logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Stereolab
Suede 12-03-26
Ollie Nollet

Ollie Nollet

zaterdag 08 augustus 2026 15:13

Gee Tee + Clamm - Punk in twee gedaantes

Gee Tee + Clamm - Punk in twee gedaantes

Een verrassend hoge opkomst voor twee groepen, Gee Tee en Clamm, die toch niet bepaald bekendstaan als grote publiekstrekkers. Nu was deze affiche met twee groepen uit de bloeiende Australische punkscene, waarvan de wegen toevallig in Diksmuide kruisten, een mooie double bill.
Maar anderzijds was het ook gewoon een weekdag, met temperaturen die eerder uitnodigden om de voeten onder tafel te schuiven op een zonnig terrasje. Dat er dan toch zoveel volk de weg vond naar een donkere concertzaal sterkt mijn overtuiging dat er nog altijd behoefte is aan echte, levende muziek.

Telkens ik Clamm, een trio uit Naarm/ Melbourne, zie, hebben ze een andere bassist bij. De eerste keer, op Leffingeleuren in 2022, was Maisie Everett de bassiste, die toen al Luke Scott verving. Toen Everett definitief voor de Belair Lip Bombs koos, werd zij op haar beurt vervangen door Stella Rennex.
Maar toen ik de band in 2023 in De Kreun zag, werd haar plaats ingenomen door Alan Jones. Dit keer was Stella Rennex er wel bij en, toeval of niet, raakte ik, na die eerder teleurstellende passage in De Kreun, opnieuw helemaal in de ban van Clamm. Hoewel ik moet toegeven dat het even zijn tijd nodig had.
Clamm is nu niet meteen de feestband die je vanaf de eerste noten omver blaast maar gaandeweg raakte ik toch steeds meer gebiologeerd door hun intrigerende muziek. De set werd aangesneden met het nagelnieuwe "Swept up", een traag en onheilspellend nummer waarin zanger-gitarist Jack Summers de lyrics monotoon opdreunde. Echt punk kon je het niet noemen en dat gold eigenlijk voor de hele set, die voornamelijk putte uit de laatste plaat, ‘Serious acts’ en het voor oktober aangekondigde ‘And in glue’. Wat was het dan wel? Gemakshalve etiketteer ik het dan maar als postpunk, wat nogal grijs klinkt terwijl Clamm dat allerminst was. De eerlijke nummers werden met de nodige boosheid gebracht en pittig gekruid met een gitaar die niet zelden als stoorzender fungeerde. Vooral die dissonante gitaar bleef fascineren, wat het des te onbegrijpelijker maakte dat ze aanvankelijk zo ver in de mix zat.
Af en toe liet Jack Summers de snaren voor wat ze waren en tikte hij met een mij onbekend plastic voorwerp op de reeds flink gehavende body van zijn instrument. Gelukkig bracht de immer heerlijke bas van Stella Rennex wat melodische verlichting in de chaos. Samen met de voortreffelijk roffelende Miles Harding vormde ze een stevig houvast in de overstuurde herrie.
Het was precies die unieke combinatie van rauwe, onvoorspelbare energie en verfijnde melodische kracht die Clamm opnieuw onweerstaanbaar maakte.

Dat we met Gee Tee, een vijftal uit Sydney, ander vlees in de (punk)kuip hadden, werd meteen duidelijk. Waar bij Clamm de danslustigen pas tijdens de laatste nummers uit hun sloffen schoten, barstte de moshpit hier al tijdens de eerste noten van het openingsnummer, "Man to Ape", los.
Gee Tee wist in 2022 hun album ‘Goodnight Neanderthal’ uit te brengen op het Amerikaanse Goner Records, het label uit Memphis dat nog steeds hoog staat aangeschreven in underground kringen. Dat schept verwachtingen.
Dat hun volgende plaat ‘Prehistoric chrome’, een soort compilatie met nummers uit een bijna vergeten verleden én de verre toekomst, bij het veel bescheidener Nailbiter Records verscheen, kon daar niets aan veranderen.
Die verwachtingen werden vorig jaar al ruimschoots ingelost op Leffingeleuren en ook nu stelde het bonte gezelschap niet teleur. Zanger Kel Mason liep er in zijn wollen vestje en met een over zijn hoofd getrokken skimuts bij als een bultenaar uit een of andere fantasyfilm. Erg genuanceerd klonk zijn snauwende zang niet, maar dat kon de pret niet drukken.
Naast hem ontworstelde Ishka Edmeades, ook gekend als Tee Vee Repairmann, de ene na de andere pretentieloze maar daarom niet minder aanstekelijke lick aan zijn gitaar. De derde spilfiguur in de band is zonder twijfel Michael Barker, die we ook kennen van 1-800 Mickey. Zijn altijd gesmaakte gitaarbijdragen wisselde hij af met het wel erg doordringend geluid van een speelgoedorgeltje. Dat laatste klonk zeker goedkoop net als de nummers zelf trouwens, die nooit boven de twee minuten afklokten.
Nee, ingenieuze composities hebben we niet gehoord, maar sinds de Ramones weten we dat dat eigenlijk niet hoeft.
Gee Tee toonden zich meesters in lofi punk - eggpunk, zo je wil - waarin instinct het altijd haalde van perfectie. Nummers als "Pigs in the pit", "Mutate 2 Survive" of "Grease Rot Chemical" klonken steeds ruw en ongepolijst en vormden zo de perfecte brandstof voor een almaar uitzinniger wordende moshpit.
Meer moest dat eigenlijk niet zijn.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Soledad Brothers - Alsof ze nooit zijn weggeweest ...

Soledad Brothers zag in 1998 het levenslicht in Maumee, een stadje vlakbij Toledo in de Amerikaanse staat Ohio. De groepsnaam is ontleend aan de Soledad Brothers: drie veroordeelde leden van de militante Black Panther Party die opgesloten zaten in de Soledad-gevangenis in Californië.
Soledad Brothers bestond uit zanger-gitarist Johnny Walker, drummer Ben Swank (beiden afkomstig uit Henry And June) en saxofonist-gitarist Brian Olive, die eerder deel uitmaakte van The Greenhornes. Hun titelloze debuut uit 2000 werd geproduceerd door Jack White. Ook Meg White, die destijds een relatie had met Brian Olive, werd in de credits vermeld. De samenwerking was wederzijds: Johnny Walker speelde op enkele nummers van het debuutalbum van The White Stripes, terwijl hij Jack White naar verluidt slidegitaar leerde spelen.
Toch bouwden de Soledad Brothers vooral live een stevige reputatie op, waarvan ik talloze keren getuige was. Even leek een doorbraak in de maak. De derde plaat, ‘Voice Of Treason’, verscheen bij majorlabel, Polydor, waarna de band plots mocht aantreden op grote festivals als Cactus, Dour en Pukkelpop. Het sprookje kwam evenwel abrupt ten einde, amper enkele weken na het verschijnen van het vierde album, ‘The Hardest Walk’, in 2006.
Johnny Walker probeerde het nadien nog met Cut In The Hill Gang en All-Seeing Eyes, dat nog steeds actief is, maar geen van beide bands kon tippen aan de Soledad Brothers. Brian Olive bracht in 2009 nog een soloalbum uit, terwijl Ben Swank samen met Jack White en Ben Blackwell, drummer bij The Dirtbombs, Third Man Records oprichtte.

