logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic
Stereolab
Ollie Nollet

Ollie Nollet

The Ex - Drie meedogenloze gitaren in de frontlinie

Het werd een heel mooie avond in De Zwerver hoewel ik toch wat meer volk had verwacht voor een monument als The Ex. Maar de groep uit Amsterdam was natuurlijk al enkele keren met exact dezelfde show, waar geen millimeter van wordt afgeweken, in het land te zien geweest.
De zaal werd dan maar geruild voor de foyer en dat bleek de perfecte setting: The Ex klonk er intenser dan ooit.

Maar eerst zorgde Frankie Traandruppel voor een gesmaakt aperitief. Frankie Traandruppel (genoemd naar het nummer "Frankie Teardrop" van Suicide) is het alter ego van Lee Swinnen, nog steeds de zoon van Guy. Met de succesvolle groepen Tubelight en Double Veterans haalde Lee Swinnen in de jaren 2010 de Belgische garagerock mee uit het slop.
Na de coronaperiode volgde een drastische koerswijziging  en koos hij voor het slaapkamerproject  Frankie Traandruppel. In zijn eentje maakte hij ondertussen drie albums waarvan ‘Translation is key’ uit 2025 de meest recente is, naast een hele reeks singles en EP's.
Live laat hij zich bijstaan door bassist Bart Weyens (Statue) en drummer Noah Melis ( Bed Rugs, Borokov Borokov, Olden Yolk, Shy Dog en The Porn Bloopers).
Een nonchalant ogende Frankie Traandruppel opende zijn set meteen raak met "It's alright (now)", een single van enkele jaren geleden. Het deed me denken aan The Velvet Underground en dat zou die avond zeker niet de laatste keer zijn.
Met hun drieën brachten ze heerlijk loom rammelende garagerock/pop waarin ik af en toe ook de slackerrock van Pavement hoorde sluimeren. In het van de recentste plaat afkomstige ‘Pop’ leek dan weer de geest van The Beach Boys rond te waren. Een enkele keer werd het gaspedaal wat dieper ingedrukt maar het punky "Working retail" kon toch moeilijk tot de hoogtepunten gerekend worden.
Slotsong "Sad trip" hoorde daar duidelijk wel bij. Als de stelling waar ik vroeger sterk in geloofde - dat een groep staat of valt met de kwaliteit van hun traagste song - enige waarheid bevat, dan zit het meer dan goed voor Frankie Traandruppel.

 Vorig jaar zag ik The Ex nog op Les Nuits Botanique, waar ze zowel Mclusky als The Jesus Lizard het nakijken gaven. Daarvoor hadden ze niet eens een 'best of' nodig. Nee, ze speelden gewoon hun volledige pas uitgekomen plaat van begin tot eind.
Dat kunstje werd in De Zwerver nog eens overgedaan, waar opnieuw bleek hoe sterk ‘If your mirror breaks’ wel is. Deze muziek klinkt zo urgent dat een déjà vu gevoel geen kans krijgt.
Opnieuw werd het van de eerste tot de laatste seconde een feest voor wie houdt van punk, verrijkt met invloeden uit zowel noise, folk, etnische muziek als jazz.
De set werd geopend met "Beat beat drums", een explosie van ritmes met Bo Diddley als leidraad en waarin Terrie Hessels zijn aftandse gitaar te lijf ging met een drumvel. Terrie Hessels, de enige die er van bij het begin bij was en inmiddels de zeventig gepasseerd, dartelde nog steeds als een jong veulen over het podium. De tijd lijkt geen vat op hem te hebben en het aanstekelijke enthousiasme dat hij blijft uitstralen tref je zelfs bij jonge groepen zelden aan.
De rusteloze interactie tussen de drie gitaren was adembenemend. De bizarre, meedogenloos hamerende gitaren van Hessels en Andy Moor in combinatie met het wat conventionelere spel van Arnold de Boer, waarin af en toe wat Afrikaanse invloeden doorsijpelden, vormden een constante bron van vuurwerk. Opvallend daarbij was de afwezigheid van de gebruikelijke effectpedalen. The Ex blijft zweren bij het ambachtelijk creëren van geluidseffecten door de snaren op spectaculaire wijze met allerhande vreemde voorwerpen te manipuleren zoals ook Sonic Youth dat destijds deed. De zang van de Boer mocht dan al wat monotoon klinken, ze bleef mede dankzij de soms verrassende woordkeuzes een dwingende aanwezigheid.
Ten slotte was er nog Katherina Bornefeld, enigszins verscholen in het halfduister achteraan het podium, die met haar stuwende, non-conformistische drumspel de motor soepel draaiende hield. Toen ze haar drumstel even verliet om vooraan "Wheel" te zingen, leverde dat misschien niet het beste nummer van de avond op, maar het was haar van harte gegund en zorgde bovendien voor een welgekomen rustpunt.
Daarna ging het weer crescendo en raakte het publiek steeds meer in de ban, wat vooraan het podium leidde tot uitzinnige danstaferelen. Het kookpunt werd definitief bereikt met "Great", een toepasselijk getiteld en onontkoombaar anthem vol wervelende gitaren en drieste drums. Toen hield een dolenthousiaste Herr Seele het niet langer uit: hij stormde het podium op en hing zijn stropdas om de hals van Katherina Bornefeld.
Uiteraard kon een bisnummer in deze jubelstemming niet ontbreken. Eerst kregen we "The heart conductor", dat na lang aandringen gevolgd werd door "Soon all cities", twee nummers uit hun voorlaatste plaat ‘27 passports’.
Achteraf kon men zich nog vergapen aan een enorme merchandisetafel waarop minstens zestien verschillende platen uitgestald lagen.
The Ex lijkt momenteel werk te maken van een heruitgave van haar volledige catalogus op vinyl. Daardoor drong de vraag zich op waarom er geen nummers uit die heruitgebrachte platen op de setlist stonden. Jammer misschien, maar ook zonder die nummers bleef dit een imposante set. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 31 mei 2026 20:46

