logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic
avatar_ab_13
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 01 mei 2014 01:00

Die Screaming


Die Screaming
Satan’s Satyrs

Met de vorige plaat ‘Wild Beyond Belief’ liet Satan’s Satyrs ons vorig jaar kennismaken met de meest gruizige, vunzige en gore metal die een mens aankan. Een soort garagerock versie van Electric Wizard die leek te zijn opgenomen in een gure kerker tientallen meters onder de bewoonde wereld.
Met opvolger ‘Die Screaming’ lijkt de groep nu toch een heuse studio te hebben ontdekt, de sound is een stuk helderder en de vocals komen niet langer uit een dwangbuis, maar de smerigheid is onaangetast gebleven.  Satan’s Satyrs blijft zich schuilhouden in de ranzige spelonken van de metal, oorden waar de ratten hun verderfelijke activiteiten uitvoeren onder de tonen van Black Sabbath, Melvins, Windhand en Kyuss.  De vunzige metal maakt nogal wat uitstapjes richting garage rock, een retro orgeltje geeft zo een vuile sixties toets mee aan opener “Thumper’s Theme” en laat de band vertoeven in een smerig kot waar ook Lords Of Altamont ten dans spelen. En mocht Ty Segall zich ooit aan een metal plaat wagen, dan zou er zo iets als “Show me your skull” kunnen uitkomen, een ongure lap fuzzrock.  Met het snelle “Black Souls” graaien ze zelfs gretig in de punkbakken en stoten daar op een portie Black Flag en Misfits restanten. Afsluiten doen ze dan weer in ware Sabbath-stijl met de slepende titeltrack, een lome en dreigende klomp onheil  die 12 minuten lang tegen onze hersenpan aanschurkt.
‘Die Screaming’ is minder gortig dan ‘Wild Beyond Belief’, maar nog altijd vuil genoeg om breed uit te smeren in de loopgraven van de cult-metal.

donderdag 17 april 2014 01:00

Going Back Home

Twee grootheden uit de rockgeschiedenis beleven hier de tijd van hun leven. Hoewel dit in het geval van de legendarische Dr. Feelgood gitarist Wilko Johnson een beetje een wrange nasmaak heeft. Wilko is terminale kankerpatiënt en heeft hooguit nog enkele maanden te leven. Hoog tijd dus dat de twee makkers hun belofte om samen iets ineen te brouwen nakwamen, want de tijd drong. 

‘Going Back Home’, ingeblikt in amper een weekje tijd, is daar het knappe resultaat van. Een onbevangen plaatje waar Daltrey er schijnbaar van geniet dat hij eindelijk eens van onder het juk van Pete Townshend is kunnen kruipen en waar Johnson een laatste keer zijn flitsende gitaarriedels op de wereld loslaat. Mogen wij u trouwens dringend verzoeken er eens de eerste vier Dr. Feelgood platen bij te nemen en te ontdekken wat voor een uitmuntend gitarist Wilko Johnson is, briljant in al zijn eenvoud. Simplisme is een stijl, Wilko Johnson is er een krak in. Meteen zal u ook te weten komen dat Daltrey geen Lee Brilleaux is (de al even legendarische Dr. Feelgood zanger die er rock’n’roll gewijs in 1994 op zijn 41 ste al de brui aan gaf) en Johnson geen Townshend (hoeven we u niet voor te stellen, meen ik). Net daarom is dit duo zo interessant en openen ze op hun gezapige leeftijd nieuwe deuren, al is dat helaas maar voor even.

Beiden zijn sterk op dreef, maar dit is duidelijk meer Feelgood dan Who. Het is echt wel Wilko’s plaat, waarop Daltrey zijn ongeschonden vocale talenten volledig ten dienst stelt van de legendarische gitarist en diens songs en als eerbetoon het onderste uit zijn lijf en stem haalt. Daltrey zingt bovendien met een aardige bluesgrol in zijn stem, hij hoeft niet zo nodig hoog te gaan als in de hoogdagen van The Who, deze verzameling simpele en efficiënte songs vraagt daar niet om.

