logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Ollie Nollet

Ollie Nollet

Rock Zerkegem 2022 - Einde in schoonheid
Rock Zerkegem 2022
Festivalweide (aan de Schooiweg)
2022-07-23
Zerkegem
Ollie Nollet

Na vijftien jaar gooien organisatoren Jonas en Pieter-Jan de handdoek in de ring maar niet zonder nog één keer alles te geven. Het werd een einde in schoonheid want dit was misschien (ik was er niet altijd bij) wel de beste editie ooit. Zeer veel volk, een zalig weertje en vooral goeie muziek met als uitschieters Tuff Guac en Tramhaus.
Vooraf was er even sprake van een lichte prijsverhoging maar uiteindelijk bleef alles bij het oude en werden de pintjes er aan één euro geserveerd wat altijd hét uithangbord is geweest van Rock Zerkegem.
Missen zullen we het zeker maar het is vooral jammer voor die groepen die anders enkel in groezelige cafeetjes of in het beste geval in het voorprogramma van een wat grotere band mogen spelen en hier eens mochten aantreden voor een ruimer en altijd even enthousiast publiek.

Eerste band, I Am Batman, hoorde ik enkel van ver terwijl ik stond aan te schuiven aan de ingang, waar een doodsprentje op ons lag te wachten. Nooit eerder meegemaakt hier maar blijkbaar wou iedereen er deze laatste keer vroeg bij zijn. 

Eerste groep die ik zag was het Gentse viertal Nimbus Cart en wat ik hoorde deed toch even mijn wenkbrauwen fronsen. Seventies rock! Bijna schreef ik 'belegen' maar dat was het niet en daar zorgde vooral Janis voor, een fenomenale frontvrouw die haar naam niet gestolen had. Wat een strot en wat een attitude! Zo presteerde ze het om al vroeg in de set voor één nummer een dwarsfluit op te duikelen, niet meteen het instrument waarmee je veel vrienden maakt in de rock-'n-roll maar dat kon haar geen reet schelen. De laatste die ik het zag gebruiken in een rockgroep moet John Dwyer van Thee Oh Sees geweest zijn. Mocht dit een referentie zijn dan was het er alvast één die kon tellen.

Met Purrses uit Brussel zagen we opnieuw een kwartet met een zangeres in de frontlinie, zij het van een geheel andere orde. Zelf noemen ze het daddy's rock, ik hoorde vooral soulvolle indiepop met veel stijl gezongen door de charmante zangeres Laura, afkomstig uit Marseille. Naast een dartele cover van "My girl" (The Temptations) mocht er al eens een nummer in het Frans gezongen worden terwijl Laura tussendoor ook nog eens bewees een aardig deuntje te kunnen fluiten. Knap allemaal maar toch net iets te vrijblijvend.

Meteen daarna ontpopte de drummer van Purrses zich op het hoofdpodium tot de hyperkinetische frontman van Warm Exit (Brussel). Gehuld in een korte broek en een opvallend "FBI" topje stuiterde Max Poelmann, zo heet hij, met zijn basgitaar over het podium. Samen met zanger-gitarist Valentino Sacchi en drummer Martin Tafani ploegde hij zich door een set razende postpunk waar de energie vanaf droop. Toch kwam het mooiste moment er toen Poelmann zijn bas ruilde voor de gitaar van Sacchi en Tafani zijn drumstel verliet om aan de synths een donker en dreigend nummer te zingen. Schitterende groep!

Met de tongbreker Kalaallit Nunaat (wat staat voor Groenland in de taal van de Inuit) kregen we een trio uit Rotterdam te zien. Met een grote gretigheid beten ze zich vast in nietsontziende, met veel noise doorweven postpunk. Een door merg en been snijdende gitaar, een doldraaiende bas en voortjakkerende drums stoffeerden de explosieve nummers die soms deden denken aan Metz en een enkele keer aan Wire. Maar helemaal overtuigen deden ze niet. Spelbrekers waren de te monotone zang en het geluid dat nooit echt goed zat.

De podiumtruck raakte goed gevuld met het negenkoppige Antwerpse gezelschap Condor Gruppe. Met in de indrukwekkende line up drie gitaren, bas ,drums, conga's, orgel/ synths, trompet, sax en bariton sax dompelden ze de weide onder relaxerende vibes.
De groep heeft een volstrekt unieke sound gecreëerd die bestaat uit een amalgaam aan stijlen en invloeden zoals psychedelica, seventies exotica, krautrock, surf, Calexico of Ennio Morricone. Heel mooi allemaal maar soms iets te kabbelend zodat ik stiekem hoopte op wat vuurwerk. Daar hadden de drie uitstekende blazers, die naar mijn gevoel te weinig aan bod kwamen, beslist voor kunnen zorgen.
Ach, het was slechts een kleine oprisping die trouwens volledig werd weggespoeld door het hypnotiserende slotnummer met Nicolas Mortelmans op sitar.

Het was reeds de derde keer in ruim een half jaar tijd dat ik het Antwerpse Tuff Guac aan het werk zag en ik kan alleen maar constateren dat ik ze steeds beter vind. Op plaat is Tuff Guac het soloproject van ‘Belly Button Records’ baas Rafael Valles Hilario maar op het podium zagen we toch een solide, steeds beter geoliede groep met naast Hilario bassist Jasper Suys, drummer Gert-Jan Van Damme (beiden Mogo) en de telkens opnieuw begeesterende Wim De Busser (King Dick, Zita Swoon, Helmut Lotti,...) op gitaar en toetsen. Hun aanstekelijk rammelende mix van bubblegum pop en garagerock liet de tent ontploffen terwijl ze nu, dankzij de verplichte oefening op Humo's Rock Rally, met "Sitting on the dock of the bay" ook een song bij hadden die iedereen kon meezingen of meefluiten. Opgejut door het kluwen van beukende lijven voor hen overtrof Tuff Guac alle verwachtingen. Ze werden slechts in laatste instantie na het wegvallen van het Spaanse Pódium aan de affiche toegevoegd, toch zorgden ze voor een eerste hoogtepunt.

Door een luchtvaartstaking waren The Gluts helemaal uit Milaan met de auto naar de West-Vlaamse polders gereden. Zo groot was hun enthousiasme om hier te mogen spelen en dat vertaalde zich ook op het podium. De groep begon met een heerlijke homp modern klinkende spacerock. Ik was er meteen helemaal klaar voor, helaas zorgde zanger Nicolo Campana voor een domper op de feestvreugde. Gebrek aan inzet kon je hem moeilijk verwijten - hij smeet zich letterlijk in het publiek - maar zijn totaal ontspoorde gebrul raakte kant noch wal. Gelukkig was er nog de smerige en af en toe aan The Stooges refererende gitaar van broer Marco tot die ongeveer halverwege de set besloot zijn instrument enkel nog als stoorzender te gebruiken. Wat wel overeind bleef was de strak spelende ritmesectie, bestaande uit bassiste Claudia Cesena (een Italiaanse Kim Gordon) en drummer Dario Bassi, die verhinderde dat het schip helemaal de dieperik in ging.

Tramhaus, genoemd naar een legendarisch tramhuis in hun thuisstad dat nu dienst doet als eettent, is een vijftal uit Rotterdam waarvan de leden reeds eerder aan het werk waren bij groepen met ronkende namen als Vulva, Pig Frenzy of Nagasaki Swim.
Ik had al veel lovende woorden over deze groep gehoord en die bleken stuk voor stuk te kloppen. Tramhaus wordt meestal gecatalogeerd onder de noemer postpunk maar daar ben ik het niet helemaal mee eens. Buiten die donkere, giftige zang vond ik hun bijzonder heldere sound eerder glibberen tussen noiserock en punk. In ieder geval wisten ze met een adembenemende set de tent te transformeren in een kolkende heksenketel. Zanger Lukas Jansen, die de uitstraling had van een jonge Mick Jagger gekruist met Jim Morrison, stuiterde met een ongeziene naturel over het podium. Iemand waarvan je meteen weet dat hij geboren is om op de planken te staan. Achter hem zorgden twee jongens en twee meisjes voor een strakke, sprankelende sound waardoor de gitaren verrassend melodieus mochten kronkelen. Dit klonk bedrieglijk eenvoudig en tegelijkertijd verbijsterend uniek. Het tragere, dreigende "I don't sweat", het explosieve "Karen is a punk" en het van een wonderlijke gitaar voorziene "Amour amour" waren maar enkele van de parels die ons naar adem deden happen.

