logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Ora Cogan
Viagra Boys

The Klaxons

Surfing The Void -2-

Geschreven door

Het Britse trio dat Klaxons vormt, brak door in 2007. Met zijn redelijk simpele songs, kregen ze heel wat airtime, en zo kennen we vandaag nog de evergreens “Golden Skans” en “Gravity’s Rainbow”. Voor ‘Surfing The Void’ hebben ze drie jaar op zich laten wachten, waardoor de verwachtingen torenhoog werden.
Helaas lossen ze deze verwachtingen niet in. De mix van indie, dance en shoegaze wordt op dit album ook nog doorgetrokken, maar de catchiness is minder aanwezig. Met “Echoes” begint de plaat nog veelbelovend en zien we ook een hit worden. Maar bij “The Same Space” loopt het al mis. Daar wordt voor het eerst de schim die ze zijn na hun debuut duidelijk. De titeltrack dan is hyperkinetisch. Het heeft zijn charme en doet je ook terugdenken aan rommelige songs van de eerste plaat zoals “The Four Horsemen”. In “Valley of the Calm Trees” en “Extra Astronomical” wordt er meer de psychedelische tour opgegaan en bij momenten klinkt ze geslaagd, maar ze kunnen het niveau niet het hele nummer behouden. Als we de moed opgaven, kwam er toch nog een verrassende “Flashover” uit de boxen gegalmd. Een mooi rauw geluid, en ook dit keer deed het ons sterk denken aan de eerste plaat.
Klaxons kan niet bevestigen met hun tweede plaat. Ze zijn nog een schim van wat ooit een baanbrekende band was. Met slechts een handjevol sterke nummers maakt men nog geen goede plaat. Jammer.

Keane

Night Train EP

Geschreven door

Al op de vorige derde cd ‘Perfect Symmetry’ kreeg de elektronica meer armslag op het werk van het Britse Keane. De immer sympathieke band kroop na de tweede cd door een dal, o.m. door de verslavingsproblematiek van teddybeer/zanger Tom Chaplin. Op de EP die 7 nummers en een introotje bevat, houdt het intussen uitgegroeide kwartet het midden tussen de vertrouwde hartverwarmende,ontroerende, meeslepende droompop ( “Stop for a minute”, “Your love”, “Looking back” en “My shadow”) en de toegevoegde elektronica ( “Back in time”, “Clear skies” en “You’ve got to love yourself”). Constante blijven de emotievolle vocals van Chaplin, die zelfs een keer wordt ondersteund door z’n vaste kompaan, pianist Tim Rice-Oxley.
Het zijn sfeervolle songs, die wat meer aan U2 verknocht zijn. De grootste troef op de EP is het geflirt met sampling ( “Gonna fly now”, gekend van de film Rocky) en hiphop; de Somalische rapper K’Naan is te horen op “Stop for a minute” en “Looking back”, toevallig de meer puike nummers van de plaat. Het bewijs dat Keane andere stijlen durft te raken.
Het is een goede plaat, maar toch ontbreekt een ‘final touch’ aan het materiaal, gezien de songs minder blijven hangen.
Het is duidelijk dat ze hun debuut ‘Hopes and Fears’, ondanks de goede bedoelingen, niet meer kunnen evenaren.

And So I Watch You From Afar

And so I watch you from Afar

Geschreven door

Uit Belfast, Noord-Ierland rijst een nieuwe post/math rock band ten berge. Na enkele EP’s is de full cd uiteindelijk hier uit en het is een plaat om U tegen zeggen. Muzikale krachtpatserij en lieflijke zalving gaan hand in hand in hun instrumentale ‘soundtrack’ geluid, die zelfs niet vies is van wat speelse humor, zoals op “Don’t waste in time doing …” door de handclaps en het neurie gehalte.
De groep balanceert ergens tussen een 65daysofstatic, Explosions in the sky en Mogwai, maar ook van hardere staalwerkers als Mastodon. Jawel een geluid dat fors en krachtig, donker en dreigend, zwaar en loom kan zijn, maar door de variatie evenzeer houdt van een intense sfeervolle, broeierige spanning en repetitieve ritmes. “Set guitars to kill” klinkt snedig, wat verder wordt gezet op songs als “Clench fists, grit teeth … Go!”, “I capture castles”, “Tip of the hat, …” en “If it ain’t broke, break it”. “A little bit of solidarity …”, “The voiceless” zijn gematigder.
De songs behouden hun brede, gevarieerde opzet in dit concept. En verve sluiten ze de plaat af met het opbouwende “Eat the city, eat it whole”, wat onderstreept hoe sterk, spannend, meeslepend en bedreven de band is. Maw dit een plaat die nazindert …

