naam van een mogelijke invaller circuleerde besloot James Leg te experimenteren met een drumcomputer. Iets om nooit meer te herhalen want dit klonk gewoon schabouwelijk. Los daarvan hoorde ik een behoorlijk sterke set die geopend werd met twee nieuwe nummers, die het beste laten verhopen voor de nieuwe plaat. Wat kalmer dan gewoonlijk maar met tonnen soul. Meteen daarna bereikte hij ongekende hoogten met een adembenemende en nooit eerder zo intens gebrachte cover van Nina Simone's "Sinnerman". Hij draagt blijkbaar niet voor niets een broeksriem met de beeltenis van deze legendarische zangeres. Daarna bleef het hoogtepunten regenen met onder meer "Every damn time", "Georgia" en zelfs "A forest" dat het origineel van The Cure liet vergeten.
Dat hij een meester is in het zich eigen maken van andermans nummers bewees hij nog maar eens met de twee afsluitende songs: "Drinking too much" (The Kill Devil Hills) en "Fire & brimstone" (Link Wray).

De revelatie van Raut Oak 2024 was ongetwijfeld Restavrant, oorspronkelijk uit Victoria, Texas maar verkast naar Los Angeles. Helemaal uit het niets komen ze nu ook weer niet. In 2012 wist dit duo me al te verrassen met de plaat ‘Yeah, I carve cheetahs’, uitgebracht op Hillgrass Bluebilly Records, maar daarna volgde de absolute stilte. Tot deze passage en dat zal ik geweten hebben! Wat een rollercoaster was dit. Tijd om adem te halen hadden we nauwelijks. Restavrant (zoek niet te veel achter die naam, gewoon verkeerd geschreven) wist als geen ander blues en punk te combineren in ultrakorte en van moordende tempos voorziene nummers. Zanger Troy Murray, wiens petje meer dan één wasbeurt kon gebruiken, ramde op met spuug en paktouw aan elkaar hangende gitaren terwijl Tyler Whiteside een elektronische drumset combineerde met een conventionele snare drum en een hoop trash waaronder plastieken emmers, een autovelg, aan elkaar geknutselde nummerplaten en een gasfles. Achteraf was hun merchandise in geen tijd uitverkocht.

Dat Left Lane Cruiser (Fort Wayne, Indiana) er zin in had werd meteen duidelijk. Nooit eerder hoorde ik Freddie J IV zo de longen uit zijn vege lijf schreeuwen. Zat de volle maan hier voor iets tussen of wou hij er zich van verzekeren dat we Restavrant meteen vergaten. Het werd een onstuimige set (drummer Brenn Beck gaf tussendoor enkele richtlijnen voor de moshpit maar problemen waren er nooit) die niet zo heel veel verschilde met die van in de 4AD enkele weken geleden. Uiteraard kon het lang niet meer gehoorde  "Mr. Johnson", een eerbetoon dat reeds dateert uit 2008, hier niet ontbreken.
Dit was reeds de vijfde keer tijdens deze tour dat ik ze zag en geloof het of niet: van verzadiging is nog steeds geen sprake. Dit was nog maar eens een immens festijn van rauwe, beukende garageblues vol demonische gitaren en triomfantelijk klinkende drums .
Voor de afsluitende en erg uitgebreide jam vroeg Left Lane Cruiser dit keer niet enkel vrijwilligers uit het publiek, die eerst nog abusievelijk door de security terug van het podium werden gejaagd, maar kwam er ook assistentie uit de coulissen opdagen: James Leg en de drie kinderen van Chris Johnson waarvan er één een gitaar bijhad. Veel muzikale potten werden er niet meer gebroken, dit leek eerder een kakofonie maar het straalde wel een enigmatisch gevoel van samenhorigheid uit zodat je toch gefixeerd bleef toekijken.

