logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Stereolab
Epica - 18/01/2...
Festivalreviews

JonGeduld Festival 2010 - beloftevol!

Geschreven door

JonGeduld Festival 2010 – beloftevol!
Op een trieste druilerige herfstdag trok ik richting de Kinky Star in Gent voor het
JonGeduld Festival 2010.

Eenmaal daar aangekomen stond ene Bossie al het beste van zichzelf te geven,gerustgesteld was ik dan ook dat die Bossie iemand totaal anders was dan ik in gedachten had. Deinzenaar Maarten Van den Bossche bracht een akoestische set gevuld met pop/rocksongs. Die pop/rocksongs bestonden meestal uit covers,zo passeerden onder andere “No One Know” van Queens Of The Stone Age en “Best Of You” van Foo Fighters. Het viel wel op dat deze jonge singer-songwriter die ondanks hij over een meer dan degelijk stemgeluid beschikte iets of wat onzeker op de planken stond…

Na het rustige Bossie was het tijd voor het iets stevigere werk van Cockfish,een Gentse Rockband met hardrock, rock’n’roll en metal invloeden. Dat de Gentenaren een grote bewondering hebben voor The Ramones was duidelijk te horen en werd bevestigd toen ze “Hey Ho, Let’s Go” van die zelfde Ramones ten berde brachten. De band straalde heel veel energie uit en bracht heel wat ambiance alleen was het jammer dat ze te kampen hadden met heel wat technische problemen.

Onze avond sloten we af met 5 jonge gasten van 17jaar die afkomstig zijn uit Eeklo en die naar de naam Jerusalem Syndrome luisteren. Ondanks hun jonge leeftijd hebben ze al het één en het ander bereikt in de muziekwereld, zo schopten ze het dit jaar nog tot de halve finale van Humo’s Rockrally. De heren brachten een snoeiharde,strakke set die barste van de energie en waarbij de volumeknop van hun versterker volledig open gedraaid werd. Bij hun sound die ze voortbrachten waren groepen als The Kooks en Razorlight nooit veraf. Afsluiten deden ze met “Julliet” een heel aanstekelijk popnummertje dat er eentje van The Kooks kon zijn. Met Jerusalem Syndrome zagen wij een beloftevolle band die met hun kwaliteiten vroeg of laat wel eens heel wat potten zouden kunnen breken.

Organisatie: JonGeduld – Kinky Star, Gent

Leffingeleuren 2010 in de ogen van … - de kleintjes maken veel goed

Geschreven door

Leffingeleuren 2010 in de ogen van … - de kleintjes maken veel goed
2010-09-17 t/m 2010-09-19
Leffingeleuren lijkt stilaan het evenwicht tussen avontuurlijke, nog te ontdekken groepen en gevestigde waarden gevonden te hebben. Met naast het onvermijdelijke leger nationale namen (er moet nog volk komen ook,hé) genoeg buitenlandse (en minder gekende) acts om ook te muzikale veelvraten te plezieren. Interessante namen genoeg op de affiche dit jaar maar daar begint net de frustratie : te veel bands spelen gelijktijdig en men moet soms onmogelijke keuzes maken maar dat probleem stelt zich natuurlijk niet enkel in Leffinge.

dag 1 – vrijdag 17 september 2010


De zaal liep dit jaar al van bij de eerste groep helemaal vol, het is ooit anders geweest. Verantwoordelijk hiervoor was het Gentse Amatorski, momenteel een kleine hype dankzij "Come home". Mooie, breekbare muziek waarvoor het woord Duyster destijds is uitgevonden, met een heerlijk fluisterzangeresje die me soms aan Cat Power deed denken. De versterking met maar liefst drie saxen en eenmaal een viool (van Balthazar) bracht niet veel bij, deze muziek is eerder gediend met een minimale bezetting. Na het ijzersterke begin verwaterde de set wat wegens gebrek aan ideeën en teveel toeters en bellen. Maar al bij al bleef het een vrij aangename verrassing. (op 20/11 nog te zien in de 4AD)

Phosphorescent kende ik van hun cd ‘Pride’ uit 2007, een klein meesterwerkje vol beklemmende indierock. Intussen is de groep van Matthew Houck (uit Brooklyn) geëvolueerd naar meer conventionele americana. Hun tribute voor Willie Nelson zal daar wel niet vreemd aan zijn. Phosphorescent begon met een lap stevige countryrock (“Hard to humble”). Maar al vlug was er tijd en ruimte voor wat meer ingetogen werk dat evenwel voortdurend gestoord werd door een vrolijk kakelend publiek. Een dwingend sssht van pianist Scott Stapleton kon daar niets aan verhelpen. Matthew Houck nam dan de ,op het eerste zicht, vreemde beslissing om solo verder te spelen maar met twee fantastische songs kreeg hij de meute dan toch stil. Waarna de groep nog even terug kwam om een overtuigende set af te sluiten.

Daarna was het moeilijk kiezen tussen Wolf Parade, Timber Timbre en Paul Weller. Uiteindelijk koos ik voor die laatste hoewel ik zeker geen echte fan ben maar de niet aflatende stroom positieve recensies lokten me dus naar de tent. Paul Weller had een strakke groep, allen in stemmig zwart, rond zich verzameld en begon bijzonder nijdig met "Peacock suit". Maar al vlug zakte het niveau van de songs en begon een stemmetje mijn zo al geteisterde hersenen te treiteren door me voortdurend in te fluisteren dat ik de verkeerde keuze had gemaakt.
Dan maar op een drafje naar het café waar Timber Timbre uit Montréal aan het werk was. In een niet alledaagse opstelling (Simon Trottier: lapsteel, Mika Posen: viool en Taylor Kirk: gitaar, basdrum en zang) brachten ze lome, weidse folk. Louter muzikaal vond ik dit wel knap, jammer dat de stem hier haaks op stond. Taylor Kirk klonk als een rockabilly-zanger die net zijn tong had ingeslikt en liet om de twee minuten een hevige hik horen. Toen een zittende Kirk tijdens een instrumentaal nummer even de microfoon van zich wegduwde maakte een olijkerd uit het publiek van de gelegenheid en micro gebruik om het via vreemde sjamaangezangen wat beter te laten klinken. Timber Timbre wist niet wat hen overkwam.

dag 2 – zaterdag 18 september 2010

Dag twee kende de grootste opkomst ooit (7000) terwijl het programma toch niet zo sterk leek. Drums Are For Parades is een Gents trio rond de broers Wim en Piet Reygaerd (beiden gitaar) die net een eerste plaat uit heeft. Hun mix van stoner, drones, metal en noise werd gedragen door laag overvliegende, alles aan flarden rijtende gitaren, af en toe gelardeerd door wat geschreeuw. Het klonk beslist goed (zeker met dat mespuntje Melvins erbij) maar het was toch zooo voorspelbaar. Voor een verrassende wending moet je zeker niet bij Drums Are For Parades aankloppen.

De Brit Roots Manuva (echte naam Rodney Smith) bracht een aanstekelijke mix van hiphop, dub en elektronica. Wat mij betreft stalen de extra zanger en zangeres de show maar ik ben absoluut een leek in deze wereld.

Lonelady staat voor Julie Campbell (git., zang) uit Manchester en heeft een cd uit op het befaamde label WARP. Bijgestaan door Andrew Cheetham op drums en Gareth Smith op toetsen, sampler en percussie bracht ze sterk op de eighties geïnspireerde muziek. Ik hoorde The B 52's, Gang Of Four en ook wel PJ Harvey. Mooi maar na een tijdje had je het wel gezien. Lonelady is een sterke zangeres maar ze teert toch iets teveel op datzelfde trucje en bovendien was de begeleiding te minimaal om een optreden lang te kunnen boeien.

Hierna volgde het zoveelste project van Tim Vanhamel (Evil Superstars, Millionaire,...). Samen met Pascal Deweze (Metal Molly,...) schreef hij de muziek voor het net in de prijzen gevallen tv-programma ‘Benidorm Bastards’ en zo ontstond Broken Glass Heroes (een kromme verwijzing naar Lennon's "Working Class Hero". Wat country maar vooral veel Beatles en Beach Boys hoorden we. Met wisselend resultaat : naast vele mooie momenten zaten ook enkele gigantische stinkers. En iemand moet mij maar eens komen vertellen waarom iedereen tegenwoordig als The Beach Boys wil klinken : zo fantastisch waren die nu ook weer niet.

Daarna was het weer van dat : ouwe zot Lee ‘Scratch’ Perry, de nieuwe en zeer goed onthaalde indiefolkband Stornoway of psych-rock guru Imaad Wasif. Het werd die laatste en dat heb ik me geen seconde beklaagd. In het Zwerver-café zorgde hij voor het absolute hoogtepunt van Leffingeleuren hoewel waarschijnlijk velen het hier niet mee eens zullen zijn. Imaad, van Indische komaf, geboren in Canada en nu wonend in Los Angeles, heeft een verleden bij de Yeah Yeah Yeahs en Lou Barlow's New Folk Implosion maar dat verbleekt toch bij zijn solowerk. Wat op plaat soms nog wat teveel in goede bedoelingen blijft steken gulpte er op het kleine podium in één kolkende stroom uit. Vernieuwend klinkt deze graatmagere jongen zeker niet maar zijn mix tussen Devendra Banhart, Led Zeppelin, Pink Floyd, Steppenwolf of Masters Of Reality klonk verrassend fris en bijzonder bevrijdend na een dag vol halve mislukkingen.De zware, stoere bas en de mokerende drums zorgden onmiskenbaar voor een 70's hardrock-gevoel terwijl Imaad zelf daar geuten psychedelica en/of folk aan toevoegde, waarbij de vreemdste tempowisselingen niet werden geschuwd. Absolute topper die op 9 oktober nog naar de Trix komt.

dag 3 – zondag 19 september 2010

Zondag was het al meteen raak met Deer Tick. Deze groep uit Providence, Rhode Island serveerde ons een dampende pot americana, de Jayhawks achterna maar dan een heel stuk rauwer gezongen. Met John Mc Cauley hebben ze een frontman pur sang in de rangen die toch wat minder dorstig leek dan een week voordien in Le Grand Mix, Tourcoing maar het toch nodig vond om een flesje Maes met de tanden te openen. Ondanks de soms sombere songs bezorgde Deer Tick ons een weldadig gevoel.

Meteen daarna volgde een set rauwe garagerock van de Black Box Revelation : nog steeds mooi maar intussen kennen we het zo al een beetje. En gitarist Jan Paternoster moet oppassen dat hij zich niet te veel etaleert, dit soort vuile rock-'n-roll is niet gediend met grootse gebaren.

