logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (15470 Items)

Autumn Falls 2010 – Olafur Arnalds - Nive Nielsen & The Deer Children - Menomena - Peter Broderick

Geschreven door

Autumn Falls 2010 – Olafur Arnalds - Nive Nielsen & The Deer Children - Menomena - Peter Broderick
Op de slotdag van de eerste editie van het driedaagse Brusselse indoor festival Autumn Falls was het afzakken geblazen naar de verschillende zalen die de Botanique rijk is. Hoewel de bands die daar die avond geprogrammeerd stonden stuk voor stuk (nog) niet echt een breed publiek aanspreken was de avond toch ruim op voorhand uitverkocht. Het bleek een meesterzet van de organisatoren om op de laatste dag de vrieskou te proberen verdrijven met intieme en minimalistische muziek die associaties oproept aan knetterende haardvuren en stomende warmwaterbronnen.

Peter Broderick
Het was drummen om nog binnen te geraken in de Rotonde, maar wie daar toch in slaagde zal het optreden van Peter Broderick niet vlug vergeten. De intimistische folksongs die deze 23-jarige Amerikaanse singer songwriter moeiteloos uit zijn pols leek te schudden deden het publiek verschillende keren naar adem happen.
Toen Peter Broderick tot twee maal toe de zaal inwandelde om zonder instrument en zonder micro te zingen (eigenlijk eerder een soort huilen) leek de betovering zelfs compleet. Duidelijk was dat deze jongeman zijn job van ambachtelijke songsmid ernstig nam. Het amateuristische geklungel met instrumenten op het podium tussen de nummers door werd hem bij deze ruimschoots vergeven.
Dankzij enkele gesmaakte duetten met zijn vriendin en de looping gewijze versmelting van piano, viool en gitaar bleef het optreden tot de laatste noot boeien. Wie Nick Drake en Sufjan Stevens best te pruimen vindt mag de ontroerende Peter Broderick niet langer links laten liggen.

Menomena
Het indie rockgeluid van het Amerikaanse viertal Menomena was die avond ongetwijfeld de vreemde eend in de bijt tussen de countryfolk en intimistische pianomuziek die uit alle zalen naar buiten sijpelde. Een gedurfde maar ook een geslaagde keuze, want het was wat ons betreft een aangename eerste kennismaking met deze eigenzinnige heren die erin slaagden om hun nummers experimenteel maar toch popgevoelig en toegankelijk te houden.
Op platen ‘Friend and Foe’ en het dit jaar verschenen ‘Mines’ is afwisseling het ordewoord, en zo was het niet verbazend dat ook die avond zowel echo’s van Amerikaanse bluesrock (Kings Of Leon), Britpop (Blur) of pure eighties pop (Cock Robin) doorschemerden. Menomena bleek naast de langharige zanger bovendien over meer dan één uitstekende stem te beschikken en maakte daar tijdens de set ook dankbaar gebruik van. Fans van Kings Of Leon die in hun huidige gepolijste stadion rock de weerhaakjes van weleer missen weten bij deze waar naartoe.

Nive Nielsen & The Deer Children
Doet deze groep bij u een belletje rinkelen? Bij ons ook niet. Omdat we het programmaboekje op voorhand niet zo goed bekeken hadden was onze verbazing dan ook niet klein toen er plots een breed glimlachend eskimo meisje op het podium verscheen. Het was ons trouwens niet duidelijk waarom Nive Nielsen maar bleef lachen het ganse optreden door. Was het omdat ze in een goed gevulde Rotonde mocht spelen na Peter Broderick, voor wie ze wel een boontje leek te hebben? Of was het te wijten een over de generaties heen geërfd biologisch afweermiddel tegen de pooltemperaturen? Leek ons niet echt nodig, want de rijk gearrangeerde countryfolk die ze met haar overtuigende achtkoppige live band bracht leek wel uitgevonden om maandenlange winters binnenshuis te trotseren.
Zelf bespeelde Nive een ukelele en de talrijke blazers kleurden mooi samen met haar fragiele stemgeluid, dat vaag aan Kirsten Hersch van Throwing Muses deed denken. Dat we hier niet direct enkele songtitels meegeven vergeeft u ons wellicht, want de debuutplaat ‘Nive Sings’ is tot nader order alleen in thuisland Groenland verkrijgbaar.

Olafur Arnalds
Zelden een treuriger concert gezien dan Olafur Arnalds op Autumn Falls. Van de spaarzame projecties van opvliegende duiven, sneeuwvlokken en eenzame vuurtorens werd je al niet echt vrolijk, maar de muziek klonk zo mogelijk nog meer deprimerend.
De erg minimalistische, klassieke composities, waarin piano, strijkers en een vleugje avant garde elektronica elkaar uitdaagden, deden de titel van het nieuwe album ‘…And they have escaped the weight of darkness’ alle eer aan.
Net als landgenoot Johann Johannsson bestaat de missie van deze sympathieke piepjonge Ijslander erin om niet klassiek geschoolden ook wat klassieke invloeden bij te brengen. Een opdracht waarin hij die avond trouwens ruimschoots slaagde, getuige de muisstille Orangerie doorheen de ganse set. Als je het ons vraagt toch geen geringe prestatie voor een rechtstaand publiek (dat op het eerste zicht overwegend niet klassiek geschoold leek) in een rocktempel laat op de avond. “Thank you for being the most quiet audience ever” was zijn welgemeend dankwoord tot twee maal toe.

Organisatie: Botanique ism ToutPartout)

Drive By Truckers

Drive By Truckers - Pure, onversneden rock en Americana

Geschreven door

In België zijn er in deze elektronica en dance tijden toch ook nog een hoop talentvolle groepjes die in een verre boog omheen synths, beatboxen en laptops lopen. Bandjes die zweren bij de gitaar als ultiem rock instrument. The Sore Losers is zo een groepje die nog uit het goede rockhout gesneden is, een bandje trouwens waar nog wat overblijfselen van het ter ziele gegane El Guapo Stuntteam in rondhangen. Zanger/gitarist Jan Straetemans blijkt een overtuigend rockertje te zijn. Hij heeft de juiste vibe, een ronkende stem (Jack White hangt af en toe dicht in de buurt) en de nodige passie voor de blues. Dat alles, in combinatie met een handvol potige songs, blijkt meer dan voldoende te zijn om een sterke set te brengen in de Trix. U mag van ons blind hun kersverse debuutplaat aanschaffen, het zal u goed doen. Pas op, ze is nog warm.

De pure onversneden rock en alt country van Drive By Truckers is diep geworteld in de Amerikaanse Zuidelijke staten en zorgt op een podium altijd voor gensters. Vooral de afwisseling in vocals houdt het spannend, enerzijds is er die typische southern stem van frontman Patterson Hood, anderzijds krijgen we de rockende bariton van Mike Cooley die daarmee aardig contrasteert. Ook de drie gitaren, die nogal eens met elkaar in de strijd durven te gaan maar mekaar daarbij nooit voor de voeten lopen, zijn typerend voor de sound van Drive By Truckers. Een glansrol is hierin weggelegd voor nieuwkomer John Neff die zichzelf niet zozeer in de spotlights stelt maar die vooral zijn gitaar laat spreken met puntige solo’s en heerlijk slide werk.
DBT leveren de perfecte afwisseling van vlammende en heftige rocksongs (“Marry me”, een wervelend “Hell no I ain’t happy”), melodieuze klassieke rockers met een knipoog naar Neil Young (“After the scene dies”, “The fourth night of my drinking”), knappe countryrockers (“Birthday boy”, “Carl Perkins Cadillac”) en een gebeurlijke mooie zalvende ballad (“Santa Fe”).
Een band die maar liefst tien platen in amper twaalf jaar heeft uitgebracht kan losjes kiezen uit een omvangrijke stapel vijfsterren-songs zodat het onmogelijk is dat er ook maar één zwak moment te bespeuren valt in hun set. Vandaar, het concert boeit van begin tot einde.
Enige frustratie die je met een DBT optreden kan hebben is dat je zonder veel moeite een pak schitterende songs kan opnoemen die de heren niet spelen. Zo wordt er maar heel sporadisch geput uit hun magnum opus ‘Southern Rock Opera’ en dat is misschien een beetje jammer, maar we gaan vooral niet morren want we hebben hier te doen met een luxe probleem.
Bij aanvang van de bisronde meldt Patterson Hood trouwens dat er alweer een nieuwe Drive By Truckers cd op stapel staat (en de vorige ‘The big to-do’ is amper een klein jaartje oud, van een productief groepje gesproken) waarop hij prompt de prachtige en absoluut veelbelovende nieuwe song “Used to be a cop” uit zijn mouw schudt.
Spontaan beginnen wij kwijlend te verlangen naar die nieuwe plaat (zou voor februari al zijn). Met die bisronde gaat het daarna alleen maar in crescendo met “Get downtown”, die spetterende rock’n’roll song uit dat voortreffelijke album ‘The big to do’, en het geweldige anthem “Let there be rock” (ode aan AC/DC, Lynyrd Skynyrd en verder eigenlijk alle onverslijtbare rock die u helaas nooit zal horen op Stu Bru).

Drive By Truckers is nog zo eens een groep die klasrijke traditionele rock met passie brengt en niets anders dan dat. Geen geforceerde hippe geluidjes, geen pretentie, geen macho rockstar gedoe, geen in marketingkringen uitgedokterd imago. De wereld heeft zulke bands nodig. En, niet te vergeten, The Sore Losers is er gelukkig ook zo eentje. Er zijn nog zekerheden in het leven.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Macy Gray

Macy Gray - de complexe en onpeilbare diva

Geschreven door

Hoe zou het nog met Macy Gray zijn? Ewel, goed. In zekere zin toch. Met ‘The Sellout’  liet ze de voorbije zomer haar vijfde studioalbum op de wereld los. ‘Uitverkoop’ is een zwaarwegende titel, maar gezien haar zwalpende jaren na haar topdebuut ‘On how life is’ (1999) moest misschien alles weg om (nog eens) te kunnen herstarten. Kwestie van de complexen wat weg te dringen. Het slotnummer van de plaat heet dan ook niet voor niets “The Comeback”.
Hoezo een comeback? Ja, het ‘lelijke eendje met de gouden zwanenstem’ tipte nooit meer aan haar opener van een dikke tien jaar terug. Hoezeer ze zich ook omringde met pop- en andere topmuziekmensen, het ooit gelauwerde fenomeen van “I try” gleed steeds dieper weg.

We waren dan ook benieuwd hoe ze eind november in de Brusselse AB de zaal zou warm krijgen.
Met een medley, zo bleek. Van eigen nummers, van verschillende platen, van verschillende artiesten. La Gray probeerde zich ook van het fysieke lelijkheidstrauma  te ontvellen en doorspekte haar gig bijvoorbeeld viermaal met een andere jurk. Vol standing, een diva waardig, maar nog altijd zo complex onpeilbaar.
In hokjes past ze niet. Ja, soul, akkoord, maar daarnaast blijft ze onvoorspelbaar. Ook in Brussel waar we van jazzy momenten in tachtiger disco tuimelden terwijl ze bij momenten ook een warrige indruk liet.
Haar zwaar uitgespannen zijaanzichtfoto schreeuwde zwart op wit om aandacht. Haar (overigens super) backing vocal deed hetzelfde als woordelijke aankondiging van Gray, opstappend in zwarte jurk met een zwart-witte boa om de nek. Het haar stijf omhoog. Een verschijning, maar niet zo helder van geest, zo leek ons, al waren haar rockpasjes op “Kissed it” wel in de maat.
”I am Macy Gray, but I don’t know your names. Introduce yourself” wauwelde ze de zaal toe net voor Caligula waarna een Google-verhaaltje volgde over waarom ze die avond snel-snel naar Brussel was gekomen. “The more you drink, the better we sound”, was ook niet meteen een quote die zelfvertrouwen uitstraalde. Of was het echt enkel als grap bedoeld?
Misschien, maar wellicht niet, want meteen erna bracht ze een (trouwens knappe) ode aan Radiohead en haar lage(re) zelfbeeld met “Creep”, gevolgd door “Nothing else matters” van Metallica dat ze volledig overliet aan haar backing met witte pruik terwijl zij even ging ‘bijtanken’.
… En omkleden. Want in een glitterdress met een nadrukkelijk kralen snoer stuurde ze de AB na “Demons” de dansvloer op met “Why didn’t you call me” en “Do Something” .
… ”We might as well dance together” … Door die parels van haar eerste cd was Gray voor het eerst weer echt Gray. Herkenbaar dus voor de fans van het eerste uur.
Net toen liep het bij de PA fout want op “Still” ging het geluid tot viermaal toe aan het tsjirpen. Daar bleef het gelukkig bij, zodat het op de (te korte) reggaeversie van “Sweet Baby” ongestoord en zalig meebewegen was.
Zwoel en hoerig stapte ze met “On & on” een jazzy-lounge nightclub binnen om even later met een mengeling van door oude discosongs doorspekte eigen aan elkaar gebreide nummers de jaren tachtig te laten heropleven. “Sexual revolution”  blijft ook een meezinger voor het toch wel genietende publiek, met een leuke knipoog naar Rod Stewart (“Do you think I am sexy?”) en een billenkneep in Dee-Lite (“Groove is in the heart”). Al was dat weer het werk van haar backing sister want opnieuw dook ze de kleedkamer in. In een zwarte cocktailjurk kwam ze alweer stijlvol terug en dompelde “Oblivion” onder in een lekker Balkansausje.
Tijd voor wat Trust- en Peace- en Love-gebedel bij haar toehoorders die graag meededen. Het verhaaltje over ‘The man you tell the truth to and who stays with you is the real one’ klonk alweer wat lang en bijna zelfvernederend-verlangend. Tijd voor een nieuwe break, vond ze en ze ging zitten terwijl een gitaarversie klonk van Queens We are the Champions, gevolgd door een lekker Afrikaans aandoend “Beauty in the World”.

