logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic - ...
dimmu_borgir_01...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

donderdag 27 november 2025 22:43

Flasyd + Fruit Tones - Prachtige double bill

Flasyd + Fruit Tones - Prachtige double bill
Flasyd + Fruit Tones

Fruit Tones mochten hun tour afsluiten in de Pit's en waren daar ondanks een wat schrale opkomst duidelijk heel gelukkig mee. Blijkbaar krijg je voor een optreden op een maandagavond in hun thuisstad Manchester geen kat de deur uit. Het drietal is al actief sinds 2014 en kwam hun gloednieuwe derde plaat, ‘Easy peelers’, voorstellen.
Terwijl we tegenwoordig worden overstelpt  met postpunkbands uit Groot-Brittannië, die krampachtig proberen het wiel opnieuw uit te vinden, geeft Fruit Tones geen zier om vernieuwing en zweert de band bij muziek die al duizenden keren is voorgedaan. En toch voelde hun mix van sixties garagerock en oer-Britse pubrock als een verkwikkende douche na een zweterige zomerdag.
Tom Harrison heeft een heerlijk lijzige stem die hij af en toe wellustig liet vibreren terwijl zijn compacte gitaarsolo's pure rock-'n-roll in de geest van Chuck Berry ademden. Samen met de driftig meppende drummer Tom Walmsley en bassist CJ Wood, die de songs geregeld kleurde met sterke backing vocals, serveerde hij ongecompliceerde budget rock die me soms deed denken aan Mickey Jupp. Nummers als "Easy peelers" en "Nothing but a headache" klonken zo urgent en meeslepend dat je haast zou zweren dat het covers waren.
Toch konden we ook één echte cover noteren: het niet meteen verwachte "F-'oldin' money" van The Fall (origineel: "$ F--olding Money $" van Tommy Blake uit 1959), waarmee Harrison stadsgenoot Mark E. Smith wou eren.

Flasyd uit Brooklyn, New York werd aangekondigd als een volledig vrouwelijke punkband maar in de Pit's bleek dat toch even anders uit te pakken. Net voor de tour hadden Kim Sollecito en Bratt de groep immers verlaten. Hun plaatsen werden ingenomen door twee mannen (bas en drums) en een vrouw (gitaar) waarvan ik de namen schuldig moet blijven. Het maakte wellicht weinig verschil:
Flasyd is vooral het project van frontvrouw Syd Suuux en kende in haar jonge bestaan reeds talloze personeelswissels. De band heeft één volwaardig album gemaakt, ‘Always fast, hardly accurate’, dat blijkbaar niet fysiek is verschenen, waarop Syd Suuux haar gal spuwt tegen giftig machismo en ongelijkheid.
In de Pit's opende Flasyd met een lange instrumentale intro waarin de gitariste alle ruimte kreeg om haar duivels te ontbinden. Ze deed dat niet meteen op de makkelijkste manier, maar toch met onmiskenbare panache. Hoewel niet alle riffs even origineel waren - enkele leken zelfs geleend van The Stooges - bleef haar onorthodoxe, behoorlijk heavy klinkende gitaarspel een hele set lang boeien.
Toch bleef ook zij wat bungelen in de schaduw van Syd Suuux, die zonder veel moeite alle aandacht naar zich toe wist te zuigen. De manier waarop ze rond de microfoonstandaard kronkelde, met de micro omgekeerd boven haar hoofd, verried haar verleden in het theater en als model. Haar rauwe, monotone zang vormde de sluitsteen van een fusie van noise, hardcore en punk die het experiment niet schuwde, maar misschien net iets te serieus was.
De lange pauzes tussen de nummers - wellicht een gevolg van de inderhaast samengestelde bezetting - haalden bovendien de vaart uit de set waardoor enkele toeschouwers afhaakten. Toch bleef dit intrigeren tot het einde en werd het zelfs even geinig toen de drummer van Fruit Tones zich plotseling een weg naar voren wurmde om enkele woorden mee te brullen.

Het werd een heel mooie avond, waarin Fruit Tones een ware revelatie bleek en ook Flasyd de nodige punten uit de brand wist te slepen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

The Schizophonics - Elektrificerende protopunk
The Schizophonics + Top Left Club

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit was nog maar eens een avondje in het café van De Zwerver om in te kaderen …

… Nochtans had ik aanvankelijk mijn bedenkingen toen ik de vier van Top Left Club het podium zag betreden. Met hun onverzorgde haar annex nektapijten en flashy trainingspakken zagen ze eruit als een stel verlopen kroegtijgers die enkel in de lokale pubs van Brighton voor wat vertier konden zorgen.
Bovendien hadden de heren een niet meteen spitsvondig dansje ingestudeerd. Dat begon met het vormen van een menselijke "T", ‘Shoulders at 90’ (tevens de titel van hun eerste plaat uit '21), waarna er enkele houterige, robotachtige bewegingen volgden. Alsof het nog niet bont genoeg was, werden ze aangekondigd door een kerel in badpak, die later de zanger van The Schizophonics bleek te zijn.
Op het einde van de set dook er trouwens een vrouw in een identiek flashy trainingspak op die een perfecte demonstratie van dat ‘Shoulders at 90’-dansje ten beste gaf: de drumster van The Schizophonics!
Beide groepen hadden een week samen getourd (dit was hun laatste avond samen) en hadden duidelijk flink verbroederd. Maar mijn scrupules werden al bij de eerste noten weggespoeld. Dit was uitermate aanstekelijke punk, voortgestuwd door de keys van zanger Jimi Dymond. Stuk voor stuk waren het knappe nummers die telkens konden bogen op een onweerstaanbare drive. Een overijverige recensent beschreef hen ooit als het Britse antwoord op de Ramones. Los van de compacte intensiteit van de nummers, hoorde ik eerlijk gezegd weinig overeenkomsten. Dit voelde zeker niet als een verheerlijking van old school punk, het deed me eerder denken aan The Hex Dispensers, dat fenomenale livebandje uit Austin, Texas.
Naast de eerder genoemde Jimi Dymond had Top Left Club nog een tweede en uitstekende zanger in huis, bassist Johnny Hart: wat voor een aangename afwisseling zorgde. Met verder Tim Cox op drums en MacDaddy op gitaar legde Top Left Club met een sterke set, die van de eerste tot de laatste seconde bleef boeien, de lat meteen hoog.

Maar dat bleek absoluut geen obstakel voor The Schizophonics uit San Diego. Vanaf het eerste nummer al, een zinderende, indringende versie van "Black to comm" van MC5 grepen ze me bij mijn nekvel. Een greep die niet meer gelost werd. Meteen werd mijn vrees ook bewaarheid dat dit podium te klein zou zijn voor Pat Beers. Hij breidde zijn territorium dan maar meteen uit tot het hele café, waar hij als een wervelwind tussen het volk zoefde.
Zijn podiumact, waarin hij om de haverklap in een spagaat dook, was duidelijk geïnspireerd op de shows van James Brown maar dan nog net iets duizelingwekkender.
Tijdens al die acrobatieën bleef hij gewoon door spelen en minstens de helft van de tijd deed hij dat enkel met de linkerhand hoog op de gitaarhals.
Dat de muziek daarbij nooit haperde mag een wonder heten. Als er dan toch een gaatje dreigde te vallen, werd dat moeiteloos dichtgereden door een onwrikbaar doordenderde ritmesectie. Die bestond uit zijn partner Lety Beers op drums en de eeuwig minzaam glimlachende Sarah Linton, ooit actief bij Death Valley Girls, op bas.
Achteraf hoorde ik iemand opmerken dat het muzikaal wat minder was, maar daar ben ik het absoluut mee oneens.
Toegegeven: de platen van The Schizophonics zijn geen must-haves, maar live steeg de groep hier onmiskenbaar boven zichzelf uit. Dit was elektrificerende protopunk, zoals die eind jaren '60 begin jaren '70 in Detroit zijn gloriedagen kende met groepen als The Stooges en MC5. Nummers die telkens vonkten en knalden, gedragen door een verbijsterende gitaar waarin de geest van Jimi Hendrix waarde.
Ik zag ze ooit op het Binic Folks Blues Festival en werd ook toen omver geblazen maar hier in dit kleine café kwamen The Schizophonics nog veel beter tot hun recht. Hier kon je ze voelen en werd je, samen met gelijkgestemde zielen waaronder Tina en Alek van The Glücks, meegezogen in een verpulverende maalstroom.
Niet zonder enig risico trouwens. Want toen Pat Beers met zijn gitaar en microfoonstandaard de smalle wenteltrap naar de toiletten beklom, raakte ik verstrikt in de wirwar van kabels die hij meesleepte.  En toen riep Lety Beers plots "Uncle Bill", een vreemde snuiter die tot dan de hele tijd vooraan had staan toekijken, op het podium. Het bleek de semi-legendarische punkrock bluesman uit Los Angeles, Lightnin' Woodcock, te zijn, die er net een tour als gitarist van Bow Wow Wow (!) had opzitten. Hij mocht zijn duivels ontbinden op zijn gitaar tijdens "Riff Raff" van AC/DC, al moest dat het met wat minder tekst dan het origineel stellen.
Het was de ideale springplank naar een spetterende finale vol onvervalste rock-'n-roll in de stijl van Little Richard en Jerry Lee Lewis, waarin Pat Beers nog maar eens rollend en tollend in het publiek verdween.
Hoe Pat Beers deze razende set zonder kleerscheuren overleefde blijft een raadsel, maar dat dit één van de beste optredens van 2025 was, staat buiten kijf.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Blaublues 2025 - Selwyn Birchwood schittert op geslaagde jubileumeditie
Blaublues 2025
Zaal De Levaard
Haringe
2025-11-08
Ollie Nollet

Dit was al de 25ste editie van het Blaublues festival in Haringe, een vergeten dorpje, diep verscholen in de Westhoek vlak bij de Franse grens waar de blauwers ooit vrij spel hadden. 
En toch was ik er slechts één keer, in 2008, maar het optreden toen van Boo Boo Davis herinner me nog levendig. Meestal paste het niet in mijn drukke concertagenda, al moet ik eerlijk toegeven dat mijn liefde voor de contemporaine blues de laatste jaren flink bekoeld is. De Joe Bonamassas en Marcus Kings van deze wereld weten me nauwelijks te raken.
Toch wilde ik er voor deze jubileumeditie bij zijn. Niet dat ik het programma wereldschokkend vond, maar eerder uit sympathie voor de organisatoren die zoveel jaren trouw bleven aan het oorspronkelijke concept. Daar kan ik alleen maar mijn pet voor afdoen. 