Viva L'American Death Ray Music was alleszins de groep met de vreemdste naam in Leffinge en wellicht ook met de vreemdste muziek. Slechts met zijn drieën want bassist Harlan T. Bobo was er niet bij wegens pas vader geworden. Moge dit een lichtpunt zijn in zijn donkere bestaan! Gehuld in lange gewaden en wit geschminkt betraden ze het podium en zorgden zo meteen voor een onwezenlijke sfeer. De in Memphis geboren Nicholas ‘Diablo’ Ray (ex- '68 Comeback) zong met verschrikkelijk veel galm en echo op zijn stem en ook de dwarse gitaren zorgden niet meteen voor de meest toegankelijke muziek. Dit VLADRM is bijzonder moeilijk te plaatsen en dat maakt ze misschien zo intrigerend. Zonder enige toegeving doen ze koppig hun eigen ding. Er vielen zeker invloeden te bespeuren uit de donkerste dagen van de new wave en anderzijds werd dan weer een dubnummer gespeeld ondanks de afwezigheid van de bas. Helemaal op het eind, toen het meeste volk al op weg was naar Wilco, werd het nog een feestje met enkele flink aan de ketting rammelende rock-'n-rollsongs à la Velvet Underground. Dit was de vierde keer dat ik ze zag en nog steeds weet ik niet goed wat ik ervan moet denken maar me fascineren doen ze zeker. Op 26 september nog in Trix!

Wilco was de mooie kers op de LL-taart dit jaar. Niets dan lof om hen als afsluiter te programmeren hoewel ik ze toch al beter zag spelen dan hier. De laatste jaren zijn de platen van Wilco steeds meer richting middelmaat opgeschoven -parels als ‘Being there’ ('96) of ‘Yankee Hotel Foxtrot’ ('02) zijn er al een tijdje niet meer geweest - en dat vertaalt zich blijkbaar ook tijdens hun optredens. Nu, slecht was het zeker niet, het eerste half uur was zelfs gewoon schitterend : alt. country zoals hij hoort te klinken met heerlijk sprankelende gitaren. Maar na een tijdje slopen er wat mindere songs in de set en bij een groep van dit kaliber ben ik niet geneigd dit te pikken. Maar buiten die paar missers bleef het natuurlijk wonderschoon.

Tot slot nog een pluim voor de herschikte festivalweide die er werkelijk prachtig uitzag. Dit jaar was er opnieuw een recordopkomst waardoor er een nieuw probleem opdook. De zaal bleek haast bij ieder optreden te klein en wie niet tijdig binnen was kon het tijdens de optredens vergeten om er nog in te geraken.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Leffingeleuren 2010: zondag 19 september 2010

Leffingeleuren 2010: zondag 19 september 2010
Op de derde dag werden de gitaren ingeplugd en hoordeen we varianten van rock’n’roll, americana en postrock. De synths en beats van de twee dagen ervoor waren tot een minimum herleid …Een goede 5000 bezoekers besloten de succesvolste leffingeleuren editie totnutoe …

Uniek aan Deer Tick is de knarsende stem van John McCauley, die zet de songs als gegoten.
McCauley en zijn band moeten misschien nog een beetje groeien, maar hun in americana gedrenkte songs konden best overtuigen. Wilco fans die al wat vroeger aanwezig waren mochten goedstemmend knikken.

Qua smerige rock’n’roll kende The Black Box Revelation ook in Leffinge zijn gelijke niet. Hun energetische sound bulkte van de adrenaline, hun songs waren gemeen, straight to the bone en 100 % pur sang rock’n’roll. De persoonlijke uitstapjes van Jan Paternoster op zijn gitaar waren een kolkend bewijs van welk een fantastische gitarist die kerel wel is. Zo was de ultra lange versie van “I don’t want it”, met heerlijke blues intro, een sterk staaltje gruizige rock met grommende gitaaruitbarstingen. Ook op afsluiter “Here comes the kick” deed Paternoster zijn instrument scheuren, knarsen en bruisen. Uiterst potige set. Vuil heeft nog nooit zo mooi geklonken.

De elektrische ontladingen van 65 Days Of Static waren ook niet van de poes. Van bij de aanvang gingen de bandleden tekeer als een bende hyperkinetische bavianen. Onze fotograaf van dienst vloekte zich dan ook een ongeluk omdat die gasten nog geen fractie van een seconde stil bleven staan. Vergeet de mislukte foto’s en herinner u een stomend optreden. Post rock kun je dit al lang niet meer noemen, daarvoor zaten er te veel hete beats en opzwepende keyboards tussen de onstuimige gitaren. Post-rock on speed, dan maar.
Een wervelende set die ook het publiek, dat in het begin nogal onwennig was wegens niet vertrouwd met dit soort bruisende geluid, niet onberoerd liet. Na elke track kwam er wat meer reactie en op het eind had 65 Days Of Static het grootste deel van de tent voor zich gewonnen.

Aan het gejuich in de tent te meten kunnen we stellen dat Admiral Freebee vandaag de prijs van het publiek heeft gewonnen, alle songs werden op flink wat herkenningsapplaus onthaald en het publiek werd alsmaar enthousiaster. Admiral Freebee had er dan ook duidelijk voor gekozen om met een soort ‘greatest hits’ uit te pakken, en daar was helemaal niks mis mee want de strak spelende groep vertolkte hun songs gloeiend, snedig en met veel punch. Na ettelijke optredens langs de Vlaamse clubs en festivals klinkt de band als een goed geoliede machine die weliswaar genoeg bij de pinken blijft om niet op automatische piloot over te schakelen. Het was genieten van “Always on the run”, “Lucky one”, “Ever present” en “Einstein brain”, maar wij werden nog het meest geroerd door een prachtig “Get out of town” die door Tom Van Laere op de meest sublieme wijze werd vertolkt van achter zijn piano om vervolgens te gitaar krachtig om te gorden en er nog een extra lap op te geven.
Van Laere stond kennelijk ook supergemotiveerd op het podium omdat hij net vóór Wilco mocht aantreden, de man wist namelijk geen blijf met de lofbetuigingen voor zijn favoriete band. Laat ons hopen dat Jeff Tweedy misschien een glimp van Admiral Freebee’s puike optreden heeft opgevangen en Van Laere met wat complimentjes in de zevende hemel heeft gebracht. Admiral Freebee verdiende dat vandaag alleszins.

Na publiekslieveling Admiral Freebee was er toch behoorlijk wat volk gebleven voor de Amerikaanse klasbakken van Wilco. Eigenlijk niet verwonderlijk, gezien dit voor de trouwe schare fans (Van Laere incluis) dit jaar de enige mogelijkheid was om Wilco in België aan het werk te zien. Zij wisten dat ze hier moesten bij zijn, en wij ook. En wie heeft er altijd gelijk ? …
Met hun heerlijke songs, voorzien van dikwijls zeer fraaie gitaarpartijen en solo’s, deed ook Wilco het publiek uit hun hand eten, ook al zijn die songs niet zo voor de hand liggend. De tent was blijkbaar gevuld met echte muziekliefhebbers, dus dat zat wel snor en Wilco maakte hier dankbaar gebruik van. Jeff Tweedy was goedgemutst (ook letterlijk) en had zijn beste stem meegebracht, de rest ging kennelijk vanzelf. Er werd geput uit hun vier recente CD’s, helaas niets meer van de pré ‘Yankee Hotel Foxtrot’- periode, dat was misschien wel een beetje jammer.
Maar kom, maar we gaan nu niet leuteren over wat ze niet speelden, want op die laatste vier albums staan genoeg pareltjes om zelfs een concert van drie uren mee te vullen.
In Leffinge duurde het maar anderhalf uurtje, doch het was om duimen en vingers bij af te likken. Van het wondermooie “I am trying to break your heart” (uit het weerbarstige ‘Yankee Hotel Foxtrot’) tot het wilde “Spiders”, alles was onweerstaanbaar, geen moment ging de kwaliteitsmeter ook maar één tandje naar beneden. De songs werden in hun live uitvoering met nogal wat extra gitaren bijgekleurd (denk hier ook een beetje aan de al even fantastische geestesgenoten van My Morning Jacket) en dat was volledig naar ons gedacht, want nergens werd er overdreven. De live-meerwaarde, noemen wij dat dan. Wilco wist er wel raad mee.
Een uiterst knappe afsluiter van een meer dan geslaagd Leffingeleuren 2010.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Leffingeleuren 2010: zaterdag 18 september 2010

Leffingeleuren 2010: zaterdag 18 september 2010
Een aangenaam, keuvelende weekenddag en een herfstig zonnetje kwam in de loop van de namiddag in Leffinge door. Er was veel heen en weer geloop tussen de concerttent en zaal de Zwerver. Een kleine 7000 bezoekers genoten van de muzikale variëteit; waarvan de eigen bands Mintzkov en Absynthe Minded op het hoofdpodium en Drums are for parades, Isbells en Broken Glass Heroes in de Zwerver de meeste belangstellenden hadden. Rijen wachtenden zagen we om in het zaaltje te geraken; de gemoedelijkheid van het festival ving wat gemor van de rij wachtenden op…

dag 2 - zaterdag 18 september 2010

Na de Verse Vis winnaars The Catatonics gaf Mintzkov het startschot van de tweede dag in de concerttent. De Antwerpse band opende sterk met “Author Of The Play” en gooide daarna een paar nummers uit de oude doos er tegenaan. Daarmee waren de meesten opgewarmd voor een duo van “Opening Fire” en “Ruby Red”, deze hits werden dan ook erg gesmaakt en zetten de tent in beweging.
Mintzkov bracht een erg strakke set waarbij lustig werd afgewisseld uit de 3 albums;
de fijne samenzang van Bosschaerts – Lorquet vielen op. Intense broeierige gitaarpop van de ex Humo Rock Rally winnaar, die al een pak singles onder de schouders hebben en ze op overtuigende en enthousiaste wijze speelden! Afsluiten deden ze met het hemelse “Gemini” een song waarbij zanger Philip Bosschaerts helemaal alleen de song in gang stak,maar waar naarmate de song en het tempo vorderde, de rest van het gezelschap zich weer bij hem vervoegde om zo samen tot een climax te komen!

In de zaal werd al luidop Teenagers In Tokyo gescandeerd. Het jonge charismatische Australische electropopbandje bracht ophitsende, opzwepende en slepende electrokitsch/dancepop in een strak wave kleedje. De vier huppelende deernes en een enthousiaste drummer speelden dertien-in-een-dozijn songs, en vielen op door een opmerkelijke cover “Maneater” van Hall & Oates.

2010 is een mooi jaartje voor de jonge, beloftevolle klassemadam Hindi Zahra. Ze is afkomstig van het Berbervolk in Marokko, heeft Touareg-roots, opereert vanuit Parijs en heeft een mooi debuut klaar, die ze al verschillende malen in ons landje kwam voorstellen. Na Festival Dranouter kon Leffingeleuren niet ontbreken. Haar fusion van pop, folk, soul, blues, jazz en flamenco met Oosterse, Marokkaanse rootsmuziek werkte in op de dansspieren; de eerste rijen in de concerttent begonnen (zachtjes) te heupwiegen op de aanstekelijke knallers “Stand up” en “Beautiful tango”.

