AB, Brussel programmatie + infootjes

AB, Brussel programmatie + infootjes Concerten 01-04-26 – Kofi Stone 01-04-26 – Klaas Delrue 50 01-04-26 - Nightlab 03-04 t-m 06-04-26 – BRDCST 2026 – jaarlijkse hoogmis voor muzikale avonturiers (curatoren: Keeley Forsyth, Ichiko Aoba, Stephen O’Malley)…

logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Stereolab
Kreator - 25/03...

Loney, dear

Loney, noir

Geschreven door

Het platenmateriaal van het Zweedse Loney, dear is er eentje om te koesteren;  de band rond het duo Emil Svanängen en Jens Lekman wordt ferm onderschat, want ze hebben de kunst om vakkundig en kwalitatief subtiele songs uit te schrijven: ontroerende, dromerige melancholische, tedere pop met een gevoelig breekbare ondertoon. Het is aangenaam genieten van hun tien songs die bepaald worden door een semi-akoestisch gitaarspel, sprankelende toetsen, lichte elektronica en zalvende, opzwepende percussie, gedragen door een prachtige, warme samenzang. “ I am John”, “No one can win”,”I will call you lover again” en “Carrying a stone” zijn wonderschoon.
De groep ligt in de lijn van Belle & Sebastian, Arcade Fire en refereert aan de ‘60’s pop van The Beach Boys.
Een goed bewaard muzikaal geheim.

Tapes ’n Tapes

Walk it off

Geschreven door

Het Amerikaanse Tapes ’n Tapes uit Minneapolis debuteerde twee jaar terug met ‘The loon’. Ze werden binnen het hokje van de postpunk geplaatst met hun frisse, springerige sound; door de intrigerende elektronicapartijen kwam wat meer psychedelica om de hoek kijken. En terecht kwam ook de referentie aan Pavement.
De tweede plaat is breder van opzet. Producer was Dave Fridmann (Mercury Rev, Flaming Lips, Low, Mogwai). Het geheel klinkt aanstekelijk en broeierig en is minder direct en rauw. ‘Walk it off’ is een weerbarstig afwisselend plaatje geworden, die niet inboet aan de speelse, dwarrelende sounds van het kwartet; er zijn de sfeervol dromerige “Time of songs” en “Conquest”, de poppy songs “Le ruse” en “Say back something”, de rammelende strakke “Headshock” en “Blunt”, het funky gekruide “Hang them all”, het grillige “Demon apple” en tenslotte besluiten ze en verve met de intens opbouwende “Lines” en “The dirty dirty”.

Hollenthon

Opus Magnum

Geschreven door

Nadat Pungent Stench de handdoek in de ring wierp, hadden Martin Schirenc (gitaar, vocals)  en Gregor Marboe (bass, vocals) ruim de tijd het project rond Hollenthon nieuw leven in te roepen. Nadat dit nieuws mijn oor bereikte keek ik maandenlang uit naar het nieuwe werk. Eindelijk is het zover, met ‘Opus Magnum’ serveren de Oostenrijkers hun derde langspeler.