Na al dat geweld mocht Guadalupe Plata uit het Spaanse Úbeda de tweede festivaldag in schoonheid afsluiten. Zanger Pedro De Dios is een fenomenale gitarist, erg gestileerd en met veel gevoel voor details. Samen met drummer Carlos Jimena en enkele gasten boetseerde hij cinematografische songs met diepe wortels in de blues. Plots konden we zelfs even mee neuriën toen hij "El Condor Pasa" zijn set in smokkelde. 

dag 3 – zondag 21 juli 2024
De zondag begon met een traditioneel ontbijt (waarvoor ik gepast heb) dat opgevrolijkt werd door een uitgebreid orkest onder de eik. Die Landlergschwister uit München telde maar liefst veertien leden: 4 klarinetten, 4 trompetten, een tuba, 2 drums, een accordeon, een banjo en een gitaar annex zang. Gezeten in een grote kring speelden ze de sterren uit de hemel, waarbij we af en toe een cover, zoals "The Model" van Kraftwerk, konden noteren. Een bijzonder aangename verrassing.

De eerste band op het podium kwam ook uit München. Ippio Payo, een project van multi-instrumentalist Josip Pavlov, hield het bij tamelijk experimentele indierock. Knappe momenten, waarbij ik dacht dat hij weleens zou kunnen solliciteren bij ‘Thrill Jockey’, werden te vaak afgewisseld met richtingloze probeersels, al moet ik toegeven dat mijn concentratie nog niet volledig op punt stond.

Dat was wel het geval bij Screaming Dead Balloons uit het Griekse Larissa. Ze haalden hun naam bij het gelijknamige boek, een spannende avonturenroman van Philip McCutchan uit 1968. Een belezen band? Verder viel daar alleszins niet veel van te merken. Met zijn drieën (gitaar, bas, drums) brachten ze vrij stereotiepe psychrock die net iets te weinig uitschieters kende. Maar echt vervelend werd het nooit en toen zanger Ioannis Pispirikos zijn gitaar ruilde voor een mandoline kreeg hun muziek plots een Grieks trekje. Dat had hij gerust meer mogen doen. 

Intussen hadden donkere wolken zich onheilspellend samengepakt en werden we plots gevraagd om het terrein te verlaten en te gaan schuilen in tent of wagen. Wie geen van beide had, kon terecht in een schuur. Binnen enkele minuten was de site ontruimd en bijna meteen daarna brak het tempeest los.
Gelukkig zonder schade en na een paar uur onderbreking mocht Cantes Malditos uit het Spaanse Granada de draad weer oppakken, zij het in de schuur. Verre van ideaal want slechts een paar rijen konden de vier artiesten, die zittend speelden, zien. We herkenden gitarist Pedro De Dios, die we de vorige avond bij Guadalupe Plata hadden gezien. Maar dit keer was de ster Antonio Fernández, een waarlijk fenomenale zanger. Cantes Malditos laat zich vertalen als vervloekte liedjes en gezien de lichaamstaal van Fernández kregen we die ook te horen. Ik ben niet meteen een flamenco fan maar zoals het hier gebracht werd met af en toe een miniem scheutje blues of country, daar kon ik alleen maar mijn hoed voor af doen. Schitterend!

Intussen was het podium netjes opgedweild voor Lonesome Shack uit Escondido, Californië. Opnieuw een exponent uit de Deep Blues community, normaal met zijn drieën maar de drummer was ziek thuisgebleven. Dus moesten zanger-gitarist Ben Todd en Luke Bergman, afwisselend op bas en dobro, het met zijn tweeën zien te rooien, wat naar mijn mening niet helemaal lukte. Het knappe gitaarspel, dat even deed denken aan John Fahey, gecombineerd met die ijle zang van Ben Todd zorgde voor mysterieuze blues maar het hypnotiserende zoals we dat kennen van een Junior Kimbrough bleef dit keer uit. Wellicht door het gebrek aan een drummer. Toch nog altijd goed genoeg om mijn interesse te wekken voor hun nieuwe plaat, ‘Song of the Horse’ die intussen verschenen moet zijn. 