Wilko Johnson haalt die typische driftige hakketak gitaartjes meermaals boven en laat zich nergens verleiden tot overbodige solo’s. Iets waar hij vroeger trouwens ook nooit echt kon op betrapt worden, u moet weten dat eind jaren zeventig de pub-rock van Dr. Feelgood ook in punkmiddens erg gesmaakt werd en met macho gitaarsolo’s moest je bij de punkers niet afkomen.

De spitsheid  van de jonge Dr. Feelgood huist ook in dit plaatje, de twee oudjes stralen een jeugdige spirit uit. Eenvoud, speelplezier en simpele maar gedreven rock’n’roll sieren ‘Going Back Home’. Een schaamteloze ballad als “Turned 21” kan er nog wel tussen, maar doorgaans zijn het compacte rockertjes, allemaal zorgvuldig uitgekozen door Wilko Johnson, (onder meer ook enkele tracks uit de grote Dr. Feelgood catalogus) die hier het mooie weer maken. Nergens wordt het grote gebaar gemaakt, pompeuze toestanden liggen mijlenver weg, hier wordt gewoon met merkbaar plezier een lekker eind doorgespeeld volgens de ongeschreven regels van de rock’n’roll. Duizenden hebben het hen al voorgedaan, maar als twee kerels van dit kaliber zich loos laten gaan, dan heeft het toch altijd dat tikkeltje meer.

Wilko Johnson’s laatste stempel is er eentje die er mag zijn.

Een waardig afscheid, we krijgen hier al de krop in de keel. Weldra kan hij zijn maatje Lee Brilleaux gaan vervoegen. Kunnen ze daar het ultieme rockgroepje oprichten met John Entwistle op bas en de compleet geschifte mafkees Keith Moon op drums.

donderdag 17 april 2014 01:00

Pup

Het Canadese PUP hebben wij in februari leren kennen in de hippe Gentse Charlatan, in het voorprogramma van het Limburgse explosieve bandje Psycho 44 nota bene.
Omdat wij daar danig onder de indruk waren van de snedige punkrock van PUP en de portie lef van hun hyperkinetische zangertje kochten wij maar meteen ter plaatse de debuutplaat, een hitsig dingetje die ook nadien moeiteloos onze aandacht kon blijven wekken.
Het album is nu ook officieel internationaal uitgebracht en hier en daar ontlokt het al een pak lovende reacties, PUP lijkt voorgoed vertrokken.
Op opener “Guilt Trip” klinkt PUP nog een beetje als Weezer die aan diverse kanten uit zijn voegen is gebarsten, maar algauw schakelen ze een tandje hoger. “Reservoir” en “Mabu” zijn briesende en venijnige beestjes die er een hitsig temp op nahouden. Ook “Lionheart” is een ophitsend hoogtepuntje, zo een lekker rollende song die recht naar de onderbuik mikt. Om nog maar te zwijgen over het gejaagde “Back against the wall”, een heethoofdige brok hondsdolheid die menig concertzaaltje in vuur en vlam zal zetten.
Het is niet al razernij, tussen de furieuze punkrock huizen er ook glasheldere melodieën in “Never Try” en “Cul-de-Sac”, knappe popsongs met een hoek af. Het wat tragere en slepende  “Yukon” is een kloeke gitaarrocksong die zowaar de vijfminutengrens overschrijdt en meteen het bewijs levert dat PUP nog veel meer in zijn mars heeft.

Met de ronkende debuutplaat ’Snapshot’ hadden we het al door, dit groepje gaat potten breken. Ook bij hun doortocht in de bombastbunker Vorst Nationaal, als support act van de tot goddelijke proporties verheven Arctic Monkeys, werd ons vermoeden bevestigd. Ware het niet dat de klankman in Vorst Nationaal altijd maar komt opdagen als de hoofdact begint, The Strypes zouden toen al Arctic Monkeys overklast hebben. Wij dachten in Vorst al luidop “Dit moet vonken geven in een kleine clubzaal”. En zie, gisteren gaven ze van jetje in de Bota, vandaag in de Grand Mix. Ons vermoeden is met glans bevestigd, twee dagen aan een stuk droop de rock’n’roll van de muren.

