logo_musiczine_nl

Democrazy Gent - events

Democrazy Gent - events Concerten Big next: Leather.Head, Rimov Rimov, Trefpunt, Gent op…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic
Hooverphonic

China Express 2009 – Sounds from the underground

Geschreven door

China Express 2009 – Sounds from the underground
2009-12-02 tem 04

China is met het hele Europalia-gebeuren nog meer dan anders hot en ook de Vooruit wou zijn duit in het zakje doen door ons nieuwe muzikale aspecten van de onbekende Aziatische reus te leren kennen met China Express.

Het programma was verdeeld over drie nachten met telkens aandacht voor weer een ander aspect van de laten we zeggen Chinese muziekwereld in de brede betekenis van het woord. Volgens het van Brian Eno afkomstige citaat dat gretig gebezigd werd om het hele gebeuren te promoten is de sfeer in Beijing anno 2009 even opwindend als in New York in 1979 en dat is toch wel een straffe uitspraak, als je nog maar een beetje thuis bent in de New Yorkse underground uit die jaren, die toch grootheden als Keith Haring, Talking Heads, Blondie en natuurlijk ook Madonna en ook nog eens een volledige blauwdruk voor wat house moest worden, heeft voortgebracht.

Het donderdagprogramma bracht een aantal muzikanten van de vele minderheden in China, meer bepaald volksmuziek uit het zuiden van China. Het programma was samengesteld door Gong Linna en was op zich interessant al was het maar door de vele kleurrijke kostuums. Het Chinese gevoel voor toon en melodie verschilt in ieder geval hemelsbreed van wat we in het Westen bekend zijn, en het is dan ook moeilijk om over dat programma zoiets als een gefundeerd oordeel te vellen, maar je bleef sowieso ergens met het gevoel zitten volksmuziek van slechts minderheden te hebben aanschouwd en niet bepaald wat leeft binnen de  beloofde ‘Chinese underground’. Wu Fei bracht daarna veel interessantere muziek die traditionele instrumenten op een originele manier gebruikt om een heel persoonlijk stijl te brengen. De tijd die haar was toebedeeld was eigenlijk te kort, iets wat misschien onvermijdelijk is en sommige van de aanwezige artiesten, zoals met name Wu Fei en Xiao He tekort deed. Het blijft een eerste kennismaking.  Ik ben dan nog een beetje sfeer gaan opsnuiven en de karaoke kort gaan aanhoren in het café beneden, maar veel toptalent viel er nu ook weer niet te bespeuren.

Vrijdag bracht als eerste Xiao He, die blijkbaar een soort enfant terrible van het Chinese artiestenmilieu is en misschien vanwege de taalbarrière een soort prettig gestoorde waanzin bracht, die moeilijk te catalogeren was. In ieder geval was het leukste moment toen hij plots in de gangen rond het podium begon te rennen en een geschreeuw ten beste gaf en daarmee wel zo ongeveer het hele publiek op zijn hand kreeg. Zijn vondsten zijn leuk, maar het blijft moeilijk om in te schatten in welke mate hij zich aan het Westerse publiek aanpast en wat hij zonder een taalbarrière zou brengen.
Het thema van vrijdag was eigenlijk ‘Encounters’, ontmoetingen dus tussen West en Oost. Heleen Van Haegenborgh en Ann Eysermans brachten een improvisatie-oefening met hun respectieve instrumenten. Eerlijk gezegd niet echt mijn cup of tea, maar het kon er mee door. Interessanter was de samenwerking tussen Lander Ghyselinck, percussionist en Li Tie Qiao, volgens de presentator de enige freejazz-muzikant in China. Zaten ze even zonder. Ze hadden ook niet de gelegenheid gehad om veel te oefenen, dus werd het het genre getrouw een improvisatie tussen twee knappe muzikanten. Van de samenwerking tussen Shenggi en Yan Yun heb ik door het late uur slechts het begin meegepikt. Het ging richting heel atmosferische astronautenmuziek, welke sfeer Yan Yun aan zijn jeugd in het kleine wereldje van het Chinese ruimtevaartprogramma, als zoon van de ontwerper van het Chinese astronautenpakje te danken heeft.

Dag drie bracht op papier misschien wel het meest interessante programma omdat de DJ’s die geprogrammeerd stonden niet de steun van de Chinese overheid leken te hebben. Subversief denk je dan, hoewel dat in de elektronica waar teksten zelden verwijzen naar politieke boodschappen misschien vaker nog in de richting van escapisme gaat. We hoorden veel verschillende stijlen, van de redelijk geschifte breakcore van iLoop, in de traditie van een geluidsterrorist als Alec Empire, tot de minimal techno van B6. Het is allemaal niet slecht gebracht en met veel overgave en enthousiasme (zeker het shirtloze moment van iLoop was leuk) maar waarin het dan afwijkt van Europese elektronica is mij niet duidelijker geworden. Dankzij de informatica kan gelijk welke whizz-kid tegenwoordig op zijn slaapkamertje in het beste geval verbazingwekkende dingen maken; dat hoor je tegenwoordig ook dat er een nieuwe generatie artiesten opstaan uit minder verwachte hoek, van Moskou tot Dubai over Buenos Aires; de netwerken doen daar veel aan, maar het bleef toch wat raar om tegen het einde van de avond Paul Kalkbrenner te horen. Absoluut niks op tegen, maar de originaliteitsfactor is niet overdreven groot.

Organisatie: Vooruit, Gent


Therapy?

