logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

The Wolf Banes ...
Suede 12-03-26
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 23 december 2010 01:00

Spiral shadow

Er beweegt iets in de metaalsector. Als het extreme death-, trash- en grindcoremetal betreft, moet u ons niet komen wakker maken, maar voor zware jongens die creatief omspringen met het genre hebben wij altijd al een boontje gehad. Zo houden wij ondermeer van Tool, Helmet, Earthless, Priestess, Mastodon, Baroness, Torche en Isis.
En sedert kort ook van Kylesa. Omdat hun zware stuff overgoten is met een subtiel psychedelica sausje, en omdat zij evenwel met een portie Black Sabbath als met een hap Husker Dü of Janes Addiction durven afkomen.
De ferme brok lawaai die Kylesa voortbrengt wordt veroorzaakt door ondermeer twee drummers en twee gitaristen, kwestie van er een vol geluid uit te persen. Daar wordt dan nog een aardige dosis hardcore punk tussen geworsteld, en zelfs een streep gruizige shoegaze sluipt binnen in de overweldigende en machtige sound. Dat klinkt even gedurfd als geslaagd in “Drop out” en “Dust”.
De groep haalt duidelijk hun invloeden niet uit één en hetzelfde vijvertje, in “Back and forth” toveren ze terloops een overtuigende en smerige SonicYouth uit hun botten.
Tussen de razernij en de loodzware riffs wordt de melodie niet uit het oog verloren en dat mondt uit in een monstersong als “Crowded road” (moet echt wel een stomend moshpitfeestje zijn) en in gevaarlijk bijtende en logge grunge metal op “To forget”.
Een moordende plaat die moeiteloos de grenzen van de metal overstijgt.

donderdag 23 december 2010 01:00

I feel like playing

Als The Stones pas uit hun kot komen wanneer Jagger vindt dat de tijd er rijp voor is, en dat kan soms jaren duren, dan moeten de anderen toch iets om doen hebben. Een soloplaat is dan de enige juiste uitweg. Wij kunnen ons perfect voorstellen dat het bij Keith Richards en Ron Wood veel sneller kriebelt dan bij Jagger, althans wanneer het op spelen aankomt. Bij Jagger is het vooral zijn portefeuille die bepaalt wanneer er nog eens iets moet gedaan worden.
U merkt het ook al aan de titel, het plezier van het spelen is datgene wat centraal staat op de nieuwe plaat van Wood. Hij heeft misschien niet het songschrijverstalent van zijn kompanen in de Stones, maar hij heeft wel een gitaar en een pak interessante vrienden (Eddie Vedder, Bobby Womack, Billy Gbbons, Slash, Flea, Kris Kristofferson,…). Genoeg om de studio in te gaan en een fijn, doch niet wereldschokkend, plaatje op te nemen.
Een beetje van alles is hier te vinden, reggae, soul, blues, country en rock. Niet alles is echter even geslaagd, maar echte miskleunen vinden we niet terug, al komt de wat slijmerige afsluiter “Forever” gevaarlijk dicht in de buurt.
Wood is op zijn best wanneer er hevig gerockt wordt. In het snedige “Thing about you” is hij samen met Billy Gibbons zeer lustig op dreef en op de Willie Dixon klassieker gaat het er tamelijk vettig en funky aan toe, mede dankzij een geweldige Bobby Womack. Ook in “Fancy pants” en “100 %” borrelt de rock’n’roll naar het kookpunt toe en Wood’s gitaar sneert als een vlijmscherp mes doorheen “I don’t think so”, een song die niet zou misstaan op één van de betere Stones platen.
Niet alleen Ronnie’s gitaar scheurt dat het een lust is, ook zijn vocale prestaties zijn bij momenten verbluffend. Niet dat hij een begenadigd zanger is, verre van, maar zijn rasperige stem zit de songs als gegoten. In “Why you wanna go and do a thing like that for” en “Tell me something” komt hij zelfs aardig in de buurt van Dylan.
Een knap plaatje dus en het is maar zeer de vraag of het volgende Stones album, als dat er ooit nog komt, beter zal zijn.