Een twee en een half uur durende show van Endless Boogie. Dat was de geplande apotheose voor deze editie van Raut Oak. Velen keken ernaar uit, maar door de opgelopen vertraging was hier uiteraard geen tijd meer voor. Het einduur was immers al bereikt, nog voor de groep kon beginnen. Toch kregen we nog een volwaardige set met zoals beloofd enkel nummers die we op vrijdag niet gehoord hadden. Paul Major had zelfs zijn eeuwige streepjesshirt in de kast gelaten, een poging om het contrast nog duidelijker te maken? Tot tweemaal toe werd een inzet gemist, wat liet vermoeden dat ze minder vaak gespeelde nummers hadden geselecteerd.
Toch was dit weer Endless Boogie van de bovenste plank. Wat bluesier en zompiger dan op vrijdag en met een Paul Major die tijdens het laatste nummer zowaar ging scatten. Dat terwijl de regen met bakken uit de hemel viel en de frontstage in een modderpoel was herschapen. Maar dat kon geen domper zetten op een alweer adembenemend optreden van Endless Boogie.

Organisatie: Raut Oak Fest

Left Lane Cruiser - Demonische slidegitaar

Een heel mooie opkomst voor een groep die eigenlijk veel te lang was weggebleven uit de Belgische zalen. Na de vaste thuisstek in de 4ad, waren ze nog te zien in de Botanique, met dank aan het vroegere Rootsandroses. Left Lane Cruiser is duidelijk nog niet vergeten …

Dat volk was nog maar net aan het binnensijpelen toen de eerste band eraan begon. Till Morninglight uit het Oost-Vlaamse Berlare was oorspronkelijk een duo maar is intussen uitgegroeid tot een trio dat zijn muziek graag laat omschrijven als garagerock met een toefje blues. Nu is garagerock een uiterst rekbaar begrip maar hetgeen ik hier hoorde, deed me toch eerder denken aan classic rock maar die term klinkt uiteraard minder aantrekkelijk voor een jonge groep. De drie, allen getooid in een beeldig streepjesshirt, probeerden ons  te overtuigen met energiek gebrachte rock waarop weinig af te dingen viel. Zanger-gitarist Frederik Vanhoo, die zich geweldig leek te amuseren, beschikt over een forse strot en samen met drummer Lode Haleydt en bassist Daniel Guerrero wist hij een strakke sound te smeden.
Korte, krachtige songs gebracht met de gretigheid van jonge veulens en toch bleef ik wat op mijn honger zitten. Dit klonk net iets te gestroomlijnd om mijn hart wat sneller te laten kloppen terwijl ik tevergeefs wachtte op een nummer dat er bovenuit sprong. Toch blijf ik geloven dat Till Morninglight voldoende potentieel heeft om in de toekomst wat meer potten te breken.