Om het in 2001 uitgebrachte ‘With Vilest of Worms to Dwell’ te overtreffen zouden deze heren al heel wat moeite moeten doen. Dit album kenmerkte zich namelijk door stevige Black Metal geniaal ondersteund door bombastische en epische passages die de muziek op sublieme wijze ondersteunden. ‘Opus Magnum’ baseert zich nog steeds op beide componenten, maar de balans tussen deze componenten is minder evenwichtig verdeeld.
De theatrale passages werden wat meer naar de achtergrond gedrukt en begeleiden de duistere Metal meer, dan dat ze erin verweven zijn. In vergelijking met ‘With Vilest of Worms to Dwell’ klinkt het dan ook minder als één geheel. Wat niet wil zeggen dat dit album ontgoocheld, integendeel. Waar het vorige album het moest hebben van de bombastische hoogstandjes en de sublieme composities, ligt de sterkte van dit album in de bij momenten snedige Dark Metal, die op zich minder nood heeft aan epische ondersteuning. Wie net deze bombastische passages wist te appreciëren, hoeft echter niet te vrezen. Ze komen nog steeds uitgebreid aan bod, maar zijn een minder constante factor in het geheel.
Met openingstrack “On the Wings of a Dove” bijvoorbeeld opent men het album krachtig met Thrash/Black-achtige riffs. Deze stevige riffs worden op cruciale punten voorzien van extra orkestrale ondersteuning en lage opera-achtige zangpartijen, die de zware vocalen afwisselen. Naar het midden van het nummer toe doet het koor voor het eerst zijn intrede, om de rest van het nummer verder te begeleiden. “To Fabled Lands” begint daarentegen met een slepend gitaarspel, aanleunend bij het doom-genre. Geleidelijk aan wordt het tempo opgedreven en worden de vocalen grimmiger. De paterkoren op de achtergrond brengen echter rust in het geheel, waardoor het nummer aangenaam wegluistert.
In “Sons of Perdition” blijven de epische arrangementen voor het eerst voor een lange tijd tot een minimum herleid, ondanks de orkestrale intro. Met een vrij herkenbaar refrein en de rustig wegkabbelende, maar toch krachtig klinkende riffs en melodielijnen groeit dit nummer ondanks zijn eenvoud toch uit tot één van de hoogtepunten van dit album. Het erop volgende “Ars Moriendi” sluit dan weer beter aan bij ‘With Vilest of Worms to Dwell’. Krachtig, bombastisch, operagezangen op de achtergrond, krachtige riffs, donkere gezangen, … Alle elementen voor een waren Hollenthon klassieker komen hierin aan bod en vormen een tweede hoogtepunt en tevens een mooie aanleiding naar het erop volgende nummer, door het bij momenten groovende ritme dat zich verder zet in “Once We Were Kings”.
Na een Oosters georiënteerde intro gaat het nummer “Once We Were Kings” stevig van start. Persoonlijk vormt dit nummer voor mij het absolute hoogtepunt van het album. Thrash-achtige riffs worden afgewisseld met het slepende refrein, waarbij je al snel gaat meebrullen. Of het nu het woord “Kings” is of de manier waarop het nummer gespeeld wordt, geraak ik niet aan uit, maar het doet mij in ieder geval sterk denken aan het nummer “King” van Satyricon.
Het album wordt nog puik afgerond met krakers als “Of Splendid Worlds” waar muzikaal heel wat geboden wordt, inclusief een niet onaardige gitaarsolo. Het snellere “Dying Embers” met zijn akoestische intro en melodische intermezzo. De acht minuten durende afsluiter “Misterium Babel” haalt opnieuw de Oosterse sfeer boven om vervolgens heel rustig en sfeervol na een tweetal minuten opnieuw in de duistere en dreigende ondertoon te vervallen. Door het afwisselen van de dreigende en bij momenten snelle en stevige riffs, blijft het nummer, net als het volledige album steeds boeiend om naar te luisteren.

Hoewel de Epische elementen minder nadrukkelijk aanwezig zijn, vertegenwoordigen ze nog steeds het kenmerkende geluid van Hollenthon. De Oostenrijkse band klinkt op dit album duisterder dan van tevoren, maar weet ook op deze manier te overtuigen! Originaliteit loont en dat heeft men ook met dit album bewezen!