De zaal was al behoorlijk gevuld toen Alice Armstrong eraan mocht beginnen. Armstrong is een aanstormend talent uit Engeland dat de European Blues Challenge 2025 won en Joe Bonamassa (ja, hij!) tot haar fans mag rekenen. Tja, de blues lijkt tegenwoordig eerder een sportdiscipline. Bij iedere beschrijving van een groep vind je vandaag de dag een lijst met de gewonnen prijzen. Zelfs de halve finaleplaatsen en de nominaties duiken in sommige bronnen op. Voor mij hoeft het in ieder geval niet.
De blootvoetse Alice Armstrong bleek zo al een imposante verschijning, maar haar stembereik was nog indrukwekkender. In tegenstelling tot wat haar postuur liet vermoeden was haar stem zuiver, soulvol en uitgerust met een scala aan emoties. Armstrong is uiteraard in de eerste plaats een blueszangeres maar ook zoveel meer dan dat. Dat bewees ze onder meer met het lichtjes fantastische "Bombshell" dat naar de vaudeville neigde. Verder hoorden we mooie covers van Howlin' Wolf en Freddie King maar het moment suprême kwam er toen ze op magnifieke wijze een geheel eigen draai gaf aan "Bang bang (My baby shot me down)" van Cher. Laat ik vooral ook niet vergeten dat Alice Armstrong deel uitmaakte van een heerlijk down to earth klinkende band met Olly Knight-Smith op een spaarzame maar effectieve gitaar, een laconieke Josh Rigal op bas en een nadrukkelijk aanwezige Kev Hickman op drums.

Mark Hummel maakte samen met The Blues Survivors zijn album debuut (‘Playin' in your town’) midden in de jaren '80 blues revival. Het grote succes bleef evenwel uit, maar de man is tot op de dag van vandaag smaakvolle platen blijven maken. Zijn laatste, ‘True believer’ verscheen vorig jaar nog.
In Haringe verscheen hij met een Californisch-Texaanse band die bol stond van gerenommeerde namen. Aan de Californische zijde zagen we naast Hummel zelf bassist Bill Stuve, een man die 30 jaar lang deel uitmaakte van Rod Piazza & The Mighty Flyers waarmee hij talloze artiesten kon begeleiden, gaande van Big Joe Turner tot Willie Dixon. De Texanen waren drummer Wes Starr, die nog op de loonlijst stond bij onder meer Omar and The Howlers en Jimmy Vaughan, en meester-gitarist Anson Funderburgh, gekend van zijn eigen band Anson Funderburgh and The Rockets en zijn samenwerking met Sam Myers. Vier topmuzikanten, dan verwacht je vuurwerk, maar Hummel en Funderburgh zijn inmiddels prille zeventigers en het ging er wat bedaarder aan toe.
Veel eigen werk waartussen toch enkele nummers van Muddy Waters ("She's got it") en uiteraard Little Walter ("Who").
Het nooit minder dan delicieus klinkend mondharmonicaspel van Mark Hummel doet trouwens voortdurend aan Little Walter denken maar daar is absoluut niets mis mee. Dat zijn zang niet altijd even gracieus klonk, was telkens snel vergeten zodra hij zijn smoelschuiver tegen de lippen zette.
En dan was er nog die andere gigant, Anson Funderburgh, die de snaren van zijn gitaar met fluwelen vingers toucheerde. Wat klonk zijn gitaar helder, stijlvol en elegant. Toch had ik net iets meer verwacht. Zijn zelfgecreëerde comfortzone, die hij nooit verliet, mocht wat mij betreft wel wat ruimer zijn.
Toch bleef het genieten, en het geeuwen, waar ik tijdens bluesoptredens, en gitaarsolo's in het bijzonder, al eens last van durf te hebben, bleef uit. De twee konden bovendien rekenen op stevige steun in de rug. De droge meppen van Wes Starr, die één van zijn drumsticks tussen wijs- en middelvinger moest klemmen omdat hij bij een zaagincident een deel van zijn linkerduim had verloren, misten hun doel niet. De lichaamshouding van Bill Stuve deed vermoeden dat hij vaak de staande bas hanteert, maar zijn soepel plukkende vingers op de elektrische bas waren een lust voor oor en oog. Dat alles leverde een geraffineerde, goed geoliede bluesset op: pure klasse maar zonder verrassingen.

Die waren er wel bij Selwyn Birchwood. Al van bij de instrumentale opener, waarin een zweem van ska rondwaarde, werd duidelijk dat bluespuristen bij hem niets te zoeken hadden. Het was vooral dat tweede nummer dat me van de sokken blies: "Freaks come out at night". Wat klonk dit zompig en broeierig! Met een brede grijns ging Selwyn Birchwood meteen helemaal loos en bespeelde zijn gitaar zowaar met zijn tong. Dit was ongetwijfeld de beste song van het hele festival. Daarna werd het vanzelfsprekend wat minder maar zijn mix van deep blues, psychedelische rock, funk en southern soul - zelf noemt hij het electric swamp funkin' blues - bleef bijzonder intrigerend.
Hij werd omringd door vier uitstekende muzikanten:  Henley Connor III op drums, Donald "Huff" Wright op vijfsnarige bas, Eric Cannavaro, wiens keyboard standaard plots in elkaar zakte, op toetsen en geheim wapen van de groep, Regi Oliver op bariton sax.
Birchwood bleef me verbazen met zijn rauwe stem, waarmee hij perfect het gehuil van John Lee Hooker kon imiteren, en zijn flamboyante gitaarspel. Zijn doorleefde interpretatie van Robert Johnsons "Come on in my kitchen" zorgde opnieuw voor een kippenvelmoment.
Maar Birchwood maakte deel uit van de Chicago Blues Festival-tournee - inmiddels al aan haar 55ste editie toe - en dus kwam er nog een tweede artiest het gezelschap versterken. "Helaas", ben ik geneigd te schrijven, maar dat zou de grootse talenten van Carly Harvey tekortdoen. Chicago Blues dekt niet echt de lading want Selwyn Birchwood komt uit Orlando, Florida en Carly Harvey werd in 2016 uitgeroepen tot D.C.'s Queen of the Blues en woont nog steeds in Washington D.C.. Maar dit geheel terzijde.
Harvey bleek zo mogelijk een nog imposantere verschijning dan Alice Armstrong terwijl ze vocaal al even indrukwekkend uit de hoek kwam. Deze diva wist gratie en branie perfect te combineren en kon zo dan toch mijn honger naar meer Selwyn Birchwood laten vergeten.

De laatste band begon om twintig over twaalf, een uur waarop ik normaal al lang schaapjes aan het tellen ben. Ik was dan ook vast van plan, mocht het enigszins tegenvallen, meteen mijn biezen te pakken.
Blaublues koos met Nico Wayne Toussaint voor geen kleine jongen om deze jubileumeditie af te sluiten. De man werd geboren in het Franse Toulon-Sur-Mer maar pendelt vanaf zijn achttiende voortdurend tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, waar hij alle knepen van het vak leerde.
Hij was in 2002 al eens eerder te gast in Haringe. Dit keer kwam hij zijn laatste album, ‘From Clarksdale with love’, opgenomen na een verblijf in die stad, bakermat van de blues, voorstellen. Dat deed hij met een 'Big Band' - drums, gitaar, toetsen, bas, trompet, saxofoon en trombone - waarin ik op de trompet Louis De Funès meende te herkennen. H
et werd me toch even zwart voor de ogen toen Toussaint, met een kamerbrede grijns waar zelfs tandpasta adverteerders van zouden schrikken, als een op hol geslagen Duracell-konijn het podium op stuiterde. Gelukkig herpakte hij zich snel en bleek hij dan toch niet de gladjanus te zijn die ik aanvankelijk in hem zag. Het hielp ook dat hij al vlug mijn favoriete nummers van die laatste plaat prijsgaf: het aan Bo Diddley schatplichtige "Valentine" en het samen met Neal Black geschreven "Jesse James".
Toussaint toonde zich net als zijn mentor James Cotton een mondharmonicaspeler met passie en temperament. Het werd een wervelende set vol variatie maar niet alle nummers pasten in dit Big Band jasje. Zo ging "Rocket 88", van Jackie Brenston maar vermoedelijk geschreven door Ike Turner en vaak beschouwd als het allereerste rock-'n-rollnummer, jammerlijk de mist in.
Tijdens de afsluiter blies hij nog één keer de longen bijna stuk op de mondharmonica, waarbij hij Magic Dick van The J. Geils Band naar de kroon stak.
Uiteindelijk bleek de Nico Wayne Toussaint Big Band, ondanks die desastreuze start, dan toch een waardige afsluiter van een mooie festivalavond, waarin Selwyn Birchwood de hoofdvogel afschoot en er geen afknappers te noteren vielen. 

Organisatie: Blaublues, Haringe

Carolyn Wonderland - Abrupt einde door gebroken stem
Carolyn Wonderland

Carolyn Wonderland is een bluesgitarist uit Austin, Texas die dit jaar nog haar dertiende plaat op de markt gooide: ‘Truth is’, uit op Alligator Records en geproduced door niemand minder dan Dave Alvin (The Blasters).
Maandagavond was ze te bewonderen in een uitpuilende Banana Peel waar ik soms de indruk kreeg de enige aanwezige te zijn die haar nog nooit eerder zag. Blijkbaar was ze vroeger vaak te gast in deze contreien. Bovendien is Bob Dylan fan en was ze van 2008 tot aan zijn dood vorig jaar leadgitarist in de tourband van John Mayall. Hoog tijd dus om kennis te maken.