Na een eerdere mislukte poging wist Johnny Walker de Soledad Brothers dit jaar dan toch opnieuw bij elkaar te fluiten. Er volgde een korte tournee door Engeland en Frankrijk met gelukkig ook één Belgisch optreden, dankzij de alerte concertorganisator 4AD.
De Soledad Brothers hadden een loodzware rit achter de rug vanuit het Bretoense Binic, waar ze hadden opgetreden op het befaamde Binic Folks Blues Festival. Maar eenmaal op het podium was van vermoeidheid nauwelijks iets te merken. Een zichtbaar ouder geworden en wat zwaardere Johnny Walker vloog er meteen weer met dezelfde passie als vroeger in. Zijn danspasjes waren misschien wat stroever, maar het vuur was allerminst gedoofd. Ook Brian Olive, op wie de jaren nauwelijks vat leken te hebben gehad, had er duidelijk schik in. Drummer Ben Swank leek van zijn kant soms op de toppen van zijn tenen te moeten lopen en had blijkbaar wat last van die twintig jaar inactiviteit.
Een setlist was er niet maar de meeste nummers herkende ik meteen, hoewel het al vele jaren geleden was dat ik nog een Soledad Brothers-plaat had opgelegd. Het begon meteen straf met "Handle song", een nummer van hun debuutalbum, misschien wel hun beste plaat, die tijdens het optreden ruim aan bod kwam.
Al heel vroeg in de set losten ze "Cage That Tiger", een uiterst catchy nummer dat in een rechtvaardigere wereld altijd een hit zou zijn geworden. De Soledad Brothers slaagden er als geen ander in de blues te laten swingen. Objectief bekeken kun je dit als bluesrock bestempelen. Maar dit stond mijlenver af van wat andere groepen uit dit inmiddels wat beschimmeld genre brengen. Garageblues dekt de lading wellicht beter maar schiet nog altijd tekort om die verbazingwekkende, genre-overstijgende souplesse, die de band altijd heeft gehad, te vatten.
Intussen bleven ze de parels aaneenrijgen: "Teenage heart attack", "Jack on fire", een eerste The Gun Club cover, en lovesong "Rock me slow" waarin Johnny Walker kazoo leek te spelen zonder er een in handen te hebben.
Of wat te denken van de bijzonder aanstekelijke, volledig hertimmerde versie van Big Joe Williams' "Break 'Em On Down", die tegelijk woest en wendbaar klonk.
Voor de laatste drie nummers ruilde Brian Olive zijn gitaar in voor een saxofoon, het startschot voor een zinderende finale die begon met een door furieuze saxstoten opgejaagd "Goin' Back To Memphis". Daarop volgde "Gimmie Back My Wig" van Hound Dog Taylor, een nummer dat ik de laatste tijd opvallend vaak heb gehoord, vooral in de versie van GA-20, die het op elk optreden speelt. Maar deze heerlijke uitvoering, met saxofoon, moest zeker niet onderdoen voor de nijdige gitaarinterpretatie van de band uit Boston.
De Soledad Brothers sloten af met een van hun allereerste nummers: "Gospel according to John" dat ontaardde in een orgie van feedback.
Lang moesten we niet om een bis schreeuwen, want Ben Swank vertikte het om van het podium te stappen en bleef gewoon achter zijn drumstel zitten. Niet getreurd want het toetje bleek weergaloos: een met withete gitaren gelardeerde versie van "Preachin' The Blues (Up Jumped The Devil)" van Robert Johnson, gebracht in de furieuze interpretatie van The Gun Club.
Een spetterend orgelpunt van een magnifieke set waarin de Soledad Brothers bewezen dat ze na een hiatus van twintig jaar niets aan frisheid hadden ingeboet. Ware het niet dat mijn knieën hun beste tijd hebben gehad, ik zou het team van de 4AD ervoor op blote knieën bedanken. 

Organisatie: 4ad, Diksmuide

donderdag 23 juli 2026 21:59

Cosmic Psychos - No-nonsense pubpunkrock

Cosmic Psychos - No-nonsense pubpunkrock

Het was toch even schrikken toen ik in Kortrijk aankwam want ik kon al van ver de muziek horen bonken. Het festijn was duidelijk al volop aan de gang. Nadat ik me niet zonder enige moeite naar binnen had gewrongen kon ik tot mijn grote opluchting vaststellen dat niet Cosmic Psychos verantwoordelijk was voor de geluidsterreur.
Wat klonk dit ontieglijk luid! Nadat mijn oren zich enigszins aan het volume hadden aangepast, hoorde ik een bijzonder hechte sound met een ongelooflijk strakke drive. Vertwijfeld begon ik me af te vragen wie ik hier eigenlijk voor me had.

Ik had geen weet van een voorprogramma, maar de heren van Cosmic Psychos waren blijkbaar zo galant er zelf eentje mee te brengen. Het bleek te gaan om Lunatic, een kwartet oudere jongeren uit Melbourne met drie platen op het conto.
Centraal vooraan op het podium stond een bijzonder gevaarlijk ogende bassist, iemand die zonder auditie een rol in een horrorfilm zou krijgen. Met zijn staalharde tronie leek hij het lachen al jaren verleerd. Gelukkig zagen de kompanen van Liam Kennealy, - zo bleek de man te heten - er een pak minder angstaanjagend uit. De mannen brachten fuzzgedreven rock met een bulldozergehalte dat niet moest onderdoen voor dat van Cosmic Psychos. Vooral de ineenstrengelende gitaren van zanger Pugs Lyngcoln en Dick Straight sloegen voortdurend gensters waar ik maar geen genoeg van kon krijgen. Dat de zang wat minder uit de verf kwam nam ik er graag bij. Hoewel ze me voldoende murw gebeukt hadden, vond ik het toch jammer dat ik hun entree had gemist.

Hoewel ik Cosmic Psychos eerder dit jaar in een propvolle De Casino in Sint-Niklaas (capaciteit: 650) had gezien, wilde ik ze absoluut nog eens terugzien in The Pit's.
Lees gerust Cosmic Psychos - Compromisloze bulldozerpunk
Als een band met die faam zelf vraagt om nog eens in dat punkhol genaamd The Pit's (capaciteit: 80) te mogen spelen, dan wil ik daar maar al te graag bij zijn. Zevenentwintig jaar geleden stonden ze er voor het eerst op het podium en volgens zanger-bassist Ross Knight was er sindsdien niets veranderd, iets wat hij alleen maar goed vond. Wij ook, trouwens. Sinds drummer Dean Muller na een schouderoperatie de band verliet, is Cosmic Psychos feitelijk een duo. Aanvankelijk nam BC van Dune Rats zijn plaats in maar sinds deze tour wordt die rol vervuld door Dan Peters, een oude vriend van Ross Knight. Peters was heel even drummer bij Nirvana voordat Dave Grohl zijn plaats overnam en drumt al sinds de oprichting bij Mudhoney. Veel verschil in stijl met BC was er niet, al klonk Dan Peters misschien net iets speelser.
Voor de rest bleef alles bij het oude met een setlist die op twee nummers na - "Custom Credit" en "Back In Town" - niet afweek van die in De Casino.
No-nonsense pubpunkrock zonder enige concessies die uiteraard perfect tot zijn recht kwam in The Pit's. Urgent is het misschien niet meer maar het blijft een zorgvuldig te koesteren relikwie. En het blijft altijd even leuk om mee te maken. Hoe gitarist Mad Macka tijdens het traditionele slotnummer "David Lee Roth" zijn Marcelleke uittrekt om zijn indrukwekkende bierpens op en neer te laten deinen, blijft onbetaalbaar.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Raut Oak Fest 2026 - Festival met het mooiste podiumdecor
Raut Oak Fest 2026
2026-07-10 t-m 2026-07-12
Riegsee (Beieren)

… Als we de divorce-party van organisator Christian, waarop ook een band optrad en waarmee alles begon, buiten beschouwing laten, was dit de elfde editie van Raut Oak Fest. Meteen ook de tiende keer dat James Leg afzakte naar het Beierse Riegsee, dat deel uitmaakt van de Landkreis Garmisch-Partenkirchen, vooral bekend van het schansspringen op nieuwjaarsdag. De Duitse organisatoren wisten James Leg immers te strikken op het Deep Blues Festival in Clarksdale (Mississippi) met de belofte dat hij voortaan op elke editie van hun festival welkom zou zijn. Die belofte werd nagekomen en mocht uiteraard gevierd worden. Maar daarover later meer.
Raut Oak Fest is een DIY-festival zonder sponsors die de beste undergroundbands uit de blues, garagerock, psychedelica en aanverwante genres naar zijn feeërieke locatie weet te lokken. Een podium met de monumentale Alpen als decor: daar raak je nooit op uitgekeken. Het weer bleek geen spelbreker: de gevreesde hitte bleef grotendeels uit. En als het dan toch te warm werd kon men steeds verkoeling zoeken onder de imposante eik in het midden van de festivalweide.

vrijdag 10 juli 2026
Gewalt, een trio uit Berlijn, mocht de spits afbijten. Zanger-gitarist Patrick Wagner vertelde dat hij zichzelf ooit beloofd had nooit bij daglicht te spelen maar dat hij voor Raut Oak met plezier - en inmiddels al voor de tweede keer - een uitzondering maakte. Of zijn electro noise-rock in het duister echt beter tot zijn recht zou komen, valt nog maar te bezien. Het visuele plaatje - Wagner geflankeerd door twee bevallige dames op gitaar en bas - mocht er zeker zijn, maar de muziek werd te vaak gebruuskeerd door 'industrial' geweld om me uit de schaduw van de eik te lokken, terwijl de drumcomputer het afstandelijk gevoel alleen maar versterkte.

