logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

The Cure
Editors

Solex

Amsterdam Throw Down King Street Showdown: nieuwe dimensie

Geschreven door

Amsterdam Throw Down King Street Showdown: nieuwe dimensie
Solex vs Cristina Martinez + Jon Spencer
Dat Jon Spencer een bezige bij is wisten we al langer dan vandaag. De man heeft nog maar net een Europese toer met Heavy Trash achter de rug en hij komt al op de proppen met nieuw werk. De inspirator van dienst was deze keer Solex aka Elisabeth Esselink.
Het indiesprookje van het meisje uit Delft dat in haar platenwinkel oude verloren geluiden via een 8 track-recorder omtoverde in geniale electropopdeuntjes met een experimentele inslag is je ondertussen misschien al bekend. Jon Spencer (Pussy Galore, The Jon Spencer Blues Explosion, recent Heavy Trash) hoeven we niemand meer voor te stellen. De wondermooie Cristina Martinez is niet alleen in het dagelijkse leven mevrouw Jon Spencer, maar ze is ook de frontvrouw van die andere indierocklegende Boss Hog.
Op dezelfde manier zoals ze zelf haar eigen muziekjes samenstelde, realiseerde Solex in een aanzienlijke periode van een paar jaar dit klein meesterwerkje. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat artiesten die blijkbaar niks met elkaar te maken hebben besluiten om samen te werken. Het verrassende aan dit samenwerkingsverband is dat deze CD geen verzameling geworden is van oersaaie overbodige remixes. Integendeel. Jon Spencer is een artiest die van veel markten thuis is, maar door de innoverende inbreng van Solex blijkt er alweer een nieuwe dimensie in de rijke carrière van de man te zijn aangebroken.
De luisteraar hoeft niet te vrezen dat de bezieler van de ‘Bloo-ze Explosion’ verloren dreigt te lopen in een verzameling van elektronische beats, want eigenlijk kun je deze CD het best linken aan de sfeer van B-films uit de jaren ‘50. Soms zou je verwachten dat er elk moment een weerwolfgedrocht uit je speakers kan kruipen, maar de luisteraar kan gerust zijn: het is Jon Spencer maar, al lijkt het erop dat hij al zijn innerlijke duivels loslaat. Het vrouwelijke gezelschap van Elizabeth en Cristina staat Jon geenszins slecht want terwijl de bluesrocklegende klinkt als een monsterachtige bariton, is het net alsof de vrouwtjes de opdracht hebben gekregen om de engeltjes van dienst te zijn.
’Amsterdam Throw Down King Street Showdown’ (leer dat van buiten!) is een zeer gevarieerde CD geworden. Ook al klinkt opener “Bon Bon” als een rommelig nummertje dat verdomd veel lijkt op een verloren gewaand Blues Explosion-nummertje, dan wordt de luisteraar al vlug verwend met een nummer als “Galaxy Man” dat zowaar de sfeer bezit van een psychedelisch Hawkwind-nummer. “R is for R-ding” zou kunnen doorgaan als een Air-bewerking, terwijl een song als “The Uppercut” lekker ouderwets klinkt omwille van de Moog. Dan heb je nog zoiets als “Appie” waarop Jon verduiveld veel lijkt op het evenbeeld van Mark E. Smith (hopelijk voor hem alleen vocaal) terwijl de meisjes als een reïncarnatie van The Supremes klinken. Het absolute hoogtepunt van deze CD is echter “Don’t hold back” dat niet zou misstaan op de soundtrack van Vampiros Lesbos.
Wie dacht dat het liedje van Jon Spencer reeds lang uitgezongen was, heeft duidelijk geen rekening gehouden met de plannen van Solex! Een tip? Wat dacht je?