Het Gentse Drums are for parades moeten we in het oog houden. De drie mannen staan ‘hot’ in de picture met hun pas verschenen plaat, en tekenden al voor een overtuigend optreden op Pukkelpop. Een energiek apocalyptische geluid in de zaal, dreigend, donker, rauw en snoeihard. Gortdroge drums, diep dreunende basses, spannende gitaarakkoorden en een vervaarlijke zang en schreeuwzang. Het trio refereert aan de ‘90s van Helmet, Therapy?, verankeren met de metal van Channel Zero en vermorzelen stoner, noise, crossover en diverse hard- en grindcore sounds door de molen. Ze worden op handen gedragen door Chris Goss en mochten vorig jaar nog openen toen z’n Masters Of Reality naar de Vooruit kwamen. Een oorverdovend geluid in donker gedempt licht.
Ze draaiden hun versterkers volledig open en staken van wal met “Idiiot check”. Een harde, pittig gedreven set, waarvan bij enkele oudjes de eerste rijen begonnen te pogoën … Een meer dan geslaagd optreden en tevens vlekkeloze repetitie voor hun cd release in de Vooruit, volgende week.

Verden konden we aangenaam genieten van het veelgevraagde Franse Le peuple de l’herbe (concerttent), die het publiek animeerden met hun zwierige, opzwepende mix van rock, hiphop, ska, funk, drum’n’bass en dub.

Isbells (de Zwerver) bracht dan de ultieme stilte en bezinning. Hun alt.country/americana, folk en sing/songwriting is een unicum in ons landje. Hun nummers in een spaarzame
begeleiding en vocale hoogstand werden ferm gesmaakt. Buiten de akoestische gitaren en jambee-tics, hadden ze xylofoon, zingende zaag en steelpedal meegebracht, die kleur en elan gaven aan de ingehouden songs; de “Reunite’s” en de “As long as it takes” - songs kregen een leuk verfkleurtje op die manier …Isbells, die Nick Drake hoog in het vaandel houden, betoverde …

Roots Manuva ging het dubfeestje van Lee Scratch Perry vooraf in de concerttent. Hij is een veel bevraagd vocalist en trekt ook op tour met een eigen band, ‘The Banana Klan presents Dub College’. Geruggensteund door o.a. een tweede MC, een soulvocaliste, 2DJ’s en een drummer, bracht hij een frisse, groovy mix van hiphop, funk, reggae, ragga en dubstep, gedrenkt in allerhande dubs, beats en scratches. In het tweede deel van de set klonk het ensemble eenduidiger en sprak de dansspieren aan …

Een aparte dame is Lonelady aka Julie Campbell. Onderkoelde songs van een even ‘coole’, afstandelijke dame (de Zwerver). Met haar ‘80s kapsel op z’n La Roux, wordt ze begeleid door een drummer die de longen uit zijn lijf mepte en een gelaten man op synths. Ze debuteerde eerder het jaar met de cd ‘Nerve up’, een plaat electropop, indie en postpunk, die fris, catchy en onbevangen is.
De rauwe melodieën, de hoekige riffs, de nerveuze ritmes, de rinkelende gitaarriedels en de ‘80s wavesynths zijn de muzikale kapstokken. Bij haar sound en vocals halen we Siouxie Sioux, Anne Clark, PJ Harvey, Cocteau Twin Elisbeth Frazer, Kristin Hersch’s Throwing Muses vs Tanya Donelly’s Belly voor de geest.
De nummers volgden elkaar snel op, waarvan “If not now”, “Intuition” en “Immaterial” opvielen …

Absynthe Minded (concerttent) was al voor de vierde keer in Leffinge en hier was vanavond het meeste volk voor gekomen. Ze zijn nimmer zo populair als nu. Dik verdiend, want de vierde titelloze cd is er eentje om van te snoepen en getuigt van de muzikale kwaliteiten en songwriting van Bert Ostyn en de zijnen. Iedereen genoot van de warme, sfeervolle en speelse sound en de gevarieerde aanpak van de gevoelige, frisse pop en rootsrock met jazzy, blues, swing en Balkan capriolen, gedragen door Ostyns emotievolle, melancholische stem. De band is op sterk op elkaar afgestemd en staan als sinds deze zomer op scherp. “Weekend in Bombay” zette de toon. Ze grossierden in hun oeuvre en zoeken het evenwicht tussen subtiliteit, grilligheid en een stevige rockmaat. De huidige singles “Moodswing baby”, “Papillon” en “Envoi” plaatsten ze naast enkele classics als “People of the pavement”, “Plane song”, “Stuck in reverse”, “I am a fan” en het aan Gorki’s “Mia” ontleende “My heroics part one”, die het publiek probleemloos stil kreeg.
Tussendoor even verpozen toen Bert een nieuw akoestisch nummer “How Short A Time” speelde. Absolute schoonheid … 2010 is een schitterend jaar voor de heren …

Het muzikale vakmanschap van Tim Vanhamel en Pascal Deweze kon op Pukkelpop onvoldoende beklijven. Ondanks het feit dat de Broken Glass Heroes (de Zwerver) zich live voldoende geven en beter op elkaar ingespeeld zijn, blijven we met die wrange nasmaak achter dat ze hun ‘60’s en ‘70s kiemen niet écht een eigen gezicht kunnen geven …

Figuur van het weekend - Godfather of dub en topact van dag 2 was de weirde Lee Scratch Perry (concerttent), ruim de zeventig voorbij, één van de bepalende figuren binnen de reggae, en ze een forse injectiestoot bezorgde door de dubsound uit te vinden. In een glinsterpak en pet vol badges en tierlantijntjes en met sneeuwboots aan, brabbelde hij de dubreggaesongs aaneen; mystieke psychobabbel liet men mij verstaan, een extreme variant van het Engels en z’n enigszins bizar contact met de werkelijkheid. De bezwerende spacy dubreggae tunes en echo’s in slepende, hypnotiserende trance ritmes, gaven een uniek sfeertje, mede door de On- U-Sound van Adrian Sherwood …En verhalen van z’n optreden, een kleine twintig jaar terug in Leffinge, kwamen terug ten berde … Een monument ‘on stage’ dus …

Het feestje kon in de concerttent verder worden gebouwd door Mix Master Mike, de Beastie Boys huisdj. Hij overdonderde met z’n kunst –en vliegwerk en scratches. Een verbazingwekkende, originele set vol technische hoogstandjes aan de draaitafels. Party classiscs van hiphop, funk, dance, dubstep, rock’n’roll enzovoort … Iedereen kon z’n gading wel vinden in die diversiteit …

Intussen stonde de zaal op z’n kop voor het excentrieke gezelschap van de Britse Ebony Thomas en haar Bones. In kleurrijke outfits brachten ze een even kleurrijke en feestelijke mix van indierock, elektronica, punkfunk en soul, bol van springerige, huppelende ritmes en vibes. Aanstekelijk, dansbaar, opwindend en uitzinnig. “This is the sound of Ebony Bones” … Ze koppelden oudjes “Sweet dreams” en “Another brick in the wall” aan het eigen materiaal van ‘Bone of my bones’. Ze verzorgden eerder al verdienstelijke gigs op Pukkelpop en op Festival les inrocks; nu voegden ze Leffingeleuren toe aan het rijtje. “Dikke vetten ambiance” noemen ze zoiets om dag 2 te besluiten …

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Leffingeleuren 2010: vrijdag 17 september 2010

De 34ste editie van Leffingeleuren zag er goed uit … Een gevarieerde affiche van smaakmakers van eigen bodem, ‘alternative’ internationale bands en enkele beloftevolle ontdekkingen. ‘Dreams can be true’ voor de organisatie, want kleppers als Paul Weller en Wilco stonden al lang op het verlanglijstje. In de pittoreske locatie rond de kerktoren werd er wat aan het terrein gesleuteld, waardoor meer ademruimte was, buiten de grote concerttent. De drank- en eetstandjes waren beter opgedeeld. Op weg naar het zaaltje van de Zwerver kon je op het marktplein doorlopend projecties op groot scherm zien, de ‘1 Minute Film & Sound Awards’.
Opnieuw stevende het festival op een groot succes af. Eerder waren de combi tickets al uitverkocht en 19000 bezoekers konden genieten van 32 concerten. Op vrijdag daagden 6500 toeschouwers op, zaterdag waren er zelfs 7000 bezoekers en tot slot waren er nog een kleine 6000 op zondag. 2000 meer dan vorig jaar dus, en dankzij het vernieuwde en uitgebreide terrein verliep alles heel gemoedelijk en vlotjes. Moest er nog zand zijn op één van de afsluitende zomerfestivals?

Op de eerste avond was alvast iedereen op post om puike optredens te zien van Paul Weller, The Van Jets, Balthazar en Tocadisco.

dag 1 - vrijdag 17 september 2010

Het is moeilijk om één Belgisch zomerfestival op te noemen waar de heren van The Van Jets niet present tekenden dit jaar. Meer dan terecht volgens ons want ook op Leffingeleuren speelden de Oostendse Gentenaren een set om vingers en duimen van af te likken. De concerttent zat afgeladen vol toen Johannes Verschaeve en de zijnen het podium betraden. Verschaeve had met zijn zwarte cape en dito hoed wel iets weg van een vampier die net uit z’n kist kwam en ook de modieuze puntschoenen en dito jasje van bassist Frederik Tampere mochten gezien worden. De mannen starten hun set verschroeiend met de single “Down Below”. Daarna volgden verschillende stevige uitvoeringen van nummers uit de recente en zeer fijne cd ‘Cat Fit Furry’. Ook een handvol nummers uit ‘Electric Soldiers’ passeerden de revue (“High Heels”, “ What’s going on” en “Electric Soldiers”) net als de Bowie-cover “Fashion”. Het overwegend jonge publiek smulde uit de hand van podiumbeest Verschaeve en dat verminderde er zeker niet op toen hij tijdens het slotnummer vrolijk het publiek indook. Een indrukwekkende thuismatch en een geweldig openingsconcert voor Leffingeleuren!

Ook het zaaltje van de Zwerver kon telkens rekenen op massaal belangstellenden, want in het begin van elke set was het aanschuiven geblazen ...

Na The Van Jets was het dus even raak met Amatorski in de Zwerver. Hun bedwelmende, sfeervolle, dromerige slowmotion fluisterpop werd sterk onthaald. “Come home” zat al vroeg in de set en het sober,ingehouden materiaal van de EP ‘Same stars we shared’ kreeg kleur en elan door een saxofoontrio, waarmee ze momenteel ‘on tour’ zijn. De elegante schoonheid, pracht en subtiliteit durfden ze kruisen met gitaarreverbs. En in de korte set loerde Sigur Ros om de hoek … Hoe een band op korte tijd zieltjes wint … Verdiend!