Ze begon al meteen sterk met Blind Willie Johnsons "Nobody's fault but mine", misschien niet de beste versie die ik ooit hoorde, maar toch. Daarna volgde een trits eigen nummers waaronder het erg indringende "Blues for Gene", een eerbetoon aan de betreurde pianist Gene Taylor, die naast zijn solocarrière ook actief is geweest bij onder meer James Harman Band, Canned Heat, The Blasters en The Fabulous Thunderbirds.
Wonderland, die afwisselend elektrische gitaar en lapsteel speelde, werd geruggesteund door een solide bassist, Naj Conklin en een dito drummer, Giovanni ‘Nooch’ Carnuccio. Naast haar zagen we op akoestische gitaar Shelley King met wie ze vroeger samen deel uitmaakte van Sis DeVille, een band die ooit omschreven werd als de Cadillac onder de girlbands. Shelley King mocht ook enkele nummers zingen en die situeerden zich eerder in de folk. Vooral "Madam Mystic", waarin Wonderland mocht bewijzen dat ze ook goed kon fluiten, kon me bekoren. Even later volgden twee John Mayall covers, "Don't waste my time with your jive" en "The laws must change" - souvenirs uit de periode dat ze bij hem op de loonlijst stond, waarin ze liefst 150 nummers onder de knie moest krijgen.

Na de pauze werd de set opnieuw hervat met een stokoude bluessong, dit keer "I got to cross the river of Jordan" van Blind Willie McTell. Ook tijdens het tweede deel werden eigen songs afgewisseld met raak gekozen covers zoals het zonnig klinkende "Honey bee" van Billy Joe Shaver. Wonderland liet zich niet vastpinnen op pure blues en bracht eerder een soort met blues versmolten americana waarin ook elementen uit de folk en country opdoken. De zang beviel me af en toe wat minder - misschien door de onnodige uithalen of lag het gewoon aan de klankkleur? Maar de gitaar, en nog meer de lapsteel, klonken daarentegen nooit minder dan delicieus. 
Net toen ik stond te mijmeren dat er iets leek te ontbreken, gebeurde het. Een nummer werd traag en dreigend ingezet, en ik wist meteen: dit wordt het! En dat uitgerekend met een nummer van Jerry Garcia! Ik ben helemaal geen fan van Grateful Dead maar "Loser", te vinden op het solodebuut van Garcia uit 1972, is een mooie song en Carolyn Wonderland maakte er een magisch epos van. Ongelooflijk hoe ze dit nummer een geheel eigen draai gaf en dat was het publiek ook niet ontgaan, want de applausmeter ging plots in het rood. Het maakte de ontnuchtering des te groter toen Wonderland na die tour de force amper nog een woord kon uitbrengen. Ze had haar stem blijkbaar compleet aan gruzelementen gezongen. Een lange, zware tour die ze met de trein aflegde, eiste duidelijk haar tol. Na wat onderling overleg werd besloten dat Shelley King nog één nummer mocht brengen: "Who needs tears" van Toni Price, waarvoor een extra gitarist het podium opkwam. En dat was het.
Een verbouwereerde Banana Peel-presentator probeerde nog een instrumental los te peuteren maar ook dat zat er niet meer in - een pijnlijk gescheurde vingernagel kwam nog meer roet in het eten gooien. Ach, het was mooi geweest, hoewel we natuurlijk nooit zullen weten of Wonderland het resterende kwartiertje op hetzelfde elan van dat magistrale "Loser" zou zijn doorgegaan.

Organisatie: Banana Peel, Ruiselede

Imploders - Hardcore punk volgens het boekje mist inspiratie

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Wie het vertikte om de regen te trotseren en thuis in de zetel bleef hangen, en zo waren er blijkbaar nogal wat, heeft niet zo heel veel gemist.

Foofer, een gloednieuw collectief uit Antwerpen, bestaande uit vier meisjes en een jongen, bracht huppelende lo-fi pop met wat punkinvloeden. De gitaar kwam nauwelijks in het stuk voor, in tegenstelling tot de bas die zich wel duidelijk profileerde. Verder hoorden we nog een goedkoop, klinkend orgeltje, moeizaam mee hinkende drums en een zangeres die met haar frivole, licht naar rap neigende zang het voortouw nam. Sympathiek, dat zeker, maar dit leek toch een band in een nog embryonale fase. Waarschijnlijk best te savoureren rond het haardvuur, maar te vluchtig voor een punkhol als The Pit's.

Eigenlijk heb ik weinig affiniteit met hardcore punk tenzij het om de pioniers van het genre gaat. De laatste keer dat ik in de buidel tastte voor een hardcoreplaat  moet in 2012 geweest zijn. Voor het debuut van Off! maar ook dat was een spin-off van Black Flag en Circle Jerks, twee van de baanbrekers uit het begin van de jaren '80. En laat Keith Morris, zanger van al die genoemde groepen, nu net de man zijn met wie Todd Faux, voorman van Imploders, voortdurend vergeleken wordt. Ruim voldoende om mijn aandacht te trekken. 
Imploders is een kwartet uit het Canadese Toronto dat net een tweede plaat uit heeft: ‘Targeted for termination’, goed voor twaalf nummers in 14 minuten. Volgens sommigen stond ons een klein bommetje te wachten. Dat bommetje was er misschien wel, ontploffen deed het in ieder geval niet. Nochtans deed Todd Faux, die zich meer tussen het volk of op de toog dan op het podium bevond, er alles aan om het vuur aan de lont te steken. Zijn snauwende zang bevatte ruim voldoende boosheid om me te bekeren, toch wisten de nummers me zelden te raken.
Imploders willen hardcore brengen zoals die klonk tijdens de gloriedagen en hebben daarbij lak aan originaliteit. Op zich is daar niets mis mee. Een goed glas wijn kan ook smaken zonder origineel te zijn. Helaas legden ze zichzelf daarbij zo veel beperkingen op, dat er nog maar weinig te beleven viel. Dit klonk strak, snedig en afgekloven tot op het bot en van die doctrine werd verder geen millimeter afgeweken. Met als gevolg dat ik het gevoel kreeg telkens naar hetzelfde nummer te luisteren. Het zegt veel dat ik de zeldzame backing vocals van bassist Mike Simpson (Chain Whip) als een verademing ervoer.
Dat het anders kon bleek tijdens het bisnummer waarin toch een zweem van variatie sloop en ik zelfs een tempowisseling meende te horen. Al kan dat laatste ook wishful thinking geweest zijn. In ieder geval was die bis het beste moment van de avond tenzij je het moment meetelt waarop de micro het begaf en Todd Faux als een vis naar adem leek te happen.
Het was een avond waarop de Imploders hun naam te weinig eer aandeden en het vergeefs wachten was tot de hel zou losbarsten.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

The 5.6.7.8.'s - Onweerstaanbare sixties garagerock en brutale surf

The 5.6.7.8.'s mogen dan al de reputatie hebben veel te touren, voor zover ik weet zijn ze nooit vaak in onze contreien geweest. Ook deze tour beperkt zich tot Spanje en Frankrijk, waarschijnlijk niet toevallig de twee Europese landen waar de rock-'n-roll nog echt bruist. Gelukkig werd Lille niet over het hoofd gezien en hoefde ik niet lang te twijfelen toen ik de groep aangekondigd zag in The Black Lab.
Bovendien werd er met The Fabulous Courettes een tweede aantrekkelijke naam aan de affiche toegevoegd.

De kiem voor The Courettes werd tien jaar geleden in Brazilië gelegd toen de Deense punkband, The Columbian Necties, er tourde in het voorprogramma van de Braziliaanse surfband Autoramas; Drummer Martin Thorsen raakte op de tourbus aan de praat met Flavia Couri en de twee bleken precies dezelfde interesses te hebben. Niet veel later trok Flavia Couri naar Denemarken en daarmee was de geboorte van The Courettes een feit.
Toen het duo in 2023 tekende bij het Britse Damaged Goods Records werd, op vraag van dat platenlabel en om hun retro imago nog wat meer glans te geven, hun naam veranderd in The Fabulous Courettes. Iets wat blijkbaar nog niet volledig doorgedrongen is bij Martin Couri (zo laat hij zich aanspreken sinds het ontstaan van de groep) want hij brulde om de haverklap "We are The Courettes". Misschien was hij er niet helemaal bij want hij had het ook telkens over 'saturday' terwijl het gewoon vrijdag was.
The Fabulous Courettes waren naar eigen zeggen helemaal uit het Deense Aalborg met de auto naar Lille gereden en hadden er duidelijk veel zin in. Flavia Couri, gekleed in een stemmig zwart wit geblokt jurkje en dito schoenen, bleek een gedroomde frontvrouw: gracieus, wild en onvermoeibaar. Haar dansmoves waren bevallig terwijl ze zich op het einde van de set letterlijk door het publiek op handen liet dragen. Even later verdween ze tussen het volk waarna we ze op de toog zagen klauteren. Wat het showelement betrof, zat het dus wel snor.
Muzikaal wisten ze me echter niet helemaal over de streep te trekken. Hun mix van garagerock en pop van de meidengroepen uit de jaren '60 klonk bij momenten wel erg aanstekelijk. Nummers als "Want you (like a cigarette)" en "Misfits & freaks" lieten zich best wel pruimen maar niet alle songs haalden dat niveau. Dat terwijl het met veel fuzz gelardeerde en de grootse gebaren niet schuwende gitaarspel van Flavia Couri toch wat mager uitviel, zeker in vergelijking met Ronnie Fujiyama die we daarna zouden zien. Maar misschien zeur ik wat te veel want het publiek genoot er met volle teugen van en uiteindelijk vond ook ik dit een ideaal voorprogramma.