The Hundred in the Hands

The Hundred In The Hands

Geschreven door

Eerder waren we sterk onder de indruk van de EP ‘This desert’ van het jonge duo Eleanore Everdell (zang/synths) – Jason Friedman (gitaar/backing vocals) uit Brooklyn NY, die intrigeerden door elektronische stuiterpop vs indierock, geïnjecteerd door aanstekelijke, dromerige en funkende ritmes en een dansbare beat. Het duo put uit de etherische ‘80’s pop van Cocteau Twins (remember Elisabeth Frazer) en Siouxie Sioux, integreert psychedelica en koppelt de ‘80’s wavepop en ‘pop noir’ van The xx en The Big Pink aan de melodieuze electrogroove van Crystal Castles en is samen met Lonelady en School of 7 bells de komende revelatie. Hun songs kregen een luchtige toon. De zes songs waren meer dan de moeite waard en deden veelbelovend uitkijken naar de full cd.
De nummers klinken gematigder, hebben een zalvende groove en fijnere subtiele basses. Het is en blijft heerlijke, lekkere, zweverige, sfeervolle electropop met een wavetoets, maar ze hebben een mindere krachtige beat. De songs overtuigen door de goede melodieuze opbouw maar ademen een sfeer van melancholische, mistroostige (trage) ‘80s new wave.
De nummers op de full cd liggen alllemaal wat in dezelfde lijn en zijn geleest op de openers “Young aren’t young”, “Lovesick (once again )” en “Killing it”. “Dressed in Dresden” en “Last city”, die op het eind van de plaat staan, zijn meer rock en klinken krachtiger. Het ingetogen ‘The beach’ besluit de cd, net alsof we op een zwoele zomeravond op een terrasje aan het strand rustig zaten te keuvelen.
Al bij al een goede full cd, maar fronst minder de wenkbrauwen en klinkt minder verkwikkend en beklijvend dan de EP … Afwachten hoe het verder evolueert …

Sinner’s Day Festival 2010 - the kings of new wave & punk all together – een tweede blik!

Geschreven door

Sinner’s Day Festival 2010 - the kings of new wave & punk all together – een tweede blik!

Te jong voor ‘The Golden Years’ en te oud voor ‘I love the 90’s’, maar vooral een tikkeltje eigenwijs op muzikaal gebied en een lichte voorkeur voor een zwarte garderobe? Dan was Sinner’s Day dit jaar misschien wel de place to be op Halloween. Het gitzwarte randje leek op deze tweede editie trouwens wat afgebleekt, want naast diverse vormen van new wave, punk en electro werden ook porties dub/world, cabaret pop en ska opgediend. Volgens OOR’s popencyclopedie hebben nagenoeg alle aantredende artiesten hun versheidsdatum reeds lang overschreden, dus kwam het er voor het publiek op aan om te oordelen welke acts anno 2010 nog relevant zijn en welke zondermeer tot de muzikale fossielen kunnen gerekend worden. Een overzicht dan maar?

Charles Darwin zaliger zou RED LORRY YELLOW LORRY (***) omschrijven als de missing link tussen early Bauhaus en Sisters Of Mercy, een perfecte opener dus voor een 12 uur durende nostalgie trip naar de donkerste helft van de 80ies. En wat blijkt? Een kwarteeuw na het verschijnen van hun debuut en gothrock mijlpaal ‘Talk About The Weather’ klinkt dit kwartet uit Leeds nog steeds even strak en bevlogen. Het publiek lustte er duidelijk wel pap van, want in no time kon je in de Club over de koppen lopen. We onthouden vooral het ijzersterke einde met een snedige uitvoering van “Walking On Your Hands”.

Als eerste van een bescheiden delegatie Belgische acts mocht POESIE NOIRE (*) de Main Stage verkennen, maar al snel bleek dit een heel ongelukkige keuze. Een begenadigd zanger of notoir podiumbeest zal knoppenwonder Jo Casters wel nooit worden, maar het waren vooral diens twee kleurloze trawanten op keyboards/zang en gitaar die er voor zorgden dat de kille electrowave waar de groep voor staat zelden of nooit echt aansloeg. Enkel de Belpop classic “Gioconda Smile” kon enige publieksrespons losweken, en dus moeten Casters & co zich toch dringend vragen beginnen stellen bij de relevantie van Poesie Noire’s recente reünie.

Het Engelse gezelschap DEPARTMENT S (***) wordt tegen wil en dank wel eens versleten voor one-hit-wonder op basis van de onvervalste New Wave Club Classic “Is Vic There?”, maar in de Club bevestigden de heren dat ze ondanks hun korte bestaan tussen 1980 en 1982 nog een pak andere klassenummers hebben ingeblikt. Originele zanger Vaughan Toulouse verliet voortijdig dit aardse tranendal, maar zijn vervanger Eddie Roxy slaagde er wonderwel in om geloofwaardige versies neer te zetten van de puike doch indertijd jammerlijk geflopte singles “Going Left Right”, “Age Concern” en “I Want”. Tussendoor deed de groep ook iets leuks met Pink Floyd’s “Lucifer Sam”, en bewees met het nieuwe “Wonderful Day” dat Department S zowaar recht heeft op een tweede jeugd.

‘Geen new wave zonder old school punk’, moeten de organisatoren gedacht hebben, en dus kreeg het publiek dit jaar ook een aantal bands uit de eerste en tweede punkgolf voorgeschoteld. Al is frontman Charlie Harper de 50 intussen vlotjes gepasseerd en solliciteert hij nadrukkelijk voor de rol van best Ozzy Osbourne look-alike ever, het Londense UK SUBS (***) liet met de brutale opener “CID” weinig twijfel over de waarheid van het cliché der clichés: punk’s not dead! Harper werd dan wel vergezeld door een stel jonge honden, toch klonk de groep redelijk authentiek en bovenal lekker smerig. Uit dankbaarheid voor hun stekje op de affiche werd het oudje “Saints And Sinners” voor de gelegenheid herwerkt tot “Sinner’s Day”: meer respect dan dit krijgt een bende dolle veertigers tegenwoordig niet meer!