One Night Only

Started A Fire

Geschreven door

‘Started A Fire’ is het debuutalbum van de Indie pop-rockers One Night Only. De band ontstond in 2003 en heeft als huidige verblijfplaats het Engelse Helmsley. De band was aanvankelijk een coverband die vooral songs coverden van pretpunkbandjes zoals Blink 182. “Just For Tonight”, de tweede single uit dit debuut overtrof alle verwachtingen en werd een grote hit in hun thuisland. De single haalde een bewonderswaardige negende plaats in de UK Singles Top en ook het album haalde ondertussen dezelfde hoogste regionen.
De openingstrack “Just For Tonight” is echter de sterkste song van de plaat. Een bijzonder sterke, gedreven hymne met een aanstekelijk radiovriendelijk refrein. Tekstueel misschien wel de meest simplistische song maar wel de ideale kamp-verzameltune! Daarna daalt het niveau opmerkelijk en stellen een aantal songs serieus teleur. Doch af en toe blijft het wel leuk en probeert men met degelijke melodieën en de klasse van zanger George Craig te imponeren. Dit is gewoon leuke pop, niets meer…niets minder. Verwacht geen felle gitaargevechten, want de sound van One Night Only leunt dichter aan bij bands zoals Keane, The Kooks en Air Traffic.
Verder is het vrij opmerkelijk dat U2 producer Steve Lillywhite de plaat mocht produceren; al toverde hij hun groot opgezette stadiumsound om tot een veilige, banale luisterervaring. De jongens hebben ambitie en als debuutalbum is dit absoluut geen slecht plaatje én de tienermeisjes zullen zich moeiteloos met deze band kunnen identificeren maar voor mij is dit slechts een aardig tussendoortje.

…And You Know Us By The Trail Of Dead

Full Force Windkracht 10! And You Will Know Us By The Trail Of Dead

Geschreven door

Het gezelschap uit Texas …Trail Of Dead bracht vorig jaar hun vijfde cd uit ‘So divided’ en onderneemt ter promo van de cd een heuse tournee, waaronder in de VK. De band kwam een achttal jaar terug in de belangstelling met platen als ‘Madonna’ en ‘Source Tags & Codes’, waaruit ze live nog steeds rijkelijk putten.
Het zestal onderscheidt zich met een verwoestend geheel van snedige, krachtige, compacte gitaarrock, symfo, psychedelica, orkestraties en bombast, wat door de dubbele percussie en repeterende toetsen wordt opgezweept en avontuurlijk klinkt door de abrupte overgangen en ritmewisselingen.

Live was er sprake van een overweldigende sound: fel, hard, verbeten stukken, die af en toe werden afgewisseld met enkele ingehouden, zachte, sfeervolle stukken . Van catchy melodieën, orkestraties en bombast was er geen sprake! Rauw, teder en beheerst gingen ze te werk; en behielden een intense spanning. Een paar leden wisselden probleemloos van instrument. Een mistige zang zweefde over de gebalde sound. Hun keuze viel op songs als “Relative ways”, “Stand in silence” en “Caterwaul”. Of ze lieten songs in elkaar overgaan als “Will you smile again” en “Another morning stoner”.
Het publiek werd volledig opgeslorpt door die muzikale leefwereld van Trail Of Dead.
Apotheose was een uitgesponnen “Totally natural”: repetitief opbouwend en broeierig; door de diverse tempowisselingen klonk de song krachtig, fors en subtiel, waarbij de 2 percussionisten hun drums pijnigden. De eerste rijen kregen zelfs een paar cimbalen. In de bis overtuigden ze met “Mistakes & regrets”.

…Trail Of Dead speelde een boeiend, intrigerend concert van felle windstoten. Windkracht 10 noteerden we.

De supports The Amber Light uit Duitsland bracht een goed half uur goed gekruide, stevige gitaarrock en het uit San Francisco afkomstige Bellavista liet zich beïnvloeden door ‘80’s Echo & The Bunnymen en ‘90’s Pale Saints en Stone Roses. Gitaarwerk met een zweverig randje!

Organisatie: VK, Sint-Jans Molenbeek

The Whitest Boy Alive

The Whitest Boy Alive: zó onhip dat het toch weer hip wordt

Geschreven door

De Noor Erlend Æye wordt nog steeds (te) vaak in één adem genoemd met de zogenaamde New Acoustic Mouvement, een muziekstroom die in 1999 in het leven geroepen werd door de Britse pers nadat binnen de muziekwereld een verhoogde belangstelling voor de akoestische gitaar werd vastgesteld en bepaalde groepen succes oogsten door in hoofdzaak gebruik te maken van dit instrumentarium. Eén van die bands was onder meer Kings Of Convenience, een samenwerking tussen Erlend en zijn landgenoot Erik Glambek Bøe. Met albums als ‘Quiet Is The New Loud’ en ‘Riot On An Empty Street’ konden ook zij een breder publiek bekoren, mede wellicht ook door de verschijning van Erlend Æye zelf (die altijd te grote brilmonturen!).

