logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

The Wolf Banes ...
dEUS - 19/03/20...

Goose

Synrise

Geschreven door

Goose was ‘hot’ … Goose is ‘back’ en … Goose blijft ’hot’. De single “Words” die de nieuwe cd in de zomer vooraf ging, maakte een tuimelperte in de Front 242 EBM, wat ons nieuwsgierig maakte naar wat het West-Vlaamse kwartet ging uitbrengen. Vier jaar geleden debuteerden ze met ‘Bring it on’, een dijk van een plaat om het in klassieke termen te zeggen. Electropop, EBM, punkfunk, trance, ‘80s wave, rock en beats’n’pieces. Kortom, dancepop met een resem hits, die een onweerstaanbare groove en pompende beat hadden, uptempo, vrolijk en hard. Kraftwerk goes The Ramones hoorde ik wel eens zeggen …
De opvolger is opgenomen in de Brusselse Jet Studio’s en is breder in de zin van dat het een verkenning is hun elektronische horizont; een elektro/retro/pop/techno geluid met een filmisch randje. Minder gebeuk dus … Dat laatste klinkt door op “Hunt”, “Bend”, “Staring” en de titelsong. De eighties wave dringt door op “After” en “In cars”. Bedwelmende, hypnotiserende ritmes en een bezwerende trance blijven onderhuids aanwezig op hun op Giorgi Moroder geleeste sound. En ze kunnen nog lekker doorgaan zoals op “Can’t stop me now” en “Words”. En ze houden van een experimentje, want een neurotische trance ritme hoor je op “As good as it gets”.
Kijk, Goose is ‘back’, menig oude Goose fan vindt er zijn gading in en zal uit zijn dak kunnen gaan op hun gigs en er is plaats voor een doorwinterde electrofan. Mooi toch …
Ohja, de cd hoes refereert aan Pink Floyd’s ‘Dark side on the moon’ … 

Warpaint

The Fool

Geschreven door

De dames van Warpaint uit LA hebben na de EP ‘Exquisite Corpse’ een (bijna even korte) eerste full cd uit, ‘The fool’. De indie van de dames wordt nogal omgeven door post-punk, wave en galm; zweverige en dromerige songs, die een donkere, broeierige intensiteit hebben, waarover hemelse vocals en een harmonieuze samenzang heen waait.
Een betoverende, sfeervolle sound en een boeiende luistertrip die The Cranes (Alison Shaw), Cocteau Twins (Elisabeth Frazer), The Mazzy Star (Hope Sandoval) en Slowdive omarmt, en niet vies is van de dames PJ Harvey, Siouxie Sioux, Sonic Youth’s Kim Gordon en die de sound van Talking Heads en The Cure dichter bij elkaar brengt.
Aan hun etherische wavepop geven ze een eigen draai, die nog het nauwst leunt aan The xx en zich plaatst naast huidige indie doorbraken Beach House, Best Coast en Here we go magic. Ze kregen de hulp van John Frusciante, Josh Klinghoffer (RHCP!) en jawel Siouxie Sioux.
De semi-akoestische opener “Set your arms down” is de aanzet voor de sfeervol opbouwende composities, die kleine variaties hebben onderling. Het broeierige “Lissie’s Heart Murmur” sluit en verve de plaat van negen songs af.

Wovenhand

The Threshingfloor

Geschreven door

16 Horsepower lijkt al eeuwigheid onder het zand, want domineeszoon en religieus predikant Dave Eugene Edwards is al aan de zesde cd toe met Wovenhand, muzikaal een combinatie van americana, gospel, kerkmuziek, gothic en pop, in een folknoir tenue gestopt. De diepspirituele inborst en de stijgende fascinatie voor Joy Division uit zich in een broeierige, sfeervolle, dromerige en donker dreigende songopbouw. Huiveringwekkend en bezield gaan Edwards en zijn kompanen hier te werk. De vocale voordrachten en de onderhuidse spanning in de nummers klinken uniek en zijn nog intenser, harder, bezetener en hechter.
Een adembenemende luisterervaring, warm troostrijk, woest en onheilspellend.
We zijn al zeerzeker onder de indruk van de “True faith” cover van New Order en de titelsong van de cd. De pakkende songs “His rest”, “Singing grass” en “Orchard gate” raken door de sobere omlijsting en het gitaargetokkel. En met het afsluitende “Denver City” rockt Woven Hand, als op de livegigs.
Ok, Goede wijn behoeft geen krans, want chique is het wat Edwards en Wovenhand na zes platen nog weten te presteren … Boeiend intrigerend materiaal in zwartpak …

Swans

My father will guide me up a rope to the sky

Geschreven door

Swans … toonaangevende band van het NYse underground noise circuit. Swans drukte overal ergens z’n stempel op en werd gewaardeerd voor hun unieke, rauwe, hard expressieve sound. Van duivelse kakafonie, repeterende, logge, traag slepende en opbouwende ritmes, oerklanken en schreeuwvocals … van avantgarde, noiserock/industrial ging het naar een toegankelijker zalvender geluid van meeslepende songs, die energieke stootjes en explosies kregen, om tot slot te eindigen in een ‘Angels of light’ concept van ‘drone’, filmische, ambiente, dreunende soundscapes … De sound werd gedragen en bepaald door de vocale voordrachten en baritonzang van Michael Gira.
Ze hadden met ‘Filth’, ‘Greed’, ‘Children of God’, ‘The burning world’, ‘White light from the mouth of infinity’, ‘Love of life’ spraakmakende platen uit. Het etherische ‘Soundtrack for the blind’ (‘96) trok een definitieve streep onder het Swans concept.
Intussen had spil Gira diverse projecten, z’n eigen label, het Young God label, dat Lisa Germano en Devandra Banhart (met z’n freefolky stijl) een succesvolle carrière bood, was er de breuk met ‘de vrouwe des huizes’ Jarboe en maakte hij talrijke omzwervingen.
En kijk, na dertien jaar zijn Swans terug samen, in die zin dat Norman Westberg (gitarist van het eerste uur) en Gira elkaar terug vonden. ‘Swans is not dead’ lazen we op de Myspace; de cd ‘My father will guide me up a rope to the sky’ is alvast een aangename Swans ‘wake upcall’. Inderdaad, het is een typische Swans plaat van de nineties; bitterzoet materiaal, confronterend, indringend, bezwerend, dwingend en lieflijk, gedragen door die aparte grauwe baritonzang van Gira.
Acht songs, 45 minuten muziek. Hier dienen opener “No words/no thoughts”, “Jim”, “My birth” en “Eden prison” mokerslagen toe, onheilspellend en filmisch-noir!
De grillige Michael Gira liet weten dat Swans geen reünie was, “it’s not some dumb-ass nostalgia act”, maar z’n invloed op diverse stijlen is onmiskenbaar. En hij slaagt er op de comeback probleemloos in ons aan zijn kant te krijgen. En live gaat de volumeknop fors omhoog en heersen de explosieve ritmes van gitaren en percussie . Een wall of sound & noise …Welcome back!