Left Lane Cruiser uit Fort Wayne, Indiana werd in 2004 boven de doopvont gehouden maar het duurde tot 2008 vooraleer ik ze leerde kennen. In dat jaar verscheen hun eerste officiële plaat, het fenomenale "Bring yo' ass to the table" en dat precies een jaar nadat "Every damn time" van dat andere duo, Black Diamond Heavies, op hetzelfde ‘Alive Records’, me ook al een mokerslag bezorgde. De toekomst van de rock-'n-roll zag er toen plots heel rooskleurig uit. Maar mooie liedjes duren doorgaans niet lang. In 2010 gaven Black Diamond Heavies er de brui aan terwijl het voortbestaan van Left Lane Cruiser ook even aan een zijden draadje hing toen drummer Brenn Beck besloot ermee te kappen om zo voor zijn gezin te kiezen. Maar Frederick ‘Joe’ Evans IV is een doorzetter en hij vond in 2014 met Pete Dio een nieuwe drummer en kreeg er zelfs heel even gratis een totaal overbodige bassist (Joe Bent) bij. Vijf jaar geleden keerde Brenn Beck terug op het oude nest en enkele weken terug verscheen er ook een eerste plaat van die hernieuwde oerversie van Left Lane Cruiser: ‘Bayport BBQ Blues’, een eerbetoon aan hun mentor en oprichter van het Deep Blues Fest, Chris Johnson, die vorig jaar overleed.
De set begon met het iconische "Wash it", een nummer uit die eerste plaat dat drijft op het ratelend wasbord, de bonkende basdrum en het droge getik op een koebel van een staande Brenn Beck. Voeg daarbij de gruizige stem en de demonische slidegitaar van Freddie J IV en je hebt vintage Left Lane Cruiser. De avond kon toen al niet meer stuk, hoewel er na de tweede song toch wat twijfel rees toen het geluid plots begon te sputteren. Schuldige bleek een niet volledig gerodeerde nieuwe mengtafel maar dat euvel was snel verholpen zodat het feest opnieuw in alle hevigheid kon losbarsten.
Hoewel Left Lane Cruiser intussen reeds zo'n tiental platen heeft gemaakt die nagenoeg volledig gevuld zijn met eigen werk, blijft het duo ons tijdens hun optredens verrassen met niet altijd even voor de hand liggende covers. Dit keer hoorden we een paar keer RL Burnside, "Wild about you, baby" van Hound Dog Taylor, "Mule plow line" van Jimbo Mathus en een verwoestende versie van Freddie King's "Going down".
Uiteraard diende er ook nieuw werk geïntroduceerd te worden en dat waren stuk voor stuk adembenemende parels: "River Picker" dat kon bogen op een meeslepende proggy gitaar, het uitermate smerige "The desert" of het slidefestijn "Big momma shake" dat alle botten in je lijf door elkaar schudde. Ook wie kwam voor het oude werk werd ruimschoots op zijn wenken bediend. Dat andere "Big momma" uit 2008, "Amy's in the kitchen" dat werd aangekondigd als een song over ‘neuken in de keuken’ (ja, het Nederlands van Freddie gaat erop vooruit) en "Mountain top" dat reeds in 2006 verscheen op een in eigen beheer uitgebrachte cd, ‘Gettin' down with it’, die in 2010 een re-issue kreeg, zijn maar enkele voorbeelden. Bluesrock, garage blues, trash blues, hillbilly punk,...? De muziek van Left Lane Cruiser omschrijven lijkt onbegonnen werk waarbij woorden telkens te kort schieten. Slechts met zijn tweeën creëerden ze een onwaarschijnlijk volle en unieke sound. Het exceptionele gitaarspel van Freddie J IV is nog inventiever geworden, alsof de duivel ermee gemoeid is. Hij geselde waarlijk zijn snaren tot ze er als slappe elastiekjes bij hingen terwijl Brenn Beck zijn drums heerlijk triomfantelijk liet knallen.
Left Lane Cruiser sloot af met een jam geïnspireerd op het werk van John Lee Hooker waarbij een viertal fans het podium op mochten om er percussie-instrumenten te bespelen. Niet iedereen was daar even bedreven in. Vooral de man met het wasbord wist duidelijk niet waarvoor dat ding op zijn borst diende. Zo eindigde een buitengewoon intense set nog met een vrolijke noot.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Slim Cessna's Auto Club - Weergaloos muzikaal ritueel

Met Tripodero stond een gloednieuwe Oostendse band op het podium waarvan ik één lid kende: Fabian Schweiger. En dat is zeker geen onbekende in de 4AD. De laatste keer dat ik hem daar zag, zal wellicht met Saddle For Sale geweest zijn. Tripodero, genoemd naar een mythisch, angstaanjagend beest, maakt naar eigen zeggen soggy containerpunk. Maar dat zal dan waarschijnlijk enkel slaan op hun repetitieruimte, een aftandse, vochtige container, want veel punk heb ik niet gehoord. Het drietal (twee gitaren en drums) begon verrassend sterk met "Voodoo recipes", een rock-'n-roll nummer dat uit de catalogus van Dave Edmunds geplukt kon zijn en waarvan de gitaren me kippenvel bezorgden. Tijdens de tweede song gingen ze nog even op dat elan door, maar daarna werd er vlot van stijl gewisseld.
Naast rock-'n-roll hoorden we nu ook americana, country, seventiesrock en één enkele keer punk, wellicht niet toevallig het enige nummer dat Fabian zong. Dat terwijl de zanger zijn gitaar voor enkele nummers ruilde met een basgitaar. Niet alle songs waren even sterk maar de sound bleef overeind en de gitaren sprankelden tot de laatste noot. Achteraf was ‘te braaf’ het meest gehoorde commentaar maar dat vond ik dit keer eigenlijk geen bezwaar.