De Engelse meesterbassist JAH WOBBLE (***) kreeg in de Club de wat ondankbare rol van vreemde eend in de bijt toebedeeld. Wobble stond in ’78 dan wel mee aan de wieg van het postpunk instituut Public Image Ltd, maar eigenlijk is hij in hart en nieren een dubmeester met een uitgesproken voorliefde voor ethnic fusion. De meerderheid van het publiek wist dan ook niet meteen wat te denken van Wobble’s rariteitenkabinet, waaruit ondermeer een geisha en een trits exotische muziekinstrumenten werden opgediept. De broeierige mix van dub en Oosterse folk, met als uitschieters een heerlijk “Visions Of You” (dat ook zonder Sinéad O’Connor overeind bleef) en het onverwachte toetje “How Much Are They?” in een fraai hertimmerde versie, kon ons wel bekoren. En al wie dacht (of misschien zelfs hoopte) hiermee het laatste van de sjofele Wobble gezien te hebben op Sinner’s Day kwam even later bedrogen uit...

Hoe pijnlijk kan nostalgie zijn? Bij gebrek aan andere nog levende Ramones treedt drummer Marky Ramone tegenwoordig op in zijn eigen tribute band vergezeld van drie jongere snaken die elkaar om beurten de loef probeerden af te steken met de stoerste podiumpose. De set van MARKY RAMONES BLITZKRIEG (**) bleek dan ook weinig meer dan een flauw afkooksel van ‘the real thing’ te zijn. Natuurlijk blijven “Rockaway Beach”, “Now I Wanna Sniff Some Glue” en “Blitzkrieg Bop” ultieme voorbeelden van tijdloze punkpop, maar keer op keer werd de magie van deze nummers vakkundig de nek omgewrongen door voormalig Misfits strot Michale Graves die met zijn springerig horrorpunk imago mijlenver verwijderd is van de eerder introverte Joey Ramone zaliger. Wat ons betreft mag Marky zich in de toekomst gaan concentreren op zijn recent gelanceerde kledinglijn en de Ramones erfenis verder ongemoeid te laten.

De gloriejaren van THE YOUNG GODS (****) zijn vooral te situeren in de 90ies waardoor we dit Zwitserse gezelschap gerust als de juniors van deze Sinner’s Day editie kunnen beschouwen. Alhoewel de scherpe kantjes van hun gekende electroterreur inmiddels werden ingeruild voor psychedelische soundscapes botste hun kolkende industrial heerlijk brutaal van de ene naar de andere hoek van de Club. Het maakte de set tot één lange kaleidoscopische trip met frontman Franz Treichler in de rol van would-be volksmenner; zijn poging om met een zoeklicht de grootste Sinners in het publiek op te sporen draaide echter jammer genoeg op niets uit. Aan hoogtepunten geen gebrek tijdens dit eerste echte topoptreden van de dag, maar het ingehouden splinterbommetje “Kissing The Sun” kreeg uiteindelijk toch weer de meeste handjes op elkaar.

Alhoewel hun officiële reünie pas begin volgend jaar is gepland in kader van AB’s Rewind reeks kregen we nu reeds een veredelde try-out voorgeschoteld van het naar Belpop normen iconische ARBEID ADELT! (****). Opener “Ik Sta Scherp” maakte meteen veel duidelijk: Marcel Vanthilt kan beter presenteren dan zingen maar declameert zijn nerveuze woordvondsten nog steeds met sprekend gemak, Luc Van Acker voelt zich meer dan ooit kiplekker in rol van enfant terrible en heeft zijn verdraaide gitaarkunstjes nog niet verleerd, en Herr Seele look-alike Jan Vanroelen ontfermt zich vanuit de tweede linie over de gestoorde beats. Het olijke trio klonk onwaarschijnlijk fris en monter voor een band die twee decennia radiostilte achter de rug heeft, en had qua uitstraling duidelijk meer weg van een bende jonge honden die nog alles te bewijzen heeft dan van een stoffige nostalgie act. Het beste uit AA’s meest roemruchte wapenfeiten ‘Jonge Helden’ en ‘Le Chagrin En Quatre-Vingts’ werd niet gespaard, en rond halfzes weerklonk zowaar de puike nieuwe Arbeid Adelt! single “Half Vijf”. Bij het toetje “Death Disco” mocht oorspronkelijk componist Jah Wobble zijn ongekende klasse voor de tweede keer komen etaleren; het trio stak enige bewondering voor hun jeugdidool niet onder stoelen of banken, en lieten de New Wave Club Classic met gemak uitvloeien in een mini jamsessie. Welkom terug, Marcel, Luc en Jan!

