Roots & Roses Festival 2014 – 5e editie - Alweer een schot in de roos!
Roots & Roses Festival 2014
Terrain Ancien Chemin d’Ollignies
Lessines
Het sympathieke Roots & Roses festival in het Henegouwse Lessines is al aan zijn 5e editie toe en slaagt er steeds meer in de grote festivals lik op stuk te geven door de combinatie van betaalbaar en (h)eerlijk. Junkfood en frisdrank zijn er verbannen. Enkel kwaliteitsvolle lokale producten worden aangeboden; fruitsap en water uit de regio, een lokale pils en regionale bieren zoals Cuvée des Trolls, Bush, Moinette, etc ... die je nog per fles kan kopen. Het festival heeft sinds enkele edities ook een eigen bier, La Rose. De catering is verzorgd en verfijnd, een unicum in de festivalwereld, want een vijftigtal koks verzorgen de maaltijden. Verser dan vers, lekker en zeer betaalbaar.
Dit jaar had Roots & Roses een zeer aantrekkelijk programma in elkaar geknutseld en met de peetvaders van de garagerock, The Sonics, een ideale afsluiter in huis gehaald. Het werd dan ook ondanks enkele fikse onweersbuien een geslaagde editie, al zullen onze schoenen daar waarschijnlijk enerzijds anders over denken.
Het festival startte nochtans onder een schitterende zon, toen Little X Monkeys (B) in de Rootstent mocht aftrappen. De band rond Marjorie Piret and Francois Xavier Marciat brengt sinds 2012 uitstekende bluegrass, een genre dat in dit land ondervertegenwoordigd is, gecombineerd met roots, folk en blues. De band bracht heel wat nummers uit het debuutalbum “Black Bird”; “I wanna go”, “Black Bird” en “Let’s burn it down” en vulde dit aan met de B-kant van hun 7 inch vinyl ‘Mystic River’, een schitterende cover van “Come Together” van The Beatles. De band was in een vibe toen aan de zijkant een bordje ‘Last song’ opdook en Marjorie Piret verbaast “Nee?” schudde. Ze eindigden met “Blue Moon Of Kentucky” dat Bill Monroe schreef in 1946. (D)
Het zonnetje scheen en de ligweide was terug voorzien van relax- en ligzetels die gretig ingenomen werden, het zou nog drastisch veranderen. Uit de Rosestent klonk ondertussen rock van Driving Dead Girl (B) met gitaarrifs die het publiek wilden wakker schudden. De band ontstond in 2003 en bracht in 2006 een eerste album ‘50.000 Dead Girls Can Be Wrong’ uit. 10 jaar later brengt de huidige bezetting Dimitri Rondeau (vocals) Ronald Dondez (guitar) Ruggero Catania (bas) en Vincenzo Capizzi (drums) vooral werk van het nieuwe album ‘I Think The Drums Are Good’. Scherpe gitaren die bij tijd doen denken aan Peter Pan Speedrock en Triggerfinger zorgden voor de eerste ambiance op de festivalweide. (D)
In iedere beschrijving over The Henhouse Prowlers uit Chicago, Illinois wordt steevast vermeld dat ze enkele awards gewonnen hebben. Waarop er telkens een rood lichtje bij mij begint te knipperen. Muziek in competitieverband, het doet me huiveren. Temeer daar enkele minder fortuinlijk getalenteerde artiesten tot mijn absolute favorieten behoren. Gelukkig bleef de even gevreesde demonstratie uit en kregen we een set aangename bluegrass met bijwijlen sprankelende samenzang tussen Ben Wright (banjo), Jon Goldfine (staande bas) en Dan Andree (fiddle), samen op een kluitje rond één micro. Alleen gitarist Starr Moss hield zich wat het zingen betreft wat afzijdig alhoewel ook hij één nummer voor zijn rekening nam. Bluegrass zit tegenwoordig wat in de lift en de belangstelling was dan ook meer dan behoorlijk. Dat heeft uiteraard alles te maken met ‘The Broken Circle Breakdown”’. De film heeft intussen de Amerikaanse zalen bereikt en dat was Dan Andree niet ontgaan. “Wat een deprimerende geschiedenis maar de muziek was goed” was zijn oordeel waarop er een nummer uit de soundtrack werd ingezet : “The boy who wouldn’t hoe corn”. (O)