Surf Trash - Surf noch trash

Surf Trash - Surf noch trash 

De schrale zandgrond van de Kempen blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor rock-'n-roll. In de schaduw van het onvergankelijke Sjockfestival schieten garagepunkbandjes als paddenstoelen uit de grond.
Zo ook Itches uit Vorselaar dat in 2020 de wereld kwam verblijden met 'carapunk'. Ik zag ze een paar jaar geleden in het voorprogramma van River City Tanlines in The Pit's maar toen konden ze me nog niet helemaal over de streep trekken.
Nu leek de band alleen maar gegroeid. Met ‘House animal included’, tegelijk verschenen bij het Nederlandse Wap Shoo Wap Records en Belly Button Records, hadden ze bovendien een fraaie tweede plaat onder de arm.
Itches opende meteen met mijn favoriete nummer van die plaat, "Indians", waarin de geest van de vroege The Kinks rondwaart. De toon was meteen gezet. Wat volgde was een ceremonie, zoals zanger-gitarist Philippe Aguilar Peeters het verwoordde, van eigentijdse fuzzy garagepunk met onmiskenbaar diepe wortels in de sixties.
Korte, onafgewerkte garagerockdiamantjes die onverbiddelijk op de heupen mikten waarbij ik een tevreden grijns op mijn gezicht onmogelijk kon verbergen.
Met de (nieuwe) bassist Hendrik Vanden Berk (Koala Disco) en drummer Arno Sels (Mitraille) aan zijn zijde vond Peeters de perfecte balans tussen de primitieve garagepunk van de 'Back from the grave'-bandjes en de psychedelische fuzz van Ty Segall en consorten. Hoogtepunt was voor mij zonder twijfel het oudere "Blur vision" dat opgeleukt werd met een dubieuze metalsolo waarna alle remmen werden losgegooid in een psychedelische freak-out. Dit was eigenlijk de perfecte afsluiter geweest, want de twee resterende nummers daarna konden plots heel wat minder boeien. Dat neemt echter niet weg dat dit een geweldige set was.

Surf Trash is een groep uit het Australische Lake Macquarie die in 2017 werd opgericht door de broers Andrew (zang/drums) en Nick (bas) Scott. Verder bestaat de band uit de twee gitaristen Lachlan ‘Jacko’ Jackson en Patrick Russell. Hun debuut, "The only place I know", bereikte in 2024 de hoogste plaats in de Australian Aria Charts, de belangrijkste charts down under.
Surf Trash is eigenlijk een wat misleidende bandnaam. Met surf zoals we die kennen van Dick Dale of The Ventures had de groep weinig gemeen maar misschien belichaamden de bandleden zelf het stereotype van de Australische surfer. Van 'trash' was al helemaal geen sprake, gelikter kon het nauwelijks.
Na een vluchtige beluistering vooraf had ik wel het vermoeden dat dit eens kon tegenvallen, maar ik vertrouwde op de doorgaans betrouwbare keuzes van De Zwerver. Bovendien hoopte ik op een Babe Rainbow-effect, ook dat is een Australische band die me op plaat niet echt weet te overtuigen, maar die op Leffingeleuren al twee keer de sterren van de hemel speelde.
Surf Trash opende zijn set, die grotendeels bestond uit nieuwe nummers van hun binnenkort te verschijnen tweede plaat, met een van hun allereerste nummers: "Over my shoulder". Meteen werd de oorzaak duidelijk waarom dit me niet volledig wist mee te slepen: de zang.  Als zingende drummer begin je sowieso met een handicap: je zit achteraan op het podium en vanuit mijn positie was hij bovendien zowat tachtig procent van de tijd verborgen achter de rug van de bassist. Maar dat bleek niet eens het probleem. Het was simpelweg de zang zelf die me niet beviel. Andrew Scott klonk als een in galm gedrenkte, glad gepolijste versie van Tom Petty die bovendien geen boodschap had aan variatie. Een stem die geknipt leek voor grote stadions maar waar ik persoonlijk niet op zat te wachten.
De muziek dan maar? Daar had ik gelukkig minder problemen mee. Zorgeloze, zonovergoten gitaarrock waaraan ze zich nauwelijks een buil konden vallen. Surf Trash wordt meestal geklasseerd bij indie of alternatieve rock maar veel alternatiefs heb ik niet gehoord.
Eenmaal kwamen ze in de buurt van rock-'n-roll, tijdens het oudere "Wave M8", maar voor de rest bleef het bij veilige, zij het best genietbare, classic rock.
Toen bleek dat het applaus na het laatste nummer niet meteen oorverdovend zou worden, gooiden ze hun bis er meteen achteraan. "Friends" bleek zowaar een romantische uitsmijter mede dankzij de oproep van de bassist om je maat eens stevig vast te pakken of samen een dansje te wagen, een suggestie die minstens door twee meisjes werd opgevolgd. Die twee waren daar trouwens zeker niet alleen.
Tijdens de set van Surf Trash stond het vooraan plots vol jonge meisjes die me tijdens het voorprogramma niet waren opgevallen. Zij zullen hier ongetwijfeld met volle teugen van hebben genoten. Wie ben ik dan om te oordelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Automatic Lovers - Punk 'n roll uit Madrid

Keeper Volant uit Brussel werd aangekondigd als een punktrio maar veel punk heb ik niet gehoord en ze oogden al helemaal niet als een punkband. Dit zou ik eerder catalogiseren als vuile (pub) rock. Voor hun Franstalige nummers vonden ze inspiratie bij vooral vrouwen, auto's en voetbal.
Tijdens het nummer "Erling", ongetwijfeld een ode aan Erling Haaland, sterspeler van Manchester City, bleek de band ook een mondje Duits meester te zijn. Hoogstaand zal het niet geweest zijn en ook muzikaal bleef het een wat rommelige bric-à-brac. Soms klonk het als een zwijmelende Jacques Dutronc na een stevig nachtje stappen en dat mag gerust als een compliment worden opgevat. Ik hou wel van dit soort kaduke rock-'n-roll die elk ogenblik lijkt te kunnen ontsporen. Die slordige aanpak, gecombineerd met de weinig toonvaste zang van Samuel Durt deed me tijdens een traag nummer zelfs even denken aan Cheater Slicks, toch een van mijn favoriete groepen. Bassist Wilfrid Morin, met een sardonische grijns op het gezicht gebeiteld, deed er alles aan om de schwung erin te houden maar na een tijdje begon Keeper Volant toch tekenen van metaalmoeheid te vertonen.
In een te lange set werden de mooie momenten te vaak afgewisseld met onuitgewerkte probeersels. Met wat snoeiwerk had dit een boeiende set kunnen zijn, nu werd het vooral slepen richting eindmeet.