School of Seven Bells

Disconnect from desire

Geschreven door

School Of 7 Bells - Opvallende titel voor een band die zich heeft vernoemd naar een school voor zakkenrollers. Muzikaal horen we een spannende, broeierige hemelse sound van elektronica, indie, pop, pschedelica en shoegaze. ‘Nu shoegaze’ fluistert men mij. OK, dat staat dan vanaf nu genoteerd!
De groep zweert bij My Bloody Valentine, Cocteau Twins, This Mortail Coil en Stereolab, sluit aan bij Blonde Redhead en wordt in één adem vernoemd met de huidige rits Big Pink, The Pains Of Being Pure At Heart, Warpaint en The Hundred In The Hands. ‘Disconnect from desire’ is de tweede plaat en volgt het debuut ‘Alpinisms’ op (2008).
Het trio van de tweelingzusjes Claudia en Alejandra Deheza en Benjamin Curtis, uit Brooklyn NY, intrigeert en raakt met de zweverige, dromerige, sfeervolle, etherische popwave/psychedelica, dat niet vies van Indiase world.
Kwalitatief sterke songs met subtiele, emotievolle melodieën, die gevoelens, verlangens & dromen de vrije loop laten. “Windstorm”, “ILU”, “Babelonia” en “Bye Bye Bye” zijn prachtsongs in het SO7B concept: de schitterende opbouw, de aanzwellende ritmes en zalvende elektronica beats, bepaald door de hemelse melodieën en de perfect beheerste vrouwelijke samenzang, die ze ‘en verve’ nog illustreren op het afsluitende “The wait”.
Het trio heeft een wonderschone tweede plaat uit en toont aan veel in z’n mars te hebben. 

Orchestral Manœuvres in The Dark (OMD)

OMD – Geslaagde avond met synthpop van en voor vele leeftijden

Geschreven door

Andy McCluskey en Paul Humphreys speelden al enkele jaren samen in diverse kleine formaties toen ze in 1978 besloten verder te gaan onder de naam Orchestral Manoeuvres in the Dark (OMD). Vanaf hun gelijknamige debuutplaat zouden ze met hun synthpop in nauwelijks twee jaar tijd uitgroeien tot één van de vaandeldragers binnen de elektronische muziek via als excellent te beschouwen albums ‘Organisation’ en ‘Architecture & Morality’.

Zelf zagen we OMD in 1983 voor de eerste maal aan het werk in de Brielpoort in Deinze waar ze hun vierde studioalbum ‘Dazzle Ships’, een donkere en ietwat meer experimentele plaat, kwamen promoten. We zijn intussen een kwarteeuw later en intussen is er vanzelfsprekend veel veranderd. De Brielpoort is intussen niet langer de gastheer voor overbekende artiesten maar herleid tot een festiviteitenhal waar de grote internationale sterren enkel nog in lp-, cd- of postervorm te bewonderen zijn. Ook OMD maakte met ‘Junk Culture’ (1984) nog een degelijk en succesrijk album maar nadien was het succes zowel artistiek als commercieel tanend. Er werden almaar meer toegiften gedaan richting verkoopcijfers en behalve enkele degelijke singles overheerste de onregelmatigheid.
In 1989 verliet Humphreys de groep uit ongenoegen over de commerciële weg die werd ingeslagen en McCluskey deed onder de naam OMD verder, scoorde her en der nog wat hitjes maar trok in 1996 ook zelf de stekker er helemaal uit.
Het non-actief zou duren totdat ze in 2007 in hun ‘klassieke’ bezetting (inclusief toetsenist Martin Cooper en drummer Malcolm Holmes) aan een nieuwe tournee begonnen om het album ‘Architecture & Morality’ nog eens in zijn totaliteit te brengen aangevuld met enkele andere oude nummers (in het kader hiervan deden ze overigens ook een concert in de AB).
En daar bleef het niet bij want wat niemand nog verwachtte, was dat er in september van dit jaar onder de titel ‘History Of Modern’ een nieuwe plaat werd uitgebracht. Dit 11de studioalbum is geen wereldschokkende plaat en kan zeker niet die de vergelijking doorstaan met hun eerste werk maar onaardig is het ook niet (vooral niet als men rekening houdt met het feit dat er tussen hun vorige studioalbum en tussen het album ‘The Pacific Age’, dat nog met het vertrouwde viertal werd opgenomen, 14 respectievelijk 24 jaar zit).

Toen OMD ook aankondigde er een concertenreeks aan te verbinden, werd dit erg positief onthaald door de fans. Afgelopen maandag stonden de vier heren in dat kader opnieuw in de Brusselse AB.
Het uit Brighton afkomstige kwartet Mirrors werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen en toen zij aan hun set begonnen, was de zaal al vrij aardig gevuld met overwegend dertigers en veertigers. Men had deze groep niet toepasselijker kunnen programmeren. Getooid in stijlvolle grijze pakken, het haar kort geknipt en de bij momenten robotachtige houding deed meermaals aan Kraftwerk, de groep waar ook OMD de mosterd haalde, denken. Ook de muziek in combinatie met projecties op de achtergrond flirtte meer dan eens overduidelijk met de karakteristieken van de Duitse elektronische pioniers.
Over het kanaal wordt de groep als erg beloftevol gecatalogeerd en we kunnen begrijpen waarom. Zanger James New (ex-Mumm-Ra en lichamelijk bijna een jongere kopie van Alex Kapranons, zanger bij Franz Ferdinand), James Arguile (elektronische percussie en eveneens ex-Mumm-Ra) en Ally Young en Josef Page (allebei keyboards) weten melodieuze nummers te brengen waarbij oude met nieuwe elementen en invloeden gecombineerd worden. Zoals net aangehaald, hoorden we onder meer bij “Ways To An End”, “Lights And Offerings”, “Into The Heart” en “Hide And Seek” vooral Kraftwerk maar tevens Depeche Mode en New Order. Maar telkens wisten ze mede door de warme stem van New aan hun ‘pop-noir’ een catchy eigenheid te geven. Een geslaagde set die het publiek zich vlotjes liet smaken. Hun eerste fullalbum mag begin 2011 verwacht worden.