Na de verstilde schoonheid van The Henhouse Prowlers volgde, weliswaar in de andere tent, het brute geweld van White Cowbell Oklahoma, een zootje ongeregeld uit Toronto. Een vaste bezetting heeft deze bende niet. De vaste kern bestaat uit stuntman Chainsaw Charlie wiens instrumentarium zich beperkt tot de cowbell en zanger-gitarist Clem C Clemsen die uiterlijk wat gelijkenissen vertoonde met ene JR Ewing. Samen met nog drie andere cowboys (twee gitaristen en een bassist) produceerden ze iets wat nog het best te omschrijven viel als southern boogie hardrock (te situeren in de hoek waar ook Nashville Pussy zich bevindt) maar veel te rommelig klonk om te blijven boeien. Aan spektakelwaarde was er anders geen gebrek. Clem C Clemsen sprong al vlug van het podium om het andere einde van de tent te verkennen en vriend Chainsaw Charlie stak geregeld zijn koebel in brand of haalde er vuurwerk uit met behulp van een slijpschijf. Uiteindelijk sloten ze de set, die met het verstand op nul wel te verteren viel, af met “Speed king” van Deep Purple. (O)
Aan afwisseling geen gebrek op Roots & Roses : Dom Flemons (New York City) vond dan weer zijn inspiratie in stokoude folk-, blues- en hokumsongs. De oprichter van het ook al ferm gesmaakte Carolina Chocolate Drops wist het ook moederziel alleen moeiteloos te redden, daarbij zichzelf begeleidend op gitaar, banjo, mondharmonica of ‘bones’ (stokjes die hij tussen de vingers liet klikken waarvan het geluid een beetje lijkt op castagnetten). “Arkansas” bracht hij zelfs a capella en even later kreeg hij het publiek helemaal op zijn hand toen hij zijn mondharmonica molentjes liet draaien rond zijn lippen terwijl hij er verder bleef op spelen. De entertainer in hem kwam compleet bovendrijven toen hij enkele stemmen imiteerde, waaronder Bob Dylan (“Lay lady lay”) en Dwight Yoakam. Deze aardigheidjes weerhielden Dom Flemons er niet van om een dijk van een set neer te poten die hij finaal afsloot met een song die hij eerder weigerde te spelen : het, van de “O Brother, Where Are Thou?”-soundtrack, gekende “He’s in the jailhouse now”. (O)
Ooit kocht ik de twee eerste platen van het in Toronto ontstane Big Sugar, in ‘92 en ‘93 moet dat geweest zijn. Ik was de groep totaal uit het oog verloren en nu blijkt dat de groep ondertussen een instituut geworden is in Canada terwijl er muzikaal ook een en ander veranderd is. Klonken ze in die beginperiode nog als een seventies bluesrockband dan maken ze nu een onwaarschijnlijke combinatie van harde rootsrock en reggae. Het was een niet alledaags zicht : zanger Gordie Johnson op double neck gitaar met naast hem twee rastamannen : Garry Lowe op bas en DJ Friendlyness, die ook enkele keren als toaster aan de bak kwam, op keys. Verder hadden we nog Stephane ‘Bodean’ Baudin op drums en duivel-doet-al Kelly Mr Chill Hoppe op harmonica, sax, keys en melodica. Tijdens de eerste twee nummers waren er heel wat technische problemen maar de bandleden vingen die zo flegmatiek op dat je haast ging denken dat ze er gewoon bij hoorden. Reggaesongs wisselden vlot af met meer rock georiënteerde nummers maar beide stijlen werden ook dikwijls in één en dezelfde song aan elkaar gekoppeld. Zo kwam een vettige gitaar regelmatig de wat lichtvoetige reggae meer body geven. Wat Gordie Johnson uit zijn gitaren kneep was trouwens telkens om duimen en vingers bij af te likken. Big Sugar wist me aardig te verrassen hoewel de laatste twee of drie nummers er toch een beetje teveel aan waren. (O)
Bij het zien van de affiche keek ik uit naar de The Excitements en ik was dan ook wel wat ontgoocheld toen de band door omstandighedenmoest afzeggen. Het Belgische Rusty Roots met Stefan Kelchtermans (bas), Bob Smets (gitaar), Nico Van Hove (drums) en Jan Bas (zang en gitaar) was echter een goede vervanger, die de tent, onder luid onweer en hevige regen, liet genieten van werk uit hun nieuw album ‘Your Host’. Producer van die plaat is trouwens Mario Goossens, de drummer van Triggerfinger. (D)
Hier en daar had ik gelezen dat The Dream Syndicate, naar aanleiding van haar dertigste verjaardag, hun tweede plaat ‘Medicine show’ integraal gingen spelen naar analogie met hetgeen ze vorig jaar deden met ‘The days of wine and roses’. Maar het werd een gewone (eigenlijk buitengewone) set met nummers geplukt uit al hun platen.