Het aantal nieuwe jonge en uitstekende punkbands uit Australië is stilaan niet meer bij te houden. Denk maar aan Amyl and The Sniffers, Civic, Stiff Richards en het al wat oudere Eddy Current Suppression Ring van wie Mickey Young de platen van Vintage Crop telkens mag mixen en masteren. We hoopten Vintage Crop, niet te verwarren met het legendarische racepaard, aan dat rijtje te kunnen toevoegen maar dat zou toch wat te veel eer zijn voor dit zootje uit Melbourne. Nochtans deden ze er alles aan om een waardige afsluiter te zijn als laatste groep ooit op Zerkegem.
Het begon ook heel mooi met de nu al legendarische aankondiging van de gitarist: "We are an Australian band from Australia". Daarna beten de vier zich vast in stampende  postpunk opgejaagd door de nijdige zang van frontman Jack Cherry. Intussen kon ik het geeuwen nog amper onderdrukken en dat kwam niet alleen door het late uur.
Met de nummers van Vintage Crop was op zich niet veel mis mee maar ze waren onderling veel te inwisselbaar om te blijven boeien.

Rock Zerkegem, bedankt!

Organisatie: Rock Zerkegem

V8 Brothers Village 2022 - Rockabilly tussen glimmende bolides
V8 Brothers Village 2022
Kasteeldomein Dominiek Savio
Gits
2022-07-02 + 03
Ollie Nollet

Dit was reeds de tiende editie van V8 Brothers Village maar ik had er eerlijk gezegd nog nooit eerder van gehoord. Dit is eigenlijk vooral een oldtimer show met wagens van voor 1980, vooral Amerikaanse bolides met een V8 motor, met daaraan een kustom art show gekoppeld. Daarnaast is er dus ook een muzikaal gedeelte met vooral rockabilly groepen, een poging om de tijdgeest van de gloriedagen van de tentoongestelde wagens op te roepen veronderstel ik. Zal niet veel voorstellen, denk je dan, maar dit programma was met een verdomd fijne neus samengesteld. Iets wat ik gelukkig op tijd had vastgesteld.

dag 1- zaterdag 2 juli 2022
Eerste groep die ik zag was het Italiaanse Don Diego Trio. Hier had ik wel iets van verwacht omdat de 45-jarige Siciliaan Diego Geraci toch een serieuze staat van dienst heeft en vooral omdat ze later op de avond als begeleidingsband van Deke Dickerson zouden fungeren. Maar het viel me wat tegen. Knap gespeeld, daar niet van, maar ik miste wat ziel en vuur. Dat Don Diego heel wat in de vingers heeft bewees hij door te switchen tussen rockabilly, sixties rock-'n-roll, rhythm & blues, country, western swing en honky tonk maar warm kreeg ik het er niet van. Daar zorgde de loden hitte in de tent wel voor. Dat de groep geen bed had gezien na twee late shows in Leipzig de dag ervoor zal ook wel niet geholpen hebben. Maar mijn scepsis zou later op de avond plaatsmaken voor een mateloze bewondering.

Wat ik miste bij Don Diego kreeg ik meteen bij The McCurdy Brothers uit het Britse Norwich: vuurwerk. Gitarist Jerry en (staande) drummer Adam brachten een bijzonder explosieve mix van country, blues en rock-'n-roll, ergens halverwege Seasick Steve (die zelfgemaakte gitaar!) en The Bonnevilles. Luid en smerig zoals het hoort en met verhakkelde covers van klassiekers als "Gloria" (Them), "Roadhouse blues" (The Doors) en zelfs "Rock and roll" (Led Zeppelin). Maar vergis je niet, dit was verre van een ordinair covergroepje.

Het ging er heel wat beschaafder aan toe bij het trio Black Raven uit Düsseldorf. Deze teddy-boy revival band, actief sinds 1992, serveerde erg aanstekelijke, gestroomlijnde sixties rock-'n-roll en rockabilly die me eraan herinnerde dat ook Cliff Richard rock-'n-roll is. Ideaal voor bij de koffietafel alhoewel ze op het einde met enkele raak gekozen covers van Chuck Berry en The Bobby Fuller Four ("I fought the law") mijn nekharen toch overeind kregen.

Dé reden van mijn aanwezigheid hier was Deke Dickerson, een boerenjongen uit Missouri die intussen reeds 31 jaar in Los Angeles woont en een onoverzichtelijk kluwen aan platen uitbracht. Met groepen als The Untamed Youth, The Ecco-Fonics, The Dave and Deke Combo en zelfs eentje met The Trashmen. Daarbovenop ook nog een 12-tal soloplaten waarvan ik er paar op het schap heb staan met ronkende titels als ‘King of the whole wide world’ en ‘Number one hit record’, begin er maar aan. Tevens is hij ook een notoir gitaar verzamelaar annex archeoloog die twee boeken (‘The Strat in the Attic volumes 1&2’) vol spannende verhalen over oude gitaren schreef. Niet de eerste de beste dus en dat bleek ook hier op het podium. Begeleid door Don Diego Trio, die hun job met bravoure deden, en een extra steel gitarist bracht Dickerson een wervelende set die geen seconde verveelde. Een charismatische entertainer die perfect weet hoe hij het publiek aan zich kan binden. Zo pikte hij twee heren, uitgedost in een opvallend kostuum, uit het publiek en liet ze op het podium ritmisch mee klappen of nodigde hij een kind uit om op zijn gitaar spelen. Dat mocht de aandacht voor de muziek niet afleiden want die was werkelijk subliem. Met een heldere stem en een immer sprankelende gitaar duikelde hij haast achteloos de ene na de andere parel uit de rijke Amerikaanse muziekgeschiedenis op. Van Link Wray over Gene Vincent (het geweldige "Right now") tot "Whistle bait", een cultsong uit 1958 van Larry Collins, een 13-jarige hillbilly, en volgens Dickerson de allereerste punkrock plaat ooit. Ik kreeg er maar geen genoeg van.

Met Bobby Wilson stond er opnieuw een rasentertainer geflankeerd door Don Diego Trio op het podium, aangevuld met een pianist en een saxofonist. Bobby Wilson werd in 1961 geboren in New York maar belandde als baby in een pleeggezin in South Carolina waar hij een nieuwe familienaam kreeg: Brooks. Na een jeugd vol ellende en ziektes probeerde hij het als zanger. Op aandringen van Paul Revere (van Paul Revere and The Raiders) waagde hij zich met enige tegenzin (hij bracht liever eigen werk) aan een Jackie Wilson medley wat uiteindelijk leidde tot heuse Jackie Wilson tribute shows in Las Vegas. Leden van The Four Tops vonden de gelijkenissen tussen Bobby en Jackie Wilson zo griezelig dat ze vonden dat het niet anders kon dan dat ze familie van elkaar waren. Na bloedtesten met Jackie's erkende zonen werd ten slotte duidelijk dat Bobby de zoon is van Mr. Excitement, Jackie Wilson. Wilson Jr. begon zijn set meteen met "Reet petite" en het was toch even de ogen uitwrijven. De gelijkenissen waren zo frappant, fysiek maar vooral toch die bloedstollend mooie stem. Hij beperkte zich niet tot enkel muziek van zijn vader, heel wat andere soulgrootheden mochten de revue passeren zoals Wilson Pickett, Percy Sledge en Sam Cooke. De pakkende versie van "You send me" van die laatste bleef nog dagenlang in mijn hoofd rondspoken. Bobby Wilson liet op majestueuze wijze de grandeur van het gouden tijdperk van de soul herleven. Veel nostalgie maar ook pure klasse: dé ontdekking van dit festival.

Long Tall Texans uit Brighton bestaan intussen ook al 37(!) jaar maar een echte triomftocht bleef uit. Wanneer de drie zich vergrepen aan rechttoe rechtaan psychobilly lukte het wel. Dat begrepen ook een stelletje diehards die zich uitleefden met die typische psychobilly dans met vervaarlijk uitzwaaiende knieën en ellebogen (wrecking). Maar iets te vaak klonken de nummers te gepolijst alsof ze lonkten naar de hitparade. Hun cover van "Breakwaway" (Jackie De Shannon) was misschien leuk maar ik zat er in alle geval niet op te wachten. En dat zanger en contrabassist Mark Carew zong alsof hij net zijn vals gebit had ingeslikt hielp ook al niet. Dit kon beter.

dag 2 - zondag 3 juli 2022
Op zondag keek ik reikhalzend uit naar The Booze Bombs, de beste rockabillygroep van Het Zwarte Woud. Helaas lieten ze verstek gaan en zagen we Voodoo Swing uit Phoenix, Arizona, een trio dat ook op Sjock present zal zijn. Zanger Shorty Kreutz leuterde soms iets te lang tussen de nummers maar eigenlijk mocht hun muziek, een fijne mix van rockabilly en roots, die in het beste geval ergens in de buurt van The Paladins uitkwam, er best zijn.