Karkara, een trio uit Toulouse, wist me een stuk meer te bekoren. Karkara mag dan in het Tunesisch voor punks of slackers staan, muzikaal leek het trio zich toch in een andere wereld te bevinden. Zanger Karim Rihani, gehuld in een Daniel Johnston-t-shirt, liet tijdens de instrumentale opener meteen horen dat hij een begenadigd gitarist is. Dit was werkelijk begeesterende psychedelica. Van zodra de zang erbij kwam boog het geluid langzaam richting stoner. En dat bleek niet altijd een even gelukkige keuze. Maar de drive bleef onverminderd aanwezig, terwijl de sporadische Moog-interventies van Hugo Olive best wel smaakvol waren. Jammer dat de nummers wat te lang werden uitgesponnen - typisch stoner, zeker? - maar tijdens de subtielere passages was Karkara zeker meer dan genietbaar.

pôt-pot, zonder hoofdletter geschreven, is een Iers-Portugees quintet dat zich gretig wentelt in de psychedelica. Het leek een onwaarschijnlijke combinatie maar het werkte wonderwel. En er waren nog meer onwaarschijnlijkheden. Zo bespeelde Elaine Malone het harmonium, een instrument dat me nogal onhandig lijkt en waarvan de klank al snel zou kunnen gaan vervelen. Zo niet hier: het nestelde zich gracieus in de stuwende krautrockgrooves. Instrumentaal was deze hypnotiserende psychedelica werkelijk weergaloos, maar helaas wist de zang dat niveau nooit te evenaren. Vooral toen drummer Mark Waldron-Hyden zijn lyrics afstandelijk begon te declameren, verdween de magie. Toch bleef dit een mooie set en kan ik hun debuut "Warsaw 480km", gemasterd door de alomtegenwoordige Mickey Young, aanbevelen.

Aanvankelijk stond Sjock 50 op de planning en was ik absoluut niet van plan om naar Riegsee af te zakken. Tot ik plots Daughter of the Vine in de line-up van Raut Oak zag opduiken. Die naam alleen volstond om me te doen besluiten de trip van 950 km naar Riegsee te maken. Veel keuze had ik trouwens niet: dit was hun enige optreden in Europa. Heel wat wenkbrauwengefrons opgemerkt toen ik dit aan vrienden probeerde uit te leggen. Ook op het festival zelf leek niemand deze band uit Cambridge, Massachusetts te kennen, behalve Christian van Raut Oak, die hen speciaal voor de gelegenheid liet overvliegen. Toch prijkte hun debuut "Mystic Valley PKWY" helemaal bovenaan mijn eindejaarslijstje van 2024. Daughter of the Vine is de nieuwe band van Margaret Garrett, frontvrouw van het onsterfelijke Mr. Airplane Man. De overige groepsleden zijn zanger-gitarist Gregory Porter (The Concerns), bassist Chris Lohring en drummer Kurt Davis (The Konks en in een ver verleden ooit zanger bij Bullet LaVolta).
Met die nieuwe groep kiest Margaret resoluut voor de psychedelica, maar voor wie haar soloalbum "Live at the Charles River Museum of Industry" heeft gehoord komt die keuze allerminst uit de lucht komt vallen.
Daughter of the Vine begon meteen met een van hun beste nummers: "Camera", afkomstig van de EP "Sonic Projection", die helaas alleen digitaal verkrijgbaar is. De bedwelmende gitaren en zoemende bas creëerden een hypnotiserende groove die me naar een transcendente wereld voerde. De angelieke zang van Margaret versterkte dat gevoel alleen maar. Soms wat zweverig maar met net genoeg ballen om mijn rock-'n-rollhart niet te schofferen. Niets dan hoogtepunten, maar toch wil ik er twee uitlichten. "Cosmic eye" met heerlijk repetitieve gitaren die een paar keer loos mochten gaan, en "Meant to be high", dat eindigde in een uitbundig gezongen "Glory, glory (Lay My Burden Down)". Plots werd ik echter bruusk uit mijn trance gewekt toen de stroom uitviel. Kurt Davis bleef nog minutenlang doordrummen, terwijl Margaret van de gelegenheid gebruik maakte om wat te mediteren.
Na een vrij lange stroompanne kon de band uiteindelijk toch nog afsluiten met het stevige "Object/Actor". Hoewel ik hier mateloos van genoten had, bleef ik toch met het gevoel zitten dat dit beter tot zijn recht zou komen in de intimiteit van een kleine club.

Dat we met Daughter Of The Vine het beste van Raut Oak '26 hadden gezien leek toen al buiten elke discussie te staan. Maar die mening moest ik meteen herzien, want The Schizophonics speelden alle concurrentie op een hoopje. Wat een explosie van energie! Het trio uit San Diego kwam zo mogelijk nog wilder voor de dag dan een week eerder in de 4AD. In een wervelende set, die heel toepasselijk begon met Rufus Thomas' "Tiger Man", werden meteen alle remmen losgegooid. De onwaarschijnlijke capriolen van frontman Pat Beers trokken het publiek als een magneet naar voren, waarna hij zich roekeloos in de menigte wierp en eigenhandig een moshpit ontketende. De voortdurend buitelende en onvermoeibaar in de spagaat duikende Beers leek de ultieme belichaming van rock-'n-roll. Achter hem hadden drumster Lety Beers en bassiste Sarah Linton duidelijk de tijd van hun leven terwijl ze de motor van de onstuitbare drive vormden. De ongebruikelijke mix van authentieke rock-'n-roll en vuige Detroit-protopunk, gekruid met een vleugje Jimi Hendrix en wat soulinvloeden, was simpelweg onweerstaanbaar. Achteraf bleek Pat Beers de minzaamheid zelve. Breed lachend poseerde hij geduldig met zowat iedereen voor een selfie.

Pretty Lightning, een duo uit het Duitse Saarbrücken wist me in 2020 aangenaam te verrassen met "Jangle Bowls", een album waarop broeierige zuiderse blues en psychedelische rock elkaar moeiteloos vinden. Intussen is er een derde man aan boord gehesen en is ook muzikaal het een en ander veranderd. De laatste plaat, "Night wobble", die ze hier kwamen voorstellen is volledig instrumentaal en heeft nog maar weinig gemeen met de plaat waarmee ik hen leerde kennen. De podiumopstelling, waarbij bassist en gitarist op een stoel vlak voor het drumstel tegenover elkaar zaten en elkaar in de ogen keken, zorgde voor een intieme sfeer. Ook muzikaal hielden ze het intiem maar hun stoffige mix van spaghettiwestern scores en trippy psychedelica zorgde voor net iets te weinig rimpelingen. Dit was niet het Pretty Lightning waar ik naar had uitgekeken.

zaterdag 11 juli 2026
De keuze voor The Jackson Pollock als bandnaam leek me toch iets te prestigieus. De manier waarop het duo uit Bologna muziek maakt vertoont misschien gelijkenissen met de werkwijze van de Amerikaanse kunstschilder, het eindresultaat allerminst. Veelbelovend aangekondigd als rauw en luid. Dat was het zeker, maar ook erg rudimentair en onbeholpen. Drumster Emily oogde niet alleen spectaculair, ze klonk ook zo. Haar zang daarentegen klonk schril en weinig toonvast. Dat hoefde op zich geen hinderpaal te zijn, gitarist Davide bleek dat helaas wel. Voortdurend met zijn rug naar het publiek gekeerd bleef hij zielloos op zijn gitaar rammen. Ik hou absoluut van primitieve muziek maar ook daar zijn grenzen aan.

Het was nog vroeg op de middag, maar met The Reverend Beat-Man & Milan Slick uit het Zwitserse Bern kende Raut Oak op zaterdag al een eerste hoogtepunt. De koning van de bluestrash, die al sinds 1986 de podia teistert, heeft in Milan Slick een jonge zielsverwant gevonden. Het bleek een gouden combinatie en ik meen zelfs dat ik The Beat-Man nooit eerder zo sterk bezig zag. Net als de Reverend zelf combineerde Milan Slick drums met gitaar, die hij te gepasten tijde inruilde voor een orgel. Milan, die met zijn gitaar uitgebreid tussen het publiek zwierf, tilde met zijn interventies de primitieve blues naar een hoger plan. De Reverend brulde zijn als vanouds provocerende lyrics met een bijzonder rauwe strot, waarmee hij een enkele keer zelfs in de buurt van de Tuvaanse keelzang kwam. Daarbij mocht een sneer naar de AfD niet ontbreken. Hoewel hij even van zijn stoeltje donderde bewees Reverend Beat-Man dankzij Milan Slick een nieuwe adem te hebben gevonden.

Hoewel ik hun net verschenen nieuwe plaat "Van Jams Vol.1" wat vind tegenvallen, heb ik met volle teugen genoten van The Hooten Hallers. Het trio uit Columbia, Missouri maakte zich er gelukkig niet van af met een voorstelling van die nieuwe plaat, maar putte uit een mooie selectie van hun inmiddels zeven albums tellende repertoire. De set werd feestelijk geopend met "Life during wartime" van Talking Heads, een cover die ze zich moeiteloos eigen maakten. The Hooten Hallers toonden eigenlijk twee gezichten. Wanneer gitarist John Randall de zang voor zijn rekening nam, bevond de band zich op een vreemd kruispunt tussen glamrock en rootsrock. Terwijl de falset van drummer Andy Rehm de groep feilloos richting soul loodste, zoals bleek uit zijn schitterende cover van "The Rubberband Man" van The Spinners. Maar het geheime wapen van The Hooten Hallers blijft de baritonsaxofoon van Kellie Everett. Zij zorgt ervoor dat de groep net iets unieker klinkt dan het legioen aan rootsrock- en americanabands.