donderdag 23 december 2010 01:00

Steeple

Schaamteloos retro is ‘Steeple’ van Wolf People, jonge gasten die hebben zitten grasduinen in de hippie platen en wietplantages van hun ouders. Er zijn er wel meer die dezelfde bezigheden hebben, dezer dagen, zie ook Tame Impala en Dungen.
Die van Wolf People zijn er zonder veel kleerscheuren in geslaagd om doorheen de lagen psychedelica en de Hendrixiaanse gitaren voor een handvol sterke songs te zorgen. Je moet het maar doen, een song als “Tiny circle” verdacht veel naar Jethro Tull laten ruiken en die toch als een potente rocker laten klinken.
De heren flirten zowel met Cream (“Painted cross”) als met Hendrix (‘Cromtech’), ze bedrijven met evenveel verve de blues (“Castle keep”) als folkrock (“Banks of Sweet Dundee”, parts 1 & 2).
Retro als‘t maar zijn kan, en toch klinkt dit niet als belegen schimmelkaas maar wel als een nieuwe frisse portie hippievoer.
Een mens zou na het horen van zoveel fraais zowaar een ticket naar Woodstock gaan boeken, maar hou het misschien gewoon op de Antwerpse Trix op 13 januari. En vergeet uw gerief niet.

donderdag 16 december 2010 01:00

Ancestral Star

Barn Owl is een duo (Alice Coltrane en Keiji Haino) uit de underground van San Francisco die een donkere en holle sfeer scheppen op gitaren en keyboards. Het geluid dat ze voortbrengen situeert zich in een drone- en doomsfeer en brengt ons in een vreemde wereld van afgelegen spelonken waar ook Earth en Sunn O))) ten dans spelen.
Het volledig instrumentale album ‘Ancestral Star’ sluimert voort als de trage soundtrack van een nooit gemaakte film die zich afspeelt in mistige oorden, mysterieuze leemtes, donkere holtes en desolate landschappen. Bevreemdende, galmende en soms onheilspellende muziek die gebulkt gaat onder een aangehouden spanning. Moeilijk te omvatten, maar wel boeiend, en zeker niet geschikt voor onder de kerstboom.

donderdag 16 december 2010 01:00

I, Vigilante

Een heerlijke plaat waarin we nu al enkele weken geïmponeerd aan het rondzweven zijn is deze “I, Vigilante”.
Crippled Black Phoenix (met muzikanten die een verleden hebben in Mogwai, Electric Wizard en Portishead) laat zich niet in één vakje steken, het is post-rock, maar ook prog-rock en soms zelfs subtiele metal. Zowel fans van Godspeed You Black Emperor en Mogwai als die van Pink Floyd, Archive en zelfs The Waterboys komen aan hun trekken. En wie de laatste platen van Red Sparowes, Black Mountain en Anathema koestert mag hier ook zijn stoel onder tafel schuiven. 

De plaat duurt een slordige 50 minuten hoewel er amper zes nummers op staan. Het zijn allen (op de uitschuiver “Burning bridges” na) lange uitgesponnen pareltjes opgefleurd met knappe arrangementen, sierlijke strijkers, dromerige pianotoetsen, zwevende vocals, fluwelen gitaren en stomende riffs. Glasheldere emotioneel geladen meesterwerkjes als “We forgotten who we are” en “Fantastic justice” grijpen naar de keel zonder dat er ook maar een greintje meligheid mee gepaard gaat.
Het twaalf minuten durende epische “Bastogne blues” is met zijn onaardse pracht iets om stil van te worden, het nummer wordt ingezet met een ontroerende bekentenis van een oorlogsveteraan en die pakkende sfeer blijft de ganse song aan de ribben hangen.
Heel gedurfd is “Of a lifetime”, een cover van Amerikaanse slijmbalrockers Journey, maar de knappe CBP versie past wonderwel binnen de schoonheid van ‘I, Vigilante’.
Afsluiter “Burning Bridges” is misschien kenmerkend voor de veelzijdigheid die CBP hier aan de dag legt, maar als song staat dit sixties niemendalletje (kon van The Mama’s and The Papa’s zijn) hier toch een beetje overbodig te wezen. Maar goed, het dingetje duurt maar twee minuutjes en is eigenlijk een soort van hidden track, dus laten we daar verder niet moeilijk over doen
Prachtplaat.

Deep Purple heeft in de afgelopen 40 jaren al ontelbare gedaantes gehad maar de meest memorabele tijd was toch de periode 1970 tot 1972 met de onmisbare klassieke albums als ‘In Rock’, ‘Fireball’, ‘Machine Head’ en de live knaller ‘Made in Japan’.

