Het Belgische boekingskantoor Toutpartout bestaat vijftien jaar. In die vijftien jaar bouwde spil Steven Thomassen met een handvol medewerkers zijn agency uit tot een Europese naam. Ze vierden dit samen met een uitgelezen selectie van artiesten en bands, die zich twee avonden zouden huisvesten in de verschillende zalen van de Botanique. Een mooie ontdekkingstocht. Op deze tweede avond konden we er terecht voor Phosphorescent, The Black Heart Procession, Dosh, Githead, Lightning Dust en Deer Tick. Een tweede succesvolle avond die de vijftien kaarsen op de taart in één adem uitbliezen van Toutpartout!
Deer Tick (Rotonde), een jong kwartet uit Providence, Rhode Island, intrigeerde in z’n vijfendertig minuten speelduur. Ze putten uit de ‘80’s countryrock van Green On Red, gaven er een rock’n’roll lick op en sloegen richting freakfolk in. De songs klonken intens rauw, broeierig en bedreven. De meerstemmige zang gaf kleur. Twee platen heeft het gezelschap totnutoe uit en het lijkt me naderhand interessant de cd’s te beluisteren, want met songs als “Smith hill”, “Hope is big”, “Easy” en “Straight up storm” overtuigden ze heel sterk! Tja, Toutpartout trekt niet voor niks leuke ontdekkende bandjes aan.
Lightning Dust (Orangerie) is een zijproject van de succesvolle Canadese stoner/psyche/americana band Black Mountain. Het is nu niet eens de bandleider Stephen McBean ( project: Pinkmountaintops), maar zangeres Amber Webber en drummer Joshua Wells die er achter zitten. Ze worden nog aangevuld met een ander vrouw – man duo en brengen overwegend lichtvoetige, breekbare en soms uptempo retrorockende indiepop. De piano/toets en de innemende, nasale en licht neurotische vrouwelijke zang (ergens tussen Janis Joplin en Hope Sandoval) zijn de rode loper. Hier komen geen pedaaleffects of psyche vocals aan te pas. Het gaat van de sfeervolle “Take me back” en “Antonio Jane”, naar het elektronisch neigende “I knew” en de orkestratie van “Dreamer” tot het epische opbouwende “Take it home”. Tot slot een regelrechte rockende prairie/countryfiller, “Wind me up”, toonde aan dat dit gezelschap, naast de gierende geweldpleging van Black Mountain, zich onderscheidde met slepende (rauwe) en rijkelijk gelaagde (emotioneel subtiel) songs op de plaat ‘Infinite Light’.
Colin Newman houdt af en toen eens een Wire-reünie, maar legt zich de laatste jaren vooral toe aan z’n Githead (Rotonde) project dat hij een kleine vijf jaar geleden oprichtte, samen met gitarist Robin Rimbaud, bassiste en vrouwlief Malka Spigel en drummer Max Franken, die al allemaal sporen hebben verdiend bij andere bands waaronder Minimal Compact.
Ze zijn terug op tournee om de recente derde plaat ‘Landing’ voor te stellen. En hier horen we een Githead op z’n best. Ook live werd hun arty pop gekenmerkt door een repetitief intrigerende opbouw en stomende, hitsende ritmes. We zagen een gretig spelende band, die graag een tandje bijzette. Het bevestigde de stelling alvast van vier rasmuzikanten: de tandem Rimbaud – Newman, beiden uiterst geconcentreerd op hun gitaarspel, het diepe basspel van Spigel, en Franken die de maat aangaf en vaart pompte in de songs.We werden meteen opgezogen in de verslavende werking van hun songs. Er was op die manier weinig ruimte voor hun sfeervol dromerige indie van vroeger platenwerk. De aanstekelijke, coherente instrumentale sleper “Faster” vormde het uitgangsbord voor “Drop”, “Live in your head”, “All set up” en de songs die Spigel zong, “Take off” en “Lightswimmer”. “Over the limit” refereerde het nauwst aan de gloriedagen van Wire en met een verbluffende versie van “Raining down” (ruim acht minuten) vatten ze hun hypnotiserende, bezwerende groove, rauwe intensiteit en ruwheid in een puike melodie samen. Het jonge gitaargeweld kan lessen trekken uit de verzengende livegig van Githead.