Het verschil met Automatic Lovers was immens. Hoewel de Madrilenen heel wat jonger waren, leken ze over tonnen meer ervaring te beschikken. Dit was pure dynamiet verpakt in strakke songs vol pakkende melodieën.
Het openingsnummer was de B-kant van hun debuutsingle: een cover van "Who cares if tomorrow never comes" van Kirk and The Jerks, een mij totaal onbekende groep uit Pennsylvania uit de jaren '80.
Daarna volgde zowat het volledige pas verschenen debuutalbum in exact dezelfde volgorde als op de plaat. Daarmee stonden meteen ook de enige twee covers en toevallig ook de beste nummers van die plaat, zonder het eigen werk tekort te willen doen, helemaal vooraan in de set.
Eerst "High degree", dat zo mogelijk nóg obscuurder was dan die eerste song. Het nummer verscheen in 1977 op de B-kant van de enige single, met op het hoesje in grote letters 'English rock 'n roll', die Next, een Britse groep die in het Franse Toulouse resideerde, ooit uitbracht. Het blijft me een raadsel hoe een stel jongelingen uit Madrid hier ooit op is uitgekomen maar het is verdomd een fantastische song. Het nummer wordt op gang geknald met een uitgesproken Chuck Berry-lick waarna het ergens tussen Dr. Feelgood en The Flamin' Groovies voortdendert.
De tweede cover klonk een stuk vertrouwder: "Pushin' too hard" in de versie van The Vibrators, die het op hun beurt haalden bij de Amerikaanse sixties oergarageband The Seeds. Automatic Lovers lijken trouwens iets te hebben met The Vibrators, want hun groepsnaam haalden ze naar alle waarschijnlijkheid ook bij een single van die Britse punkband uit de jaren zeventig.
Britse seventiespunk, gemixt met Amerikaanse garagepunk, vormde het recept voor hun van rauwe energie barstende sound.
De bijzonder snedige gitarist Arthurr Crash (né Arturo Rodriguez) absorbeerde subtiel invloeden uit andere genres waarbij soms een zweem Angus Young opdook.
Zanger Passedout Kid had een gemene snauw die aanvankelijk nauwelijks hoorbaar was maar dat werd gelukkig snel rechtgezet. Een geboren frontman van wie ik vermoed dat hij nogal wat jonge meisjesharten wat sneller kan doen slaan. Deze keer stond wel wat vrouwvolk vooraan, al waren het eerder dames van rijpere leeftijd maar dansen deden ze in ieder geval vol overgave.
Ondertussen hielden bassist Whisky David en drummer Juan Sinovas het tempo ongenadig hoog.
Tijdens het eindoffensief dook de zanger, terwijl zijn lijf parelde van het zweet, het publiek in, waarna de gemoederen met een Spaanstalig nummer nog verder werden verhit.
Na die zinderende finale sloot Auromatic Lovers stijlvol af met een instrumentale outro die duidelijk schatplichtig leek aan "Purple Haze" van Jimi Hendrix.
Het was weer al een tijdje geleden dat een jonge debuterende band me nog zo bij de kladden greep.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Local Punkheroes - The Spanks - Tijdloze garagerock vol passie

Rock-'n-roll brengt een mens nog eens ergens. Zoals in een godvergeten gat als Schuiferskapelle, deelgemeente van Tielt. Dirty Pik, voorman van The Dirty Scums, organiseert er af en toe, wanneer het hem uitkomt, een festivalletje in zaal Club 77. De release (de 31ste!) van de nieuwe Dirty Scums cd, ‘Before we die!’, vormde de perfecte aanleiding om nog eens enkele lokale punkgroepen op te trommelen.

De eerste twee bands liet ik aan me voorbijgaan en dat had ik met de derde groep net zo goed kunnen doen. Street Rock Rebels uit Maldegem bracht streetpunk, een variant van oi!, en dat is niet meteen het soort punk waar ik warm van loop. Maar met bassist UxJx - alias Jan Vandekerckhove, bekend van onder meer Liar en Congress - had de groep toch een prominent figuur in de rangen, wat mijn interesse wekte.
Hoewel het niet echt mijn ding was, kon ik deze simpele, strak gebrachte, meebrulbare punk best wat smaken. Soms kreeg ik wel de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren, iets wat bij "Ghosts & demons" zelfs letterlijk gebeurde. Daar viel nog mee te leven, in tegenstelling tot het oeverloze gezwam tussen de nummers door van Fred Van Opstal, die nochtans als zanger niet onverdienstelijk was, maar met zijn geleuter alle geloofwaardigheid te grabbel gooide.

Daarna liep het zaaltje plots helemaal vol voor The Dirty Scums, de langst onafgebroken spelende punkband van België en wellicht zelfs van West-Europa. Zanger-gitarist Dirty Pik, drummer Dirty Zjantie en bassist Dirty Keez werden als helden onthaald en de sfeer zat er meteen goed in.
Ik keek er wat verweesd naar want de gammele punk van de Tieltse sterren wist me nooit echt te raken. Nieuwe nummers als "Debbie Harry" leken kant noch wal te raken terwijl ik de oudere nummers vroeger zeker al beter gehoord had. Toen de groep de carnavaleske toer opging met nummers als "Rit'n zat te skit'n" en "Bob De Brouwer" haakte ik helemaal af. Ik had toch veel meer verwacht van een groep die al 45 jaar actief is.