Net als velen wellicht leerde ik The 5.6.7.8.'s kennen door hun optreden in de film ‘Kill Bill: Volume 1’ van Quentin Tarantino uit 2003. Toch bestaat de groep al veel langer. Oorspronkelijk gestart als kwartet in 1986 en sinds 1992 teruggebracht tot een trio werden ze vroeger wel eens Tokio's wildste exportproduct genoemd.  Dat zangeres en gitariste Yoshiko ‘Ronnie’ Fujiyama destijds geen katje was om zonder handschoenen aan te pakken, bewijst de "Teenage queen delinquent" tattoo op haar rechterbovenarm. Samen met haar zus Sashiko Fujii (drums) vormt ze de oorspronkelijke kern van de band die tegenwoordig wordt aangevuld met bassiste Akiko Omo.
Intussen zijn het prille zestigers en is het wildste er wellicht vanaf. Ik heb er het raden naar hoe het er vroeger tijdens hun optredens aan toe ging, maar na hun passage in The Black Lab kon ik alleen maar concluderen dat het beslist niet te laat was om ze aan het werk te zien. Nochtans sloeg, net voordat het optreden moest beginnen, de vrees voor een debacle toe. Zangeres Ronnie Fujiyama wou in laatste instantie de microfoon vervangen door een meegebracht eigen exemplaar en toen de technicus van dienst haar zei dat dat niet kon, volgde een eindeloze discussie. Bovendien bleek ook nog eens een gitaarkabel slecht te functioneren. Ik begon al nattigheid te voelen maar eenmaal die kabel vervangen was en "The Barracuda" van Alvin Cash and The Crawlers werd ingezet, vond Ronnie haar goede humeur terug en leek er geen vuiltje meer aan de lucht.
Wat volgde was een set spetterende rock-'n-roll waarin onweerstaanbare sixties garagerock werd afgewisseld met brutale surf. Het was zeker geen alledaags zicht: drie vrouwen op gevorderde leeftijd, gekleed in drie identieke bruine jurken, die zich minzaam vergrepen aan primaire rock-'n-roll maar de soepel pompende bas van Akiko Omo, de heerlijk roffelende, soms donderende drums van Sashiko Fujii en vooral die wonderlijke, niet zelden overstuurde gitaar van Ronnie Fujiyama zorgden constant voor subtiel vuurwerk. Nogal wat Japanners hebben de neiging, eenmaal een niche gevonden, er vol overheen te gaan, maar niet Ronnie Fujiyama, haar gitaarspel bleef altijd perfect gedoseerd.
De stemmen klonken misschien wat schril, maar ze leenden zich uitstekend voor de delicate parels waar hun set bol van stond. We hoorden veel met zorg gekozen covers zoals "I'm blue"van The Ikettes of "Road runner" van The Wailers (niet de Jamaicanen maar de Amerikaanse garagerockers uit de sixties).
Hun bekendste song, "Woo hoo" (van de Rock-A-Teens uit '59) zorgde zelfs voor een bescheiden moshpit. Toch werd de bal één keer misgeslagen. "Kid" (The Pretenders), geplukt uit de vier nummers tellende nieuwe single die ze opnamen met de Britse rockgodin Ludella Black (Thee Headcoatees), bleef wat richtingloos rondzwalken. Die misstap was gauw vergeten en de delicieuze set vond uiteindelijk een smaakvol slot in "Telstar" (The Tornados) dat voortgestuwd werd door een licht dementerende gitaar.
Uiteraard kon een bisronde niet uitblijven. Die werd fenomenaal ingezet met een stormachtige versie van "Hanky panky" (bekend van Tommy James & The Shondells maar oorspronkelijk van The Raindrops, de groep van songwriters Jeff Barry en Ellie Greenwich), met dit keer een minder bescheiden moshpit als gevolg, om ingetogen af te sluiten met "Harlem nocturne", een instrumental uit 1940 van Ray Noble and His Orchestra.
Achteraf prees ik me gelukkig dat ik The 5.6.7.8.'s, 39 jaar na hun oprichting, eindelijk live heb gezien.

Organisatie: The Black Lab, Wasquehal (Lille)

Leffingeleuren 2025 – Ontdekkingsfestival bij uitstek, voor tweede maal op rij uitverkocht!
Leffingeleuren 2025
Festivaldorp
Leffinge
2024-09-12 t-m 2024-09-14
Ollie Nollet

Leffingeleuren behoort samen met onder andere Gentse Feesten, Rock Werchter, Dranouter en Sjock tot de oudste nog bestaande festivals van ons land. Voor het eerst georganiseerd in 1977, groeide Leffingeleuren in de jaren 2000 uit tot een behoorlijk groot festival met net geen 20.000 bezoekers.
Na enkele tegenvallende edities werd in 2015 opnieuw gekozen voor een kleinschaliger festival. Naast de betalende optredens in de zaal, het café en een kleine tent (aanvankelijk de Kapel, later de Apollo) kwam er ook een gratis gedeelte waar bezoekers tussen de foodtrucks konden genieten van ontluikend Belgisch talent op de Busker Stage of een pittige dj-set aan de DJ-Booth. Het was even zoeken maar intussen lijkt de organisatie de ideale formule gevonden te hebben.
Leffingeleuren is vandaag een waar ontdekkingsfestival met naast enkele gevestigde waarden vooral minder gekende namen, waaronder veel buitenlandse, op het programma. Intussen lijkt ook het publiek gewonnen voor deze formule want het festival was voor de tweede maal op rij uitverkocht.

Mijn jaarlijkse bedevaart naar Leffingeleuren legde me ook dit jaar geen windeieren. Een verslag van drie dagen pendelen tussen Zaal, Apollo, Café, Busker Stage en op zaterdag ook nog Kerk.

dag 1 – vrijdag 12 september 2025
Mijn festival begon in de Apollo met 1-800-Mikey uit Sydney. 1-800-Mikey is eigenlijk het lo-fi slaapkamer project van muzikale duizendpoot Michael Barker die verder ook nog actief is bij Gee Tee en R.M.F.C.. Op het podium koos hij voor de gitaar en liet zich bijstaan door een tweede gitarist die ook de synths voor zijn rekening nam, een drummer en een bevallige bassiste. Dat leverde melodieuze powerpop op die net rafelig genoeg klonk om me over de streep te trekken. De pittige gitaren zorgden voor aanstekelijke hooks terwijl de synths zich beperkten tot de overgangen tussen de nummers. Daarbij werd het showelement niet vergeten. Zo zwierden ze plots met zijn drieën synchroon het linkerbeen sierlijk de lucht in. Het was nog vroeg, toch kon een eerste moshpit niet uitblijven.

Heavy Lungs, een viertal uit Bristol, heeft met zanger Danny Nedelko een waar fenomeen in huis. Het eveneens uit Bristol afkomstige Idles maakte in 2018 een single die zijn naam droeg, nu weten we waarom. Nedelko toonde zich een frontman met een wel erg dominante podiumuitstraling die onvermoeibaar en gracieus over het podium dartelde en ook geregeld interactie met het publiek zocht. Zo liet hij dat publiek in tweeën splijten om het op zijn teken te laten clashen. Geen enkele truc liet hij onbenut om de aandacht naar zich toe te zuigen.
En de muziek? Met zijn Metz-shirt gaf Nedelko meteen een duidelijke hint waar we het moesten zoeken. Een van energie barstende mix van noise en punk, waarin de scheurende gitaar van Oliver Southgate de dans leidde. Idles, voor ze gingen experimenteren, kan een ander referentiepunt zijn; en dan was er nog de drummer die met zijn felgekleurde short eerder in een boxring leek thuis te horen. De oerwoudgeluiden die hij ons liet maken waren niet bepaald fijnzinnig in tegenstelling tot zijn backing vocals die wel verrassend verfijnd waren.
Niet alle nummers waren even overtuigend maar de energie maakte veel, zo niet alles, goed.

Ik had er geen goed oog in toen ik de podiumopstelling van Yard (uit Dublin) zag. Die bestond uit twee electronicatafels en een gitaar met een indrukwekkend pedalboard. Geen drumstel dus. In de plaats daarvan kregen we pompende techno beats die een vreemde combinatie vormden met de gezwollen zang van Emmet White, die je eerder in een hardrockband zou verwachten.
De presentator van dienst had ons een scherpe gitaar beloofd maar daar had hij zich schromelijk in vergist. Don Malone boetseerde eerder subtiele soundscapes die soms verdronken in de pulserende beats. Bij momenten kon het me wel bekoren en Emmet White, die wat leek op Bart Cocquyt van Pink Room, bleek een gedreven frontman maar de weinig inspirerende beats lieten me uiteindelijk toch afhaken.

Daarna mochten we één van de hoogtepunten noteren in het café. Daarvoor zorgde Checkpoint, een bont gezelschap (4 mannen, 2 vrouwen) uit Melbourne. De groep heeft een eerste plaat, ‘Drift’, uit op een Duits label en die kwamen ze voorstellen. Het was hun negentiende optreden op een rij, maar van vermoeidheid was geen spoor te bekennen. Prettig gestoorde egg punk met funky vibes en een garagerandje die geïnspireerd leek door Alien Nosejob werd ons deel.
Twee drummers, waarvan één elektronisch, een bas en drie gitaren waarvan er soms één werd ingeruild voor een goedkoop klinkend orgeltje, zorgden voor de feestvreugde. Wat zich liet uiten in een bijzonder wilde moshpit waarbij het plafond en een zijdeur het bijna begaven. De innemende frontman, Erik Scerba, genoot er, balancerend op een monitor, met volle teugen van. Na een overrompelende set vielen de groepsleden elkaar uitvoerig in de armen terwijl wij uitgeteld achter bleven.

Sons uit Melsele wordt nog steeds aangekondigd als een garagerock of garagepunk band maar dat label bleek niet meer te kloppen. De garage is wellicht al lang ingeruild voor een professionele studio en dat was er aan te horen. Dit was een geoliede machine, grossierend in (veel te) grootse riffs en poppy meezingrefreinen. Het publiek lustte er duidelijk pap van en ging alweer uitzinnig te keer, maar dit soort uitvergrote rock is niet echt aan mij besteed. Maar als het even vervelend dreigde te worden, kon ik me nog altijd concentreren op Jens De Ruyte die in zijn T-shirt van The Cramps de prijs voor de meest beweeglijke bassist in de wacht sleepte.