De volgende band op het hoofdpodium was voor velen waarschijnlijk niet zo bekend. Nochtans zijn de heren van Babylon Circus in eigen land Frankrijk nationale helden en waren ze vorig jaar al op een aantal festivals zoals Dour en Cactus te gast. Het enthousiasme en de Engelse, Franse en zelfs Nederlandse bindteksten van frontman David Baruchel waren aanstekelijk en dat gold al evenzeer voor de mix van gipsy, ska, reggae, chanson , rock en volksmuziek. Het publiek werd close betrokken en zelf genoten we van die warme, ophitsende en opzwepende klanken. Heel wat ritmeveranderingen van de tienkoppige band waarin de ska en de trage reggaevibes zeker niet eentonig klonken. We hoorden invloeden van Manu Chao en Bob Marley maar ook bands uit de jaren tachtig zoals The Clash en Madness naast sporen van Midden-Europese volksmuziek. Een pluim voor de organisatie dat ze de fijne band wisten te strikken.

Phosphorescent (zaal) is het muzikaal project van muzikale duizendpoot Matthew Houck. Als hij met band optreedt, geeft hij z’n weemoedige, ontroerende, melancholische rootsrock/ americana een frisse, pittige en krachtige injectie. De songs klonken indringend en meeslepend en gingen richting Wilco en Crazy Horse. Welke songs hij met z’n band ook speelt, ze zijn met dezelfde bezieling en intensiteit gespeeld. In die ‘new style catchy dromerige countryrock’ gaf hij een eerbetoon aan Willie Nelson (de plaat ‘to Willie’ ) en was er ruimte voor een gevoelige solopartij.

‘Wake up the nation’ heet het nieuwe album van Paul Weller en dat was ook wat hij op Leffingeleuren deed: iedereen eens goed wakker schudden. Moest er iemand al wat moe geworden zijn, dan werd die flink tot de orde geroepen door de prille vijftiger in absolute topvorm. Omringd door topmuzikanten startte de ‘modfather’ zijn set met verschillende puntige en flink rockende songs. Er passeerden songs uit zijn hele carrière de revue en ook gevoelige zielen kwamen aan hun trekken toen hij een aantal songs vanachter zijn piano afwerkte. The Jam en Style Council kwamen ook nog even langs, waaronder “Strange town” en “Shout to the top”. Een prima straf optreden van de beroemde nekspoiler die duidelijk op scherp stond.

Tijdens les Nuits waren we al onder de indruk van Wolf Parade (zaal), Canadese band rond het duo Spencer Kruger en Dan Boeckner. Ze waren erg goed op elkaar ingespeeld en beschikten over tonnen enthousiasme en dynamiek. Op speels spontane wijze gingen ze expansief te werk en overtuigden nog meer dan tijdens les Nuits. Broeierig krachtige nummers, heerlijke tempowisselingen, afwisselende vocals en een vloeiende samenzang … alles hielden ze in toom en onder controle. Wat een staaltje direct ‘alternative indierock’ … alles paste perfect in elkaar … een hechte band met klasse. Nu maar hopen dat ze aan belangstelling winnen. Het zou verdiend zijn …

Tot slot kon het jonge publiekje loos gaan op de fuifset van de Duitse topDJ Tocadisco (concerttent). ‘De Afrekening meets eigen remixes’, surplus een glimp van zijn eigen classics “Morumbi”, “Streetgirls” en “Better begin”. De ideale party afsluiter!

Intussen kon je ook terecht om die andere Belgische belofte aan het werk te zien, Balthazar (zaal). de Kortrijkzanen bewezen dat ze uitgegroeid zijn tot één van de beste Vlaamse acts van dit moment! Hun debuutcd ‘Applause’ barst van de goeie nummers en de meeste daarvan werden op Leffingeleuren grandioos gebracht. Vanaf opener “The Boatman” tot afsluiter “Blood Like Wine” (inclusief een prachtige a cappela outro) liet de band een ongelooflijke indruk op ons. Niet te veel praten (hoogstens een dankuwel) maar spelen is het devies van dez band en dat deden ze! Twee energieke en aparte frontmannen, de componisten Devoldere – Deprez, een onopvallende bassist, een lieftallige violiste en een krachtige drummer, ze lijken misschien op een zootje ongeregeld maar samen zijn ze duidelijk  een zeer goed geoliede machine... Ze boden een uiterst gevarieerde, broeierige, dynamische en intens slepende set. En ook hier mocht het geheel krachtiger en venijniger klinken; hun “Fifteen floors” en “Hunger at the door” ontbraken niet. Die West-Vlamingen uit Kortrijk kregen terecht een sterk ‘Applaus(e)’ … Dit optreden staat nu al in ons jaarlijstje...

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Crammerock 2010: zaterdag 4 september 2010

Geschreven door

Een stralende zon op dag twee van Crammerock in Stekene. Op de twee grote podia stond ons een dag vol contrasten te wachten.

De weide kwam langzaamaan op gang. De meesten genoten van het zomers zonnetje tijden Intergalactic Lovers en Harvey Quinnt. Beide groepen brengen een ietwat dromerige poprock en was dus zeer aangenaam om op gang te komen. We waren vooral onder de indruk van Harvey Quinnt.

In stevig contrast stonden The Van Jets. Ze bezorgden Crammerock de eerste goed gevulde tent van de dag. Ze speelden krachtig, rauw en opzwepend hun nummers en hadden niet enkel hun hits nodig om leven in de brouwerij te brengen. Ze maakten echter de fout om de eindfases van hun nummers zodanig uit te rekken dat de schwung verloren ging. Desalniettemin een geslaagd rockoptreden, compleet met zanger Johannes Verschaeve die in het publiek sprong en een afgedankte gitaar die in datzelfde publiek verdween. “Down Below” en “The Future” zijn ook twee overtuigende singles uit hun laatste album ‘Cat Fit Fury’ en waren naast “Ricochet” en “Electric Soldiers” de hoogtepunten van de set.

Opnieuw een contrast was Flip Kowlier. De sympathieke West-Vlaming besloot voor zijn nieuwe cd ‘Otoradio’ de reggae/dub tour op te gaan. We zagen dat deze stijl hem geweldig goed afgaat. In een groen voetbalshortje bracht Kowlier jamrock alsof hij nooit iets anders gedaan heeft. Niet enkel hits als “Zwembad” of “Mo Be Nin” worden in deze stijl gebracht, ook zijn oude nummers kregen een groen-geel-rood-vestje aangemeten. Zo begon “De Grotste Lul Vant Stad” nog met zijn gekende intro, maar daarna was het een rustig nummer zonder het gitaargeweld. Andere songs als “Welgemeende” en “Bjistje In Min Uoft” kregen ook een geslaagde metamorfose. Flip Kowlier blijft vooral een entertainer met gevoel voor humor.

Dog Eat Dog bezorgde ons opnieuw een contrast, zelfs tijdens het optreden zelf. Het Amerikaans zootje ongeregeld brengt hardcore, maar tussen de nummers door wordt er ook gerapt op hiphopnummers die op band staan. De rechtlijnigheid was hier ver te zoeken en je kon het bezwaarlijk een echt concert noemen. We onthouden vooral dat ze fans zijn van milfen en gratis koud bier (ironisch genoeg stond de zanger Jupiler op te hemelen terwijl hij Maes in zijn hand had).

Gabriël Rios speelt deze zomer slechts drie concerten in ons land, en hij doet dat ook nog eens solo. U raadt het: wat een contrast. Rios staat alleen met een gitaar op het podium, maar zijn muziek blijft rechtstaan als een huis. Het deed ons vooral denken aan de optreden van José Gonzalez. Hij ontpopte zich zelfs bij momenten als een echte flamencospeler. Gabriël Rios vertelde op het eind van het concert dat hij niet zo zelfzeker was over zijn solo-optreden, maar hij hoeft niets te vrezen. Ingetogen en sfeervol, zo kan je het samenvatten.

Aan de overkant begonnen er ballonnen en plastic palmbomen op het podium te verschijnen. Voor het podium stond al een bescheiden massa. Das Pop kwam er aan. Het moet gezegd worden, het optreden van Bent Van Looy in een bekend televisieprogramma heeft de populariteit van de groep een ongeziene boost gegeven. Maar wat betekent populariteit als de muziek niet goed is? Gelukkig gaf Das Pop een gezellig en felgesmaakt optreden. Bent Van Looy was heel energiek op het podium, zowel als zanger als pianospeler en zelfs in een rush op de drums. Zijn bindteksten waren filosofisch en ietwat chaotisch. De groep had ook iets te vieren, want drummer Matt Eccles (uit Nieuw Zeeland) was jarig. Vooral het einde was gedenkwaardig met de nummers “Wings” en “Never Get Enough”. Die laatste zorgde voor een meezingmoment, gedirigeerd door de frontman.

Minder uitbundig, maar daarom niet minder sfeervol, was het optreden van Absynthe Minded. Net zoals voor Daan die we gisteren aan het werk zagen, was 2009 een uitstekend jaar voor de Gentse band. Vorig jaar speelden ze ook al op Crammerock, en de set was nagenoeg onveranderd. Live werken de nieuwe nummers van het laatste album ‘Absynthe Minded’ iets minder goed dan eerder werk. Zo zagen we een fantastische “I Am A Fan”, en dat nummer is van hun eerste album. Natuurlijk werd monsterhit “Envoi” als laatste gespeeld en werd er veel meegezongen.

In plaats van Novastar te gaan bekijken, besloten we de grote tent te verlaten en de kleinere tent een bezoekje te brengen voor Mish Mash Soundsystem. Het controversiële radioprogramma bevat naast de grove commentaren de betere elektromuziek. De bekendste nummers uit het programma galmden door de boxen, maar er werd ook gekozen voor mash-ups van klassiekers die je op elke lokale Chiro- of Scoutsfuif nog kan horen (“Song Two”, “Killing In The Name Of” en “Smells Like Teen Spirit”). Dat ze over de nodige humor beschikken, bewezen ze met hun remix van “Head Will Roll” en “Where’s Your Head At?”. En laten we de toeter niet vergeten. Geslaagd geschift feestje.