En dan werd het tijd voor een terugkerend fenomeen op Raut Oak: James Leg, organ grinder from Chattanooga, Tennessee! Dit was al de tiende keer dat hij er mocht optreden en dat mocht zeker niet onopgemerkt voorbijgaan. Maar eerst bracht hij nog een gewone set. Al is 'gewoon' bij James Leg natuurlijk een relatief begrip. De man schreeuwde naar goede gewoonte weer de ziel uit zijn lijf met een stem die ondanks die immense rasp steeds soulvoller lijkt te klinken. Daarbij haalde hij vingervlug uit op zijn overstuurde Fender Rhodes, terwijl pompende bastoetsen voor een onweerstaanbare groove zorgden. Het uitermate explosieve drumwerk van Marlon Saquet uit Straatsburg vormde de kers op de taart van dit begeesterende spektakel. Die onwaarschijnlijke mix van gospel, soul, blues en rock-'n-roll blijft zonder meer uniek, terwijl ook de stilaan vertrouwde covers, "A forest" (The Cure) en "Can't stop thinking about it" (The Dirtbombs), tot de verbeelding blijven spreken. Met de stralende zon intussen pal in het gezicht sloot James Leg een alweer beklijvende set af met de ultieme Black Diamond Heavies-song "Fever in my blood".
Mooi, al begin ik stilaan wel te snakken naar nieuw werk. Achteraf beloofde hij nogmaals werk te zullen maken van een nieuwe plaat. Ik ben benieuwd of er eindelijk eens iets van in huis zal komen.

Kosten noch moeite werden gespaard om de tiende passage van James Leg op Raut Oak de nodige glans te geven. Voor deze bijzondere gelegenheid werd een unieke set in elkaar gesleuteld, 'James Leg & Special Guests', met enkele gastartiesten die speciaal hiervoor naar Riegsee afreisden. Het oogde vooraf behoorlijk indrukwekkend, maar veel vertrouwen had ik er toch niet in. De ervaring leert me dat dit soort toestanden maar al te vaak verzanden in oeverloze, vervelende jams. Maar dat gebeurde hier nu eens niet: van de eerste tot de laatste seconde bleef het genieten geblazen. James Leg liet zich duidelijk geen tweede keer verrassen door de zon en verscheen dit keer gewapend met hoed en zonnebril op het podium.
De eerste gasten waren Catl., een duo uit Toronto bestaande uit Jamie Fleming (gitaar, zang) en Sarah Kirkpatrick (drums, zang). Zij brachten bijzonder energieke garageblues die, in combinatie met het bezielde pianospel van James Leg, me meermaals deed denken aan "Exile on Main St.", het onaantastbare meesterwerk van The Rolling Stones. De vergelijking lijkt misschien hoog gegrepen maar wat Catl. hier neerpootte, soms met wat extra steun van Andrew 'Bonneville' McGibbon (gitaar) en CW Ayon (mondharmonica), zorgde voortdurend voor gensters. Daarna mochten The Hooten Hallers, die eerder op de dag met hun eigen set al behoorlijk wat indruk hadden gemaakt, opdraven.
Het trio stelde zich volledig ten dienste van James Leg en blies daarbij twee lang niet meer gehoorde Black Diamond Heavies-nummers nieuw leven in. Onze jubilaris haalde vocaal nog eens alles uit de kast tijdens het stemmige "Bidin' my time" en het uitzinnige "Take a ride", oorspronkelijk van T-Model Ford.
Dat ook The Bonnevilles van de partij waren mag geen verrassing heten. Het duo uit Belfast steekt zijn bewondering voor James Leg immers niet onder stoelen of banken. Gitarist Andrew McGibbon en drummer Chris McMullan, beiden in een onberispelijk wit hemd, vlogen er zoals verwacht dolenthousiast in. Samen met een zichtbaar genietende James Leg en een zich bescheiden opstellende Pedro De Dios, gitarist van Guadalupe Plata, ramden ze zich door een reeks behoorlijk beukende nummers. The Bonnevilles brachten elektriserende garageblues met een hoog punkgehalte: het Noord-Ierse antwoord op Left Lane Cruiser als het ware. Deze uitputtingsslag eindigde uiteindelijk met iedereen samen op het podium, met uitzondering van een paar drummers die het veld moesten ruimen voor Marlon Saquet. Veel finesse hoefde je van zo'n bende niet te verwachten, maar het door James Leg gebrulde "Fire and Brimstone" (Link Wray) bleek een fraaie apotheose van deze feestelijke set.

Na dat intense geweld had ik even moeite om me op te laden voor de volgende band. Die band was Guadalupe Plata, een duo uit het Andalusische Úbedo met zes titelloze platen op het actief. Een gevestigde waarde bovendien, die hier al verschillende keren mocht aantreden. Zanger-gitarist Pedro De Dios en drummer Carlos Jimena gaven de blues een geheel eigen invulling. Rauw en onconventioneel, maar tegelijk ook ingetogen met wat psych- en surfinvloeden. Hierbij kregen ze soms de hulp van een tweede zanger, nauwelijks zichtbaar vanuit mijn positie, die met zijn bijdrage een vleugje flamenco toevoegde. Bekendste nummer was zonder twijfel de traditional "El cóndor pasa". Soms dreigde het wat te veel te gaan kabbelen maar gelukkig werd die grens nooit echt overschreden.

Intussen was het middernacht en weigerden mijn leden verder dienst, waardoor ik Katharr, een instrumentaal duo uit München, miste.

zondag 12 juli 2026
Zondagmiddag raakte ik verzeild in een diepgaand gesprek met de artiest voor wie ik naar Riegsee was gekomen, waardoor ik de eerste groep miste. Nochtans had ik Dead Wolf, een trio uit het Duitse Rosenheim, met dikke stift aangekruist. Helaas heb ik hun optreden enkel op de achtergrond gehoord. Hun muziek wordt omschreven als heavy garage blues maar ik hoorde toch vooral de rauwe, primitieve blues die in de jaren negentig op Fat Possum furore maakte. En laat dat nu net de blues zijn waar ik het meest op verlekkerd ben. Ik kan dan ook alleen maar hopen dat Dead Wolf ooit nog eens in mijn contreien optreedt

Er was op zondag met onder meer CW Ayon, die twee jaar geleden nog zijn kat stuurde, heel wat blues te beleven. CW Ayon, die voor de helft Cherokee-bloed door de aderen heeft stromen, komt uit Las Cruces, New Mexico. Hij leerde gitaar spelen van zijn vrouw, een geschoolde muzikante, en nadat hij wat had aangemodderd in verschillende bandjes, trekt hij als one-man-band de wereld rond. Zichzelf begeleidend op gitaar en drums bracht hij een ontwapenende vorm van blues die zo uit de Fat Possum-catalogus had kunnen komen. Mooi, maar na een tijdje loerde de eenvormigheid toch om de hoek. Gelukkig dook gitarist Ben Todd van Lonesome Shack plots op, wat die pijn enigszins verzachtte.

The Hobknobs Is het nieuwe bandje van Arie van Vliet, voormalig frontman bij het Rotterdamse Lewsberg, een groep die ik echt wel kon smaken. Dit keer probeert hij het als duo, samen met zangeres Yaël Dekker van The Klittens uit Amsterdam. Op Raut Oak kregen ze evenwel versterking van bassiste Katja Kahana, eveneens afkomstig van The Klittens. Van Vliet heeft het juk van The Velvet Underground, waarmee Lewsberg voortdurend werd vergeleken, van zich afgeworpen. Dit klonk beduidend lichter en balanceerde ergens tussen Young Marble Giants en The Moldy Peaches. De wat afstandelijke praatzang van van Vliet contrasteerde fel met de zonnigere keelgeluiden van Dekker, maar het werkte wonderwel. De muziek leek soms kinderlijk eenvoudig en dat gold evenzeer voor de manier waarop ze gebracht werd. Zo stond de percussie op afzonderlijke cassettes, die na elk nummer moesten worden verwisseld. Ondanks die minimalistische aanpak bezweek ik voor de wankele charme van The Hobknobs en ik was zeker niet de enige want de band werd tot tweemaal toe teruggeroepen.

De leden van Lonesome Shack komen uit alle windstreken van de VS: Californië, New York en Seattle, zo vertelde zanger-gitarist Ben Todd. Dat hij zelf tegenwoordig in Londen woont, vergat hij gemakshalve. Todd ontpopte zich als een meesterlijke fingerpicker terwijl drummer Kristian Garrard en bassist Luke Bergman met evenveel klasse hun rol vervulden. Lonesome Shack joeg eerst de volledige nieuwe plaat "The Dance" erdoor, vooraleer zich aan het oudere werk te wagen. Niet dat dat veel uitmaakte, want veel verschil tussen oud en nieuw was er niet. Ben Todd klonk nog steeds als een veredelde versie van Junior Kimbrough, en dat is zeker niet pejoratief bedoeld. Hij mist wat van de rauwheid van die oude bluesheld maar zijn vreemde verfijning kan evenzeer hypnotiserend werken. Toch vond ik het een schitterende set, al had wat meer variatie zeker geen kwaad gekund.