Stipt om 21u vatte OMD zijn concert aan met enkele op een groot zwart gordijn geprojecteerde beelden die – excuseer ons voor de herhaling – erg deden denken aan het onvermijdelijke Kraftwerk. De begeleidende intro bestond uit “History Of Modern (Parts III & IV)” die enkel terug te vinden is als b-kantje op de vinyl versie van de nieuwe 7’’ ‘Sister Marie Says’.

Hierna mochten ook de spots hun werk doen en toen het doek letterlijk gevallen was, werd ingezet met “New Babies: New Toys” uit het meest recente album.
Andy McCluskey kondigde meteen aan dat de setlist wat oud en wat nieuw werk zou bevatten en met de woorden “This is old” kwam het nog steeds bijzonder sterke “Messages” (1980) aan bod. Het geluid zat meteen goed, McCluskey was goed bij stem en er werd gemusiceerd met de viriliteit als toen ze twintig waren.  Dit gold evenzeer bij “Bunker Soldiers” (eveneens uit hun debuutplaat) dat tot menige tevredenheid op de setlist werd geplaatst.
Het klonk allemaal strak en mede door de extra basgeluiden en de korte aanhalen van de keyboardtoetsen kon bij een nummer als “Tesla Girls” de dreiging van middelmaat en  verveling moeiteloos afgewimpeld worden.
De groepsleden hadden er duidelijk zin in en bij “History Of Modern (Part I)” kon de ‘bad dancing’ beginnen. McCluskey voegde de daad bij het woord, liet zijn basgitaar links liggen en gaf zich expressief over aan de meest gekke danspasjes. We waren nog maar enkele nummers ver of het zweet gutste van hem af.
Een rustpunt was op zijn plaats en Paul Humphreys mocht de vocalen voor zijn rekening nemen bij “(Forever) Live And Die” en deed dit nadien nog even over bij het rustige “Souvenir”.
Prachtig was “She’s Leaving” uit ‘Architecture & Morality’ (de toevoeging van de ietwat overbodige echo op de stem had ons inziens evenwel niet gehoeven). Het tweeluik “Joan Of Arc” en “Joan Of Arc (Made Of Orleans)” blijft – zeker in de Lage Landen - nog steeds in het geheugen van de (aanwezige) fans gegrift en kon op bijzonder veel respons rekenen. Terecht want mede door de fraaie projecties werden beiden mooi uitgevoerd. In dezelfde donkere sfeer vertoefde het nieuwe “New Holy Ground” dat verwantschap toont met hun eigen “Romance Of The Telescope” (uit ‘Dazzleships’) en zelfs dicht aanleunt bij”‘Leave In Silence” van Scooter.
Na “Green” volgden “
Talking Loud And Clear”, “So In Love” (voorzien van extra saxofoon bespeeld door Cooper en gesamplede hoge stem) en “Locomotion”. OMD ontving een uitbundig applaus van een bijzonder enthousiast publiek en een zuchtende – en nog steeds  transpirerende - McCluskey nam het namens het viertal met grote dank in ontvangst.
De zopas uitgebrachte nieuwe single “Sister Marie Says” werd aangekondigd als een nieuwe doch fantastische song. Gedeeltelijk slechts waar want deze track werd al gecomponeerd in 1981, haalde net niet het album ‘Universal’ (1996) maar werd nu wel opgenomen op ‘History Of Modern’.
”Pandora’s Box” had wat weg had van de Pet Shop Boys en bij “Sailing The Seven Seas” werden er wat extra oosterse klanken toegevoegd.
Het obligate - en absolute publiekslieveling – “Enola Gay” sloot het eerste deel van de set af. De uitzinnige toeschouwers in de AB dansten en schreeuwden het geheel oorverdovend naar een hoogtepunt.
Er waren nog twee toegiften. Bij “Walking On The Milky Way” speelde Humphreys niet enkel de intro maar ook de outro verkeerd. Charmant was dat hij zelf met het geklungel kon lachen en ook McCluskey dreef de spot met hem door het publiek te vragen of iemand dit op tape had staan omdat een dergelijke vergissing zelden gebeurde. Waarop Humphreys repliceerde dat aldus werd aangetoond dat de concerten van OMD wel degelijk live verlopen. Elektronisch muziek kreeg meteen een bijzonder menselijk gelaat.
Afsluiter van dienst was “Electricity”, niet enkel de allereerste single van OMD maar ook “The fastest song we have” aldus McCluskey zich richtend tot de toeschouwers die knusjes in de zeteltjes op het balkon zaten. Het publiek liet zich niet onbetuigd, zong luidop mee en ging zich een allerlaatste maal te buiten aan ondefinieerbare dansbewegingen.

Vier glimlachende gezichten op het podium en algemene tevredenheid in de zaal. Met een set van exact anderhalf uur en een combinatie van nieuw werk en heel wat hits en/of oudere favorieten, bezorgde OMD de aanwezigen een erg leuke avond. De plaat ‘Dazzle Ships’ bleef onaangeroerd en aldus ontbeerden “Genetic Engineering” en “Telegraph”. Maar ach, OMD heeft aangetoond dat hun repertorium de tand des tijds heeft doorstaan en met groepen als Mirrors lijkt het erop dat ook de toekomst van de elektronica verzekerd wordt.

Setlist OMD: Intro - History of Modern Parts (III & IV), New Babies: New Toys, Tesla Girls, Bunker Soldiers, History Of Modern (Part I), (Forever) Live And Die, She’s Leaving, Souvenir, Joan Of Arc, Joan Of Arc (Made Of Orleans), New Holy Ground, Green, Talking Loud And Clear, So In Love, Locomotion, Sister Marie Says, Pandora’s Box, Sailing On The Seven Seas, Enola Gay
Walking On The Milky Way, Electricity

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Jónsi

Jonsi - ‘4 seasons in one gig’

Geschreven door


Jonsi (Jon Por Birgisson), de spil van het IJslandse Sigur Ros, plaatste even de band op non actief, en gebruikte de klanktapijten en het toegankelijke, lieflijke popwerk in een elegant schoon solo album ‘Go’; subtiele kunst en sprookjespop omarmden Jonsi vs Sigur Ros. Over de collecte klankbehangetjes van het project Riceboy Sleeps spreken we niet meteen.