Onze aflsuiter van het festival waren de Audio Bullys. Eén dj en één mc die het geheel aan elkaar rapt terwijl er muziek gedraaid wordt die ergens het midden houdt tussen dance, hiphop en punk. Spijtig genoeg was het publiek na Novastar dusdanig uitgedund dat de opkomst voor de Britten bedroevend laag lag. Dat kwam de sfeer niet ten goede en zorgde voor een domper op de feestvreugde van 20 jaar Crammerock. Het beperkte aantal hits van deze groep kan ook een reden geweest zijn …

Organisatie: Crammerock, Stekene

Crammerock 2010: vrijdag 3 september 2010

Geschreven door

Crammerock blaast dit jaar 20 kaarsjes uit, en dat werd meteen beloond met een uitverkocht festival. Het was er drukker dan de vorige editie en dat merkte je als je op het terrein liep tussen de 20.000 mensen. Het tweedaagse feestje dat in het hart van Stekene doorgaat verwelkomde 37 artiesten, doorgaans van eigen bodem. Grootste troef van dit festival is de unieke opstelling van de twee podia. Ze staan lijnrecht tegenover elkaar in één grote tent. Als de ene groep stopt, begint de andere vijf minuten later aan de andere kant. Er is nog een derde podium waar er non-stop dj’s hun platen aan elkaar mixen.

De eerste groep die we aan het werk zagen waren The Opposites. De Nederlandse hiphoppers hebben tegenwoordig hun tweede verblijfplaats op de Belgische festivals, want ze waren deze zomer zowat overal te zien. Het was onmiddellijk een eerste poging om de grote tent af te breken met dreunende bassen die tegen een onverantwoordelijk niveau opliepen. Wie de Jeugd Van Tegenwoordig ooit aan het werk zag, weet ongeveer hoe het eraan toe ging in Stekene. We kregen zowaar zin in een Broodje Bakpao na het optreden.

Wie The Opposites boekt, blijkt daarbij ook School is Cool en Customs in één beweging mee te boeken, want dit trio prijkte het vaakst op de affiches deze zomer. Rock Rally-winnaar School is Cool hebben we jammer genoeg moeten missen, maar een strak spelende Customs verzachtte het leed. Of toch gedeeltelijk, want ze overtuigden ons niet helemaal. De set kwam traag op gang, ondanks een puike versie van “Shut Up, Narcissus”, maar het duurde tegen “Justine” voordat ze ons meekregen. Daarna ging het een pak vlotter met songs als “Where The Moons Spends Its Days”, “We Are Ghosts” en natuurlijke “The Matador” en “Rex”.

Stijn Meuris doet het dezer dagen solo met zijn band… Meuris. We waren nog niet vertrouwd met het solowerk, maar blies ons omver met een fantastische set. De muziek was heel goed, de charismatische frontman was overtuigend, maar het publiek bleek minder overtuigd te zijn. Stijn Meuris schuwde geen nummers van Monza of Noordkaap, maar hij stak ze in een aangepast jasje. Zo hoorden we een subliem “Van God Los”. Afsluiten deden ze verrassend met een cover van “Arme Joe” van Will Tura. Het eerste hoogtepunt was al een feit.

Het Britse The Levellers deed bij de doorsnee bezoeker niet meteen een belletje rinkelen. Totdat ze “What A Beautiful Day” en “One Way” speelden natuurlijk. Ze brachten folkrock en wat je zou verwachten van een concert in dit genre gebeurde ook. Spontaan brak er veel gedans uit. Waar een viool allemaal niet goed voor is. The Levellers stonden enthousiast te spelen en de sfeer zat heel goed. Absoluut hoogtepunt was het nummer “The Devil Went To Georgia”.

Voor het volgende optreden was de opkomst massaal. We stonden tijdens The Levellers redelijk vooraan, maar toen we ons omdraaiden om Sum 41 te zien was het moeilijk om een kijkje dichterbij te gaan nemen. Het Canadese Sum 41 is een groep die een deel van onze jeugd uitmaakt (wij waren 12 toen “Fat Lip” uitgebracht werd) en het was voor ons een nostalgisch moment. Zonder veel aankondiging werd “The Hell Song” ingezet. De skaterock/punkrock werd zeer gesmaakt en tot ver in het publiek werden er crowdsurfers en moshpits gespot. Tussen de songs door was er veel randanimatie. Basgitarist Jason McCaslin was jarig en nodigde af en toe wat mensen uit om aan de zijkant van het podium de band beter te kunnen volgen en zanger Deryck Whibley (ex van Avril Lavigne nota bene) vond het publiek in Stekene ‘crazy’. Het was verbazingwekkend hoe songs als “Still Waiting”, “Motivation” en “Over My Head” na al die jaren zo diep in ons onderbewustzijn zijn gebleven. We hadden ze al enige tijd niet meer gehoord en toch konden we ze moeiteloos meebrullen. Ook werden “Paint It Black” en “Master Of Puppets” gecoverd. Natuurlijk ontbraken “Into Deep” en “Fat Lip” niet op de setlist. Het concert was snel gedaan (ze waren iets later dan gepland begonnen met spelen) en het publiek hoopte op meer, maar na een droog dankwoord kwam de groep niet meer terug. Sum 41 mocht zeker headliner van de avond geweest zijn, en het talloze publiek dacht daar waarschijnlijk hetzelfde over.

Front 242 mikte duidelijk op een ander publiek die zijn jeugd wou herbeleven. De legendarische elektrogroep uit de jaren ’80 zijn de voorlopers van de techno en de new beat. De donkere muziek werd gebracht door twee keyboards en een drumstel, terwijl er al even donkere visuals geprojecteerd werden. De iets oudere bezoeker werd zo ook verwend.

2009 was het jaar van Daan, bekroond met 4 MIA’s. De extravagante zanger (met grote zonnebril) was in bloedvorm. Er werd vooral nieuw werk gespeeld, maar beginnen deden ze toch met “Exes” en “Crawling From The Wreck”. Tussen het nieuwe werk (dat van hoge kwaliteit was) zat af en toe een oudere hit, en naar het einde toe kwamen er steeds meer en meer. Wat ook opvalt is dat Isolde Lansoen, de drumster, een uithangbord geworden is van de band. Het was vooral een leuk concert om naar te kijken.

Als afsluiter van dag één stonden we voor een dilemma. Vaste waarde Felix Da Housecat of opkomend DNB-artiest Netsky? Wegens ziekte van Felix Da Housecat was de keuze opeens een stuk gemakkelijker (hij werd vervangen door Discobar Galaxie). Netsky speelt geregeld de pannen van het dak in het Verenigd Koninkrijk en in Oost-Europa, maar geleidelijk aan krijgt hij voet in eigen land. Hij speelde een goede DNB-set, ideaal om nog een laatste feestje van de dag te vieren.

Organisatie: Crammerock, Stekene

Pukkelpop 2010 in de ogen van …

Geschreven door

Pukkelpop 2010 - 2010-08-19 t/m 2010-09-21
Chokri en Eppo zullen met enige mixed emotions terugkijken op het 25ste jubileum van hun Pukkelpop. Trots omdat ze voor het eerst weken op voorhand het bordje ‘uitverkocht’ mochten uithangen, maar ook wat aangedaan door de twee rockdoden die tijdens het festival te betreuren waren. De journalisten smeerden het breed uit in de geschreven pers, maar de festivalgangers hadden er weinig of geen erg in. Zij waren vooral gekomen voor drie dagen musictainment die eenieder op zijn/haar eigen manier kon invullen met een keuze uit ruim 200 bands en artiesten op acht podia. Ondergetekende liet zich op het nippertje het laatste beschikbare combiticket afsnoepen, maar tekende wel present vanaf dag 2.

dag 2 – vrijdag 20 augustus 2010
Om onze muzikale rondreis toch op een enigszins cultureel verantwoorde manier aan te vatten liepen we gezwind de Marquee binnen om de spoken word performance van HENRY ROLLINS (****) mee te pikken. Sinds het opdoeken van zijn eigen Rollins Band dweilt de voormalige brulboei de planeet af op zoek naar sterke reisverhalen die als voer moeten dienen voor zijn intussen gekende standup comedy show. Maar dan wel comedy met een geweten; zo is hij niet te beroerd om tussen zijn grappen en grollen steun te vragen voor de daklozen in het Pakistaanse rampgebied, de onzin van elke oorlog aan te kaarten of het publiek te confronteren met de impact van hun ecologische voetafdruk. Melig wordt het echter nooit, want Rollins blijft in de eerste plaats een meester in cynische humor. Een Black Flag reunie zit er waarschijnlijk niet meer in, maar op de manier waarop hun voormalige frontman momenteel zijn tijd verdrijft vinden we dat eigenlijk niet eens zo erg.

In de bloedhete Chateau was het Texaanse trio HARLEM (***) vervolgens aan zet. Eerder dit jaar verscheen hun tweede album ‘Hippies’ op het befaamde Matador label dat de wereld al eerder liet kennismaken met o.a. Guided By Voices en Jon Spencer Blues Explosion. In de beste traditie van deze befaamde gitaarstal label serveerde Harlem een stomend potje rammelende garagerock dat qua bevlogenheid zelfs heel even deed terugdenken aan de begindagen van The Modern Lovers en Violent Femmes. Hun muzikaal recept is te beproefd om van een originele set te spreken, maar de Texanen zijn wel te koesteren omwille van hun heerlijk nonchalante attitude en zichtbaar speelplezier.

Drie jaar terug stonden MATT & KIM (**) voor het eerst te blinken op Pukkelpop. Op de planken van de toenmalige Club tent konden we ons wel vinden in de hyperkinetische electropop van dit New Yorkse duo, maar dit jaar bleek hun transfer naar de veel grotere Marquee misschien wel een beetje te hoog gemikt. Ondanks hun aanstekelijk enthousiasme en tomeloze inzet lijken Matt Johnson (keyboards, zang) en Kim Schifino (drums, zang) immers weinig muzikale progressie te maken. Ze jatten nog steeds melodietjes uit alle hoofdstukken van de popgeschiedenis, gaande van The Shadows’ “Apache” tot Europe’s “The Final Countdown”, maar hiermee zijn ze nog niet echt veel verder geraakt in hun zoektocht naar een memorabele song. Het publiek lustte echter wel pap van dit soort goedkoop entertainment, en wie zijn wij om het publiek tegen te spreken?

De Chateau had nog steeds iets weg van een publieke sauna toen FANFARLO (***) voorzichtig het podium kwam opgeslenterd. Dit Londens vijftal laat zich meedrijven op de golven van de epische folkrevival die de jongste tijd het muzieklandschap overspoelt. Het gebruik van viool, cello en trompet zijn momenteel hipper dan ooit, en met deze ingrediënten maakt Fanfarlo een lekker brouwsel dat smaakt naar bevlogen emofolk. De sterke single “Harold T. Wilkins” stak helemaal voorin de set en maakte meteen ook duidelijk waarom de groep wel eens als een Engelse kloon van Arcade Fire wordt versleten. Het stemgeluid van frontman Simon Balthazar lijkt immers als twee druppels water op dat van Win Butler, en met Cathy Lucas heeft Fanfarlo net als hun Canadese maatjes een bevallige violiste in huis. Indien deze sympathieke bende erin slaagt om zich een eigen muzikaal smoel aan te meten begroeten we Fanfarlo gegarandeerd terug op één van de volgende Pukkelpop edities.