Nog drie heren van uit die tijd hebben het uitgezongen tot op vandaag, zanger Ian Gillan, drummer Ian Paice en bassist Roger Glover. Helaas geen Ritchie Blackmore meer in de rangen, maar dat is zo een moeilijke jongen dat hij zelfs niet overeen komt met zijn eigen hond, en dat is nochtans een opgezet exemplaar. Gitarist van dienst, nu toch ook al sinds een pak jaren, is Steve Morse. Minder subtiel en meer macho dan Blackmore, maar toch weet hij zijn eigen stijl aan de groep toe te voegen zonder dat de onsterfelijke songs daarbij gezichtsverlies lijden. Hetzelfde kan gezegd worden van keyboardspeler Don Airey (ex Rainbow, de groep van Ritchie Blackmore nota bene) die de legendarische Jon Lord moet vervangen. Ook hij weet zijn virtuoze spelstijl perfect te integreren in het Purple geluid.

Gelukkig zweren de hardrockers op leeftijd ook voornamelijk bij de klassieke songs uit hun beste periode, dus qua setlist zaten we vanavond meer dan goed.
Vertrekkend met de uppercut “Highway star” werden al meteen een paar dingen duidelijk. Deep Purple klinkt anno 2010 nog steeds lekker rockend en bij wijlen flitsend, maar de strot van Ian Gillan vertoont flink wat verouderingsverschijnselen. Vooral  “Fireball” bleek wat te hoog gegrepen voor hem waardoor de anders zo splijtende song jammer genoeg een beetje de mist in ging. Anderzijds, respect, want de sympathieke Gillan kent zijn eigen beperkingen, vandaar dat hij “Child in time” al jaren wijselijk op zolder laat liggen.
De man deed immers zijn uiterste best en hij had nog altijd achter hem die ijzersterke band staan. In combinatie met de nog steeds potente songs kon er dus niet echt veel mislopen. Potige uitvoeringen van  ondermeer “Strange kind of woman” , “Hard lovin’ man” en “Maybe I’m a Leo” brachten de zaal op temperatuur. Vanaf het fenomenale “Lazy”, met geniaal werk van Don Airey, kwam de boel volledig onder stoom. Een verassend en uiterst knap “No one came” , een blits “Perfect Strangers” (één van de weinig echt goede songs uit hun latere periode) en een vlammend “Space Truckin’” volgden met dezelfde speed, klasse en energie. En u mag  “Smoke on the water” misschien wel al een paar honderd keer te veel gehoord hebben, op een podium is het nog steeds een kippenvelmoment dat beukt, spettert en hevig rockt. De song werd op geniale wijze ingeleid door een vinnig en flitsend gitaarduel tussen Steve Morse en het jonge gitaartalent Philip Sayce, die eerder op de avond al voor een pittig en stevig  voorprogramma had gezorgd.

De bisronde was met amper twee songs (covertje en overigens hun eerste hitje “Hush” en het ronkende “Black night”) toch goed voor een dik kwartier ouderwetse hardrock om van te snoepen. Want uiteraard (dit is immers Deep Purple) moest ieder groepslid nog eens zijn solo momentje krijgen en hier deden ze dat allen met verve en -ook niet onbelangrijk- net niet te lang. Vroeger konden die persoonlijke hoogstandjes wel eens een halfuur uit de hand lopen. Pas nu hebben de heren begrepen dat dit eigenlijk een beetje te veel van het goeie was. Waarvoor ouder worden niet allemaal goed kan zijn.

Setlist : Higway star - Hard lovin’ man - Maybe I’m a Leo – Strange kind of woman – Rapture of the deep – Fireball – Siver tongue – Contact lost- Guitar solo – When a blind man cries – The wel dressed guitar – Almost human – Lazy – No one came – Keyboard solo – Perfect Strangers – Space truckin’ – Smoke on the water – Hush – Black night

