logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

giaa_kavka_zapp...
Suede 12-03-26
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 16 februari 2012 01:00

A different kind of truth

Van Halen staat nog altijd garant voor één van de meest memorabele hardrock platen uit de geschiedenis, namelijk dat onvolprezen debuut ’Van Halen’ uit 1978 met tijdloze klassiekers als “Eruption”, “Running with the devil”, “Ain’t talking bout love”, “Jamies’s crying” en die formidabele cover van de Kinks hit “You really got me”. Zowat de hele plaat was een bom, en dat kwam voornamelijk door de explosieve chemie die er ontstond tussen de vlijmscherpe gitaarlicks van Eddie Van Halen en de wonderlijke strot van groupie-verslinder David Lee Roth.
Hoewel de band nadien nog vijf behoorlijk sterke platen maakte kon men dat huzarenstukje nooit meer evenaren en na het album ‘1984’, die nog de wereldhit “Jump” opleverde, waren de heren elkaar zodanig beu dat ze er met slaande deuren de brui aan gaven. Roth begon aan een succesvolle solocarrière en EddieVan Halen trachtte zijn groep kunstmatig in leven te houden met als nieuwe zanger de heel wat minder getalenteerde Sammy Hagar aan boord (en later zelfs -zowaar nog erger- met Gary Cherone van het verschrikkelijke Extreme). Het Amerikaanse publiek slikte het nog wel, maar de platen die daaruit voortvloeiden verzonken in een poel van typisch Amerikaanse AOR rock met een alarmerend hoog knuffelrock gehalte. Goede verstaanders hadden het algauw door : Van Halen zonder David Lee Roth is als een tiet zonder tepel, het lijkt gewoon nergens op.
28 jaar na datum (28 !) is de vete tussen de twee kemphanen eindelijk bijgelegd en daar is een tournee en een plaat van gekomen. De hamvraag blijft natuurlijk : kunnen de heren op leeftijd nog even scherp uit de hoek komen als destijds ? Wij hebben daarop een verrassend antwoord klaarliggen voor u, een volmondig ja !
De ervaren rotten zijn vol van de goesting aan de slag gegaan met wat oude demo’s en onafgewerkte songs daterend van voor hun debuutplaat en de sound ligt volledig in het verlengde van wat er op dat fenomenale debuutalbum te horen was. Het is heavy en het rockt dat de vonken er van af springen. Eddie Van Halen en David Lee Roth drijven elkaar tot het uiterste, de riffs en solo’s van Eddie zijn snedig, snel en hard en de vocals van David Lee Roth hebben in lang niet zo gedreven en geïnspireerd geklonken. De Van Halen factor is ook nog wat aangedikt, want Eddie heeft voormalig bassist Michael Anthony vervangen door zijn eigen zoon Wolfgang, en gezien drummer en broer Alex ook nog steeds aan boord is, is het wel een erg leuk familieonderonsje geworden.
De band is 13 songs lang geweldig op dreef, bij momenten ongemeen hard en vet, en er zijn in de verste verte geen synths of keyboards te bespeuren. Songs als “Bullethead” (ook al geboren uit een oude demo), “China Town”,  “As is” en “Outta space” hebben een ongehoorde rotvaart en zijn voorzien van de meest striemende gitaarpartijen die Eddie ooit uit zijn instrument heeft getoverd. Wij begrijpen meteen terug waarom die kerel als één van de beste gitaristen van deze aardkloot aanschouwd wordt.
Van Halen klinkt harder dan ooit, enkel bij de intro van het beduidend frisse “Stay Frosty”, duidelijk het halfbroertje van “Ice cream man”, komt een akoestisch gitaarstukje op de proppen. De song zelf is trouwens even potent en vinnig dan zijn 34 jaar oudere halfbroertje.
Een vitaal “She’s the woman” is ook zo een afgestofte demo waarop de spirit van weleer ongeschonden is gebleven, hierin huist de drive en de punch van een bende jonge gasten voor wie het precies allemaal nog moet beginnen.

Het feest duurt een slordige 50 minuten en verzwakt geen moment, aan het eind zitten nog de krachtige vlammenwerpers “Big river” en “Beats workin’ waarin volop met scherp wordt geschoten.