Fxx Therapy rock’n’roll …

Geschreven door
Bijna twintig jaar staat het Noord-Ierse Therapy? al garant voor een feestje! Na verpletterende optredens in de AB en op Rock Zottegem, die de laatste cd ‘Crooked timber’ glans gaven, speelden ze de kers op de taart met een derde en een afsluitend optreden in een nokvolle de Zwerver in Leffinge. De muzikale wervelwind van deze dolle veertigers blijft een leuke ervaring. De tandem Cairns (zang/gitaar) – McKeegan (zang/bas) en de jongere Neil Cooper (op drums) gooiden na toppers ‘Troublegum’ en ‘Infernal love’, midden de jaren ’90, de muziekcommercie in de ring. ‘Semi-Detached’ leidde een nieuw hoofdstuk in, zei het grote publiek vaarwel en ging terug naar een ‘back to bascis’ rock’n’roll van retestrakke, energieke en bedreven drie minuten puntige, rauwe songs die ergens dwarrelden tussen ‘70’s hardrock, punk, metal en noise. De laatste worp ‘Crooked timber’ rockt en swingt tegelijk en we horen de invloeden van Killing Joke en Helmet door producer Andy Gill.

  De charismatische, lieflijke maar hyperkinetische band heeft z’n ‘make some fxx noise’ nog niet verleerd en beleeft aan elk optreden het nodige speelplezier. Het trio deed denken aan ons eigen Triggerfinger die z’n publiek verovert en vermaakt door de rechttoe-rechtaan aanpak. Ze onderscheiden zich enkel in het soleren.
Therapy? beet zich niet vast in de hitmachine van weleer, maar speelden een venijnig bruisend concert van hun opzwepend materiaal. Cairns had steeds wel een (politiek) verhaal klaar die de intense en gave rocksongs voorkauwden. Ze trokken meteen de aandacht en creëerden een broeierig sfeertje met de opbouwende “Turn”, “Isolation” en “Stories”. De gortdroge drums, de zwierige bas en het rauwe gitaarspel sierden. De onvaste vocals van Cairns hadden zo hun charme binnen hun uitgelatenheid. Het aan Pantera en Helmet gelinkte “Enjoy the struggle” was de voorbode van het nieuwe materiaal, want “Bad excuse for the daylight” en “Exiles” volgden. De bas bood een donker kantje en dreunde stevig door, het gitaarspel werd scherper en de drums heviger. Strakker klonken dan een paar andere nieuwe songs, die aan een sneltempo voorbij raasden met de titelsong van de laatste cd “Crooked timber” als closing final.
Ze vormden de Zwerver om tot hun “Church of noise” en het publiek als hun discipelen. Het nummer werd in een andere versie gebracht, minder bedreven, ruwer en met meer groove, net als “Potato Junkie”, die ons terugbracht naar hun beginperiode met de gouden zinsnede “James Joyce is fxx my sister”, die door de jaren al door vele fans werd gezongen. Ook de ‘Riverdances’ van Michael Flatley mocht eraan geloven. Een jonge gast kreeg de kans het publiek op te hitsen in dit nummer. Het werd verdomd warm in de Zwerver en het tempo werd hoog gehouden met klassesongs “Knives”, “Screamager” en “Teethgrinder”. De songs klonken ongepolijst en refereerden aan de grunge van Nirvana. Het emotievol tedere “Diane” op plaat leunde nauw aan het originele van Husker Du, namelijk hard, krachtig en gebald en beëindigde de dynamisch frisse set na een goed anderhalf uur.
Het trio had nog steeds wat adrenaline in huis en bracht nog een pittige bis met een knipoog aan The Ramones in “Opal mantra” en “Lonely cring lonely” en droeg “Die laughing” op aan Michael Jackson en lieten tot slot de hel losbreken op “Going nowhere”. Menig geduwtrek en skydiven hoorden erbij om zich ten volle over te geven in deze uitstekende songkeuze.

Therapy? bracht een overzicht van oud en nieuw en werk en slaagde erin z’n fans te entertainen met een ongecompliceerde rockshow ‘pur sang’. Allemaal iets rauwer, ruwer en ongepolijster maar met het hart op de juiste plaats. Voor niks is dit fxx Therapy rock’n’roll …

Support was Ricky Warwick die de band vergezelt op hun toer; als een bard speelde hij enkele snedige gitaarsongs, die kleur kregen door z’n Iers accent.

Organisatie: de Zwerver, Leffinge

Living Colour

Living Colour: Te weinig volk voor een bende klasbakken

Geschreven door

Einde jaren tachtig en begin jaren negentig waren wij volledig weg van baanbrekende bands als Pixies en Living Colour. Beide groepen maakten in het toen nog alternatieve circuit furore met enkele essentiële platen en verdwenen dan even snel als ze gekomen waren.
Vandaag worden we overstelpt van reünies en zowel Pixies als Living Colour zijn terug op tournee. Legt u ons nu maar eens uit waarom The Pixies Vorst Nationaal uitverkopen en Living Colour voor ocharme 200 mensen in de Vaartkapoen staat te spelen. Wij snappen er niks van.