Op de plaat horen we de seizoenswisselingen, die een lente - en herfstgevoel ademen, fris, aanstekelijk, vrolijk als dromerig, ingehouden, weemoedig en bij het nekvel grijpend, gevoed door dartelende melodieën, brede arrangementen, piano, flutes, violen en vibrafoon, en gedragen door mans heldere, indringende engelenstem, Engelstalig én met een eigen woordkunst gezongen.
Ook de visuals, de knappe belichting en de klederdracht (Jonsi met indianen veren!) verdienen een ‘pluim’ … ‘4 seasons in one gig’, strevend voor het natuurbehoud en de dieren in een woudlandschap. Chique wat de ontwerper van de projecties verwezenlijkte: we zagen bloeddorstige wolven, jagende uilen, lieflijke kolibries en herten, en beelden van druilerig herfstweer, vallende bladeren, onweer, winterse buien als ontluikende bloemetjes en fluitende vogels …
Jonsi beschikte over een goed op elkaar ingespeelde band om het klankentapijt en de pop te optimaliseren. Na eerdere passages in de AB en op Pukkelpop konden we terecht voor een tweedaags onderonsje met Jonsi. Het eerste concert was heel snel uitverkocht, maar ook voor het tweede concert was het KC aardig goed gevuld. Een duidelijke prestatie voor de eerste solo uitstap. Trouwens, de live registraties zullen binnenkort verschijnen.
Jonsi opende de anderhalf uur durende set met “Stars on still water, solo ingezet op akoestische gitaar, adembenemend, ijzig als hemels. De daaropvolgende songs “Hengilas”, “Iclicle sleeves” en “Kolnidur” behielden die sfeerschepping door de spaarzame, doeltreffende begeleiding, de klankkleur, de grauwe, dreigende, donkere soundscapes en de roffelende drums. Wat me deed mijmeren aan de bosspelen ’s nachts tijdens m’n chirojeugd … “Tornado” bracht de ‘Spot on Iceland’ en intrigeerde door de aanzwellende partijen en de hoog uithalende vocals. De temperatuur daalde fors onder nul en een ijzige wind blies om de oren en striemde in het aangezicht. Indrukwekkend! De dromerige, rustige “Sinking friendschip” en “Saint naieve” dreef ons naar een zorgeloze wereld. De single “Go do” was de aanzet van het lente offensief, in een hogere versnelling, een ontluikende melodie, een frisse tinteling en een dansbare injectie. Het ontspannen karakter, de forsere grooves en een sprookjes entourage zetten ze door op “Boy likidoi” en “Animal aritmetic”, waarbij de percussie op gevatte wijze meer en meer de overhand nam, zonder in te boeten aan finesse en subtiliteit.
Er werd deftig van instrument gewisseld, wat de veelzijdigheid van Jonsi’s muzikanten onderstreepte. De intieme “Piano des” en de “New piano song” plaatsten Jonsi ’s pianospel voorop, omringd door gitaar - basloops, vibrafoon, zalvende percussie, pauken en rollende kettingen; ze bouwden voorzichtig op en klonken stapsgewijs krachtiger!, gedragen door het ‘arte’ stemgeluid van Jonsi.
Een expressieve finale zorgde voor de kers op de taart. De vier seizoen ‘in one gig’ vatten ze samen op het crescendo gaande “Around us”. Je voelde sprankelende spaborreltjes in een wijwatervat op je hand …
In de bis tooide Jónsi zich met indianenveren en ging hij extravert te werk; hij voerde een regendans uit en bracht ons in een bezwerende trance door prachtversies “Stick & Stones” en vooral “Grow Till Tall” die een geweldige climax hadden. Toen de plensbui op het scherm over was, was het ook over & out met Jonsi’s set.

Op plaat drong de muzikale creativiteit van Jonsi al voldoende door, live deed hij er een duidelijke schep bovenop. Jonsi is een groots artiest en heeft op muzikaal en artistiek vlak zijn (indianen) strepen ruim verdiend. En nu de oortjes & oogjes dicht …

Ook de support, het Canadese trio van sing/songwriter Taylor Kirk, Timbre Timber intrigeerde. Aangevuld met een steelpedal speler en een violiste, reed hij een beklemmende spookhuisrit, loom, slepend, donker en onheilspellend. Hier vielen de bladeren letterlijk van de bomen en werd je verdwaasd ’s nachts achtergelaten in een groot dierenrijkbos. Taylor, het gezicht verbogen achter een monnikscape, had een huiveringwekkende praatzang, die het nauwst aan Swans (Michael Gira) en Tindersticks (Stuart Staples) leunde. De songs droegen een soort ondraaglijke pijn en waren hartverscheurend, fijngevoelig en ontroerd. Een Spotlight on Canada was hier dan ook terecht!

Organisatie: Live Nation

Crossing Border Festival 2010 – Een vervaarlijke combinatie van literatuur, muziek en drank

Voor de finaledag van de tweede editie van het Belgische luik van het Crossing Border Festival diende de Antwerpse Arenbergschouwburg opnieuw als locatie en omkadering. Maar in tegenstelling tot vorig jaar hing nu geen bordje met opschrift ‘Uitverkocht’ aan de deur. Eén van de redenen is wellicht dat de organisatie dit jaar niet de grote muzikale hypes van het moment heeft kunnen strikken (in 2009 prijkten op de affiche onder meer Mumford & Sons die met hun ‘Little Lion Man’ op de radio brokken maakte en de alternatieve superformatie Monsters of Folk die een exclusief concert kwamen geven).

Maar om het op zijn Cruijffiaans uit te drukken: “Ieder nadeel heb zijn voordeel”. Aldus kon men gemakkelijker van de ene naar de andere zaal gaan zonder te moeten vrezen voor gesloten deuren te komen staan. Ook de rijen wachtende aan de bar of bij de eetkraampjes waren dit jaar opmerkelijk korter. En misschien nog het belangrijkste: zonder de nieuwste muzikale snoepjes van de maand te programmeren, was men er toch in geslaagd het publiek een bijzonder interessant programma voor te schotelen.

Dit jaar hadden de recensenten van Musiczine zich voorgenomen om eens wat meer tijd door te brengen bij de schrijvers, dichters en vertellers, alsook bij de minder gekende bands. Een literaire en muzikale ontdekkingstocht diende zich dus aan met alle risico’s van dien. Want zoals op een festival als Pukkelpop werd men vaak  verplicht te kiezen tussen een drietal optredens of interviews en was de kans niet ondenkbeeldig dat men nu net dé ontdekking van het festival misliep.

De avond begon voor ons in The Hideout, bij John Cooper Clarke (***). Deze punkpoëet uit Salford (Manchester) kwam aan het einde van de jaren ‘70 samen op met de punkbands uit die streek en deed met zijn spoken word performances dikwijls het voorprogramma van onder meer Buzzcocks, The Fall, Joy Division en Siouxsie & the Banshees. De man, 61 ondertussen, heeft nog altijd zijn vogelnestkapsel en brengt vandaag iets tussen poëzie en stand up comedy (“If Jesus was a Jew, how come he had a Spanish Name?”).
Clarke was niet altijd duidelijk te verstaan, vond zichzelf bijzonder grappig maar overtuigde toch door zijn performance en flow die wel iets van de Beat poets had. Afsluiten deed hij natuurlijk met ‘Evidently Chickentown’. Hierbij een fragmentje omdat het zo goed blijft:
“the bloody pies are bloody old
the bloody chips are bloody cold
the bloody beer is bloody flat
the bloody flats have bloody rats
the bloody clocks are bloody wrong
the bloody days are bloody long
it bloody gets you bloody down
evidently chicken town”.