Nochtans zaten de jonge lefgozers nog niet eens in de luiers toen hun grote voorbeelden Chuck Berry, The Yardbirds, jonge Stones en Dr. Feelgood furore maakten met wilde en rebelse rock’n’roll. Ze zijn zelf opgegroeid met Arctic Monkeys en Black Keys maar de kwajongens hebben spelenderwijs wat gesnuisterd in opa’s platen en hebben daar stiekem papa’s albums van The Clash, The Sex Pistols en The Ramones in vermengd. Daaruit hebben ze dan een eigen gloeiende sound gepuurd, ouderwetse rock’n’roll die gebracht wordt met de bevlogenheid van de eerste twee platen van Arctic Monkeys.

Vanavond speelden The Strypes niet alleen rock’n’roll in zijn puurste vorm, ze waren het ook. Ze hadden de looks, de présence en de attitude. In combinatie met een geut onvermijdelijke Britse arrogantie was dat meer dan voldoende om de Grand Mix danig op te jutten.
Aan een verschroeiend tempo, en met een guitige punk injectie in het achterwerk, raasden ze doorheen hun volledige debuutplaat en vulden ze aan met een resem felle covers. Een gejaagde versie van “Concrete Jungle” (The Specials) was als aangename verrassing in de setlist gekropen, en het zangertje had voor de gelegenheid ook wat van die robotachtige ska danspasjes overgenomen . Een bruisend “Got love if you want it” (een old time classic) was een gutsend kookpotje waarin de bassist en full time Roger Daltrey lookalike (de jonge Daltrey wel te verstaan) compleet uit de bol ging en zijn moment van glorie beleefde met een zinderende mondharmonica partij. Ook de Nick Lowe klassieker “Heart of The City” ramde met de energie van een hondsdolle bizon op ons af. En om de alom aanwezige punkinvloeden extra in de verf te zetten mocht op het einde “Rockaway Beach” van The Ramones mee in de vuurlinie. Zo werden ouwe en minder ouwe rockers door deze vinnige lefgozertjes nieuw leven ingeblazen. Hoewel ze al eindeloos veel gecoverd zijn (o.a. “Louie Louie” was ook weer van de partij), nog maar zelden werden die songs met zoveel pit en intensiteit vertolkt als hier.

Maar denk nu niet dat The Strypes het alleen moesten hebben van een stel met peper overgoten covers, de vlegels hebben zelf ook al een pak kordate songs uit hun pen geschud en deze werden er met lef, passie en vuur uitgestampt. We werden duchtig de pas afgesneden door uiterst felle punk’n’rollers als “Perfect Storm”, “Mystery Man”, “Hometown Girls” en “Blue Collar Jane”, allemaal even gehaast en opwindend.  “Angel Eyes”, die als trage van de avond moest doorgaan, was de blues voorzien van een adrenalinespuit, Muddy Waters met Johnny Thunders & The Heartbreakers als begeleidingsband. 

Er staat nog maar één album op The Strypes hun teller en nu is daar ook nog een 4 track ep-tje (‘4 Track Mind’) bijgekomen. En toch raasden The Strypes anderhalf uur door waarin ze haast zonder stoppen (de pauze tussen de songs schatten we telkens op niet meer dan een kwartseconde) 23 songs door de full speed motor draaiden. Zei daar iemand Ramones ? (Alhoewel, die vlamden er een kloeke 50 songs door in die tijdspanne).

Dit was rock’n’roll in zijn meeste bloedstollende vorm.

Als ik naar Rock Werchter zou gaan op vrijdag 4 juli, dan zou ik wel weten waar ik moet staan.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-strypes-23-04-2014/
Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Het verheugt ons enorm om te mogen vaststellen dat de vuile garagerock helemaal terug is. Een band als The Wytches haalt zijn smerige tonen bij The Cramps, The Gun Club en The White Stripes en voegt daar een gulp scheurende Nirvana gitaren aan toe. In de Bota resulteerde dit in een extreem vettig potje garage-venijn waarbij de rock’n’roll in vette lagen van de randen afdroop.
Het bandje heeft nog niet eens een plaat uit maar staat bij ons nu al genoteerd als één van de revelaties van het jaar, samen met The Amazing Snakeheads, ook zo’n gore bende garagerockers die u best eens gaat checken tijdens Les Nuits Bota.