Dat rockabilly ook vandaag nog behoorlijk opwindend kan klinken bewezen The Wheelgrinders uit het Canadese Vancouver. Wat een band! Hier geen halsbrekende toeren: zanger-gitarist Greg Tiernan, contrabassiste Caroline Helmeczi en drummer Stuart Quale lieten de muziek voor zich spreken. Vrij authentieke rockabilly gegoten in knappe songs verwarmde mijn hart. Vooral eigen nummers met af en toe een raak gekozen cover zoals "Betty Lou's got a new tattoo" (The Creep) of "Jungle Rock" van Hank Mizell. Dat laatste nummer was trouwens de directe aanleiding voor Greg Tiernan om rockabilly te gaan spelen. Heerlijke set!

Daarna zou The Dave and Deke Combo optreden maar Dave Stuckey was niet komen opdagen. Zo gaf Deke Dickerson dan maar een hillbilly show met de hulp van, jawel, Don Diego Trio. Het deed mijn bewondering alleen maar groeien voor Diego Gerali (met de akkoordenschema's verspreid aan zijn voeten), Giulio Farinelli (staande bas) en Andy Caligaris (drums). De heren verschenen dit keer op blote voeten in een salopette (op die van Deke hing de prijs er nog aan) en hadden ze een paar schoppen bij waarmee de kinderen gitaar mochten spelen op het podium. Echte hillbillies dus, achterlijke boeren maar hillbilly is ook een muziekstroming die bestaat uit oude country en folk, oorspronkelijk uit de Appalachen, wat we ook (ongeveer) te horen kregen. Door die zelfopgelegde beperking was het misschien net iets minder dan op zaterdag maar het bleef toch vingers en duimen aflikken bij nummers als "Sitting on top of the world" (Mississippi Sheiks) of “Mule Skinner Blues" (Jimmie Rodgers), dat voorzien was van een vocale acrobatie en tevens de enige song was die hij beide dagen speelde.

The Spunyboys uit Lille mochten het festival afsluiten en ze deden dat op spectaculaire wijze. Wat zanger Remi met zijn imposante staande bas uithaalde grensde aan het onwaarschijnlijke. Aan show geen gebrek dus en muzikaal leek het al even sensationeel: perfect geoliede rockabilly waar geen speld tussen te krijgen was. Net iets te gepolijst voor mij maar het volk genoot er met volle teugen van.

V8 Brothers Village was een verrassend sterk festival en dan had ik het nog niet eens over de talloze buitenlandse dj's die het publiek, tussen de optredens door, lieten dansen. Benieuwd of deze lijn volgend jaar wordt doorgezet.

Organisatie: Dominiek Savio, Gits

Sjock 2022 - 8 t-m 10 juli 2022 - Het rock'n'roll highlight of the year!
Sjock 2022
Festivalterrein
Gierle
2022-07-08 t-m 2022-07-10
Ollie Nollet

Het moet een hels karwei geweest zijn om dit jaar het programma van Sjock samen te stellen. Het bleef maar annulaties regenen. The Blasters, The Sadies, Chubby and The Gang en Reigning Sound zijn maar enkele van de vele groepen die voortijdig afhaakten. Maar ondanks een gehavende affiche liep de hertekende en uitgebreide site helemaal vol. De honger naar rock-'n-roll was duidelijk groot en dat gaf een bijzonder goed gevoel en wat was het fijn om na drie jaar al die vrienden terug te zien.
We waren twee van de drie dagen aanwezig …

dag 2 - zaterdag 9 juli 2022
Mijn festival begon dus op zaterdag met een zanger die foeterend het podium af stormde omdat zijn versterker het niet deed. Ach, na drie jaar mochten de zenuwen al eens gespannen staan en na enkele minuten was die weerbarstige versterker toch vervangen. De man in kwestie was niet van de minsten: Peter Sandorff, voorheen actief bij groepen als Nekromantix en Mad Sin. Zijn laatste creatie heet Hola Ghost en dat is een stel gringos uit Kopenhagen, getooid met sombrero's en macabere gelaatsschilderingen. Goed voor een beschonken versie van Calexico waarbij twee mannen op trompet, waarvan één in een beeldig kleed, er een heerlijke mariachi draai aan gaven. Naast die uitbundige Mexicaanse folklore was er ook plaats voor een geslaagde cover van "20 eyes" (Misfits) maar dat kon niet beletten dat er na een tijdje wat eenvormigheid in de set in sloop.

Daarna zag ik meteen al hét hoogtepunt van de dag op de "Bang Bang Stage", het kleinste podium dat dit jaar zijn plaats naast de twee andere podia definitief rechtvaardigde. Stiff Richards, een vijftal uit Melbourne, opende zijn set met een lekkere instrumental, "Intro" (waar halen ze het?), waarna zanger Wolfgang Buckley het podium op wandelde en met een enorme grijns op zijn gezicht ‘I love Belgium’ riep. Start van een verschroeiende set waarin meteen "Point Of You" en niet veel later "State Of Mind", de twee prijsbeesten van hun laatste plaat, op ons werden losgelaten. Maar ook op de rest van de songs viel niets af te dingen. Dit was strak gespeelde punk van de oude soort met immer melodieuze gitaar -en baslijnen, dynamische drums en pisnijdige zang. Onweerstaanbare energie gegoten in dwingende melodieën waarin Buckley met zijn enige rock-'n-roll stem als een razende tekeer mocht gaan. Het was nog vroeg op de middag maar dit hakte er al bijzonder stevig in.

Het was even bekomen maar daar was meteen al het Nederlandse Dry Riverbed Trio, de band van gitarist Dusty Ciggaar die ik ooit zag schitteren naast Ian Siegal. De overgang was wellicht te bruusk want toen het knappe "Pretty baby" halverwege onderbroken werd voor een lange gitaarescapade hield ik het voor bekeken. Kwestie ook van de krachten wat te doseren natuurlijk voor de dingen die ik niet wou missen zoals Cosmic Psychos.

Cosmic Psychos - Het was wel even schrikken toen de drie uit Melbourne het podium kwamen opgesloft. Enig origineel groepslid, Ross Knight (61) leek wel kreupel of ging hij gebukt onder de reuma? Te lang op de tractor gezeten, veronderstel ik. Gelukkig had zijn basspel daar niet onder te lijden en klonk zijn gegrom nog even onheilspellend als vroeger. Samen met drummer Dean Muller en zanger-gitarist John McKeering, (in een, door zijn enorme bierpens, aan flarden gereten marcelleke) zorgde deze Australische Lemmy zoals vanouds voor rechtdoorzee bulldozerpunk waarin alle nuances vakkundig overboord gekieperd werden. Veel leek er niet veranderd, zelfs de fonteinen van witte bloem tussen het volk vooraan, zoals ik dat hier ettelijke jaren geleden eens zag, waren er opnieuw bij. Toch miste de set het dwingende karakter van vroeger. Naar goede gewoonte staken de drie, voor ze vertrokken, hun broek af en mochten we hun harige reten aanschouwen.

Het ging er iets verfijnder aan toe op de Bang Bang Stage waar The Hawkmen uit Bristol voor een nieuw hoogtepunt zorgden. Dit viertal rond de geweldige zangeres Scarlett Fagan en de al even imponerende contrabassist Scott Milsom (met een verleden bij de rockabillyband Coffin Nails) scoorde met een rootsy mix van rock-'n-roll, rhythm & blues en soul. Pretentieloos maar erg verslavend. Mijn favoriete nummer was hun cover van het vooral van Wanda Jackson gekende "Fujiyama Mama"

Naar de Titty Twister dan voor Arsen Roulette (geboren Arsen Sheklian) uit Fresno, Californië. Samen met drie begeleiders beet deze enthousiaste en goedlachse kerel zich vast in vrij authentieke rockabilly terwijl het nodige showgehalte niet ontbrak. Zo goot hij regelmatig bier in de kelen van zijn muzikanten terwijl die doodgemoedereerd verder speelden of gooide hij een elpee het publiek in. Toen de presentator hem na afloop vertelde dat er geen tijd was voor een bis speelde hij er toch één. Een man naar mijn hart. 

Het leek wel Australië boven op zaterdag. Dit keer was het Pat Capocci uit Sydney die me van de sokken blies. Ik had nog nooit van hem gehoord maar dat bleek meteen zonde. Zes platen heeft hij al gemaakt en die moet ik dringend checken. In de rug gesteund door een uitstekende contrabassist en dito drummer vergastte hij ons op een uitermate frisse mix van rhythm & blues, roots en rockabilly met af en toe sporen van western swing, country, blues en jazz. Capocci was in staat die stokoude genres te laten klinken alsof hij ze vorige week had uitgevonden. Bovendien bleek hij ook nog eens een gitaarwizard te zijn die zich evenwel nooit vergreep aan nodeloze solo's.  Met nummers als "Teenage baby" kwam hij zelfs aardig in de buurt van The Blasters. Een ontdekking!!