Snel over naar de Zona Rosa, of de grote zaal, en naar Red Eyed Fly waar respectievelijk Villagers en Field Music acte de présence gaven.
Afgelopen zomer stond de Ierse band Villagers (****) ook op Pukkelpop maar daar hebben we ze jammer genoeg gemist. Villagers met als spilfiguur zanger-liedjesschrijver Conor O’Brien brachten dit jaar hun debuut ‘Becoming a Jackall’ uit en sleepten ook een nominatie in de wacht voor de Mercury Prize, en dit in het gezelschap van bands zoals The XX, Foals en Mumford & Sons. O’Brien vertoont een totaal gebrek aan rock ’n roll attitude (in plaats van leren jack of strakke pak staat hij gewoon in zijn doordeweekse pullover te rocken) maar deze man heeft dat ook niet nodig als je songs hebt zoals “Becoming a jackall” en een stem die lichtjes naar Feargal Sharkey neigt. De band van O’Brien was heel sterk en het publiek gaf dan ook een oververdiend luid applaus na de korte set van dit Ierse vijftal.

Field Music (***1/2) uit het Britse Sunderland bestaat onder meer uit de broertjes David en Peter Brewis (deze laatste nog ooit actief bij The Futureheads). Ligt het aan het amalgaam aan stijlen of het feit dat ze een echte radiohit ontberen, feit is dat op de meeste radiozenders deze groep links gelaten wordt (met uitzondering misschien van het bijzonder sporadisch gedraaide “Them That Do Nothing”). Volledig ten onrechte want hun recentste derde plaat (‘Field Music (Measure’) – een dubbelaar trouwens - is opnieuw bijzonder goed en bulkt van de inspiratievolle, gevarieerde songs. We waren dan ook bijzonder opgetogen dat we Field Music live aan het werk konden zien en ontgoochelen deden ze totaal niet.
Opener “Give It Lose It Take It” zette de toon voor de rest van de set: aan tempowisselingen geen gebrek. “Effortlessly” bevond zich in het straatje van The Posies om naar het einde toe stevig uit te halen. “See You Later” begon erg zachtjes met een piano-intro en een sloom gitaarlijntje om geleidelijk aan expressief uit te monden in een strak gebald progrocknummer. Hoogtepunten waren het reeds vermelde “Them That Do Nothing”, met een combinatie van pop en blues, en “Share The Words”.
Er waren nagenoeg geen bindteksten omdat de groep de voorziene speelduur van 45 minuten te kort vond en ze de muziek wilde laten primeren. Verstandige keuze en een mooi concert als resultaat.

Na een bezoekje aan de bar was het tijd voor DBC Pierre (****). Deze Australische schrijver vertelde hoe hij opgroeide in Mexico als rijkeluiszoontje die allerlei kattenkwaad uitstak maar aan lagerwal geraakte toen zijn vader ziek werd en de familie al hun geld verloor door een bankennationalisatie. Peter Finlay (Dirty but Clean Pierre is zijn schrijversnaam) vluchtte toen naar de USA met als enige bezit dollars die zijn meid in de zomen van zijn leren jekker ingenaaid had en verloor zich daar in drugs en gokverslaving. Al deze ervaringen gebruikt Pierre in zijn werk, want zegt hij: “Je schrijft best over wat je het best kent, ook al zijn mijn boeken niet autobiografisch”.
In 2003 werd zijn debuut ‘Vernon God Little’ bekroond met de Booker prize. ‘Vernon God Little’ gaat over een jonge knaap die ten onrechte van een school shooting à la Columbine beschuldigd wordt. Eigenlijk is dit boek een satire op de nefaste invloed van de massamedia en hoe ze buiten de rechtszaal het proces in de dorpstraat voeren.
Pierre’s nieuwste, ‘Lichten uit in wonderland’, heeft als hoofdpersonage een anti-globalist die met een zak cocaïne en het geld van zijn anti-globalistische actiegroep op een hedonistische tocht trekt over Japan en sterrenrestaurants naar Berlijn. Pierre vertelde zondagavond dat dit boek gaat over het failliet van alle ideologieen, het kapitalisme in het bijzonder.

In de grote zaal van de Arenbergschouwburg las op dat moment schrijver, (Gentse) (stads)dichter en theatermaker Peter Verhelst (****) voor uit eigen werk en toonde via rake, prachtig omschrijvende en tot de verbeelding sprekende passages moeiteloos aan dat het programmaboekje van Crossing Border geen woord verkeerd had geschreven door te stellen dat Verhelst vooral wordt geprezen om ‘zinnelijk, poëtisch taalgebruik en bijzonder gevoel voor ritme en klank’.

In diezelfde zaal zagen we aansluitend het Amerikaanse, uit Minnesota afkomstige Low (****) een van dé concerten van de namiddag en avond geven.
Opgericht in 1993 hebben ze zich via acht studioalbums opgewerkt tot een van de voornaamste groepen binnen de zogenaamde ‘slowcore’ scene (trage tempo’s in combinatie met minimalistische arrangementen). In afwachting van nieuw werk volgend jaar werd nu een eigenzinnige terugblik geboden op hun volledige carrière.
Het Mormoonse echtpaar Alan Sparhawk (zang en gitaar) en Mimi Parker (drums, pauken en zang) worden sinds twee jaar bijgestaan door bassist Steve Garrington die het vertrek van Matt Livingston opving.
Hoe traag de songs ook gespeeld werden, nooit sloeg de verveling toe. Integendeel, door de dreigende en opbouwende structuur hielden ze het publiek bij het nekvel vast. Mindere passages hebben we zondag niet gehoord maar onze top 3 was het onverwoestbare “Monkey”, “Canada” en de opener van de set “Lordy” dat door de soberheid op een meer pakkende wijze werd gebracht dan op de EP ‘In The Fishtank’ uit 2001 (een samenwerking overigens met Dirty Three). Ook de nummers waarop Parker meezong en secuur via pauken de nummers extra pakkend en dreigend maakte, zoals bijvoorbeeld tijdens “Silver Rider”, leidden tot kippenvelmomenten.
Wij zijn al jaren fan en dat kan ook gezegd worden van Robert Plant want op zijn meest recente soloplaat ‘Band Of Joy’ covert hij niet minder dan twee nummers van dit trio, namelijk de zonet vermelde “Silver Rider” en “Monkey”.