De nieuwe plaat van Blood Red Shoes is er alweer eentje om van te smullen. Het vurige duo heeft resoluut terug voor het vertrouwde geluid gekozen, wat zich heeft vertaald in een stel compacte en hitsige rocksongs. De plaat wordt misschien een klein beetje ontsierd door een enkele missertjes, maar deze werden wijselijk uit de setlist geweerd waardoor we een lekker stomend optreden kregen met nauwelijks tijd voor enige rustpuntjes.

De rauwe brok instrumentale garage rock van amper twee minuutjes “Welcome Home”, waarmee ook de nieuwe plaat inzet, was een binnenkomer van formaat. Het tempo zat direct op kruissnelheid en de zaal ging al meteen uit de bol op “I wish I was someone better” , “Don’t ask”, “Speech Coma” en “Everything all at once”. Ondanks een knoert van een kater bij Laura Mary Carter, ging het fervente duo aan een rotvaart door. Een drummer zo bedrijvig als Steven Ansell  hadden we ook nog maar zelden meegemaakt, de dynamiek die uit die kerel stroomde werd binnen de kortste keren naar de zaal overgezet en de Orangerie kookte meermaals over.
Blood Red Shoes bedankte het uitzinnige publiek met onder meer een schitterend “Cigarettes in the dark”, een nieuwe song met laat ons zeggen iets meer diepgang dan zijn spitse en hitsige broertjes en zusjes. Zo een heethoofdig broertje was bijvoorbeeld “An Animal”, een wel zeer aanstekelijk beestje die het kot op stelten zette, net als de klassieker “Light it up” en een onbesuisd “Colours Fade” waarbij Carter haar gitaar door de geluidsmuur loodste.
In de bisronde werd nog een tandje bij gestoken met een strak “The Perfect Mess”, een heavy “Red River” en de heetgebakerde ultieme punk-kopstoot “Je me Perds”.

Een fel concertje van een hevig duo.
Op 17 juli kan u Blood Red Shoes nog eens van jetje zien geven op het Dour Festival.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-wythches-18-04-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/blood-red-shoes-18-04-2014/
Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 15 april 2014 01:00

Howler - Een gezond rommelpotje

Als sluitstuk van hun Europese tournee kwam Howler nog snel eens langs in Trix. Door de magere belangstelling was het concertje van Trix Club naar Trix Bar verhuisd en dan nog was het zaaltje maar half gevuld. Onbegrijpelijk voor een band die, zeker nu ook hun tweede plaat ‘Word of Joy’ uit is, toch met redelijk wat lof overladen wordt in de internationale pers.
Kon het hen wat schelen, het viertal maakte er een begeesterd rommelpotje van, een beetje zoals The Libertines (of Babyshambles als u wil). Ongedwongen, en met een air van ’t steekt allemaal zo nauw niet, raasden ze door hun spitse songs die allemaal een bedrijvige punky behandeling mee kregen. Wij hoorden flarden Replacements, Strokes en Ramones, en dan zijn we altijd volop met onze gedachten bij de les. Howler is een groepje naar ons hart. Het mocht vooruit gaan, niemand keek om naar een valse noot hier of daar en de songs werkten bijzonder aanstekelijk.  Na amper 40 minuutjes was het al afgelopen, meer moet dat ook niet zijn bij dit soort groepjes.

Daarvoor hadden wij The Herfsts aan het werk gezien, een groepje die 13 richtingen uit wou gaan maar nergens aankwam. Een zevenkoppige band (veel volk, weinig talent) met maar liefst twee keyboardspelers in de rangen, waarvan er eentje met diarreeklachten leek te kampen telkens als hij aan het zingen sloeg en de ander gans de tijd met een playstation bakje stond te spelen. We zagen ook drie gitaristen die elkaar constant in de weg liepen, maar we hoorden geen enkele deftige riff.  Als u de naam The Herfts ooit ergens op een affiche tegenkomt, gelieve dan zo snel terug naar de toog te rennen.