Organisatie: Vérone Productions

donderdag 09 december 2010 01:00

Queen of Denmark

De eindejaarslijstjes zitten er aan te komen en bij het Britse blad Mojo zijn ze wel heel voorbarig geweest. Hun januarinummer verschijnt al op 1 december en daarin staat natuurlijk de obligate album top 50 van het afgelopen jaar, kwestie van de anderen toch maar voor te zijn. Dat ze daarmee de platen die in december nog zullen verschijnen over het hoofd zien, is hoegenaamd geen bezwaar. Op nummer één van hun geforceerd lijstje zien we ene John Grant met ‘Queen of Denmark’. Weinig of nooit gehoord van deze songwriter, maar we zouden het niet op ons geweten willen hebben dat we een nieuw supertalent mislopen zijn, dus toch maar even met de nodige aandacht beluisteren, denken wij dan.
Hebben we gedaan, echt waar, maar we vinden er geen zak aan. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat ze het bij Mojo niet allemaal meer op een rijtje hebben. Vreemd, want het is nochtans ons favoriete blad, laten we deze flater dus maar als een éénmalige dwaling beschouwen. Wat zij zo briljant vinden aan dit album ervaren wij als stoffige seventies soft pop zoals die terug te vinden is op mindere platen van pakweg Elton John of Neil Diamond. Met de beste moeite van de wereld hebben wij geen enkele song teruggevonden die ook maar een beetje blijft hangen.
John Grant, in een vorig leven frontman van het ook al weinig beduidend groepje The Czars, laat zich op ‘Queen of Denmark’ begeleiden door Midlake. Neem gerust van ons aan, als u Midlake in betere doen wil horen, wend u dan tot hun laatste werkstukje ‘The courage of others’ en vooral tot diens nog mooiere voorganger ‘The trials of Van Occupanther’. Wat de groep hier staat aan te modderen als begeleidingsbandje van dit halve songschrijverstalent is ons ook een raadsel.
En wat die gasten van Mojo bezielde om dit stuk verveling op nummer één te zetten, daar hebben we nog meer het gissen naar.

donderdag 02 december 2010 01:00

Come Around Sundown

Het zal Kings Of Leon worst wezen dat critici hun nieuwste cd maar niets vinden, het ding is het logische vervolg op ‘Only By The Night’ en zal bijgevolg wel een paar miljoen keer over de toonbank gaan. De groep heeft duidelijk gekozen voor de weg van de epische stadionrock met galmende gitaren en een sound die naar de sterren tracht te reiken. Het is hun volste recht, maar ‘t is niet echt ons ding. Wij blijven zweren bij de charmante rommeligheid van ‘Youth and young manhood’ van de tijd waarin het beloftevolle nieuwe bandje nog binnengehaald werd als de nieuwe Strokes. Ook ‘Aha shake heartbreak’ en ‘Because of the times’ hebben nog steeds een vooraanstaand plaatsje in onze collectie, maar vanaf ‘Only by the night’ begonnen wij al enige argwaan te krijgen, ook al stonden er een paar regelrechte krakers op dat album.
Aanvankelijk werkt de weidse aanpak wel. De band schiet verrassend goed uit de startblokken met het heerlijk voorbijglijdende “The end”. De inmiddels vertrouwd rollende single “Radioactive” trekt geslaagd de lijn door gevolgd door het frisse “Pyro”, het tintelende “Mary” en het verdomd pakkende en meeslepende “The face”. Maar dan is het definitief gedaan en vervalt de plaat in vervelend geneuzel en ondermaatse songs ontdaan van elke vorm van inspiratie of emotie. Als u niet wil in slaap vallen mag u de tracks 6 tot 12 overslaan en meteen skippen naar nummertje 13 “No Money”, een lekker stampende rocker die zo op één van de eerste twee platen had gekund.
6 op 13, da’s een buis wat ons betreft maar de charts zullen daar wel anders over oordelen.
Aan u de keuze.

In België zijn er in deze elektronica en dance tijden toch ook nog een hoop talentvolle groepjes die in een verre boog omheen synths, beatboxen en laptops lopen. Bandjes die zweren bij de gitaar als ultiem rock instrument. The Sore Losers is zo een groepje die nog uit het goede rockhout gesneden is, een bandje trouwens waar nog wat overblijfselen van het ter ziele gegane El Guapo Stuntteam in rondhangen. Zanger/gitarist Jan Straetemans blijkt een overtuigend rockertje te zijn. Hij heeft de juiste vibe, een ronkende stem (Jack White hangt af en toe dicht in de buurt) en de nodige passie voor de blues. Dat alles, in combinatie met een handvol potige songs, blijkt meer dan voldoende te zijn om een sterke set te brengen in de Trix. U mag van ons blind hun kersverse debuutplaat aanschaffen, het zal u goed doen. Pas op, ze is nog warm.