Dat smaken verschillen werd duidelijk toen meer dan de helft van het publiek al vertrokken was voordat The Spanks aan hun set begonnen. Vooral de diehard punkers waren met de noorderzon verdwenen. The Spanks zijn dan ook geen punkband.
De groep uit Merchtem zag in 1984 het levenslicht nadat zanger Rik Tielemans en gitarist Jan Van Den Bergh The Nomads aan het werk hadden gezien. Samen met The Paranoiacs en The Mudgang vormden ze het hart van de toen bloeiende Belgische garagerockscene. The Spanks maakten drie albums waarvan ‘In your face’ uit 1990, verscheen op het befaamde Get Hip Records, het label van Gregg Kostelich, gitarist van The Cynics.
In 1992 houden ze er noodgedwongen mee op nadat de gitarist voor zijn job naar Madrid verhuist. Nadat zanger Rik Tielemans ernstig ziek wordt en bassist Willy Annaert sterft, lijkt het einde definitief. Maar wanneer Jan Van Den Bergh terugkeert uit Spanje, worden The Spanks in 2022 nieuw leven ingeblazen. Naast Van Den Bergh maakten ook drummer van het eerste uur Bart Teugels en de nieuwkomers Mike Du Bois (zang) en Willy Douterloigne (bas) hun opwachting.
The Spanks namen een wat aarzelende start en "Keep on hidin'" klonk zelfs wat braaf, al kan een half leeggelopen zaal die indruk versterkt hebben. Heel wild werd het nooit, maar gaandeweg werd het vuur toch steeds meer opgepookt. Wat kon ik mijn hart ophalen aan die met zorg gekozen covers van obscure nummers uit lang vervlogen tijden: "Good guys don't wear white" van The Standells, "Night of the phantom" van Larry & The Blue Notes, "Picture my face" van Teenage Head, "Dateless night" van Allen Page with The Deltones, "Long gone" van The Customs.
Tussen al dat moois verbleekten de eigen nummers zeker niet. Integendeel, "Baby please come back", de gloednieuwe single die net zo goed in de sixties gemaakt had kunnen zijn, zou zeker niet misstaan in dat rijtje. De bevlogen zang en de immer smaakvolle gitaar zorgden voor pretentieloze, tijdloze garagerock die me steeds meer in haar ban kreeg. Zeker toen klassiekers als "Strychnine" van The Sonics en "You're gonna miss me" van The 13th Floor Elevators de zaal in werden gevuurd.
Een enkele keer sloegen ze wat mij betreft toch de bal mis. "(What's so funny 'bout) peace, love and understanding" van Nick Lowe vind ik best een aardig nummer maar het aangemeten garagejasje zat niet echt als gegoten.
Ondanks het fel uitgedunde publiek en het feit dat ze eerder die avond al een set in Gent hadden gespeeld, maakten The Spanks nog tijd voor een uitgebreide bisronde met drie songs die voor eeuwig in mijn denkbeeldige jukebox gestationeerd blijven.
Nadat Mike Du Bois tevergeefs naar zijn mondharmonica had gezocht volgde alsnog een excellente cover van "It's all over now, baby blue" van Bob Dylan, die me deed denken aan de versie van Thee Cha Cha Chas, het duo uit Melbourne, van enkele jaren geleden.
Om het feest compleet te maken volgden nog "Have love will travel" van Richard Berry, vooral bekend in de versie van The Sonics, en "Teenage kicks" van The Undertones. Misschien wat veel covers, maar garagerockbands hebben eigenlijk nooit anders gedaan.
Met een energieke set waar de passie van afdroop, bewezen The Spanks dat ze er weer helemaal staan.

Organisatie: The Dirty Scums

Bella and The Bizarre - Tussen camp en elementaire rock-'n-roll
Bella and The Bizarre + Straight Shooter

Tributebands? Daar loop ik normaal in een grote boog omheen maar voor Straight Shooter maak ik graag een uitzondering. Je kunt iemand die een eerbetoon aan Greg Cartwright brengt moeilijk van plat opportunisme verdenken, want de man blijft bij het grote publiek nog steeds een nobele onbekende.
Straight Shooter is het geesteskind van Steven Gillis, die zijn sporen verdiende bij onder meer Fifty Foot Combo, Thee Andrew Surfers en Blackup. Verder bestond de bezetting uit gitarist Felix Gillis (zijn zoon) en bassiste Stella Lemmens, beiden actief bij Thee Deadly Comments, en drummer Lion De Clerck die we kennen van Harvesters en Leopard Skull.
Het Gentse kwartet opende de set met een viertal nummers van Reigning Sound waarbij ik meteen antwoord kreeg op mijn grootste vraag vooraf: "Zou de stem van Steven Gillis wel geschikt zijn voor dit project?". Ja dus, want ze kwam verrassend dicht in de buurt van die van Greg Cartwright en dan was het natuurlijk dubbel zo jammer dat de vocals zo diep in de mix verdwenen. Ook de fijne tweede stem van Stella Lemmens was nauwelijks hoorbaar. Gelukkig was dit het enige minpunt en heb ik verder niets dan lof.
Er werd bijzonder strak gespeeld. Geen geleuter tussen de nummers die elkaar in een razend tempo opvolgden. Het werd uiteraard een feest van herkenning met niets dan parels: "Straight Shooter", "We repel each other" en "Reptile style" van Reigning Sound; "The way I feel about you" van Compulsive Gamblers en "Mary Lou" (oorspronkelijk van Young Jessie) van Oblivians waren er maar enkele van.
Even moest ik me toch achter de oren krabben toen ik plots "Hey Sailor" van The Detroit Cobras hoorde. Maar al snel begon het me te dagen: Greg Cartwright speelde ooit een blauwe maandag bij The Detroit Cobras. Op zich heeft hij niets te maken met deze cover van "Hey Sah-Lo-Ney" van Mickey Lee Lane, maar het blijft een fantastisch nummer en het was wel Greg Cartwright die de dood van Detroit Cobras-zangeres Rachel Nagy in 2022 wereldkundig maakte.
De knap opgebouwde set mondde uit in een zinderende finale met eerst drie Oblivians nummers,  "Part of your plan", "Big black hole" en "Bad man", gevolgd door "You got me hummin'" van Reigning Sound.
Kon Straight Shooter tippen aan het origineel? Dat niet, maar wie de nummers niet kende, werd zonder twijfel omver geblazen door deze compromisloze garagerock. En nu de inspiratie van Greg Cartwright, die zich tegenwoordig wegcijfert in andermans groepen (Laundry Bats en het dodelijk saaie The Hypos), lijkt te zijn opgedroogd is dit een welgekomen alternatief.