We kregen na Howler zowaar nog een aftershow van Teen Creeps, dit weliswaar maar voor drie man een paardenkop, maar het hitsige trio deed het best aardig met een handvol niet bepaald originele, maar wel potige punkrockertjes uit de Hüsker Dü school.

Organisatie: Trix, Antwerpen

donderdag 10 april 2014 01:00

Wasted Years

Keith Morris is als eerste zanger van Black Flag en oprichter van Circle Jerks één van de pioniers van de Amerikaanse hardcore punk-scene. Op vandaag is die kerel springlevend en loopt hij over van de adrenaline, als geen ander klinkt Morris op de nieuwe van OFF!  boos, razend, urgent en explosief.
De hardcore veteranen van Off! hadden elkaar al gevonden in 2010 met hun gelijknamige ‘debuutplaat’, een collectie splinterbommen die stuk voor stuk dwars in ons gezicht ontploften. Nu rammen ze gewoon naarstig op hetzelfde elan door. Naar goede ouwe hardcore gewoonte vliegen er ons 16 vlammende lappen hardcore punk van één tot twee minuten om de oren. ‘Wasted Years’ is een onstuimige lap stootkracht van amper 23 radicale minuutjes, energieker en vitaler dan dit lijkt ons onmogelijk.  Wij kunnen ons geen enkele hedendaagse band voor de geest halen die het genre met zoveel ‘grinta’ bedrijft als deze oudjes, dit is the real thing.
Op 11 oktober komen ze hun bloedstollende hardcore in uw gezicht rammen in de AB Club. De zaal zal er trouwens  worden opgehitst door de jonge punkhonden van Cerebral Ballzy, een stelletje ongeregeld die in dezelfde ongedwongen hardcore geest de boel al op voorhand aan flarden zal rijten.  Allen daarheen, zouden wij zo zeggen,  en zet uw helm op !
Oh, ja, nog dit, het hoesje is wederom een knap staaltje streetpunk-art. Kopen, die handel !


De zaal werd opgewarmd door Syd Arthur uit Canterbury, en om verwarring te vermijden, dit is wel degelijk een groepsnaam.  Met zo een naam (wij durven er gerust een joint of drie op verwedden dat de groepsnaam veel te maken heeft met een adoratie voor opper weirdo Syd Barrett) en afkomst kon het haast niet anders dan dat er een kloeke folk-rock invloed in het geluid moest binnendringen. In combinatie met een vlucht psychedelica, een gezonde scheut prog-rock en zelfs wat Zappateske jazzrock bracht dat een fraai geluid en dito songs teweeg.  Een klein half uurtje volstond om ons te overtuigen. Ook de voortreffelijke debuutplaat  ‘On and On’ is de moeite waard, tenminste als retro geen vies woord is voor u.

Jonathan Wilson is met zijn 40 lentes een kind van de jaren zeventig, ook zijn muziek lijkt te zijn geboren in die periode.  Wilson grijpt met zijn songs terug naar de grote namen van de traditionele Amerikaanse muziek als Neil Young, Jackson Browne, Steely Dan, Bob Dylan en Little Feat. De man heeft er al een rijkelijk verleden op zitten als studio- en sessiemuzikant maar heeft zelf nog maar drie platen op zijn palmares. Zijn laatste ‘Fanfare’ bracht hem en zijn schitterende band naar de AB Box.
Op de heerlijk vloeiende soft-rock van ‘Fanfare’ komen er nog wat strijkers en sax aan te pas om het mooie weer te maken. Deze had Wilson op het podium achterwege gelaten wat uitmondde in een rootsy aanpak waarin zijn gitaar een prominente rol kreeg. Hij bleek dan ook een uitmuntend gitarist te zijn wat zich liet uiten in vaak lange songs met adembenemende solo’s, zo was een werkelijk fenomenaal “Dear Friend” om duimen en vingers bij af te likken. Ook “Valley of the Silver Moon”, een meesterwerk die hij opspaarde tot op het einde, was meer dan tien verrukkelijke minuten kippenvel.
De excellente soft-rock van de plaat evolueerde dus naar een vorm van bedrijvige classic-rock gebouwd op traditionele songs die gemaakt waren naar het oeroude Amerikaanse concept, een aanpak waarin Wilson zeer bedreven leek.
De uiterst getalenteerde songwriter bleek ook nog te beschikken over een glasheldere stem waarmee hij zijn innemende songs nog een stuk intenser deed klinken, in combinatie met diens wervelend gitaarwerk en een geweldige groep achter zich zorgde dit voor een wonderlijk concert.
De man zat er ook niet om verlegen om zijn broeiende songs in te leiden met innig smeulende intro’s, een prachtsong als “Desert Raven” pakte ons alvast van de eerste seconden bij het nekvel. Wilson’s  adembenemende gitaarstijl laveerde tussen die van David Gilmour (het uiterst knappe “Lovestrong” was een wel heel vette knipoog naar Pink Floyd), Neil Young  (“Illumination”) en zelfs Frank Zappa. Hij beroerde zijn instrument met de passie en klasse van de grote voorbeelden en liet bijna twee uur lang een warme gloed door de AB Box vloeien.

