logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_08
Epica - 18/01/2...

M

M blijft Mister Mystère …

Geschreven door

M-, alias Mister Mystère, alter ego van Matthieu Chedid (de M trekt zich zelf door tot in zijn kapsel), stelde in december vorig jaar zijn laatste album ‘Mister Mystère’ (2009) voor in de AB. Vorige week donderdag was hij te zien Vorst Nationaal, goed voor twee uitverkochte avonden. Chedid, alvast geboren onder een gelukkig gesternte als zoon van zanger Louis Chedid en schrijfster en dichteres Andrée Chedid, profileert zich als multi-instrumentalist en producer (hij producete o.a. het album Divinidylle van Vanessa Paradis en verzekerde de gitaarpartijen op haar tournee in 2007). In 1999 zet hij voor het eerst een stevige plaat neer, Je Dis Aime, waarvoor hij een Victoire krijgt voor beste concert en gelauwerd wordt als beste mannelijke performer (in 2000 en 2005).

Jammer genoeg lijken deze eretekens zich niet te vertalen naar 2009 (tenzij men in Frankrijk andere criteria hanteert). De Morgen berichtte over het concert in december en schuwde de kritiek niet: Chedid werd geportretteerd als carnavaleske volksmenner die zich van elk rockcliché bediende: ellenlange gitaarsolo’s, een vervelende drumsessie als interludium, hanerige gitaristenposes (G. Van Assche, Virtueel curiosium in een ‘time warp’, De Morgen, 21 december 2009). Ook in Vorst meer van hetzelfde:klassiekers zoals Je Dis Aime en Le Roi des Ombres waren onherkenbaar onder zoveel gitaargeweld. Chedid wilde zich blijkbaar als Jimmy Hendrix-descendent in de verf zetten: gedurende zeker 20 minuten rende hij de zaal door om af en toe een stevige rif neer te zetten. De melodieën van deze klassiekers waren onherkenbaar, onafscheidbaar van elkaar geworden.
Tragere en eenvoudigere nummers als La Bonne Etoile (met zijn zus als adembenemende tweede stem) en La Fleur kwamen dan weer beter tot zijn recht en ookde techno-interludia en electro-popsongs als Hold-Up kwamen nog goed uit de verf tegen het witte retro-futuristische decor. Maar dit kon niet op tegen missers zoals de franstalige cover Close tot Me van The Cure, dat volledig van zijn bezwerende mysterie werd ontdaan. Bovendien werd ik een beetje moe van zijn pogingen om het publiek te ‘entertainen’ (éénmaal kon hij het publiek niet stil krijgen omdat iemand tijdens het moment suprême telkens weer “à poil” door de zaal scandeerde…).

Conclusie: Chedid is gezegend met een magnifieke stem waarmee hij alle toonaarden aankan, heeft zich als producer bewezen en beschikt over een talent om de perfecte popsong te componeren (denk maar aan het aanstekelijke Onde Sensuelle). Alleen jammer dat we daarvan niet te veel meekregen donderdagavond. We weten ondertussen wél dat hij de gitaar zelfs met de tanden kan bespelen…

Chedid toert nog tot volgend jaar met de Mister Mystère-tour doorheen Frankrijk, inclusief een twintigtal optredens in de Olympia in Parijs.

Setlist (tot de bisnummers): Crise, Myster Mystère, Tanagra , Le roi des ombres, Close to Me, ça sonne faux , Hold up, La Fleur, Est-ce que c'est ça ?, La Bonne Étoile, Délivre , Je les adore , Jam, Je dis aime, Je me démasque , Le Complexe du corn-flakes , Je me suis fais la belle (Louis Chédid cover) (with Louis Chédid) , Amssétou

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Balkan Beat Box

Balkan Beat Box: Feestgedruis , maar eentje met inhoud!

Geschreven door

De vrolijke NYse bende Balkan Beat Box houdt van een feeststemming … maar eentje met een boodschap van ‘love, peace, understanding en unity’. Iets wat we al in het vaandel droegen door Michael Franti, trouwens één van de invloeden van dit bont allegaartje.