Even later werd ik wel op mijn wenken bediend in de Apollo met Gee Tee, een vijfkoppig collectief uit Sydney, waarin ik meteen Michael Barker, die we enkele uren eerder aan het werk hadden gezien met 1-800-Mickey, herkende. Zanger en oprichter van de band, Kel Mason, zag er met zijn skimasker nogal vervaarlijk uit terwijl hun muziek aanvankelijk eigenlijk vrij braaf klonk. Braaf is hier voor één keer niet synoniem voor slecht.
Dit was heerlijk rammelende old school punk gegoten in korte, melodieuze nummers die herinneringen opriepen aan groepen zoals The Stranglers of Buzzcocks. Naarmate de set vorderde werden de songs wel wat ruiger maar ze bleven altijd even catchy terwijl de meute steeds wilder tekeer ging. Een mooi opgebouwde set die me aan de rand van de extase bracht en ik was duidelijk niet de enige.

Tegen beter weten in deed ik vervolgens een manmoedige poging om Nicky Du Soleil uit Brussel te savoureren. Na eerst het oeverloos geëmmer van een ambiancemeter te hebben aanhoord, verscheen eindelijk de nieuwe ster aan het schlagerfirmament. Helaas moest ik na één nummer de zaal verlaten met hevige darmkrampen...

dag 2 – zaterdag 13 september 2025
Op zaterdag hoorden we er al vroeg bij te zijn want de eerste band, Ryan Davis & The Roadhouse Band (oorspronkelijk uit Louisville, Kentucky maar intussen verkast naar Jeffersonville, Indiana), was meteen een topper. De zang deed meteen denken aan Bill Callahan en ook muzikaal zat het niet heel ver uit diens buurt.
Dit was bedachtzame americana met een indie insteek waarin de gitaren af en toe keet mochten schoppen. Alleen jammer dat de nummers meestal noodgedwongen uitgerokken werden door de onstuitbare en ongetwijfeld poëtische woordenstroom van Ryan Davis. Gelukkig was daar nog ene, in een gele windjack gehulde, DD Bongo die helemaal door het dak ging. Wanneer hij zich niet verloor in een sjamanistische regendans bracht hij met zijn merkwaardige percussie, spitante toetsen of zelfs een ordinaire blokfluit wat verlichting. Aan het slot van een toch wel mooie set waagde Ryan Davis zich er nog even aan om gitaar en melodica tegelijk te spelen. 

Hoeveel pech kan je hebben? Je mag dan eens totaal onverwacht op een festival aan de andere kant van het land spelen, breek je net enkele dagen ervoor je arm en moet je 24 uur voor het optreden nog onder het mes. Het overkwam Elena Lacroix van het Luikse Eosine. Hoewel ze zo geen gitaar kon spelen en duidelijk nog pijn had, was de groep toch afgezakt naar Leffinge. Met zijn vieren op één rij, allen volledig in het wit en Elena in een laken gehuld op een stoel probeerden ze er het beste van te maken. Wat eigenlijk niet lukte. Of het nu met die tegenslag te maken had, is me niet geheel duidelijk maar ik had hun mix van shoegaze, droompop en noiserock eerder al veel beter gehoord.
Dit klonk veel te artistiekerig en leek soms in onverteerbare progrock te verzanden. Gelukkig was daar nog steeds die ongrijpbare stem (wat een bereik) van onze pechvogel. Het werd uiteindelijk toch nog mooi toen tijdens het afsluitende "I am lost and found" drie schelmen onverwacht kwamen meezingen (of rappen) en zo alsnog voor vuurwerk zorgden. Dat mysterieuze drietal zou ons trouwens later op de avond nog een tweede keer verrassen.

Daarna werd ik totaal onverwacht compleet van de sokken geblazen door ELLIS-D. ELLIS-D (uit Brighton) staat voor Ellis Dickson, tegenwoordig de tourdrummer van Fat Dog. Een job die hij snel zal moeten opgeven, vermoed ik. Hier werd hij niet weggemoffeld op een drumkruk ergens achteraan op het podium maar mocht hij vooraan met een gitaar volop in de schijnwerpers staan.
Maar het waren vooral zijn ongrijpbare vocals die me meteen met verstomming sloegen en zowel David Byrne als Russell Mael (Sparks) lieten verbleken. Deze uiterst charismatische frontman, die er een handje van weg had om het publiek te vroeg te laten applaudisseren, hield me van de eerste tot laatste minuut aan zijn voeten gekluisterd. Daarbij zou ik bijna vergeten dat hij werd bijgestaan door een uitstekende vierkoppige band die minstens evenveel bijdroeg aan wat ik zou omschrijven als intelligente glamrock gekruid met een vleugje gothic-achtige paranoia. Dit was zonder twijfel het beste optreden op zaterdag. Het zijn precies dit soort verrassingen die Leffingeleuren zo leuk maken.

No Prisoners uit Gent is het nieuwste vehikel van Pieter-Jan Devos die we kennen van Kapitan Korsakov en Raketkanon. Verder herkende ik ook Leander van het Groenewoud (zoon van) op bas. Het drietal serveerde ons brutale rock met beukende riffs die me niet de hele set kon beklijven. Het had zeker zijn momenten, vooral tijdens hun cover van "Carmelita" van Warren Zevon, waarmee ze in de voetsporen traden van de legendarische GG Allin, ook al pakte die het helemaal anders aan. Wat je er ook mee aanvangt, het blijft een sterke song. Misschien was dat precies wat No Prisoners wat ontbrak: sterke songs.

Aan genres geen gebrek op Leffingeleuren. Zo was er ook plaats voor de nieuwste exponent van de Congolese rumba, hoewel ze daar zeker een buitenbeentje van zijn, Kin'gongola Kiniata uit Kinshasa. De vertaling van hun naam is het verpletterende geluid. Verpletterend was het misschien niet, fascinerend des te meer. Al hun instrumenten waren zelfgemaakt, meestal van afgedankte voorwerpen. Zo hadden ze een xylofoon bij, gemaakt met oude flessen wasmiddel, die bespeeld werd met halfvergane slippers. Het drumstel leek voor het grootste deel te bestaan uit oude radio's en tv-toestellen. Vooral de ritmische kracht en de opzwepende tweesnarige bas maakten dit onweerstaanbaar, zonder de extraordinaire gitaar en de stemmenpracht tekort te doen. Dit paste perfect in het rijtje met Konono N°1 en Staff Benda Bilili. 

Op zaterdag is er sinds een aantal jaren ook plaats voor ‘Duyster live’ waarin Ayco Duyster en Eppo Janssen enkele artiesten uitnodigen voor een kort interview en een sessie. Daar zag ik de muzikale kameleon uit Wevelgem, Brennt Vanneste, gekend van Stake (voorheen Steak Number Eight) en Klakmatrak. Dit was totaal iets anders dan zijn vorige projecten maar hij kwam er verdomd goed mee weg. Samen met een vriend op piano bracht hij akoestisch enkele liedjes die verrassend melodieus waren. Een eerste plaat, ‘Collections of goodbyes: escapade 1’ is al uit en er volgen nog twee delen. Hopelijk zien we hem hiermee nog terug in een ruimere bezetting.

 Om mijn afgepeigerde lijf wat rust te gunnen bleef ik in de kerk zitten zodat ik Tyler Ballgame in de Apollo miste. Misschien een verkeerde keuze want de IJslandse Arný Margrét kon niet echt overtuigen. Haar zoetgevooisde melancholische songs, die heel even aan Joni Mitchell deden denken, klonken best aardig maar waren wat eenvormig van karakter. De inspiratie voor haar nummers vond ze in Amerika, waar ze ook werden opgenomen, maar toen ze een song in het IJslands bracht hoorde ik buiten de taal geen wezenlijk verschil.

Het eerste nummer dat ik van Knives hoorde, een vijftal uit Bristol,  overrompelde me terstond. Het leek een ziedende stoomwals, die onvermijdelijk deed denken aan Rage Against The Machine, waaraan onmogelijk te ontkomen was. De groepsleden sprongen voortdurend hoog de lucht in, wat samen met de flikkerende lichten voor visueel spektakel zorgde.
De schreeuwerige, rappende vocals van kolos Jay Schottlander en de monstrueuze riffs lieten me tevreden grijnzen. Maar na een tijdje verschenen er toch enkele barstjes in het onbreekbaar gewaande pantser.  Zo leek de heerlijk stuiterende saxofoniste meer onderdeel van de visuele act dan van de muzikale. Ze speelde niet zo vaak en wanneer ze dat deed leek dat vooral bedoeld om de herrie compleet te maken. Daar kon ik eigenlijk nog mee leven. Veel erger was het gebrek aan inspiratie. Knives leek zichzelf voortdurend te herhalen waarbij sommige nummers slappe afkooksels leken van iets wat we enkele minuten eerder hadden gehoord. Knives was een tiental minuten briljant waarna het helaas bergafwaarts ging. 

Dat is nog altijd een stuk beter dan wat Heartworms, een trio uit Londen, ervan bakte. Toegegeven: Jojo Orme, die zowel Afghaans, Pakistaans, Deens als Chinees bloed door haar aderen heeft stromen, is een fenomeen maar dan eerder als danseres of performanceartieste. Ze begon nog met een gitaar om de hals en een theremin voor zich maar die werden al na één nummer door een loopjongen naar de kant gehaald. Zo werd ze niet meer gehinderd in hetgeen ze best kon: het imiteren van een heks of als een vleermuis over het podium dwalen. Hoewel ze een drummer en een gitarist bij zich had, bleek (te) veel van wat we hoorden gewoon vooraf opgenomen. Hun als postpunk vermomde new wave met nogal wat gothic-invloeden wist nauwelijks emoties bij me los te weken.
Ik kreeg het helemaal toen ze de zaal met haar vingertje voor de mond minutenlang liet zwijgen. Dat lukte wel maar het effect ging volledig verloren door het geroezemoes van de bar dat via de openstaande deuren vrolijk naar ons toe stroomde. Santé!