Nog één bisnummer had ze in haar alweer gewisselde jurk. “Que sera”. En weg was ze. De Brusselse nacht in. Pretentie- en complexloos, dachten we te schrijven. Maar die complexen, daar zijn we nog niet helemaal uit.

Setlist 1. Jazz intro 2. Ghetto love 3. Kissed it 4. Caligula 5. Glad you’re here
6. Creep 7. Nothing else matters 8. Demons 9. Call me 10. Do Something 11. Still 12. Sweet baby 13. On & on 14. That man 15. Let you win 16. Sexual Revolution 17. Oblivion 18. I try
19. We are the champions 20. Beauty in the World 21. Que sera

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Greenhouse Talent


Coliseum

Coliseum weet waar het de mosterd haalt

Geschreven door

De set van het Belgische Black Haven was al beëindigd toen we vorige week zaterdag door het barre winterweer en na enig zoekwerk het jeugdhuis Thope in Brugge wisten te bereiken.
Bij navraag bleek de punkmetal van dit viertal wel aan te slaan bij het lokale publiek. In dat publiek was niemand minder dan de Brugse tattoo-artiste Jen Zie (een goede vriendin van Muriëlle Victorine Scherre van La Fille d’O) aanwezig en dat zouden we geweten hebben. De langbenige ‘Brugse Skone’ kwam meermaals in beeld daar ze deel uitmaakte van een groepje in het publiek dat niet kon blijven stilstaan gedurende de sets van de diverse bands.

Kvelertak (Nor) kwam hun alom bejubelde debuutplaat, die begin dit jaar werd uitgebracht, promoten en dat deden ze met glans. De rock-’n-roll metal van dit Noorse zestal klonk aanstekelijk en een partysfeer maakte zich meester over het leuke zaaltje. Ook op het podium niets anders dan speelplezier. De drie (3!) gitaristen staken elkaar voortdurend de loef af, terwijl de bassist het niet kon laten om halverwege de set een box te beklimmen en van daarboven een volledig nummer wiebelend zijn bassnaren te geselen. Dat de Noren in hun moedertaal zongen, kon het publiek worst wezen. Er was ambiance in de keet en de show deed denken aan waar hun landgenoten Turbonegro zo goed in zijn: humorvolle, ‘in ya face’ rock ‘n’ roll met een punkdrive waar je onmogelijk bij stil kan blijven staan. Kvelertak doet er bovendien nog een schepje bovenop met de krijsende stem van zanger Erlend Hjelvik en het implementeren van blackmetal-riffs. Het optreden van Kvelertak was af en ze zijn klaar om in minder dan een jaar zelfs de rol van headliner op zich te nemen. Noord-Europese klasse!

Het uit Vancouver (Canada) afkomstige Bison B.C. klinkt misschien niet bekend in de oren maar ze hebben toch al getourd met grotere namen als Baroness en Priestess. Hun sludge heavy metal, doorspekt met doomriffs kwam echter niet volledig tot zijn recht wegens P.A. troubles. Ondanks deze tekortkomingen deden de de twee brulboeien en baardapen van dienst (James Farwell en Dan And) hun uiterste best om de ‘Neanderthal-metal’ de nodige kracht bij te zetten. De Oosters uitziende bassist Masa Anzai had er duidelijk zin in en betokkelde zijn bas alsof hij een nazaat van Bruce Lee was. Samen met drummer Brad MacKinnon vormde hij de solide basis waarop de twee frontmannen blindelings konden vertrouwen. Slechts twee nummers uit hun debuutplaat Quiet Earth uit 2008 passeerden de revue: “These are my dress clothes” en het Mastodoneske “Slow hand of death”. Dit laatste was tevens het hoogtepunt van hun set, waaruit voor het overgrote deel werd geput uit hun recent uitgebrachte schijf Dark Ages. Ondanks het teruggeschroefde volume geen slechte vertoning.

Headliner Coliseum (afkomstig uit Louisville, Kentucky) timmert al sinds 2003 aan een muzikale carrière en tourde ondertussen al met Napalm Death, High on Fire en Converge. Het drietal is sinds begin november bezig aan het Europees gedeelte van hun tour naar aanleiding van hun dit jaar uitgebrachte album House with a curse. En dat dit derde full-album insloeg als een bom, konden we al van bij de start aan den lijve ondervinden. Opener “Blind in one eye”, gevolgd door “Everything to everyone” en “Crime and the City” lieten ons direct grondig kennismaken met dit nieuwe album.
Het geluid zat goed en de leden van de band hadden het duidelijk naar hun zin. Kolos Ryan Patterson (inclusief Black Flag t-shirt) was blij dat ze in Brugge waren en loofde zowel de catering als het publiek. Bassist Mike Pascal (denk aan Malcolm Young van AC/DC met een Spinal Tap attitude, inclusief haircut) stond geen seconde stil en stak om de minuut zijn gebalde vuist vooruit. De drummer, Cart Wilson, sloeg – ondanks zijn tengere gestalte – gensters uit zijn drumstel.
Kortom een strak drietal dat weet waar het de mosterd haalt (ook de bassist droeg een Black Flag t-shirt) en er vervolgens een originele twist aan geeft. Coliseum kan je best omschrijven als oldschool hardcore, verrijkt met vettige southern desertrockriffs. Er werd sporadisch nog eens een nummer uit hun debuutplaat ‘Coliseum’ (2004) gespeeld, bvb. het voortreffelijke “Give up and drive”, alsook enkele nummers uit het in 2007 uitgebrachte ‘No Salvation’. Eén ervan zat bij de encores: het up-tempo “Defeater” dat nog het meest schatplichtig was aan Black Flag! Coliseum was kolosaal! Meer van dat!

Setlist Coliseum:
[1] Blind in one eye [2] Everything to everyone [3] Crime and the city [4] Turn to dust [5] Interceptor [6] Give up and drive [7] Skeleton smile [8] Lost in Groningen [9] Punk/Money [10] Year of the pig [11] Theme // [encores]  [12] Defeater [13] Set it straight

Organisatie: HeartBreakTunes (ism JH Thope, Brugge)

Autumn Falls 2010 – Atari Teenage Riot – Aux Raus – Vermin Twins

Geschreven door

 In het algemeen vind ik het aperitiefhapje - ja, de band die nog aan de beurt is vóór het voorgerecht - dat de toeschouwer krijgt toegeworpen bij een concert, meestal maar flauw en flets. Maar dan is dat buiten Vermin Twins gerekend, een duo dat bestaat uit Micha Volders (ex-El Guapo Stuntteam) en Lotte Vanhamel (jawel, zus van). Nog voor ze goed en wel beginnen, is het al duidelijk dat er geen gewone elektro zal volgen. In bijzondere zwart-wit pakjes betreden ze het podium, Vanhamel als een kokette kat dansend over alle kabels en machinerie die her en der verspreid liggen. Ze zijn voor haar absoluut geen obstakels, eerder attributen! Maar het is niet enkel de présence die deze band maakt, o nee, ze maken ook steengoede, loeiharde elektro. Voor het gemiddelde publiek misschien een beetje te hard, maar wees gerust, u laat zich algauw meeslepen door de allesomverwerpende energie. Deze elektro valt het beste te beschrijven als de Ed Banger-herrie, zo kenmerkend voor goden als Justice, maar met nog een iets grotere portie lawaai. Dat zich ten volle laat smaken!

Daarna volgt Aux Raus, die zichzelf graag laten omschrijven als 'gabberpunk'. De term zegt het zelf, een genre voor liefhebbers. Zelf ben ik niet zo tuk op de mengeling van hardcore-punk met pure techno. Het gaat er ronduit hárd aan toe, met een zanger die naarmate de set vordert, zo veel mogelijk kleren probeert uit te spelen. Altijd tof als dit initiatief wordt genomen door knappe adonissen, maar we zullen het er allemaal roerend over eens zijn dat dat in dit geval niet van toepassing is. Bovendien staat iedereen al te springen voor het hoofdgerecht...

Sympathiek, die mensen van Atari Teenage Riot! Ze beginnen er al aan, vijf minuten vóór ze eigenlijk van start zouden moeten gaan. Hoezo, goeie artiesten beginnen altijd een kwartier te laat? De toeschouwers worden al wild bij aanvang van nog maar een klein beetje noise. En dan gaat de riot van start, zodra het geschreeuw begint, danst iedereen zo wild dat er een golf van chaos over de zaal neerdaalt. Maar hoe hard iedereen ook springt, als er iemand valt, rapen we deze persoon op. Het zijn niet alleen de nieuwe nummers die inslaan als een bom, maar vooral klassiekers als “Too dead for me” maken ons helemaal gek.
Het kan dan ook niet meer op als we “Ghostcase” en “Revolution Action” nog als toemaatje krijgen. Frontman Alec Empire betreedt de zaal met een megafoon in de hand, ongelovig kijkend naar wat voor een feest hij wel niet veroorzaakt. Meisjes staan als beesten te dansen vooraan, iedereen is gewoon volledig losgeslagen.
Afschuwelijk lawaai, zo zou de gemiddelde grootouders het noemen, maar iedereen is herenigd, zowel de punker uit de jaren negentig, als de nieuwe generatie alternatievelingen. Het zijn alle blauwe plekken méér dan waard.

Organisatie: Vk* (ism ToutPartout)

Swans

Swans - Play at loud volume!!!

Geschreven door

Op deze barre en winterse vrijdagavond trokken we goedgemutst en warm ingeduffeld naar het Noord-Franse Tourcoing om de herenigde New Yorkse noisemasters Swans aan het werk te zien. We waren benieuwd of ze nog altijd even indrukwekkend en overrompelend waren als voordien.

Eerst kregen we de Londense alternatieve folkartiest James Blackshaw voorgeschoteld. Op zijn twaalfsnarige akoestische gitaar bracht hij dromerige, intieme, spaarzame en rustige songs die beïnvloedt waren door artiesten als John Fahey, Bert Jansch en Leo Kottke. De 29-jarige troubadour, die op het Young God Records-label zit van Michael Gira, bracht het er redelijk goed van af, maar zijn fingerpicking style stond in schril contrast met de massieve wall of sound van Swans. Zodoende niet de ideale match, de verkeerde man op de verkeerde plaats.

Voor wie Swans niet kent, een introductie: Swans zijn een invloedrijke Amerikaanse noise/industrial/ experimentele rockband, opgericht door singer/songwriter en multi-instrumentalist Michael Gira. De groep was deel van de New Yorkse 'No Wave'-scene (cocktail van post-punk, punkrock, jazz, funk en avant-garde) met acts als Lydia Lunch, Teenage Jesus and The Jerks, Sonic Youth, D.N.A., Mars en James Chance and The Contortions. De band was vooral befaamd in de jaren tachtig om hun krankzinnig luide en intense optredens waarbij regelmatig aanwezigen brakend de zaal uitliepen. Hun sound was log, minimalistisch, beenhard en afgekloven. Na hun derde album voerde de band een stijlverandering door en klonk de muziek minder zwaarmoedig, toegankelijker en melodieuzer.
Naast Gira, waren vocaliste/keyboardspeelster/songwriter Jarboe en gitarist Norman Westberg de enige vaste leden. Tussen '82 en '97 penden ze een uitgebreide en aanzienlijke discografie bijeen: elf studio-albums, zeven compilaties, negen liveplaten en elf EP's.
Na de split in '97 profileerde Gira zich vooral als solo-artiest en frontman van Angels of Light, een project met constant wisselende musici. Gedurende deze periode maakte hij eerder breekbare, akoestische en ingetogen muziek. Een radicale stijlbreuk met zijn verleden bij Swans die vooral grossierden in gitzwarte, rauwe en nihilistische songs. Hij richtte tevens een eigen platenlabel op, Young God Records.
Toch begon het weer te kriebelen en aldus werd in januari 2010 Swans nieuw leven ingeblazen door Gira, ditmaal zonder Jarboe. Er volgde een felbejubeld en enthousiast onthaald nieuw album, het eerste in dertien jaar, met de vertrouwd klinkende sombere titel 'My father will guide me up to a rope to the sky'. Een achttien maanden durende wereldtour zit inmiddels op de rails.