Een jaar geleden zagen wij Living Colour al eens aan het werk in de Brusselse Botanique, toen voor iets meer volk, en eerlijkheidshalve dienen we er aan toe te voegen dat het concert van toen iets meer memorabel was. En wel hierom :
Vanavond in de Vk* speelde Living Colour in het eerste deel van de set lekker strak, hard en snedig, ondermeer met uitmuntende buffelstoten als “Ignorance is bliss”, “Go away” en “Elvis is dead”. Tot daar geen probleem dus, maar halverwege de set werd de veer gebroken met een overbodige drumsolo (dat Will Calhoun kan drummen wisten we al, hij hoefde zich helemaal niet zo uit te sloven om ons daarvan te overtuigen), waarna het toch wel een beetje te lang duurde vooraleer de heren terug goed op dreef kwamen. Met knappe uitvoeringen van loepzuivere popsongs als “Bi” en “Glamour boys” was immers al wat gas teruggenomen en daartussenin had Living Colour ook behoorlijk wat nieuw werk gebracht uit hun nieuwste ‘The chair in the doorway’. En dat is nu niet bepaald een onvergetelijk album, ook al kwamen de songs er live sterker door dan de wat kleurloze versies op het album (kleurloos, inderdaad, een beetje een pijnlijke omschrijving voor een band die zich Living Colour noemt). Het vuur bleef dus een beetje te lang weg en de boel ontplofte maar echt opnieuw met “Cult of personality”, nog steeds de beste Living Colour song, zeker live. Dit was echter al het laatste nummer, wij zaten dus tevergeefs nog te wachten op “Love rears its ugly haed” en “Nothingmen”.

Toch hebben we genoten van deze klasbakken, want dat zijn het alleszins. Bij Vernon Reid kon, met uitzondering van de laatste song, er niet echt een lachje af (slecht geslapen waarschijnlijk) maar zijn verbluffende gitaarspel bleef intact. Doug Wimbish viel op met een euh… gitaarsolo op zijn bass (dan nog midden in het publiek) en zanger Corey Glover heeft nog steeds die soulvolle stem. Er waren dus nog genoeg momenten om van te smullen en daarom begrijpen wij echt niet waarom hier zo weinig volk op af kwam.

Organisatie: Vk*, Sint-Jans Molenbeek

Wintersleep

Welcome to the night sky

Geschreven door

Danig onder de indruk zijn we toch van het Canadese Wintersleep, die al toe zijn aan hun derde cd; deze plaat laten we niet onopgemerkt aan onze neus voorbijgaan. We horen in de songs een duidelijke variatie van dromerig, ingetogen en krachtig dynamisch werk. Het zijn songs die er duidelijk staan,  van een lief, zacht naar een intens hardere, spannend bezwerende opbouw. De gitaren, piano, toetsen en Paul Murphys diepe vocals zijn de barometer van hun frisse boeiende sound.
Wintersleep barst van de potentie, ze geven hun sfeervol materiaal een stuwende wave ondergrond mee. Ze trekken meteen de aandacht met een broeierige “Drunk on Aluminium” en een snedige “Archaeologists”. De daaropvolgende “Dead letter & the infinite yes” en “Weighty ghost” klinken sfeervoller en hebben een folky tint. Maar sterk overtuigd zijn we van het opbouwende “Murder”, “Laser beams”, het langgerekte -van postrock ontdane – “Miasmel smoke & the yellow bellied freaks” en het in wave gesmoorde “Oblivion”. Wintersleep houdt het bij de Canadese scène van Arcade Fire, maar giet er een flinke scheut Editors en Interpol op!

The Temper Trap

Conditions

Geschreven door

Het uit Melbourne afkomstige The Temper Trap heeft na hun titelloze debuut EP van drie jaar terug een ijzersterk debuut uit, ‘Conditions’. In eigen land werden ze al sterk ontvangen omdat songs van de EP gebruikt werden in tv series en bioscoopfilms. De doorbraak gebeurt nu iets vlotter door het feit dat de band naar Londen verhuisde en terecht in de spotlights mag komen. We horen op hun debuut groots bezwerende, dromerige poprock, die door doordreinende, krachtige ritmes en een brok psychedelica en bombast voortgestuwd worden. Ze steken voldoende afwisseling in hun sferisch broeierige, catchy nummers. Meer dan overtuigend klinken “Rest”, Down river”, “Soldier on”, “Fools”, Science of fear” en de single “Sweet disposition”. Spil Dougy Mandagi kan hoog uithalen in z’n falsets, en stapt moeiteloos over in een meer directe, rauwe zang, zoals in “Resurrection”. Het lekker mee neuriënde “Fader” geeft dan de eenvoud weer van energieke poprock. In hun sound zijn er duidelijk referenties naar het oude U2, Glasvegas, TV On The Radio en Bloc Party. Voor de productie deden ze beroep op Jim Abbiss (die al instond voor Arctic Monkeys, Unkle, Adele en Bjork).