Balkan Beat Box is na drie jaar ‘back in town’, met de cd ‘Blue eyed black boy’ en de komende maanden zullen we opnieuw kunnen dansen op hun sound van beats & basses, melodieuze saxen en  opzwepende drums en percussie; een inventieve, explosieve en brede mengelmoes van Balkan, zigeuner/gypsy, rock, folk, fanfare, polka, Mediterrane klanken (Arabisch – Aziatisch) en hiphop, met uitlopers naar de klezmer en bhangra (N –Afrikaanse invloeden) . Kortom, een moeilijk te vatten stijl, die zorgt voor een broeierig sfeertje en verbroederingsfeestjes.
Ze toonden met hun ‘global grooves’ aan een geoliede feestmachine met diepgang te zijn. Af en toe bonden ze wat in, maar de power, de energie en de fiësta zorgden voor opwinding en een happy dansgevoel.
Het bonte gezelschap put kracht uit Taraf de Haïdouks, Mano Negra, Rachid Taha, Kocani Orkesatar, Asian Dub Foundation en Transglobal Underground (feat. Natacha Atlas) en plaatst zich naast een Shantel, Gogol Bordello en Goran Bregnovic.
De zomerse cocktail, de raps en de op Värttina leasing gezangen, sloegen aan bij het talrijke (jonge) publiek, die uitbundig reageerde. Kleur kreeg het partygehalte door de golvende bewegingen, de crowdsurfende jonge gasten en de V –vingers in de lucht.
De aanstekelijke, dansbare melodieën, de repeterende trancy ritmes, de Balkan fiësta, de afro ‘Leftfield’ klanken, de slangbezwerende instrumentale tussendoortjes en de raps vingen het mainstream middendeel meer dan goed op, zorgden voor variatie, dreven het tempo op en hitsten de menigte op, wat een schitterende finalereeks opleverde en de temperatuur deed stijgen.

Welke song het ook betrof, van “Move it”, “Marche dela vida”, “Gypsy queens” of de titelsong van de huidige cd, Balkan Beat Box speelde feestelijke knallers voor een wervelende livegig, zonder de Oost-Europese authenticiteit te verliezen. Op het einde kon iedereen mee het podium op!
Dat belooft voor de festivals, de komende zomer. Feestgedruis , maar eentje met inhoud!

Ook de Balkanworld en beats’n’pieces vòòr en na de show was mooi meegenomen, een ideale warming up om er de sfeer in te houden … de juiste beats’n’grooves dus!

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Aéronef, Lille 

Les Paradis Artificiels 2010: The Prodigy, Crookers en The Subs

Geschreven door

Het Britse The Prodigy staat terug vooraan in de linie binnen de dance, die het doen met een liveband. Het raverockende trio Howlett (productionele brein achter Prodigy btw), Maxim R en Keith Flint klonken even strijdvaardig als in hun roemrijke jaren, midden de jaren ’90. Platen als ‘Experience (92)’, ‘Music for the Jilted Generation (’94)’ en ‘Fat of the land (’97)’ en de singles “Out of space”, “Voodoo people”, “Poison”, “No good”, “Smack my bitch up”, “Breathe” en “Firestarter” zijn in ons geheugen gegrift. Hun sound wordt omschreven als een hardcore rave van breakbeats, bonkende en ronkende basses, scherpe gitaren en industrial, onder vlijmscherpe schreeuwerige zegraps.
Ze legden alvast de ‘fond’ van de huidige house, techno en elektroscene, gaven de aanzet naar de Bonzai toestanden en waren alvast de wegwijzer naar de dubstep en dance van Partyharders, Justice, The Bloody Beetroots, Boys Noize, Fake Blood, Sound Of Stereo, Shameboy en de supports van vanavond The Subs en Crookers.
Na een stuurloze comeback ‘Always outnumberd, Never outgunned’ in ’94, chaotische, lome tegenvallende livegigs (btw ze willen nu (terecht) die tumultueuze periode achter zich laten) zijn de ‘real warriors of dance’ alive & kicking met de ‘Invaders must die’ plaat.

De drie heren stonden er als vanouds mét band (aangevuld met een drummer en een gitarist) op het podium en plaatsten de oude hits netjes binnen het nieuwe. Resultaat was een grandioze party en een overweldigende set door de opzwepende beatsalvo’s, mokerslagen van drums, scherpe gitaarriffs en fel, verbeten raps en schreeuwerige vocals. Genadeloos … Ook nam Maxim R het voortouw tav Flint, die op die manier (terecht) wat minder in de picture stond. Een goede zet om niet te ontsporen in een chaotisch declamerende brij, ondanks het feit dat we houden van mans “Breathe” en “Firestarter”.
Ze fokten hun publiek op, palmden het in en scheurden over hen heen als razende Formule 1 rijders. We waren vorig jaar al onder de indruk toen ze hun comeback en verve inluidden op Rock Werchter en in Vorst Nationaal. Nu, een goede vijf maand later schieten ze nog altijd met scherp. Ook de lightshow mocht er best wezen: enorme lichtbundels, lampen, stroboscoops en lichtflitsen vlogen in het rond, een ‘fake’ Star Wars of Battlestar Galactica oorlogsscène …
Het tempo lag uitermate hoog , enkel de intermezzo’s brachten ons even op adem, want op elke noot … euh beat … van elke song ging het jonge publiekje uit z’n dak. Springende, dansende gasten, golvende bewegingen, klappende handen, het was mooi om aan te zien in een volgepakte Zénith! En in de nummers waren er de geniale adrenaline vondsten als “Bring some fxx noise”, “Fight the power”, “Fxx moving” en “Fxx that noise”. “Worlds on fire” trok de boel en de party op gang en legde de lat hoog. Tweede in de rij was “Breathe”, die voor verhitte temperaturen zorgde. En op die manier wisselde Prodigy nieuw met oud af en hield het tempo strak. Een opwindende “Omen”, “Poison”, “Warriors dance” en een aangepaste dubversie van “Thunder” volgden. Schurende gitaren kwamen in de daaropvolgende songs nog wat olie op het vuur gooien en hitsten het geheel nog meer op, wat me deed denken aan de muzikale avonturen van Atari Teenage Riot; “Firestarter” en een weird klinkende “Run with the wolves” gingen richting anarchopunk.
Na deze helse rit kwam de factor herkenbaarheid met “Voodoo people”, de toegankelijke, bezwerende, sprankelende hippopdance van “Dieselpower” en een ‘closing final’ met een hard verbeten en felle “Smack my bitch up”. Flint en MaximR maakten rondedansjes en deden iedereen rechtveren. Ook hun huidige housefloorkiller “Invaders must die” paste mooi in het rijtje.