Slim Cessna's Auto Club uit Denver, Colorado ontstond in 1992 uit de assen van The Denver Gentlemen, een groep waartoe ook David Eugene Edwards en Jeffrey-Paul Norlander van 16 Horsepower behoorden. Slim Cessna is de enige constante in de groep en die vreemde groepsnaam is eigenlijk een eerbetoon aan één van Cessna's vrienden die een collectie oude auto's bezat. Eerst heette de band trouwens San Juan's Car Club maar na wat puzzelen werd er uiteindelijk voor Slim Cessna's Auto Club gekozen.
Hun moeilijk te catalogeren muziek wordt meestal omschreven als gothic country of dark folk, zelf definiëren ze het als de Denver sound wat dan op een brede mix van country, alt country, American gothic, folk, garagerock, americana en gospel lijkt. Jello Biafra, op wiens label, ‘Alternative Tentacles’, ze enkele platen uitbrachten, omschreef de groep misschien nog het best toen hij ze ‘the country band that plays the bar at the end of the world’ noemde.
SCAC vloog er meteen in met het onbehoorlijk rammelende "Pine Box", een oud nummer uit 2005. Het werd een set waarin de laatste plaat, ‘Buell Legion’, het tweede deel uit het drieluik, ‘Kinnery of Lupercalia’, centraal stond. Bijna alle nummers uit die plaat passeerden de revue maar ook ‘Cipher’ uit 2008 was met vijf songs ruim vertegenwoordigd. Het werd een weergaloos muzikaal ritueel met als ceremoniemeesters Slim Cessna en Munly Munly die ons voortdurend verblijdden met hun gewiekste, synchrone danspasjes of hun dubbelzinnige tafereeltjes met homo-erotische elementen. Daarbij was de Heer nooit ver weg, getuige nummers als "Jesus is in my body - My body has let me down" of "Everyone is guilty #2". Die twee publieksmenners werden in de rug gedekt door vier niet te onderschatten muzikanten. Rebecca Vera, partner van Munly Munly op keyboard en pedal steel, die ze regelmatig met een strijkstok attaqueerde; Lord Dwight Pentacost op doubleneck gitaar versierd met een Heilig Hart afbeelding en op een door effecten onherkenbaar klinkende banjo; nieuweling George Cessna (zoon van Slim) op bariton gitaar en de spitsvondige drummer, Andrew Warner, die soms aan een percussie block (tijdens "Ichnabod") genoeg had.
De set was vernuftig crescendo opgebouwd en kende een uitgesproken hoogtepunt toen Munly Munly, die er nog steeds uitziet als een levend lijk, het publiek introk om er zieltjes te winnen. Als een volleerd levend standbeeld wist hij enkel met zijn ogen aanwezigen tot knielen te dwingen. Zelf kon ik er ook niet aan ontsnappen en ging gedwee door mijn roestige knieën. Tot een verlossing van mijn kwaaltjes heeft dit niet geleid maar mijn geloof in de muzikale exploten van SCAC werd nog maar eens gesterkt.
Slim Cessna liet van zijn kant meermaals weten hoezeer hij het een privilege vond om (voor de derde keer) in deze zaal te mogen spelen. "Standaard geslijm" denk je dan maar hier was ik toch geneigd hem te geloven want ik meen dat ik SCAC tijdens deze erg lange set nooit eerder zo gedreven en vol vuur aan het werk zag en ik mocht ze toch al zo'n vijf keer meemaken.
En dan was er nog die merkwaardige bisronde waarin tijdens het tweede nummer, het erg noisy "Americadio" nog eens alles uit de kast werd gehaald en de zaal volledig uit zijn dak ging.
Dan denk je "nu hebben we het wel gehad" maar toen het stof wat was gaan liggen stond de groep nog steeds op het podium en werd er doodgemoedereerd een nieuw nummer ingezet.
Daarna bleek het nog steeds niet afgelopen want Slim Cessna bracht met wat assistentie van zoon George een karaokeversie van Kris Kristoffersons "For the good times". Een vreemd einde van een bijzonder indringende set.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Pagina 4 van 24