The Dream Syndicate moet zowat de enige band zijn die de erfenis van de ooit zo bloeiende gitaarrock scene uit de jaren ‘80 levendig houdt. En gitaren die hebben we gehoord. Zanger Steve Wynn en Jason Victor geselden hun snaren met een gretigheid die je eerder bij een jonge en pas beginnende groep verwacht. Wilde duels en spetterende solo’s, waarbij ze nooit vergaten om het strak te houden, deden ons en waarschijnlijk ook drummer Dennis Duck en bassist Mark Walton regelmatig naar adem happen.
Ongeveer halverwege de set werd mijn favoriete Dream Syndicate song “John Coltrane Stereo blues” van onder het stof gehaald. Het werd een ellenlange versie maar vervelen deed het geen seconde. Deze heerlijke pot gitaarrock, inclusief enkele stevige punkrocksongs, liet nooit vermoeden dat alles wat we hoorden reeds meer dan een kwarteeuw geleden het levenslicht zag.
Het lijkt erop dat The Dream Syndicate definitief aan een nieuw leven is begonnen want er zouden plannen zijn voor een nieuwe plaat volgend jaar. (O)
Na een break van 10 jaar zijn Fred Lani & The Healers (nieuwe bezetting met Cédric Cornez op bas en Nicolas Sand op drums) terug met een nieuw album ‘Hammerbeatmatic’ en nieuwe goesting en dat was er aan te horen. Met nummers als “Doyle The Hunter”, “The Best Thing”, “A man for a day”, “Roots and Roses” en “Like a leaf” nemen ze een beetje afstand van het strakke bluesverleden met Rock & Roll van een strak tempo en het mocht al eens luid gaan bij gitaarsolo’s. “Ready for some boogie?” vroeg Fred. Het zette in elk geval de tent op zijn kop, die mannen spelen natuurlijk ook een thuismatch. (D)
Eerst verschenen de acht keurig uitgedoste Shrines met cape op het podium om er eerst een instrumental te spelen vooraleer met veel bombast en in pure Las Vegas stijl de ster aan te kondigen. De nog steeds compleet geschifte King Khan met een indrukwekkende mantel boven de blote bast en een nog indrukwekkender verenbos op het hoofd had iets weg van een Afrikaans stamhoofd. Het was duidelijk tijd voor showtime en The Shrines hadden er ongelooflijk veel zin in (misschien iets te veel) en al na een paar nummers doken er enkele het publiek in. Leuk was het in ieder geval. Allen klonk hun garagesoul me wat te noisy. Vooral de drie blazers (2 saxen en een trompet) metselden de songs, die zo al geen hoogvliegers waren, volledig dicht. Toen die blazers het tijdens “So wild”, een song over de betreurde Jay Reatard, het wat kalmer aan deden kwam dat de sound meteen ten goede.