Verschroeiend haalden ze uit in de bis: in “Take me to the hospital” hoorden we een mallemolen van hardcore, house en elektro, “Outta space” leek de ideale StuBru ‘mishmash’ en tot slot kregen we een overtuigende breakbeatende rocksteady van “Their law”, met gierende gitaren op het eind. De drie songs kregen een zwierige draai door het uitgesponnen karakter. Verstomd lieten ze ons achter, en dwongen respect en peace af. Instant klassieker “Babe’s got a temper” zit er daadwerkelijk niet meer bij in hun setlist , maar na deze adembenemende krachtige set is het hen vergeven!

Inleidend op The Prodigy kregen we twee ideale opwarmers Eerst ons eigen The Subs, Jeroen de Pessemier, Wiebe Loccufier en Stefan Bracke. “Kiss My Trance”, “Music is the new religion” en “My punk” en de huidige single “Misubitchi” gingen erin als zoetenbroodjes bij het dansminnende Franse publiek. Ze boekten al puike resultaten op diverse festivals en dance events als I Love Techno, 10 Days Off en Tomorrowland. De beatbastards deden met hun mengeling van electro, house, techno, wave, breakbeats, dancehall en een soort voodootrance de boel ontploffen! Ze haalden de eighties en nineties door de mallemolen; een soort Beats’n’Pieces, ergens tussen Bonzai, Prodigy en Underworld trance.
Inderdaad, een energieke, opzwepende en dynamisch set; het was zelfs zo leuk waardoor de zanger op de apparatuur sprong, het publiek indook en fel tekeer ging op de versie van  Prodigy’s “Breathe”, dat hij er eventjes moest van kotsen! “Funk da shit” …Totally weird!
 
Het Italiaanse danceduo Crookers maken ook furore. Onlangs verscheen de cd ‘Tons Of Friends’, met een heel aardige gastenlijst, die de EP ‘Knobbers’ opvolgt. “Remedy”, “Put your hands on me”, “no security” en “Knobbers” haalden het feestbeest naar boven. De eerste tracks klonken meer bezwerend en refereerden aan Orbital, Sabres of Paradise en Underworld. Zalvende beats en trance die gaandeweg aanstekelijk, groovy en dansbaar werd. De gesampelde voices van de gastenlijst pasten mooi binnen het concept. Ze bouwden de set op en klonken straffer, steviger en zorgden voor een wilde versmelting van retroacid, dubstep/basstunes en elektro. Een uiterst gevarieerde set van het duo, die flarden van hun nummers naadloos aan elkaar regen. Een vreugdevolle party, die de Zénith omtoverde in een housetempel.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

Les Paradis Artificiels 2010: Crookers, The Subs en The Prodigy

Geschreven door

Het Britse The Prodigy staat terug vooraan in de linie binnen de dance, die het doen met een liveband. Het raverockende trio Howlett (productionele brein achter Prodigy btw), Maxim R en Keith Flint klonken even strijdvaardig als in hun roemrijke jaren, midden de jaren ’90. Platen als ‘Experience (92)’, ‘Music for the Jilted Generation (’94)’ en ‘Fat of the land (’97)’ en de singles “Out of space”, “Voodoo people”, “Poison”, “No good”, “Smack my bitch up”, “Breathe” en “Firestarter” zijn in ons geheugen gegrift. Hun sound wordt omschreven als een hardcore rave van breakbeats, bonkende en ronkende basses, scherpe gitaren en industrial, onder vlijmscherpe schreeuwerige zegraps.
Ze legden alvast de ‘fond’ van de huidige house, techno en elektroscene, gaven de aanzet naar de Bonzai toestanden en waren alvast de wegwijzer naar de dubstep en dance van Partyharders, Justice, The Bloody Beetroots, Boys Noize, Fake Blood, Sound Of Stereo, Shameboy en de supports van vanavond The Subs en Crookers.
Na een stuurloze comeback ‘Always outnumberd, Never outgunned’ in ’94, chaotische, lome tegenvallende livegigs (btw ze willen nu (terecht) die tumultueuze periode achter zich laten) zijn de ‘real warriors of dance’ alive & kicking met de ‘Invaders must die’ plaat.