Dit was overheerlijke ouwerwetse muziek die lak had aan allerlei trends en hypes die morgen toch alweer de deur uit zijn. Was deze moderne hippie twintig jaar eerder geboren (dertig kan ook) dan stond hij nu zij aan zij met de eerder vermelde grootheden.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/jonathan-wilson-06-04-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/syd-arthur-06-04-2014/
Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

zaterdag 05 april 2014 01:00

Mogwai - Vijf sterren post-rock

Op de nieuwe plaat ‘Rave Tapes’ is voorzichtig wat elektronica binnengeslopen, maar van een echte stijlbreuk kunnen we nu ook niet echt spreken. Mogwai is een band die hoogstens wat evolueert binnen het post-rock genre en die gelukkig trouw blijft aan de waarden en de intense sound die hen kenmerkt, een geluid die ze met de klassieker ‘Young Team’ op de wereldkaart hebben gezet en sindsdien in een resem van indrukwekkende platen verder hebben uitgebouwd. Hun set in de l’Aéronef is niets minder dan een wonderlijke samenvatting van hun rijkelijke repertoire, met uiterst gevoelige episodes afgewisseld met geniale uitbarstingen en een paar elektronische uitstapjes.

In het begin van de avond is het vooral genieten van de innemende, rustige en subtiele Mogwai met onder meer de heerlijke mijmeringen “Heard about you last night”, “I’m Jim Morrison, I’m dead” “Take me somewhere nice” en het verrassende  oudje “Ex Cowboy”.
Later gaan onherroepelijk de geluidsmuren open, voor een eerste keer in “Mexican Grand Prix” en “How to be a werewolf”, twee kleppers uit die vorige plaat ‘Hardcore will never die, but you will’. Als de decibels naar omhoog gaan blijft de subtiliteit echter steeds aanwezig. Dat is wat Mogwai zo schitterend maakt, de groep kan achtereenvolgens heel verstild en snoeihard te keer gaan, maar steeds blijven ze loepzuiver verder musiceren en raken ze ons tot ver in de onderbuik. Zo wordt van het innemende intense pareltje “Friend of the Night” vlotjes overgeschakeld naar de verschroeiende brok hemels lawaai “Rano Pano”, een gerichte aanval op de trommelvliezen waarbij zowel de distortion- als de volumeknop volledig worden opengedraaid.
Vocale partijen zijn we niet gewoon bij Mogwai, maar de prachtige uitvoering die kippenvelsong “Cody” hier meekrijgt doet ons half verdoofd in de atmosfeer zweven. Dit bloedmooie rustpunt blijkt een verstilde voorbode te zijn voor een verschroeiende apocalyptisch finale die we enkel en alleen maar van een Mogwai in supervorm mogen verwachten.  Loeihard baant het Schotse gezelschap zich een weg doorheen een magistraal “We’re No Here” als afsluiter van de reguliere set. Dan is het onder luid applaus alleen maar afwachten op een zinderend vervolg.
De bisronde wordt ritmisch ingezet met het fijne “Deesh” uit die fantastische nieuwe plaat ‘Rave Tapes’ en daarna worden alle registers opengetrokken met een duo machtige klassiekers om U tegen te zeggen.  Vooreerst worden we nog volledig bedwelmd door een niet stuk te krijgen majestueus “Hunted By a Freak”. Daarna volgt natuurlijk het moment suprême van elke Mogwai set, de apocalyps, het muzikale orgasme, een uit al zijn poriën openbarstend “Mogwai Fear Satan”. Mogwai laat de bloedstollende song eerst in alle hevigheid ontluiken en vervolgens geleidelijk in fluwelen gitaren uitglijden, om die dan met een genadeloze oerknal terug open te rijten. Het is een extatisch moment van haast een kwartier waarbij de l’Aéronef in een hartstochtelijke staat van trance verkeert. Als de wereld dan toch moet vergaan, dan mag het van ons gerust op de tonen van “Mogwai Fear Satan” zijn.