De pure onversneden rock en alt country van Drive By Truckers is diep geworteld in de Amerikaanse Zuidelijke staten en zorgt op een podium altijd voor gensters. Vooral de afwisseling in vocals houdt het spannend, enerzijds is er die typische southern stem van frontman Patterson Hood, anderzijds krijgen we de rockende bariton van Mike Cooley die daarmee aardig contrasteert. Ook de drie gitaren, die nogal eens met elkaar in de strijd durven te gaan maar mekaar daarbij nooit voor de voeten lopen, zijn typerend voor de sound van Drive By Truckers. Een glansrol is hierin weggelegd voor nieuwkomer John Neff die zichzelf niet zozeer in de spotlights stelt maar die vooral zijn gitaar laat spreken met puntige solo’s en heerlijk slide werk.
DBT leveren de perfecte afwisseling van vlammende en heftige rocksongs (“Marry me”, een wervelend “Hell no I ain’t happy”), melodieuze klassieke rockers met een knipoog naar Neil Young (“After the scene dies”, “The fourth night of my drinking”), knappe countryrockers (“Birthday boy”, “Carl Perkins Cadillac”) en een gebeurlijke mooie zalvende ballad (“Santa Fe”).
Een band die maar liefst tien platen in amper twaalf jaar heeft uitgebracht kan losjes kiezen uit een omvangrijke stapel vijfsterren-songs zodat het onmogelijk is dat er ook maar één zwak moment te bespeuren valt in hun set. Vandaar, het concert boeit van begin tot einde.
Enige frustratie die je met een DBT optreden kan hebben is dat je zonder veel moeite een pak schitterende songs kan opnoemen die de heren niet spelen. Zo wordt er maar heel sporadisch geput uit hun magnum opus ‘Southern Rock Opera’ en dat is misschien een beetje jammer, maar we gaan vooral niet morren want we hebben hier te doen met een luxe probleem.
Bij aanvang van de bisronde meldt Patterson Hood trouwens dat er alweer een nieuwe Drive By Truckers cd op stapel staat (en de vorige ‘The big to-do’ is amper een klein jaartje oud, van een productief groepje gesproken) waarop hij prompt de prachtige en absoluut veelbelovende nieuwe song “Used to be a cop” uit zijn mouw schudt.
Spontaan beginnen wij kwijlend te verlangen naar die nieuwe plaat (zou voor februari al zijn). Met die bisronde gaat het daarna alleen maar in crescendo met “Get downtown”, die spetterende rock’n’roll song uit dat voortreffelijke album ‘The big to do’, en het geweldige anthem “Let there be rock” (ode aan AC/DC, Lynyrd Skynyrd en verder eigenlijk alle onverslijtbare rock die u helaas nooit zal horen op Stu Bru).

Drive By Truckers is nog zo eens een groep die klasrijke traditionele rock met passie brengt en niets anders dan dat. Geen geforceerde hippe geluidjes, geen pretentie, geen macho rockstar gedoe, geen in marketingkringen uitgedokterd imago. De wereld heeft zulke bands nodig. En, niet te vergeten, The Sore Losers is er gelukkig ook zo eentje. Er zijn nog zekerheden in het leven.

Organisatie: Trix, Antwerpen

zaterdag 27 november 2010 01:00

Gorillaz - Schitterend totaalspektakel

Wat als een ambitieus nevenprojectje is begonnen, is uitgegroeid tot een fameus totaalspektakel en een tijdrovend circus. Maar creatief brein en muzikale veelvraat Damon Albarn weet er raad mee, hij heeft met de unieke formule van Gorillaz onverhoopte successen bereikt en reist met zijn omvangrijke gevolg de wereld rond waarbij hij overal op zeer lovende reacties onthaald wordt. De man geniet er zichtbaar met volle teugen van en alle bandleden delen in zijn vreugde. Gorillaz is hot.