In de kleine maar gezellige en sfeervolle Grand Mix begon Swans hun set met een indringende en uitgesponnen drone, aanzwellende loops en gehamer op staven waarbij langzaamaan één voor één de andere instrumenten bijkwamen. Zodra de bas en gitaren invielen herkenden we "No words/no thoughts", tevens de opener van de nieuwe langspeler.
Een trage opbouw is typisch voor Swans en zou één van de hoofdkenmerken worden van de performance. Elke song kreeg de tijd om zich live te ontwikkelen tot 'monsterversies' van een kwartier tot zelfs twintig minuten, dit in tegenstelling tot de studioversies die eerder beknopt zijn. Door de lange improvisaties was het niet altijd duidelijk waar een nummer eindigde en een ander begon. Uiteindelijk speelde Swans bijna twee uur waarin ze slechts acht tracks en één korte bis ten gehore brachten. Van verveling was geen sprake.
Van de oorspronkelijke bezetting zijn alleen Gira en oudgediende Norman Westberg nog present, aangevuld met de nieuwe 'werkkrachten' Chris Prevdica en lap steel-gitarist Christoph Hahn. Phil Puleo en Thor Harris (beide ex-Angels of Light) etaleerden hun kunsten niet alleen op drums en percussie, maar stonden ook hun mannetje op keyboards, vibrafoon, xylofoon, gong en melodica. Dit alles gaf een duidelijke meerwaarde aan het totaalgeluid, een streling voor het oog en oor!!
Tijdens "Your property" (‘Cop’), beukrock uit '84, rinkelden de decibels je om de oren. "Sex God sex" uit meesterwerk en blauwdruk 'Children of God' was minimalistisch en ondraaglijk intens, een aanslag op de trommelvliezen. Het recente "Jim" was een uitermate expressief, donker en cynisch eerbetoon aan de Australische industrial/noise-artiest Jim Thirlwell, ook wel bekend onder de naam Foetus, een tijdsgenoot van Swans.
De geslaagde medley "You know nothing/Beautiful child" (uit resp. 'White light...' en 'Children of God') was bitter en bijna gewelddadig."I crawled" een andere stokoude Swans-song was confronterend, hypnotiserend en brutaal. "My birth" en "Eden prison" dreven allebei op onontkoombare, uitgepuurde en tribale ritmes. We werden compleet murw geslagen.
Met het korte en bijna spirituele "Little mouth" trakteerden ze ons met een bisnummer en kwam er een einde aan een verbluffend indrukwekkende show.

Gira was niet bepaald communicatief. Hij keek vooral gefocust en schijnbaar streng naar zijn muzikanten en zei amper een woord tegen het publiek. Tot hij vlak voor het einde een biertje vroeg en wat losser werd. Hij toonde zich als een minzame vijftiger en bedankte zijn publiek voor hun trouw. Ja, de tijden zijn veranderd. Vroeger had hij de reputatie om zijn publiek uit te dagen en te provoceren, maar daar merkten we nu weinig van.

Een optreden van Swans anno 2010 is een twee uur durende uitputtingsslag gedirigeerd door de machtige bariton van Gira en waarbij alles draait om volume, repetitieve ritmes en intensiteit. Je voelt als het ware de muziek door je hele lijf en kan ervan in een zekere extase geraken. Dit was monotone, bezwerende trancemuziek, een soort van oerritueel.
Swans behoort nog steeds tot de extreemste, luidste en radicaalste bands uit het hedendaagse muzieklandschap. Ze serveerden ons een indrukwekkend, niet te versmaden en vooral luid concert dat we niet vlug zullen vergeten. Welcome back, Swans!!!

Setlist:  1. No words/no thoughts  2. Your property  3. Sex God sex  4. Jim  5. You know nothing/Beautiful child  6. I crawled  7. My birth  8. Eden prison  9. Little mouth

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Jeff Wayne

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds
De titel van het beroemde boek van de Britse schrijver H.G.Wells uit 1898 spreekt reeds meer dan een eeuw tot de verbeelding van miljoenen mensen. Het is een sciencefiction horrorverhaal met de klassieke ingrediënten: terreur, wanhoop, liefde en een onverwacht happy end. Alles is aanwezig om een ruim publiek te boeien.
Het boek maakte Wells tot één van de beroemdste schrijvers uit zijn tijd. Hij was zeker visionair, getuige bijvoorbeeld zijn voorspelling in 1914 over de verschrikkingen van de atoombom. Het boek kwam opnieuw volop in de belangstelling door de hevige commotie rond het hoorspel van Orson Welles uit 1938.
In 1978 greep het verhaal de wereld opnieuw bij de keel. De muzikale versie van Jeff Wayne werd zonder meer een wereldhit. Een kwarteeuw later (in 2004) maakte hij daarvan een theaterbewerking, waarmee hij reeds vier jaar rondtoert met een vijftigtal muzikanten en vijf bekende solisten. Hij dirigeert zelf het ganse stuk en het plezier druipt er overduidelijk van af. De verfilming door Steven Spielberg in 2005 (met Tom Cruise in de hoofdrol) droeg alleen maar bij tot het succes van de show.

Het zou ons te ver voeren als ik zou proberen een beschrijving te geven van alles wat we te zien en te horen kregen. De website geeft daarover genoeg gedetailleerde uitleg (http://www.thewaroftheworlds.com) . Maar wie nog wat prikkels kan gebruiken om ook effectief te gaan surfen, kan ik misschien enkele dingen aanreiken die mij speciaal opvielen. Het eerste wat bij me opkomt is zonder twijfel het meer dan drie meter grote hologram van Richard Burton, de verteller, die met de regelmaat van de klok boven het podium komt zweven. De bezwerende stem doet meer dan het verhaal vertellen en converseert zelfs met de acteurs, sprekende mimiek inbegrepen.
Een ander hoogtepunt in de show portretteert misschien nog het best de ongelooflijke volledigheid en veelzijdigheid van de show. Bij het uitbreken van de oorlog daalt een gigantische drie ton zware tripod (één van de machines van Mars) neer en bestookt het publiek met knallende vuurstralen, bijgestaan door snerpende gitaren, snijdende violen en flitsende lichteffecten. Het scherm brengt onverminderd het strijdtoneel in beeld en de synergie tussen de vele elementen wordt nog groter als ook de voorkant van het podium in lichterlaaie staat.
Het gaat echter niet altijd loeihard, want de show omvat ook perfect opgebouwde melodieën. Dit is bijvoorbeeld het geval in “Eve of the War”, waar het hoofdthema iedereen meteen meesleurt met de imposante vioolstreken. Pas tegen de pauze lijk je opnieuw naar adem te kunnen happen. De samenwerking tussen de veertig orkestleden en de tien bandleden is zo goed dat het niet eens opvalt dat ze samen spelen.
Ook subtiliteit zit vervat in het meesterwerk van Jeff Wayne. En dat is des te meer het geval in “Forever Autumn”, waar de fluwelen stem van Moody Blues’ Justin Hayward zijn elegantie en stijl perfect aanwendt om de eerder aangehaalde liefde en melancholie te symboliseren. Een heerlijk subtiel deel na het grote geweld van de oorlogsverzen.
Naast Justin Hayward is ook de rest van de cast zonder meer indrukwekkend. De passie van Jason Donovan, die de gekke artillerieman vertolkt, blaast de zaal weg in “Brave New World”. En dan is er ook nog Liz McClarnon (Atomic Kitten) die plots de hemel ingaat of Rhydian (uit X-factor 2007) en Chris Thompson (Manfred Mann’s Earthband). Een indrukwekkende cast die niet louter subliem soleert, maar ook nog eens uitstekend acteert.

De show is zonder meer grandioos en overweldigend. De fans wisten niet waar eerst te kijken, terwijl de muziek zuiver en meeslepend is. Tussen de songs door volg je geboeid het verhaal, dat voortgestuwd wordt door de dwingende drum, de dwepende bas en de messcherpe gitaar- en synthesiserklanken.
Terwijl ik dit verslag schrijf heb ik de muziek opstaan en ik betrap mij er op dat ik er niet genoeg kan van krijgen: missie geslaagd, Jeff!


Organisatie: Sportpaleis, Antwerpen

Gorillaz

Gorillaz - Schitterend totaalspektakel

Geschreven door

Wat als een ambitieus nevenprojectje is begonnen, is uitgegroeid tot een fameus totaalspektakel en een tijdrovend circus. Maar creatief brein en muzikale veelvraat Damon Albarn weet er raad mee, hij heeft met de unieke formule van Gorillaz onverhoopte successen bereikt en reist met zijn omvangrijke gevolg de wereld rond waarbij hij overal op zeer lovende reacties onthaald wordt. De man geniet er zichtbaar met volle teugen van en alle bandleden delen in zijn vreugde. Gorillaz is hot.

Aanleiding tot de succesvolle concertenreeks is natuurlijk het avontuurlijke derde Gorillaz album ‘Plastic Beach’, een plaat met een verslavende werking en eentje die bovenaan gaat eindigen in alle eindejaarslijstjes. En na wat we vanavond hebben mogen meemaken, gaan wij dat album nog meer koesteren. Een hele resem special guests hebben er aan meegewerkt, en een pak van hen dartelen gewoon mee op tournee, ook al staan ze iedere avond maar enkele ogenblikken op het podium.
Om Gorillaz live ten volle mee te beleven kom je ogen en oren te kort. Razend knappe visuals en animaties passeren op groot scherm terwijl daaronder op het podium ettelijke muzikanten met laaiend enthousiasme hun ding doen. En dan is er nog Damon Albarn zelf die volledig opgaat in dat totaalgebeuren en hierbij de bedrijvigheid aan de dag legt van een overenthousiast kind dat zopas een uitpuilende speelgoedbox van Sinterklaas heeft gekregen. Hij vliegt en springt over het podium, hitst geregeld zijn bandleden op en gaat die zelfs ongegeneerd omhelzen.
Tijdens zijn vrolijke escapades blijft hij steeds knap bij stem en zingt hij met een ongeziene vurigheid. Een prachtige frontman dus die centraal op het podium dan nog eens geflankeerd wordt door een paar levende legendes, met name Clash leden Mick jones en Paul Simenon. Jones fladdert voortdurend geamuseerd over en weer op het podium, ondertussen de fijnste gitaarriffs uit de losse pols schuddend, en een al even driftige Simenon weet met zijn diepe bastonen een nadrukkelijke stempel op het Gorillaz geluid te drukken.
Na de knappe animatie intro komt een strijkensemble bestaande uit een handvol bevallige kortgerokte jongedames (een mens zou wensen dat hij een viool was) op magistrale wijze de eerste tonen van “Orchestral intro” inzetten en daarna komt Snoop Dogg van op groot scherm een welkomstwoord rappen in “Welcome to the world”, op het podium wordt hij hier bijgestaan door het naarstig trompetterend Hypnotic Brass Ensemble, een hitsige blaaskapelbende met een buitenproportionele longinhoud. Het is algauw duidelijk dat we hier vanavond grootse dingen gaan beleven.
Een voorname gast is soullegende Bobby Womack die het aanstekelijke “Stylo” op de meest wonderbaarlijke manier naar de hemel zingt. Een stem om van omver te vallen. Ook de strot van de bevallige Rosie Wilson knalt helder in “19-2000”.
Om te tonen dat Gorillaz ook zonder gastzangers kunnen schitteren komt Albarn van achter zijn piano “Melancholy hill” subliem vertolken en blaast hij er een gloeiend en ontvlambaar “Rhinestone Eyes” door.
De rappers van De La Soul hebben in het voorprogramma voor wat bedenkelijk en geforceerd amusement gezorgd, maar hun raps blijken binnen het concept van Gorillaz wel te werken en ze maken een knetterende party van “Superfast Jellyfish”.
Nog schoon hip hop volk op de vloer met Bootie Brown en MF Doom in een uiterst knap “Dirty Harry” (met heerlijke backgroundkoortjes) en “November has come”.
De Oosterse muze Little Dragon doet samen met Albarn een paar mooie dingen op het fijne “Empire ants” en op het lieflijke wiegeliedje “To Binge”, en om “White flag” te introduceren komen een combo Syrische muzikanten de meest betoverende Oosterse klanken uit hun gekke instrumenten toveren. Wij zien nochtans geen slang uit een mand komen, maar we kunnen die er zo bij denken.
Het fantastische dansfeestje “Dare”, een hoogtepunt onder de hoogtepunten, met Rosie Wilson in een spetterende hoofdrol, blaast het dak van de Lotto Arena.
Voor we het goed beseffen zijn we al aan de finale beland. De temperatuur gaat nog maar eens de hoogte in met het stomende “Glitter Freeze” (weliswaar zonder de fantastische brompot Mark E Smith maar toch even briljant) onmiddellijk gevolgd door een furieus “Punk” waarin de heren van The Clash door het dolle heen gaan.
Voor de bisronde komt Bobby Womack nog eens schitteren in “Cloud of unknowing” en ontploft de hele zaal met “Feel good Inc” dat opgejut wordt door de raps van De La Soul. Natuurlijk is het ook nog eens dolle pret met de knaller “Clint Eastwood”, die prachtsingle waarmee alles destijds is begonnen, om dan in schoonheid te eindigen met “Don’t get lost in heaven” en de wervelende finale “Demon days” met alweer een fantastische Bobby Womack op de voorgrond.