Bella Khan is de dochter van de stilaan legendarische King Khan, die in The Pit's enkele onvergetelijke passages op zijn naam heeft staan. Ik zag haar eerder enkele nummers zingen bij een concert van haar vader maar verder was dit voor mij compleet nieuw. The Bizarre bestond uit een gitariste, een bassiste en een drummer terwijl Bella zelf ook gitaar speelde. De Berlijnse zangeres verscheen in een opzichtige lange jas en het vervolg liet zich raden.
Na enkele nummers werd het te warm en moest de jas plaats ruimen voor een luchtigere outfit. Bella kwam zeker wat gecultiveerder dan vaderlief voor de dag, al leek haar broek zo uit de garderobe van King Khan te komen, die er ongetwijfeld nog de schaar in zou zetten. Het openingsnummer dreef op bekoorlijke grooves van jaren '60-meidengroepen waarna werd overgeschakeld naar stevige elementaire rock-'n-roll.
Met "Wo bleibst du?" probeerde Bella het zelfs even in het Duits, iets wat ik al lang niet meer gehoord had. Het durfde soms wat rommelig te klinken maar de soulvolle, gepassioneerde zang maakte veel goed.
Naarmate de set vorderde zakte het tempo en nam het campgehalte toe. Soms balancerend op het randje maar het bleef steeds genietbaar. Iemand maakte de vergelijking met Tav Falco's Panther Burns en daar had hij beslist een punt: diezelfde zwijmelende camp die er net niet over ging.
Het theatrale werd allerminst geschuwd, zo schoof Bella even haar gitaar opzij om zich over te geven aan een soort slangendans.
Voor de twee bissen werd het tempo opnieuw opgeschroefd met nummers die het midden hielden tussen punk en exotica.
Tijdens de slotsong droeg Bella, zelf juwelenontwerpster, een prachtige juwelensluier die naadloos aansloot bij haar Oosterse roots.
Toen ik na afloop de setlist kon inkijken viel me nog iets vreemds op. Van de debuutplaat uit 2024 op In The Red Records was geen spoor te bekennen. "Delusions", de tweede single, bleek het enige gekende nummer.
De rest bestond waarschijnlijk uit materiaal van de nieuwe plaat die er zit aan te komen. En dat zou mits wat schaafwerk best wel eens een mooie kunnen worden.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

Thee Vibrafingers - Met fuzz doordrenkte garage rock-'n-roll

Met Thee Vibrafingers en Oil City Band had de boEgie woEgie een mooie double bill op de agenda maar die spatte jammer genoeg uiteen toen die laatste groep in laatste instantie om medische redenen moest afzeggen. En laat Oil City Band nu net de band zijn waar ik het hardst naar uitkeek.

Gelukkig hadden Thee Vibrafingers genoeg referenties om me toch uit mijn kot te lokken. Deze Franse groep uit Tours bestaat intussen al meer dan dertig jaar en haalde destijds haar inspiratie bij uit het juiste hout gesneden groepen als The Cramps, Teengenerate, Oblivians en The Stooges. Erg productief waren ze niet. Slechts vier albums brachten ze uit, maar dat volstond ruimschoots om hun kontobsessie te etaleren met titels als "Play in your ass!" en "Back from your ass!".
Hun recentste plaat verscheen vorig jaar en heet dan weer ‘Don't push me, asshole!!!’.
Hoogstaande poëzie hoefden we dus niet meteen te verwachten, rock-'n-roll des te meer. Gehuld in witte smokingjasjes en getooid met Afropruiken betraden de vier het podium waarna zanger Vinz meteen al zijn duivels ontbond. Hoewel hij toch niet meer van de jongsten is, stuiterde hij als een waanzinnige in het rond, zich van niemand of niets iets aantrekkend. Terwijl hij over het podium rolde of door het publiek scheerde, serveerde de rest van het orkest met fuzz doordrenkte garagepunk.
De rammelende lo-fi rock-'n-roll, gebracht met het nodige enthousiasme, had eigenlijk alles in zich om er een memorabel feestje van te maken. Toch leek er iets te ontbreken om dat helemaal waar te maken. Bij momenten klonk het toch wat te braaf en dat was vooral te wijten aan de stem van Vinz. Die klonk wat zwak en toen hij het op een schreeuwen zette, was hij vaak nauwelijks nog hoorbaar. Stemproblemen of gewoon een slechte microfoon? Wat ook niet bepaald meehielp, was de wel erg bescheiden opkomst. Desondanks wisten Thee Vibrafingers een spetterende finale uit de brand te slepen. Die begon met het Franstalige "Baba", gevolgd door een overtuigende cover van "Do you wanna know" van The Kids (gaat er altijd in!) die eindigde met een tuimelperte over de monitor van Vinz.
Uiteindelijk werd er afgesloten met publieksfavoriet "Put your finger in your ass", een nummer uit hun allereerste plaat en het sein voor Vinz om met een enorme rubberen middelvinger het publiek in te duiken waarbij ik toch iets verdachts tussen de billen voelde.