Wegens laattijdige annulatie van The Damned viel er bij THE KIDS (***) alsnog een uitnodiging voor Sinner’s Day in de bus. Het recept van Vlaanderen’s oudste en authentiekste working man’s punkgroep is intussen genoegzaam bekend, maar toch slagen Ludo Mariman & co er keer op keer in om met volle overgave een beklijvende set neer te zetten. En ja, het was weer heerlijk om samen met de rest van een volgepakte Club “There Will Be No Next Time”, “This Is Rock ‘n’ Roll” en “Fascist Cops” mee te brullen.

Voor de Engelse postpunk legende en notoire zeurkous Mark E. Smith lijkt het leven wel één lange oefening in tegendraadsheid. Het getormenteerde boegbeeld van THE FALL (***) leek dan ook allerminst van plan om mee op de nostalgie carrousel te springen, en had dus vooral recent werk op de setlist voorzien. Of die setlist eigenlijk wel van veel tel was durven we overigens sterk te betwijfelen, want met de regelmaat van de klok verdween de ongeïnteresseerde Smith achter de gordijnen en diende zijn strak musicerende groep het alleen te rooien. De schijnbaar norse frontman heet ook een veeleisende perfectionist te zijn, dus kijken zijn makkers er al lang niet meer van op dat hun chef regelmatig de versterkers persoonlijk komt bijregelen. Volledig conform de eigenzinnigheid van de band werd het vreemde optreden een kwartier vroeger dan voorzien afgefloten, maar dat bleek ruim voldoende om een onuitwisbare indruk achter te laten in de Club.

Ook MARC ALMOND (***) had het op de Main Stage niet zo onmiddellijk begrepen op een nostalgie trip. Het 80ies icoon heeft met ‘Varieté’ net een nieuw album uit, en zag zijn kans schoon om op Sinner’s Day hieraan de nodige ruchtbaarheid te geven. Gelukkig voor de nostalgische fans ging de overigens heel enthousiaste Almond ook met mondjesmaat grasduinen in zijn muzikaal verleden; zijn grootste solohit “Tears Run Rings” en Soft Cell’s “Torch” kregen heel dynamische versies mee, en uiteraard moest Almond op Belgische bodem ook iets doen met de erfenis van Jacques Brel. Tijdens zijn interpretatie van “Jacky” etaleerde hij met verve zijn vocale kunnen, maar toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat het cabaret gehalte van dit soort nummers net iets te hoog lag voor het Sinners publiek. Na nog een trits nieuwe nummers sloot Almond wijselijk af met het obligate “Tainted Love” waarmee hij een deel van de intussen ingedommelde zwartjassen alsnog deed rechtveren.

In de ranking van populairste ska revival band ooit moet THE SELECTER (***) het duidelijk afleggen tegen de eveneens gereanimeerde Specials en Madness, maar daarentegen kunnen weinig of geen van dit soort bands er prat op gaan een welbespraakte frontvrouw in de rangen te hebben. Anno 2010 is ‘the first lady of ska’ Pauline Black samen met haar mannelijke tegenhanger Arthur 'Gaps' Hendrickson nog steeds het uitgangbord van deze vrolijke bende: in haar witte maatpak en dito gangster hoed zweept ze het publiek op en vertelt ze graag een verhaaltje bij elk nummer. Vastberaden om de dertigste verjaardag van hun debuut ‘Too Much Pressure’ niet onopgemerkt voorbij te laten gaan bouwde het zevenkoppige Engelse gezelschap in de Club een feestje om U tegen te zeggen. Zelfs iets minder bekende nummers zoals “Street Feeling”, “Murder” en “James Bond” gingen er in als zoete koek, maar uiteraard zat iedereen te wachten op de onweerstaanbare riedeltjes “On My Radio” en “Too Much Pressure” die dit uurtje skapop met het nodige nostalgische gevoel afsloten.

Met een jaar vertraging kwam de Engelse postpunk band THE PSYCHEDELIC FURS (****) dan toch naar de Ethias Arena afgezakt als één van de absolute publiekstrekkers van het festival, en het duurde dan ook niet lang vooraleer de maximale publiekscapaciteit van de Club werd bereikt. The Furs werden in het begin wat genekt door een slecht geluid waardoor opener “Dumb Waiters” en de dubbele hit “Pretty In Pink” wat de mist ingingen, maar vanaf de magistrale sleper “Sister Europe” zat de balans tussen Richard Butler’s schorre stem, Richard Good’s ijle gitaar en Mars Williams’ weemoedige sax eindelijk goed. De groep citeerde nadrukkelijk uit hun eerste drie albums uit de periode 1980-‘82 waarmee ze de meeste credibiliteit hebben verworven bij vele zwartjassen, maar uiteraard mochten de latere meer afgelikte mainstream hitjes “Heaven” en “Heartbeat” op een nostalgie feestje als dit niet ontbreken. Het publiek genoot zichtbaar van de muziek én van Butler’s hyperkinetische mimiek waarvoor hij duidelijk in de leer ging bij Bowie en Pop. Net toen we de hoop op een bis hadden opgegeven stormden The Furs opnieuw het podium op voor een manische versie van “India”, waardoor een reeds bijzonder goed optreden op de valreep een gewoonweg uitstekend optreden werd.