Ronduit grandioos. Damon Albarn verdient een standbeeld.
Wij mogen hopen dat dit voor herhaling vatbaar is, wat niet evident is met zo een organisatie. Toch misschien nog één keertje in Werchter ? Alstublief, Damon, wij smeken u. De Schuer zal wel betalen. Wij dus.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

The Demons Claws

The Demon’s Claws - Beter dan ooit

Geschreven door

Na ze in Kortrijk en Brussel gemist te hebben was Doornik mijn laatste kans om The Demon's Claws in België nog eens aan het werk te zien. Bij aankomst bleek Le Water Moulin meer weg te hebben van een kraakpand dan van een concertzaal : een oud huis waar jaren geleden de verwarming blijkbaar was weggehaald en waar het toilet met de emmer wordt doorgespoeld. De optredens vonden plaats in de living waarin achteraan een toog uit houten paletten was gebouwd. Maar uiteindelijk bleek dit toch een prima locatie voor een avondje onvervalste garagerock.

Billy Joe, een one-man-band uit Brussel heeft niet meteen de meest originele naam gekozen (tik maar eens in op Google!). Er loopt zelfs een hiphopgroep rond met dezelfde naam, ook al in onze hoofdstad. Hier ging het om een timide jongeman die zich botvierde op gitaar, zichzelf begeleidend met de voeten op een basdrum en een snare drum. Opgefokte blues in de stijl van Left Lane Cruiser, kan er bij mij altijd in. Hij begon ijzersterk maar bleek na zo'n 20 minuten zijn beste kruit verschoten te hebben. Toch een naam om te onthouden.

Na hun desastreuze doortocht in de Pit's enkele weken geleden (daar kwamen ze niet aan spelen toe omdat ze hun basversterker niet aan de praat kregen) was mijn krediet voor Acid Baby Jesus zo goed als helemaal opgedroogd. Kan een groep met zo'n stupide naam overigens geloofwaardig zijn? Er werd aarzelend begonnen met enkele rammelende popniemendalletjes, genre Harlem (die me eerder dit jaar ook al ontgoochelden) en leek ik mijn gelijk te zullen krijgen. Maar gaandeweg ontpopte de groep zich zowaar als het Europese antwoord op The Black Lips! Deze gasten uit Athene hadden verdomd sterke songs in de vingers terwijl de piepjonge gitarist voor een weldadige noise-injectie zorgde. Soms kwamen zelfs Thee Oh Sees om het hoekje kijken, die ijle stemmen! Acid Baby Jesus bleek een bijzonder aangename verrassing en zorgden eindelijk eens voor een positieve noot uit het ferm geplaagde Griekenland.

Na de zoveelste personeelswissel zijn The Demon's Claws nu definitief de groep van zanger-gitarist Jeff Clarke. Zoals hij met zijn blonde lokken, half beschonken op het podium stond heeft hij wel iets van Jeffrey Lee Pierce, hopelijk eindigt hij niet even tragisch. Voorlopig staat zijn drankgebruik de muziek nog niet in de weg. Integendeel : The Demon's Claws waren bijzonder goed op dreef. Ok, terwijl Clarke en de drummer zich de ziel uit het lijf speelden stonden de bassist en de tweede gitarist er veel te verweesd bij. Maar muzikaal klopte het plaatje perfect. De twee gitaren kronkelden voortdurend krols rond elkaar en deden me meer dan eens aan een Beefheart ten tijde van "Mirror man" denken.
Misschien klonk het wat minder onstuimig dan vroeger maar het bleef toch steeds fantastisch rammelen. Wanneer Clarke wat gas terugnam koos hij steevast voor country en klonk hij als Mick Jagger begin jaren zeventig. Dit groepje uit Montreal hoort wat mij betreft tot de absolute top van de garagerock, spijtig dat je daar tegenwoordig niet veel meer mee koopt. Gelukkig trekt Jeff Clarke zich daar niets van aan en wist hij zelfs van geen ophouden. Telkens kwam er nog wel een andere song in gedachten die hij absoluut wou spelen. 

Spot On Denmark 2010 – The Kissaway Trail – Efterklang – Cody – Chimes&Bells

Geschreven door

Spot On Denmark 2010
Voor de vierde editie van Spot On Denmark waagden de organisatoren voor het eerst de overstap van de kleine, intieme AB Club naar de veel grotere AB Box, maar niet zonder enige vorm van risicobeheersing. Deense groepen als The Kissaway Trail en vooral Efterklang zijn immers al lang niet meer aan hun proefstuk toe in onze contreien. Men kon zich zelfs afvragen of de missie van deze originele showcase, met name ‘het ontdekken van nieuw Deens muzikaal talent’,wel nog overeind bleef dit jaar. Een kniesoor die hierover zijn beklag doet, want ook deze keer gaf de bijna volgelopen zaal met opvallend veel (schoon) Deens volk zich gretig over aan een sfeervol avondje ‘Spotten”. Al bleken de nieuwkomers dit jaar uiteindelijk wel met de bloemen te gaan lopen.

Chimes&Bells
De avond begon onder een somber gesternte met Chimes & Bells, een jong, schuchter collectief uit Kopenhagen rond zangeres/celliste Cecilia Trier die eerder al haar sporen verdiende bij Choir Of Young Believers. Enkele occasionele noise uitspattingen niet te na gesproken was traagheid hét handelsmerk van Chimes&Bells, waardoor je al vroeg in de set het gevoel kreeg naar het Deense antwoord op Beach House te staan luisteren. Niet alleen het sterk aan Victoria Legrand verwante, soulvolle stemgeluid van Cicilia Trier was onmiskenbaar, ook de arty uitstraling van dit multi-instrumentele gezelschap moeten de heren van Bella Union overstag hebben doen gaan om de debuut EP ‘Into Pieces Of Wood’ op hun prestigieuze label (o.a. Fleet Foxes) te strikken. Door het té eentonig deprimerende karakter van de songs (“Golden Sweater”, “Stand Still”) sloeg de verveling wel wat toe naarmate de set vorderde. Als Chimes & Bells er echter in slagen om hun donkere composities af en toe wat meer zonlicht te gunnen lijkt een nieuwe Deense belofte wél in de maak.

Cody
Afgaande op de muzikale superlatieven waarmee Cody de voorbije jaren in hun thuisland overladen wordt (beste concert op Roskilde 2009, Best Danish Album,…) koesterde je de verwachting dat Cody wel eens dé revelatie zou kunnen worden van deze editie. Een verwachting die eigenlijk al vanaf het openingsnummer ingelost werd. Met hun met veel overgave gebrachte mengeling van country, folk en americana had dit zevental dat weggeplukt leek uit een koeienranch in Montana weliswaar de muzikale tijdsgeest aan hun kant. Maar met ronduit schitterende nummers als “Comfort And Rage” en “Your Window” nam dit “alternatif country” gezelschap uit Kopenhagen duidelijk geen genoegen met een figurantenrolletje binnen dit genre. In tegendeel, ze nestelden zich zowaar moeiteloos naast het beste wat pakweg The Low Anthem in aanbod heeft, geen geringe prestatie als je ziet hoe hoog hun plaat ‘Oh My God, Charlie Darwin’ vorig jaar in de eindejaarslijstjes prijkte. De meeste nummers namen een voorzichtige, ingetogen start om gaandeweg aan te zwellen met violen, cello en slide gitaar, zonder afbreuk te doen aan de voortreffelijke zang van frontman Kaspar Kaae wiens licht melancholische timbre soms aan Ryan Adams deed denken. “Another Year” mondde zelfs uit in een zinderende banjo apotheose die op luiden kreten en met voetengestamp in de zaal onthaald werd als betrof het een nummer van het populaire Mumford And Sons. Cody speelde in eigen land al in het voorprogramma van The National, Bonnie Prince Billy en Tindersticks, maar het moment dat dit gezelschap volledig op eigen benen staat is niet meer veraf.

The Kissaway Trail
Met hun titelloze debuutalbum deed The Kissaway Trail drie jaar geleden al aardig wat stof opwaaien in binnen - en buitenland. Toen al vielen muzikale referenties als Arcade Fire en Mercury Rev niet uit de lucht en stonden frontmannen Thomas Fagerlund en Sören Corneliussen zelfs mee aan de wieg van de harmonieuze samenzang die later zou in zwang zou geraken.
Opvolger ‘Sleep Mountain’ deed hen naar een eigen zeggen erg lange tour uiteindelijk ook in Brussel belanden, en dat was er duidelijk aan te horen. Vrij routineus haspelde het viertal hun nummers er door, waarbij vooral het gebrek aan afwisseling steeds meer begon te storen. Aan de intrinsieke kwaliteit van nieuwe nummers als “Beat Your Heartbeat”en “SDP”valt op zich weinig af te dingen, maar live overschaduwde de bombast teveel het psychedelisch vernuft ervan. Als ze wat frisser voor de dag komen heeft The Kissaway Trail zeker heel wat meer in haar mars.

Efterklang

Een pak luchtiger ging het er aan toe bij Efterklang, te luchtig zelfs. Net zoals hun voorgangers leek ook dit sympathiek gezelschap een wat vermoeide en uitgebluste indruk na te laten. Een kleine ramp eigenlijk, want met het begin dit jaar verschenen ‘Magic Chairs’ heeft Efterklang nochtans een pak tijdloze songs (“I Was Playing Drums, “Modern Drift”) in de aanbieding waarmee ze moeiteloos de rest van de klas naar huis zouden kunnen spelen. Nog een geluk dat de groep van de flamboyante frontman Casper Clausen tijdens “Full Moon” aangevuld werd met het strijkers sextet Efterkids uit Sint-Agatha-Berchem, veruit het hoogtepunt in een voor de rest wat slappe set die dus niet het hoogtepunt bracht wat van een headliner nochtans zou mogen verwacht worden.

Waarmee we uiteindelijk toch weer belanden bij de vraag die we ons bij het begin al stelden: moet Spot On Denmark volgend jaar niet opnieuw resoluut de kaart trekken van het jonge, aanstormende talent?

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Steve Wynn

Steve Wynn imponeert (alweer) voor een select publiek

Geschreven door

Steve Wynn & The Miracle 3 - Sterren komen sterren gaan, alleen Steve Wynn blijft bestaan. In een betere wereld hijst deze sympathieke Californiër zich moeiteloos naast zijn grote voorbeelden Chilton, Reed en Young, maar in werkelijkheid lijkt hij wel voor eeuwig en altijd veroordeeld tot een bescheiden rol in het clubcircuit. En laat bescheidenheid nu net Wynn’s grootste deugd zijn, ondanks een indrukwekkende staat van dienst als frontman van het invloedrijke The Dream Syndicate en als bezieler van de virtuoze vriendenclubjes Danny & Dusty, Gutterball en The Baseball Project. Wynn heeft een aantal introspectieve jaren achter de rug waar zijn beste vriend een akoestische gitaar bleek te zijn, maar omdat afwisseling een mens nu eenmaal scherp houdt kreeg de volume knop op zijn nieuwste werkstuk ‘Northern Aggression’ een ferme ruk naar rechts. Bovendien haalde hij ook The Miracle 3 terug van stal, zijn oude vertrouwde begeleidingsband gebouwd naar het robuuste model van Crazy Horse. Voor het Belgische luik van hun jongste Europese tour kozen Steve Wynn & The Miracle 3 naast de club vibe van de 4AD ook voor de kosmopolitische sfeer van de Botanique waar uw verslaggever present tekende.