Ook BLOOD RED SHOES (***) werd door het gouden Pukkelpop duo Chokri en Eppo in twee jaar tijd gepromoveerd van de Club naar de Marquee. Met twee puike albums onder de arm, doch zonder noemenswaardige radiohits, slaagde dit jonge duo uit het Engelse Brighton er in om de tent aardig te laten vol lopen voor een stevige portie minimale noiserock. Natuurlijk klonken “Light It Up”, “Don’t Ask”, “You Bring Me Down” en publiekslieveling “I Wish I Was Someone Better” retestrak zoals het hoort, maar op de één of andere manier wou de verwachte vonk toch niet volledig overslaan.
Steven Ansell, de blonde helft van het duo, mepte en schreeuwde er nochtans stevig op los, maar het was vooral de overigens niet onaardig ogende Laura-May Carter die haar gitaar veel te omzichtig en te routineus te lijf ging. Bij een volgende gelegenheid begroeten we één van onze favoriete tweemansbandjes graag terug op één of ander bezweet podium, maar bij voorkeur met wat meer modder aan die lieflijk bloedrode schoentjes.

Toegegeven, met een naam als Avigdor Zahner-Isenberg lijken de kansen redelijk miniem voor een beginnende artiest om zich een weg te banen naar het collectieve muzikale geheugen, maar onder het pseudoniem AVI BUFFALO (***) lijkt dat intussen wel al aardig te lukken. En ja, wanneer op je debuutalbum met “What’s In It For?” reeds een instant classic prijkt kon de intussen tot een trio uitgegroeide groep uiteraard op flink wat publieksopkomst rekenen in de Club tent. Het was tegelijk grappig en ontroerend om te horen hoe Zahner-Isenberg als een timide en klein kereltje toch gezegend is met een breekbare falset stem die ondertussen het onmiskenbare handelsmerk van de groep is geworden. Echter, de nog wat premature lo-fi Westcoast gitaarpop van Avi Buffalo dient nog wat rustig verder te sudderen om aan de enkels te komen van bijvoorbeeld My Morning Jacket of Band Of Horses.

Van enige afkoeling was nog niet echt sprake toen LAURA MARLING (****) en haar vierkoppige begeleidingsband in de Chateau aantraden. Wel integendeel, de temperatuur ging prompt de hoogte in toen bleek dat de bevallige Marling zowel mooi is om naar te luisteren als om naar te kijken! Wie pakweg Joni Mitchell en Sandy Denny als referenties krijgt opgespeld moet wel van heel goede huize zijn om dit ook live waar te maken, maar de eerder schuchtere voormalige (achtergrond)zangeres van Noah And The Whale doorstond deze vergelijkingen met verve. Toen Marling midden in de set haar muzikanten even richting coulissen stuurde voor een aantal solo nummers verstomde elk geroezemoes uit het publiek en werd pas echt duidelijk met welke nachtegaalstem de blonde Engelse gezegend is. Noot voor de afwezigen: steal, buy or borrow Marling’s recentste album met de veelzeggende titel ‘I Speak Because I Can’. Yes, she can!

Over het kanaal is het eclectische FOALS (***) een kleine sensatie sinds de release van hun lichtjes fenomenale debuut ‘Antidotes’, maar hier moet dit vijftal uit Oxford het stellen met een pak minder aandacht. Hun oorspronkelijke muzikale concept ontstond in de slipstream van de vroege Bloc Party, maar voegt daar nog een flinke scheut punkfunk en pruttelend Afrikaans gitaargepingel aan toe. In de Marquee bleek het dan ook moeilijk stilstaan wanneer een trits singles uit hun beginperiode (“Cassius”, “Balloons” en “Red Socks Pugie”) voorbij kwam razen. Op hun eerder dit jaar verschenen tweede album ‘Total Life Forever’ proberen de heren wat weelderiger te klinken en halen ze hun voet drastisch van het gaspedaal, maar echt imponeren doet het nieuwe geluid vooralsnog niet. De uitstraling van de hyperkinetische frontman Yannis Philippakis blijft daarentegen onaangetast; een deel van zijn schijnbaar onuitputtelijke energievoorraad kon hij gelukkig kwijt door een ommetje te maken langs de PA installatie. Foals zal ook na hun set op Pukkelpop blijven balanceren op de slappe koord van de indie hype, benieuwd hoe deze bende jonge veulens de kaap van ‘het moeilijke derde album’ straks gaat nemen.

Het uit Manchester afkomstige HURTS (**) toverde de anders zo informele Chateau om tot een stijlvolle vrijgezellenclub met zwarte driedelige maatpakken en brillantinekapsels als dresscode. De groep laat zich catalogeren als een revival act die nu eens niet teruggrijpt naar new wave of postpunk, maar zich voor de verandering laat inspireren door bloedernstige synthpop van Black en Ultravox of de kitsch van Pet Shop Boys. De radiohitjes “Wonderful Life” en “Better Than Love” staan dan ook bol van dramatiek, herenleed en pathos, een gedateerde combinatie die toebehoort aan de foutste momenten van de 80ies en daar wat ons betreft beter ook blijft.

Je hebt zo van die groepen die het publiek reeds in hun binnenzak hebben steken alvorens er ook maar één noot werd gespeeld. Op basis van de collectieve adoratie die hen te beurt viel in de propvolle Marquee lijkt het Londense kwartet MUMFORD & SONS (***) goed op weg om zich comfortabel in deze categorie te nestelen. Hun pretentieloze mix van sing-along folk en banjopop ging er vooral bij het jonge Pukkelpop volkje in als zoete koek, ook al slaagde de groep er niet helemaal in om voldoende drive in het optreden te houden. De Londenaars moesten het immers duidelijk hebben van hun inmiddels klassieke anthems “Little Lion Man” en het afsluitende “The Cave”. Tussendoor viel het tempo toch wat te veel terug en was er relatief weinig te beleven op en voor het podium, totdat plots een driekoppige blazerssectie te voorschijn werd getoverd tijdens het slepende “Winter Winds”. Voor wie graag wat meer diepgang heeft in zijn folk verwijzen we graag naar generatiegenoten Fanfarlo of Broken Records, maar StuBru’s internet poll liet er alvast weinig twijfel over bestaan dat Marcus Mumford en zijn kornuiten zich tot één van de absolute publiekslievelingen van Pukkelpop 2010 mogen kronen.

Met z’n 20 lentes mag THE PRODIGY (***) zich inmiddels tot één van de ouderdomsdekens van het festival rekenen. En zoals het echte heren op zekere leeftijd past stelde de groep het geduld van het massaal opgekomen publiek voor de Main Stage op de proef door ruim een kwartier laten dan voorzien het podium op te stormen. Misschien wou de mascara beurt van Maxim Reality vanavond niet zo goed lukken, of deed Keith Flint nog een laatste vergeefse poging om zijn stembanden te smeren? Als geen ander verstaan beide notoire vogelverschrikkers echter nog steeds de kunst om een hongerig publiek op te jutten en te provoceren, maar de muzikale performance van dit Britse gezelschap staat of valt uiteraard met de inspiratie van het nagenoeg onzichtbare knoppenwonder Liam Howlett. Om aansluiting te vinden bij de nieuwe trends die het jonge volkje kunnen bekoren lijkt Howlett zowel het tempo als het volume van de oudere nummers tegenwoordig behoorlijk omhoog te schroeven, en laat hij zich op het podium versterken door een drummer en een gitarist. Herwerkte versies van klassiekers als “Breathe” en “Poison” klonken hierdoor brutaler dan ooit en versmolten moeiteloos met recenter werk zoals de puike come-back single “Omen”. Misschien niet de ideale opwarmer voor de ideale schoonzonen van Snow Patrol, maar The Prodigy lijkt allesbehalve van plan om rustig uit te bollen tot de volgende ‘greatest hits’ CD.

De dromerige en licht psychedelische sprookjespop van het uit Baltimore afkomstige BEACH HOUSE (****) kreeg de eer om de tweede festivaldag in de Club in pure schoonheid af te sluiten. Terwijl Grizzly Bear vorig jaar misschien wel het mooiste album maakte met ‘Veckatimest’ lijkt deze eer dit jaar mogelijks weggelegd voor het derde Beach House album ‘Teen Dream’. Het kernduo Alex Scally en Victoria Legrand
had voor de gelegenheid twee extra muzikanten meegebracht om de etherische pracht van ‘Teen Dream’ laagje per laagje terug op te bouwen. De groepsleden baadden in een troebele doch sfeervolle belichting waardoor alle aandacht automatisch naar de muziek werd gezogen. Bij momenten leek de set iets weg te hebben van een flower power versie van Mercury Rev, mede door de typische ijle stem van Legrand die daarnaast ook nog eens met volle overtuiging haar keyboards te lijf ging. Mooie liedjes horen niet lang te duren, maar in het geval van Beach House overschrijden ze doorgaans vlotjes de kaap van de vijf minuten waardoor de set al bijna voorbij was vooraleer we het goed en wel beseften. Elk nummer kon per definitie doorgaan als een hoogtepunt, maar als we toch moeten kiezen opteren we zonder aarzelen voor “Zebra” en uiteraard de bescheiden radiohit “Norway”. Het liefst kropen we vervolgens direct in onze slaapzak om na te genieten van dit muzikaal sprookje, maar Chokri & Eppo hadden dicht bij middernacht nog ander lekker volk opgetrommeld.

Net als tijdens vorige edities bleek de Wablief?! tent dit jaar weer veel te klein voor de meeste Belgische bands die er hun opwachting maakten, dus groot was onze verbazing toen we zomaar vlotjes tot aan het podium konden binnenwandelen tijdens de set van RADICAL SLAVE (**). Al snel werd echter duidelijk waarom dit hobbyproject van de Limburgse veteranen Mauro Pawlowski (dEUS en 100 andere projecten) en Dirk Swartenbroeckx (Buscemi) aangevuld met drummer Remo Perotti (ex-Bedtime For Bonzo) niet bepaald als een publiekslokker de Pukkelpop archieven zal ingaan. Het is op zich bewonderenswaardig dat de muzikale vrienden een eerbetoon willen brengen aan de ‘no wave’ beweging die eind jaren ’70 een bescheiden muzikale revolutie ontketende in New York, maar conservatief als we zijn kregen we toch graag een paar nummers met kop en staart opgediend. In plaats daarvan waren we getuige van een soort try-out concert waarbij de groep zich veeleer in hun repetitieruimte waande voor een schijnbaar eindeloos durende doch erg intrigerende soundcheck.  Pawlowski leek ter plaatse de meest hoekige gitaarnoise uit zijn mouw te schudden terwijl Swartenbroeckx naast tweede gitaar zich onledig hield met het sampelen in real-time van de geluidsbrij die op het podium werd geproduceerd. Het publiek stond erbij en keek er naar met open mond, en eerlijk gezegd weten we nog altijd niet of we dit geniaal vinden of eerder als lawaai moeten afdoen.