De drie heren stonden er als vanouds mét band (aangevuld met een drummer en een gitarist) op het podium en plaatsten de oude hits netjes binnen het nieuwe. Resultaat was een grandioze party en een overweldigende set door de opzwepende beatsalvo’s, mokerslagen van drums, scherpe gitaarriffs en fel, verbeten raps en schreeuwerige vocals. Genadeloos … Ook nam Maxim R het voortouw tav Flint, die op die manier (terecht) wat minder in de picture stond. Een goede zet om niet te ontsporen in een chaotisch declamerende brij, ondanks het feit dat we houden van mans “Breathe” en “Firestarter”.
Ze fokten hun publiek op, palmden het in en scheurden over hen heen als razende Formule 1 rijders. We waren vorig jaar al onder de indruk toen ze hun comeback en verve inluidden op Rock Werchter en in Vorst Nationaal. Nu, een goede vijf maand later schieten ze nog altijd met scherp. Ook de lightshow mocht er best wezen: enorme lichtbundels, lampen, stroboscoops en lichtflitsen vlogen in het rond, een ‘fake’ Star Wars of Battlestar Galactica oorlogsscène …
Het tempo lag uitermate hoog , enkel de intermezzo’s brachten ons even op adem, want op elke noot … euh beat … van elke song ging het jonge publiekje uit z’n dak. Springende, dansende gasten, golvende bewegingen, klappende handen, het was mooi om aan te zien in een volgepakte Zénith! En in de nummers waren er de geniale adrenaline vondsten als “Bring some fxx noise”, “Fight the power”, “Fxx moving” en “Fxx that noise”. “Worlds on fire” trok de boel en de party op gang en legde de lat hoog. Tweede in de rij was “Breathe”, die voor verhitte temperaturen zorgde. En op die manier wisselde Prodigy nieuw met oud af en hield het tempo strak. Een opwindende “Omen”, “Poison”, “Warriors dance” en een aangepaste dubversie van “Thunder” volgden. Schurende gitaren kwamen in de daaropvolgende songs nog wat olie op het vuur gooien en hitsten het geheel nog meer op, wat me deed denken aan de muzikale avonturen van Atari Teenage Riot; “Firestarter” en een weird klinkende “Run with the wolves” gingen richting anarchopunk.
Na deze helse rit kwam de factor herkenbaarheid met “Voodoo people”, de toegankelijke, bezwerende, sprankelende hippopdance van “Dieselpower” en een ‘closing final’ met een hard verbeten en felle “Smack my bitch up”. Flint en MaximR maakten rondedansjes en deden iedereen rechtveren. Ook hun huidige housefloorkiller “Invaders must die” paste mooi in het rijtje.

Verschroeiend haalden ze uit in de bis: in “Take me to the hospital” hoorden we een mallemolen van hardcore, house en elektro, “Outta space” leek de ideale StuBru ‘mishmash’ en tot slot kregen we een overtuigende breakbeatende rocksteady van “Their law”, met gierende gitaren op het eind. De drie songs kregen een zwierige draai door het uitgesponnen karakter. Verstomd lieten ze ons achter, en dwongen respect en peace af. Instant klassieker “Babe’s got a temper” zit er daadwerkelijk niet meer bij in hun setlist , maar na deze adembenemende krachtige set is het hen vergeven!

Inleidend op The Prodigy kregen we twee ideale opwarmers Eerst ons eigen The Subs, Jeroen de Pessemier, Wiebe Loccufier en Stefan Bracke. “Kiss My Trance”, “Music is the new religion” en “My punk” en de huidige single “Misubitchi” gingen erin als zoetenbroodjes bij het dansminnende Franse publiek. Ze boekten al puike resultaten op diverse festivals en dance events als I Love Techno, 10 Days Off en Tomorrowland. De beatbastards deden met hun mengeling van electro, house, techno, wave, breakbeats, dancehall en een soort voodootrance de boel ontploffen! Ze haalden de eighties en nineties door de mallemolen; een soort Beats’n’Pieces, ergens tussen Bonzai, Prodigy en Underworld trance.
Inderdaad, een energieke, opzwepende en dynamisch set; het was zelfs zo leuk waardoor de zanger op de apparatuur sprong, het publiek indook en fel tekeer ging op de versie van  Prodigy’s “Breathe”, dat hij er eventjes moest van kotsen! “Funk da shit” …Totally weird!
 