Of deze hem ook letterlijk een bredere kijk op de wereld verschaften, laten we in het midden maar in ieder geval begon Erlend ook nieuwe horizonten te verkennen en distantieerde hij zich meer en meer van het genre waar hij bekend mee geworden was. Zo ging hij als dj aan de slag, maakte een ambient, elektrogetint soloalbum, stelde  een verzamel-cd in de befaamde DJ Kicks reeks samen, verleende zijn medewerking aan nummers van andere artiesten uit de elektronicawereld, waaronder “Poor Leno” van Röyksopp, en richtte hij vanuit Berlijn samen met b
assist Marcin Öz, drummer Sebastian Maschat en keyboardspeler Daniel Nentwig de groep The Whitest Boy Alive op. En het was met deze formatie dat Erlend Æye afgelopen vrijdag op de planken van de Handelsbeurs stond.

Als voorafje kregen we het Zweedse
Slagsmålsklubben (een vertaling van de filmtitel ‘Fight Club’) geserveerd. Deze groep kwam eind 2000 tot stand in Norrköping en hoewel voortvloeiend uit de progressieve rock groep ‘The Solbrillers’, heeft de muziek die ze brengen met dit genre geen enkele uitstaans meer. Integendeel, zelfs. Ze maken integraal gebruik van  oude 8-bit (spel)computers en mocht je pakweg Trans-X, The Moog Cookbook en Apparat Organ Quartet samen in een shaker voegen, dan zou het resultaat aardig in de buurt komen van de klanken die het Zweedse zestal uit hun arsenaal van instrumenten halen.
Het concert in de Handelsbeurs was meteen ook hun eerste op Belgische bodem. Dat dit echter niet zonder problemen zou verlopen, werd al meteen duidelijk toen de groep door fileperikelen later dan voorzien in Gent arriveerde en de set ingekort diende te worden. Maar dit euvel belette niet om op basis van slechts vijf nummer meteen het aanwezige publiek in te pakken en hen aan het dansen te krijgen. Op de tonen van de weliswaar vaak érg foute maar zo aanstekelijke nummers als onder meer “Hänt” en “Sponsored By Destiny” (beiden uit hun vorig jaar verschenen album ‘Boss For Leader’) leefde het publiek zich uit, terwijl ondertussen het jonge vijftal (waar het zesde groepslid gebleven was, is ons een raadsel) opgesteld achter hun, op enkele tafels geplaatste elektronische apparatuur druk in de weer was om aan de knoppen te draaien, flesjes bier te ontkurken en snoepgoed het publiek in te slingeren. Veel te vroeg naar de zin van het publiek en van de groep zelf, werd een einde gemaakt aan de miniparty om plaats te maken voor hun Noorse collega Erlend Øye en zijn groep The Whitest Boy Alive. Wat ons betreft, mogen zij hun oefening deze zomer nog eens komen overdoen op een zomerfestival. Programmeer deze in de Dance Hall of in de Boiler van Pukkelpop en pret en dansplezier gegarandeerd!

De vraag was of The Whitest Boy Alive het dansfeestje verder zou zetten of zich toch eerder zou houden aan de typerende stijl van hun enige album tot nu toe (‘Dreams’ uit 2006), zijnde een warme, vaak ingetogen sound met een mix van rock, pop en subtiele elektronica.