Zelfs de meest verstokte fan die Ian McCullogh in de aanloop naar Sinner’s Day aan het werk zag in De Laatste Show moest toegeven dat ’s mans afgeleefde stem in allesbehalve grote doen was. Het bleek gelukkig loos alarm, want ECHO AND THE BUNNYMEN (****) toverden dankzij een sfeervolle belichting de in wezen ongezellige Main Stage om tot een feeëriek toneel met een enthousiaste McCullogh en diens subtiel spelende makkers in de hoofdrollen. De recente nummers aan het begin van de set waren oerdegelijk, maar konden toch niet echt beklijven en dienden enkel ter opwarming voor de greatest hits die al vlug zou volgen. Met “All My Colours”, “The Back Of Love”, “Seven Seas”, “Bring On The Dancing Horses”, “The Killing Moon” en “The Cutter” hoorde eenieder de lang vervlogen soundtrack van zijn of haar jeugd in ijl tempo passeren. En laat dat laatste nu net de bedoeling zijn van Sinner’s Day: muzikale helden van weleer confronteren met hun fans van weleer, en tussen pot en pint elkaar de loef afsteken met de strafste herinneringen uit die tijd. Nostalgie? Het is en blijft een lelijk woord voor een pretentieloos en aangenaam tijdverdrijf.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Sinner’s Day Festival (More-Entertainment)

The Lords Of Skull Island

The Lords Of Skull Island dient mokerslagen toe

Geschreven door

Wie de programmering van de Charlatan al een tijdje volgt, weet dat teleurstellingen zelden voorkomen. Dinsdagavond stonden terug enkele veelbelovende namen op de affiche.

Het Amsterdamse duo zZz bracht met hun donkere en broeierige orgelrock meteen al leven in de brouwerij. Met de gepolijste combinatie van orgel (Daan Schinkel) en drums (Björn Ottenheim) is dit tweetal sinds 2000 een buitenbeentje, niet alleen wat betreft hun muziek want ook de bijbehorende videoclips zijn uniek (check hun video Grip http://www.youtube.com/watch?v=xfmJ6m97HqQ die in één ononderbroken camerashot werd opgenomen – waar weliswaar weken aan voorbereiding vooraf gingen). Het tweetal zat op één lijn vooraan op het podium en dus héél dicht bij het publiek dat goedkeurend de hypnotiserende rock, doorspekt met orgelriedeltjes en aanstekelijke drumpartijen, tot zich nam. ‘Lekker’ op zijn Hollands. Hoogtepunten van hun set waren: “Ecstasy” en het voornoemde “Grip”. Schinkel bespeelde zijn orgel alsof het een verlengstuk van zijn lichaam was (wat die allemaal uit dat orgeltje haalde, hou je niet voor mogelijk) en Ottenheim (inclusief Cheese & Chong bandana) onderstreepte dit alles met een pompende vette beat en ondersteunende zang. Geen moment verveling en dus goedgekeurd door ondergetekende.

De tweede supportact van de avond deed er nog een schepje bovenop. De Waalse vrienden van The Lords of Skull Island (de nieuwe groep rond ex-Hulk(k) gitarist Renaud Mayeur) verbaasden vriend en vijand met hun energieke psychedelische swamprock. Geen bullshit maar eerlijke rechttoe rechtaan rock and roll met de rauwheid van MC5/Stooges in combinatie met een hoog AC/DC high voltagegehalte. Van bij het openingsnummer “The Lords of Skull Island” spatte de elektriciteit het podium af om het publiek een uur lang onder stroom te zetten. “Toilet Lover”, “Seven Billion Years”, “Super Hero” en “No Lucky Star (I’m dope and I’m crack)” volgden elkaar in een moordend tempo op (geen tijd voor plaspauzes of extra bier bestellingen aan den toog). De ballade “Ghost in the mirror” zorgde voor wat ademruimte, maar dit was van korte duur, daar het eindoffensief werd ingezet met het schitterende “Beg for mercy” en afsluiter (tevens opener) “The Lords of Skull Island”. Het spelplezier straalde af van de gezichten van alle groepsleden die erg goed op elkaar ingespeeld waren.
Dat Renaud Mayeur een excellente gitarist is, weten we al uit een ver verleden (hij was lid van La Muerte tijdens hun reünietour in 1999 en vervangend bassist bij Triggerfinger in 2008) maar wat hij dinsdag allemaal uit zijn Gibson SG Angus Young Sig. Electric Guitar haalde was pure klasse. Hou The Lords of Skull Island in de gaten, ze gaan nog veel potten breken!

Wat het hoogtepunt van de avond moest worden, liep met een kleine sisser af. The Sore Losers konden dit gewoon niet meer winnen. Al wie vroeg of laat na The Lords of Skulls moet spelen, zal jammer genoeg met hetzelfde probleem te maken krijgen. Vooreerst werd het geluid fors teruggedrongen en ten tweede waren The Sore Losers in mindere doen. Wat volgde was een eerder saaie vertoning in vergelijking met wat voorafging. Een domper op de voor de rest schitterende muzikale avond. Spijtige zaak daar we The Sore Losers al in betere doen gezien hebben. We wensen hen een spoedig herstel toe na deze vroegtijdige knock-out.