Organisatie: boEgie woEgie, Menen

Michelle David & The True-Tones - Souldiva zonder kapsones

De laatste plaat van Michelle David & The True-Tones, ‘Soul woman’, klinkt me net iets te gesofisticeerd om echt te bekoren maar hun stevige livereputatie kon me toch verleiden om naar Les 4 Écluses af te zakken. Daar speelden ze al mijn twijfels genadeloos van tafel. En alsof dat nog niet volstond kregen we vooraf nog een tweede revelatie gepresenteerd, Moïra.

Moïra verwijst naar de Griekse godin van het lot maar blijkt tevens een erg populaire groepsnaam. Maar vanaf nu zal ik de naam Moïra vooral associëren met een kwartet uit Lille. Hoewel de groep enkel de digitale single, "Butterfly effect", heeft uitgebracht, maakte ze live een opvallend mature indruk.
Moïra bewoog zich in het schemergebied tussen jazz en rock en kon daarbij rekenen op de sensuele uitstraling van frontvrouw Maï. Haar soepele, soulvolle zang deed voortdurend aan Amy Winehouse denken en daar is absoluut niets mis mee.
Wat verder opviel, was het ontbreken van de alomtegenwoordige elektronica en de keuze voor louter ambachtelijke instrumenten. De bassist en de drummer leken zo uit een jazzcombo geplukt terwijl de gitarist wat meer rock georiënteerd was en niet vies bleek van een toefje psychedelica.
Het echte uithangbord bleef evenwel de gracieuze zangeres die een enkele keer ook de keys bespeelde.
Moïra toonde zich een veelzijdige groep door zowel stevig als fijnbesnaard uit de hoek te komen. Knap!

Michelle David (°1966) groeide op in New York waar ze vanaf haar vierde in de kerk zong. Nauwelijks een jaar later maakte ze al deel uit van een eerste groep, The Mission Of Love. Daarna was ze vooral actief in musicals en studiosessies. In 1994 verhuisde ze naar Nederland, waar ze in de buurt van Amsterdam woont. Sinds 2015 heeft ze er ook een Nederlandse groep, The Gospel Sessions, die in 2022 werd omgedoopt tot The True-Tones. Dit jaar verscheen haar achtste plaat met die band: ‘Gospel woman’, een goed excuus om nog eens de hort op te gaan.
Michelle David bleek een gedrongen verschijning die zich meteen ontpopte tot een souldiva, maar dan wel eentje zonder kapsones. Ik was meteen in de ban van haar warme stem die ze af en toe rauw liet uithalen en steeds oprecht klonk.
Haar Nederlandse begeleiders, alle drie keurig in het pak, oogden misschien wat droog, muzikaal bleken ze van onschatbare waarde.
Michelle David opende de set met "Brothers and sisters", titeltrack van haar voorlaatste plaat. Klassieke uptempo soul, energiek gebracht met twee gitaren en zonder bas; pas na enkele nummers ruilde Onno Smit zijn gitaar voor een basgitaar.
"Speak to me", dat zo een hit van Diana Ross & The Supremes had kunnen zijn, klonk wat ruwer dan op plaat, mede doordat David een deel enkel begeleid door de drums van Bas Bouma zong.
Onmiddellijk daarna kreeg diezelfde Bouma tijdens "You are" zijn solospot, waarin hij zijn talenten ongehinderd mocht botvieren. Het werd een erg gevarieerde set inclusief twee schitterende gospelsongs ("Peace" en "I thank you"), waarvoor de muzikanten even gingen zitten. Voor mij was "If you don't try", dat de rauwe energie van James Brown bezat, het absolute hoogtepunt. Met "More grace" waagde David zich dan weer aan een streep hitsige funk.
Maar er was niet alleen die fenomenale stem, die soms aan Candi Staton herinnerde, ook de gitaar van Paul W. Willemsen klonk al even verbazingwekkend. Zeker geen krachtpatserij, maar vooral de met zorg gekozen klankkleuren, niet zelden met vintage rock-'n-roll tinten, spraken tot de verbeelding.

Dit was één van die optredens waarin zowat alles klopte en de songs stuk voor stuk de plaatversies overtroffen. Slechts één keer lukte dat niet: "When all is said and done" klonk me toch iets te glad. Maar dat bleek uiteindelijk een te verwaarlozen detail in een grandioze set waarin Michelle David het publiek in extase wist te brengen.
Dat publiek mocht tijdens de bis, "Yeah yeah yeah", nog een keer massaal meebrullen, waarna het voldaan en uitgeput huiswaarts kon trekken.

Organisatie: Les 4 Écluses, Dunkerque

Cat Clyde - Frisse kijk op traditionele muziekvormen

De Zwerver nodigt niet zo vaak singer-songwriters uit, maar wanneer dat wel gebeurt, worden die met zorg geselecteerd en blijken het meestal artiesten van een uitzonderlijk kaliber. Zo staat het optreden van Kassi Valazza, vorig jaar ook in het café, nog steeds op mijn netvlies gebrand. Na haar verbluffende set op Leffingeleuren 2024 leek het erop dat we met Cat Clyde een concert van hetzelfde niveau mochten verwachten.

Tijdens de twee Belgische haltes van de tour (De Roma en De Zwerver) mocht de Brusselse Maya Teklal het voorprogramma verzorgen en dat leek me een logische keuze. Zoals zoveel anderen begon Maya Teklal tijdens de lockdown met het schrijven van songs. Als grootste invloeden noemt ze Haley Heynderickx en de haast onvermijdelijke Adrianne Lenker. Dat leverde eigentijdse indiefolk op waarin af en toe een zweem van de klassieke seventies singer-songwriters opdook.
Maya Teklal bracht een reeks sterke nummers waarvan het broze "Mother song" en het met heerlijke hoge ooh-oohs opgesmukte "Ocean" me het meest zijn bijgebleven. De sobere begeleiding bleef beperkt tot haar akoestische gitaar, aangevuld met een tweede gitarist die afwisselend akoestisch en elektrisch speelde.
Vooral op elektrische gitaar liet die laatste zich opmerken met enkele fraaie accenten. Helaas konden we die nauwelijks horen en leek het alsof hij Teklal vooral niet wou storen. Gelukkig bleef die hemelse, bijzonder wendbare stem me de hele set verbazen.
Maya Teklal ontpopte zich tot een aangename verrassing van wie ik hoop haar ooit met een volledige band terug te zien.