In laatste instantie werd het optreden verhuist van de Orangerie naar de kleinere Rotonde, en daar zal de ronduit magere opkomst van ca. 100 kale(nde) grijze(nde) mannen ongetwijfeld wel voor iets tussen hebben gezeten. Wynn maakte echter van de nood een deugd en gebruikte de intimiteit van de zaal om moederziel alleen de set te openen met “When You Smile”. Veel tijd kreeg het publiek echter niet om van dit onvervalst kippenvelmoment na te genieten, want toen meteen daarna The Miracle 3 vanuit de coulissen verscheen werd prompt een bevlogen “Halloween” ingezet. Met deze twee Dream Syndicate classics op rij lijkt Wynn anno 2010 heel uitdrukkelijk te willen verwijzen naar de sixties geïnspireerde artrock uit zijn beginperiode, en wie er de hoes van het jongste album ‘Northern Aggression’ op naslaat zal de psychedelische elementen wellicht niet ontgaan zijn. Na drie decennia muzikale omzwervingen lijkt de cirkel hiermee rond voor Wynn. Nieuwe nummers als “No One Ever Drowns” en “Colored Lights” kennen dezelfde rusteloosheid als vele pareltjes uit The Dream Syndicate catalogus en klinken dus tegelijkertijd fris en vertrouwd.
Ook Wynn zelf ziet er opmerkelijk fris uit. Of zijn vaste levensgezellin en Miracle 3 drumster Linda Pitmon hier voor iets tussen zit laten we graag in het midden, maar het was in ieder geval wel opvallend dat de kwieke vijftiger in los houthakkershemd er bijzonder jeugdig bijliep zo zonder zijn eeuwig zwart kostuumpje.
Ook aan het indrukwekkend hoge tempo van de set was te merken dat Wynn een zoveelste nieuwe adem heeft gevonden, en eens hij in zijn indrukwekkende back-catalogue begint te graaien kan de pret voor de die-hard fans natuurlijk niet meer op. The Miracle 3 hield de sfeer luchtig op de meezingers van dienst “Shelley’s Blues Pt. 2” en “Cindy It Was Always You”, of duwde ongenadig hard op het gaspedaal tijdens de gemene rootsrockers “Death Valley Rain” en “Southern California Line” uit het monumentale dubbelalbum ‘Here Come The Miracles’ (2001).
Absoluut hoogtepunt blijft echter het kaleidoscopische “The Deep End” waar Wynn zowel tempo als volume naar beneden haalde. Tijdens deze sleper werd de Rotonde langzaam bedolven onder een psychedelisch klanktapijt en kreeg de afgemeten slidegitaar van Jason Victor de hoofdrol toebedeeld. De Paisley Underground classic “That’s What You Always Say” en het punky en bijzonder strakke “Amphetamine” zetten een voorlopig (orgel)punt achter het eerste deel van de avond.
Ondanks hun beperkt aantal produceerden de aanwezige concertgangers toch ruim voldoende decibels om Wynn & co tot twee maal toe tot encores te verleiden. De eerste bisronde werd afgetrapt met het fraaie nieuwe “Resolution” waar The Miracle 3 enige affectie voor de avant-garde noise van Sonic Youth niet onder stoelen of banken stak.
Hét orgelpunt van de avond stond echter in teken van de recente reissue van The Dream Syndicate’s tweede album ‘Medicine Show’ (’84) die straks onder elke zichzelf respecterende kerstboom hoort te liggen. Naast het titelnummer behoort vooral “John Coltrane Stereo Blues” uit deze ‘lost classic’ tot de erfenis van de Amerikaanse gitaarrock. De groep bracht woensdag de definitieve versie van het nummer tijdens 15 (vijftien!) spannende minuten waarin Victor en Wynn tête-à-tête een gitaarrobbertje uitvochten in onvolprezen Crazy Horse stijl. De adjectieven schieten ons nog steeds te kort om dit muzikaal orgasme te beschrijven, dus laten we het gewoon maar houden op FE-NO-ME-NAAL!

Het optreden werd afgesloten zoals het begon. Wynn verschijnt zonder Miracle 3 alleen terug op het podium en krijgt naar goede gewoonte een lawine aan verzoeknummers naar zijn hoofd geschreeuwd. Uiteindelijk kiest hij voor een breekbare versie van het anders zo onstuimige “Boston” dat ook zonder strakke ritmesectie of gitaarfeedback moeiteloos overeind bleef.
Wij hadden met dat laatste toch wat meer moeite, want vanavond kwam wel heel erg dicht in de buurt van het ultieme optreden. Hard versus zacht, fel versus breekbaar, grappig versus dreigend, het zijn het soort muzikale contrasten waar ondergetekende nu éénmaal voor valt, en Wynn beheerst ze allemaal! De fans hoeven hem gelukkig niet al te lang te missen. Op 25 januari komt de sympathiekste aller songwriters in alweer een andere gedaante afgezakt naar Mechelen voor een akoestische set met zijn old buddy Chris Cacavas. De meeste nieuwjaarsrecepties zijn dan al achter de rug, dus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal deze grijzende jongen met een grote grijns terug van de partij zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

Das Pop

An acoustic evening with das Pop - A Lovely Evening

Geschreven door

Na een drukke zomer van spelen op de grootste Belgische festivals verwelkomde Das Pop ons in het Kursaal van Oostende. Anders dan tijdens de zomerfestivals speelden ze deze avond een intieme en akoestische show, ‘An Acoustic Lovely Evening With Das Pop’ genaamd.

Na deze korte akoestische tournee nemen ze een break om eind volgend jaar met een nieuw album op de proppen te komen. Het optreden kon een rustige gezellige avond met Das Pop genoemd worden, waar er tijd was om tussen de nummers door heel wat verhalen te horen, over Das Pop en het ontstaan en tot stand komen van hun nummers. Toen ze openden met “Flowers In The Dirt” bleef het akelig stil, pas toen de eerste noten van “Underground” onze richting werden uitgestuurd kwam er beweging in de stoelen rond ons. Al de nummers die ze speelden werden uitgekleed en in een
nieuw akoestisch jasje gestoken, daarvoor gebruikten ze een resem aan instrumenten zoals: vleugelpiano, spinet (een soort klavecimbel), mandoline, banjo's en bongo's. Met “You” hoorden voor het eerst een charango, dit is een klein snaarinstrument dat uit het Andesgebergte komt en voor en apart geluid zorgde.
De Gentenaren slaagden er in om een goede balans te vinden tussen het spelen van oudere en onbekendere nummer als ook de laatste hits.

Met het prachtige “Human Nature” (cover van Michael Jackson) zetten ze de bisronde in gevolgd door “Telephone Love” en “Saturday Night Part 2”, zo breiden ze na 70 minuten een einde aan volgens ons een iets te korte maar boeide set waarbij wij een andere kant van Das Pop leerden kennen.

Setlist
: 1. Flowers In The Dirt 2. Underground 3. All Wrong 4. The Last Thing 5. Tired
6. All Not Long 7. September 8. Rene Piano 9. I’ll Be Sleeping Soon 10. Never Got Enough
11. The One 12. Little Boy 13. You 14. Let Me In 15. Wings 16. Fool For Love 17. Human Nature 18. Telephone Love 19. Saturday Night Part 2

Organisatie: Kursaal, Oostende

School of Seven Bells

Disconnect from desire

Geschreven door

School Of 7 Bells - Opvallende titel voor een band die zich heeft vernoemd naar een school voor zakkenrollers. Muzikaal horen we een spannende, broeierige hemelse sound van elektronica, indie, pop, pschedelica en shoegaze. ‘Nu shoegaze’ fluistert men mij. OK, dat staat dan vanaf nu genoteerd!
De groep zweert bij My Bloody Valentine, Cocteau Twins, This Mortail Coil en Stereolab, sluit aan bij Blonde Redhead en wordt in één adem vernoemd met de huidige rits Big Pink, The Pains Of Being Pure At Heart, Warpaint en The Hundred In The Hands. ‘Disconnect from desire’ is de tweede plaat en volgt het debuut ‘Alpinisms’ op (2008).
Het trio van de tweelingzusjes Claudia en Alejandra Deheza en Benjamin Curtis, uit Brooklyn NY, intrigeert en raakt met de zweverige, dromerige, sfeervolle, etherische popwave/psychedelica, dat niet vies van Indiase world.
Kwalitatief sterke songs met subtiele, emotievolle melodieën, die gevoelens, verlangens & dromen de vrije loop laten. “Windstorm”, “ILU”, “Babelonia” en “Bye Bye Bye” zijn prachtsongs in het SO7B concept: de schitterende opbouw, de aanzwellende ritmes en zalvende elektronica beats, bepaald door de hemelse melodieën en de perfect beheerste vrouwelijke samenzang, die ze ‘en verve’ nog illustreren op het afsluitende “The wait”.
Het trio heeft een wonderschone tweede plaat uit en toont aan veel in z’n mars te hebben. 

Swans

My father will guide me up a rope to the sky

Geschreven door

Swans … toonaangevende band van het NYse underground noise circuit. Swans drukte overal ergens z’n stempel op en werd gewaardeerd voor hun unieke, rauwe, hard expressieve sound. Van duivelse kakafonie, repeterende, logge, traag slepende en opbouwende ritmes, oerklanken en schreeuwvocals … van avantgarde, noiserock/industrial ging het naar een toegankelijker zalvender geluid van meeslepende songs, die energieke stootjes en explosies kregen, om tot slot te eindigen in een ‘Angels of light’ concept van ‘drone’, filmische, ambiente, dreunende soundscapes … De sound werd gedragen en bepaald door de vocale voordrachten en baritonzang van Michael Gira.
Ze hadden met ‘Filth’, ‘Greed’, ‘Children of God’, ‘The burning world’, ‘White light from the mouth of infinity’, ‘Love of life’ spraakmakende platen uit. Het etherische ‘Soundtrack for the blind’ (‘96) trok een definitieve streep onder het Swans concept.
Intussen had spil Gira diverse projecten, z’n eigen label, het Young God label, dat Lisa Germano en Devandra Banhart (met z’n freefolky stijl) een succesvolle carrière bood, was er de breuk met ‘de vrouwe des huizes’ Jarboe en maakte hij talrijke omzwervingen.
En kijk, na dertien jaar zijn Swans terug samen, in die zin dat Norman Westberg (gitarist van het eerste uur) en Gira elkaar terug vonden. ‘Swans is not dead’ lazen we op de Myspace; de cd ‘My father will guide me up a rope to the sky’ is alvast een aangename Swans ‘wake upcall’. Inderdaad, het is een typische Swans plaat van de nineties; bitterzoet materiaal, confronterend, indringend, bezwerend, dwingend en lieflijk, gedragen door die aparte grauwe baritonzang van Gira.
Acht songs, 45 minuten muziek. Hier dienen opener “No words/no thoughts”, “Jim”, “My birth” en “Eden prison” mokerslagen toe, onheilspellend en filmisch-noir!
De grillige Michael Gira liet weten dat Swans geen reünie was, “it’s not some dumb-ass nostalgia act”, maar z’n invloed op diverse stijlen is onmiskenbaar. En hij slaagt er op de comeback probleemloos in ons aan zijn kant te krijgen. En live gaat de volumeknop fors omhoog en heersen de explosieve ritmes van gitaren en percussie . Een wall of sound & noise …Welcome back!

Wovenhand

The Threshingfloor

Geschreven door

16 Horsepower lijkt al eeuwigheid onder het zand, want domineeszoon en religieus predikant Dave Eugene Edwards is al aan de zesde cd toe met Wovenhand, muzikaal een combinatie van americana, gospel, kerkmuziek, gothic en pop, in een folknoir tenue gestopt. De diepspirituele inborst en de stijgende fascinatie voor Joy Division uit zich in een broeierige, sfeervolle, dromerige en donker dreigende songopbouw. Huiveringwekkend en bezield gaan Edwards en zijn kompanen hier te werk. De vocale voordrachten en de onderhuidse spanning in de nummers klinken uniek en zijn nog intenser, harder, bezetener en hechter.
Een adembenemende luisterervaring, warm troostrijk, woest en onheilspellend.
We zijn al zeerzeker onder de indruk van de “True faith” cover van New Order en de titelsong van de cd. De pakkende songs “His rest”, “Singing grass” en “Orchard gate” raken door de sobere omlijsting en het gitaargetokkel. En met het afsluitende “Denver City” rockt Woven Hand, als op de livegigs.
Ok, Goede wijn behoeft geen krans, want chique is het wat Edwards en Wovenhand na zes platen nog weten te presteren … Boeiend intrigerend materiaal in zwartpak …

Warpaint

The Fool

Geschreven door

De dames van Warpaint uit LA hebben na de EP ‘Exquisite Corpse’ een (bijna even korte) eerste full cd uit, ‘The fool’. De indie van de dames wordt nogal omgeven door post-punk, wave en galm; zweverige en dromerige songs, die een donkere, broeierige intensiteit hebben, waarover hemelse vocals en een harmonieuze samenzang heen waait.
Een betoverende, sfeervolle sound en een boeiende luistertrip die The Cranes (Alison Shaw), Cocteau Twins (Elisabeth Frazer), The Mazzy Star (Hope Sandoval) en Slowdive omarmt, en niet vies is van de dames PJ Harvey, Siouxie Sioux, Sonic Youth’s Kim Gordon en die de sound van Talking Heads en The Cure dichter bij elkaar brengt.
Aan hun etherische wavepop geven ze een eigen draai, die nog het nauwst leunt aan The xx en zich plaatst naast huidige indie doorbraken Beach House, Best Coast en Here we go magic. Ze kregen de hulp van John Frusciante, Josh Klinghoffer (RHCP!) en jawel Siouxie Sioux.
De semi-akoestische opener “Set your arms down” is de aanzet voor de sfeervol opbouwende composities, die kleine variaties hebben onderling. Het broeierige “Lissie’s Heart Murmur” sluit en verve de plaat van negen songs af.