Het Italiaanse danceduo Crookers maken ook furore. Onlangs verscheen de cd ‘Tons Of Friends’, met een heel aardige gastenlijst, die de EP ‘Knobbers’ opvolgt. “Remedy”, “Put your hands on me”, “no security” en “Knobbers” haalden het feestbeest naar boven. De eerste tracks klonken meer bezwerend en refereerden aan Orbital, Sabres of Paradise en Underworld. Zalvende beats en trance die gaandeweg aanstekelijk, groovy en dansbaar werd. De gesampelde voices van de gastenlijst pasten mooi binnen het concept. Ze bouwden de set op en klonken straffer, steviger en zorgden voor een wilde versmelting van retroacid, dubstep/basstunes en elektro. Een uiterst gevarieerde set van het duo, die flarden van hun nummers naadloos aan elkaar regen. Een vreugdevolle party, die de Zénith omtoverde in een housetempel.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

Les Paradis Artificiels 2010: The Subs, Crookers en The Prodigy

Geschreven door

Het Britse The Prodigy staat terug vooraan in de linie binnen de dance, die het doen met een liveband. Het raverockende trio Howlett (productionele brein achter Prodigy btw), Maxim R en Keith Flint klonken even strijdvaardig als in hun roemrijke jaren, midden de jaren ’90. Platen als ‘Experience (92)’, ‘Music for the Jilted Generation (’94)’ en ‘Fat of the land (’97)’ en de singles “Out of space”, “Voodoo people”, “Poison”, “No good”, “Smack my bitch up”, “Breathe” en “Firestarter” zijn in ons geheugen gegrift. Hun sound wordt omschreven als een hardcore rave van breakbeats, bonkende en ronkende basses, scherpe gitaren en industrial, onder vlijmscherpe schreeuwerige zegraps.
Ze legden alvast de ‘fond’ van de huidige house, techno en elektroscene, gaven de aanzet naar de Bonzai toestanden en waren alvast de wegwijzer naar de dubstep en dance van Partyharders, Justice, The Bloody Beetroots, Boys Noize, Fake Blood, Sound Of Stereo, Shameboy en de supports van vanavond The Subs en Crookers.
Na een stuurloze comeback ‘Always outnumberd, Never outgunned’ in ’94, chaotische, lome tegenvallende livegigs (btw ze willen nu (terecht) die tumultueuze periode achter zich laten) zijn de ‘real warriors of dance’ alive & kicking met de ‘Invaders must die’ plaat.

De drie heren stonden er als vanouds mét band (aangevuld met een drummer en een gitarist) op het podium en plaatsten de oude hits netjes binnen het nieuwe. Resultaat was een grandioze party en een overweldigende set door de opzwepende beatsalvo’s, mokerslagen van drums, scherpe gitaarriffs en fel, verbeten raps en schreeuwerige vocals. Genadeloos … Ook nam Maxim R het voortouw tav Flint, die op die manier (terecht) wat minder in de picture stond. Een goede zet om niet te ontsporen in een chaotisch declamerende brij, ondanks het feit dat we houden van mans “Breathe” en “Firestarter”.
Ze fokten hun publiek op, palmden het in en scheurden over hen heen als razende Formule 1 rijders. We waren vorig jaar al onder de indruk toen ze hun comeback en verve inluidden op Rock Werchter en in Vorst Nationaal. Nu, een goede vijf maand later schieten ze nog altijd met scherp. Ook de lightshow mocht er best wezen: enorme lichtbundels, lampen, stroboscoops en lichtflitsen vlogen in het rond, een ‘fake’ Star Wars of Battlestar Galactica oorlogsscène …
Het tempo lag uitermate hoog , enkel de intermezzo’s brachten ons even op adem, want op elke noot … euh beat … van elke song ging het jonge publiekje uit z’n dak. Springende, dansende gasten, golvende bewegingen, klappende handen, het was mooi om aan te zien in een volgepakte Zénith! En in de nummers waren er de geniale adrenaline vondsten als “Bring some fxx noise”, “Fight the power”, “Fxx moving” en “Fxx that noise”. “Worlds on fire” trok de boel en de party op gang en legde de lat hoog. Tweede in de rij was “Breathe”, die voor verhitte temperaturen zorgde. En op die manier wisselde Prodigy nieuw met oud af en hield het tempo strak. Een opwindende “Omen”, “Poison”, “Warriors dance” en een aangepaste dubversie van “Thunder” volgden. Schurende gitaren kwamen in de daaropvolgende songs nog wat olie op het vuur gooien en hitsten het geheel nog meer op, wat me deed denken aan de muzikale avonturen van Atari Teenage Riot; “Firestarter” en een weird klinkende “Run with the wolves” gingen richting anarchopunk.
Na deze helse rit kwam de factor herkenbaarheid met “Voodoo people”, de toegankelijke, bezwerende, sprankelende hippopdance van “Dieselpower” en een ‘closing final’ met een hard verbeten en felle “Smack my bitch up”. Flint en MaximR maakten rondedansjes en deden iedereen rechtveren. Ook hun huidige housefloorkiller “Invaders must die” paste mooi in het rijtje.