The 11 th Hour

Burden Of Grief

Geschreven door

Na het passende opzoekingswerk kwam ik te weten dat de 11th Hour het soloproject is van Ed Warby, een Nederlander die we kennen van bands als Gorefest en Hail Of Bullets. Deze heer heeft het debuutalbum van dit project de naam ‘Burden Of Grief’ meegegeven.
Ja, deze Ed Warby heeft duidelijk genoeg werk gestoken in zijn album. Enerzijds heeft hij zo’n beetje alle instrumenten ingespeeld, behalve de grunts die soms eens passeren. Deze zijn verzorgd door een zekere Rogga Johnnson (bekend van o.a. Edge Of Sanity, Paganizer, Demiurg). Anderszijds is hij er in geslaagd om zes pakkende Doom songs af te leveren.
Er is gekozen voor een zwaar en donker geluid, wat toch wel een must is bij dit soort muziek.
De cleane zang van Ed Warby wordt op passende wijze afgewisseld door de grunts van Rogga Johnnson, al heb ik toch de voorkeur voor deze laatste. Ik vind de zang van Warby nu niet bepaald super, maar dit kan in smaken liggen.
Over de muziek zelf heb ik niet zo veel te zeggen. Het zijn stuk voor stuk prima Doom Metalnummers die zeker in de smaak zullen vallen bij de gemiddelde liefhebber van dit genre. Verwacht niets baanbrekends, maar verwacht ook geen slechte ‘Wannabe’ Doom Metalplaat. Voor mij is dit een meer dan geslaagd album waar ik met genoegen naar geluisterd heb, ik verwacht van andere Doom Metalliefhebbers hetzelfde.

John Hiatt

The open road

Geschreven door

Met de regelmaat van de klok maakt goeie ouwe songsmid John Hiatt (58 is ie ondertussen al) zo om de twee jaar een nieuwe plaat. De laatste jaren waren zijn werkstukjes zeer degelijk, doch niet onvergetelijk. Voor de betere Hiatt platen moeten we toch al terug naar de periode 1983 tot 1993 (‘Riding with the king’ tot ‘Perfectly good guitar’ en alles wat daar tussenin zat), maar zijn nieuwe komt weer aardig in de buurt.
Met ‘The open road’ betreedt hij geregeld de paden van de blues en dat ligt hem. Het levert een werkelijk schitterende bluessong als “Like a freigth train” op, een nummer waarop hij de eenzame hoogten haalt van het absolute meesterwerk ‘Bring the family’.
Met Doug Lancio heeft Hiatt een knappe gitarist in huis die aardig overweg kan met de slide gitaar en hiermee behoorlijk zijn stempel drukt op de hele plaat. Fijne rockers als “My baby” en “What kind of man” worden op die manier door een bedrijvige Lancio lekker voort gestuwd.
Rustiger gaat het er aan toe in de onvermijdelijke typische Hiatt ballads “Homeland” en “Fireball roberts”, zeer herkenbaar maar ook heel mooi.
‘The Open Road’ is gewoon een oerdegelijk John Hiatt album geworden , wat wil zeggen dat er aan de hoge verwachtingen voldaan is en dat springerige Arctic Monkeys of Yeah Yeah Yeahs fans het ding niet echt zullen aanschaffen. John Hiatt is immers zo hip als een baal stro.

Titus Andronicus

Monitor

Geschreven door

Als Bruce Springsteen wat meer aan de Guinness zou zitten en zijn inmiddels seniele E Street Band zou vervangen door een bende jonge punks, dan zou het resultaat waarschijnlijk klinken als deze nieuwe plaat van Titus Andronicus. De band zit mee in het clubje van The Hold Steady en The Gaslight Anthem, ook twee frisse rockgroepen die de energie van Springsteen overgenomen hebben maar niet de pathos.
Daar waar de debuutplaat ‘The airing of grievances’ nog een rauwe punk kopstoot was, is ‘Monitor’ een stuk breder en ambitieuzer opgevat. Die gasten hebben er geen probleem mee om strijkers, blazers, fiddles, een piano en zelfs een doedelzak (jawel, een doedelzak!) in hun powervolle sound binnen te loodsen (The Pogues en Flogging Molly hangen geregeld in de buurt) en de nummers stijgen in een viertal gevallen boven de zeven minuten uit. Afsluiter “The battle of Hampton Roads” steekt hierin met zijn volle 14 minuten de hoofdvogel af, en ’t is een verdomde motherfucker van een song. Vaak wordt het geweer in één en dezelfde song van schouder gewisseld, in “A pot in which to piss” en “Four score and seven” (allebei kanjers van meer dan zeven minuten) levert dit telkens een knap staaltje strijdlustige, gebalde en emotievolle rock op. Punk en dramatiek gaan hand in hand bij Titus Andronicus, en dat is maar weinig bands gegeven. We vinden er toch wel eentje, The Replacements, de vergelijkingen met Paul Westerberg’s groep zijn dan ook niet uit de lucht gegrepen.
Qua strijdvaardige punk menen wij ook een snuif Stiff Little Fingers te herkennen. U merkt het, ’t zijn alleen maar goeie dingen die ons voor de geest komen. Geweldige plaat.