Om het album op hetzelfde schavotje te zetten als dat fantastische debuut zou te veel eer zijn, er is ook wat minder hitpotentieel aanwezig, maar het komt toch verdomd dicht in de buurt.
En nu maar hopen op die Europese tournee.

donderdag 16 februari 2012 01:00

An appointment with Mr Yeats

Het kan verkeren. Het ene moment wordt uw groepje als een voorname en invloedrijke band beschouwd, jaren later ligt niemand nog wakker van wat je doet en maak je een nieuwe plaat die quasi aan iedereen voorbijgaat.
Mocht het u ook ontgaan zijn, Mike Scott heeft met zijn Waterboys nu al enkele maanden een nieuw plaatje uit die er best wezen mag, ook al zal het geen muren meer slopen. Nu is de muziek van the Waterboys ook nooit echt rebels geweest, het lag mijlenver van de punk en wortelde meer in een nostalgische en epische folkrockwereld.
Net als zijn grote voorbeelden Bob Dylan en Van Morrisson heeft Mike Scott iets met dichters en prozaschrijvers, het nieuwe album is een ode aan de Ierse dichter William Butler Yeats, de teksten zijn van diens hand maar de muziek is vintage Waterboys.
‘An appointment with Mr Yeats’ is dus welgekomen voor de fans maar zal verder weinig vers bloed aantrekken. The Waterboys passeren hier zowat een beetje in al hun gedaantes, van orkestraal en episch (“The hosting of the shee”) tot rootsy en folky (“Mad as the mist and slow”, “Before the world was made”), er zijn dromerige ballads en voorzichtige rockers.
Het is niet bepaald de beste Waterboys plaat, daarvoor staan er te weinig onvergetelijke songs op en wordt ook al eens de grens der meligheid overschreden (op goedkope deuntjes als “Winter birds”, “Sweet dancer” en “Politics”), maar toch kunnen we spreken van een onderhoudend plaatje met voldoende boeiende momenten om enig bestaansrecht te verwerven, hoewel ‘This is the sea’ en ‘Fisherman’s blues’ nu toch echt wel heel ver lijken.

The Waterboys komen op zondag 18 maart de plaat voorstellen in de AB, en ze hebben beloofd om er een avondvullend tweeluik van te maken (geen support act) waarvan een helft gevuld met de nieuwe songs en een andere helft met instant Waterboys klassiekers. U heeft dus geen reden om daar niet te zijn.

donderdag 16 februari 2012 01:00

Blues Funeral

Acht jaar zit er tussen ‘Bubblegum’ en ‘Blues Funeral’, maar dat wil niet zeggen dat Mark Lanegan al die tijd heeft stilgezeten. Hij blikte in die tijd maar liefst drie pareltjes in met Isobel Campbell, vormde samen met Greg Dulli de fantastische Gutter twins, dook in de studio met Soulsavers, UNKLE en Twilight Singers en ging ook nog eens op tournee als gastzanger met Queens Of The Stone Age. En, neem het van ons aan, overal waar Lanegan zijn angel in sloeg zorgde dat voor extra dimensie en diepgang, ga al die plaatjes er maar eens op na.
Toch was het hoogtijd dat hij nog eens zijn eigen ding deed, en met ‘Blues Funeral’ is ie weer in zijn pijnlijke zelf gedoken. Wie Lanegan een beetje gevolgd heeft, weet dat we hier geen opgewekte deuntjes moeten verwachten, hoewel het halve disco liedje “Ode to sad disco” wel de schijn tracht op te houden, maar Lanegan’s grafstem biedt voldoende tegenwerk om met beide voetjes op de grond te blijven.
De grillige en dreigende opener “The gravedigger’s song” zet alvast de lijnen uit met ijle gitaren, maar verder laat Lanegan zijn rokerige stem vrij veel begeleiden door een pak elektronica met een eighties tintje, wat de zaak er daarom niet bepaald luchtiger op maakt, getuige diepgravende songs als “St Louis Elegy” en “Phantasmagoria blues”.
Wanneer de omlijsting wat naakter klinkt, zoals in het akoestische en folky “Deep black vanishing trian” gaat hij zelfs nog wat dieper.
De rockers zijn in de minderheid deze keer, met zijn tweetjes zijn ze, een snedig “Riot in my house” (met buddy Josh Homme op gitaar) en een jachtig “Quiver syndrome”.
‘Blues Funeral’, die eigenlijk niks met blues als muziekgenre te maken heeft maar wel de blues ademt (als u begrijpt wat we bedoelen), is een indrukwekkende plaat geworden die weliswaar zijn tijd nodig heeft. Wij durven hem nu nog niet op de eenzame hoogte van ‘Bubblegum’ te plaatsen, maar u komt het ons best binnen enkele maanden nog eens vragen.
Mark Lanegan komt tot twee keer toe zijn ziel er uitspuwen in de Antwerpse Trix op 2 en 3 maart, helaas voor u zijn beide concerten al lang uitverkocht.