Snel werd duidelijk dat qua tempo de set opbouwend was samengesteld. Het concert begon namelijk rustig door middel van enkele nieuwe nummers afgewisseld met reeds bekend werk als “Golden Case”. The Whitest Boy Alive gaf daarbij impliciet mee dat de nummers van het later dit jaar te verschijnen tweede album, qua groepsgeluid in het verlengde zullen liggen van het debuut, getuige onder meer “Gravity” en “Intentions”.
Telkens zweefde de zo typerende zachte, melancholisch aandoende stem van Erlend Øye mooi over de afgemeten muzikale begeleiding van de Fender Rhodes en de Crumar synthesizer bespeeld door Daniel Nentwig, de sobere basgeluiden van Marcin Öz en het geconcentreerde drumwerk van Sebastian Maschat.
Pas met “Fireworks” werd er wat meer vaart in de set gestoken en dit op uitdrukkelijke vraag van Erlend zelf die het idee had dat zij nog nooit zoveel rustige nummers na elkaar hadden gespeeld. Meteen de aanleiding voor de zanger/gitarist om aan te tonen dat hij niet de nerd is waar velen hem voor aanzien en om zijn verborgen entertainerkwaliteiten ten toon te spreiden. Erlend zweepte het publiek op, vroeg aan de lichtman de zaal in duisternis te hullen en dreef aldus de spanning op. Ook Daniel Nentwig liet zich niet onbetuigd en kantelde zijn Crumar synthesizer richting publiek om het nummer aldus van een spetterend einde te voorzien. Na “Above You” begon hij zelfs wat te tafeltennissen en te frisbeeën.
Meteen de start van een gedaantewisseling van de groep want het publiek kreeg een pompende cover van “Show Me Love” (Robin S) dat vakkundig verweven werd met “Gypsy Woman (She’s Homeless)” (Crystal Waters). Over de geslaagdheid ervan kan getwijfeld worden (de stem van Erlend kwam wat zwakjes over om weerstand te bieden tegen de drumpartij en de beats) maar de impact op het aanwezige publiek was treffend. Onder luid applaus en gejuich werd er al snel massaal een dansje geplaatst, zeker toen de publiekslieveling, het onvermijdelijke “Burning”, niet alleen op plaat maar ook live het meest swingende eigen nummer, werd ingezet.
Als toegift kregen we uiteindelijk nog een mooi, vertederende “Don’t Give Up” waarbij een duozang met bassist Marcin Öz werd aangegaan, terwijl een cover van “Music Sounds Better With You” (Stardust) en een stukje “Move Your Body” (Marshall Jefferson) de definitieve afsluiters van dienst waren. Daarbij werden nog eens alle remmen los gegooid zowel op (Erlend bespeelde - wijselijk zonder zijn reusachtige bril - de cimbalen met zijn voorhoofd) als voor het podium. Enkele meisjes begaven zich almaar dichter richting de groep in een ultiem verlangen de aandacht te trekken van Erlend. Dit was ook hem niet ontgaan en hij trok resoluut een jonge deerne het podium op om zich met haar aan een dansje te wagen. Het gaf meteen aanleiding tot hilarische taferelen, zeker omdat de stijl die Erlend daarbij via zijn molenwiekende armen aan de dag legde, letterlijk en figuurlijk alle kanten uitging. Het wérkte want het publiek ging nog meer door het lint en trakteerde de groep op een uitbundig applaus.
Meteen bleek ook dat het ietwat sullige voorkomen van Erlend Øye slechts een façade is en geheel niet strookt met zijn geaardheid. Hij weet verdomd goed hoe hij de fans voor zich moet winnen en welk effect hij heeft op vrouwelijk schoon.
En om het bij het muzikale te houden, ook de nummers van The Whitest Boy Alive klinken op het eerste gehoor misschien wat eenvoudig en onsensationeel maar verraderlijk als ze zijn, blijven ze toch snel hangen en onbewust gaat men er gedwee bij neuriën. Dit was nu niet anders. Ook al vonden we hun passage op Pukkelpop vorig jaar straffer en strakker, afgelopen vrijdag was het opnieuw genieten geblazen.

De groepsleden bleken achteraf zelf niet onverdeeld positief te zijn over hun prestatie. Eén geldig excuus konden ze alleszins inroepen. Een drietal weken geleden brak Erlend Øye namelijk zijn arm en kreeg hij doktersverbod om een instrument te bespelen. Het was dus überhaupt een prestatie dat The Whitest Boy Alive een leuk concert kon geven, laat staan dat de tournee wordt afgewerkt.
De avond nadien, 17 mei, trad de groep op in de Muziekodroom te Hasselt en op 17 juli zijn ze ook nog  te zien en te horen op het Dour Festival.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Loney, dear