Goose

Synrise

Geschreven door

Goose was ‘hot’ … Goose is ‘back’ en … Goose blijft ’hot’. De single “Words” die de nieuwe cd in de zomer vooraf ging, maakte een tuimelperte in de Front 242 EBM, wat ons nieuwsgierig maakte naar wat het West-Vlaamse kwartet ging uitbrengen. Vier jaar geleden debuteerden ze met ‘Bring it on’, een dijk van een plaat om het in klassieke termen te zeggen. Electropop, EBM, punkfunk, trance, ‘80s wave, rock en beats’n’pieces. Kortom, dancepop met een resem hits, die een onweerstaanbare groove en pompende beat hadden, uptempo, vrolijk en hard. Kraftwerk goes The Ramones hoorde ik wel eens zeggen …
De opvolger is opgenomen in de Brusselse Jet Studio’s en is breder in de zin van dat het een verkenning is hun elektronische horizont; een elektro/retro/pop/techno geluid met een filmisch randje. Minder gebeuk dus … Dat laatste klinkt door op “Hunt”, “Bend”, “Staring” en de titelsong. De eighties wave dringt door op “After” en “In cars”. Bedwelmende, hypnotiserende ritmes en een bezwerende trance blijven onderhuids aanwezig op hun op Giorgi Moroder geleeste sound. En ze kunnen nog lekker doorgaan zoals op “Can’t stop me now” en “Words”. En ze houden van een experimentje, want een neurotische trance ritme hoor je op “As good as it gets”.
Kijk, Goose is ‘back’, menig oude Goose fan vindt er zijn gading in en zal uit zijn dak kunnen gaan op hun gigs en er is plaats voor een doorwinterde electrofan. Mooi toch …
Ohja, de cd hoes refereert aan Pink Floyd’s ‘Dark side on the moon’ … 

Jónsi

Jonsi - ‘4 seasons in one gig’

Geschreven door


Jonsi (Jon Por Birgisson), de spil van het IJslandse Sigur Ros, plaatste even de band op non actief, en gebruikte de klanktapijten en het toegankelijke, lieflijke popwerk in een elegant schoon solo album ‘Go’; subtiele kunst en sprookjespop omarmden Jonsi vs Sigur Ros. Over de collecte klankbehangetjes van het project Riceboy Sleeps spreken we niet meteen.

Op de plaat horen we de seizoenswisselingen, die een lente - en herfstgevoel ademen, fris, aanstekelijk, vrolijk als dromerig, ingehouden, weemoedig en bij het nekvel grijpend, gevoed door dartelende melodieën, brede arrangementen, piano, flutes, violen en vibrafoon, en gedragen door mans heldere, indringende engelenstem, Engelstalig én met een eigen woordkunst gezongen.
Ook de visuals, de knappe belichting en de klederdracht (Jonsi met indianen veren!) verdienen een ‘pluim’ … ‘4 seasons in one gig’, strevend voor het natuurbehoud en de dieren in een woudlandschap. Chique wat de ontwerper van de projecties verwezenlijkte: we zagen bloeddorstige wolven, jagende uilen, lieflijke kolibries en herten, en beelden van druilerig herfstweer, vallende bladeren, onweer, winterse buien als ontluikende bloemetjes en fluitende vogels …
Jonsi beschikte over een goed op elkaar ingespeelde band om het klankentapijt en de pop te optimaliseren. Na eerdere passages in de AB en op Pukkelpop konden we terecht voor een tweedaags onderonsje met Jonsi. Het eerste concert was heel snel uitverkocht, maar ook voor het tweede concert was het KC aardig goed gevuld. Een duidelijke prestatie voor de eerste solo uitstap. Trouwens, de live registraties zullen binnenkort verschijnen.
Jonsi opende de anderhalf uur durende set met “Stars on still water, solo ingezet op akoestische gitaar, adembenemend, ijzig als hemels. De daaropvolgende songs “Hengilas”, “Iclicle sleeves” en “Kolnidur” behielden die sfeerschepping door de spaarzame, doeltreffende begeleiding, de klankkleur, de grauwe, dreigende, donkere soundscapes en de roffelende drums. Wat me deed mijmeren aan de bosspelen ’s nachts tijdens m’n chirojeugd … “Tornado” bracht de ‘Spot on Iceland’ en intrigeerde door de aanzwellende partijen en de hoog uithalende vocals. De temperatuur daalde fors onder nul en een ijzige wind blies om de oren en striemde in het aangezicht. Indrukwekkend! De dromerige, rustige “Sinking friendschip” en “Saint naieve” dreef ons naar een zorgeloze wereld. De single “Go do” was de aanzet van het lente offensief, in een hogere versnelling, een ontluikende melodie, een frisse tinteling en een dansbare injectie. Het ontspannen karakter, de forsere grooves en een sprookjes entourage zetten ze door op “Boy likidoi” en “Animal aritmetic”, waarbij de percussie op gevatte wijze meer en meer de overhand nam, zonder in te boeten aan finesse en subtiliteit.
Er werd deftig van instrument gewisseld, wat de veelzijdigheid van Jonsi’s muzikanten onderstreepte. De intieme “Piano des” en de “New piano song” plaatsten Jonsi ’s pianospel voorop, omringd door gitaar - basloops, vibrafoon, zalvende percussie, pauken en rollende kettingen; ze bouwden voorzichtig op en klonken stapsgewijs krachtiger!, gedragen door het ‘arte’ stemgeluid van Jonsi.
Een expressieve finale zorgde voor de kers op de taart. De vier seizoen ‘in one gig’ vatten ze samen op het crescendo gaande “Around us”. Je voelde sprankelende spaborreltjes in een wijwatervat op je hand …
In de bis tooide Jónsi zich met indianenveren en ging hij extravert te werk; hij voerde een regendans uit en bracht ons in een bezwerende trance door prachtversies “Stick & Stones” en vooral “Grow Till Tall” die een geweldige climax hadden. Toen de plensbui op het scherm over was, was het ook over & out met Jonsi’s set.

Op plaat drong de muzikale creativiteit van Jonsi al voldoende door, live deed hij er een duidelijke schep bovenop. Jonsi is een groots artiest en heeft op muzikaal en artistiek vlak zijn (indianen) strepen ruim verdiend. En nu de oortjes & oogjes dicht …

Ook de support, het Canadese trio van sing/songwriter Taylor Kirk, Timbre Timber intrigeerde. Aangevuld met een steelpedal speler en een violiste, reed hij een beklemmende spookhuisrit, loom, slepend, donker en onheilspellend. Hier vielen de bladeren letterlijk van de bomen en werd je verdwaasd ’s nachts achtergelaten in een groot dierenrijkbos. Taylor, het gezicht verbogen achter een monnikscape, had een huiveringwekkende praatzang, die het nauwst aan Swans (Michael Gira) en Tindersticks (Stuart Staples) leunde. De songs droegen een soort ondraaglijke pijn en waren hartverscheurend, fijngevoelig en ontroerd. Een Spotlight on Canada was hier dan ook terecht!

Organisatie: Live Nation

Crossing Border Festival 2010 – Een vervaarlijke combinatie van literatuur, muziek en drank

Voor de finaledag van de tweede editie van het Belgische luik van het Crossing Border Festival diende de Antwerpse Arenbergschouwburg opnieuw als locatie en omkadering. Maar in tegenstelling tot vorig jaar hing nu geen bordje met opschrift ‘Uitverkocht’ aan de deur. Eén van de redenen is wellicht dat de organisatie dit jaar niet de grote muzikale hypes van het moment heeft kunnen strikken (in 2009 prijkten op de affiche onder meer Mumford & Sons die met hun ‘Little Lion Man’ op de radio brokken maakte en de alternatieve superformatie Monsters of Folk die een exclusief concert kwamen geven).

Maar om het op zijn Cruijffiaans uit te drukken: “Ieder nadeel heb zijn voordeel”. Aldus kon men gemakkelijker van de ene naar de andere zaal gaan zonder te moeten vrezen voor gesloten deuren te komen staan. Ook de rijen wachtende aan de bar of bij de eetkraampjes waren dit jaar opmerkelijk korter. En misschien nog het belangrijkste: zonder de nieuwste muzikale snoepjes van de maand te programmeren, was men er toch in geslaagd het publiek een bijzonder interessant programma voor te schotelen.

Dit jaar hadden de recensenten van Musiczine zich voorgenomen om eens wat meer tijd door te brengen bij de schrijvers, dichters en vertellers, alsook bij de minder gekende bands. Een literaire en muzikale ontdekkingstocht diende zich dus aan met alle risico’s van dien. Want zoals op een festival als Pukkelpop werd men vaak  verplicht te kiezen tussen een drietal optredens of interviews en was de kans niet ondenkbeeldig dat men nu net dé ontdekking van het festival misliep.

De avond begon voor ons in The Hideout, bij John Cooper Clarke (***). Deze punkpoëet uit Salford (Manchester) kwam aan het einde van de jaren ‘70 samen op met de punkbands uit die streek en deed met zijn spoken word performances dikwijls het voorprogramma van onder meer Buzzcocks, The Fall, Joy Division en Siouxsie & the Banshees. De man, 61 ondertussen, heeft nog altijd zijn vogelnestkapsel en brengt vandaag iets tussen poëzie en stand up comedy (“If Jesus was a Jew, how come he had a Spanish Name?”).
Clarke was niet altijd duidelijk te verstaan, vond zichzelf bijzonder grappig maar overtuigde toch door zijn performance en flow die wel iets van de Beat poets had. Afsluiten deed hij natuurlijk met ‘Evidently Chickentown’. Hierbij een fragmentje omdat het zo goed blijft:
“the bloody pies are bloody old
the bloody chips are bloody cold
the bloody beer is bloody flat
the bloody flats have bloody rats
the bloody clocks are bloody wrong
the bloody days are bloody long
it bloody gets you bloody down
evidently chicken town”.

Snel over naar de Zona Rosa, of de grote zaal, en naar Red Eyed Fly waar respectievelijk Villagers en Field Music acte de présence gaven.
Afgelopen zomer stond de Ierse band Villagers (****) ook op Pukkelpop maar daar hebben we ze jammer genoeg gemist. Villagers met als spilfiguur zanger-liedjesschrijver Conor O’Brien brachten dit jaar hun debuut ‘Becoming a Jackall’ uit en sleepten ook een nominatie in de wacht voor de Mercury Prize, en dit in het gezelschap van bands zoals The XX, Foals en Mumford & Sons. O’Brien vertoont een totaal gebrek aan rock ’n roll attitude (in plaats van leren jack of strakke pak staat hij gewoon in zijn doordeweekse pullover te rocken) maar deze man heeft dat ook niet nodig als je songs hebt zoals “Becoming a jackall” en een stem die lichtjes naar Feargal Sharkey neigt. De band van O’Brien was heel sterk en het publiek gaf dan ook een oververdiend luid applaus na de korte set van dit Ierse vijftal.

Field Music (***1/2) uit het Britse Sunderland bestaat onder meer uit de broertjes David en Peter Brewis (deze laatste nog ooit actief bij The Futureheads). Ligt het aan het amalgaam aan stijlen of het feit dat ze een echte radiohit ontberen, feit is dat op de meeste radiozenders deze groep links gelaten wordt (met uitzondering misschien van het bijzonder sporadisch gedraaide “Them That Do Nothing”). Volledig ten onrechte want hun recentste derde plaat (‘Field Music (Measure’) – een dubbelaar trouwens - is opnieuw bijzonder goed en bulkt van de inspiratievolle, gevarieerde songs. We waren dan ook bijzonder opgetogen dat we Field Music live aan het werk konden zien en ontgoochelen deden ze totaal niet.
Opener “Give It Lose It Take It” zette de toon voor de rest van de set: aan tempowisselingen geen gebrek. “Effortlessly” bevond zich in het straatje van The Posies om naar het einde toe stevig uit te halen. “See You Later” begon erg zachtjes met een piano-intro en een sloom gitaarlijntje om geleidelijk aan expressief uit te monden in een strak gebald progrocknummer. Hoogtepunten waren het reeds vermelde “Them That Do Nothing”, met een combinatie van pop en blues, en “Share The Words”.
Er waren nagenoeg geen bindteksten omdat de groep de voorziene speelduur van 45 minuten te kort vond en ze de muziek wilde laten primeren. Verstandige keuze en een mooi concert als resultaat.

Na een bezoekje aan de bar was het tijd voor DBC Pierre (****). Deze Australische schrijver vertelde hoe hij opgroeide in Mexico als rijkeluiszoontje die allerlei kattenkwaad uitstak maar aan lagerwal geraakte toen zijn vader ziek werd en de familie al hun geld verloor door een bankennationalisatie. Peter Finlay (Dirty but Clean Pierre is zijn schrijversnaam) vluchtte toen naar de USA met als enige bezit dollars die zijn meid in de zomen van zijn leren jekker ingenaaid had en verloor zich daar in drugs en gokverslaving. Al deze ervaringen gebruikt Pierre in zijn werk, want zegt hij: “Je schrijft best over wat je het best kent, ook al zijn mijn boeken niet autobiografisch”.
In 2003 werd zijn debuut ‘Vernon God Little’ bekroond met de Booker prize. ‘Vernon God Little’ gaat over een jonge knaap die ten onrechte van een school shooting à la Columbine beschuldigd wordt. Eigenlijk is dit boek een satire op de nefaste invloed van de massamedia en hoe ze buiten de rechtszaal het proces in de dorpstraat voeren.
Pierre’s nieuwste, ‘Lichten uit in wonderland’, heeft als hoofdpersonage een anti-globalist die met een zak cocaïne en het geld van zijn anti-globalistische actiegroep op een hedonistische tocht trekt over Japan en sterrenrestaurants naar Berlijn. Pierre vertelde zondagavond dat dit boek gaat over het failliet van alle ideologieen, het kapitalisme in het bijzonder.