zaterdag 11 februari 2012 01:00

Howler - Nieuwe revelatie ? Zeer zeker

Het nog prille 2012 heeft ook al zijn Vaccines gebaard, deze keer komen ze uit de States, ze heten  Howler, ze zijn cool as fuck en ze brengen een zootje opwindende rock’n’roll.
Het waarlijk fantastische en bijzonder aanstekelijke debuutalbum ‘America give up’ had ons zeer nieuwsgierig naar de AB Club gedreven en we zijn maar al te content dat we erbij waren, onze verwachtingen werden daar ruimschoots ingelost.

Van een beginnend bandje met amper een 36 minuten durend album op hun conto moet je geen marathonset verwachten, wel een kort en sterk visitekaartje, en dat kregen we ! Howler serveerde hun ophitsende, frisse en korte songs met een nonchalante scheut jeugdige adrenaline en een stel bedrijvige gitaren. Het leek ons meteen duidelijk waarom dit groepje door de internationale pers aan het hart wordt gedrukt, het vonkte en knetterde zoals dat bij echte rock’n’roll groepjes steeds zou moeten, maar we zien het helaas te weinig de laatste tijd.
De jongens van Howler hebben het. Wat het juist betekent, weten we niet echt goed, zijn het de juiste vibe, de groove of de looks  ? Geen idee, maar ze hebben het. Frontman Jordan Gatesmith heeft een aangeboren rockerspotentie in zich , zijn stem ligt ergens tussen Bob Geldof (ten tijde van vroege Boomtown Rats), Joey Ramone en Julian Casablancas in. De kerel zat ook geregeld aan de whisky, als dat maar goed afloopt.
De overige bandleden speelden met een ogenschijnlijke  slordigheid,  strak en gedreven als jonge wolven. Natuurlijk deed alles denken aan  de snedigheid van The Strokes, maar dan wel The Strokes die we nu al lang moeten missen (waarmee we maar willen zeggen, The Strokes hebben na  ‘Is this it’ geen plaat meer gemaakt die even opwindend is als dit hier). Verder hebben Howler ook de ballen en de vinnigheid van the Libertines en The Vaccines, niet toevallig ook groepjes die hun songs steeds met een gewillige rommeligheid en een vurige intensiteit op de wereld afvuren.
Amper 45 minuutjes gaven de jonge knapen het beste van zichzelf, en wij konden zo ruiken dat hier iets moois zal uitgroeien. Het was maar al te zeer genieten van vinnige rockertjes als “Back of your neck” (met heerlijk whoo ooh ooh refreintje), “Wailing” , “This one’s different” en “Beach sluts”, allemaal instant klassiekers als je ’t ons vraagt.