Les Nuits Bota 2008: Loney, dear, Kris Dane en Elvy

Geschreven door

Een te koesteren muzikaal geheim is het Zweedse Loney, dear, onder Emil Svanängen en Jens Lekman. Stijl: melancholische, dromerige, sfeervolle romantische indiepop met een gevoelig breekbare ondertoon. Loney, dear herbergt de ‘60’s pop van The Beach Boys, Belle & Sebastian, Arcade Fire en Sufjan Stevens. Ontroerend, teder, aangenaam en ontstressend!
Twee platen hebben ze tot nu toe uit; ze braken door vorig jaar met ‘Loney: noir’, maar in 2004 verscheen al ‘Sologne’.

Loney, dear komt maar al te graag afgezakt naar de Bota. Vorig jaar tijdens Les Nuits Bota hadden ze er een mooie herinnering aan. Hun toffe indruk was de drijfveer. Live verschenen ze als kwintet
Het vriendelijke, enthousiaste gezelschap hield het publiek een kleine twee uur lang in hun greep. Ze speelden een overtuigend, subtiel verfijnd concert, waarbij we langzaam konden wegdromen, aangenaam genieten en heupwiegen; de frisse, sprankelende toetsen, de lichte elektronicabombast, de zalvende, opzwepende percussie en de prachtige samenzang boden kwalitatieve schoonheid van de opbouwende, aanzwellende songs.
Ze putten rijkelijk uit de recentste plaat en lieten nummers vakkundig in elkaar overgaan als “No one can win” en “I will call you lover again”; we hoorden gejaagde, krachtiger versies van I am John” en “Hard days”, hun favoriet. “Sinister in a state of hope”, “Take it back”, “Saturday waits” en “The meters marks ok” klonken intiem, teder en waren de  kippenvelmomenten van de set.
Ze trakteerden op een uitgebreide bis en klonken steviger, zonder dat de fijne, subtiele melodielijn en de gevoelige snaar verloren gingen. “Carrying a stone” was een in te lijsten song en een schitterende apotheose.
De band werd op handen gedragen. Een terechte waardering trouwens.

Lionel Vanhaute, als Elvy, uit Namen, opende de sfeervolle avond. Hij brengt in september z’n eerste cd uit en zal met hulp van leden van Flexo Lyndo op tournee trekken.
Songs ontdaan van enige franjes en enkel bepaald door een akoestische gitaar, lappen tekst en een warme zang, zorgden voor een ingetogen tof concertje. Hij voegde er nog een nummer van Lauryn Hill aan toe en deed denken aan Jose Gonzales.

Kris Dane & The Bannes putten uit heel wat grootse artiesten van de vaudeville als Waits, Gallon Drunk en Wovenhand. Ze linken het moeiteloos aan Admiral Freebee, Cave, Lloyd Cole en een jonge Cash en Dylan. De band brengt broeierige, doorleefde en zompige rootsrock en americana, onder Dane’s doorleefde stem. De songs hadden een intense spanning en avontuur.
Een band die heel wat in petto had en uitstraling had door sfeerscheppingen. In de laatste songs, “To the belfry”, “Private Lee” en “The damage done” hoorden we een uniek geheel van een grauwe Cold War Kids meets The Waterboys.
Ze gaan een mooie toekomst tegemoet. Na de cd ‘Songs of crime & passion’ verschijnt binnenkort ‘Rise down of the black stallion’. We zijn gewaarschuwd!

Organisatie: Botanique, Brussel ikv Les Nuits Bota 2008

CocoRosie

Les Nuits Bota 2008: Cocorosie & Mons Orchestra en Quinn Walker

Geschreven door

Welkom in de wondere, muzikale magische sprookjes-/droomwereld van het kunstminnende en cabaresque CocoRosie, uit New York, onder de zusjes Casady; het is en blijft iets uniek om te zien en te horen. Ze brengen een kleurenpalet van knusse, iets-niet-van-deze-wereld muziek. Hun freefolk/elektronica zette alvast een heuse beweging op gang met artiesten als Devandra Banhart, Antony (& The Johnsons), Psapp, Tunng, Yeasayer, Bunny Rabbit en de huidige support Quinn Walker.