King Khan maakte er plots voortijdig een eind aan maar dat was enkel een voorwendsel om in een nog exuberantere uitrusting tevoorschijn te komen. Dit keer in een flashy boxershort waarin hij af en toe zijn micro opborg. Verdenk hem vooral niet van een verfijnde smaak! Maar alles bij elkaar genomen maakte deze tweede ronde nog veel goed want Khan had onmiskenbaar zijn beste nummers, zoals het psychedelisch klinkende “Born to die”, opgespaard voor de finale. Toch bleef ik de indruk hebben dat het vet een beetje van de soep is bij King Khan, die ik vroeger veel beter heb bezig gezien.
Later kwam hij nog een paar keer ongevraagd op het podium rondhossen tijdens het optreden van The Sonics. Zijn ego bleek al even gezwollen als zijn imposante buik. (O)
Van de flamboyante King Khan, naar de eerder gedistingeerde Pokey LaFarge (USA). Het verschil was groot, hoewel ook hij een kleurrijke bende, gewapend met trommel, wasbord, klarinet, sax,… op podium verzamelde. “Close The Door”, “What The Rain Will Bring”, “All Night Long” en “One Town at a Time” werden telkens onthaald op luid applaus en gejuich. Zeker toen ook Dom Flemons met zijn ‘bones’ bijviel op onder andere “The Riverboat Shufle” droop het plezier het podium af. Pokey LaFarge sloot de Rootstent af met “Show Me The Way To Go Home”. Een fantastische belevenis. (D)
Om kwart voor tien brak dan het moment aan waarop velen de hele dag hadden gewacht : rock-‘n-roll uit Tacoma, Washington met The Sonics. Het blijft een onwaarschijnlijk verhaal. Na twee uitstekende platen in de jaren ‘60 en zonder al teveel erkenning, laat staan een Europese tour, houdt de groep het voor bekeken.
In de loop der jaren worden ze door zowat de halve rockwereld op handen gedragen maar een comeback zit er, een paar mislukte pogingen niet te na gesproken, nooit in. Tot in 2007 de heren op pensioen gaan en plots alle tijd van de wereld hebben. Ze pikken de draad terug op en doen nu waar ze altijd van gedroomd hebben.
En of ze het nog kunnen? Het optreden op Roots & Roses was er weer eentje om in te lijsten. Het wonder van Sjock 2008 (één van hun eerste optredens na de comeback) werd niet herhaald maar het scheelde verdomd weinig. Vanaf de eerste noten van “Cinderella” zat het meteen goed, meteen ook de start van een wel heel onstuimige pogo vooraan. Intussen moeten de originele leden – Gerry Roslie (keys), Rob Lind (sax) en Larry Parypa (gitaar) de kaap van 70 gepasseerd zijn maar er zat nog geen spat sleet op. Ook ‘nieuwkomers’, zanger-bassist Freddie Dennis en de uitstekende drummer en oud Dick Dale-gediende Dusty Watson zijn niet meer van de jongsten maar allen blaakten van zelfvertrouwen. Zelfs de traditionele gitaarproblemen van Larry Parypa bleven dit keer uit. Er is een nieuwe plaat op komst en er werden dus veel nieuwe nummers gespeeld. Meestal worden die dan op gegeeuw onthaald, dit keer niet dus. Een nieuwe “Psycho” zat er wellicht niet tussen maar ze mochten beslist gehoord worden en wordt het nog ‘uitkijken’ naar die nieuwe plaat.
Ook hier dezelfde truc als bij King Khan : na “Psycho” wordt er veel te vroeg een einde aangemaakt om dan voor een duizelingwekkende finale terug te keren waarin de klassiekers ons om de oren vlogen. “Boss hoss”,..., “Strychnine” en als allerlaatste “The witch”.
Achteraf bleef een harde kern, tegen beter weten in, huilen om meer maar de vier lieten zich niet meer zien en lagen wellicht al aan de zuurstoffles. Maar het was mooi geweest: rock-‘n-roll op het scherp van de snee! (O)
Roots & Roses bewijst ook in 2014 dat het een vaste stek in de festivalkalender verdient en een pluim voor de organisatie die er telkens weer een topdag van maakt.
Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/roots-roses-2014/
Organisatie: Roots & Roses, Lessines