We waren duidelijk onder de indruk van deze Githead veterans, waardoor we de eclectische sound van Martin Dosh (Witloof Bar) misten …
Van een andere toonaard was The Black Heart Procession, uit San Diego (Orangerie) onder de tandem Paul Jenkins en Tobias Nathaniel. Na ruim drie jaar is het weinig vrolijke gezelschap toe aan hun zesde plaat ‘6’. Het kwintet is gegroeid uit 3 Mile Pilot ‘( in 2010 wordt de langverwachte reünieplaat verwacht!), die de basis was van het ‘Duyster’- geluid van intens pakkende, doorleefde tristesse over dood, verderf, hel, verdoemenis, zelfmoord en drugs. De songs worden bepaald door een monotoon declamerende voordracht in een ware Cave-iaanse stijl, een dreunende gevoelige pianotune, sfeervolle vioolpartijen en een zingende zaag. Ook hier grijpen binnen die sombere stemming de songs bij het nekvel en hebben ze een verslavende werking. Ondanks de zware littekens die de songs uitstralen, klinkt het geheel op de laatste plaat en live wat aantrekkelijker, breder, intenser en krachtiger. Muzikaal zijn zij duidelijk naar Cave & The Bad Seeds en Twilight Singers opgeschoven.
Ze openden met het intieme “All kind of summer” uit hun debuut, minimaal gehouden door een vervlogen piano- en vioolpartij, een zingende zaag en Jenkins’ klaaglijke zang, die even getormenteerd klinkt als Pere Ubu’s David Thomas. Met de ganse band hoorden we een bezwerend forser geluid op het ouder materiaal, “All my steps”, “Release my head”, “Square heart” en “Tropics of love”, die perfect naast de huidige slepende donkere trips staan van The Black Heart Procession als “Wasteland”, “Drugs”, “Heaven & a hell” en “Suicide”, die de subtiliteit en klankkleur niet het oog verloren. De groep kon rekenen op een ruime belangstelling en was z’n fans door de jaren erg dankbaar. We kregen nog twee songs als bis, de donkere intimiteit vs een breder rockende aanpak, waarbij “The church is red” in een rootsamericana kleedje werd gestopt!
De laatste keer dat we Matthew Houck in een full band presentatie Phosphorescent aan het werk zagen, hoorden we een rootsrockende band die de klankkleur van de ingetogen etherische platen stevig injecteerde. Houck besloot solo de tweedaagse Toutpartout happening en keerde terug naar de bron van z’n songs in een pakkend easy listening americana van ontroering, weemoed en melancholie. De dromerige ballads klonken af en toe wat krachtiger, bepaald door z’n begeesterende, bezwerende gitaarspel en z’n hemels klaaglijke zang, wat hem in de lijn bracht van Iron & Wine, Will Oldham en Jason Lyte. Hij smukte z’n ingetogen materiaal op door z’n leuke bindteksten en door de backing vocals van de Deer Tick en Lightning Dust crew (o.a. op “Los Angeles”); heerlijke trips hoorden we van “Joe Tex, these taming blues” en “Cocaine lights”, alsof hij op twee gitaren tokkelde, en een minimaal gehouden “Endless”. Uit de hymne ‘To Willie’ pikte hij o.a. “It’s not supposed to be that way”, “Reasons to quiet” (written by Merle Haggard), “Permanently lonely” en Hank Cochrans “Can I sleep in your arms”. Deze afsluiter bracht de gepaste gemoedsrust na de twee avonden …
Organisatie: Toutpartout ism Botanique, Brussel