CocoRosie ging in zee met het orkest van het Belgische Mons Orchestra; een gewaagde onderneming, waarbij de zalvende inbreng van strijkers, blazers, allerhande fluiten en trom/percussie een breder geluid gaven en het origineel avontuurlijke geluid van schrapende elektronica, piano, harp en beatbox, naast de twee aparte stemmen van de zusjes, ondersteunden. Het refereerde aan wat Ryan Adams en Sigur Ros (met Amina) al hebben uitgevoerd.
En toch, na het concert zat ik met het gevoel dat het Mons Orchestra er niet sterk genoeg uitkwam, door het feit dat ze dikwijls (bewust of niet) in een ondergeschikte rol werden geduwd en CocoRosie eenvoudigweg CocoRosie bleef.
Op die klankenwereld toonden ze kleurrijke projecties, familieportretten en zwart-wit fragmenten uit de jaren ’30 films.
Het Mons Orchestra leidde “Bloody twins” in, vocaal gedragen door de klassiek geschoolde operastem van Sierra. Bianca op haar beurt schitterende met haar rauwe, kreunende zegzang op “Beautiful boyz”.
De stemcontrasten van de zusjes, het beatboxen van Tez (= raps, grooves en scratches) hadden meteen een glansrol op “Good friday”, “K-Hole” en “Promise”. Toen Tez af en toe vaart bracht en kracht bijzette, werd hij de lieveling. Het publiek reageerde laaiend enthousiast! Hij tilde de songs, al of niet orkestraal begeleid, naar een hoger niveau, zoals het smachtende “Turn me on”. Iedereen was sterk onder de indruk toen hij een kleine vijf minuten solo zijn ding uitvoerde.
Als band trad CocoRosie in het midden van de set op het voorplan met vernuftig in elkaar verweven versies van “Black poppies”, “Werewolf”, “Animals” en “Rainbowwarriors”. Het Mons Orchestra trad vakkundig bij. Op het dromerige “God has a voice” nam de percussie van het ensemble een prominente rol in. Het nieuwe “Happy eyes” was er eentje met hitpotentie en was de aanzet naar het groovy, dansbare “Japan”, de frisse, speelse song bij uitstek met ‘Wizard Of Oz’/ Familie Trapp’ wortels; samen met de andere artiesten, bouwde CocoRosie een feestje. Sierra, in een vroeger verleden cabaretdanseres, dartelde als een jong veulen en voerde een soort regendans uit op het podium; de vaste afsluiter na anderhalf uur!
Tweemaal kwam CocoRosie terug: eerst met een geïmproviseerde kampvuurversie van “South second” en dan een sentimenteel intieme “By your side”, bepaald door de stemmenpracht van de zusjes. Eindigen in schoonheid, noemen ze zoiets…!

CocoRosie stond garant voor avontuur, durf en subtiliteit.

Support was Quinn Walker. De flower-power beweging van eind de jaren ’60 was nog niet was vergeten bij deze neo-hippie, die deel uitmaakte van het CocoRosie concept. Hij speelde psychedelische folkpop op gitaar en elektronica, en creëerde een galmend geluid door pedaaleffects en bleeps. Hij paste een vooraf opgenomen zang in op z’n hoog uithalende soms vervormde stem. Ergens tussen ‘60’s Rocky Erickson, Spiritualized, Animal Collective en Yeasayer te situeren.

Organisatie: Botanique Brussel ikv Les Nuits Bota 2008

Shawn Smith

De prachtstem van Shawn Smith

Geschreven door

Een vrij magere opkomst in Gent voor de zwaar onderschatte Shawn Smith. De man is alhier nauwelijks gekend onder zijn eigen naam. Misschien dat bands als Satchel, Brad en Pigeonhead wel ergens een lichtje doen branden, bands waar al eens de gitaren mogen loeien, maar dit concert was van een heel ander allooi.