Arid

Under the cold street lights

Geschreven door

Het Gentse Arid gaf in 2008 nieuw teken van leven met de cd ‘All things come in waves’. Na de succesvolle eerste twee platen ‘Little things of Venom’ (’99) en ‘All is quiet now’ (‘02) nam de band een break, maakte Jasper een solo uitstap, maar werd ook genekt en moest langdurig herstellen van toxoplasmose.
Ondanks het feit dat de vorige cd weinig nieuws onder de zon bracht en een goede afwisseling bood van poprock en ballads, gedragen door Jasper’s vocale capriolen, behielden ze de Vlaamse fans en wonnen zieltjes in Wallonië en Frankrijk. De band werd in ieders armen gesloten; het werd een happy return aan het muzikale front dus.
Het tot een trio gereduceerde Arid, Steverlinck – Du Pré - Van Havere verbaast nu toch wel met hun vierde plaat. ‘Under the cold street lights’ versmelt de eerste twee platen tot één en zorgt ervoor dat hun derde cd een handig tussendoortje werd. Inderdaad het is een meesterlijke nieuwe plaat, een forse stap voorwaarts in hun oeuvre, zoals het al eerder moest zijn. De sound is steviger, venijniger, smeriger en grauwer, zonder aan melodie in te boeten; de songs hebben een onderhuidse spanning, zijn intens broeierig, slepend, gedreven en het ballad gehalte is tot een minimum herleid. Ook de toetsen krijgen een prominente rol en de dubbele zanglijnen betekenen een meerwaarde. Opener “Flood” zet meteen de nieuwe toon van Arid; “Come on”, “All that’s here is all that’s left” en “Custom gold” zijn snedige rockers. “Seven odd years” en “Mindless” zijn Aridsongs als vanouds. En op “Broken dancer” hoor je Arid in z’n meest alternatieve vorm. Variatie en veelzijdigheid troef dus, wat zorgt dat het een erg overtuigende cd is geworden.

Kevin Coyne

I want my crown : The Anthology 1973-1980

Geschreven door

Wij zijn nu al een tijdje zoet met met ‘I want my crown : The anthology 1973-1980’, het ultieme overzicht van het eerste decennium van Kevin Coyne’s carrière, verzameld in 4 CD’s oftewel 76 tracks, alstublieft. Bijna allemaal eigen materiaal trouwens, een zeldzame cover van John Lee Hooker niet nagelaten.
Het is een beetje met het schaamrood op de wangen dat wij deze compilatie tot ons nemen, de man heeft immers in 2004 op 60 jarige leeftijd al het loodje gelegd, en wij vinden het nu doodjammer dat we de muziek van deze zwaar onderschatte singer/songwriter niet tijdens zijn leven van naderbij verkend hebben. Het miskend genie Coyne is overigens nooit echt een bestseller geweest, hij is helemaal niet rijk geworden van zijn muziek en, niet te vergeten, van zijn kunst (de man was tevens een fervent dichter en kunstschilder en maakte niet zelden zijn eigen hoesontwerpen). Zijn rijkdom zat duidelijk in zijn werk, niet in zijn portefeuille.
Ook leuk om weten : Kevin Coyne werd ooit gevraagd om de plaats in te nemen van de morsdode Jim Morrison bij The Doors. Hij bedankte vriendelijk, zijn uitleg achteraf : “I didn’t like the leather trousers” .
Tot op heden vond je enkel ‘Marjory Razorblade’ in onze cd collectie, een meesterwerk uit ’73 met daarop zijn enige hit “Marlene” (uiteraard hier ook van de partij), wij schamen ons nog geen klein beetje. De welgekomen nieuwe compilatie is dus onze kans (en ook de uwe) om, helaas postuum, nog één en ander goed te maken. En voor die enkele fans die alles al hadden (bestaan ze echt ?): cd nr 4 bestaat voornamelijk uit onuitgegeven en zeer energieke live opnames waarin Coyne de blues en de rock’n’roll naarstig bedrijft, dus ook zij mogen dit werk aanschaffen.
We ontdekken op ‘I want my crown’ het ene na het andere pareltje. En we gaan die pareltjes niet verklappen zie, want wij vinden dat u ze nu maar zelf eens moet opsporen. U zal daarvoor beloond worden met een rijkdom aan songs, ruwe diamantjes waarvan u niet wist dat ze bestonden.
Kevin Coyne’s roots liggen duidelijk in de blues, maar hij weet ook raad met pure rock’n’roll, glamrock, soul, folk, jazz en zelfs een verdwaalde streep oerpunk. Hij doet dat allemaal op zijn eigen manier en vaak ook in boeiende vertelstijl, met die typische scherpe stem die zich ergens schuil houdt tussen Screamin’ Jay Hawkins, Captain Beefheart, David Thomas (Pere Ubu), Ozzy Osbourne en een verkouden berggeit. Een unieke stem dus die vaak doordrongen is van felle emoties en rauwe agressie (en helaas ook van de drank, Coyne mocht zichzelf na jarenlang geflirt met allerhande soorten vochtige substanties een heuse alcoholist noemen). Drankorgel of niet, hij kan als geen ander volledig opgaan in zijn grillige, rauwe en vaak naakte songs (denk bij wijze van voorbeeld aan jonge zot Joe Cocker die met de nodige spasmen zichzelf destijds in Woodstock een weg baande doorheen “With a little help from my friends”). Coyne liet zich ook steeds omringen door talentrijke muzikanten, onder wie ene Andy Summers die in een later leven bij het bescheiden groepje The Police zijn heil ging zoeken en daarbij een decadent meervoud verdiende van zijn oorspronkelijke karige loontje. Maar hoe goed die muzikanten ook klinken, in quasi alle songs is het Kevin Coyne zelf die de aandacht naar zich toe trekt en de rest mee op sleeptouw neemt in zijn eigen unieke universum.
‘I want my crown’ is een mooie staalkaart van de veelzijdigheid van Kevin Coyne’s muziek, variërend van primitieve rock’n’roll naar mooie intimiteit tot soms experimentele gekte. Een prachtig overzicht van een bewogen carrière ver weg van de glitter en glamour.
Dit is nota bene nog maar een overzicht tot 1980, daarna heeft ie nog zo een vijftiental platen gemaakt. Werk aan de winkel.