Hé hé, daar waren die drie lefgozers, die de set van Eosine op het einde wat kleur gaven, weer! Samen met een vierde jongen vormden ze Sextc, een nieuwe groep uit Gent. Nadat ik  enkele tegenvallende groepen had gezien boden zij eindelijk waar ik zo naar snakte: opwinding. Snoeiharde no-nonsense rock-'n-roll met smerige gitaren en bijtende zang waar de adrenaline van afspatte en die af en toe deed denken aan Nirvana. Tomeloos enthousiast, zoals alleen jonge groepen dat kunnen, raasden ze onbezonnen door hun set op de kleine Busker Stage.
De zanger bevond zich meer boven de hoofden van de uitbundige toeschouwers dan op het podium. Uiteindelijk belandde hij in het jonge boompje rechts voor het podium waaruit hij niet zonder enige moeite bevrijd werd.
Sextc was zonder twijfel één van de revelaties van deze editie van Leffingeleuren. Hopelijk zien we ze gauw terug.

Laatste groep die ik zag op zaterdag was Gurriers uit Dublin. Ze stonden dit jaar op Rock Werchter en worden vaak in één adem genoemd met Fontaines D.C. en The Murder Capital. Bovendien werden ze me sterk aanbevolen door een ingewijde zodat de verwachtingen hooggespannen waren. Helaas bleef ik wat op mijn honger zitten. Gurriers leek zich nooit uit het grote peloton postpunkbands te kunnen loswrikken. De sound mocht er zeker zijn, al heb ik het stilaan gehad met die als uit een grafkelder galmende gitaren.
Dan Hoff declameerde eerder zijn teksten dan hij ze zong terwijl hij vaak regels als mantras bleef herhalen. Hij had er ook een handje van weg om het publiek te manipuleren (zoals om een circle pit vragen) terwijl hij zelf altijd veilig op het droge bleef.
Andere opvallende figuren in de band waren de wel erg relaxte drummer en de hyperkinetische, in een overmaatse kilt gehesen, bassist die wel zijn weg naar het volk vond.

dag 3 - zondag 14 september 2025
Net als op zaterdag werd op zondag het startschot gegeven door een groep die zich in een buitenbaan van de americana leek te situeren. Maar in tegenstelling tot Ryan Davis hield Whitney K (Montreal) het bij korte songs, soms ultrakorte. Nu en dan leek het zelfs alsof hij er gewoon de stekker uittrok. Ook hier deed de stem me denken aan Bill Callahan, al hoorden anderen er dan weer Lou Reed in. Sommige nummers baadden sowieso al in een Velvet Underground-sfeertje.
De knappe songs zochten het schemergebied op tussen americana, altcountry en indierock. Wanneer de nummers dan toch wat langer duurden werden die opgesmukt met een Crazy Horse-achtige gitaaruitbarsting.
Hoewel de groep al heel wat platen op de teller heeft staan kwamen alle nummers, op één na, uit hun laatste, ‘Bubble’. Af en toe zette Konner Whitney ons op het verkeerde been. Zo begon "TV dreaming" als "Jealous guy" van John Lennon.
Na de set bleek er nog tijd over en maakten ze iemand die er om vroeg gelukkig met "Song for a friend", een nummer uit de vorige plaat. Whitney K, een naam om te onthouden!

Vorig jaar moesten ze hun optreden in het café op het allerlaatste moment annuleren. Dit jaar mocht Tje uit Hasselt de zondag openen op het grootste podium. Hoewel dit niet echt mijn ding was, vond ik hun zachtaardige avantpop best genietbaar. Vooral de wonderlijke zang van Lindy Versyck sprak tot de verbeelding. Ze wordt vaak vergeleken met Björk en daar kan ik wel inkomen. Naast haar zagen we nog gitarist Melvin Slabbinck, die ook een basdrum bediende, en Klaas Leyssen op bas en toetsen.

Hayden Pedigo had ik vooraf met dikke stift aangekruist. Zijn laatste plaat, ‘I'll be waving as you drive away’ behoort tot het beste wat ik dit jaar al te horen kreeg. Toch was ik er niet echt gerust op. Zou één man met enkel een gitaar, zonder zang, wel aanslaan in de Apollo? Daarop kan ik slechts één antwoord geven: een volmondig ja.
Pedigo kreeg de Apollo muisstil, zo stil zelfs dat hij er zelf ongemakkelijk van werd. Het gitaarspel van deze exceptionele fingerstyle gitarist uit Amarillo, Texas (hij woont eigenlijk al geruime tijd in Oklahoma City maar daar rept hij met geen woord over) klonk avontuurlijk zonder complex te lijken, grandioos en toch pretentieloos. Hij opende meteen met het prijsnummer van die laatste plaat: "Smoked", geïnspireerd door een oud nummer van Genesis. Nooit gedacht dat ik die naam ooit nog in een recensie over Leffingeleuren zou gebruiken en dan nog in positieve zin. Zelfs zonder het gesynthetiseerde koor vanop de plaat klonk dit magistraal.
Met het tweede nummer deed hij een poging om John Fahey met Led Zeppelin te combineren. Daarna vervlocht hij een eigen nummer met het thema van "Brokeback mountain" en zo kan ik nog even doorgaan.
Kortom: alles klonk even adembenemend en meeslepend, net als de verhalen trouwens die hij eraan koppelde.

Vervolgens zag ik op de Busker Stage Ciska Ciska, de band van de Gentse Ciska Daenens. Zij is de zus van Vito (Victoria Pax) en de dochter van Derek (& The Dirt). Ze komt duidelijk uit een familie met goede muzikale genen en wist me moeiteloos te overtuigen. Met een competente band bracht ze americana en folkpop, met echoes uit zowel het verleden (Neil Young) als het heden (Big Thief). Mooi!

Mijn favoriete podium op Leffingeleuren bevindt zich nog steeds in het café en neen, niet omdat je daar het makkelijkst aan bier geraakt. De kloof tussen artiesten en publiek is er het kleinst en zo heb ik het graag. Wat is er heerlijker dan de adem van een artiest in je gericht voelen of je moeten bukken voor een zwiepende gitaarhals. Dat laatste overkwam me trouwens letterlijk tijdens het optreden van Checkpoint op vrijdag.
Op zondag had ik het geluk er The Vovos te mogen aanschouwen, al had het wat voeten in de aarde voor het zover was. Net voor ze moesten beginnen viel de elektriciteit uit en toen dat euvel verholpen was, weigerde de stekker van het keyboard dienst. Intussen dreunde "Sabotage" van Beastie Boys door de boxen. Maar alles raakte gefixt zodat we eindelijk konden kennismaken met The Vovos, een vijfkoppige, volledig vrouwelijke queerband uit Naarm (Melbourne). Ada Duffy, een frontvrouw met een heerlijke punkbitch-attitude had haar micro aangekleed met een jasje in de vorm van een penis, inclusief ballen.
De groep heeft trouwens een EP uit met als titel ‘Cock rock’, vandaar wellicht. Het zette meteen de toon. Veel hoogstaands hoefde je niet te verwachten maar hun jangle-punk was zo charmant en aanstekelijk, dat iedereen ervoor bezweek.

Mocht het ooit wat minder gaan met de muzikale carrière van Babe Rainbow uit het Australische Byron Bay, wat ik trouwens niet meteen zie gebeuren, kunnen de bandleden altijd nog bijklussen als levende standbeelden. Zelden zag ik zo'n statische band. Zelfs als zanger Angus Dowling zich noodgedwongen moest bewegen, om zijn sambaballen te grijpen bijvoorbeeld, gebeurde dat in slow motion. Ook hun muziek klonk uitermate laidback: neo-psychedelica met zachte zang en hypnotiserende grooves. Een lounge-versie van The Beach Boys die me liet zwijmelen.
Naarmate de set vorderde kwamen er steeds meer seventies-funk invloeden bovendrijven maar het bleef even relaxt klinken. Na een begeesterende set vroeg Angus Dowling beleefd of er nog ruimte was voor een bisnummer, helaas tevergeefs.

Gut Health uit Naarm (Melbourne) mocht al openen voor groepen als Queens Of The Stone Age en Primal Scream, in Leffinge stonden ze op het bescheiden podium van het café. Het had wat tijd nodig eer ik me kon vinden in de exploten van dit bonte gezelschap. Maar gaandeweg raakte ik steeds meer in de ban van hun hoekige mix van no-wave en artpunk. Zangeres Athina Uh Oh, een pittig opdondertje dat haar fitnessprogramma leek af te werken, was een fascinerende frontvrouw. Verder bestond deze intrigerende formatie uit twee drummers, die voor een sterke ritmische impuls zorgden, een funky bas en twee gitaren die niet zelden als stoorzender fungeerden. Een niet makkelijk in het oor liggende combinatie die toch een hypnotiserende aantrekkingskracht had. Het laatste nummer, het bijzonder fraaie "Stiletto", liet ons bijna smeken om meer.

Maar daar was absoluut geen tijd voor want intussen stond R.M.F.C. uit Sydney klaar in de Apollo. R.M.F.C. staat voor Rock Music Fan Club, komt uit Sydney en was de vierde Australische groep op een rij die ik mocht bewonderen. Ook dit bleek een fascinerende band die moeilijk te plaatsen viel. Ze worden al eens vergeleken met The Fall en Devo maar dat hoorde ik er niet in. Mijn vermoeide brein kon bij deze postpunk in een garagejasje slechts enkele wankele vergelijkingen verzinnen: Joy Division na een rock-'n-roll-injectie, Beasts Of Bourbon na een spoedcursus punk of Black Rebel Motorcycle Club op zijn vettigst.
In de frontlinie zagen we een bassist en een gitarist die duidelijk niet verlegen zaten om een rock-'n-roll pose meer of minder. Naast hen een tweede gitarist en een saxofonist maar de architect van de groep bevond zich achter het drumstel. Buz Clatworthy nam niet alleen het merendeel van de vocals voor zijn rekening maar schreef ook de knap gecomponeerde nummers. Het bleef knetteren tot de saxofonist een weemoedige solo uit zijn instrument mocht persen. Na dit verstilde moment viel het om onverklaarbare redenen zelfs helemaal stil. Na minutenlang overleg wist de locomotief zich alsnog in beweging te trekken met een zinderend slot als eindbestemming.