Cat Clyde, die Métis-roots heeft, groeide op in de landelijke omgeving van de Canadese provincie Ontario, waar ze momenteel nog steeds in Stratford woont. Haar eerste podiumervaring doet ze op bij The Big Wheels, een band, opgericht door een plaatselijke muziekwinkel, die het niet verder schopt dan enkele optredens op braderieën maar wel de kiem zaait. Later volgde nog een surfpunkgroepje, The Shitbats, waarna ze in 2017 solo debuteerde met het album ‘Ivory castanets’.
Dit jaar verscheen haar zesde studioplaat, ‘Mud blood bone’, een album dat nu al lijkt te solliciteren naar een plek in  de eindejaarslijstjes.
Na een instrumentaal opwarmertje van de band begon Cat Clyde haar set met "Where's my love", tevens het openingsnummer van die laatste plaat, die ze zo goed als volledig zou spelen. Tweede song was "My love", een cover van de Marty Robbins-hit uit 1960, waarbij ik me afvroeg hoe ze ertoe komt zo'n oud nummer te coveren en het zelfs boven het origineel te laten uitstijgen. Het was meteen een treffend voorbeeld van wat Cat Clyde zo uniek maakt: haar frisse kijk op traditionele muziekstijlen als blues, soul, folk, jazz en zelfs rock-'n-roll. Die interesse in dat brede scala aan stijlen is misschien niet zo verwonderlijk als je weet dat ze op haar dertiende gitaar leerde spelen aan de hand van de akkoorden van Leadbelly en Robert Johnson.
De muzikanten van de plaat waren er niet bij. Ze liet zich begeleiden door een tourband bestaande uit bassist Frank Styles, drummer Danny Jerome en gitarist Laurence Hammerton. Drie competente muzikanten, elk een boerensjaaltje om de hals geknoopt, die wat in de schaduw bleven van hun nochtans niet bijster grote werkgeefster.
Clyde bleef alle aandacht opeisen met haar indrukwekkende, soepele stem, doordrenkt van een heerlijke twang, en haar onnavolgbare mimiek. Het leek wel alsof ze voor elke zinsnede een andere gelaatsuitdrukking had. Die verongelijkte blikken tijdens het rockabilly-achtige "Man's World", waarin ze het heeft over het zich verweren tegen een door mannen gedomineerde wereld, waren onweerstaanbaar.
Het werd een set met louter hoogtepunten, al sprong "Dark back" er toch nog uit: zwevende countryfolk met borstelende drums die aan Gillian Welch deed denken. Ze had eerder al vermeld dat ze jarig was, maar toen de drummer haar een gebakje met een kaarsje aanbood kon een door het hele café voluit meegezongen "Happy Birthday" niet uitblijven.
Cat Clyde bleek een onvervalst natuurtalent dat met haar rauwe, levendige zang en begeesterende songs alle harten voor zich won. Na een sensationele set kwam ze nog één keer terug voor een ingetogen soloversie van "The river", afkomstig van haar tweede plaat uit 2019. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Sick Thoughts - Strakke en verrassend melodieuze punk

Dit was pas mijn eerste optreden dit jaar in The Pit's, maar het was er meteen eentje die kon tellen.

De eerste band was Sick Pack, nog maar eens een nieuwe telg uit de wijdvertakte Antwerpse undergroundscene. De prijs voor de meest originele naam zullen ze niet winnen want er bestaan al groepen met die naam in zowel de VS als Rusland. Maar dat ze hun naamgenoten het nakijken zullen geven, daar twijfel ik geen seconde aan.
Ik herkende meteen de gitarist, Brent Pauwels, die me onlangs nog bijzonder aangenaam verraste als zanger-gitarist van Bront, in het voorprogramma van Psychedelic Porn Crumpets in De Zwerver. Hier liet hij de zang over aan Kevin Schuit, de helft van het synthpunk duo Badtime. Om het helemaal tot een supergroep te maken schoof Dennis Van Hoof van Mitraille aan als bassist.
Deze drie muzikanten, elk met een heel uiteenlopende achtergrond, bleken samen een verrassend geslaagde symbiose te vormen. Strakke psychrock voorzien van een onontkoombare drive gebracht met een gezonde punkattitude.
Het trio boetseerde een verbazingwekkend krachtige sound waarin de licht psychedelische gitaar van Brent Pauwels op een heel creatieve manier haar weg vond. Het deed een paar keer denken aan Osees in hun betere dagen en liet allerminst vermoeden dat het hier om een pas opgerichte band ging.
Knappe set die doet uitkijken naar een eerste plaat!

Sick Thoughts is de groep, met voortdurend wisselende muzikanten, van multi-instrumentalist Drew Owen, opgegroeid in Baltimore maar intussen reeds geruime tijd gesetteld in New Orleans. In 2016 was de band al eens te gast in The Pit's maar uit mijn notities blijkt dat dit toen geen onverdeeld succes was. Owen hypothekeerde het optreden toen door niet bepaald nuchter achter het drumstel te kruipen. Ditmaal leek hij niet onder invloed en had hij bovendien een drummer bij zich, wat als frontman een stuk handiger is.
Naast die drummer zagen we nog een gitarist en een bassist terwijl hij zelf ook gitaar speelde. De telkens met een 'one, two, one, two, three, four' gelanceerde nummers bleken stuk voor stuk pareltjes die verrassend melodieus en helder klonken.
De door sommige bronnen voorspelde chaos bleef uit en Owen bleef het strak en transparant houden. Dit was heerlijke punk die gulzig putte uit glamrock, hardcore, garagerock, hardrock en powerpop.
Ook nuchter bleek Owen niet bepaald de aangenaamste kerel, zo bleek toen hij na een gebroken snaar onbehouwen om een andere gitaar vroeg. Gelukkig wist de bassist de aandacht te verleggen door wat te dollen met het basloopje van "White rabbit".
Enkele tellen later had hij dan toch lovende woorden voor The Pit's: hij vond het hier beter dan in Luik en Gent, waar hij eerder had gespeeld. Dat had vermoedelijk alles te maken met de weliswaar wat laat gevormde, maar daarom niet minder intense moshpit.
Drew Owen wordt vaak vergeleken met Jay Reatard, met wie hij dat nukkige karakter gemeen heeft, iets waar ik me in kan vinden, al vind ik hem net iets toegankelijker dan de overleden held uit Memphis.
Hij slaagde er in The Pit's trouwens in wat op zijn platen niet lijkt te lukken: van de eerste tot de laatste noot boeien. Dat was uiteraard mede te danken aan de drie uitstekende muzikanten die hij meebracht.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

