Met het zopas uitgebrachte ‘The Last Night On Earth’ heeft de Londense formatie Noah And The Whale een derde koerswijziging in evenveel albums doorgevoerd. Waar de debuutplaat ‘Peaceful, The World Lays Me Down’ uit 2008 (met het aanstekelijke, zomers getinte « 5 Years Time » als exponent) gekenmerkt werd door een mix van pop, rock en een stevige dosis folk, stond opvolger ‘The First Days Of Spring’ (2009) bol van cinematografisch uitgedrukt gemis, verdriet en dramatiek. De aanvankelijke optimistische, lichtvoetige teksten en voortgebrachte klankkleur via onder meer akoestische gitaar, ukelele en handgeklap hadden daarbij plaats gemaakt voor een spaarzame elektrische gitaar, een weemoedig klinkend piano, strijkers en een zangkoor met daartussen de donkere vocalen van zanger/gitarist en tekstschrijver Charlie Fink.
De ommezwaai kwam er niet zozeer omwille van enig gebrek aan succes (het debuut was meteen goed voor een top 10 notering in eigen land) maar situeerde zich eerder op het gevoelsmatige. Want op dat vlak heeft Charlie Fink het de voorbije periode niet onder de markt gehad. Toen zijn broer, steun en toeverlaat Doug uit Noah And The Whale stapte om zich toe te leggen op een professionele loopbaan als arts maar vooral ingevolge het feit dat voorafgaand hieraan groepslid Laura Marling niet alleen voor een solocarrière opteerde maar daarbij ook een punt zette achter haar jarenlange relatie met Fink, bleef deze met een gebroken hart achter en kon hij dit enkel verwerken door alles van zich af te schrijven. Het muzikale werkstuk dat hieruit voortvloeide, was weliswaar prachtig (uw recensent van dienst plaatste dit trouwens bovenaan het lijstje van beste albums uit 2009) maar als we de groep vorig jaar in Frankrijk zagen concerteren, konden we ons niet van de indruk ontdoen dat ondanks de goede optredens, Fink zich afstandelijk opstelde en een zekere tristesse bleef uitstralen.
Maar kijk, amper een jaar verder blijkt op de nieuwe plaat optimisme de hoofdtoon te voeren. Dit wordt geëtaleerd in een uitgebreidere instrumentatie via o.m. het toevoegen van synthesizers en wat gospel (Jen Turner van Here We Go Magic en de Water Sisters die indertijd te horen waren op Michael Jackson’s « Wanna Be Startin’ Somethin’ » verzorgen onder meer de vocalen). Mede daardoor wordt ook een ander, meer gepolijst en radiovriendelijk geluid gecreëerd dat in de pers en bij de fans op gemengde gevoelens onthaald werd. Hoe dan ook, van het star vasthouden aan één enkele succesformule kan men Noah And The Whale niet beschuldigen en bovendien kan men niet om de knappe melodieën en het tekstschrijverschap van Fink heen.
Voor het eerst besloot Fink vanuit de derde persoon te schrijven en is ‘The Last Night On Earth’ minder autobiografisch te noemen. Het thema van de plaat is de onbegrensde mogelijkheid die de nacht biedt, alsook de opwinding en vrijheid om te veranderen en aldus een nieuwe persoon te worden.
Tekstueel worden daarbij « Bone Machine » van Tom Waits en « Berlin » en « New Sensations » van Lou Reed als invloeden naar voor gebracht en qua productie haalt Fink geregeld in interviews platen als ‘Before And After Science’ en ‘Another Green World’ van Brian Eno, ‘Calling Out Of Context’ van Arthur Russell en ‘Dirty Mind’ van Prince aan.
Dé referentie vormt evenwel het gedicht ‘The Laughing Heart’ van Charles Bukowski en de zin “Your life is your life, know it while you have it” in het bijzonder. Er wordt aangeraden te leven alsof het de laatste nacht op aarde is.
Vanaf de aanvang van hun concert afgelopen dinsdag in een uitverkochte AB Club, stond Noah And The Whale inderdaad te musiceren alsof het hun ultieme vertoning zou worden. Gezwind, vol overgave en bijzonder uitgelaten werden de nummers hoe divers ook van aard, gepresenteerd.
De sfeer op als voor het podium zat er meteen goed in met heel wat lachende gezichten. Dit werd tijdens het optreden onder meer onderstreept tijdens een opzwepende uitvoering van « Love Of An Orchestra » via samenzang, viool (bespeeld door Tom Hobden), piano (via Fred Abott) en gerichte drumslagen (van de 21-jarige nieuweling Michael Petulla) dat enthousiast door het publiek werd onthaald en het nummer via ritmisch handgeklap begeleidde.