Soulsavers

Broken

Geschreven door
Het derde album van Soulsavers is er terug eentje om van te snoepen. Deze uit het Noorden van Engeland opererende band van Richin Machin heeft een uniek samenwerkingsproject klaargestoomd met de uit LA residerende zanger Mark Lanegan. Een samenwerking die groeide van de vorige cd ‘It’s not how far you fall, it’s the way you land’ (2007). Het duo Machin - Glover verdiende eerder z’n sporen met hun Soulsavers Soundsystem van remix werk (o.a. Beastie Boys en Starsailor) en soundscapes voor series en  films. In 2003 verscheen de eerst ‘echte’ plaat, het elektronica getinte‘Tough guys don’t dance’, met o.a. Josh Haden van het toenmalige Spain als gastvocalist.
We horen prachtsongs die de basis rock –americana - soul – jazz - gospel en triphop hebben; De spannende dreiging en de diepgrauwe, krakende stem van Lanegan en diens teksten passen ideaal in de Soulsavers outfit. Daarnaast zijn er nog een handvol bijzondere gasten: op de rauw rockende “Death bells” en “Unbalanced pieces” komen enerzijds Gibby Haines (Butthole Surfers) en anderzijds Mike Patton langs en Jason Pierce van Spiritualised neemt het orkestrale “Pharaohs chariot” voor z’n rekening. Een glansrol is weggelegd voor de Australische ontdekking Rosa Agostino, luster maar eens naar de sfeervolle “Praying ground” en “By my side”. Na Isobel Campbell scoort ze goed op de duets “You will miss me when I burn” (van Will Oldham geschreven btw!) en “Rolling sky”. “Some misunderstaing” van Gene Clark van The Byrds werd nieuw leven ingeblazen en kreeg een Crazy Horse solo mee. De twee instrumentals, “The seventh proof” en “Wise blood” grijpen terug naar de filmische soundscapes van het Soulsavers avontuur.
’Broken’ is een spannende, intens broeierige plaat die breekbaar pakkende stukken heeft en de knappe collaboratie onderstreept van het duo Machin - Glover, de band en z’n gastartiesten, met Lanegan en Agostino voorop!


The Fiery Furnaces

I’m going away

Geschreven door

The Fiery Furnaces hebben het deze keer wat eenvoudiger en iets rustiger aangepakt. Voorheen propten ze met graagte 56 ideeën in één song, hier beperkten ze zich meestal maar tot een drietal per stuk. ‘I’m going away’ klinkt dan ook een flink stuk minder nerveus dan zijn voorgangers. Een mens kan dit exemplaar makkelijk in één ruk uitzitten zonder dat ie van ’t kastje naar de muur geslingerd wordt om uiteindelijk compleet zotgedraaid of verdwaasd achter te blijven (de vorige ‘Widow city’ was om te zeggen zo een plaatje waar wij compleet hyper van werden, maar wel een kanjer van een schijf).
The Fiery Furnaces zijn na al die jaren ook al een serieus eind van de Velvet Underground verwijderd. Misschien herinnert u zich nog het prachtige debuutplaat ‘Gallowsbird Bark’ die compleet van de velvets doordrongen was, op ‘I’m going away’ is daar niets meer van te horen. De seventies zijn wel aan bod, deze keer, en dit vooral in de prettige gitaar- en orgelsolootjes van Matt Friedberger. Zusje Eleanor knoopt daar weer die frisse vocals en vreemde teksten aan met een geslaagd, zij het ietwat minder bizar, album als gevolg. Rustiger, vooral dat.
U hoeft echter nog niet te denken dat The Fiery Funaces de nieuwe Yes of -godbetert- Coldplay zijn geworden, hun songs (hier ook vrij kort volgens hun doen) zijn immers in al hun creativiteit nog steeds lekker tegendraads en eisen nog altijd de nodige moeite bij de beluistering. Wees gerust, de hitparade lonkt echt nog niet.

The Tragically Hip

The Tragically Hip: positieve balans van 26 jaar music@work

Geschreven door

Canadezen, het zijn best wel eigenzinnige jongens in het muzikale landschap van de jongste decennia. In het rijtje waar ook meestertroubadour Neil Young en meesterproducer Daniel Lanois thuishoren kan The Tragically Hip uiteraard niet ontbreken: een eigen geluid door velen gekopieerd doch nooit echt geëvenaard, het hardnekkig vastklampen aan artistieke integriteit los van commerciële belangen, en bovenal een dijk van een live reputatie. In de vroege 90ies maakte dit sympathieke vijftal zijn groepsnaam zelfs heel even helemaal waar toen ze na de release van het album ‘Fully Completely’ (’93) eensklaps tot één van de grote beloften van de arenarock werden gebombardeerd. De geschiedenis heeft ons intussen geleerd dat het (gelukkig) niet zo’n vaart is gelopen. The Tragically Hip liet in de 90ies wel nog tal van andere klassieke albums los op een hondstrouw legioen liefhebbers van pure rootsrock, maar de eerlijkheid gebiedt ons om de relevantie van Hip’s jongste platen toch te betwijfelen. Over een avondje uit met deze oerdegelijke Canadese rockers moeten we echter geen twee keer nadenken. Afgelopen zondag hield de ‘We Are The Same’ tour halt in de Brusselse AB ter promotie van Hip’s gelijknamige en inmiddels 12de studioalbum. Getuige de grijzende kopjes en versleten Hip shirts, een beleving waar menig dertiger en veertiger met een boontje voor doorleefde rootsrock zat naar uit te kijken...