Afsluiter op zaterdag was George Thorogood and The Destroyers en wat had ik hier naar uitgekeken. Maar nu ik hem na meer dan dertig jaar terug zag, ben ik er nog altijd niet uit of hier blij om moet zijn of niet. 72 is hij intussen al en het leven heeft duidelijk zijn sporen nagelaten. Een aantal kilo's bijgekomen, tot daaraan toe. Erger is dat hij die rauwe rasp van weleer volledig kwijt is. Een vlakke, krachteloze stem is wat hem rest terwijl hij bij elke inspanning naar adem moest happen. Bovendien was hij voortdurend pathetisch op zoek naar aandacht. Even verdacht ik hem ervan te lijden aan een beginnende vorm van dementie.
Was het dan zo slecht? Toch niet! Zijn gitaarspel was wel ok, zij het soms wat krampachtig en met The Destroyers (gitaar, bas, drums, sax) had hij een fantastische band bij, aangevoerd door gitarist Jim Suhler die je kan kennen van zijn eigen platen. 
En dan die setlist! Die bestond uit niets anders dan klassiekers, wat een feest van herkenning. Het begon toepasselijk met "Rock party", oorspronkelijk van Holland K. Smith, een lillende brock rock-'n-roll helemaal in de stijl van Chuck Berry. Gevolgd door "Night time" (The Strangeloves), "Who do you love?" (Bo Diddley), "I drink alone", "One Scotch, One Bourbon, One Beer", "Gear jammer" (misschien wel zijn beste song), "Get a haircut", "Bad to the bone", "Move it on over" (Hank Williams),"Born to be bad" (het bisnummer),... Af en toe verdween hij in de coulissen terwijl zijn gitaar gestemd werd en hij even op adem kon komen. Op die momenten kregen The Destroyers het rijk voor hen alleen wat onder meer resulteerde in een gesmaakte cover van "Tequila" (the Champs) met saxofonist Buddy Leach in de hoofdrol. Het was zeker veel meer dan een genietbaar optreden, alleen gaf de protagonist een ontluisterende aanblik.

dag 3 - zondag 10 juli 2022
Het was pas één uur na de middag maar Harvesters, een nieuwe band met oudgedienden uit Gent vloog er met de nodige begeestering in. Veel klassieker dan ik verwacht had maar dat bleek geen hinderpaal. Vooral de soms behoorlijk vet klinkende gitaren (van Miguel Moors en Paul Lamont) bliezen de prut uit mijn ogen.

Ik had het Gentse Pink Room al een paar keer aan het werk gezien en dat kwam telkens aan als een vuistslag in het gezicht. Maar dat was dan iedere keer in een bedompt café. Vraag was dan ook of die tomeloze energie niet zou verloren gaan op het hoofdpodium van Sjock. Dat bleek allerminst het geval, hun ziedende garagenoise klonk hier met een extra gitarist zelfs beter dan ooit.

Daarna zag ik opnieuw een Belgische groep: Belle Star and The Boot Jacks. Dit combo uit Antwerpen rond de ravissante zangeres Ariane Van Hasselt bracht een verfijnde mix van country, western swing en rock-'n-roll die bleef boeien tot de laatste noot. In een bezetting met gitaar, staande bas, drums en pedal steel speelde Belle Star zelf akoestische gitaar en autoharp, een wat vergeten, op een citer gelijkend, snaarinstrument dat ook door June Carter Cash gebezigd werd.

The Bobby Lees uit Woodstock, New York waren voor velen dé verrassing van het festival. Ik had ze reeds eerder aan het werk gezien in de 4AD en kon alleen maar vaststellen dat dit nog steeds piepjonge viertal veel aan podiummaturiteit gewonnen had. Vol zelfvertrouwen raasden ze door hun set die bulkte van de energie en waarin enkele merkwaardige covers verscholen zaten: "Blank generation" (Richard Hell), "Be my enemy" (The Waterboys) en "I'm a man" (Bo  Diddley), dat ze in Diksmuide over het hoofd zagen.
Met de 27-jarige zangeres-gitariste Sam Quartin hebben The Bobby Lees een charismatische frontvrouw in huis die met haar aan rap refererende zangstijl de Titty Twister moeiteloos wist in te palmen. Dat gecombineerd met een overijverige bassiste die soms wat jazzy klonk, een energieke drummer en een metalig klinkende gitarist leek misschien vreemd maar het klopte wel. Unieke band!

Pat Todd and The Rankoutsiders (Los Angeles) was de groep waar ik het meest naar uitkeek op zondag. Een optreden van The Lazy Cowgirls destijds (jaren '90) in de Gentse Democrazy liet een onuitwisbare indruk op me na maar Pat Todd, die na de split in 2004 met The Rankoutsiders verder boerde, zag ik nooit meer terug. Daar bracht Sjock nu gelukkig verandering in. Met zijn kleine gedrongen gestalte zag hij er wat uit als een rock-'n-rollversie van Michel Pollentier terwijl mijn copain dan weer aan Danny DeVito moest denken. Niet meteen een hippe verschijning dus maar Pat Todd geldt nog steeds als één van de meest oprechte rock-'n-roll zangers ter wereld wat hij ook hier op de Bang Bang Stage bewees met een set no nonsense rock-'n-roll recht uit het hart. Er zat absoluut geen sleet op zijn stem terwijl hij met Nick Alexander en Kevin Keller twee uitstekende gitaristen bij zich had. Tussen de eigen songs maakte hij ook plaats voor twee obscure covers: "Ride on red, ride on" van Louisiana Red en "I'm a cool teenager" van El Pauling and The Royalton om uiteindelijk feestelijk af te sluiten met "Route 66".

De laatste platen van Osees uit San Francisco (voorheen The(e) Oh Sees, OCS, Oh Sees) kunnen me maar matig boeien maar toen John Dwyer zijn set op het hoofdpodium begon met een fragment van "Interstellar overdrive" (Pink Floyd) was ik meteen bij de les. Het niveau van de oerversie met Brigid Dawson, Petey Dammit! en Mike Shoun zal Dwyer wellicht nooit meer halen maar wat hij hier wist neer te poten was toch nog steeds buiten categorie in de huidige psychrock scene. Getooid met een imposante pornosnor vuurde hij samen met twee drummers, een bassist en een toetsenist de ene na de andere splinterbom de wei in. Zijn onnavolgbare gitaarspel bleef begeesteren terwijl het verleden gelukkig niet volledig geschuwd werd wat onder meer zorgde voor een genadeloos "Toe cutter - thumb buster". 
Enig punt van kritiek die ik achteraf hoorde was de korte duur van de set maar dat stelde me in staat om me op mijn gemak vooraan te gaan nestelen voor The Jason Ringenberg Band.

The Jason Ringenberg Band - En of dat de moeite was... De nu 63-jarige Jason Ringenberg, gehuld in een opvallend rhinestonehemd, dartelde als een jong veulen over het podium. Begeleid door een Belgisch trio onder leiding van Seatsniffer Walter Broes (gitaar) putte de man uit Nashville vooral uit zijn laatste twee uitstekende soloplaten, "Stand tall" en "Rhinestoned", en uit de glorieperiode van Jason & The Scorchers.
Jason was bijzonder gelukkig dit te mogen doen en gaf dan ook letterlijk alles waardoor hij enkele keren behoorlijk buiten adem raakte. Wat was het een feest om die oude nummers terug te horen. Zelfs "Absolutely sweet Marie" (eigenlijk van Bob Dylan), de song waarmee ik in 1983 kennismaakte met Jason & The Scorchers, was erbij.
Jason Ringenberg, ooit door Mojo the godfather of americana genoemd, bleek anno 2022 niets aan urgentie te hebben ingeboet terwijl zijn begeleiders gewoon The Belgian Scorchers waren. Grandioze set!

Ik had wel enige verwachtingen van het in Dallas en Fort Worth gebaseerde zestal Vandoliers. Dit was hun laatste dag van een lange Europese tour maar aan enthousiasme was er alvast geen gebrek. Zanger Joshua Fleming, gezegend met een in whiskey gemarineerde stem, vuurde zijn troepen, waaronder een fiddler, voortdurend aan maar hun mix van country, punk en tex-mex klonk net iets te cartoonesk. Het deed me denken aan Flogging Molly en The Levellers en dat zijn nu net twee groepen waar ik liever niet aan herinnerd wordt.