De meeste groepsleden waren getooid in strakke pakken met dito das en leken hiermee het frivole en nieuwe nog extra in de verf te willen plaatsen. Dit werd nog aangewakkerd door de klankkleur van de recentste plaat live niet te behouden maar eerder te opteren voor een meer algemeen rockgetint geluid met daarbij enkele keyboards die niet zozeer prioritair maar wel complementair aangewend werden.
Waar bijvoorbeeld « Tonight’s The Kind Of Life », dat de volgende single zal worden, op de nieuwe plaat nog associaties oproept met Bob Seger of Tom Petty, leek de in de AB Club uitgevoerde versie meer te refereren aan Bruce Springsteen of op kleinere doch niet minder beminde schaal aan Steve Wynn.
Door de aanpak klonk de groep overwegend eerder Amerikaans dan Brits. Zonder haar eigenheid te verliezen, kon het swingende en melodieuze « Waiting For My Chance » van de hand van Wilco geweest zijn, « Rocks And Daggers » begon net als op de debuutplaat folky mede door de vioolpartij van Hobden maar mondde na enkele tempowisselingen uit in southern en countryrock die niet zou misstaan bij Drive-By Truckers (evenals het bijzonder snedige « Shape Of My Heart ») en « My Door Is Always Open » was dan mede door de slide van Fred Abott, een secuur bespeelde basgitaar door Matt ‘Urby Whale’ Owens en vooral de samenzang, in het fraaie straatje van The Low Anthem terug te vinden.
In het verlengde van laatstgenoemde nummer was er ook ruimte voor enkele fraaie rustige passages tijdens de zoals – een overigens spraakzame – Fink liet weten “Romantic section of the show”. Zo werd de akoestische gitaar bovengehaald en de lichten gedoofd bij het breekbare « I Have Nothing » en bij het prachtige « Wild Thing » werd met behulp van een vleugje elektronica, een Chris Isaak aandoend gitaarrifje en spanning brengende viool de warme voorzomerse bries die buiten heerste, muzikaal de zaal ingeblazen.
De reguliere set werd afgesloten met het indrukwekkende « The First Days Of Spring » dat via een paukenintro, viool en een aanvankelijk spaarzame doch crescendo gaande gitaar de zwaarmoedige sfeer van het gelijknamige album perfect naar voor bracht. Mede door een uitgesponnen outro leek zowaar postrock zich onderhuids de groep te willen nestelen.
Drie toegiften volgden nog. Vooreerst kwam er ons met het broze en ingetogen « Old Joy » een nieuw hoogtepunt ter ore om vervolgens plaats te maken voor de huidige single « L.I.F.E.G.O.E.S.O.N » - perfect op maat gemaakt voor het komende festivalseizoen - en het onvermijdelijke « 5 Years Time » dat ietwat te overhaast en enkele kleine slordigheden bevattende na 1u20’ een einde maakte een bijzonder aangenaam concert waarbij Noah And The Whale veel hechter en op alle vlakken pakkender uit de verf kwam dan bij hun passage vorig jaar.
In het voorprogramma stond niet de in eerste instantie aangekondigde Hannah Peel (die naar de Botanique verhuisde) maar wel het jonge Britse groepje Exlovers. In onze contreien nog vrij onbekend maar via hun combinatie van shoegaze en dreampop zijn muzikale gelijkenissen met pakweg Teenage Fanclub, Lush of The Pains Of Being Pure At Heart nooit ver weg. Mede door de samenzang tussen Peter Scott (zanger/gitarist) en Laurel Sills (zangeres/ keyboards) klonken nummers als « Silhouette », « Unlovable » en « Clouds » lieflijk terwijl de huidige single « Blowing Kisses » gekenmerkt werd door het snelle drumgeroffel van Brooke Rogers. Vernieuwend noch wereldschokkend maar een niet onaardige opener.
Setlist :
Give A Little Love, Blue Skies, Tonight’s The Kind Of Night, Give it All back, Love Of An Orchestra, Just Me Before We Met, Life Is Life, Jocasta, The Line, I Have Nothing, My Door Is Always Open, Wild Thing, Rocks And Daggers, Shape Of My Heart, Waiting For My Chance, The First Days Of Spring
Bis: Old joy, L.I.F.E.G.O.E.S.O.N., 5 Years Time
Organisatie: Ancienne Belgique, Brusse