The Tragically Hip live betekent eigenlijk zoveel als Gordon Downie & band. De manische frontman zoog zoals steeds alle publieksaandacht moeiteloos naar zich toe met zijn onnavolgbare mimiek, een occasioneel schaduwgevecht met de microfoonstandaard en, als rode draad van de avond, zijn talloze visuele kunstjes met een dozijn witte zakdoeken die hij één voor één vanuit de coulissen toegeworpen kreeg. En toch, ondanks Downie’s unieke performance en zijn prima musicerende maats liet de groep gedurende het eerste concertkwartier niet echt een bevlogen indruk. Er werd nochtans sterk geopend met “New Orleans Is Sinking” uit Hip’s debuutalbum ‘Up To Here’ (‘89). De ironie van de recente geschiedenis wil dat dit nummer een tijdlang werd geweerd door verschillende Amerikaanse radiostations na de doortocht van orkaan Katrina in 2005, maar op Europese bodem nooit echt uit Hip’s setlist is verdwenen. Het langdradige “The Depression Suite” en het routineus afgehaspelde “Fireworks” klonken vervolgens toch wat te gewoontjes om van een geslaagde start te spreken, en het duurde tot “Courage (For Hugh MacLennan)” en “Fully Completely” vooraleer de groep echt op kruissnelheid kwam. Spijtig genoeg kon de groep dit momentum niet vasthouden door een foute songkeuze waarbij klassieke oudjes te snel werden afgewisseld met mindere nieuwe nummers. Meteen werd duidelijk waarom het eerder dit jaar verschenen ‘We Are The Same’ als één van de minst memorabele albums uit de Hip catalogus wordt beschouwd. De groep lijkt tegenwoordig te hard zijn best te doen om andere muzikale wegen te verkennen, maar verliest daardoor een stuk identiteit. Het country niemendalletje “Morning Moon” hoort eerder thuis op een vroege Eagles plaat, en met “Coffee Girl” komt de groep zowaar gevaarlijk dicht in de buurt van een afgeborstelde hitparadesong. Nee, dan liever rauwere vintage Tragically Hip nummers als “Poets” en “Love Is A First” die de eerste set afsloten.
Zoals vooraf aangekondigd deelden Downie & co hun optreden op in twee sets van elk tien nummers. Bij aanvang van de tweede set verschenen onze Canadese vrienden op het podium enkel vergezeld van akoestische instrumenten. Het leverde een mooi kampvuurmoment op met naast “Thompson Girl” en “The Last Recluse” een doorleefde versie van “Fiddler’s Green”, het enige rustpunt op onze all-time favourite Hip plaat ‘Road Apples’ (’91). De groep plugde vervolgens de elektrische gitaren in voor een overrompelend “Gift Shop” dat eindigde in ware Crazy Horse stijl. Na ruim een kwarteeuw lijkt niet de minste sleet te zitten op de gitaartandem Bobby Baker en Paul Langlois, en ook Gord Sinclair (bas) and Johnny Fay (drums) geven menige ritmesectie vandaag nog steeds het nakijken. In de tweede set stak overigens nauwelijks een nieuw nummer, waardoor de groep heel wat beter uit de verf kwam dan tijdens de eerder matige eerste set.
Vele van Downie’s teksten mogen dan al doortrokken zijn van dramatiek en melancholie, toch is de begenadigde songschrijver niet te beroerd om als eerste sommige van zijn schrijfsels te relativeren. Volgens de boomlange Canadees had “Ahead By A Century” bij nader inzien (bijna 15 jaar na datum) immers beter “Behind By A Century” kunnen heten. Het publiek reageerde laconiek en genoot met volle teugen van deze zeldzame radiohit uit Hip’s repertoire, alsook van doorleefde versies van “Springtime In Vienna”, “Bobcaygeon” en “Nautical Disaster”. De tweede set werd afgesloten met het enthousiaste “My Music At Work” dat moeiteloos alle handen de lucht in kreeg. Downie slaagde er in om de microfoon tot bijna in het midden van de zaal door te geven, tot groot jolijt van heel wat plaatselijke zangtalenten die in verschillende toonhoogten en Amerikaans/Engelse accenten de titel van het nummer eindeloos meebrulden. De volksmenner in Downie was duidelijk in zijn opzet geslaagd en kon met een welgemeend “Thank you music lovers!” meer dan tevreden de gordijnen induiken.
Een korte bisronde werd op gang getrapt door “Family Band”, al dan niet een verdoken verwijzing naar het feit dat The Tragically Hip sinds 1983 nog steeds bestaat uit dezelfde vijf jeugdvrienden. Een begeesterend “Grace, Too”, het openingsnummer uit ‘Day For Night’ (’95), sloot met verve een ruim twee uur durend concert af en stuurde ons uiteindelijk toch met een voldaan gevoel huiswaarts.

Achteraf gezien bleek het opnemen van nieuwe nummers in de setlist zowel een verdienste als een vloek voor de groep. Fans van het recente afgelikte werk (ja, ze blijken te bestaan!) werden niet ontgoocheld, terwijl de eerste generatie Hip adepten vooral in het tweede concertdeel de vertrouwde vonken van het podium zagen spatten. The Tragically Hip blijft na drie decennia ontegensprekelijk één van Canada’s belangrijkste muzikale exportproducten, doch hopelijk evolueert hun marktaandeel niet tot Billboard’s eenheidsworst…

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Toutpartout 15 Years: uitgelezen selectie van artiesten en bands – dag 2 -

Geschreven door

Het Belgische boekingskantoor Toutpartout bestaat vijftien jaar. In die vijftien jaar bouwde spil Steven Thomassen met een handvol medewerkers zijn agency uit tot een Europese naam. Ze vierden dit samen met een uitgelezen selectie van artiesten en bands, die zich twee avonden zouden huisvesten in de verschillende zalen van de Botanique. Een mooie ontdekkingstocht. Op deze tweede avond konden we er terecht voor Phosphorescent, The Black Heart Procession, Dosh, Githead, Lightning Dust en Deer Tick. Een tweede succesvolle avond die de vijftien kaarsen op de taart in één adem uitbliezen van Toutpartout!