… Wie zei daar ook weer dat dit de revelatie van het jaar was ? Groot gelijk!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

donderdag 09 februari 2012 01:00

America give up

Doorgaans hebben wij minder argwaan als een nieuwe hype uit de States komt overgewaaid dan wanneer het de zoveelste nieuwe Britse sensatie betreft. De Britten zijn zowat specialisten in het ophemelen van hun eigen nieuwe bandjes, ook al is het talent van die groepjes soms pijnlijk beperkt, maar bandjes uit de jongste Amerikaanse alternatieve scene hebben meestal een pak meer potentieel.
Howler bevestigt onze stelling. De jonge snaken komen uit Minneapolis en hebben een verduiveld opwindend gitaarplaatje gemaakt. Niks nieuws, neen, maar moet dat ?
Ze halen de mosterd bij The Ramones, The Shangri La’s, Jesus & The Mary Chain, The Libertines, BRMC en The Strokes (en dan bedoelen wij de Strokes van de okselfrisse eerste plaat ‘Is this it’, niet die van de lauwe doorslagjes achteraf).
‘America give up’ klokt af op 31 minuutjes, overtollig ballast werd dus al van tevoren over boord gegooid waardoor dit schijfje totaal geen moeite moet doen om onze aandacht vast te houden. Het album raast lekker door en heeft bij momenten een geweldige sixties vibe, de compacte songs zijn stuk voor stuk fris en aanstekelijk en de gitaren dartelen in een gezonde chaos de ganse tijd gretig door.
Meer hebben wij hierover eigenlijk niet te vertellen, alleen dat het ons fantastisch in de oren klinkt.

donderdag 02 februari 2012 01:00

Arctic Monkeys – Ronduit Geweldig

Als doorgewinterde concertganger kunnen wij toch wel stellen dat het ons heel zelden overkomt dat wij onder de indruk zijn van een support act, maar dan zijn er altijd die uitzonderingen die de regel bevestigen, Miles Kane bijvoorbeeld. Hij is trouwens niet de eerste de beste, de jongeman heeft er al een verleden opzitten met zijn bandje The Rascals en hij is uiteraard dikke vriendjes met Alex Turner vanwege hun geweldig avontuurtje in The Last Shadow Puppets. Niet verwonderlijk dus dat Turner zijn buddy meeneemt op tournee.
Nochtans liepen wij niet echt hoog op met Kane’s eerste soloplaat ‘Colour of the trap’ omdat daar evenveel melige nummers als goeie songs op staan. Miles Kane loste dat live eenvoudig op door de zeiknummers gewoon in de diepvries te laten zitten (had hij beter bij het inblikken van zijn plaat ook gedaan) en zijn uiterst rake en puntige set te vullen met vinnige Britpop-songs als “Quicksand”, “Kingcrawler”, “Telepathy”, “Come closer” en een fantastisch “Inhaler”. Ook “Rearrange”, die wij toch maar een zeer matige single vonden, kreeg hier een fameuze adrenaline injectie waardoor het zowaar toch een goede song bleek te zijn.
Een prima opener dus, en het publiek was helemaal opgewarmd voor de superbe hoofdschotel.

Arctic Monkeys lieten er geen gras over groeien en vielen met de deur in huis. De deur van dienst was “Don’t sit down cause I moved your chair”, die formidabele song die het album ‘Suck on this’ voorafging en die hier als startschot fungeerde van een wervelende rit van anderhalf uurtje, een helse treinrit waarin wij amper twee kleine haperingetjes merkten, de wat slappere songs “The hellcat spangled shalalala” en “Suck it and see”, ook al de zwakkere broertjes op het laatste album. Het b-kantje daarentegen van “Suck it and see”, genaamd “Evil twin”, had een stuk meer venijn in zijn botten (wat wil zeggen dat u dat singletje moet kopen en de B kant voor A aanzien).
Verder werden wij het ganse optreden overspoeld met die springerige vinnigheid en heerlijk botsende gitaren van de Monkeys zoals we hen kennen van vooral de eerste twee onovertreffelijke platen ‘Whatever people say I am, that’s what I’m not’ en ‘Favourite worst nightmare’.
Adembenemende kopstoten als “Brainstorm”, “The view from the afternoon”, “I bet you look good on the dancefloor” en “Still take you home” raasden op geniale wijze doorheen de Zénith en gunden niemand een rustpauze. Werkelijk alles wat die gasten speelden was strak, fel en bijzonder gedreven en rockte als een hyperkinetische paling in een met Jack Daniels gevuld bubbelbad. Miles Kane mocht ook nog een tweetal keer komen meedoen en deed het zootje nog wat meer op zijn grondvesten daveren in de halve hardrocker “Little illusion machine” en in de prachtige finale “505”. Amai !