Het was het tweede jaar op rij dat The Dharma Chain, een Australisch kwartet dat Byron Bay achter zich liet voor Berlijn, op Raut Oak te gast was. Dat zal wellicht geen toeval zijn, want de band viel duidelijk in de smaak bij het publiek. Op Bandcamp wordt hun muziek omschreven als een mix van shoegaze, postpunk en garagerock. Ik hoorde vooral psychrock en neo-psychedelica met af en toe zelfs een vleugje jaren '70 spacerock. De omfloerste zang van Amanda McGrath riep herinneringen op aan Tess Parks terwijl de groots galmende gitaren zo van The Brian Jonestown Massacre hadden kunnen komen, een band waarmee Parks trouwens een band heeft.
Op hun sterkste momenten klonk The Dharma Chain ronduit meeslepend en betoverend. Helaas gooiden de industriële synths van Benjamin Rompotis soms roet in het eten waardoor het geheel onnodig bombastisch begon te klinken. Gelukkig bleef de schade beperkt en bleek The Dharma Chain een waardige afsluiter van een mooi en aantrekkelijk festival.

Ik ben nu al benieuwd wat organisator Christian volgend jaar weer uit zijn hoed zal toveren.

Organisatie: Raut Oak Fest

The Schizophonics - Waanzinnige rock-'n-roll

Het festivalseizoen mag dan al begonnen zijn, de 4AD blijft deze zomer stevig verder programmeren. Na het wegvallen van het gratis cultuurfestival Stad Onderstroom kwam er ruimte vrij en die werd gevuld met een reeks concerten waaronder enkele bijzonder interessante namen.
The Schizophonics mochten die reeks op gang trappen. Veel volk wist de groep niet naar de nochtans heerlijk koele zaal te lokken, maar wie erbij was, zal dit optreden nog lang heugen.

Opener van dienst was Yack, een exponent van Trans4muziq, een Europees project van 4AD en Les 4Écluses waarbij beide clubs een band begeleiden via een coachingstraject en wat speelkansen. Volgens de aankondiging brengt het viertal uit Duinkerke atypische progressieve rock. Wat dat dan ook precies mocht betekenen, het stond in ieder geval haaks op dat wat we van The Schizophonics mochten verwachten. Volgens sommige kenners is het enige positieve aan progrock dat het de geboorte van de punk als tegenreactie heeft uitgelokt. Zover zou ik het nu ook weer niet willen drijven. Zelf was ik in mijn prille tienerjaren ook even in de ban van progressieve rock maar al snel besefte ik dat rock-'n-roll veel meer mijn ding was. Toch was ik benieuwd of Yack mooie herinneringen aan die kortstondige liefde voor het genre weer tot leven kon wekken.
Dat viel met "Celui dont l'armée est affligée (aka Achille)" aanvankelijk behoorlijk tegen. Technisch viel er ongetwijfeld weinig op aan te merken maar het klonk toch vooral voorspelbaar. Van het aangekondigde ‘atypische’ was in geen velden of wegen sprake. Zo bleef het verder kabbelen zonder echt onaangenaam te worden, tot het vierde nummer me plots bij mijn nekvel greep.
In een lange compositie slaagde Yack er plots wél in een spanningsveld te creëren. Dit vindingrijke nummer dat minutenlang bleef fascineren deed me zelfs denken aan hedendaagse 'kosmische' groepen als Elkhorn. Na die tour de force kon Yack niet helemaal op dat elan verder borduren maar hun volledig instrumentale rock kreeg vanaf dan wel wat meer weerhaakjes. Het was vooral gitarist Xavier Muller die het laken naar zich toe trok, al klonk ook toetsenist Charles Fuchet bij momenten inventief, zeker wanneer hij zich even niet Keith Emerson waande. Verder bestond het kwartet uit François Morlot op een soms volvet klinkende bas en drummer Jérôme Coppens.
Veel potten zal Yack wellicht niet breken maar het mag op zich al een prestatie heten dat de band de handen van de aanwezige rock-'n-roll-fanaten toch vlot op elkaar kreeg.

Na hun fenomenale optreden in Café De Zwerver prijkten The Schizophonics vorig jaar helemaal bovenaan mijn eindejaarslijstje. Toch was ik er niet helemaal gerust op. Zou dit ook in een zaal werken of was het verrassingseffect na een tweede keer misschien verdwenen? Die twijfels werden meteen van tafel geveegd.
Pat Beers deed ons meteen vergeten dat we ons in een iets te ruim uitgevallen zaal bevonden terwijl zijn podiumpresence me opnieuw de adem benam. Bovendien bleek de setlist, voor zover die er al was, grondig hertekend met heel wat nummers uit de nieuwe plaat die binnen twee maanden zou uitkomen.
Als rock-'n-rollliefhebber kon ik meteen mijn hart ophalen want het trio uit San Diego trapte de set af met een furieuze versie van "Tiger man". Oorspronkelijk een nummer van Rufus Thomas, maar The Schizophonics haalden hun mosterd bij Elvis Presleys legendarische '68 Comeback Special. De song lijkt Pat Beers trouwens op het lijf geschreven: "I'm the king of the jungle, I'm the tiger man..." Al na dertig seconden ging hij door zijn knieën. Nauwelijks enkele tellen later drukte hij zijn gitaar in de handen van iemand uit het publiek waarna hij enkele sierlijke pirouettes draaide. Dit bleek slechts het voorspel van een fysieke uitputtingsslag waarin de spagaten en saltos elkaar meedogenloos opvolgden en Beers als een wervelwind over het podium én door de zaal raasde. Waar een normaal mens dit hooguit één nummer zou volhouden ging Beers er een hele show lang onverstoorbaar mee door. Nog opmerkelijker is dat hij tijdens al die acrobatische capriolen gewoon gitaar blijft spelen. Meestal zelfs met één hand, hoog op de gitaarhals, terwijl hij zijn instrument ook nog eens met diezelfde hand vasthoudt. Ooit zag hij Jimi Hendrix met één hand soleren tijdens "Wild Thing" op het Monterey Pop Festival. Dat moment vond hij zo indrukwekkend dat hij er uiteindelijk zijn handelsmerk van maakte. Intussen is zijn acrobatische speelstijl zodanig geëvolueerd dat hij Jimi Hendrix op dat vlak zelfs naar de kroon steekt.
Ook muzikaal blijft Hendrix een grote invloed, naast de hitsige funk van James Brown en de rauwe protopunk van MC5 en The Stooges. De gitaar klonk venijnig scherp en leek geregeld te verzuipen in feedback, terwijl de zang hijgerig klonk alsof Beers voortdurend op zijn adem trapte. Je zou voor minder, natuurlijk. Met al die fysieke krachttoeren leek het soms een kwestie van tijd voor hij uit de bocht zou gaan, maar zover kwam het uiteindelijk niet. Hij werd dan ook stevig in het gareel gehouden door een bijzonder gretig doordenderende ritmesectie: vrouwlief Lety op drums en de ravissante Sarah Linton (ex Death Valley Girls) op bas, die net de geneugten van een Picon had ontdekt.
Veel songs, op de nieuwe single "Dirt Dog" na, heb ik niet herkend. Vermoedelijk kregen we heel wat nieuw materiaal te horen en dat belooft alvast veel goeds voor de nieuwe plaat. Eindigen deden ze zoals ze begonnen: met een zinderende lap rock-'n-roll, waarin meermaals "shake, shake, shake" weerklonk en die zo uit de koker van Little Richard of Jerry Lee Lewis leek te komen.
Met zo'n slot had ik zonder meer vrede kunnen nemen, maar de batterijen van Pat Beers bleken nog lang niet leeg. Er volgde een geweldige bis waarin nog één keer alles uit de kast werd gehaald. Dit keer kregen we een echte cover van Little Richard: "Bama Lama, Bama Lou" waarin ook flarden James Brown ("Papa's got a brand new bag") en MC5 verweven zaten.
Het werd de ultieme apotheose van een waanzinnige set van één van de hardst werkende rock-'n-roll bands.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

zaterdag 27 juni 2026 16:15

Stepmother - Met pieken en dalen

Stepmother - Met pieken en dalen

Met dergelijke temperaturen naar The Pit's trekken was vroeger een hachelijke onderneming. Maar intussen bleek mijn favoriete punkhol over de luxe van een functionerende airco te beschikken zodat de hitte er, binnen de perken bleef. Het was er zelfs beter binnen dan buiten. Het is ooit anders geweest.