Verschroeiend haalden ze uit in de bis: in “Take me to the hospital” hoorden we een mallemolen van hardcore, house en elektro, “Outta space” leek de ideale StuBru ‘mishmash’ en tot slot kregen we een overtuigende breakbeatende rocksteady van “Their law”, met gierende gitaren op het eind. De drie songs kregen een zwierige draai door het uitgesponnen karakter. Verstomd lieten ze ons achter, en dwongen respect en peace af. Instant klassieker “Babe’s got a temper” zit er daadwerkelijk niet meer bij in hun setlist , maar na deze adembenemende krachtige set is het hen vergeven!

Inleidend op The Prodigy kregen we twee ideale opwarmers Eerst ons eigen The Subs, Jeroen de Pessemier, Wiebe Loccufier en Stefan Bracke. “Kiss My Trance”, “Music is the new religion” en “My punk” en de huidige single “Misubitchi” gingen erin als zoetenbroodjes bij het dansminnende Franse publiek. Ze boekten al puike resultaten op diverse festivals en dance events als I Love Techno, 10 Days Off en Tomorrowland. De beatbastards deden met hun mengeling van electro, house, techno, wave, breakbeats, dancehall en een soort voodootrance de boel ontploffen! Ze haalden de eighties en nineties door de mallemolen; een soort Beats’n’Pieces, ergens tussen Bonzai, Prodigy en Underworld trance.
Inderdaad, een energieke, opzwepende en dynamisch set; het was zelfs zo leuk waardoor de zanger op de apparatuur sprong, het publiek indook en fel tekeer ging op de versie van  Prodigy’s “Breathe”, dat hij er eventjes moest van kotsen! “Funk da shit” …Totally weird!
 
Het Italiaanse danceduo Crookers maken ook furore. Onlangs verscheen de cd ‘Tons Of Friends’, met een heel aardige gastenlijst, die de EP ‘Knobbers’ opvolgt. “Remedy”, “Put your hands on me”, “no security” en “Knobbers” haalden het feestbeest naar boven. De eerste tracks klonken meer bezwerend en refereerden aan Orbital, Sabres of Paradise en Underworld. Zalvende beats en trance die gaandeweg aanstekelijk, groovy en dansbaar werd. De gesampelde voices van de gastenlijst pasten mooi binnen het concept. Ze bouwden de set op en klonken straffer, steviger en zorgden voor een wilde versmelting van retroacid, dubstep/basstunes en elektro. Een uiterst gevarieerde set van het duo, die flarden van hun nummers naadloos aan elkaar regen. Een vreugdevolle party, die de Zénith omtoverde in een housetempel.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

Daniel Johnston

Domino 2010: Daniel Johnston: tussen medelijden en ontroering

Geschreven door

Het Domino-festival kon net als drie jaar terug de levende legende Daniel Johnston op de affiche zetten. Geïnteresseerden kregen in de grote zaal van de Ancienne Belgique een heus avondvullend programma gepresenteerd.
In de vooravond werd ‘The Devil and Daniel Johnston’ op groot scherm geprojecteerd, een documentaire die niemand onberoerd laat. Van jongs af aan bulkte Johnston van creativiteit hetgeen zich uitte in enthousiaste vormen van regisseren, acteren, tekenen, dichten en musiceren. In afwachting van het concert kon men in de AB een dertigtal van ’s mans tekeningen bewonderen.
De immense tragiek van Daniel Johnston schuilt in het feit dat ‘s mans waanzin al iets te vaak zijn talenten overschaduwd heeft. Hij draagt duidelijk de tekenen van zijn jarenlange strijd tegen de duivelse krachten die hij voortdurend meent te moeten bekampen. Het heeft lang geduurd vooraleer men de medicatie gevonden heeft die hem toelaten om relatief normaal te functioneren. Men ziet en hoort dat er tijdens die moeilijke zoektocht aardig wat onherstelbare neurologische schade opgelopen werd.