Afsluiter op het hoofdpodium was Social Distortion en ook daar werd ik niet onverdeeld gelukkig van. Het uit het Californische Orange County opererende viertal is maar liefst 44 jaar actief en begon als een hardcore punk band. Intussen is hun stijl veranderd in door country, blues en rock-'n-roll beïnvloedde punk. Dat klinkt heel mooi maar van die omschrijving viel weinig te bespeuren in Gierle. Het was moeilijk te geloven dat dit ooit een punkgroep was. Ik hoorde aan Bruce Springsteen schatplichtige stadionrock die bovendien soms bijzonder vlak klonk.
Nochtans begon het veelbelovend met de schitterende instrumental, "Road zombie", wat mij betreft het mooiste nummer van de set. Verder kon ik die wat slepende stem van Mike Ness wel smaken en mocht ik nog enkele memorabele songs zoals "Bad luck", "She's a knockout" en uitsmijter "Ring of fire" noteren maar dat kon het kapseizen niet verhinderen. Misschien nog even dit weetje: aan de drums zagen we David Hidalgo Jr., zoon van de zanger-gitarist van Los Lobos.

Na twee jaar stilte was Sjock 45 meer dan ooit "your rock'n'roll highlight of the year"!

Neem gerust een kijkje naar de pics @Wim Heirbaut
https://www.musiczine.net/nl/photos/category/2745-sjock-2022.html

Organisatie: Sjock, Gierle

Jon Spencer & The Hitmakers - Nog steeds springlevend

Het Antwerpse Tuff Guac is nog steeds het soloproject van ‘Belly Button Records’ baas, Rafael Valles Hilario, die je ook zou kunnen kennen van Jagged Frequency, Moar en Brorlab. ‘Green and Handsome’ uit 2020 knutselde hij helemaal in zijn eentje in elkaar maar op het podium laat hij zich begeleiden door drie uitstekende muzikanten zijnde bassist Jasper Suys, drummer Gert-Jan Van Damme (beiden ook actief bij Mogo) en multitalent Wim De Busser (alias King Dick en ook al aan de slag bij onder andere Zita Swoon en Helmut Lotti) op gitaar en minimale toetsen.
Tuff Guac wist me al aangenaam te verrassen als voorprogramma van The Black Lips, eind vorig jaar in Leffinge, en ook hier ontgoochelden ze niet. Integendeel zelfs, de groep leek aan maturiteit gewonnen te hebben en daar zal hun avontuur in Humo's Rock Rally, waarin ze het tot in de finale schopten, wellicht niet vreemd aan zijn.
Tuff Guac vergastte ons op een set heerlijk rammelende, lichtvoetige garagepop die duidelijk in de smaak viel bij het publiek. Ergens te situeren tussen The Growlers en The Abigails terwijl ik één keer een light versie van de vroege Oh Sees meende te horen. Hoewel ze er een paar hele sterke bij hadden , bleven de songs een beetje het pijnpunt maar dat werd handig verdoezeld door een smeuïge sound, gekruid met sprankelende gitaren en een uitmuntende samenzang tussen Valles en de onnavolgbare King Dick.
Dit keer hadden ze ook een covertje bij, resultaat van de verplichte oefening bij de Rock Rally. "Sitting on the dock of the bay" van Otis Redding werd enkele versnellingen hoger gespeeld en hevig door elkaar geschud terwijl King Dick er nog een neut Question Mark And The Mysterians ("96 Tears") bij goot. Zelfs het gefluit waarmee het origineel eindigt, ontbrak niet dankzij maar liefst twee hilarisch fluitende zangers.

Jon Spencer heeft een indrukwekkende staat van dienst. Dat is wel het minste wat je kan zeggen. In 1984 begonnen met The Honeymoon Killers, om via Pussy Galore uiteindelijk The Jon Spencer Blues Explosion op te richten waarmee hij één van de boegbeelden werd van de garagerock revival in de jaren '90.
Tussendoor vond hij nog tijd voor talloze nevenprojecten zoals Boss Hog, Heavy Trash en Spencer Dickinson en was hij ook actief bij Gibson Bros en Five Dollar Priest. Toch zal hij altijd het meest geassocieerd blijven met The Jon Spencer Blues Explosion, een groep die ik talloze keren aan het werk zag. Hun optreden in de toenmalige Democrazy aan de Reinaertstraat ten tijde van ‘Orange’ (1994) staat trouwens nog steeds in mijn top 10 van beste optredens ooit.
Het was dan ook even schrikken toen Jon Spencer in 2018 solo werd aangekondigd in De Kreun en bleek dat JSPX mede door gezondheidsproblemen van Judah Bauer ontbonden was.
De groep die hij toen bijhad waren waren ook al The HITmakers, in exact dezelfde samenstelling, maar hun naam werd toen niet vermeld op de affiche en ook niet op de plaat ‘Jon Spencer Sings The Hits’. Op de nieuwe, ‘Spencer gets it lit’, is dat nu wel het geval. Een plaat die ik trouwens absoluut geen onverdeeld succes vind. Vooral die regelmatig totaal over the top scheurende sound met helse Farfisaklanken stoort me en doet me af en toe zelfs denken aan de recente soloplaten van Jack White, die ik al helemaal niet te pruimen vind.
Maar dat mocht een goed concert niet in de weg staan. De platen van The Jon Spencer Blues Explosion waren verre van allemaal even sterk terwijl ze live, op een enkele uitzondering na, telkens uitzinnige feestjes wisten te bouwen. 
De bezetting bleek dezelfde als op de plaat met naast Spencer Bob Bert op trash, Sam Coomes op synths en M. Sord (echte naam Mike Gard) dus op drums in plaats van de aangekondigde Janet Weiss (gekend van Sleater-Kinney en partner van Sam Coomes in het duo Quasi).
Tijdens de Amerikaanse tour was ze er wel bij maar veel verschil zal dat wel niet uitgemaakt hebben maar zo hadden we wel nog maar eens een rock-'n-roll avond waar geen vrouw op het podium te bespeuren viel.
Jon Spencer hakte er meteen stevig in met "Get it right now", één van de betere nummers (zo staan er heus wel op, hoor) van ‘Spencer gets it lit’. Het overgrote deel van de songs kwam trouwens uit die laatste plaat, naast een handvol uit de vorige en zowaar ook ‘NYC 1999!’, een Pussy Galore song uit 1987.
Spencer oogde wat vermoeid en zijn typische sprongen in de lucht leken wat minder hoog en minder frequent, toch gaf hij zich weer volledig zoals we dat van hem gewoon zijn. Bewonderenswaardig ook dat hij zich op zijn zevenenvijftigste nog steeds smijt op nieuwe projecten terwijl de meesten op zijn leeftijd, als ze al gaan touren, er zich vanaf maken met een gemakkelijke best of. Hij is nog steeds één brok energie en dat kan hij nergens anders kwijt dan op een podium. En daar konden we in Diksmuide alleen maar gelukkig mee zijn, want ondanks mijn beperkte verwachtingen werd dit weer een zinderende set waar weinig op af te dingen viel. Diepe grooves vol pulserende fuzz waarboven Jon Spencer met zijn galmende megafoonstem als een baarlijke duivel te keer ging.
En hoewel die overdonderende sound tegen de noise aanschurkte bleef Spencer de ene na de andere gitaarlick met diepe wortels in de blues en rock-'n-roll de zaal in vuren.
De meeste nummers waren niet meer dan onafgewerkte schetsen waarin die weergaloze gitaar telkens kronkelend zijn weg zocht. En dan was er nog de inmiddels 67-jarige Bob Bert die met ijzeren buizen en hamers tekeer ging op een stel metalen vuilnisvaten en een benzinetank waarop een enorme veer gemonteerd was. Zijn werkhandschoenen waren echt geen overbodige luxe maar of al dat geweld ook echt iets bijbracht is nog maar de vraag. Maar het blijft natuurlijk heuglijk om deze legendarische figuur en auteur van het sympathieke boek ‘I'm just the drummer’, die zijn sporen verdiende bij Sonic Youth, Chrome Cranks, Bewitched, Action Swingers, Knoxville Girls, The Wolfmanhattan Project, Lydia Lunch' Retrovirus en Pussy Galore, aan het werk te zien.

Na een intense, zweterige set volgde nog een superbe bisronde, waarvan het laatste nummer in collagestijl verdacht veel naar de Blues Explosion zweemde, die alle twijfels, mochten die er nog geweest zijn, van tafel veegde.

Pics homepag @Henri Dumortier

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Garrett T. Capps - Americana met een geraffineerd laagje psychedelica

Een teleurstellende opkomst voor dit fenomeen uit San Antonio, Texas die in 2019 voor het absolute hoogtepunt zorgde op Leffingeleuren, toen ook al voor te weinig volk. Drie jaar geleden deed de concurrentie op het hoofdpodium hem de das om, dit keer zou koning voetbal (België-Nederland) de spelbreker geweest zijn. De afwezigen hadden zoals gewoonlijk en dit keer om meer dan één reden ongelijk. Het werd voor beide kampen een memorabele avond maar het ene zal er ongetwijfeld meer plezier aan beleefd hebben dan het andere.