Arctic Monkeys waren laat ons zeggen nogal fel op dreef en zijn wat ons betreft al ver boven de hype uitgegroeid. Dit is op vandaag één van de beste rockgroepen ter wereld, met een frontman Alex Turner die zich meer dan ooit heeft geprofileerd als de drijvende motor van een op volle toeren draaiende machine. Op Rock Werchter zagen we hem nog als de immer coole zanger, die met een teug Britse arrogantie weinig of geen woorden tot zijn publiek richtte. Op vrij korte termijn heeft is hij geëvolueerd tot entertainende rocker (inclusief een heuse vetkuif) die de fans danig oppept en - ook wel heel belangrijk voor een Brit - wiens coolness daarbij  intact is gebleven.
Wij waren de hele avond getuige van een tamelijk uitzinnige menigte die volledig overstag ging voor een bende hitsige, talentrijke en uiterst gedreven jonge haaien. U mag er al de Britse hypes van de afgelopen jaren op nagaan, deze hier is zowat de enige die 200 % terecht is. En blijft !

Organisatie: Agauchedelalune, Lille (ism Radical Production)

donderdag 26 januari 2012 01:00

The Great Escape Artist

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig maakte Jane’s Addiction twee essentiële platen ‘Nothing’s shocking’ en ‘Ritual de lo Habitual’ en werden zij al meteen een uiterst invloedrijke en legendarische rockband. De groep kon perfect gedijen in de alternatieve scene en in de grunge, maar was ook niet bang van een gezonde streep hardrock. Dit alles zorgde voor een volstrekt unieke Jane’s Addiction sound. Tot ieders verbazing trokken ze er dan zelf, in volle glorieperiode, al de stekker uit. Het zou 13 jaar duren voor ze een eerste come back aandurfden die in 2003 resulteerde in ‘Strays’, een volgens ons meer dan voortreffelijk album dat helaas gebukt ging onder de onhaalbare cultstatus van zijn 2 voorgangers en zo niet de waardering kreeg die het verdiende.
Nu zijn ze er opnieuw met een plaat die dichter aanleunt, zowel qua sound als qua hoes, bij de twee pronkstukken van destijds. Benieuwd of het nu zal lukken. Aan ons zal het niet liggen want, het moet gezegd, Jane’s Addiction is weer helemaal terug, en dit met een geweldig op dreef zijnde frontman Perry Farrell en een gitarist Dave Navarro die zijn beste niveau haalt. De getrouwe drummer Stephen Perkins is ook weer van de partij en als bassist werd zomaar eventjes multi instrumentalist David Sitek van TV On the radio aan boord gehaald.
Vooral de manier waarop de plaat uit zijn startblokken schiet mag er zijn, de scherpe rockers “Underground” en “End to the lies” getuigen van een Janes’s Addiction in grote doen. De band doet geen verwoede pogingen om anders te klinken, ze laten hun songs sudderen in die typische sound die ze eind jaren tachtig ontworpen hebben. En dat is wat ons betreft alleen maar goed nieuws, want het was al veel te lang geleden dat we dat we dat zinderend rockgeluid nog eens gehoord hadden. Dingen als “Irresistible force” en “Words right out of my mouth” bulken als vanouds van de explosiviteit en “Ultimate Resaon” en “Broken people” klinken soms wat episch en psychedelisch, maar steeds haalt een sterke rockvibe de bovenhand, en dat is wat van ‘The great escape artist’ een ferme en bruisende plaat maakt. Misschien iets properder dan vroeger, maar even intens.
Kort plaatje ook, maar met 10 songs in een hevig rocksausje klinkt het geheel hechter dan ooit.
En nu maar hopen dat daar een Europese tournee van komt.

Aan hun gedrevenheid zal het zeker niet gelegen hebben, maar Dropkick Murphys worstelden gans de avond lang met een danig slecht geluid dat ze uiteindelijk het verdict verloren tegen de meedogenloze bunker Vorst Nationaal.