Wie na de trip van Beach House trek had in nog meer etherische droompop diende af te zakken naar de Marquee alwaar THE XX (****) het licht mocht uitdoen. Nu ja, veel licht kwam er zowiezo al niet te pas aan de intimistische en mysterieuze set van dit Londense trio. De prille twintigers tekenen voor een unieke combinatie van kille postwave en indringende white soul waarbij uiterst spaarzaam wordt omgesprongen met gitaar, bas en percussie. Bij deze minimale aanpak hoort tevens een heel sober imago met zwart en wit als enige kleuren van platenhoezen, kledij en instrumenten. Eerder onverwacht werd de minimale pop van The xx eind vorig jaar meteen opgepikt door een groot publiek, maar ook op de planken van de Marquee lijkt het timide frontduo Romy Madley Croft and Oliver Sim nog steeds niet echt te wennen aan zoveel aandacht. Knappe versies van “Islands” en “Crystalized” mochten dan wel op het meeste herkenningsapplaus rekenen, elk nummer waarin de intrigerende fluisterinteractie tussen Croft en Sim centraal stond verdiende dezelfde appreciatie. Een jonge groep als The xx die het voor elkaar krijgt om in één jaar tijd Werchter én Kiewit zonder slag of stoot in te pakken moeten we koesteren, dus kunnen we enkel maar hopen dat het huidig succes hun creativiteit niet onmiddellijk zal overvleugelen.

Het Canadese electronica collectief HOLY FUCK (****) is best wel een rare snuiter in zijn genre. Je zal Graham Walsh en Brian Borcherdt immers zelden of nooit betrappen met een laptop of andere vooraf opgenomen bedriegerij, maar je kan hen daarentegen wel bekoren met de meest aftandse analoge apparatuur of zelfs met speelgoedinstrumenten op voorwaarde dat ze er één of ander vreemd geluid kunnen uitknijpen. Voor hun optreden in de Chateau hadden de twee geluidswizards zo bijvoorbeeld een film synchronizer en een wel heel erg bijzondere melodica meegebracht die hun kaleidoscopische fusie tussen krautrock, trip hop en ambient ook visueel een extra dimensie gaf. Komt daarbij dat Walsh en Borcherdt zich ondertussen hebben versterkt met bassist Matt McQuaid en drummer Matt Schulz die vanuit de tweede linie voor de dansbare groove zorgen in nummers als “P.I.G.S.”, “Stay Lit” en vooral “SHT MN”. Het zijn stuk voor stuk meesterwerkjes uit het recentste album ‘Latin’ die de Canadezen een verdiende promotie oplevert naar de eredivisie van de psychedelic beat. Wie de heren van Holy Fuck dus ooit op een rommelmarkt ziet rondsnuffelen naar nieuwe analoge speeltjes weet dat een volgend meesterwerk in de maak is!

dag 3 - zaterdag 21 augustus 2010

Wie vroeg genoeg uit de veren was en met frisse oksels naar het eerste optreden op de Main stage trok was getuige van één van de dieptepunten op Pukkelpop 2010. Het Amerikaanse OK GO (*) staat garant voor inspiratieloze gitaarpulp die in high rotation gaat op MTV/TMF/Jim, en ja, zo klonken ze ook. Maar ach, we vatten dit zeldzaam zwak moment van samenstellers Chokri en Eppo filosofisch op en begaven ons prompt naar de Special Beers toog om deze smakeloze brok fastfood entertainment in één ruk door te spoelen.

Een Pukkelpop editie zonder muzikale ontdekkingen is als Luc Janssen zonder controversiële bindteksten of Stijn Meuris zonder bril: op zich bestaan ze wel, maar indruk maken doen ze niet. Wie wel indruk maakte kort na de middag in de Club waren THE BOOKHOUSE BOYS (****), een tot voor kort (en misschien wel voor eeuwig en altijd) illuster negenkoppig gezelschap uit London dat zijn naam heeft ontleend aan een geheimzinnig genootschap uit Twin Peaks. Na een paar nummers blijkt echter dat niet David Lynch maar eerder Quentin Tarantino een moord zou begaan om deze groep als huisorkest te laten aandraven in zijn volgende film noir. Een streepje broeierige Grinderman blues, een melancholische mariachi trompet en een in reverb gedrenkte Dick Dale gitaar: het zijn maar enkele van de ingrediënten die de muzikale mix van The Bookhouse Boys pittig en uniek maken. Naast de charismatische frontman Paul van Oestren, een soort reïncarnatie van Joe Strummer zaliger, luistert hét geheime wapen van de groep naar de naam Catherine Turner. Een verleidelijk bewegende en fluisterende vamp die in een knalrood cocktailjurkje omringd door acht mannen voor het sensuele element zorgt: ook wie het optreden heeft gemist moet zich hier toch iets kunnen bij voorstellen...

Samen met The Undertones moet ASH (***) zowat het belangrijkste exportproduct zijn uit Noord-Ierland in de sector ‘onweerstaanbare punkpop’. Frontman Tim Wheeler ziet er nog steeds uit als een vitale twintiger, maar het is ondertussen wel al 20 jaar geleden dat hij deze groep op de rails zette voor een rollercoaster rit die sinds de mid-90ies een indrukwekkende reeks radiohits heeft opgeleverd. En ja, het was weer heerlijk om die luchtgitaar boven te halen op de onweerstaanbare tonen van “A Life Less Ordinary”, “Girl From Mars”, “Kung Fu”, “Shining Light” en “Burn Baby Burn”. Tussendoor zat ook wat recenter en minder beklijvend werk verscholen uit het ambitieuze ‘A-Z’ project waarbij Wheeler & co om de twee weken een nieuwe single op de wereld loslaten, en waarmee ze duidelijk te kennen geven dat ze niet louter als een 90ies jukebox door het leven willen gaan. Interessant weetje: op tweede gitaar herkenden we de recent ingehuurde Bloc Party gitarist
Russell Lissack; de tengere sidekick van Kele leerde als broekje de stiel in een Ash coverbandje en zag dus prompt een jongensdroom in vervulling gaan toen Wheeler hem eerder dit jaar een stekje aanbood voor de komende ‘A-Z’ tour.

Op een dag vind ik de job van mijn leven, en dan ben ik weg” moet ALAIN JOHANNES (***) gedacht hebben. Dit Chileense snarenwonder was in een vorig leven ooit de drijvende kracht achter het bescheiden succesvolle hardrock combo Eleven, maar verdiende daarna wel vlotjes zijn sporen als studiomuzikant en/of live versterking bij o.a. Chris Cornell, Mark Lanegan en Queens Of The Stone Age. Vorig jaar stond de man trouwens ook al te blinken in de Marquee als vierde Them Crooked Vulture, maar nu deed hij het helemaal alleen vergezeld van een ‘cigar box’ gitaar. Ook Seasick Steve wordt trouwens wel eens betrapt met dit type van zelfgebouwde gitaar waaruit een banjo-achtig geluid wordt geproduceerd. Johannes demonstreerde niet enkel zijn kunsten op dit veredeld sigarenkistje, maar heeft bovendien ook een neus voor een goede song. Zonder naambekendheid, zonder airplay en zonder een album onder de arm kreeg de imposante Chileen toch een halfgevulde Marquee warm met folky nummers die ons prompt doen terugdenken aan ‘Led Zeppelin III’ en het vergeten Masters Of Reality/Chris Goss opus ‘Give Us Barabas’. Tip voor uw najaarsbudget: Johannes’ debuutalbum ‘Spark’!

Ook op onze volgende halte in de Chateau waren we getuige van een indrukwekkende one-man-show. Wanneer de vanuit Los Angeles opererende Koreaan Jason Chung achter zijn turntable kruipt laat hij zich bij voorkeur aanspreken als NOSAJ THING (***) en kan het publiek zich verwachten aan één lange abstract hiphop trip. Alhoewel diens instrumentale knip- en plakwerk duidelijk schatplichtig is aan het pionierswerk van DJ Shadow slaagt Chung er toch in om nog een tikkeltje eigenzinniger uit de hoek te komen door de etherische soundscapes een stevige R&B injectie toe te dienen. Ook op remix gebied lijkt Nosaj Thing goed op weg om the next big thing te worden, want tenslotte krijgt niet elke sterveling de toestemming van Thom Yorke om een Radiohead nummer te herwerken. Op het einde van zijn set in de Chateau haalde Chung echter niet Radiohead maar wel The xx door de mangel. Het zal de kleine Koreaan ongetwijfeld wat extra credibiliteit opleveren bij het doorsnee indie publiek en de nodige dollars op zijn bankrekening.

Alhoewel ze er nog steeds uitzien als de sympathiekste kwajongens van het dorp mogen Tim Vanhamel (o.a. Evil Superstars, Millionaire en Eat Lions) en Pascal Deweze (o.a. Metal Molly, Sukilove en Chitlin’ Fooks) zich toch stilletjes aan tot de anciens van de Belpop rekenen. Als uitloper van hun soundtrack opdracht voor de hilarische candid-camera reeks Benidorm Bastards besloten de heren enige tijd terug om hun samenwerking ook een gezicht te geven; de nieuwe boreling luistert naar de naam BROKEN GLASS HEROES (***), met de ‘B’ van Beach Boys, Beatles, Byrds en Buffalo Springfield. In één of andere gedaante passeerden al deze muzikale helden inderdaad wel allemaal de revue van de propvolle Club tent voor het allereerste optreden van deze gelegenheidsgroep. Dat Broken Glass Heroes speelplezier en vakmanschap verkiezen boven muzikale originaliteit stoorde allerminst, en ook waren ze niet te beroerd om tussendoor het vocale talent van de Hasseltse Rock Rally finalisten The Sore Losers in de picture te plaatsen. Niet enkel tijdens de zeemzoete zomerhit “Let’s Not Fall Apart” maar ook voor een pak andere fraaie staaltjes van close harmony pop kregen Vanhamel en Deweze de handjes vlot op elkaar. Wie de première van deze 60ies tribute heeft gemist kan binnenkort ongetwijfeld herkansen in de betere parochiezaal.