In de grote zaal van de Arenbergschouwburg las op dat moment schrijver, (Gentse) (stads)dichter en theatermaker Peter Verhelst (****) voor uit eigen werk en toonde via rake, prachtig omschrijvende en tot de verbeelding sprekende passages moeiteloos aan dat het programmaboekje van Crossing Border geen woord verkeerd had geschreven door te stellen dat Verhelst vooral wordt geprezen om ‘zinnelijk, poëtisch taalgebruik en bijzonder gevoel voor ritme en klank’.

In diezelfde zaal zagen we aansluitend het Amerikaanse, uit Minnesota afkomstige Low (****) een van dé concerten van de namiddag en avond geven.
Opgericht in 1993 hebben ze zich via acht studioalbums opgewerkt tot een van de voornaamste groepen binnen de zogenaamde ‘slowcore’ scene (trage tempo’s in combinatie met minimalistische arrangementen). In afwachting van nieuw werk volgend jaar werd nu een eigenzinnige terugblik geboden op hun volledige carrière.
Het Mormoonse echtpaar Alan Sparhawk (zang en gitaar) en Mimi Parker (drums, pauken en zang) worden sinds twee jaar bijgestaan door bassist Steve Garrington die het vertrek van Matt Livingston opving.
Hoe traag de songs ook gespeeld werden, nooit sloeg de verveling toe. Integendeel, door de dreigende en opbouwende structuur hielden ze het publiek bij het nekvel vast. Mindere passages hebben we zondag niet gehoord maar onze top 3 was het onverwoestbare “Monkey”, “Canada” en de opener van de set “Lordy” dat door de soberheid op een meer pakkende wijze werd gebracht dan op de EP ‘In The Fishtank’ uit 2001 (een samenwerking overigens met Dirty Three). Ook de nummers waarop Parker meezong en secuur via pauken de nummers extra pakkend en dreigend maakte, zoals bijvoorbeeld tijdens “Silver Rider”, leidden tot kippenvelmomenten.
Wij zijn al jaren fan en dat kan ook gezegd worden van Robert Plant want op zijn meest recente soloplaat ‘Band Of Joy’ covert hij niet minder dan twee nummers van dit trio, namelijk de zonet vermelde “Silver Rider” en “Monkey”.

Nauwelijks bekomen, trokken we naar de reeds aangevangen set van het uit het Engelse Sussex afkomstige Smoke Fairies (****). In dit jonge groepje staan Katherine James en Jessica Davies centraal. Vooral hun prachtige samenzang in combinatie met een naar oude folk (en deels ook blues) verwijzende instrumentatie (door middel van onder meer drums, gitaar, bas en viool) werkt overtuigend en verklaart waarom zij over het kanaal omarmd worden door de muziekpers. Hun d
ebuutplaat ‘Through Low Light And Trees’ mag rekenen op erg positieve recensies en ook in Antwerpen konden nummers als “Erie Lackawanna”, “Summer Fades” en “Hotel Room” op algemene goedkeuring van het publiek rekenen. Etherische schoonheid maar met aardse voedingsbodem.

Ganglians (**), een viertal uit Sacramento, Californië, vallen te situeren tussen Vampire Weekend en Tame Impala, psychedelica met Afrikaanse invloeden en tonnen reverb. De songs konden ons niet volledig overtuigen. Ze kwamen nooit volledig van de grond en nodigen eerder uit tot rustig hoofdknikken. En dat verwacht men niet echt van een psychedelische band.

Kisses (***) betreft een trio uit Los Angeles maar kon perfect doorgaan voor een Scandinavische band à la Peter, Bjorn & John, We’re From Barcelona of The Whitest Boy Alive. Net als die bands koppelen ze perfecte popmelodieën aan vrolijke dancebeats. Vrolijk maar bij momenten ietwat te onschuldig.

De Nederlander Ronald Snijders (****) deed zijn naam als verspreider van het absurdisme alle eer aan en las bijzonder expressief en met een overvloed aan mimiek voor uit zijn eigen performance ‘Verkeerde Benen’. In een mum van tijd had hij het publiek op zijn hand en was de gepaste opwarming voor de Local Natives een feit.

Toen Musiczine enkele weken terug Local Natives (***1/2) aan het werk zag in Lille, werd er in de recensie genoteerd dat de eerste vier nummers te uptempo en te hard werden afgehaspeld en dat er werd gehoopt op een herkansing op Crossing Border. Welnu de set in Antwerpen bleek aan hetzelfde euvel te lijden. De jonge Amerikaanse groep uit LA heeft van samenzang in combinatie met hoekige gitaren en stevige, hyperactieve drumpartijen haar handelsmerk gemaakt – en een vergelijking met Fleet Fowes, Grizzly Bear of Vampire Weekend is nooit veraf – maar tijdens de eerste vier nummers klonk alles te luid en diende hun folkrock die terug te vinden is op hun debuut ‘Gorilla Manor’, aan verfijning in te boeten. Ook hun cover van Talking Heads’ “Warning Sign” gaf geen enkele meerwaarde.
Maar op het moment dat men het idee kreeg dat het een afknapper van jewelste zou worden, viel alles wel in de goede plooi. Er werd onderling vlekkeloos gewisseld van instrumenten en het ging het als een sneltrein richting zinderende finale via nummers als onder meer “Wide Eyes”, “Shape Shifter”, “Airplanes” en afsluiter “Sun Hands”. Aldus mocht het voorlaatste concert van hun uitputtende tournee toch nog als geslaagd beschouwd worden en kan Local Native nu alle aandacht richten op het opnemen van de tweede – moeilijke? – plaat.

Interviewen is een moeilijke stiel. Zelfs als je interessante vragen hebt, is men  afhankelijk van de nukken van de verteller.
Soms gaat dat heel vlot, zoals bij Miguel Syjuco (***), een Filippijnse expat die honderduit vertelde over zijn boek ‘Ilustrado’, over de Filippijnse upperclass, hoe hij valse berichten op Wikipedia plaatste voor zijn boek en hoe vuile moppen in de katholieke Filippijnen dienen als uitlaatklep.
Maar er zijn ook ogenblikken dat men echter een ‘interview from hell’ krijgt. Zo beleefde de interviewster van dienst haar ‘Iwein Segers moment’ bij Michael Madsen (****), de Hollywood-acteur die we onder meer kennen van ‘Reservoir Dogs’ (Mr. Blonde) en ‘Kill Bill 2’.
Met zijn platinablonde vrouw en getooid met een cowboyhoed, was Madsen naar Antwerpen gekomen om voor te lezen uit zijn gedichtenbundel ‘American Badass’. De interviewster probeerde betekenissen te vinden in Madsen’s gedichten die er niet waren en werd dan ook op Hollywoodiaanse wijze op haar plaats gezet: “Honey, don’t start about religion or politics”. Onbedoeld grappig, net zoals de afterparty met een Madsen die samen met Sam Cutler (zie hierna) een (of wellicht meerdere?) fles(sen) Slivovitz soldaat maakte en later op de nacht met vier gebroken ribben in het ziekenhuis belandde.
Veel gemoedelijker ging het er aan toe tijdens de babbel met Sam Cutler (***1/2) zelf. In een vorig leven heeft deze 67-jarige Engelsman nog samengewerkt met onder meer Pink Floyd, Alexis Korner, Eric Clapton en Blind Faith, maar het meest zal hij herinnerd worden als tourmanager van The Rolling Stones en de Grateful Dead. Hij heeft zijn memoires te boek gesteld onder de titel ‘You Can’t Always Get What You Want’. Daarin geeft hij onder meer een authentieke blik op de woelige jaren ’60 en wat er gebeurde tijdens het gratis concert dat de Stones gaven in het Amerikaanse Altamont; een concert dat een zwarte bladzijde zou worden in bestaan van de groep omdat een  fan neergestoken werd vlak voor het podium en daarbij het leven liet. Cutler liet de groep naar Engeland ‘vluchten’ en bleef zelf in de Verenigde Staten om de zaken af te handelen. Een aangepaste en beloofde vergoeding als dank kwam er nooit en Cutler bleef berooid achter. In tegenstelling tot de Stones zelf … 
Cutler bewees in Antwerpen nog steeds een onuitputtelijk vat vol anekdotes te zijn en moest er meermaals op gewezen worden dat zijn voorziene praattijd er op zat en de groep na hem stond te popelen om te soundchecken. Maar zijn verhalen over enkele beroemde drugsdoden als zijnde
Jimi Hendrix, Janis Joplin en Brian Jones, alsook de tips hoe men een junkie kan proberen te redden bij een overdosis, wekten zoveel aandacht op dat de niet mis te verstane wenken meermaals in de wind werden geslagen; Het spektakel diende uiteindelijk kordaat maar vriendelijk stilgelegd te worden.

“It’s Only Rock ’N  Roll (But We Liked It)”. Net als Spoon (***), die in de grote zaal met glans het einde van hun toernee afsloten. Deze Texaanse indieband heeft een heel kenmerkende metalige sound en klinkt ietwat tegendraads waarbij de zang van Britt Daniel voor het tegengif zorgt. Dat deze formatie niet op grote schaal doorbreekt, kunnen we deels begrijpen want het doorgronden van de weerbarstige songs kost heel wat moeite. Niettemin vormde hun concert een mooie afsluiter in La Zona Rosa.

Om het ogenblik dat Spoon in vol ornaat aan het concerteren was, stond Ed Harcourt (****) er in een kleine ruimte (The Hideout) helemaal alleen voor. Nu ja, dat laatste is relatief te noemen. Harcourt opende solo en pianogewijs met “Lustre”, het gelijknamige nummer van zijn zopas verschenen nieuwe (vijfde) album, en met “Black Dress” (uit ‘Strangers’, 2004). Maar nadien maakte hij gebruik van diverse instrumenten zoals een akoestische (“Church Of No Religion”) en een elektrische gitaar (“
Do As I Say Not As I Do”), een banjo en trombone (“I’ve Become Misguided”) of compileerde hij ter plaatse diverse geluiden via een loop machine zodat het leek alsof er een volledige begeleidingsgroep Harcourt kwam vervoegen. We zagen in het verleden creatievellingen als Joseph Arthur en Owen Pallet zich bedienen van deze trukendoos maar ook Harcourt bracht deze oefening tot een prachtig einde. Zo liet hij ook de toeschouwers bijdragen via wolvengehuil in “Heart Of A Wolf”.
Schitterende melodieën overheersten en qua genres en sfeer was er een grote variatie, zoals bijvoorbeeld “Haywired” en “Fears Of A Father” die mooi waren in alle eenvoud versus het losgeslagen, aan Eels verwante “Undertaker Strut” (‘From Every Sphere’, 2003).
Harcourt zocht regelmatig het onmiddellijke contact op met de aanwezigen. Tijdens “Killed By The Morning Sun” ging hij zonder gebruik te maken van enige microfoon vóór het podium postvatten en helemaal op het einde van zijn set slalomde hij rustig en zingend via een oude microfoon, tussen het overwegend zittend publiek.
Harcourt werd met zijn debuutplaat ‘Here Be Monsters’ (2001) genomineerd voor de Mercury Prize en de weg richting sterrendom leek helemaal open te liggen maar toch blijkt hij in onze contreien nog een nobele onbekende te zijn. Of een knap werkstuk als ‘Lustre’ daar veel verandering zal in brengen, betwijfelen we.
In ieder geval bezorgde hij - ondanks dat het kleine podium gerelateerd aan het aantal instrumenten (te) weinig bewegingsruimte verschafte, de aan- en afkondigingen enkele opvallende blunders of tekortkomingen bevatten en Harcourt ook nog eens diende op te boksen tegen verblindende lichten (en wanneer hij vroeg om deze wat te dempen, vervolgens in gehele duisternis werd gehuld) - de tweede editie van Crossing Border een fantastische en bijwijlen beklijvende finale.
We houden nu al rekening met enige marge in onze agenda voor de volgende editie van deze aanbevelingswaardige formule.
Setlist Ed Harcourt: Lustre, Black Dress, Church Of No Religion , Do As I Say Not As I Do, Haywired, God Protect Your Soul, I’ve Become Misguided, Killed By The Morning Sun, Lachrymosity, Heart Of A Wolf, Undertaker Strut, Shadowboxing, Fears Of A Father, This One's For You, Until Tomorrow Then

Organisatie: Crossing Border ism Arenbergschouwburg, Antwerpen

Orchestral Manœuvres in The Dark (OMD)

OMD – Geslaagde avond met synthpop van en voor vele leeftijden

Geschreven door

Andy McCluskey en Paul Humphreys speelden al enkele jaren samen in diverse kleine formaties toen ze in 1978 besloten verder te gaan onder de naam Orchestral Manoeuvres in the Dark (OMD). Vanaf hun gelijknamige debuutplaat zouden ze met hun synthpop in nauwelijks twee jaar tijd uitgroeien tot één van de vaandeldragers binnen de elektronische muziek via als excellent te beschouwen albums ‘Organisation’ en ‘Architecture & Morality’.