Nadat DJ Willie ons eerst had verblijd met enkele leuke plaatjes maakte een andere cowboy zijn opwachting op het podium.
De Bruggeling Nick Noel wou eerst in zijn eentje een soundtrack maken maar kwam al gauw tot het besef dat zijn muziek beter zou gedijen in groepsverband. Hier verscheen hij met een vierkoppige versie van The Red Rose Rogers, zijn begeleidingsband met uitvalsbasis Sijsele.
Ondanks wat stemproblemen begon Nick Noel zelfverzekerd en met een borrel binnen handbereik aan zijn set en waagde hij zich zelfs aan enkele heupbewegingen die leken afgekeken van een jonge Elvis.
Toch misten de eerste nummers spankracht en klonken ze nogal rommelig. Vanaf de derde song leken de groepsleden elkaar gevonden te hebben en kregen we een portie vrij traditionele americana voorgeschoteld. Smaakmakers waren de fijne songs, de mooie samenzang tussen Noel en Pelle Mächs (akoestische gitaar) en de bij momenten behoorlijk stevig klinkende gitaar van Bart De Naegel. Uitschieters waren de erg fraaie nieuwe single, "Little drops", en een song opgedragen aan de betreurde Tiny Legs Tim.

De toen 28-jarige Garrett T. Capps debuteert in 2016 met ‘Y Los Lonely Hipsters’, een geweldige plaat die echter door werkelijk niemand wordt opgemerkt. Twee jaar later fluit hij zijn groep Nasa Country bij elkaar voor het al even sensationele ‘In The Shadows Again’ waarmee hij wereldberoemd wordt in Nederland. Waarom dat elders, na nog eens drie bijzonder knappe platen, niet lukt blijft een groot mysterie. 
Terwijl Nasa Country een spacey soundscape in elkaar aan het knutselen was hield Garrett T. Capps zich achteraan het café schuil om na een aantal minuten naar voor te stappen en hen op het podium te vervoegen. Wat volgde was een reeks (waarschijnlijk alle) nummers uit de nieuwe, nog te verschijnen plaat, ‘People are beautiful’. Waar hij zich op de vorige plaat, ‘I love San Antone’ opwierp als de erfgenaam van zijn stadgenoot, de in 1999 overleden Doug Sahm, liet hij hier de tex-mex invloeden achterwege en koos hij meer dan ooit voor zijn ‘space country’, en soort americana met krautrock invloeden.
Die nieuwe, stuk voor stuk sterke songs werden gepresenteerd op een bedje van antieke synths gecreëerd door de modulaire synthesizer van Justin Boyd en verder subtiel uitgewerkt door drummer Kory Cook, gitarist Torin Metz die zijn lapsteel dit keer thuis gelaten had en de wonderlijke bassist Odie., die de speciale effecten niet schuwde. Het klonk wat ingetogener en minder uitbundig dan vroeger terwijl het muzikaal wat richting Israel Nash opschoof. Traditioneler gezongen dan die laatste maar toch voorzien van dat geraffineerde laagje psychedelica wat het zo verslavend maakte. Ondanks al dat moois bleef ik toch wat op mijn honger zitten. Dit had eigenlijk de voorstelling van ‘I love San Antone’ moeten worden maar doordat dit optreden uitgesteld moest worden is er intussen reeds een nieuwe plaat gemaakt die duidelijk voorrang kreeg waardoor er slechts twee songs uit ‘I love San Antone’ gespeeld werden. De titelsong, "I like Austin but I love San Antone" en de bis "Goodbye San Francisco (hier San Antonio), hello Amsterdam", een cover van zijn grote voorbeeld Doug Sahm.
Ook die gekke zonnebrillen die Capps steeds draagt zijn trouwens een eerbetoon aan de legendarische frontman van het Sir Douglas Quintet. Ook andere oude nummers waren er nauwelijks te horen, ik herinner me enkel "In the shadows (again)" maar dat kon niet verhinderen dat Garrett T. Capps alweer verpletterend toesloeg.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Frankie and The Witch Fingers - Psychedelisch vuurwerk met een funky ondertoon

Het heeft wat voeten in de aarde gehad maar uiteindelijk kon Kookaburra dan toch haar debuutelpee ‘Dry Lies/ White Mice’ komen voorstellen in De Zwerver en dat werd een aangename verrassing. In het promotekstje werd deze groep uit Antwerpen, genoemd naar een Australische vogel die ook bekend staat als de lachvogel vanwege zijn op een menselijke lach lijkende roep, omschreven als een garage/fuzz/psych/punk band en daar was alvast geen woord van gelogen.
Het kwartet begon vrij furieus aan de set en zou die onstuimigheid niet meer laten varen. Onder aanvoering van de erg gedreven zanger/gitarist, Mads D'Hulster, wisselde Kookaburra garagerock, die meestal voorzien was van waanzinnige tempo's, af met aanstekelijke rammelpunk.
Tegenwoordig ben ik al blij als een jonge groep de elektronica links laat liggen en resoluut voor de gitaar kiest maar hier klonk dat instrument ook nog eens behoorlijk imponerend. Zoals in "Eddy in space" waarin wat gas werd teruggenomen en de gitaren nog eens lekker ouderwets vet mochten klinken, fantastische song!
En zo waren er nog meer in een set die de ganse tijd bleef boeien en me meermaals deed denken aan het Doornikse Thee Marvin Gays, een groep die van elk optreden een wild feestje wist te maken.

De frontman van Frankie and The Witch Fingers heet gewoon Dylan Sizemore. Frankie was er niet bij want dat is de naam van zijn kat en The Witch Fingers vond hij dan weer tijdens het spelen van een schaduwspelletje. Net als drie jaar geleden was de gelijkenis tussen Dylan Sizemore en John Dwyer van Thee Oh Sees frappant.
In korte broek, de gitaar net onder de kin geklemd, af en toe datzelfde gekke stemmetje en zelfs de muziek tapt uit hetzelfde psychrock vaatje. Beide bands varen evenwel duidelijk een eigen koers wat hen steeds verder uit elkaar laat drijven. Terwijl Osees (laatste spelwijze) nogal eens over de top durft gaan en tegen de mathrock aanschurkt  blijven Frankie and The Witch Fingers meer down to earth en vinden ze hun inspiratie veelal in de seventies.
Drie jaar geleden wisten Frankie and The Witch Fingers me op Leffingeleuren ook al te charmeren maar een gebrek aan solide songs verhinderde toen dat ik er helemaal wild van werd. Dat euvel was alvast opgelost want diezelfde nummers klonken nu plots een stuk deugdelijker doordat de groep het dit keer bijzonder strak hield. En dat had dan weer alles te maken met de twee toptransfers die de band kon realiseren. De jonge, explosieve drummer Nick Aguilar, die zijn sporen reeds verdiende bij Slaughterhouse, Neighborhood Brats en zowaar ook Mike Watt, en bassiste Nikki Pickle die we kennen van het onvolprezen Death Valley Girls.
Zij zorgden voor een onwrikbaar raamwerk waarin het psychedelische vuurwerk tussen de gitaristen Dylan Sizemore en Josh Menashe kon losbarsten. Vanaf de eerste noten al zorgde de band voor een onweerstaanbare drive maar vanaf het derde nummer sloeg de vlam pas echt in de pan. Het hypnotiserende "Dracula drug" van de dubbelelpee ‘ZAM’ uit 2019 klonk beter dan ooit en was het startschot voor de danslustigen om in actie te schieten.
Frankie and The Witch Fingers mengden hun psychedelische rock subtiel met elementen uit prog, krautrock en funk terwijl de ritmes voortdurend opzwepend klonken. Bij een nummer als "Cavehead", dat van een funky groove was voorzien, was het verdomd moeilijk om de heupen stil te houden. Eén van de hoogtepunten was ongetwijfeld "MEPEM...", titeltrack van hun laatste reguliere plaat, "Monsters eating people eating monsters...", een, euh, monsterlijke rollercoaster van prog-rock riffs, zwijmelende Pink Floydiaanse gitaar escapades en seventies clichés.

Het leek een onmogelijke mix maar Frankie and The Witch Fingers wisten er een eigen universum mee te creëren waarin het de ganse set heerlijk toeven was.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Black Mambas en Tommy and The Commies - Mooie double bill powerpoprock’n’roll

Bijna twee en een half jaar had ik dit moeten missen maar wat deed het deugd om terug in de Pit's te zijn.