Deer Tick (Rotonde), een jong kwartet uit Providence, Rhode Island, intrigeerde in z’n vijfendertig minuten speelduur. Ze putten uit de ‘80’s countryrock van Green On Red, gaven er een rock’n’roll lick op en sloegen richting freakfolk in. De songs klonken intens rauw, broeierig en bedreven. De meerstemmige zang gaf kleur. Twee platen heeft het gezelschap totnutoe uit en het lijkt me naderhand interessant de cd’s te beluisteren, want met songs als “Smith hill”, “Hope is big”, “Easy” en “Straight up storm” overtuigden ze heel sterk! Tja, Toutpartout trekt niet voor niks leuke ontdekkende bandjes aan.

Lightning Dust (Orangerie) is een zijproject van de succesvolle Canadese stoner/psyche/americana band Black Mountain. Het is nu niet eens de bandleider Stephen McBean ( project: Pinkmountaintops), maar zangeres Amber Webber en drummer Joshua Wells die er achter zitten. Ze worden nog aangevuld met een ander vrouw – man duo en brengen overwegend lichtvoetige, breekbare en soms uptempo retrorockende indiepop. De piano/toets en de innemende, nasale en licht neurotische vrouwelijke zang (ergens tussen Janis Joplin en Hope Sandoval) zijn de rode loper. Hier komen geen pedaaleffects of psyche vocals aan te pas. Het gaat van de sfeervolle “Take me back” en “Antonio Jane”, naar het elektronisch neigende “I knew” en de orkestratie van “Dreamer” tot het epische opbouwende “Take it home”. Tot slot een regelrechte rockende prairie/countryfiller, “Wind me up”, toonde aan dat dit gezelschap, naast de gierende geweldpleging van Black Mountain, zich onderscheidde met slepende (rauwe) en rijkelijk gelaagde (emotioneel subtiel) songs op de plaat ‘Infinite Light’.

Colin Newman houdt af en toen eens een Wire-reünie, maar legt zich de laatste jaren vooral toe aan z’n Githead (Rotonde) project dat hij een kleine vijf jaar geleden oprichtte, samen met gitarist Robin Rimbaud, bassiste en vrouwlief Malka Spigel en drummer Max Franken, die al allemaal sporen hebben verdiend bij andere bands waaronder Minimal Compact.
Ze zijn terug op tournee om de recente derde plaat ‘Landing’ voor te stellen. En hier horen we een Githead op z’n best. Ook live werd hun arty pop gekenmerkt door een repetitief intrigerende opbouw en stomende, hitsende ritmes. We zagen een gretig spelende band, die graag een tandje bijzette. Het bevestigde de stelling alvast van vier rasmuzikanten: de tandem Rimbaud – Newman, beiden uiterst geconcentreerd op hun gitaarspel, het diepe basspel van Spigel, en Franken die de maat aangaf en vaart pompte in de songs.We werden meteen opgezogen in de verslavende werking van hun songs. Er was op die manier weinig ruimte voor hun sfeervol dromerige indie van vroeger platenwerk. De aanstekelijke, coherente instrumentale sleper “Faster” vormde het uitgangsbord voor “Drop”, “Live in your head”, “All set up” en de songs die Spigel zong, “Take off” en “Lightswimmer”. “Over the limit” refereerde het nauwst aan de gloriedagen van Wire en met een verbluffende versie van “Raining down” (ruim acht minuten) vatten ze hun hypnotiserende, bezwerende groove, rauwe intensiteit en ruwheid in een puike melodie samen. Het jonge gitaargeweld kan lessen trekken uit de verzengende livegig van Githead.

We waren duidelijk onder de indruk van deze Githead veterans, waardoor we de eclectische sound van Martin Dosh (Witloof Bar) misten …

Van een andere toonaard was The Black Heart Procession, uit San Diego (Orangerie) onder de tandem Paul Jenkins en Tobias Nathaniel. Na ruim drie jaar is het weinig vrolijke gezelschap toe aan hun zesde plaat ‘6’. Het kwintet is gegroeid uit 3 Mile Pilot ‘( in 2010 wordt de langverwachte reünieplaat verwacht!), die de basis was van het ‘Duyster’- geluid van intens pakkende, doorleefde tristesse over dood, verderf, hel, verdoemenis, zelfmoord en drugs. De songs worden bepaald door een monotoon declamerende voordracht in een ware Cave-iaanse stijl, een dreunende gevoelige pianotune, sfeervolle vioolpartijen en een zingende zaag. Ook hier grijpen binnen die sombere stemming de songs bij het nekvel en hebben ze een verslavende werking. Ondanks de zware littekens die de songs uitstralen, klinkt het geheel op de laatste plaat en live wat aantrekkelijker, breder, intenser en krachtiger. Muzikaal zijn zij duidelijk naar Cave & The Bad Seeds en Twilight Singers opgeschoven.
Ze openden met het intieme “All kind of summer” uit hun debuut, minimaal gehouden door een vervlogen piano- en vioolpartij, een zingende zaag en Jenkins’ klaaglijke zang, die even getormenteerd klinkt als Pere Ubu’s David Thomas. Met de ganse band hoorden we een bezwerend forser geluid op het ouder materiaal, “All my steps”, “Release my head”, “Square heart” en “Tropics of love”, die perfect naast de huidige slepende donkere trips staan van The Black Heart Procession als “Wasteland”, “Drugs”, “Heaven & a hell” en “Suicide”, die de subtiliteit en klankkleur niet het oog verloren. De groep kon rekenen op een ruime belangstelling en was z’n fans door de jaren erg dankbaar. We kregen nog twee songs als bis, de donkere intimiteit vs een breder rockende aanpak, waarbij “The church is red” in een rootsamericana kleedje werd gestopt!