Organisatie: Charlatan, Gent

Apocalyptica

Apocalyptica: IJzersterke cello reputatie!

Geschreven door

 

‘De ideale schoonzoons’, was het eerste waar ik aan dacht bij het aanschouwen van openingsband Livingston. Dat voorspelde al niet veel goeds... en die voorspelling werd ook bevestigd naarmate hun set vorderde. Het Londense 5-tal grossierde in een soort makke lauwe powerrock, net zoals die ons tien jaar terug ‘en masse’ voorgeschoteld werd door de toenmalige Nickelbacks en consoorten. Hooguit verdienstelijk te noemen, en hetgeen ze ons vanavond in de AB voorschotelden zou bij momenten inderdaad ook ons allerliefste schoonmama kunnen bekoren. Spannendste (lees ‘sympathiekste’) moment was toen Zanger Beukes Willemse - die qua look overigens niet zou misstaan hebben in om het even welke eighties boysband - het nodig achtte zijn Zuid Afrikaanse afkomst te etaleren door een woordje ‘Suid Afrikaans’ tot het (het moet gezegd) toch vrij enthousiaste publiek te richten. Leuk voor de Vlamingen, minder voor de Walen, maar onze ‘Suid Afrikaanse friend’ had blijkbaar geen notie van de communautaire kwestie in ons Belgenlandje.

Tijd voor de real stuff nu: exit Livingston, enter Apocalyptica ! Deze heerschappen zagen er beslist NIET uit als de ideale schoonzoons. Hun recept is stilaan gekend: loeiharde metal met 3 cello’s + drummer ! Sind ze in 1996 met hun debuut ‘Apocalyptica plays Metallica by four cello’s’ de wereld verblijdden in een verrassende combinatie van cello’s en metal is het hen gestaag voor de wind gegaan en zijn ze doorgeklommen tot de topregionen in metalland! En welverdiend, getuige hiervan hun recentste (7e) schijf ‘7th Symphony’ plus een ijzersterke live-reputatie, hetgeen ze andermaal kwamen bewijzen in een nokvolle, uitverkochte AB.

‘Lead’ cellisten Eicca Toppinen (de blonde) en Perttu Kivilaakso (de zwarte) trokken samen met ‘bassist’ Paavo Lötjönen en drummer Mikko Siren weer stevig van leer, en serveerden ons een strakke en gevarieerde set, mooi uitgebalanceerd met nieuw & ouder werk. De Metallica invloeden van destijds werden niet vergeten, en voor een groot deel van het opgekomen publiek (een allegaartje van metalheads en ‘normale’ concertgangers) bleken “Master of puppets” en “Seek & destroy” de absolute hoogtepunten. Oo
k Sepultura’s “Refuse / Resist” (terug te vinden op hun 2e ‘CD ‘Inquisition Symphony’ uit ‘98) werd in al zijn brute kracht nog eens de AB in geslingerd!
Voor de rest allemaal eigen werk, met veel aandacht voor de nieuwe CD. Tal van hoogtepunten: voor niet ingewijden zijn titels zijn soms moeilijk te achterhalen, maar we herkenden alvast schitterende uitvoeringen van openers “On the rooftop with Quasimodo”, “2010” (beiden uit de nieuwe plaat) en “Last hope”.
Halverwege de set even wat gas terug voor “Beautiful” en “Sacra”, de rustpunten van de nieuwe CD, die hier schitterden in al hun soberheid. Voor die eerste wisselde drummer Mikko Sirén zijn drumsticks in voor een cello, en stonden er terug als vanouds 4 cello’s zonder drums op het podium (Sirén hield zich weliswaar wijselijk tot het mee tokkelen van het ritme).
Voor enkele van de songs waarvoor op de CD’s gastzangers van dienst zijn, werden ze op deze tournee vergezeld door Tipe Johnson, niet echt een topzanger! Trouwens, ... de muziek van Apocalyptica behoeft volgens mij absoluut geen vocals, integendeel, het geheel staat als een huis zonder! Toch onthouden we knappe versies van
“I don’t care”, “I’m not Jesus” en het nieuwe “End of me”.
Afgesloten werd er met een spetterend “Hall of the mountain king”, de overbekende, inmiddels 130 jaar (!) oude Edvard Grieg compositie, die ze zich stilaan eigen maakten. Een waardig slot voor een alweer memorabele avond!
Minpunten van de avond ... ? Eentje: een passender openingsband voor dergelijk spektakel ware wenselijk geweest! Want vrezen om van het podium gespeeld te worden door een openingsact? Daar hoeft Apocalyptica de komende 20 jaar alvast niet van wakker te liggen !

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

The Jim Jones Revue

Jim Jones Revue - Rock’n’roll spat uit alle lichaamsgaten

Geschreven door

Zoals Obelix bij zijn geboorte in een vat toverdrank is gevallen, zo is Jim Jones volgens ons in een ton kolkende rock’n’roll getuimeld. De man heeft rock’n’roll in zijn  tenen, zijn bloed en in al zijn aderen, en dat zullen we geweten hebben. Live is dit dan ook een wervelwind, denk hierbij gerust aan Jon Spencer, diezelfde gretigheid, diezelfde super-coole présence en attitude, de rock’n’roll die uit alle lichaamsgaten tegelijkertijd spat. Zet daarbij een band die speelt alsof een dolgedraaide stier hen constant op de hielen zit, en je hebt de perfecte rockshow.