dinsdag 21 april 2026 09:28

Unsane - Louterende furie

Unsane - Louterende furie

Met Unsane en Kowloon Walled City haalde Les 4 Écluses twee groepen, die ook op de affiche van Roadburn in Tilburg blinken, in huis en dan weet je wel hoe laat het is: oordopjes worden geen overbodige luxe.
… Hoewel dat bij de eerste band eigenlijk best meeviel. Kowloon Walled City komt uit het Californische Oakland en ontleent zijn intrigerende naam aan een extreem dichtbevolkte enclave in Hongkong, die oorspronkelijk een Chinees fort was. De groep is sinds 2017 actief en heeft vier platen uitgebracht, waarvan de laatste twee op Neurot Recordings, het label van Neurosis. Dat schiep toch enige verwachtingen maar die werden toch niet volledig ingelost.
Kowloon Walled City nam een vreemde start. Het leek wel alsof de twee gitaristen en de bassist zonder duidelijke lijn hun zuinige snaaraanslagen kozen. Toen de drummer eindelijk inviel ontstond er dan toch een bevreemdende sound die zich ergens tussen noiserock en doommetal situeerde. Vrolijk werd je er niet van. Dit klonk somber, kaal en verwrongen. Soms leek het zelfs alsof je drie basgitaren hoorde. Als één van de gitaren zich dan toch even aan hogere noten waagde, was het alsof een eenzaam zonnestraaltje door de zwaar bewolkte hemel priemde.
Kommer en kwel leek ons deel maar het had wel iets. Jammer dat de monotoon declamerende zang van Scott Evans wat kracht miste. De groep koos meermaals voor een hard/zacht-dynamiek maar slaagde er, in de zachtere passages, niet in de spanning op te bouwen. Die klonken eerder saai en stuurloos.
Kowloon Walled City deed er alles aan om iets geheel eigens te creëren, maar struikelde daarbij net te vaak om van een revelatie te kunnen spreken.

Unsane, noiserockpioniers uit New York en bekend om zijn bloederige platenhoezen, bestaat inmiddels bijna 40 jaar. Niet evident want de groep kende de nodige tegenslagen. Zo stierf drummer Charlie Ondras in '92 aan een overdosis heroïne en werd zanger Chris Spencer in '98 door vier man aangevallen na een concert in Wenen, met inwendige bloedingen en een zware operatie als gevolg. Maar de groep krabbelde telkens weer overeind tot Spencer er in 2019 de stekker uittrok om een nieuwe band, Human Impact, te beginnen.
Maar zijn liefde voor Unsane liet hem niet los en amper twee jaar later blies hij de groep, met een nieuwe drummer en  bassist, nieuw leven in. Negen jaar na hun vorige passage stonden ze opnieuw in Les 4 Écluses.
Een nieuwe plaat om voor te stellen, zoals toen met ‘Sterilize’, nog steeds hun meest recente werk, was er dit keer niet. De focus lag op het oudere materiaal en vooral op ‘Occupational hazard’, een plaat uit 1998 die dit jaar een geremasterde versie kreeg. Niet dat dit veel verschil maakte want Unsane moet het vooral van energie hebben.
Chris Spencer is een man van weinig woorden, maar eerst moest hem nog een welgemeend ‘Fuck Trump!’ van het hart vooraleer de hel kon losbarsten. En of die losbarstte! Het zat er meteen bovenarms op met de mokerende drums van Jon Syverson, de middenrif splijtende bas van Eric Cooper en de ongenadig kervende gitaar van Chris Spencer. De oerschreeuw vol opgekropte woede van Spencer, die nog niets aan kracht heeft ingeboet, maakte het plaatje compleet. Hij schreeuwde zich letterlijk de longen uit het lijf of althans de inhoud ervan. Rochels en snot spatten kwistig in het rond. De korte nummers, die je telkens de adem benamen, werden strak, beenhard en luid gebracht.
Dit was onophoudelijk beuken tot iedereen murw was. Chris Spencer leek er ongelooflijk veel zin in te hebben en kon het blijkbaar goed vinden met zijn nieuwe groepsleden. Hij botste voortdurend tegen de bassist aan en vond tegelijk de tijd om de drummer op te jutten. En ondertussen bleef zijn gitaarspel vrij indrukwekkend klinken. Grappig hoe hij zijn gitaar telkens leek uit te wringen wanneer hij een laatste noot liet vibreren.
Hoogtepunten zoeken in een set met zo'n constant hoog niveau voelt wat zinloos aan. Toch sprongen er voor mij enkele nummers wat uit. "This plan" door die verzengende slide, "Scrape" en "Empty cartridge" omdat die staan op ‘Scattered, Smothered & Covered’, de plaat uit 1995 die me liet kennismaken met Unsane.
Na een verwoestend intense set volgde nog één bisnummer, "Only pain", waarna ik de zaal met een gelouterde geest verliet

Organisatie: Les 4 Écluses, Dunkerque

Pagina 1 van 26