Clap Your Hands Say Yeah uit Philadelphia was wellicht de band waar het meest naar uitgekeken werd. Oprichter en enig overgebleven lid Alec Ounsworth kwam er samen met een drietal tourmuzikanten het 20 jaar oude, titelloze debuut integraal ten gehore brengen. Die plaat, door sommigen bestempeld als een meesterwerk, is geruisloos aan me voorbijgegaan en na hun doortocht in Leffinge voel ik nog steeds geen drang om het album alsnog op te pikken. Toch konden de verfrissend jengelende gitaren mijn hart aanvankelijk wel verwarmen terwijl Ounsworths, op zijn zachtst gezegd, niet alledaagse stem de verbeelding voldoende prikkelde.
Maar ook indiepop, hoe verfijnd ook, blijft uiteindelijk pop en dat is iets waar ondergetekende niet meteen op zoek naar is. Bovendien sloop er na verloop van tijd wat eenvormigheid in de set met als gevolg dat nogal wat mensen afhaakten. Toch mocht Clap Your Hands Say Yeah na hun toegestane tijd gewoon doorspelen, terwijl even daarvoor Babe Rainbow een bis geweigerd werd. Mij niet gelaten, maar toch begon de Black Lips-fan in mij behoorlijk zenuwachtig te worden. De tijd voor de changeover werd immers steeds korter, wat wel eens gevolgen kon hebben voor de set van de Black Lips. Gelukkig had dit uiteindelijk toch geen consequenties.

Black Lips uit Atlanta vormen een kleurrijke mix van vijf unieke persoonlijkheden. Jeff Clarke, die voor één keer zijn kleedje thuis liet ten gunste van een korte broek, staat in voor het countryluikje en de vettige gitaar. Bassist Jared Swilley, kam keurig in de achterzak, is de Fonzie van de band. Gitarist Cole Alexander, het ongeleide projectiel dat na 25 jaar nog steeds zijn fluimen de lucht in spuwde om ze vervolgens weer met de mond op te vangen. Wat minder opvallend misschien, maar de leider van het zootje: drummer Oakley Munson. De laatste plaat werd trouwens in zijn Sound At Manor studio in The Catskills opgenomen. En ten slotte saxofoniste Zumi Rosow, die haar eigen performance opvoerde binnen de Black Lips-show. Met vijf zangers in de rangen schonken ze ons uitbundig (samen) gezongen garagerock, slordig en nonchalant maar o zo aanstekelijk.
Van begin tot eind een feest, de perfecte afsluiter van Leffingeleuren! Ze selecteerden slechts één nummer uit de gloednieuwe ‘Season of the peach’-plaat: "Zulu saints" waardoor er ruimte zat was voor de oude klassiekers. Songs als "Holding me holding you", "Hooker Jon", "Dirty hands" of "O Katrina!" werden door een uitzinnig publiek met onstuimige reacties ontvangen en luidruchtig meegebruld. De Velvet Underground-cover "Get it on time", weergaloos gezongen door Zumi, liet me nog maar eens wegsmelten.
Na al die jaren zit er nog steeds geen spatje sleet op de Black Lips. De set, die in geen tijd voorbij vloog, werd extatisch afgerond met de bis, "Bad kids" waarna een dolgedraaide Cole Alexander het publiek indook.

Leffingeleuren 2025 was een erg sterke editie met als absolute hoogtepunten Checkpoint en Gee Tee op vrijdag, ELLIS-D en Sextc op zaterdag en Hayden Pedigo, R.M.F.C. en Black lips op zondag.

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/index.php/nl/component/phocagallery/category/8606-leffingeleuren-2025?Itemid=0
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  

Psychedelic Porn Crumpets - Uitzinnige psychrock van een fenomenale liveband
Psychedelic Porn Crumpets
De Zwerver
Leffinge
2025-08-29
Ollie Nollet

Om eerlijk te zijn: ik heb me eigenlijk nooit beziggehouden met de Psychedelic Porn Crumpets. Niet dat de groep uit het Australische Perth me onbekend was. Eenmaal hun fascinerende naam gehoord, vergeet je die trouwens nooit meer, maar me verdiepen in hun muziek had ik tot een paar weken geleden nooit gedaan. Maar wanneer een band die zo'n uitzonderlijke live-reputatie geniet naar één van mijn favoriete clubs komt wil ik dat toch niet missen. Een reputatie die ze overigens helemaal waarmaakten maar eerst mocht Bront zich aan ons voorstellen.

Zoek niet te hard naar de betekenis van hun naam: Bront is gewoon een vervorming van de voornaam van Brent Pauwels, geestelijke vader van de groep. Bront was oorspronkelijk het slaapkamerproject van Brent Pauwels, maar intussen heeft hij een viertal uitstekende muzikanten rond zich verzameld die allen ook actief zijn in meerdere, mij meestal onbekende, andere groepen. Me wel bekend waren de broers de Geus die ik eerder al aan het werk had gezien: gitarist Casper bij Brorlab en Moar, drummer Simon bij Meltheads en eveneens Moar.
Brent Pauwels (met een onvervalste pornosnor) bleek meteen een innemende frontman. Zijn lage stem, die soms aan Warren Thomas van de veel te vroeg ter ziele gegane The Abigails deed denken, klonk misschien afstandelijk maar dat maakte ze enkel intrigerender.
Muzikaal tapte Bront uit nogal wat vaatjes: lofi, postpunk, garagerock, jangle pop,... Toch was er één constante factor: de sterke songs.
De groep stond meteen op scherp met 2 nummers uit hun gloednieuwe, uitstekende EP "#9" waarmee Bront zes jaar na de vorige plaat weer helemaal terug is. "#9" bevat slechts vier nummers zodat er ruimte genoeg was om royaal in het verleden te graven. Dat oudere werk bleek de tand des tijds goed doorstaan te hebben en moest zeker niet onderdoen voor het nieuwe materiaal. Het door de bas van Niels Elsermans voortgestuwde "Nipples of society", waarin de zanger bewees ook de hoge noten aan te kunnen, vond ik zelfs het absolute hoogtepunt en dat nummer stond reeds op de eerste EP ‘The blonde koala show vol.1’ uit 2017.
Het werd een mooie, erg gevarieerde set zonder inzinkingen die groots werd afgesloten met het op een marsritme voortdenderende "Hard and sad" waarna ik alleen maar tot het besluit kon komen dat De Zwerver zijn voorprogramma's telkens met veel zorg weet uit te kiezen. Dit was er zeker eentje om te onthouden.

Met drie gitaren in de frontlinie ontpopte Psychedelic Porn Crumpets zich tot een nog uitgesprokener gitaarband dan ik had verwacht. De elektronica beperkte zich tot een minimum en gitarist Chris Young ruilde zijn gitaar slechts een enkele keer voor een keyboard. Dat zat dus wel goed.
Toch duurde het een tijdje vooraleer ik volledig werd meegezogen in de slipstream van een af en toe met zijn gitaarriem worstelende Jack McEwan en zijn vier vrienden. Het was even aanpassen aan die grootse, trippy sound waarin psychrock vakkundig gemixt werd met stoner en verder op smaak gebracht werd een mespuntje progrock.
Ook de nummers zelf waren niet instant behapbaar. Het leken wel spinnenwebben. Wat aanvankelijk een onoverzichtelijke wirwar leek, bleek bij nader inzien dan toch fijne compositorische elementen te bevatten waarin niet zelden een machtige riff verscholen lag. Blijkbaar was ik niet de enige die wat rodage nodig had.
Ook de niet onaanzienlijke meute devote fans had wat tijd nodig om haar roemruchte reputatie waar te maken. Maar eenmaal het hek van de dam stuiterden de lijven moorddadig hoog en vormden zich uitzinnige circlepits. Op een gegeven moment ging een groep diehards zelfs even samen op de grond zitten voor wat ik niet beter kan omschrijven dan de Marie-Louise, een beweging die ik tot nu toe enkel kende van banale trouwfeesten. Ook vocaal lieten deze enthousiastelingen zich niet onbetuigd. Er werd uitbundig meegezongen, opvallend genoeg meer met de gitaarriffs dan met de vocals, en het gejoel tussen de nummers was zo mogelijk nog luidruchtiger. Of zouden die twee strategisch op de rand van het podium opgestelde microfoons, richting het publiek, daar voor iets tussen gezeten hebben?
In ieder geval laafde de groep zich gulzig aan die energie van het publiek waardoor ook zij steeds geestdriftiger werden. 
Hun laatste, "Carpe diem, moonman" vind ik niet bepaald wereldschokkend, toch staan er twee fantastische nummers op: "Another Reincarnation" en " March On For Pax Romana" en die zaten netjes bij de drie geselecteerde nummers uit die plaat. Het maakte me alleen maar euforischer. Zelfs de talloze verstilde gitaar intro's van Jack McEwan, die verrassend conventioneel klonken voor iemand die zich ooit liet ontvallen dat hij elke natuurlijke conventie in het gitaarspel wilde vergeten, konden me mateloos boeien. Alleen enkele kalmere passages die me deden denken aan Tame Impala, een groep die niet mijn definitie van psychedelica deelt, kon ik wat minder smaken.
Psychedelic Porn Crumpets bewees met een set uitzinnige psychrock, die in al zijn grootsheid soms even flirtte met stadionrock maar die grens gelukkig nooit echt overschreed, een fenomenale liveband te zijn.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Private Function - Brutaal, zonder remmen en vol humor

Het was zeker niet op basis van hun platen dat ik besloot om Private Function te gaan zien want die vind ik verre van indrukwekkend. Maar het aantal lovende reacties dat ik te horen kreeg van mensen die de groep eerder aan het werk zagen was dermate hoog dat ik haast niet anders kon dan dit livefenomeen eens te gaan checken.
En dat kon, in The Pit's maar dat zou zomaar eens de laatste keer geweest kunnen zijn. Eigenlijk is Private Function dit soort cafés inmiddels al ontgroeid maar omdat ze The Pit's zo'n geweldige locatie vinden, wilden ze er absoluut nog eens opdraven. Er werd dan ook een stormloop verwacht (The Pit's werkt zonder voorverkoop) maar die bleef gelukkig net beheersbaar.