Veel tijd om hierover te mijmeren of om even te acclimatiseren had ik niet want bij mijn aankomst had de eerste groep het offensief net ingezet. Na het gebruikelijke geklungel naast de vertrouwde pissijnen om een lidkaart aan te schaffen kon ik me meteen in het strijdgewoel mengen.
Black Mambas (Los Angeles) leerde ik in 2015 kennen op Sjock Gierle waar ze toen net als hun stadsgenoten van het veel te vroeg ter ziele gegane The Bloodhounds een verpletterende indruk op me nalieten met een perfect evenwicht tussen Chuck Berry geïnspireerde rock-'n-roll en snoeiharde seventiespunk. Die balans bleek nu toch richting dat laatste overgeslagen. Het effect van in een punktempel als de Pit's te mogen optreden of heeft er toch een koerswijziging plaatsgevonden?  Wat niet zou verbazen want in een interview een aantal jaar geleden gaf zanger Michael Price al te kennen, mocht hij moeten kiezen tussen Chuck Berry en de Ramones, hij toch voor die laatste zou gaan.
Niet dat we hier veel Ramones invloeden hoorden. Deze energieke punk leek me eerder een kruisbestuiving tussen MC5 en The Kids, luid en zonder veel raffinement gebracht door een groep die er ongelooflijk veel zin in had. Deze tournee heette niet voor niets "wild 'n' savage tour".
Naar het einde van de set toe kwam er nog een onverhoopte kentering en schakelde Black Mambas moeiteloos over naar vrij authentieke rock-'n-roll die duidelijk op de heupen mikte. Zo zag ik ze dan op de valreep toch nog zoals ze zich in mijn aftakelende geheugen hadden genesteld.

Daarna ging het er met Tommy and The Commies wat beschaafder aan toe wat niet noodzakelijk een minpunt hoefde te zijn.
Dit trio uit Sudbury, Ontario, Canada debuteerde in 2018 op Slovenly Recordings met het goed onthaalde "Here come" waarna ik er eigenlijk niet zo veel meer van hoorde. Nu stonden ze dus op het Pit's podium en ontpopte zanger-gitarist Tommy Commy zich als een charismatische frontman. De wat oudere broers Jeff en Mitch Houle (ook actief bij Statues) mochten dan al voor een stevige, oerdegelijke back-up zorgen (hoewel de drummer in het begin wat last leek te hebben om het tempo te volgen) was het toch Tommy Commy die steeds alle aandacht naar zich toe zoog.
Een man met een fascinatie voor de Britse mod cultuur en tevens een uitstekende zanger die zijn stem af en toe heerlijk liet vibreren en al even inventief was op gitaar waarop hij soms molenwiekend als Pete Townshend tekeer ging.
Niet dat het er wild aan toe ging, verre van zelfs, Tommy moest het hebben van knap uitgewerkte powerpop/punk songs met overduidelijke invloeden van The Undertones, Buzzcocks en The Jam. Hij deed dat met een verbazingwekkende souplesse maar na een tijdje leek de magie wat te vervliegen doordat het net iets te braaf en gekunsteld was.
Tijdens de bissen, waarvoor klaarblijkelijk de betere nummers waren opgespaard, kwam de begeestering onverwacht en in alle hevigheid terug zodat mijn honger alsnog gestild raakte.


Organisatie: Pit’, Kortrijk

 

Mdou Moctar - Kleine wervelstormen van tot euforie leidende noten

De Belgische/Rwandese Dushime (geboren in Kigali) mocht een uitverkochte zaal op temperatuur brengen. Deze sympathieke verschijning is duidelijk niet voor één gat te vangen. Zo acteerde ze in het veelbesproken ‘Lam Gods’ van Milo Rau, imponeerde ze met twee lange zangpartijen in "Black/ The sorrows of Belgium" van Luk Perceval en poseert ze voor het rebelse lingeriemerk ‘La fille d'O’ terwijl ze op muzikaal vlak onder andere samenwerkte met het draaitafelcollectief Noannaos.
In Oostende mochten we kennis maken met haar eigen project. Handig laveerde ze haar wat dromerige zang tussen vooraf opgenomen, Afrikaans klinkende zangsamples waarbij ze begeleid werd door een jongeman op spaarzame synths. De veelal ingetogen muziek gecombineerd met haar gracieuze bewegingen kwam dicht in de buurt van een performance. Het deed wat denken aan Ibeyi qua sound en zang.
Hoewel ik vermoed dat velen, die toch gekomen waren voor een gitaarfestijn, hier niet zoveel aan hadden bleef het de ganse set muisstil. Dat zegt uiteraard veel en niet alleen over de discipline van de toeschouwers. We zagen dan ook een bekoorlijke set van Dushime die wat mij betreft toch iets te sober was aangekleed.

De biografie van Mdou Moctar leest als een sprookje. Geboren in 1984 of 1986 als Mahamadou Souleymane in een klein, afgelegen, diep religieus dorpje in Niger leert hij artiesten als Abdallah Oumbadougou kennen en besluit hij om elektrische gitaar te gaan spelen. Aangezien zijn familie elektrische muziek afkeurt, ziet hij zich genoodzaakt zelf een gitaar in elkaar te knutselen met behulp van wat planken en fietsremkabels. De gitaartechniek krijgt hij onder de knie via YouTube filmpjes van Eddie Van Halen. In 2008 trekt hij naar Sokoto in Nigeria om er zijn debuutplaat ‘Anar’ op te nemen. De plaat wordt echter nooit officieel uitgebracht maar toch worden sommige nummers via mobiele telefoonnetwerken erg populair. In 2013 krijgt hij plots telefoon van Christopher Kirkley uit Portland, Oregon en labelbaas van ‘Sahel Sounds’ en dan gaat het plots snel. Er komt een liveplaat op Sahel Sounds, het debuut krijgt dan toch een officiële release en Mdou speelt de hoofdrol in de allereerste touareg-film ‘Akounak Tedalat Taha Tazoughai’."Rain the color blue with a little red in it" is in feite een remake van Prince's “Purple rain" maar purple bestaat niet in het Tamajeq, vandaar die wat eigenaardige titel. Er volgen nog wat platen bij Sahel Sounds waarvan ‘Ilana: The Creator’ uit 2019 voor een wereldwijde doorbraak zorgt. Vorig jaar tekent hij bij het gerenommeerde ‘Matador Records’ en wordt ‘Afrique victime’ overal laaiend enthousiast onthaald.
En nadat hij in de AB en Het Bos al voor een uitverkochte zaal mocht spelen lukte dat hem ook nog eens in De Grote Post.

Voor een gemengd publiek, jong en oud, verschenen de vier, piekfijn uitgedost in traditionele touareg kledij. Naast Mdou Moctar zagen we Souleymane Ibrahim op drums, Ahmoudou Madassane op ritmegitaar en Mikey Coltun op bas. Die laatste, tevens producer, is toch wel een fenomeen. Telkens hij de groep wil vervoegen in Agadez, Niger heeft hij daar een vliegreis vanuit Brooklyn van 20 uur plus een busreis van 28 uur voor over. Moctar wordt wel eens de Jimi Hendrix van de Sahara genoemd maar tijdens het ganse optreden heb ik niet één keer aan Hendrix moeten denken. Beiden zijn extreem getalenteerde, linkshandige gitaristen maar daar houdt de vergelijking op. Hun muzikale werelden liggen immers mijlenver van elkaar verwijderd. Zelf vermelden ze ZZ Top, Black Sabbath, Van Halen, Black Uhuru en zelfs Black Flag als invloeden maar die zijn dat wel ontzettend goed geïntegreerd in hun sound. Die 70s retro zit duidelijk geworteld, een Rare Earth borrelt duidelijk op.
Mdou Moctar creëert een eigen universum waarin er zeker Westerse aanknopingspunten zijn maar de traditionele touareg muziek wordt nooit verloochend. Helemaal in het begin van de set verontschuldigde Moctar zich aan de mensen vooraan omdat het geluid daar nogal hard zou staan. Het waren meteen zijn enige woorden in een bovendien ook nog eens erg statische set. Enkel Moctar zelf durfde al eens een stapje achteruit te zetten, de anderen bleven aan hun plaats genageld. Het deerde niet, integendeel, het gaf nog meer ruimte aan de muziek die hier de enige taal was die iedereen verstond. Het volk bleek meteen gefascineerd door de enorme intensiteit die dit viertal wist te bereiken. Knappe, melodieuze songs gekapseld in een onwrikbare, hypnotiserende sound en een gitaar die telkens weer alle aandacht naar zich toe wist te zuigen.
Mdou Moctar leek wel één geworden met zijn witte Fender Stratocaster, breed lachend als hij een aanmoediging kreeg uit de zaal. Voortdurend ontketenden zijn onwezenlijke vingers kleine wervelstormen van tot euforie leidende noten. De groep eindigde met "Afrique victime", titeltrack en tevens prijsnummer van de laatste plaat waarin de onheuse behandeling van Afrika op de korrel wordt genomen.
Nog één keer liet Moctar zich gaan en masseerde hij letterlijk de snaren van zijn gitaar. Adembenemend! De roep om een bis bleef uiteraard niet uit en zijn drie medemuzikanten waren al snel terug. Nadat iemand uit het publiek hem een plectrum kon bezorgen verblijdde Ahmoudou Madassane ons nog met een fors, volledig instrumentaal gitaarnummer maar Mdou Moctar zelf, die kregen we niet meer te zien. Hoe dat kwam, daar hebben we het raden naar. Dit was wel de laatste dag van de ramadan, misschien loerde de uitputting wel om de hoek.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

James Leg - Het heilige vuur brandt nog...