Van de twee platen die The Jim Jones Revue nog maar op hun conto hebben, weten we dat alle wijzers geregeld in het rood gaan. Live is het niet anders. Dit is de meest gruizige, harde, explosieve en opgejaagde rock’n’roll die je dezer dagen op een podium kan horen. Smerig, snel, ranzig en uitermate fantastisch. Een gloeiende song als “Rock’n’roll psychosis” dekt volledig de lading, een betere omschrijving van hun sound kunnen we zelf niet bedenken.
Dit is de gekte van Jerry Lee Lewis, de punk attitude van Johnny Thunders, de onstuimigheid van The Gun Club, de vulkaankracht van MC 5 en de ranzigheid van The Stooges.
Jim Jones  richt zijn pijlen rechtstreeks naar onze onderbuik en naar onze trommelvliezen, want het is loud as hell.
The Jim Jones Revue vlammen en razen doorheen splijtende rockers als “Hey hey hey hey”, “Princess and the frog” , “Dishonest John” en gortige bluesbeesten als “Cement mixer”, “Big Len” en “Burning your house down”. De gitaren gaan over de rooie, de drums roffelen als bezeten, de piano gaat door het lint. Subtiel is het niet, subliem wel.

De eerder magere opkomst in de 4AD is helemaal geen domper op het feestje. Het kot bruist en kolkt  vanavond, de rock’n’roll duivel kotst zijn ziel eruit. Een betere Halloween kunnen wij ons niet voorstellen.
Muzikanten mogen technisch begaafd zijn al wat ze willen, niets is beter op een podium dan een portie vuile rock’n’roll die uit al zijn voegen barst, vooral dat is ons weer iets duidelijker  geworden vanavond.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Hurts

‘Hip’ en ‘Hurt’ songs – Hurt

Geschreven door

Eén van de opkomende bandjes is het Engelse duo Hurts, die de sfeer van synthpop en onderkoelde electropop ademen met een vleugje bombast en kitsch. Op die manier zijn ze onmiskenbaar verbonden aan de ‘new romantics’, ‘the youngsters’ na de eerste wavegolf begin jaren ‘80. Invloeden van The Human League, Spandau Ballet, A flock of seagulls, Haircut 100 en Heaven 17, maar vooral ABC en de Pet Shop Boys halen we voor de geest.

Stijlvol en – vast klinkt de muziek op hun debuut ‘Happiness’, die eigenlijk bol staat van weemoedige, donkere muziek, en af en toe een lichtpuntje biedt in een hoopvolle tunnel …
De zwaar georkestreerde partijen en de melodramatiek neigt naar een musicalfestijn ten tijde van Ultravox, Murry Head, Gazebo en Army of lovers, want beelden van getormenteerde ballerina’s flitsen ons voorbij.
De zang van Theo Hutchcraft kan niet omheen Pet Shop Boy Neil Tennant, Brandon Flowers (The Killers) en (ex) Take That-er Robbie Williams.
Het duo slaagde er al in twee venijnige pakkende popsongs te schrijven, het sfeervol innemende “Wonderful life” en het emotievol dansbare “Better than love”. Wat ervoor zorgde dat de ticketverkoop snel liep en het concert was uitverkocht. En met nog maar 1 plaat uit staan ze volgend jaar in de AB …
De heren waren netjes gecoiffeerd en stijlvol gekleed. We zagen een rits elektronica- apparatuur, een piano, drums, een stokstijf staande backing vocalist, die de dramatiek beklemtoonde, én Hutchcraft, in het begin van elke song netjes de knopen van z’n kostumm aan het dichtdoen en dan de handen gekruist, die over een diep indringende fluwelen stem beschikte.
Op Pukkelpop wisten ze ons nog niet meteen te raken, maar na vanavond kunnen we terecht zeggen dat het duo, live met vijf, er goed vanaf kwam en variatie trachtte te brengen in hun onderkoeld materiaal door de logge, slepende, soms diep dreunende elektronicabeats, de opbouwende gevoelige pianopartijen en pittige ‘discotheka’ muziek. Melig, glamour, glitter, jawel, maar eentje met finesse, subtiliteit, schoonheid, uitermate gedistingeerd, en met een donker, elegant randje. De eerste songs “Unspoken” en “Silver lining” waren de aanzet en vormden het toonbeeld, na een klassieke ‘ouverture’.
De rijen jonge dames vooraan hadden hier hun eerste schoolbal; ze hadden een aangepaste avondkledij of outfit aan voor deze Hurts gelegenheid. De huidige single “Wonderful life”, al vroeg in de set, werd warm onthaald, en kreeg naar het eind enkele krachtige exploderende beats. Plaats kwam vrij voor enkele ‘lovehurts’ hartbrekende songs waaronder het ingetogen “Blood, tears, & gold” en “Evelyn”, die aardig wat fijne geluidjes kregen en de glamourpastiche benadrukten. Op “Sunday” ging het er zwierig en dynamisch aan toe, wat ze herhaalden met de doorbraaksingle “Better than love”, die door de intrigerende beats en de flashy stroboscoops aanstekelijk inwerkte op de dansspieren. Tussen de twee songs hoorden we eerder verlatingssongs als het huiveringwekkende “Stay” en “Verona”, waarbij de backing vocalist klassiek hoog uithaalde, en het meeslepende “Devotion”, waarbij rozen werden uitgedeeld. Typische eighties en lagen bombast. “Confide in me”, op plaat met Kylie, en “Illuminated” droegen een mindere last op de schouders.