Nauwelijks bekomen, trokken we naar de reeds aangevangen set van het uit het Engelse Sussex afkomstige Smoke Fairies (****). In dit jonge groepje staan Katherine James en Jessica Davies centraal. Vooral hun prachtige samenzang in combinatie met een naar oude folk (en deels ook blues) verwijzende instrumentatie (door middel van onder meer drums, gitaar, bas en viool) werkt overtuigend en verklaart waarom zij over het kanaal omarmd worden door de muziekpers. Hun d
ebuutplaat ‘Through Low Light And Trees’ mag rekenen op erg positieve recensies en ook in Antwerpen konden nummers als “Erie Lackawanna”, “Summer Fades” en “Hotel Room” op algemene goedkeuring van het publiek rekenen. Etherische schoonheid maar met aardse voedingsbodem.

Ganglians (**), een viertal uit Sacramento, Californië, vallen te situeren tussen Vampire Weekend en Tame Impala, psychedelica met Afrikaanse invloeden en tonnen reverb. De songs konden ons niet volledig overtuigen. Ze kwamen nooit volledig van de grond en nodigen eerder uit tot rustig hoofdknikken. En dat verwacht men niet echt van een psychedelische band.

Kisses (***) betreft een trio uit Los Angeles maar kon perfect doorgaan voor een Scandinavische band à la Peter, Bjorn & John, We’re From Barcelona of The Whitest Boy Alive. Net als die bands koppelen ze perfecte popmelodieën aan vrolijke dancebeats. Vrolijk maar bij momenten ietwat te onschuldig.

De Nederlander Ronald Snijders (****) deed zijn naam als verspreider van het absurdisme alle eer aan en las bijzonder expressief en met een overvloed aan mimiek voor uit zijn eigen performance ‘Verkeerde Benen’. In een mum van tijd had hij het publiek op zijn hand en was de gepaste opwarming voor de Local Natives een feit.

Toen Musiczine enkele weken terug Local Natives (***1/2) aan het werk zag in Lille, werd er in de recensie genoteerd dat de eerste vier nummers te uptempo en te hard werden afgehaspeld en dat er werd gehoopt op een herkansing op Crossing Border. Welnu de set in Antwerpen bleek aan hetzelfde euvel te lijden. De jonge Amerikaanse groep uit LA heeft van samenzang in combinatie met hoekige gitaren en stevige, hyperactieve drumpartijen haar handelsmerk gemaakt – en een vergelijking met Fleet Fowes, Grizzly Bear of Vampire Weekend is nooit veraf – maar tijdens de eerste vier nummers klonk alles te luid en diende hun folkrock die terug te vinden is op hun debuut ‘Gorilla Manor’, aan verfijning in te boeten. Ook hun cover van Talking Heads’ “Warning Sign” gaf geen enkele meerwaarde.
Maar op het moment dat men het idee kreeg dat het een afknapper van jewelste zou worden, viel alles wel in de goede plooi. Er werd onderling vlekkeloos gewisseld van instrumenten en het ging het als een sneltrein richting zinderende finale via nummers als onder meer “Wide Eyes”, “Shape Shifter”, “Airplanes” en afsluiter “Sun Hands”. Aldus mocht het voorlaatste concert van hun uitputtende tournee toch nog als geslaagd beschouwd worden en kan Local Native nu alle aandacht richten op het opnemen van de tweede – moeilijke? – plaat.

Interviewen is een moeilijke stiel. Zelfs als je interessante vragen hebt, is men  afhankelijk van de nukken van de verteller.
Soms gaat dat heel vlot, zoals bij Miguel Syjuco (***), een Filippijnse expat die honderduit vertelde over zijn boek ‘Ilustrado’, over de Filippijnse upperclass, hoe hij valse berichten op Wikipedia plaatste voor zijn boek en hoe vuile moppen in de katholieke Filippijnen dienen als uitlaatklep.
Maar er zijn ook ogenblikken dat men echter een ‘interview from hell’ krijgt. Zo beleefde de interviewster van dienst haar ‘Iwein Segers moment’ bij Michael Madsen (****), de Hollywood-acteur die we onder meer kennen van ‘Reservoir Dogs’ (Mr. Blonde) en ‘Kill Bill 2’.
Met zijn platinablonde vrouw en getooid met een cowboyhoed, was Madsen naar Antwerpen gekomen om voor te lezen uit zijn gedichtenbundel ‘American Badass’. De interviewster probeerde betekenissen te vinden in Madsen’s gedichten die er niet waren en werd dan ook op Hollywoodiaanse wijze op haar plaats gezet: “Honey, don’t start about religion or politics”. Onbedoeld grappig, net zoals de afterparty met een Madsen die samen met Sam Cutler (zie hierna) een (of wellicht meerdere?) fles(sen) Slivovitz soldaat maakte en later op de nacht met vier gebroken ribben in het ziekenhuis belandde.
Veel gemoedelijker ging het er aan toe tijdens de babbel met Sam Cutler (***1/2) zelf. In een vorig leven heeft deze 67-jarige Engelsman nog samengewerkt met onder meer Pink Floyd, Alexis Korner, Eric Clapton en Blind Faith, maar het meest zal hij herinnerd worden als tourmanager van The Rolling Stones en de Grateful Dead. Hij heeft zijn memoires te boek gesteld onder de titel ‘You Can’t Always Get What You Want’. Daarin geeft hij onder meer een authentieke blik op de woelige jaren ’60 en wat er gebeurde tijdens het gratis concert dat de Stones gaven in het Amerikaanse Altamont; een concert dat een zwarte bladzijde zou worden in bestaan van de groep omdat een  fan neergestoken werd vlak voor het podium en daarbij het leven liet. Cutler liet de groep naar Engeland ‘vluchten’ en bleef zelf in de Verenigde Staten om de zaken af te handelen. Een aangepaste en beloofde vergoeding als dank kwam er nooit en Cutler bleef berooid achter. In tegenstelling tot de Stones zelf … 
Cutler bewees in Antwerpen nog steeds een onuitputtelijk vat vol anekdotes te zijn en moest er meermaals op gewezen worden dat zijn voorziene praattijd er op zat en de groep na hem stond te popelen om te soundchecken. Maar zijn verhalen over enkele beroemde drugsdoden als zijnde
Jimi Hendrix, Janis Joplin en Brian Jones, alsook de tips hoe men een junkie kan proberen te redden bij een overdosis, wekten zoveel aandacht op dat de niet mis te verstane wenken meermaals in de wind werden geslagen; Het spektakel diende uiteindelijk kordaat maar vriendelijk stilgelegd te worden.