Twaalf jaar geleden gooiden Black Diamond Heavies na twee sublieme studioalbums en zeven jaar intens touren de handdoek definitief in de ring. Hoewel ze het toen zelf over een korte onderbreking hadden, bleek de breuk niet meer te lijmen. Drummer Van Campbell modderde eerst nog wat aan in The Cairo Gang van Bonny ‘Prince’ Billy en King Mud om daarna volledig weg te deemsteren.
James Leg koos na een ommetje bij Cut In The Hill Gang voor een solocarrière. En hoewel zijn drie soloplaten bijlange niet kunnen tippen aan ‘Every damn time’ of ‘A touch of someone else’s class’ van Black Diamond Heavies, bleven zijn optredens, op een enkele uitzondering na, telkens knetterende feestjes.
Na een afwezigheid van meer dan twee jaar was James Leg terug in Europa voor een korte tour, tijd dus om eens te checken of het heilige vuur nog brandde. Plaats van de afspraak: de Thiemeloods, een omgebouwde oude werkplaats in het oude stadsgedeelte van Nijmegen. De enige wijk in de stad die in 1944 gespaard bleef van de Amerikaanse bombardementen, wisten enkele lokale bezoekers ons te vertellen. Daar was hij dan, James Leg, nog wat magerder dan voorheen zo leek het. De voorbij twee jaar zullen geen vetpot geweest zijn. Dolgelukkig omdat hij terug was maar helaas was hij net nu zijn stem kwijt. Maar dat viel uiteindelijk best mee, het zingen ging hem goddank beter af dan het praten.
Verder was het nog even uitkijken wie hem zou begeleiden op drums. Daar een vaste band niet haalbaar is, werkt hij met interim drummers (twee in de VS en één in Europa). Hier bleek het opnieuw de Fransman Marlon Saquet te zijn en het was zowaar hun honderdste keer samen! De jongeman deed zijn uiterste best om James Leg bij te benen wat resulteerde in knallend drumwerk waar de vonken en versplinterde sticks vanaf spatten. Dat terwijl onze man uit Chattanooga, Tennessee als vanouds beukte op zijn gehavende Fender Rhodes en zijn gegrom ondanks de stemproblemen behoorlijk onheilspellend klonk.
Zijn weergaloze mix van rock-'n-roll, soul en gospel werd met zoveel begeestering de zaal in gekatapulteerd zodat voor de meeste aanwezigen de heupen stilhouden, zelfs op een zondagnamiddag, geen optie meer was. Wat was het weer genieten van het stompende "Can't stop thinking about it" van The Dirtbombs maar het hoogtepunt vond ik dit keer "All to hell" waarin wat gas teruggenomen werd en hij zijn vingers met een speelse souplesse over de toetsen liet dansen. Toevallig het enige Black Diamond Heavies nummer dat trouwens de titeltrack is van een gloednieuwe BDH verzamelelpee. En dan plotseling uit het niets, kondigde hij met een sardonische grijns op zijn smoel een song aan speciaal voor mij waarna hij "A forest" van The Cure inzette. Hoewel hij absoluut een neus heeft voor goeie covers vond ik deze destijds totaal overbodig. Ik zal het hem vroeger wel eens gezegd hebben (of leest hij mijn recensies?) maar dat hij dit nog wist... Zijn versie overtreft trouwens ruimschoots het origineel.
We mochten ook één nieuw nummer noteren: de single "All but gone" dat hij samen met Marlon Saquet in de Elzas opnam en eigenlijk de voorbode van een nieuwe elpee moest zijn. Covid besliste daar echter anders over.
Tot slot nam hij in schoonheid afscheid met twee, wel raak, gekozen covers: het obscure "Drinking too much" van het Australische The Kill Devil Hills en Link Wray's "Fire & brimstone".
Deze James Leg is nog lang niet afgeschreven!

Bambara - Hypnotiserende, gothic aandoende klaagzangen

De honger naar luide rock-'n-roll bleek groot want de foyer liep helemaal vol voor dit optreden dat aanvankelijk in het café gepland was.
Lustrous, een vijftal uit Gent, had de eer het publiek te mogen opwarmen en ze deden dat met verve. De groep opende met "Good grief", meteen met een binnenkopper van formaat. Een lillende brok luide post-punk met een hardcore randje waarin meteen duidelijk werd dat zanger Laurens Van Moorleghem de sterkhouder van de band is. Een heen en weer wiegende rots in de branding die zijn woorden uitspuwde als waren het stuk voor stuk vreselijke krachttermen en zo onvermijdelijk deed denken aan Joe Talbot, voorman van IDLES.
Na dat eerste overweldigende nummer zakte het tempo en leek Van Moorleghem zich danig te verslikken in een poging om de woede in zijn stem wat te temperen. Een zinloze poging waarna de groep zich meteen herpakte en een beklijvende set neerpootte waarin een mooi evenwicht gevonden werd tussen hard en zacht maar de urgentie van die eerste song werd helaas nooit meer gehaald.

Bambara, genoemd naar een personage uit een mij onbekende animatieserie ‘AEon Flux’, werd in 2009 op de wereld gezet door de tweelingbroers Reid en Blaze Bateh (respectievelijk gitaar/zang, drums) en bassist William Brookshire. Plaats van het gebeuren was Athens, Georgia maar de groep zocht al snel haar geluk in Brooklyn, New York en heeft intussen 5 albums en 4 EP's op haar actief.
Joe Talbot zou grote fan zijn, in ieder geval toerden ze met IDLES door de VS. Een referentie die kan tellen en toch waren mijn verwachtingen niet bijster hooggespannen. Oorzaak was hun recent verschenen EP, ‘Love on my mind’ waarop zanger Reid Bateh zich vanop de hoes als een ware posterboy presenteert en de groep haar grillige post-punk lijkt ingeruild te hebben voor gladgestreken new wave.
Mijn vrees voor een nefaste koerswijziging leek toch te voorbarig. Bambara speelde uiteraard nog heel wat oud werk. De meeste nummers werden geplukt uit hun laatste twee platen, ‘Stray’ en ‘Shadow on everything’, terwijl zelfs een nieuwe song als "Mythic love" veel meer in huis bleek te hebben dan ik kon vermoeden.
Live laat de groep zich bijstaan door twee extra leden: Bryan Keller Jr. (gitaar) en Sam Zalta (gitaar, keys) zodat Reid Bateh zich volledig kan concentreren op de zang. En of hij dat deed! Hij mag er dan al als een posterboy uitzien op de hoes van hun laatste EP, hier verscheen eerder een bezeten roofdier op de planken. Hoewel hij de andere groepsleden voortdurend complimentjes gaf was het toch hij die met alle aandacht ging lopen. Getormenteerd struinde hij over het podium waarbij hij de aanslagen op zijn lichaam niet schuwde (hoe hij meermaals neerplofte op zijn knieën!).
Een intens schouwspel waarbij een uitstapje tussen het publiek niet kon ontbreken hoewel een botsing met zijn schouder mijn kaakbeen haast ontwrichtte. Zijn stijl en manier van zingen deed onmiskenbaar denken aan een Nick Cave ten tijde van The Birthday Party, een groep waarmee Bambara tot in den treure toe wordt vergeleken. Maar buiten die zang vond ik eigenlijk weinig gelijkenissen met dat legendarische groepje uit Australië. Bambara vaart een behoorlijk eigen koers waarbij ze put uit een amalgaam van niet altijd makkelijk te verifiëren invloeden.
Een zich uit de naad meppende drummer zorgde met een onversaagde bassist voor brutale tempo's terwijl de gitaren verrassend toegankelijk klonken. De gitaar van Bryan Keller leek wel weggelopen uit de soundtrack van een spaghettiwestern terwijl het subtiele spel van Sam Zalta voor de nodige nuances zorgde.

Samen met de hypnotiserende, gothic aandoende klaagzangen van Reid Bateh leidde dit tot gevaarlijk dreigende rock-'n-roll zoals ik die al lang niet meer meegemaakt had. Na een tijdje werd hun modus operandi wel wat voorspelbaar. Eerst declameerde Reid zijn poëtische, door de dood geobsedeerde teksten waarna de overige muzikanten invielen en het gehuil begon om uiteindelijk tot een brullende finale te komen. Maar dat werd telkens zo knap en intens gedaan dat ook dit geen bezwaar mocht vormen.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, leffinge

Pagina 1 van 17