De eer om te openen was weggelegd voor Tipi., een duo uit Brussel dat ons een mix van punk, hardcore, garage en psych beloofde. Ik hoorde vooral met veel power gebrachte punk die in de verte deed denken aan Japandroids. Knallende drums, een laagvliegende gitaar en twee brulboeien waren daarbij de voornaamste ingrediënten. Een gebrek aan energie kon je zanger-gitarist Martin (Mr. Fartface, Alien Nation,...) en drummer Makhmo (Asile, Suicides De Lapins,...) moeilijk verwijten. Vooral die drummer, die zijn broek thuis had laten liggen, wist geen raad met zijn onstuimigheid. Hij klom voortdurend op zijn drumkruk en haalde in al zijn furiositeit ook nog eens het spandoek van Private Function naar beneden.
Tipi. week geen millimeter af van de gekozen stijl, maar wist dankzij de knappe nummers toch voor voldoende variatie te zorgen. Een gesmaakte set waarin een nummer werd opgedragen aan de een dag eerder overleden Ozzy.

Daarna was het de beurt aan het zeskoppige livemonster uit Melbourne dat haar gloednieuwe plaat, met een titel die voor mij onmogelijk te typen is, kwam voorstellen. Een plaat waarvan de hoes minstens even inventief is als de muziek. Die hoes -de eerste microscopische volgens de groep- bestaat uit 2590 individuele platenhoezen ontworpen door Bootleg Comics en is voorzien van een speciaal gebouwd vergrootglas om zich volledig in het artwork te kunnen verdiepen.
Dat lijkt een nogal artistiekerige aanpak maar op het podium bleek meteen het tegendeel waar. Het publiek wist verdomd goed waarvoor het gekomen was. Vanaf de eerste noten barstte de moshpit los en spoot het bier in alle richtingen. Hun ondefinieerbare mix van punk en psychrock klonk luid, explosief en ongeremd. Nummers als "Ready to be rich" en "Fuck me dead" klonken meteen vertrouwd en nodigden uit tot meebrullen.
Zanger Chris Penney wist als geen ander hoe hij een publiek moest ophitsen. Hij sprong vrijwel meteen op de toog en waagde zich af en toe aan een rondje crowdsurfen waarbij mijn hoofd een paar keer kennismaakte met zijn bottines.
De heksenketel werd zo mogelijk nog heter toen bassiste Milla Holland de microfoon van Penney toegespeeld kreeg. Het hardcoregehalte schoot meteen fors omhoog terwijl haar akelig indringende stemgeluid niet te omschrijven viel.
Er was ook plaats voor een gezonde dosis humor. Daar zorgden in de eerste plaats enkele verminkte covers voor: "I get around" van The Beach Boys" en "Free bird" van Lynyrd Skynyrd. Achteraf hoorde ik dat ze ook een nummer van Coldplay door de mangel gehaald hadden. Ook de vier ultrakorte nummers, telkens onder de 10 seconden en voorafgegaan door een 1-2-3-4 in Ramones-stijl, kon je moeilijk erg serieus nemen.
Een van energie barstende set werd afgesloten met het splinterbommetje "Duct tape", waarna Chris Penney de benen nam. De rest van de band bleef gewoon op het podium staan en toen de zanger niet meteen terug kwam opdagen, speelde gitarist Anthony Biancofiore met een brede grijns op het gelaat feilloos de intro van "Radar love". Een mooi eerbetoon zonder woorden voor de net overleden George Kooymans en tevens het bewijs van de veelzijdigheid van Private Function die veel groter bleek dan ik had kunnen vermoeden. 

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Left Lane Cruiser - Meteen een marathonset met de nieuwe drummer

Voor deze laatste editie van Stad Onderstroom, een festival dat sinds 2001 onze zomermaanden opvrolijkt met gratis culturele activiteiten, wist de 4AD nog een verleidelijke naam van internationale allure te strikken. Hoewel Left Lane Cruiser nog maar een jaar geleden dit podium in vuur en vlam zette, kwam er ook dit keer een pak volk opdagen. Wat nog maar eens bewijst dat men dit duo uit Fort Wayne, Indiana nooit genoeg gezien kan hebben, maar ook de openingsact had heel wat fans weten te mobiliseren.

Die opener werd aangekondigd als Me, Myself and I maar leek beter gekend als Dries One Man (Blues) Band. Die Dries staat dan weer voor Dries Laveyne, een jongeman uit Gistel die zijn hart duidelijk verpand heeft aan de blues en zich liet inspireren door onder meer Tiny Legs Tim.
Gewapend met een elementair drumstel, een nadrukkelijk aanwezige mondharmonica en een vettige gitaar zong hij met een rauwe, zelfverzekerde strot enkele iconische bluesnummers. Daarbij zocht hij voortdurend contact met het publiek en deed er werkelijk alles aan om de sfeer tot een kookpunt te brengen. Zo eindigde hij een nummer al staand op de basdrum. Opzwepende, door slide gitaar gedreven blues werd afgewisseld met pompende boogie waarbij een innige liefde voor Canned Heat leek door te schemeren. Minstens vier nummers stonden ook op het repertoire van die legendarische band uit Los Angeles: "On the road again", "Going up the country" (Bull Doze Blues van Henry Thomas uit 1929),  "Let's work together" (Wilbert Harrison) en "Rollin' and Tumblin''" (het best gekend in de versie van Muddy Waters).
Het bleek bijzonder moeilijk om daarbij de heupen stil te houden en Dries kon zijn set dan ook niet toepasselijker afsluiten dan met "Shake your hips" van Slim Harpo.
Ik was al aangenaam verrast dat een prille dertiger zich aan dit soort rudimentaire blues waagde, maar wat hij bracht bleek zowaar een revelatie. Iets wat ook Freddie J IV van Left Lane Cruiser niet ontgaan was, want maar liefst vier keer sprak hij lovende woorden over hem uit.

Het was maar de vraag of Left Lane Cruiser me hetzelfde euforische gevoel kon bezorgen als tijdens hun passage vorig jaar, toen hun tour één lange triomftocht leek. Dat bleek de eerste twintig minuten alvast niet het geval te zijn. Daarvoor was ik te veel uit het lood geslagen door de onverwachte, onaangekondigde verschijning van een nieuwe drummer. Het jarenlange gesukkel met verschillende drummers leek in 2022 definitief voorbij toen Brenn Beck, drummer van het eerste uur, terug op het oude nest streek. Maar die heeft dus opnieuw moeten afhaken en daar zullen de moordende tourschema's van Left Lane Cruiser wellicht niet vreemd aan zijn.
Geen in een Appalachian ambiance gedrenkte "Wash it" als opener dus, met Brenn Beck op basdrum, wasbord en koebel. Die minimale stijl leek me ook niks voor deze nieuwkomer die wat nerveus leek en na ieder nummer wel iets moest bijstellen aan zijn, naar Left Lane Cruiser-normen, uitgebreide drumstel.
Rick Kinney -zo heet de man- is een succesrijk ondernemer en zakenman die tevens reeds meer dan 20 jaar de vellen roert bij Moser Woods, een instrumentale progrockband waarvan hij medeoprichter is. Een vreemde keuze, zo lijkt het, maar Kinney was de laatste jaren ook actief bij Pete Dio and The Old & Dirty en die Pete Dio is een ex-drummer van Left Lane Cruiser. Vandaar wellicht dat hij in beeld kwam bij Freddie J IV.
Bij gebrek aan wasbord werd er dan maar afgetrapt met "Wild about you baby" van Hound Dog Taylor, een nummer dat eerder ook al meermaals als opener diende en waarin Freddie meteen uitpakte met zijn verschroeiende slidegitaar.
Verrassend weinig covers dit keer, ik hoorde enkel nog het altijd even mooi klinkende "Mule plow line" van Jimbo Mathus.
Wel veel werk uit de laatste en uitstekende plaat ‘Bayport BBQ Blues’ maar ook de parels uit het verleden werden niet vergeten. Zo passeerden onder meer drie nummers uit hun nog steeds indrukwekkend klinkend debuut op Alive Records uit 2008 , ‘Bring yo' ass to the table’, de revue.
Aan de songkeuze kan het dus zeker niet gelegen hebben dat ik aanvankelijk het gevoel had dat er iets ontbrak. Ook de bezieling waarmee Freddie J IV -die zoals altijd het ene pintje na het andere achterover sloeg- kromgebogen op zijn stoel de snaren van zijn gitaar molesteerde, was als vanouds. Zelfs onder die vele lagen gruis valt trouwens op hoe zijn gitaarspel alsmaar subtieler wordt, zo bleek ook uit de twee nummers van de nieuwe single: "Broke down lines" en "Hit the stone".
Nee, ik had gewoon wat tijd nodig om me aan te passen aan de licht gewijzigde sound die de komst van een nieuwe drummer met zich meebracht. Eenmaal verzoend met de aanpak van Rick Kinney (meer power en explosiviteit dan bij Brenn Beck), leek de magie geleidelijk aan terug te keren. Toen ook de koebel plots weer zijn plaats kreeg viel alles terug in de vertrouwde plooi.
Het werd uiteindelijk een marathonset van maar liefst een uur en drie kwartier, glorieus afgesloten met twee stevige versies van de oude goudklompjes "Mr Johnson" en "Hillgrass Bluebilly".
Zelfs het zoveelste ontslag van een drummer kon Freddie J IV niet uit zijn evenwicht brengen en Left Lane Cruiser lijkt dan ook verre van uitgeteld. Meer nog: als de nieuwe single een voorbode is dan gloort er nog heel wat fraais aan de horizon.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Pagina 1 van 24