Toen drummer Kobi door kanker een teelbal verloor, doopten de twee andere groepsleden hem meteen liefkozend om tot Kobi One. De groepsnaam, Kobi One & The Full Sacks, lijkt me dan ook een logisch vervolg. Verder bestond het Gentse trio uit bassist 'Lucky' Lukas en zanger-gitarist Almo Gonzalez, die je zou kunnen kennen van Las Almorranas. Toen ze eraan begonnen, dook er achteraan het podium nog een vierde man op. Keurig in het pak en met zijn gezicht verscholen achter een bivakmuts bleef hij zich de hele set lang aan de meest fascinerende dansjes wagen. Heel lang duurde het niet voor hij helemaal vooraan stond en zich van jas en hemd ontdeed. Onvermoeibaar bleef hij alle aandacht naar zich toe zuigen waardoor je bijna vergat dat er achter hem ook nog een groep stond te spelen. Die brachten een compromisloze mix van garagerock en hardcore waarin weinig plaats was voor nuance. Dit klonk meestal lomp en dreunend als een losgeslagen goederentrein. Toch had de band best wel zijn momenten. Vooral de zang kon me bekoren, hoewel Almo Gonzalez zich tegen het einde wat te vaak verloor in hardcoremaniërismen. Ook zijn gitaarspel, dat een paar keer zelfs psychedelische trekjes vertoonde, maakte behoorlijk indruk. Of hij daar zelf tevreden mee was, blijft maar de vraag, want na de laatste noot sloeg hij zijn gitaar aan gruzelementen.
Vreemd slot van een al even vreemde set waarin een anonieme danser met de pluimen ging lopen.

Stepmother is een powertrio uit Melbourne rond Graham Clise die ook actief was en is in enkele andere bands: Annihilation Time, Rot TV, Lecherous Gaze en Witch. Die laatste band is een nevenproject van J Mascis waarin de gitaargeweldenaar van Dinosaur Jr. achter de drums kruipt. Een Amerikaanse band dus, net als Lecherous Gaze uit Oakland, Californië waarmee hij acht jaar geleden al eens in The Pit's speelde, zo meende Clise zich te herinneren. Of dat klopt weet ik niet, maar een duik in mijn archieven leerde me dat ik Lecherous Gaze, samen met Danava, al in 2011 in The Pit's aan het werk zag. Intussen ruilde hij de States voor Australië waar hij met Stepmother onlangs een tweede plaat, ‘Absurdus Manifestus’, uitbracht.
Graham Clise verscheen op het podium in een Blue Öyster Cult-T-shirt, wat niet meteen het beste deed vermoeden. De muziek van Stepmother wordt nogal eens omschreven als proto-punk maar dat zal de lading slechts gedeeltelijk dekken. Mijn definitie van proto-punk is harde, agressieve, rauwe en primitieve rock ontstaan uit de garagerock van de jaren zestig, waarin de eerste kiemen van de punk al hoorbaar waren. De bakermat bevond zich in Detroit met groepen als MC5, The Stooges en Death. De laatste keer dat ik de term proto-punk nog eens boven haalde was bij een optreden van The Schizophonics, maar die band lijkt toch weinig gemeen te hebben met Stepmother. Als invloeden verwijst Graham Clise graag naar groepen als The Damned, The Pink Fairies, Nervous Eaters of Blue Cheer. Vooral die laatste invloed leek me onmiskenbaar, al maak ik meteen de kanttekening dat Blue Cheer door velen wordt beschouwd als de eerste hardrockband.
Want Stepmother mag zich dan wel als een punkband profileren, de hardrock was nooit ver weg. Gelukkig bleef dat goed gedoseerd terwijl Clise voldoende lef had om af en toe flink buiten de lijntjes te kleuren.
Al vroeg in de set verraste hij met "El Gusano", een onversneden surfinstrumental en wat mij betreft het beste nummer van de avond. Stepmother was op zijn best wanneer het tempo werd opgedreven en het fuzzpedaal werd ingetrapt. Jammer genoeg vond Clise het nodig om de band op zijn t-shirt te eren met een paar tamme nummers, voorzien van wel erg gladde backing vocals. Gelukkig bleef het bij die twee uitschuivers en uiteindelijk bleek Stepmother een best genietbare band waarbij mijn sympathie vooral uitging naar de noest meppende drummer Lee Parker, en dat zeker niet alleen om zijn Dead Moon-T-shirt.
Het werd helemaal mooi met het afsluitende "Journey to the center of the mind", een bijzonder gesmaakte cover van The Amboy Dukes, de eerste band van een toen nog niet ontspoorde Ted Nugent.
Dit orgelpunt versterkte alleen maar het gevoel dat er meer in had gezeten, zeker omdat Stepmother het al na een krap halfuur voor bekeken hield.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

woensdag 17 juni 2026 21:05

Left Lane Cruiser - Vulkanische krachten

Left Lane Cruiser - Vulkanische krachten

Achteraf vroeg iemand me hoeveel keer ik Left Lane Cruiser al aan het werk had gezien. Ik heb de teller niet bijgehouden maar ik vermoed zo'n twintigtal keer, al kan dat evengoed een grove onderschatting zijn. "Geraak je daar dan nooit op uitgekeken?" hoor ik niet-ingewijden al meteen denken. In geen geval.
Telkens wanneer ik hen ga zien kijk ik daar even reikhalzend naar uit als een kind naar Sinterklaas.
Nochtans lijkt er sinds die eerste keer in de Antwerpse Bar Mondial in 2008 niet eens zo heel veel veranderd te zijn. Maar hun drieste intensiteit weet me telkens opnieuw midscheeps te treffen.

Tweeëntwintig jaar na hun ontstaan heeft Left Lane Cruiser niets aan urgentie, explosiviteit en frisheid ingeboet. Integendeel, met een verse drummer lijken ze zelfs een nieuwe piek te bereiken.
Drummers: het blijft een heikel punt bij Left Lane Cruiser. Zanger-gitarist Freddy J IV zag er in de loop der jaren al verschillende de revue passeren: Brenn Beck (2X), Pete Dio, Johnny Revers... Sinds een paar jaar mag Rick Kinney, die ook actief is bij de instrumentale progrockband Moser Woods, de honneurs waarnemen. De eerste keer dat ik Kinney aan het werk zag, vorig jaar in de 4AD, vond ik zijn stijl nog wat gezwollen. Zeker in vergelijking met de kurkdroge aanpak van Brenn Beck, drummer van het eerste uur.
Nu ik Rick Kinney voor de vierde keer zag spelen, leek hij volledig geïntegreerd in de sound van Left Lane Cruiser, al is het evengoed mogelijk dat ik me verzoend heb met zijn uitermate explosieve spel. Explosief maar ook met veel oog voor detail waarbij de koebel, nog steeds mijn favoriete percussie-instrument, niet mocht ontbreken. Kortom, Rick Kinney lijkt goed op weg om uit te groeien tot de beste Left Lane Cruiser-drummer ooit.
Freddy J IV begon zijn set voor de gelegenheid eens zonder de gebruikelijke wagonlading bierflesjes naast zich. In de plaats daarvan stond er een gigantische maatbeker, tot aan de rand gevuld met bier. Het leek me erg onhandig om daaruit te drinken, maar Freddy kende er geen enkel probleem mee. In geen tijd was de kan leeg. Gelukkig was er nog een devote fan, "an angel" volgens Freddy, die voor verse aanvoer zorgde.
Net als twee weken eerder in Duinkerke trapte Left Lane Cruiser af met "Wild about you baby" van Hound Dog Taylor, een bijzonder rauw nummer dat het duo uit Fort Wayne, Indiana als gegoten zit. Later volgde nog een cover, "I feel like going home", niet toevallig van Muddy Waters. Samen met Hound Dog Taylor is dat immers een van de bluesmannen die bij Freddy J IV het hoogst staan aangeschreven.
Verder hoorden we niets dan eigen nummers, kris kras bijeen gesprokkeld uit het inmiddels behoorlijk omvangrijke oeuvre van Left Lane Cruiser. "We brengen zowel blues als rock", riep Freddy, wat allerminst impliceerde dat ze bluesrock speelden, of wat daar tegenwoordig voor moet doorgaan. Dit stond mijlenver af van de saaie interpretaties van de blues van artiesten als Joe Bonamassa, Walter Trout of Samantha Fish.
Net als GA-20 omschrijft hij zijn muziek als ‘heavy blues’ maar ook die term dekt volgens mij de lading niet volledig, ook al omdat 'heavy' te gemakkelijk associaties oproept met heavy metal. Ik hou het bij 'trashblues', al is ook dat geen perfecte omschrijving om die unieke sound van Left Lane Cruiser te vatten. Die sound dreef vooral op Freddy's impressionante gitaarspel. Dat klonk luid, gruizig en smerig, maar in die ogenschijnlijke puinhoop gingen verrassend knappe melodieën schuil. Naast hem roffelde Rick Kinney alsof zijn leven ervan afhing terwijl hij ons tussendoor ook nog verblijdde met een streepje mondharmonica.
Schijnbaar niet zonder enige moeite probeerde Freddy met zijn ongelooflijk rauwe strot - het leek wel alsof er grind door zijn bier gemengd was - boven die vulkanische krachten uit te torenen. "Merci beaucoup", brulde hij na elk nummer, waarna hij onverstoorbaar en begeleid door de nodige krachttermen telkens opnieuw zijn gitaar begon te stemmen. Het mocht dan al behoorlijk trashy klinken, Freddy blijft een perfectionist. Die onderbrekingen haalden weliswaar de vaart uit de set, maar zodra een nieuw nummer losbarstte was dat snel vergeten. Dit waren immers stuk voor stuk pareltjes die me de adem benamen en me een pijnlijke nek bezorgden.
Zowel oudere nummers als "Claw Machine Wizard" en "Heavy Honey" als recenter songs als "Turkey Vulture" en "River Picker" bleken erupties van gloeiende lava. Daartussen dook ook een onuitgegeven nummer op, gelardeerd met verrassend zuiver gezongen ooh-oohs. Dat stemt alvast hoopvol voor de nieuwe plaat, waar ze binnenkort werk van zullen maken. Hoogtepunten aanwijzen in een set waarin niet één mindere song te bespeuren viel, is onbegonnen werk. Al veerde ik ook hier weer op toen "Big Momma" en "Hillgrass Bluebilly" passeerden, twee nummers uit hun prille beginperiode. Terwijl het al even oude "Mr. Johnson", een ode aan hun enkele jaren geleden overleden mentor Chris Johnson, me opnieuw kippenvel bezorgde.