Ze hebben ondertussen al een onaanzienlijke hoop volgelingen in het genre, maar vandaag lijkt eens te meer bewezen dat Mogwai nog steeds de terechte koningen van de post-rock zijn.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/mogwai-03-04-2014/
Organisatie: Aéronef, Lille

 

donderdag 03 april 2014 01:00

Eagulls - Furieuze post-punk op de dokken

Toch eigenaardig dat de programmators van de Botanique of AB niet tijdig bij de les waren om deze nieuwe hype te strikken. De potige debuutplaat van Eagulls werd namelijk op lovende recensies onthaald bij de betere pers (Pitchfork, Uncut, All Music, NME, Musiczine,…) , de band heeft er al een tournee opzitten als support act van onder meer Franz Ferdinand en kwam als één van de revelaties terug van het gegeerde SXSW showcase festival in Austin, Texas.  De eer bij ons was echter aan het bescheiden Subbacultcha om met deze nieuwste Britse post-punk revelatie uit te pakken.

We troffen Eagulls dan ook niet aan in een hippe club, maar wel ergens aan de ouwe Gentse dokken in een afgedankte loods die met behulp van enkele zwarte doeken en wat provisoir timmerwerk was omgebouwd tot een geïmproviseerde concertzaal, met een podium (nou ja, podium) van zowat twintig centimeter hoogte (hadden ze er Prince opgezet, hij kwam nog maar tot aan uw broeksriem). Beetje grappig ook dat zanger George Mitchell het publiek feliciteerde met ‘this brand new venue’, de man had zich waarschijnlijk wel iets anders voorgesteld bij een splinternieuwe concertzaal.
Eigenlijk was dit een ideale locatie voor de gruizige post-punk van Eagulls. De jongens joegen in veertig verschroeiende minuutjes,  met de rookmachine op de maximumstand,  een portie venijnige songs door dat luizige kot. De gitaren gingen hard, snedig en liepen over van reverb en distortion. De furieuze songs klonken als overstuurde lappen Joy Divison met een guitige scheut Killing Joke en een striemende streep A Place To Bury Strangers. Hoogtepunten waren de driftige tracks “Nerve Endings”, “Footsteps”, “Hollow Visions”, “Amber Veins” en “Possessed”, allemaal hevige uppercuts en instant post-punk classics als je ‘t ons vraagt.
Misschien moesten we hen als detailkritiek wat gebrek aan variatie verwijten, maar met een tomeloze energie en een frontale geldingsdrang klonk Eagulls in Gent uiterst overtuigend en was de hype gerechtvaardigd.

Net daarvoor hadden Ping Pong Tactics met hun gretig ontspoorde rammel-indierock al voor enig vermaak gezorgd.  Ze zweefden ergens tussen de ook al niet bepaald toonvaste Sebadoh en Mc Lusky in. De zang was bij momenten verschrikkelijk vals, maar het geheel kon ons toch bekoren als een sympathiek zootje rommel waarbij een stel puike songs achter de gitaarherrie verscholen zaten.
Het mocht ons dan ook niet verwonderen dat dit trio uitgekozen werd door niemand minder dan Mauro voor De Nieuwe Lichting van Stu Bru. Mauro heeft het niet zo voor gestroomlijnde rock.

Organisatie: Subbacultcha

Pagina 52 van 111