De laatste keer dat we Matthew Houck in een full band presentatie Phosphorescent aan het werk zagen, hoorden we een rootsrockende band die de klankkleur van de ingetogen etherische platen stevig injecteerde. Houck besloot solo de tweedaagse Toutpartout happening en keerde terug naar de bron van z’n songs in een pakkend easy listening americana van ontroering, weemoed en melancholie. De dromerige ballads klonken af en toe wat krachtiger, bepaald door z’n begeesterende, bezwerende gitaarspel en z’n hemels klaaglijke zang, wat hem in de lijn bracht van Iron & Wine, Will Oldham en Jason Lyte. Hij smukte z’n ingetogen materiaal op door z’n leuke bindteksten en door de backing vocals van de Deer Tick en Lightning Dust crew (o.a. op “Los Angeles”); heerlijke trips hoorden we van “Joe Tex, these taming blues” en “Cocaine lights”, alsof hij op twee gitaren tokkelde, en een minimaal gehouden “Endless”. Uit de hymne ‘To Willie’ pikte hij o.a. “It’s not supposed to be that way”, “Reasons to quiet” (written by Merle Haggard), “Permanently lonely” en Hank Cochrans “Can I sleep in your arms”. Deze afsluiter bracht de gepaste gemoedsrust na de twee avonden …

Organisatie: Toutpartout ism Botanique, Brussel

Toutpartout 15 Years: uitgelezen selectie van artiesten en bands – dag 1 -

Geschreven door

Het Belgische boekingskantoor Toutpartout bestaat vijftien jaar. In die vijftien jaar bouwde spil Steven Thomassen met een handvol medewerkers zijn agency uit tot een Europese naam. Ze vierden dit samen met een uitgelezen selectie van artiesten en bands, die zich twee avonden zouden huisvesten in de verschillende zalen van de Botanique. Een mooie ontdekkingstocht. In dat concept moet je natuurlijk keuzes maken om hen aan het werk te zien.
Op dag 1 had men South San Gabriel (feat. Will Johnson), Shit & Shine, Hank & Lily, Tony Dekker, Krakow, Scout Niblett, Joe Gideon & The Shark en Micah P.Hinson geprogrammeerd. Toutpartout kon deze eerste dag rekenen op een sterke belangstelling. Door ziekte van Jason Molina (Songs: Ohia/ Magnolia Electric Co) kwam de ganse crew van Will Johnson, South San Gabriel langs en werden Cave Singers (ook ziekte van één van de leden) vervangen door het Belgisch beloftevolle Krakow.

De Amerikaanse songwriter Micah P. Hinson (Rotonde) gaf de aftrap. Hij benaderde de donkere kantjes van de americana scene. Hij heeft dan ook veel te vertellen want hij heeft al een getormenteerd leven achter de rug. Muzikaal brengt hij z’n ervaringen in bezwerende luistersongs op akoestische gitaar gedragen door z’n bedwelmende, emotievolle vocals, wat hem nauw verwant maakt met Dylan en Drake en de songwriters van Wilco en Lambchop. In die vijfenveertig minuten fascineerde hij met enkele bloedstollende songs, die een spaarzame begeleiding meekregen. Maar hij kon ook krachtiger klinken zowel op z’n gitaar als met z’n stem. Hij stipte even het werk van z’n eerder drie verschenen cd’s aan, maar legde vooral de klemtoon op de recente cd ‘All dressed up & smelling of strangers’, die uit een handvol overtuigende covers van z’n muzikale helden bestond, waaronder “Are you lonesome tonite” (Elvis Presley) - opener van de set-, verder “Not forever now” (van Centro-matic, die andere band van Will Johnson), “Slow & steady” –van de eerder onbekende Pedro the lion -, en tot slot “This old guitar” van John Denver, de song die z’n vader en hem na jaren ruziemaken opnieuw samenbracht. We hoorden nog enkele parels, een innemende “Digging a grave” en een hymne aan één z’n allerbeste vrienden, een zekere Michael Gilmore die hij in 2007 verloor. Hinson houdt van de zaal, hij had hier al een paar keer gespeeld en droeg z’n publiek een warm hart toe, wat wederzijds was. Al meteen een schot in de roos voor de Toutpartout crew.

Het broer-zus duo Joe Gideon & The Shark (Orangerie) schuimde de festivalzomer af; ze brachten een broeierige spanning in hun rauw rockend materiaal. Zij, ‘Viva Seifert’, ‘the Shark’, deed dat op haar drumstel en haalde tussendoor een klanktapijt uit haar keys en xylo, hij ‘Joe Seifert’, ‘de Gideon’, switchte van gitaar en bas, creëerde een spaarzaam zompig geluid en dompelde de songs onder in een grauw galmende zegzang. Hun americana/garageblues had raakvlakken met de vertelkunst van Cave, Waits en Reed tot zelfs een Marianne Faithfull. Ze trokken de aandacht door een persiflage op de ‘80’s iconen Eurythmics. De rauwe intensiteit van de songs had bijna steeds een rustige, voortkabbelende aanzet, zoals op “Miss Kathy Ray”, “Anything you love that much will see you” en de titelsong van hun cd; de ‘Harum Scarum’ nummers vormden hierdoor een filmische soundtrack. Op het eind vervoegde een derde persoon de drums, wat het geheel hitsender maakte.