Een ontketend Left Lane Cruiser bleek nog maar eens een klasse apart. Daar kon zelfs een irritante asshole, die zich toch zo graag eens in de schijnwerpers wilde werken, niets aan veranderen.

Organisatie: Botanique, Brussel

The Ex - Drie meedogenloze gitaren in de frontlinie

Het werd een heel mooie avond in De Zwerver hoewel ik toch wat meer volk had verwacht voor een monument als The Ex. Maar de groep uit Amsterdam was natuurlijk al enkele keren met exact dezelfde show, waar geen millimeter van wordt afgeweken, in het land te zien geweest.
De zaal werd dan maar geruild voor de foyer en dat bleek de perfecte setting: The Ex klonk er intenser dan ooit.

Maar eerst zorgde Frankie Traandruppel voor een gesmaakt aperitief. Frankie Traandruppel (genoemd naar het nummer "Frankie Teardrop" van Suicide) is het alter ego van Lee Swinnen, nog steeds de zoon van Guy. Met de succesvolle groepen Tubelight en Double Veterans haalde Lee Swinnen in de jaren 2010 de Belgische garagerock mee uit het slop.
Na de coronaperiode volgde een drastische koerswijziging  en koos hij voor het slaapkamerproject  Frankie Traandruppel. In zijn eentje maakte hij ondertussen drie albums waarvan ‘Translation is key’ uit 2025 de meest recente is, naast een hele reeks singles en EP's.
Live laat hij zich bijstaan door bassist Bart Weyens (Statue) en drummer Noah Melis ( Bed Rugs, Borokov Borokov, Olden Yolk, Shy Dog en The Porn Bloopers).
Een nonchalant ogende Frankie Traandruppel opende zijn set meteen raak met "It's alright (now)", een single van enkele jaren geleden. Het deed me denken aan The Velvet Underground en dat zou die avond zeker niet de laatste keer zijn.
Met hun drieën brachten ze heerlijk loom rammelende garagerock/pop waarin ik af en toe ook de slackerrock van Pavement hoorde sluimeren. In het van de recentste plaat afkomstige ‘Pop’ leek dan weer de geest van The Beach Boys rond te waren. Een enkele keer werd het gaspedaal wat dieper ingedrukt maar het punky "Working retail" kon toch moeilijk tot de hoogtepunten gerekend worden.
Slotsong "Sad trip" hoorde daar duidelijk wel bij. Als de stelling waar ik vroeger sterk in geloofde - dat een groep staat of valt met de kwaliteit van hun traagste song - enige waarheid bevat, dan zit het meer dan goed voor Frankie Traandruppel.

 Vorig jaar zag ik The Ex nog op Les Nuits Botanique, waar ze zowel Mclusky als The Jesus Lizard het nakijken gaven. Daarvoor hadden ze niet eens een 'best of' nodig. Nee, ze speelden gewoon hun volledige pas uitgekomen plaat van begin tot eind.
Dat kunstje werd in De Zwerver nog eens overgedaan, waar opnieuw bleek hoe sterk ‘If your mirror breaks’ wel is. Deze muziek klinkt zo urgent dat een déjà vu gevoel geen kans krijgt.
Opnieuw werd het van de eerste tot de laatste seconde een feest voor wie houdt van punk, verrijkt met invloeden uit zowel noise, folk, etnische muziek als jazz.
De set werd geopend met "Beat beat drums", een explosie van ritmes met Bo Diddley als leidraad en waarin Terrie Hessels zijn aftandse gitaar te lijf ging met een drumvel. Terrie Hessels, de enige die er van bij het begin bij was en inmiddels de zeventig gepasseerd, dartelde nog steeds als een jong veulen over het podium. De tijd lijkt geen vat op hem te hebben en het aanstekelijke enthousiasme dat hij blijft uitstralen tref je zelfs bij jonge groepen zelden aan.
De rusteloze interactie tussen de drie gitaren was adembenemend. De bizarre, meedogenloos hamerende gitaren van Hessels en Andy Moor in combinatie met het wat conventionelere spel van Arnold de Boer, waarin af en toe wat Afrikaanse invloeden doorsijpelden, vormden een constante bron van vuurwerk. Opvallend daarbij was de afwezigheid van de gebruikelijke effectpedalen. The Ex blijft zweren bij het ambachtelijk creëren van geluidseffecten door de snaren op spectaculaire wijze met allerhande vreemde voorwerpen te manipuleren zoals ook Sonic Youth dat destijds deed. De zang van de Boer mocht dan al wat monotoon klinken, ze bleef mede dankzij de soms verrassende woordkeuzes een dwingende aanwezigheid.
Ten slotte was er nog Katherina Bornefeld, enigszins verscholen in het halfduister achteraan het podium, die met haar stuwende, non-conformistische drumspel de motor soepel draaiende hield. Toen ze haar drumstel even verliet om vooraan "Wheel" te zingen, leverde dat misschien niet het beste nummer van de avond op, maar het was haar van harte gegund en zorgde bovendien voor een welgekomen rustpunt.
Daarna ging het weer crescendo en raakte het publiek steeds meer in de ban, wat vooraan het podium leidde tot uitzinnige danstaferelen. Het kookpunt werd definitief bereikt met "Great", een toepasselijk getiteld en onontkoombaar anthem vol wervelende gitaren en drieste drums. Toen hield een dolenthousiaste Herr Seele het niet langer uit: hij stormde het podium op en hing zijn stropdas om de hals van Katherina Bornefeld.
Uiteraard kon een bisnummer in deze jubelstemming niet ontbreken. Eerst kregen we "The heart conductor", dat na lang aandringen gevolgd werd door "Soon all cities", twee nummers uit hun voorlaatste plaat ‘27 passports’.
Achteraf kon men zich nog vergapen aan een enorme merchandisetafel waarop minstens zestien verschillende platen uitgestald lagen.
The Ex lijkt momenteel werk te maken van een heruitgave van haar volledige catalogus op vinyl. Daardoor drong de vraag zich op waarom er geen nummers uit die heruitgebrachte platen op de setlist stonden. Jammer misschien, maar ook zonder die nummers bleef dit een imposante set. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 31 mei 2026 20:46

Surf Trash - Surf noch trash

Surf Trash - Surf noch trash 

De schrale zandgrond van de Kempen blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor rock-'n-roll. In de schaduw van het onvergankelijke Sjockfestival schieten garagepunkbandjes als paddenstoelen uit de grond.
Zo ook Itches uit Vorselaar dat in 2020 de wereld kwam verblijden met 'carapunk'. Ik zag ze een paar jaar geleden in het voorprogramma van River City Tanlines in The Pit's maar toen konden ze me nog niet helemaal over de streep trekken.
Nu leek de band alleen maar gegroeid. Met ‘House animal included’, tegelijk verschenen bij het Nederlandse Wap Shoo Wap Records en Belly Button Records, hadden ze bovendien een fraaie tweede plaat onder de arm.
Itches opende meteen met mijn favoriete nummer van die plaat, "Indians", waarin de geest van de vroege The Kinks rondwaart. De toon was meteen gezet. Wat volgde was een ceremonie, zoals zanger-gitarist Philippe Aguilar Peeters het verwoordde, van eigentijdse fuzzy garagepunk met onmiskenbaar diepe wortels in de sixties.
Korte, onafgewerkte garagerockdiamantjes die onverbiddelijk op de heupen mikten waarbij ik een tevreden grijns op mijn gezicht onmogelijk kon verbergen.
Met de (nieuwe) bassist Hendrik Vanden Berk (Koala Disco) en drummer Arno Sels (Mitraille) aan zijn zijde vond Peeters de perfecte balans tussen de primitieve garagepunk van de 'Back from the grave'-bandjes en de psychedelische fuzz van Ty Segall en consorten. Hoogtepunt was voor mij zonder twijfel het oudere "Blur vision" dat opgeleukt werd met een dubieuze metalsolo waarna alle remmen werden losgegooid in een psychedelische freak-out. Dit was eigenlijk de perfecte afsluiter geweest, want de twee resterende nummers daarna konden plots heel wat minder boeien. Dat neemt echter niet weg dat dit een geweldige set was.