Zelf zagen we OMD in 1983 voor de eerste maal aan het werk in de Brielpoort in Deinze waar ze hun vierde studioalbum ‘Dazzle Ships’, een donkere en ietwat meer experimentele plaat, kwamen promoten. We zijn intussen een kwarteeuw later en intussen is er vanzelfsprekend veel veranderd. De Brielpoort is intussen niet langer de gastheer voor overbekende artiesten maar herleid tot een festiviteitenhal waar de grote internationale sterren enkel nog in lp-, cd- of postervorm te bewonderen zijn. Ook OMD maakte met ‘Junk Culture’ (1984) nog een degelijk en succesrijk album maar nadien was het succes zowel artistiek als commercieel tanend. Er werden almaar meer toegiften gedaan richting verkoopcijfers en behalve enkele degelijke singles overheerste de onregelmatigheid.
In 1989 verliet Humphreys de groep uit ongenoegen over de commerciële weg die werd ingeslagen en McCluskey deed onder de naam OMD verder, scoorde her en der nog wat hitjes maar trok in 1996 ook zelf de stekker er helemaal uit.
Het non-actief zou duren totdat ze in 2007 in hun ‘klassieke’ bezetting (inclusief toetsenist Martin Cooper en drummer Malcolm Holmes) aan een nieuwe tournee begonnen om het album ‘Architecture & Morality’ nog eens in zijn totaliteit te brengen aangevuld met enkele andere oude nummers (in het kader hiervan deden ze overigens ook een concert in de AB).
En daar bleef het niet bij want wat niemand nog verwachtte, was dat er in september van dit jaar onder de titel ‘History Of Modern’ een nieuwe plaat werd uitgebracht. Dit 11de studioalbum is geen wereldschokkende plaat en kan zeker niet die de vergelijking doorstaan met hun eerste werk maar onaardig is het ook niet (vooral niet als men rekening houdt met het feit dat er tussen hun vorige studioalbum en tussen het album ‘The Pacific Age’, dat nog met het vertrouwde viertal werd opgenomen, 14 respectievelijk 24 jaar zit).

Toen OMD ook aankondigde er een concertenreeks aan te verbinden, werd dit erg positief onthaald door de fans. Afgelopen maandag stonden de vier heren in dat kader opnieuw in de Brusselse AB.
Het uit Brighton afkomstige kwartet Mirrors werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen en toen zij aan hun set begonnen, was de zaal al vrij aardig gevuld met overwegend dertigers en veertigers. Men had deze groep niet toepasselijker kunnen programmeren. Getooid in stijlvolle grijze pakken, het haar kort geknipt en de bij momenten robotachtige houding deed meermaals aan Kraftwerk, de groep waar ook OMD de mosterd haalde, denken. Ook de muziek in combinatie met projecties op de achtergrond flirtte meer dan eens overduidelijk met de karakteristieken van de Duitse elektronische pioniers.
Over het kanaal wordt de groep als erg beloftevol gecatalogeerd en we kunnen begrijpen waarom. Zanger James New (ex-Mumm-Ra en lichamelijk bijna een jongere kopie van Alex Kapranons, zanger bij Franz Ferdinand), James Arguile (elektronische percussie en eveneens ex-Mumm-Ra) en Ally Young en Josef Page (allebei keyboards) weten melodieuze nummers te brengen waarbij oude met nieuwe elementen en invloeden gecombineerd worden. Zoals net aangehaald, hoorden we onder meer bij “Ways To An End”, “Lights And Offerings”, “Into The Heart” en “Hide And Seek” vooral Kraftwerk maar tevens Depeche Mode en New Order. Maar telkens wisten ze mede door de warme stem van New aan hun ‘pop-noir’ een catchy eigenheid te geven. Een geslaagde set die het publiek zich vlotjes liet smaken. Hun eerste fullalbum mag begin 2011 verwacht worden.

Stipt om 21u vatte OMD zijn concert aan met enkele op een groot zwart gordijn geprojecteerde beelden die – excuseer ons voor de herhaling – erg deden denken aan het onvermijdelijke Kraftwerk. De begeleidende intro bestond uit “History Of Modern (Parts III & IV)” die enkel terug te vinden is als b-kantje op de vinyl versie van de nieuwe 7’’ ‘Sister Marie Says’.

Hierna mochten ook de spots hun werk doen en toen het doek letterlijk gevallen was, werd ingezet met “New Babies: New Toys” uit het meest recente album.
Andy McCluskey kondigde meteen aan dat de setlist wat oud en wat nieuw werk zou bevatten en met de woorden “This is old” kwam het nog steeds bijzonder sterke “Messages” (1980) aan bod. Het geluid zat meteen goed, McCluskey was goed bij stem en er werd gemusiceerd met de viriliteit als toen ze twintig waren.  Dit gold evenzeer bij “Bunker Soldiers” (eveneens uit hun debuutplaat) dat tot menige tevredenheid op de setlist werd geplaatst.
Het klonk allemaal strak en mede door de extra basgeluiden en de korte aanhalen van de keyboardtoetsen kon bij een nummer als “Tesla Girls” de dreiging van middelmaat en  verveling moeiteloos afgewimpeld worden.
De groepsleden hadden er duidelijk zin in en bij “History Of Modern (Part I)” kon de ‘bad dancing’ beginnen. McCluskey voegde de daad bij het woord, liet zijn basgitaar links liggen en gaf zich expressief over aan de meest gekke danspasjes. We waren nog maar enkele nummers ver of het zweet gutste van hem af.
Een rustpunt was op zijn plaats en Paul Humphreys mocht de vocalen voor zijn rekening nemen bij “(Forever) Live And Die” en deed dit nadien nog even over bij het rustige “Souvenir”.
Prachtig was “She’s Leaving” uit ‘Architecture & Morality’ (de toevoeging van de ietwat overbodige echo op de stem had ons inziens evenwel niet gehoeven). Het tweeluik “Joan Of Arc” en “Joan Of Arc (Made Of Orleans)” blijft – zeker in de Lage Landen - nog steeds in het geheugen van de (aanwezige) fans gegrift en kon op bijzonder veel respons rekenen. Terecht want mede door de fraaie projecties werden beiden mooi uitgevoerd. In dezelfde donkere sfeer vertoefde het nieuwe “New Holy Ground” dat verwantschap toont met hun eigen “Romance Of The Telescope” (uit ‘Dazzleships’) en zelfs dicht aanleunt bij”‘Leave In Silence” van Scooter.
Na “Green” volgden “
Talking Loud And Clear”, “So In Love” (voorzien van extra saxofoon bespeeld door Cooper en gesamplede hoge stem) en “Locomotion”. OMD ontving een uitbundig applaus van een bijzonder enthousiast publiek en een zuchtende – en nog steeds  transpirerende - McCluskey nam het namens het viertal met grote dank in ontvangst.
De zopas uitgebrachte nieuwe single “Sister Marie Says” werd aangekondigd als een nieuwe doch fantastische song. Gedeeltelijk slechts waar want deze track werd al gecomponeerd in 1981, haalde net niet het album ‘Universal’ (1996) maar werd nu wel opgenomen op ‘History Of Modern’.
”Pandora’s Box” had wat weg had van de Pet Shop Boys en bij “Sailing The Seven Seas” werden er wat extra oosterse klanken toegevoegd.
Het obligate - en absolute publiekslieveling – “Enola Gay” sloot het eerste deel van de set af. De uitzinnige toeschouwers in de AB dansten en schreeuwden het geheel oorverdovend naar een hoogtepunt.
Er waren nog twee toegiften. Bij “Walking On The Milky Way” speelde Humphreys niet enkel de intro maar ook de outro verkeerd. Charmant was dat hij zelf met het geklungel kon lachen en ook McCluskey dreef de spot met hem door het publiek te vragen of iemand dit op tape had staan omdat een dergelijke vergissing zelden gebeurde. Waarop Humphreys repliceerde dat aldus werd aangetoond dat de concerten van OMD wel degelijk live verlopen. Elektronisch muziek kreeg meteen een bijzonder menselijk gelaat.
Afsluiter van dienst was “Electricity”, niet enkel de allereerste single van OMD maar ook “The fastest song we have” aldus McCluskey zich richtend tot de toeschouwers die knusjes in de zeteltjes op het balkon zaten. Het publiek liet zich niet onbetuigd, zong luidop mee en ging zich een allerlaatste maal te buiten aan ondefinieerbare dansbewegingen.

Vier glimlachende gezichten op het podium en algemene tevredenheid in de zaal. Met een set van exact anderhalf uur en een combinatie van nieuw werk en heel wat hits en/of oudere favorieten, bezorgde OMD de aanwezigen een erg leuke avond. De plaat ‘Dazzle Ships’ bleef onaangeroerd en aldus ontbeerden “Genetic Engineering” en “Telegraph”. Maar ach, OMD heeft aangetoond dat hun repertorium de tand des tijds heeft doorstaan en met groepen als Mirrors lijkt het erop dat ook de toekomst van de elektronica verzekerd wordt.

Setlist OMD: Intro - History of Modern Parts (III & IV), New Babies: New Toys, Tesla Girls, Bunker Soldiers, History Of Modern (Part I), (Forever) Live And Die, She’s Leaving, Souvenir, Joan Of Arc, Joan Of Arc (Made Of Orleans), New Holy Ground, Green, Talking Loud And Clear, So In Love, Locomotion, Sister Marie Says, Pandora’s Box, Sailing On The Seven Seas, Enola Gay
Walking On The Milky Way, Electricity

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Zornik

Zornik speelt op veilig

Geschreven door

Het Zornik van Koen Buyse is tien jaar bezig. Ze kwamen toen in de Trix (Hof ter Lo) als groentje optreden op de Humo’s Rock Rally, maar hebben intussen een status opgebouwd in ons landje: Vier platen, tientallen radiohits en niet weg te slaan van de festivalzomers; ze tekenden al voor de grootste festivals, RW & Pukkelpop. Ze haalden talrijke awards binnen en hebben drie gouden platen verkregen.
Ze namen een break na de ‘Crosses’ cd van 2007, ondanks het feit dat deze vierde cd net de meligheid en bombast had weten op te vangen met frisse, aanstekelijke en energieke rocksongs. Intussen hadden we de electropoppende Nitebytes uitstap en heeft Buyse een vaste relatie met Hanne Troonbeeckx.

2010 - Zornik is helemaal terug als kwartet. Ze zijn toe aan de vijfde cd, ‘Satisfaction kills desire’. In het herkenbare rockconcept smeult ‘80s waverock. Je krijgt de indruk dat de elektronica op het achterplan is gedrukt, maar niets is minder waar want ook al zijn er geen synths op het podium, de elektro knalt wel uit de PA versterkers. Ok, dit namen we er live
bij …!
We hoorden tijdens de maar uur durende set een soort ‘Best of’, met een glimp naar de pas verschenen plaat. Als Belgische band mochten ze gerust langer gespeeld hebben om het nieuwe materiaal een kans te geven, naast de pak herkenbare songs.
Wel is het zo dat Zornik een breed publiek weet te bereiken, zo zagen we jonge gasten als dertiger en veertigers al of niet met hun zonen & dochters. Zornik speelde op veilig en liet een geoliede indruk na; de vocalen van Buyse zijn door de jaren wat beperkter geworden. Het decor op z’n beurt was om U tegen te zeggen. De versterkers leken gekluisterd aan roosters waardoor donkere spotlights floepten. Mooi gevonden en een mooi effect!
In het begin zorgden technische problemen voor roet in het eten. Zornik wist zich te herstellen na de matige start van “I want it all”. Een Scabs beeld drong zich eerder op in het poprockende concept van songs als “Believe in me” en “It’s so unreal”, die talrijke energiestootjes opgezadeld kregen en voor de eerste ambiance zorgden. Het opbouwende “Something in the way” klonk krachtiger. Het nieuwe werk piepte even met een puike “Babylon” versie en de single “Satisfaction kills desire”, die een kleurtje kreeg door de vooraf opgenomen synths en orkestraties. Buyse was op dreef gekomen, was stemvaster en ontpopte zich als een Billie Joe Armstrong van Green Day: letterlijk een duracell konijn, waarbij het podium bijna niet groot genoeg bleek voor al z’n looppassen. Net als je dacht hier krijgen we meer van het nieuwe materiaal, schakelde de band over op de ‘Best of’, kracht bijgezet door gitaren, opzwepende drums en vuurwerkbommetjes, namelijk “The backseat”, “Walk” en “Scared of yourself”, dat eerst solo werd ingezet om dan intenser, voller en harder te klinken. Het rijtje werd nog vervolledigd met “Destination zero”, “Black hope shot down” en de bruisende en huidige Afrekening hit “The enemy”; met een uitgesponnen “Goodbye” bereikten ze het hoogtepunt: een schitterende opbouw, gepaste gitaar - drum galm en een refrein dat luidkeels werd meegezongen.

Zornik bracht geen verrassingen, waren wel een hit - boliede en tekenden voor een leuk ontspannend avondje zonder al te veel moeilijke wendingen.

Het Britse vijftal Strange Death of Liberal England zal bij de doorsnee Zornik liefhebber niet veel lichtjes hebben doen branden; het gezelschap filterde hun vroeger rammelend folkrockende sound in een subtieler gepolijst geluid, kleurrijk ondersteund en gedragen door een puike, heldere, indringende samenzang richting Arcade Fire en The Decemberists, zonder echt de punkattitude te verliezen. Ergens te situeren tussen The Clash, The men they could’t hang en The Replacements.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Pagina 423 van 500