“It’s Only Rock ’N  Roll (But We Liked It)”. Net als Spoon (***), die in de grote zaal met glans het einde van hun toernee afsloten. Deze Texaanse indieband heeft een heel kenmerkende metalige sound en klinkt ietwat tegendraads waarbij de zang van Britt Daniel voor het tegengif zorgt. Dat deze formatie niet op grote schaal doorbreekt, kunnen we deels begrijpen want het doorgronden van de weerbarstige songs kost heel wat moeite. Niettemin vormde hun concert een mooie afsluiter in La Zona Rosa.

Om het ogenblik dat Spoon in vol ornaat aan het concerteren was, stond Ed Harcourt (****) er in een kleine ruimte (The Hideout) helemaal alleen voor. Nu ja, dat laatste is relatief te noemen. Harcourt opende solo en pianogewijs met “Lustre”, het gelijknamige nummer van zijn zopas verschenen nieuwe (vijfde) album, en met “Black Dress” (uit ‘Strangers’, 2004). Maar nadien maakte hij gebruik van diverse instrumenten zoals een akoestische (“Church Of No Religion”) en een elektrische gitaar (“
Do As I Say Not As I Do”), een banjo en trombone (“I’ve Become Misguided”) of compileerde hij ter plaatse diverse geluiden via een loop machine zodat het leek alsof er een volledige begeleidingsgroep Harcourt kwam vervoegen. We zagen in het verleden creatievellingen als Joseph Arthur en Owen Pallet zich bedienen van deze trukendoos maar ook Harcourt bracht deze oefening tot een prachtig einde. Zo liet hij ook de toeschouwers bijdragen via wolvengehuil in “Heart Of A Wolf”.
Schitterende melodieën overheersten en qua genres en sfeer was er een grote variatie, zoals bijvoorbeeld “Haywired” en “Fears Of A Father” die mooi waren in alle eenvoud versus het losgeslagen, aan Eels verwante “Undertaker Strut” (‘From Every Sphere’, 2003).
Harcourt zocht regelmatig het onmiddellijke contact op met de aanwezigen. Tijdens “Killed By The Morning Sun” ging hij zonder gebruik te maken van enige microfoon vóór het podium postvatten en helemaal op het einde van zijn set slalomde hij rustig en zingend via een oude microfoon, tussen het overwegend zittend publiek.
Harcourt werd met zijn debuutplaat ‘Here Be Monsters’ (2001) genomineerd voor de Mercury Prize en de weg richting sterrendom leek helemaal open te liggen maar toch blijkt hij in onze contreien nog een nobele onbekende te zijn. Of een knap werkstuk als ‘Lustre’ daar veel verandering zal in brengen, betwijfelen we.
In ieder geval bezorgde hij - ondanks dat het kleine podium gerelateerd aan het aantal instrumenten (te) weinig bewegingsruimte verschafte, de aan- en afkondigingen enkele opvallende blunders of tekortkomingen bevatten en Harcourt ook nog eens diende op te boksen tegen verblindende lichten (en wanneer hij vroeg om deze wat te dempen, vervolgens in gehele duisternis werd gehuld) - de tweede editie van Crossing Border een fantastische en bijwijlen beklijvende finale.
We houden nu al rekening met enige marge in onze agenda voor de volgende editie van deze aanbevelingswaardige formule.
Setlist Ed Harcourt: Lustre, Black Dress, Church Of No Religion , Do As I Say Not As I Do, Haywired, God Protect Your Soul, I’ve Become Misguided, Killed By The Morning Sun, Lachrymosity, Heart Of A Wolf, Undertaker Strut, Shadowboxing, Fears Of A Father, This One's For You, Until Tomorrow Then

Organisatie: Crossing Border ism Arenbergschouwburg, Antwerpen

Mercury Rev

Mercury Rev Clear Light Ensemble - Mercury Rev blaast en beukt tot rode ballon springt

Geschreven door

Mercury Rev Clear Light Ensemble -- Crossing Border 2010
Deze zomer zagen we Mercury Rev in de in de binnentuin van het M in Leuven, en de band paste wonderwel in die kunstzinnige omgeving. Hun laatste werk, ‘Snowflake Midnight’, dateert al weer van 2008, en het ziet er sterk naar uit dat Mercury Rev nooit meer de populariteit van ‘Deserter’s Songs’ of ‘All is dream’ zal bereiken. Waar Flaming Lips voluit de kaart van de spectaculaire en commerciële liveshows uitspeelt (wel in sterk contrast met hun compromisloze albums), kiest Mercury Rev voor de artistieke ontplooiing, weg van de pop en terug naar de psychedelica van hun eerste platen ‘Yerself is steam’.

We wisten niet wat we van het project waarmee Jonathan Donahue en co vanavond naar de Arenberg gekomen waren, Mercury Rev Clear Light Ensemble, moesten verwachten. Het zou een livebegeleiding worden bij een aantal avant-garde films, maar we hadden het raden naar hoe dat ingevuld zou worden. De naam Clear Light Ensemble, suggereerde een kamerorkest, maar wie met die verwachting naar de Arenberg gekomen was, kwam bedrogen uit: vanavond zou Mercury Rev een functionele set spelen, puur ter ondersteuning van de vier kortfilms die vanavond vertoond werden. Geen zang van Jonathan Donahue dus, geen bekende nummers van Mercury Rev, het viertal speelde de hele avond in het halfduister, met de rug naar het publiek, gericht op het filmscherm, om zo goed mogelijk te anticiperen op wat er op het witte doek gebeurde. De bezetting vanavond was er een zonder drums, maar wel met gitaren, keyboards en klarinet.

Als opwarmer kregen we abstracte beelden, de muziek die Mercury Rev speelde was elektronisch en donker, en deed ons op een bepaalde manier wel aan Wolfgang Voigt’s GAS denken, de producer en labelbaas van het Keulse Kompakt label.

Le Ballon rouge (1956) is een Franse kortfilm van Albert Lamorisse, over een jongetje (de zoon van de regisseur) die een rode ballon vindt. Als spelend ontdekt de jongen dat de ballon een eigen wil heeft, en hem volgt door de Parijse wijk Menilmontant. Als de jongen naar school moet, dan wacht de ballon geduldig aan de schoolpoort tot de les gedaan is. Er volgen grappige scènes met volwassenen die de ballon proberen te grijpen, en een poëtische ontmoeting met een meisje en een blauwe ballon. Uiteindelijk worden de jongen en de rode ballon achternagezeten door een bende boefjes, en wordt de rode ballon door een katapult stukgeschoten. Dit is echter niet het einde, want van overal in de stad komen gekleurde ballonnen naar het jongetje gevlogen, en stijgt de jongen de lucht in gedragen door een bos ballonnen. Het charmante aan deze film is dat hij een stukje Parijs uit de jaren vijftig toont, die voorgoed verloren gegaan is: je ziet mannen met alpinopetten, kinderen met gebreide broeken, de eerste versies van de legendarische 2 pk-tjes. Heel herkenbaar en nog altijd sprankelend, niet te verwonderen dat deze kortfilm met een Gouden Palm in Cannes onderscheiden werd.