De organisatie in de Handelsbeurs wist wel raad met het weinig talrijke publiek en had met behulp van wat theelichtjes, een rookmachine en romantische opzet van enkele stoelen en tafeltjes de zaal omgetoverd tot iets wat leek op een jazzclub uit de fifties, een geslaagde onderneming.
Smith zelf zorgde van achter zijn vleugelpiano voor de intimiteit met een hele mooie ingetogen set. Als je de man aanschouwt - hij ziet uit als een zware rapper-  zou je niet meteen gaan verwachten dat hij de meest breekbare liedjes uit zijn mouw schudt. Smith speelt aardig piano en een zeldzame keer gitaar maar het absoluut meesterlijke instrument is die fantastische stem, mooi, warm, barstend van de soul en vooral uniek. Een stem die in deze naakte set nog veel meer tot zijn recht kwam dan op diens platen.
Smith ging van start met een Brad klassieker, het adembenemende “The day brings”, een song die hij later in de set nog eens op een fijne manier zou verweven in een verbluffende versie van “Purple rain”. Wij weten het, die Prince song is al platgecoverd, maar wat Shawn Smith er mee deed was meer dan geweldig. Smith speelde een mooie greep uit zijn solo platen, afgewisseld met enkele Brad- en Satchel songs. Wij waren vooral verheugd met de vier songs die hij haalde uit ‘The Family’ van Satchel, één van ons aller favoriete platen ooit.
“Isn’t that right”, “Not too late” en “Time of the year” waren absolute pareltjes. Eén keertje maar nam hij de gitaar ter hand om er gewoonweg een schitterende bluesversie van de Mother Love Bone klassieker “Chrown of thorns” mee te spelen, ronduit prachtig. Jammer dat Smith maar één song op de gitaar speelde want op deze manier hadden er voor ons best zo nog een paar fabuleuze momenten mogen bijkomen.

Omdat de ganse set zo adembenemend was kwam er al veel te vlug een einde aan. Het was te snel voorbij, maar het staat geboekstaafd als een wondermooi concert.

Organisatie: handelsbeurs, Gent

Jamie Lidell

Jim

Geschreven door

Drie jaar na 'Multiply' heeft de Brit Jamie Lidell met 'Jim' een opvolger klaar! Het is een erg frisse en toegankelijke plaat geworden die het ongetwijfeld goed zal doen op de radio deze zomer. De huidige single “Little Bit Of Feel Good” is daar een eerste warme aanzet toe. De soulstem van Lidell komt heel erg goed uit de verf en maakt deze plaat tot een bijzonder optimistisch pareltje. De individuele geluidskunstenaar is er in geslaagd om van een retrogeluid iets futuristisch te maken.
Live laat Lidell zich begeleiden door een live-band en ook op de plaat is er merkbaar minder ruimte voor individuele improvisatie en experiment. De sporen van een minder toegankelijke voorgeschiedenis (Lidell vormde vroeger met Christian Vogel Super_Collider) zijn in het niets verdwenen. Ook de dansbare elektronica vanop 'Multiply' is wat naar de achtergrond verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor nog meer soul en… vette funk.
Feit is wel dat Lidell met deze plaat ongetwijfeld een nog ruimer publiek zal aanspreken (wie geeft hem ongelijk?).
'Jim' zal echter nooit onze favoriete Lidell-plaat worden want daarvoor heeft 'Multiply' net iets teveel indruk gemaakt. Jamie is Jim geworden, maar daarmee zijn ook de speelse improvisaties en het experimentele kattenkwaad wat naar de achtergrond verdrongen. Gelukkig komen de fans ook op dat gebied nog aan hun trekken bij het aanschouwen van een zoveelste onmisbaar eigenzinnige en telkens weer unieke liveshow (zoals onlangs nog in Maison Folie de Moulins te Lille en afgelopen week op Les Nuits Botanique).
Bericht aan de heren organisatoren: als Lidell deze zomer niet meer in België te zien is, is er slecht geprogrammeerd! Wie niet tot dan kan wachten kan zich troosten met het ijzersterke 'Multiply Additions' en uiteraard ook - begrijp ons niet verkeerd - een fantastische opvolger van 'Multiply': 'Jim'.

Pagina 916 van 963