Tijdens zijn huidige tournee laat Johnston zich bijstaan door het elfkoppige Beam Orchestra. Deze Nederlanders komen de ene keer jazzy uit de hoek, de andere keer klinken ze als een ouderwetse big band en heel soms deed hun sound ons denken aan de vele live-albums die Frank Zappa ons naliet. Wie na die eerste minuten nog dacht dat de muzikale verfijning mogelijks toch nog hoogtij zou vieren, kwam snel bedrogen uit. De rommelige opkomst van Daniel Johnston zette meteen de toon: eerst was hij onverstaanbaar omdat de microfoon niet aangesloten bleek, vervolgens hoorden we hem eventjes veel te luid en toen het geheel wel goed afgesteld was, kon iedereen vaststellen dat hij vocaal nog steeds nergens staat. Ook zijn krakkemikkige gitaarspel is de voorbije jaren niet echt de goede kant op gegaan. De ontroerende overgave waarmee Johnston zijn nummers brengt, zorgt er echter voor dat hij wegkomt met het feit dat hij weinig toonvast is en vaak uit het ritme speelt en zingt (om nog maar te zwijgen over de vele valse noten die hij uit zijn gitaar en strottenhoofd krijgt). Een mens gaat immers niet naar zijn concerten om te kunnen genieten van het puur muzikale maar om getuige te zijn van het ‘curiosum’…..een gedachte die ons in Brussel soms wel met een schuldgevoel opzadelde (iets waar we van verlost geraakten door de gedachte dat deze uitzonderlijke artiest ten volle geniet van het succes dat hem nu te beurt valt).
De grote verdienste van Daniel Johnston ligt in de kwaliteit van zijn songs. Wie deze laatste woorden in twijfel trekt, verwijzen we bij deze naar de in ’04 verschenen tribute plaat ‘The Late Great Daniel Johnstonwaarop o.a. Tom Waits, Beck, Death Cab For Cutie, TV On The Radio en Eels zijn songs coverden.
Een groot deel van zijn liedjes doen, net als de man zelf, kinderlijk aan. Enkele omstaanders geraakten in de AB volledig vertederd en zuchtten zelfs ”zo schattig!” toen ze hem zwaar bevend over het podium zagen struinen in zijn wat slordige trainingsbroek. Zelf voelden we meer dan eens vertwijfeling omdat we heen en weer gesleurd werden tussen medelijden en ontroering. Vooral tijdens “Desperate Dan” (waar zijn begeleidingsband volledig de big band-tour opging en Johnston zich inspande om als een ware crooner te klinken) en “Worried Shoes” (met de twee strijksters in een prominente rol) kregen we samen met velen een krop in de keel.
Na drie kwartier verliet de ster van de avond enkele minuten het podium hetgeen het Beam Orchestra toeliet om enkele uitgebalanceerde arrangementen ten berde te brengen.
Vervolgens trapte Johnston met “Wicked World” de tweede helft op gang waarna het uit ‘1990’ stammende “Devil Town” (over een acid-trip die hij had in Austin, Texas) illustreerde dat hij waarschijnlijk beter “neen” had gezegd tegen drugs. Het hilarische “Walking the Cow” uit het legendarische ‘Hi, How are you?’ kreeg een opzwepende begeleiding van de blazers-sectie die recht uit de STAX-stal leek te komen.
Ook de laatste CD, het onlangs verschenen ‘Is And Always Was’, kwam in ruime mate aan bod. Eén van de hoogtepunten betrof de scheurende versie van “Fake Records of Rock and Roll” waarin de gitaristen voor het eerst een beetje loos mochten gaan.
Op het einde wenst Daniel Johnston het publiek een vrolijk kerstfeest om vervolgens het beklijkvende “True love will find you in the end” in te zetten.

Een eerste bis betrof het solo declameren van een litanie waar we eerlijk gezegd nogal weinig van verstaan hebben. Nadat een aanzienlijk deel van het publiek de zaal reeds verlaten had, keerde hij samen met het voltallige Beam Orchestra terug om “Beatles” te spelen, zijn persoonlijke hommage aan zijn grootste muzikale idolen.

Tussen de documentaire en de passage van Daniel Johnston kreeg Tommigun, het nieuwe project van Thomas Devos (Rumplestitchkin) en Joeri Cnapelinckx (Kawada), de kans om hun debuut-CD aan het grote publiek voor te stellen. Het vijftal deed duidelijk zijn best maar de eerlijkheid gebiedt ons om op te biechten dat ons hoofd na ‘The Devil and Daniel Johnston’ niet naar hun sfeervolle indie-rock stond. Moge ze het ons vergeven! Hopelijk kunnen we hen later dus nog eens aan het werk zien op een meer geschikt moment want in de AB waren we te veel van de kaart om aandachtig te kunnen luisteren naar hun set.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel ikv Dominofestival 2010

Citay

Dream get together

Geschreven door

‘Dream get together’ is een aangename en dromerige trip doorheen 7 (midel)lange songs. Het gaat van zwevende folk rock a la Midlake tot soms wel southern rock, beetje Allman Brothers zelfs, althans in de bijzondere knappe opener “Careful with that hat” die beladen is met uiterst knappe gitaarsolo’s. Ook in “Secret breakfast”, één van de talrijke instrumentals (zo vet veel wordt er niet gezongen op dit album), wisselen akoestische en elekrische gitaren elkaar boeiend af. Wij horen ingehouden Motorpsycho of prille Pink Floyd (ten tijde van Meddle). Verder mag u het in het straatje gaan zoeken van Dungen, Howlin’ Rain en Comets on Fire. De uitschieter van de plaat is “Hunter”, een geweldige instrumentale song met fijne interactie tussen keyboards en heerlijke gitaren met een bruisende riff er bovenop.
Knap samenspel, zoete melodieën, gelaagde gitaren en soms fluweelzachte vocals, dit is zo een beetje het geluid van Citay samengevat. Om lekker in onder te dompelen, deze plaat.