Lucifer Rising (1972), is een kortfilm die wellicht interessanter is om wie er aan meegewerkt heeft of als tijdsdocument van de jaren zeventig dan om de inhoud van de film. Je moet al een volledig arsenaal aan hallucinogene middelen genomen hebben om iets van dit werkstuk te maken, en wellicht zat de regisseur en de volledige filmcrew ook aan de lsd of paddo’s. De film is een onsamenhangend geheel van vulkaanerupties, Egyptische goden, hier en daar een blote tiet, druïde Stonehenge referenties en satanische rituelen. Jimmy Page en Marianne Faithfull hebben een rolletje. De componist van de oorspronkelijke soundtrack, Bobby Beausoleil, maakte deel uit van de bende van Charly Manson, en zit een levenslange gevangenisstraf uit voor een moord die hij onder invloed van Manson pleegde.

Bij beide kortfilms bracht Mercury Rev een mengeling van elektronische beats, drones en psychelische gitaarstukken, waarbij de climax van de film en de muziek nauw bij mekaar aansloten. Bij momenten had het iets van Underworld, dan was het weer Pink Floyd, of Mercury Rev zoals we het van “Senses on fire” kennen. Luid was het zeker, niet iedereen in de grote zaal van de Arenberg kon die geluidsstorm appreciëren, maar ondergetekende lustte er wel pap van.

Nive Nielsen is de eerste Groenlandse eskimozangeres die ik ooit aan het werk zag, en ik zal wel niet de enige zijn. Geen folkoristische gezangen echter, en ook geen eigenzinnige rare folk zoals we die van IJslandse bands gewend zijn. Hier stond een uitgebreide folkrockband, qua instrumentatie ergens tussen Fleet Foxes en Arcade Fire, met sterke nummers, maar de zang van Nive was soms wat dun.

Organisatie: Crossing Border (ism Arenbergschouwburg, Antwerpen)

Zornik

Zornik speelt op veilig

Geschreven door

Het Zornik van Koen Buyse is tien jaar bezig. Ze kwamen toen in de Trix (Hof ter Lo) als groentje optreden op de Humo’s Rock Rally, maar hebben intussen een status opgebouwd in ons landje: Vier platen, tientallen radiohits en niet weg te slaan van de festivalzomers; ze tekenden al voor de grootste festivals, RW & Pukkelpop. Ze haalden talrijke awards binnen en hebben drie gouden platen verkregen.
Ze namen een break na de ‘Crosses’ cd van 2007, ondanks het feit dat deze vierde cd net de meligheid en bombast had weten op te vangen met frisse, aanstekelijke en energieke rocksongs. Intussen hadden we de electropoppende Nitebytes uitstap en heeft Buyse een vaste relatie met Hanne Troonbeeckx.

2010 - Zornik is helemaal terug als kwartet. Ze zijn toe aan de vijfde cd, ‘Satisfaction kills desire’. In het herkenbare rockconcept smeult ‘80s waverock. Je krijgt de indruk dat de elektronica op het achterplan is gedrukt, maar niets is minder waar want ook al zijn er geen synths op het podium, de elektro knalt wel uit de PA versterkers. Ok, dit namen we er live
bij …!
We hoorden tijdens de maar uur durende set een soort ‘Best of’, met een glimp naar de pas verschenen plaat. Als Belgische band mochten ze gerust langer gespeeld hebben om het nieuwe materiaal een kans te geven, naast de pak herkenbare songs.
Wel is het zo dat Zornik een breed publiek weet te bereiken, zo zagen we jonge gasten als dertiger en veertigers al of niet met hun zonen & dochters. Zornik speelde op veilig en liet een geoliede indruk na; de vocalen van Buyse zijn door de jaren wat beperkter geworden. Het decor op z’n beurt was om U tegen te zeggen. De versterkers leken gekluisterd aan roosters waardoor donkere spotlights floepten. Mooi gevonden en een mooi effect!
In het begin zorgden technische problemen voor roet in het eten. Zornik wist zich te herstellen na de matige start van “I want it all”. Een Scabs beeld drong zich eerder op in het poprockende concept van songs als “Believe in me” en “It’s so unreal”, die talrijke energiestootjes opgezadeld kregen en voor de eerste ambiance zorgden. Het opbouwende “Something in the way” klonk krachtiger. Het nieuwe werk piepte even met een puike “Babylon” versie en de single “Satisfaction kills desire”, die een kleurtje kreeg door de vooraf opgenomen synths en orkestraties. Buyse was op dreef gekomen, was stemvaster en ontpopte zich als een Billie Joe Armstrong van Green Day: letterlijk een duracell konijn, waarbij het podium bijna niet groot genoeg bleek voor al z’n looppassen. Net als je dacht hier krijgen we meer van het nieuwe materiaal, schakelde de band over op de ‘Best of’, kracht bijgezet door gitaren, opzwepende drums en vuurwerkbommetjes, namelijk “The backseat”, “Walk” en “Scared of yourself”, dat eerst solo werd ingezet om dan intenser, voller en harder te klinken. Het rijtje werd nog vervolledigd met “Destination zero”, “Black hope shot down” en de bruisende en huidige Afrekening hit “The enemy”; met een uitgesponnen “Goodbye” bereikten ze het hoogtepunt: een schitterende opbouw, gepaste gitaar - drum galm en een refrein dat luidkeels werd meegezongen.

Zornik bracht geen verrassingen, waren wel een hit - boliede en tekenden voor een leuk ontspannend avondje zonder al te veel moeilijke wendingen.

Het Britse vijftal Strange Death of Liberal England zal bij de doorsnee Zornik liefhebber niet veel lichtjes hebben doen branden; het gezelschap filterde hun vroeger rammelend folkrockende sound in een subtieler gepolijst geluid, kleurrijk ondersteund en gedragen door een puike, heldere, indringende samenzang richting Arcade Fire en The Decemberists, zonder echt de punkattitude te verliezen. Ergens te situeren tussen The Clash, The men they could’t hang en The Replacements.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Pagina 798 van 966