Aanleiding tot de succesvolle concertenreeks is natuurlijk het avontuurlijke derde Gorillaz album ‘Plastic Beach’, een plaat met een verslavende werking en eentje die bovenaan gaat eindigen in alle eindejaarslijstjes. En na wat we vanavond hebben mogen meemaken, gaan wij dat album nog meer koesteren. Een hele resem special guests hebben er aan meegewerkt, en een pak van hen dartelen gewoon mee op tournee, ook al staan ze iedere avond maar enkele ogenblikken op het podium.
Om Gorillaz live ten volle mee te beleven kom je ogen en oren te kort. Razend knappe visuals en animaties passeren op groot scherm terwijl daaronder op het podium ettelijke muzikanten met laaiend enthousiasme hun ding doen. En dan is er nog Damon Albarn zelf die volledig opgaat in dat totaalgebeuren en hierbij de bedrijvigheid aan de dag legt van een overenthousiast kind dat zopas een uitpuilende speelgoedbox van Sinterklaas heeft gekregen. Hij vliegt en springt over het podium, hitst geregeld zijn bandleden op en gaat die zelfs ongegeneerd omhelzen.
Tijdens zijn vrolijke escapades blijft hij steeds knap bij stem en zingt hij met een ongeziene vurigheid. Een prachtige frontman dus die centraal op het podium dan nog eens geflankeerd wordt door een paar levende legendes, met name Clash leden Mick jones en Paul Simenon. Jones fladdert voortdurend geamuseerd over en weer op het podium, ondertussen de fijnste gitaarriffs uit de losse pols schuddend, en een al even driftige Simenon weet met zijn diepe bastonen een nadrukkelijke stempel op het Gorillaz geluid te drukken.
Na de knappe animatie intro komt een strijkensemble bestaande uit een handvol bevallige kortgerokte jongedames (een mens zou wensen dat hij een viool was) op magistrale wijze de eerste tonen van “Orchestral intro” inzetten en daarna komt Snoop Dogg van op groot scherm een welkomstwoord rappen in “Welcome to the world”, op het podium wordt hij hier bijgestaan door het naarstig trompetterend Hypnotic Brass Ensemble, een hitsige blaaskapelbende met een buitenproportionele longinhoud. Het is algauw duidelijk dat we hier vanavond grootse dingen gaan beleven.
Een voorname gast is soullegende Bobby Womack die het aanstekelijke “Stylo” op de meest wonderbaarlijke manier naar de hemel zingt. Een stem om van omver te vallen. Ook de strot van de bevallige Rosie Wilson knalt helder in “19-2000”.
Om te tonen dat Gorillaz ook zonder gastzangers kunnen schitteren komt Albarn van achter zijn piano “Melancholy hill” subliem vertolken en blaast hij er een gloeiend en ontvlambaar “Rhinestone Eyes” door.
De rappers van De La Soul hebben in het voorprogramma voor wat bedenkelijk en geforceerd amusement gezorgd, maar hun raps blijken binnen het concept van Gorillaz wel te werken en ze maken een knetterende party van “Superfast Jellyfish”.
Nog schoon hip hop volk op de vloer met Bootie Brown en MF Doom in een uiterst knap “Dirty Harry” (met heerlijke backgroundkoortjes) en “November has come”.
De Oosterse muze Little Dragon doet samen met Albarn een paar mooie dingen op het fijne “Empire ants” en op het lieflijke wiegeliedje “To Binge”, en om “White flag” te introduceren komen een combo Syrische muzikanten de meest betoverende Oosterse klanken uit hun gekke instrumenten toveren. Wij zien nochtans geen slang uit een mand komen, maar we kunnen die er zo bij denken.
Het fantastische dansfeestje “Dare”, een hoogtepunt onder de hoogtepunten, met Rosie Wilson in een spetterende hoofdrol, blaast het dak van de Lotto Arena.
Voor we het goed beseffen zijn we al aan de finale beland. De temperatuur gaat nog maar eens de hoogte in met het stomende “Glitter Freeze” (weliswaar zonder de fantastische brompot Mark E Smith maar toch even briljant) onmiddellijk gevolgd door een furieus “Punk” waarin de heren van The Clash door het dolle heen gaan.
Voor de bisronde komt Bobby Womack nog eens schitteren in “Cloud of unknowing” en ontploft de hele zaal met “Feel good Inc” dat opgejut wordt door de raps van De La Soul. Natuurlijk is het ook nog eens dolle pret met de knaller “Clint Eastwood”, die prachtsingle waarmee alles destijds is begonnen, om dan in schoonheid te eindigen met “Don’t get lost in heaven” en de wervelende finale “Demon days” met alweer een fantastische Bobby Womack op de voorgrond.

Ronduit grandioos. Damon Albarn verdient een standbeeld.
Wij mogen hopen dat dit voor herhaling vatbaar is, wat niet evident is met zo een organisatie. Toch misschien nog één keertje in Werchter ? Alstublief, Damon, wij smeken u. De Schuer zal wel betalen. Wij dus.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Pagina 86 van 112