Vooral de beginfase ging bijna helemaal de mist in. De folkinstrumenten en dan vooral de doedelzak, toch wel het stokpaardje van de Murphy’s, waren nauwelijks hoorbaar waardoor wij constant een bulldozerdreun hoorden waarin de eerste songs moeilijk van elkaar te onderscheiden waren. Het helse tempo en de volle goesting van de groepsleden maakten echter veel goed. Het publiek ging ondanks de barre geluidskwaliteit gewillig uit de bol, zong luidkeels de hymnes van de Murphys mee en bouwde er zo alsnog een wild feestje van, alsof er niets aan de hand was. De fans morden met name niet om het slechte geluid, ze hadden zichzelf al het nodige vocht toegediend en waren vast bereid er een heuse party van te maken. Vorst mocht dan misschien maar half gevuld zijn, de bieromzet bedroeg gegarandeerd vier keer zoveel als op een uitverkocht concert van pakweg Elbow of Coldplay.
Iets verder in de set kwam er dan toch wat beterschap in de sound, hoewel het nooit helemaal goed kwam, en genoten we van venijnige folkpunkers als “Deeds not words” en “Going out in style”, twee krakers uit die nieuwe energieke plaat ‘Going out in style’. Ook “Johnny, I hardly knew ya” viel ons op, maar dan vooral omdat wij wel zeer nadrukkelijk moesten denken aan “English civil war” van The Clash.
Een akoestisch intermezzo van een viertal songs was enerzijds een verademing omdat het ons tijdelijk verloste van de dreun (we hoorden zowaar eens de instrumenten zoals ze zouden moeten klinken), maar anderzijds haalde het ook wat de vaart uit het optreden, en vaart is nu net datgene waar het om draait bij Dropkick Murphys. Maar goed, dat tussendoortje was ook weer een geldige reden voor de fans om extra potten bier te halen, ook niet onbelangrijk.
Daarna werd terug onbezonnen doorgeramd, met ondermeer een opzwepend “The auld triangle”, een razend “Barroom hero” en een hitsig “Irish Rover” die we ook kennen van The Pogues, een laat ons zeggen verwante groep, maar dan met wat meer authenticiteit en wat minder punkrock, doch evenveel drankgenoegen.
Publiekslieveling “Shipping up to Boston” als finale mocht wat ons betreft het definitieve einde zijn, want de rommelige bisronde die daarna kwam, met een hoop volk op het podium en een inspiratieloze bewerking van AC/DC’s ‘TNT’, was op zijn zachtst uitgedrukt nogal overbodig.

Een wild feestje dus, alleen doodjammer van de erbarmelijke sound. Hoe graag hadden we dit niet in de AB gezien ?
Herkansing op één of ander zomerfestival, zouden wij zo zeggen.

Organisatie: Live Nation

donderdag 26 januari 2012 01:00

The Black Keys - Rauw en catchy as hell

Hun concert van daags voordien in de Lotto Arena was al weken op voorhand uitverkocht, maar in Frankrijk loopt het blijkbaar nog niet zo storm voor The Black Keys, de Zénith was bijlange niet tot de nok gevuld. De Fransen komen altijd een beetje achter, maar het enthousiasme in de zaal was van een ongeziene intensiteit.

Van The Black Keys kan je op zijn minst zeggen dat ze geëvolueerd zijn. De eerst drie platen waren gedrenkt in rauwe en ongeschoren blues, in het latere werk kwam er een pak soul bij samen met een assortiment catchy grooves en hooks. Het kersverse ‘El Camino’ is wat dat betreft een voltreffer geworden, de plaat gonst en briest dat de stukken er af vliegen en de songs zijn ‘catchy as hell’. Minder soul dan op zijn al even fantastische voorganger ‘Brothers’, maar des te meer spuitende energie.
Op het podium zijn The Black Keys met een extra bassist en keyboardspeler uitgebreid tot een viertal, de songs uit ‘Brothers’ en ‘El camino’ vragen daar ook om. Maar als na een zestal puntige songs de ritmesectie even koffie mocht gaan drinken, barstten Auerbach en Carney pas echt los in de meest vunzige en smerige bluesrock aan deze kant van de planeet. Het wilde intermezzo met zijn tweetjes werd gevuld met “Thickfreakness”, “Girl is on my mind”, “I’l  be your man” en “Your touch”,  rauwe lappen blues uit hun eerste vier albums. Een werkelijk splijtende eruptie die, nu The White Stripes er de brui aan hebben gegeven, we niemand hen zien nadien.
“Little blak submarines”, de meest fantastische song van ‘El Camino’, hadden ze live nog maar amper gespeeld, maar ‘t was er niet aan te merken, al onze haren kwamen recht van opwinding.