Joe Bonamassa

Black Rock

Geschreven door

Op ‘Black Rock’ wordt het nog eens pijnlijk duidelijk: Bonamassa is een gitarist, geen songschrijver. Enkele keren waagt de man zich aan het verwerken van Griekse invloeden in zijn bluesrock. Geen goed idee, blijkt, “Quarryman’s lament” en “Bird on a wire” (totaal verneukte Leonard Cohen cover) zijn slijmballen van songs waarvan onze tenen serieus beginnen te krullen. De sirtaki-blues is vooralsnog dus geen optie, een duet tussen John Lee Hooker en Zorba De Griek zouden wij eerlijk gezegd ook nooit hebben zien zitten.
Verder blijft Bonamassa wijselijk binnen de lijntjes van de blues kleuren, wat hem ook beter ligt want er komt geregeld soul uit zijn stem en vuur uit zijn gitaar. Toch worden de cliché’s van het genre ook dit keer niet omzeild. Bonamassa heeft wel BB King weten te strikken op “Night life”, maar dat werkt niet echt de originaliteit in de hand, integendeel, de song klinkt zo kenmerkend BB King dat je hem al even gauw terug vergeten bent (wij hebben BB King trouwens altijd al een beetje te braafjes gevonden).
Het album neigt iets meer naar de traditionele Britse blues (John Mayall en consoorten) en wat minder naar de macho power blues die we van Bonamassa geregeld door onze strot krijgen geramd. Om de liefhebbers van dergelijke spierbundelblues toch niet te ontgoochelen : het zit er nog wel degelijk in, maar ’t is een beetje verminderd, u zal dus nadien nog een Walter Troutje moeten opleggen als u zich nog tekortgedaan voelt.
Conclusie : Ook voor Joe Bonamassa geldt wat we van veel artiesten in het genre van de bluesrock kunnen zeggen : qua virtuositeit en muzikaliteit is ‘Black Rock’ dik OK, qua originaliteit valt hier weinig te beleven.

Clare & The Reasons

Arrow

Geschreven door

De sprookjes van Grimm …Elfjes dansen in het rond … De zondagse aperitief … Lekker wegdromen bij de avondzon of de ideale ‘Morgenstemming’ plaat …Een ongedwongen, losse sfeer creëert het duo Clare Muldaur en Oliver Manchon.
We horen op hun tweede plat ‘Arrow’ sfeervolle, dromerige composities die minimaal, spaarzaam worden begeleid of een breed instrumentarium (strijkers, blazers, flutes, piano, toetsen) toegewezen krijgen. De melodieuze rijkdom, de subtiliteit en de finesse staan duidelijk voorop bij de muzikale familie Manchon – Maudaur, want Clare haar ouders zweren trouw bij de traditionele wortels van jazz en blues. Dochterlief houdt bij de pop en brengt een relaxte, gevarieerde sprookjesplaat. Met alles erop en eraan, met zwermen ‘birds & bees’ om ons heen.
Leuk en fijn klinken de songs, luister maar eens naar “All the wine”, “Ooh you hurt me so”, “You getting me”, “This is the story of” en “Perdue a Paris”. De Genesis cover “That’s all” overtuigt door de blazers. Af en toe is er een vleugje elektronica mee gemoeid, maar dat nemen we er graag bij in het droomlandschap van Clare & The Reasons.

Amy Macdonald

A curious thing

Geschreven door

Eén van de grootste zomerhits was “This is the life” van de jonge Schotse singer/songschrijfster Amy Macdonald. De grootste solohit voor een vrouwelijke artieste! Het zorgde ervoor dat ze meteen naam en faam maakte en maar liefst drie miljoen exemplaren verkocht van haar debuut, die aanstekelijke, meeslepende, frisse en sfeervolle poprockfolk bevatte. Niks nieuws onder de zon, maar het werkte .. en het werkte goed.
De opvolger werd opgenomen in de studio’s van Paul Weller, die zelfs een handje meehielp. De songs zijn meer rock, minder folk, en ze haalt vocaal ook minder uit. Alles klinkt meer gematigd, komt op die manier op z’n plooi en biedt een coherente afwisselende plaat, zonder veel tierlantijntjes.
Af en toe durft onze lieftallige dame zelfs nog steviger, luchtiger en uitbundiger te klinken; de openers “Don’t tell me that it’s over” en “Spark” springen meteen in het oog. “Love Love”, “Ordinary life” en “Next big thing” hebben een broeierige, spannende opbouw. En ze wisselt een rocker met een sfeervolle popsong af, die door akoestische gitaar, toetsen of strijkarrangement kleur en intensiteit krijgen, zoals bij “No roots”, “Give it all up”, “My only one” en “Troubled soul”. Een emotievolle “What happiness means to me” op piano sluit de gepolijste melodieuze plaat af. Als toetje krijgen we iets verderop nog een akoestische “Dancing in the dark” van Bruce te horen.
De ‘Mrs rock’n’roll’ heeft alvast een volwaardige tweede plaat uit die weldegelijk naast het debuut kan staan door het meer pop- en rockgehalte.

Pagina 836 van 966