De Engelse singer/songschrijfster Scout (Emma Louise) Niblett (Rotonde), leek wel een weekendje vrijaf te hebben gekregen in de kostschool. Ze stond daar op het podium met haar blauw kostuumpje met witte knopen, rode kousen en opvallende schoentjes, bijna de voeten tegen elkaar. Een bedeesd meisje, een stil watertje op elektrische gitaar, zo leek het…, maar dan had je buiten de waard gerekend dat deze dame van 35 jaar al een handvol platen uitheeft binnen de indiefolk/americana, en we fronsten even de wenkbrauwen toen ze de gitaar inplugde en begon te zingen . Ze beet sterk van zich af met haar spannend dreigende sound, dissonante riffs en lieflijk getokkel, gedragen door haar indringende, hese soms hoog uithalende stem. Moeiteloos stapte ze over van een ingetogen naar een strakkere, fellere lijn. Ze intrigeerde en bezorgde ons kippenvel door de intrinsieke schoonheid van hartverscheurende ervaringen, eenzaamheid en fatalisme die in de songs schuilde. Polly Harvey meets Liz Phair/Cat Power meets de jongere generatie Soap & Skin en Jolie Holland. In de venijnige set werd op het eind de pedaaleffects stevig ingedrukt; binnen haar muzikale zwerftocht was er één keer een ‘dust in the wind’ moment, toen ze een song op de drums mepte.

De Canadese songwriter Tony Dekker (Orangerie) bood met één van z’n Great Lake Swimmers leden, Erik Arnesen, een mooi overzicht van hun oeuvre. Dekker plukte uit elke cd wel iets en slaagde erin ons hart te veroveren met z’n weemoedige, sfeervolle, melodieuze breekbare americana, geënt op het intieme akoestische gitaarspel, -getokkel en de mandoline, en gedragen door z’n licht klaaglijke zang. In het melancholische recept droomden we zomaar weg, mijmerden we, zagen bij valavond de kust voor ogen en hoorden vanuit een hut het geluid van het klotsende water. Ondanks de meer luchtige aanpak op het recente ‘Lost channels’ bracht Dekker de verstilde pracht van z’n songs. Er waren pakkende versies van “Still”, “Concrete heart” en “Stealing tomorrow” uit de laatste plaat en verder klonken “Moving pictures, silent films” en “Let’s trade skins” groots. Het stemde Dekker gelukkig dat het oude materiaal terug makkelijker verkrijgbaar was, om op die manier mans kwetsbare muziek te leren kennen …

We werden uit onze droomwereld getrokken toen Shit & Shine (Rotonde) aan hun set begon. Ze speelden een loeiharde, bezwerende drone/noisetrip van ontspoorde, vervormde en overstuurde synths en opzwepende drums. Twee drumstellen stonden er deze keer opgesteld. Vorig jaar was het nog anders toen een zestal drummers in de set betrokken raakten. Het draaide ‘em rond noise en ritmiek; doel was het publiek in een soort trance te brengen met die repetitief, voortdeinende sounds. De elektronica en drums stuwden de sound naar een hoger niveau. Ze maakten het ons alvast iets draaglijker door er wat show aan te koppelen. Buiten de drummer waren 2 bandleden verkleed in een soort bunnypak en kwam een derde uit een NYC politiereeks. Het hoorde er allemaal bij om hun loodzware sound te ondergaan. Het was geen hapklare brok wat het vaste duo Clouse en McKayhan ons voorschotelde. Van deze livesensatie waren de meningen verdeeld …

Intussen moesten we de optredens van Krakow en de Hank & Lily show missen, die we eerder al aan het werk zagen; Krakow overtuigde met hun bloedmooie sound van countryrock/slowcore en de theatergig van Hank & Lily, bood een weirde sound van country/garagerockabilly, wat hen een beetje in de voetsporen bracht van Bob Log III.

Tot slot kwam South San Gabriel (Orangerie) opdagen, het tweelingbroertje van Centro-matic (vaste bandleden voor beide bands, naast spil Will Johnson). Door de afwezigheid van Jason Molina konden we dus optimaal gaan voor het sfeervol, intimistisch, weemoedig materiaal van rustige broer South San Gabriel. Muzikaal refereren ze aan de dromerige americana van Crosby, Still, Nash & Young en worden ze in één adem opgenoemd met The Jayhawks, Sparklehorse, Wilco, Lambchop, Bonnie ‘Prince’ Billy en Ryan Adams. We hoorden gevoelige steelpedal, subtiele piano- en orgelpartijen, een voorzichtige percussie en Johnsons breekbare gitaarspel, dito -slides, gedragen door z’n warme, intieme stem. Een muzikale bloemlezing waarbij de groep nogal sterk teruggreep naar hun doorbraak in 2003, ‘Welcome, Convalescene’ met songs als “Smelling medicinal”, “Everglades” en “Saint- Augustine”. Bloedmooie songs die door hun ingetogen karakter gemoedsrust uitstraalden. We hoorden recenter werk met “Feel too young to die” en uit de laatste plaat ‘Dual hawks’ speelden ze “Emma Jane” en “Alabama crusade”. Hoogtepunt vormde een broeierige slow motion version van Lionel Ritchie’s “All night long”. Inderdaad, hun muziek luidde de nacht in. Een overtuigende en terechte afsluiter van een eerste avond Toutpartout. Ook hier uitte Johnson z’n appreciatie voor het warme onthaal en de 15 jaar Toutpartout …

Organisatie: Toutpartout ism Botanique, Brussel

Pagina 851 van 963