Hebben ze ook duidelijk gemaakt : Een uitmuntend “Sister”, de uiterst vinnige nieuwe single uit ‘El Camino’ zal in korte termijn ongetwijfeld het statuut van klassieker mee krijgen en komende zomer volledige festivalweides in vuur en vlam zetten (als de Schuer deze band niet op zijn affiche zet dit jaar, dan is hij een ongelooflijk kieken). Natuurlijk hadden de Zwarte Sleutels prijsbeesten als “Tighten Up” (lichtjes fantastisch) en “Lonely Boy” (de zaal op zijn kop) als toetje tot op het einde gespaard, maar wie dacht dat het hiermee jammerlijk zou gedaan zijn, kreeg nog een aangename verrassing met een bisronde waar geen enkel vuurwerk tegen op kon. Met een hoog Jagger stemmetje en in de rug geflankeerd door een gigantische disco bal, bracht Auerbach “Everlasting love” tot onbereikbare hoogtes om daarna volledig te ontploffen met “She’s long gone” en met wat ons betreft het absolute hoogtepunt “I got mine”, de genadestoot waarin ze, alweer met zijn tweetjes, alle resterende razernij kwijt konden.

De evolutie die te merken is op hun platen weerspiegelt zich duidelijke in de live set. Van ronkende en ruige bluessongs tot uiterst explosieve potente hitgevoelige nummers, met een ongekende rauwheid die steeds behouden blijft, en met in de hoofdrol het ophitsende drumgeroffel van Patrick Carney en de vuile, scheurende en splijtende gitaar van Dan Auerbach.
Natuurlijk was dit het beste concert dat we dit jaar al gezien hebben, we hebben er nog maar eentje meegemaakt, maar dit zou wel eens tot in december kunnen op het hoogste schavotje blijven staan.

Neem gerust een kijkje naar de pics , de dag voordien in de Lotto Arena (van onze vrienden van Indiestyle)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/the-black-keys-23-01-2012/

Organisatie: Agauchedelalune, Lille (ism Radical Prod)

donderdag 19 januari 2012 01:00

Staring at the sun

Een mens moet nog niet te lang luisteren naar deze cd om te weten wat de heren zo allemaal in platenkast staan hebben. Kyuss, Masters of Reality, Monster Magnet en Queens Of The Stone Age. Stoner met af en toe een uitstapje naar grunge. Geen nieuwe sound uitgevonden dus, maar fuck it, ze zijn verdomd goed in wat ze doen en er staan ijzersterke songs op dit album.
Grunge, zegt u ? “Recovering” lijkt wel een verre neef van “Slaves & Bulldozers” van Soundgarden en “The mute“ heeft met Alice In Chains in bad gezeten.
Een paar aardige verrassingen ook, zo is de verdwaalde banjo in de wilde speedsong “Devil’s mind’ een welgemikte stoorzender en het instrumentale “A journey with sloane” raast dwars door de woestijn.
Een goede raad : toch maar iets minder opzichtig omspringen met de grote voorbeelden, zouden wij zo zeggen, want songs als “Staring at the sun” en “Monster” lijken net iets te veel op QOTSA, en de akoestische riff van “Foot boom” is schaamteloos gejat van Monster Magnet ‘s “Space Lord”, maar we beloven dat we het niet verder zullen vertellen.
Voor de rest geen kwaad woord over deze fameuze rockplaat, want ’t is een hele goeie.
http://www.naughtymouse.net

Pagina 78 van 112