Ook het volgende optreden in de Club ademde een retrosfeertje uit, met dit verschil dat onze muzikale smaakpapillen deze keer geen zeemzoete feel good pop maar wel een portie onversneden acidrock kregen voorgeschoteld. Het vanuit San Francisco opererende SLEEPY SUN (****) heeft een gezonde affectie voor het soort bezwerende psychrock dat vanaf eind jaren ’60 furore maakte na de implosie van de flower power. De cool van Jefferson Airplane gekruid met de slepende powerchords van Black Sabbath zorgde voor een ongrijpbaar commune sfeertje met Grace Slick look-alike Rachel Williams in de rol van hypnotiserende hogepriesteres. Geheel conform de regels van dit bedwelmend  genre werd in elk nummer ruimte gelaten voor lange instrumentale passages waarbij wah wah pedalen en feedback effecten vrij spel kregen. Het maakte het optreden tot één lange psychedelische trip die wat ons betreft een stuk langer had mogen duren dan de voorziene 50 min. Black Mountain kijkt voortaan beter uit, want met Sleepy Sun hebben ze er een te duchten concurrent bij.

Wat maakt een groep tot hype? De Engelse muziek tabloid NME geldt hier als onbetwist referentiepunt en verstaat als geen ander de kunst om enkel op grond van één single een jong bandje op de cover te sleuren. Zo ook verging het THE DRUMS (**) die met “Let’s Go Surfing” het luchtigste zomerdeuntje sinds Peter, Björn & John’s “Young Folks” uit hun mouw schudden. Een stuk minder indrukwekkend klinkt het bijhorende titelloze debuutalbum dat gevuld is met lichtvoetige gitaarpop zonder weerhaakjes, en zo klonk het viertal precies ook op het podium van de vlotjes volgelopen Marquee. Nu de hype stilletjes aan het bekoelen is wordt het langzaam aan duidelijk dat het muzikale recept van het jonge viertal een pak vrijblijvender is dan dit van sommige 80ies bands die te pas en te onpas als belangrijke inspiratiebronnen worden aangehaald. De groep en het publiek, het leken wel twee aparte werelden die elkaar weinig te vertellen hadden, en zelfs de huidige single “Forever and Ever Amen” liet het Pukkelpop volkje redelijk onberoerd. The Drums lijken momenteel het levende bewijs dat niet alles dat uit New York komt overwaaien instant muzikaal goud is, en daar kan zelfs een reclamespot voor de Peugeot 3008 Crossover weinig aan veranderen (http://www.youtube.com/watch?v=3ltMsh6utE8).

Het Amerikaanse kwintet THE NATIONAL (****) heeft in hun tienjarig bestaan een behoorlijk indrukwekkend Pukkelpop parcours afgelegd. Ten tijde van het eerste serieuze wapenfeit ‘Alligator’ (2005) werd de groep nog discreet weggemoffeld in de Club tent om vervolgens een paar jaar later al op te duiken in de veel grotere Marquee ter promotie van ‘Boxer’ (2007). De uiteindelijke promotie naar de Main Stage als één van de absolute headliners van het festival heeft de groep te danken aan hun recentste worp ‘High Violet’ die voor de doorbraak naar een breed publiek heeft gezorgd. Er waren vooraf wel wat twijfels of de donkere mix van postpunk en americana wel zou aanslaan onder een stralende hemel, en ook de bandleden zelf hadden duidelijk hun voorzorgen genomen tegen een overdosis zonlicht en collectief een imagoversterkende zonnebril opgezet. Bij het inzetten van “Anyone’s Ghost” nam de diepe bariton van frontman Matt Berninger echter alle twijfels weg: dit zou een optreden worden om in te lijsten! Met elk volgend nummer leek de groep enkel maar crescendo te gaan: tijdens het epische “Afraid Of Everyone” deed een blazerssectie dienst als katalysator voor de wall of sound van de gitaarspelende broertjes Dessner, voor zover het nog nodig was solliciteerde een strak “Bloodbuzz Ohio” nogmaals voor de titel ‘single van het jaar’, en in het oudje “Mr. November” ontbond de anders zo introverte Berninger al zijn duivels alsof de jonge Nick Cave ermee gemoeid was. Kunnen de heren van The National nog dieper doordringen in hun ziel? Voor Vlaams parlementslid Schuermans is deze groep alvast een godsgeschenk om de credibiliteit van Rock Werchter 2011 een flinke boost te geven, maar laat die aanstekers gerust thuis.

BROKEN BELLS (***) hoort thuis in het rijtje The Dead Weather, Monsters Of Folk en Tired Pony: gelegenheidsprojecten waarin artiesten die hun groep of zichzelf even beu zijn samen een nieuw repetitiehok bouwen en er met wisselend resultaat ook een album opnemen. In het geval van Broken Bells beklonk voormalig Shins frontman James Mercer een joint venture met meesterproducer en multi-instrumentalist Danger Mouse  die u hoort te kennen van o.a. Gnarls Barkley en Gorillaz. Hun set in de Marquee kwam wat traagjes op gang met een trits lange atmosferische nummers die op zich wel aangenaam luistervoer boden, maar nergens echt spannend werden. Wanneer het gecombineerde talent van beide heren dan toch in de juiste plooi valt is het wel meteen bingo. Enkel en alleen al op grond van de meesterlijke single “The High Road” verdienen Broken Bells het nodige krediet, en toen Mercer en Danger Mouse hun kompanen even later de coulissen instuurden om het intieme “Insane Lullaby” uit het laatste postuum verschenen Sparklehorse album in te zetten leek ook de laatste twijfelaar overtuigd. Over de houdbaarheidsdatum van dit soort hobbyprojecten gaan zoals steeds de wildste geruchten. Echter, nu The Shins dood en begraven zijn en Danger Mouse zich steeds nadrukkelijker als de muzikale omnivoor van zijn generatie gaat profileren lijkt de weg open te liggen voor Broken Bells om nog een volgende boreling af te leveren.

“Nicotine, valium, vicodin, marijuana, ecstasy and alcohol… C-c-c-c-c-cocaine”: Josh Homme leek van elk van deze substanties wel een snuifje te hebben geconsumeerd toen hij met de andere QUEENS OF THE STONE AGE (****) het trashy “Feel Good Hit of the Summer” inzette op de Main Stage. Ja, die zomer van 2000 kon inderdaad maar moeilijk meer stuk wanneer een album als ‘Rated R’ wekenlang in onze CD speler stond geparkeerd. Tien jaar later blikken Homme & co graag nog eens terug op hun eerste echte meesterwerk: het album werd onlangs heruitgebracht en bevat nu o.a. ook de registratie van hun legendarische set op Reading 2000, en momenteel wordt een kleinschalige Europese toernee ondernomen om de 'Rated RX' deluxe reissue ook live wat luister bij te zetten. Behalve “Feel Good...” kreeg het publiek ook “The Lost Art of Keeping a Secret”, “Monsters in the Parasol” en “I Think I Lost my Headache” uit dit doorbraakalbum voorgeschoteld. Nieuw werk lijkt voorlopig niet op stapel te staan, dus groeide de set dan maar uit tot een soort ‘greatest hits’ met welgemikte splinterbommetjes uit ‘Songs for the Deaf’, ‘Lullabies to Paralyze’ en ‘Era Vulgaris’. Met de blik op oneindig en schijnbaar apatisch voor de enthousiaste reacties van het samengepakte publiek zocht de druggy Homme initieel maar weinig contact met het publiek, maar toen hij net als de alerte cameraman wat wulpse meisjes in de gaten kreeg die opschriften als “Josh I want to make it wit chu” en “Queens of the Pukkelpop” op wat bordjes hadden gekrabbeld ontdooide de stoere bonk snel. Toegegeven, een testosteron uitspraak als “We’re not here to hurt each other, we’re here to fuck each other” zou in hun puriteinse thuisland misschien minder geapprecieerd worden, maar op Pukkelpop kwam de groep er wel mee weg. Eigenlijk had dit optreden best wel als afsluiter mogen fungeren op de Main Stage, maar daar staken twee plaatjesdraaiende broertjes in witte maatpakken een stokje voor...

Voor de tweede keer in drie jaar tijd mocht YEASAYER (****) zijn kamp opslaan in de Club, en dit keer kreeg het in Brooklyn, NY residerende gezelschap de eer om de tent te sluiten tegen middernacht. Op hun twee studioalbums lijkt het vijftal elk nummer vol te willen stoppen met een half dozijn aan verschillen invloeden, en het eclectische eindresultaat is dan ook niet altijd even gemakkelijk verteerbaar wanneer je als luisteraar heen en weer wordt geslingerd tussen afrobeat, psychedelica, synthpop, trip hop en Oosterse folk. Dit is muziek waar je moeite moet voor doen om de nagenoeg ongrijpbare Yeasayer vibe ten volle te beleven, maar wat de groep in de Club presteerde was ronduit fe-no-me-naal. De heren hadden er overduidelijk heel veel zin in en dat had ook het publiek al vlug begrepen. Het feit dat gitarist Anand Wilder veel meer dan vroeger uit de schaduw treedt van frontman Chris Keating en een kleine helft van de nummers als leadzanger voor zijn rekening neemt heeft zeker bijgedragen tot het meer melodieuze en ontspannen karakter van Yeasayer anno 2010. Zo schitterde Wilder een eerste keer in de nieuwe single “Madder Red”, een nummer waar invloeden uit de Oosterse volksmuziek hand in hand gaan met 80ies kitsch. De bijna hit “O.N.E.” werd opgespaard tegen het einde van de set, alsook het fenomenale “Ambling Alp”. Tegen haar gewoontes in kwam de groep nog eens terug voor de fraaie encore “Red Cave”. We trokken als ongelovige naar de Club, en kwamen daar een uur later als bekeerling terug buiten: wie zijn biecht komt uitspreken bij Yeasayer krijgt daar zelden of nooit spijt van.

Voor onze laatste stop hielden we halt aan de Shelter, oftewel het walhalla van alles wat naar punk, hardcore of metal ruikt. Het Californische punkinstituut BAD RELIGION (***) kwam in die tent haar 30ste verjaardag vieren met een bloemlezing uit hun back catalogue én een nieuwe plaat onder de arm. Als de Ramones van hun generatie zit er bijzonder weinig sleet op de beproefde formule: Greg Graffin kapt nog steeds hele bakken maatschappijkritiek uit over het publiek terwijl Epitaph labelbaas en gitarist Brett Gurewitz samen met zijn maats schijnbaar achteloos het ene melodieuze punkrock anthem na het andere uit zijn mouw schudt. En na 30 jaar heeft Bad Religion geen gebrek aan anthems; “Generator”, “Recipe for Hate”, “American Jesus”, “A Walk”, “21st Century (Digital Boy)” en “Sorrow” werden dan ook moeiteloos meegescandeerd als betrof het een nationaal zangfeest. Weinig vernieuwend maar wel oprecht: het zou zowaar de moraliserende synthese kunnen zijn van Pukkelpop 2010 twee dagen en 28 optredens later.

Tot slot nog onze hoogst onbetrouwbare top 5 van Pukkelpop 2010: 1. The National 2. The Bookhouse Boys 3. Holy Fuck 4. Yeasayer 5. Queens of The Stone Age

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

Pagina 117 van 143