Surf Trash is een groep uit het Australische Lake Macquarie die in 2017 werd opgericht door de broers Andrew (zang/drums) en Nick (bas) Scott. Verder bestaat de band uit de twee gitaristen Lachlan ‘Jacko’ Jackson en Patrick Russell. Hun debuut, "The only place I know", bereikte in 2024 de hoogste plaats in de Australian Aria Charts, de belangrijkste charts down under.
Surf Trash is eigenlijk een wat misleidende bandnaam. Met surf zoals we die kennen van Dick Dale of The Ventures had de groep weinig gemeen maar misschien belichaamden de bandleden zelf het stereotype van de Australische surfer. Van 'trash' was al helemaal geen sprake, gelikter kon het nauwelijks.
Na een vluchtige beluistering vooraf had ik wel het vermoeden dat dit eens kon tegenvallen, maar ik vertrouwde op de doorgaans betrouwbare keuzes van De Zwerver. Bovendien hoopte ik op een Babe Rainbow-effect, ook dat is een Australische band die me op plaat niet echt weet te overtuigen, maar die op Leffingeleuren al twee keer de sterren van de hemel speelde.
Surf Trash opende zijn set, die grotendeels bestond uit nieuwe nummers van hun binnenkort te verschijnen tweede plaat, met een van hun allereerste nummers: "Over my shoulder". Meteen werd de oorzaak duidelijk waarom dit me niet volledig wist mee te slepen: de zang.  Als zingende drummer begin je sowieso met een handicap: je zit achteraan op het podium en vanuit mijn positie was hij bovendien zowat tachtig procent van de tijd verborgen achter de rug van de bassist. Maar dat bleek niet eens het probleem. Het was simpelweg de zang zelf die me niet beviel. Andrew Scott klonk als een in galm gedrenkte, glad gepolijste versie van Tom Petty die bovendien geen boodschap had aan variatie. Een stem die geknipt leek voor grote stadions maar waar ik persoonlijk niet op zat te wachten.
De muziek dan maar? Daar had ik gelukkig minder problemen mee. Zorgeloze, zonovergoten gitaarrock waaraan ze zich nauwelijks een buil konden vallen. Surf Trash wordt meestal geklasseerd bij indie of alternatieve rock maar veel alternatiefs heb ik niet gehoord.
Eenmaal kwamen ze in de buurt van rock-'n-roll, tijdens het oudere "Wave M8", maar voor de rest bleef het bij veilige, zij het best genietbare, classic rock.
Toen bleek dat het applaus na het laatste nummer niet meteen oorverdovend zou worden, gooiden ze hun bis er meteen achteraan. "Friends" bleek zowaar een romantische uitsmijter mede dankzij de oproep van de bassist om je maat eens stevig vast te pakken of samen een dansje te wagen, een suggestie die minstens door twee meisjes werd opgevolgd. Die twee waren daar trouwens zeker niet alleen.
Tijdens de set van Surf Trash stond het vooraan plots vol jonge meisjes die me tijdens het voorprogramma niet waren opgevallen. Zij zullen hier ongetwijfeld met volle teugen van hebben genoten. Wie ben ik dan om te oordelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Automatic Lovers - Punk 'n roll uit Madrid

Keeper Volant uit Brussel werd aangekondigd als een punktrio maar veel punk heb ik niet gehoord en ze oogden al helemaal niet als een punkband. Dit zou ik eerder catalogiseren als vuile (pub) rock. Voor hun Franstalige nummers vonden ze inspiratie bij vooral vrouwen, auto's en voetbal.
Tijdens het nummer "Erling", ongetwijfeld een ode aan Erling Haaland, sterspeler van Manchester City, bleek de band ook een mondje Duits meester te zijn. Hoogstaand zal het niet geweest zijn en ook muzikaal bleef het een wat rommelige bric-à-brac. Soms klonk het als een zwijmelende Jacques Dutronc na een stevig nachtje stappen en dat mag gerust als een compliment worden opgevat. Ik hou wel van dit soort kaduke rock-'n-roll die elk ogenblik lijkt te kunnen ontsporen. Die slordige aanpak, gecombineerd met de weinig toonvaste zang van Samuel Durt deed me tijdens een traag nummer zelfs even denken aan Cheater Slicks, toch een van mijn favoriete groepen. Bassist Wilfrid Morin, met een sardonische grijns op het gezicht gebeiteld, deed er alles aan om de schwung erin te houden maar na een tijdje begon Keeper Volant toch tekenen van metaalmoeheid te vertonen.
In een te lange set werden de mooie momenten te vaak afgewisseld met onuitgewerkte probeersels. Met wat snoeiwerk had dit een boeiende set kunnen zijn, nu werd het vooral slepen richting eindmeet.

Het verschil met Automatic Lovers was immens. Hoewel de Madrilenen heel wat jonger waren, leken ze over tonnen meer ervaring te beschikken. Dit was pure dynamiet verpakt in strakke songs vol pakkende melodieën.
Het openingsnummer was de B-kant van hun debuutsingle: een cover van "Who cares if tomorrow never comes" van Kirk and The Jerks, een mij totaal onbekende groep uit Pennsylvania uit de jaren '80.
Daarna volgde zowat het volledige pas verschenen debuutalbum in exact dezelfde volgorde als op de plaat. Daarmee stonden meteen ook de enige twee covers en toevallig ook de beste nummers van die plaat, zonder het eigen werk tekort te willen doen, helemaal vooraan in de set.
Eerst "High degree", dat zo mogelijk nóg obscuurder was dan die eerste song. Het nummer verscheen in 1977 op de B-kant van de enige single, met op het hoesje in grote letters 'English rock 'n roll', die Next, een Britse groep die in het Franse Toulouse resideerde, ooit uitbracht. Het blijft me een raadsel hoe een stel jongelingen uit Madrid hier ooit op is uitgekomen maar het is verdomd een fantastische song. Het nummer wordt op gang geknald met een uitgesproken Chuck Berry-lick waarna het ergens tussen Dr. Feelgood en The Flamin' Groovies voortdendert.
De tweede cover klonk een stuk vertrouwder: "Pushin' too hard" in de versie van The Vibrators, die het op hun beurt haalden bij de Amerikaanse sixties oergarageband The Seeds. Automatic Lovers lijken trouwens iets te hebben met The Vibrators, want hun groepsnaam haalden ze naar alle waarschijnlijkheid ook bij een single van die Britse punkband uit de jaren zeventig.
Britse seventiespunk, gemixt met Amerikaanse garagepunk, vormde het recept voor hun van rauwe energie barstende sound.
De bijzonder snedige gitarist Arthurr Crash (né Arturo Rodriguez) absorbeerde subtiel invloeden uit andere genres waarbij soms een zweem Angus Young opdook.
Zanger Passedout Kid had een gemene snauw die aanvankelijk nauwelijks hoorbaar was maar dat werd gelukkig snel rechtgezet. Een geboren frontman van wie ik vermoed dat hij nogal wat jonge meisjesharten wat sneller kan doen slaan. Deze keer stond wel wat vrouwvolk vooraan, al waren het eerder dames van rijpere leeftijd maar dansen deden ze in ieder geval vol overgave.
Ondertussen hielden bassist Whisky David en drummer Juan Sinovas het tempo ongenadig hoog.
Tijdens het eindoffensief dook de zanger, terwijl zijn lijf parelde van het zweet, het publiek in, waarna de gemoederen met een Spaanstalig nummer nog verder werden verhit.
Na die zinderende finale sloot Auromatic Lovers stijlvol af met een instrumentale outro die duidelijk schatplichtig leek aan "Purple Haze" van Jimi Hendrix.
Het was weer al een tijdje geleden dat een jonge debuterende band me nog zo bij de kladden greep.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Pagina 1 van 26