Op de tunes van 007 James Bond verlieten de heren één voor één de stage. Ze zullen evenveel fans als haters hebben … voor de enen heerlijk wegdromende synthpopsongs, voor de anderen gaat het over het randje van de goede smaak … Ondanks het knipogende plagiaat, was het duidelijk dat Hurts hip is en voor ‘Hurt’ songs stond …

Support was Grand Stereo, die zowel roots in Glasgow als in Brussel heeft. Het kwintet debuteert met vloeiende melodieuze poprock overgoten van een vleugje elektronica. Goed onderbouwde songs, die misschien niet direct verrassen; maar we hoorden een band, die live wel standvastig klonk en over twee vocalisten beschikte, die elkaar mooi aanvulden.

Organisatie: Botanique, Brussel

Sharon Jones

Sharon Jones and the Dap-Kings – Soul Excitement

Geschreven door

Of het uitverkocht was in de Aéronef of niet, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar ‘t zal in ieder geval niet veel gescheeld hebben. Heel wat Vlamingen ook, die na de passage van de Kings in Antwerpen vorige week, nu ook naar Lille waren afgezakt.

Heel wat soulmates tussen het publiek, die kennelijk het repertoire van
Sharon Jones uit het hoofd meebrullen, en een stelletje muziekliefhebbers die , met open mond soms, de professionaliteit van the Dap Kings, gadesloegen. The Dap Kings (Brooklyn) zijn de huisband van Daptone records! Dat record label heeft het niet met moderne technieken, maar brengt de meest stampende funk, soul en groove op authentieke ‘vintage’ wijze.
Binky Griptite speelt een beetje gitaar en leidt de band in goede banen. Hij heeft een ietwat arrogant uiterlijk, maar de man speelt vernuftig fijn (Gibson custom) naast tweede gitarist Brenneck. Vele van the Dap Kings lijken zo weggelopen uit een vermuft kantoorgebouw. Jongens, ze zien er niet uit, maar spelen wel de pannen van het dak. Soul tot in hun kleinste teen en meer dan Tina en Aretha samen.

Sharon Jones moet ondertussen de 60 gepasseerd zijn. Je moet moeite doen om haar te zien, want erg groot is ze niet. Gelukkig heeft ze een  klok van een stem en scheurt ze het hele concert van de ene naar de andere kant van het podium. Jagger, eat your heart out!
La Jones werd geboren in Austin, Georgia, niet toevallig het geboortedorp van ene James, die luistert naar de achternaam Brown! Ze leerde de kneepjes van het vak door o.a. samen te werken met The Four Tops en Maceo Parker. Ja, moet ik er een tekeningetje bij maken?

De set was , na een openingsshow in American Style van Binky Griptite, voornamelijk opgebouwd rond het recent uitgebrachte ‘I learned the hard way’ en ‘100 days 100 nights (2007). Jones zingt het fantastische “Window shopping” en gaat niet even, maar anderhalf uur lang volledig uit de bol.
Toeschouwers worden uit het publiek getild om een rondje met haar te flirten, de blazersectie met Dave Guy (trompet) voorop toont wat ze waard is! Het is ook en vooral Ian Hendrickson-Smith (Bariton sax) die de sfeer bepaalt in het matige ‘I still be true’. De blazerssectie was ook actief als begeleidingsband van zij die het moeilijk heeft om suiker te onderscheiden van iets anders, ene Amy Winehouse.
The Dap Kings zijn voor Motownadepten een absolute aanrader! Het is en blijft immers wel een Amerikaans gebeuren. Het ‘The show must go on’- gevoel overheerst af en toe, en opnieuw gaat voorganger Benky ter afronding nog maar eens zijn band voorstellen. Hierbij vergeet hij uiteraard niet om iedereen langs de merchandising te laten passeren… “I’m not gonna cry” wordt de afsluiter, na het al even fantastische “I learned the hard way”.

De Aéronef en de hele inhoud was getuige van een magistraal concert. Ik ben nog vergeten dat het voorprogramma bestond uit een deejayset van
DJ Joe Tex and Brother Jam en de bijhorende halve liters (kro ou grim?) geestrijk vocht. Ideale opwarmer!

Leden: Sharon Jones (Vocals)
The Dap Kings are: Homer Steinweiss (Drums), Binky Griptite (Guitar), Bugaloo Velez (Congas), Dave Guy (Trumpet), Tommy 'TNT' Brenneck (Guitar), Bosco Mann (Bass), Neal Sugarman (Tenor), Ian Hendrickson-Smith (Baritone)

Organisatie: Aéronef, Lille

Pagina 808 van 971