Customs

Enter The Characters

Geschreven door

Customs bestormde vorige zomer de hitlijsten als Attila de Hun met het nummer “Rex”. De band was tot daarvoor nagenoeg onbekend, en tot onze grote vreugde bleek het dan ook nog eens om een Belgische band uit het Leuvense te gaan. Customs is ontstaan uit het ter ziele gegane Larsson die nooit echt een doorbraak heeft kunnen forceren.
De stijl van het album ‘Enter The Characters’ is simpelweg als wave/postpunk uit te drukken. Interpol en Editors zijn nooit ver weg bij het beluisteren van het album. Zo klinkt de stem van zanger Kristof Uittebroek als twee druppels water op die van Paul Banks (Interpol). Het grootste verschil met die andere is dat ze beduidend minder somber zijn, zowel in teksten als in muziek.
”Rex” is niet de enige reden waarom dit album de moeite waard is. Tweede single “Justine” staat als een huis, net zoals andere strakke en catchy songs als onze persoonlijke favoriet “Shut Up Narcissus”, “Tonight We All Stand Out”, “We Are Ghosts” en “The Matador”.
Echt vernieuwend is Customs niet, maar ze zetten wel een puike prestatie neer met elf klinkende songs. Helemaal niet slecht en zeker eentje om in het oog te houden.

Sivert Høyem

Moon landing

Geschreven door

Met Madrugada zal het nu wel echt gedaan zijn. Na het plotse overlijden van gitarist Robert Buras toerde de band nog even met een vervanger om de knappe plaat ‘Madrugada’ van 2008 te promoten, maar daarna viel het doek definitief over de band.
Zanger Sivert Hoyem startte hierop een nieuwe band en zette de teller terug op nul. Hij had eerder al twee solo platen gemaakt, doch deze bleken geen onvergetelijke werkstukjes te zijn, zeer zeker niet in vergelijking met de voortreffelijke albums van Madrugada. De huidige nieuwe plaat komt toch al wat beter voor de dag, het is er eentje waarop Sivert Hoyem duidelijk ander horizonten opzoekt, zodanig dat hij niet eeuwig blijft opgescheept zitten met het Madrugada spook. Van bij de eerste noten van de fraaie opener “Belorado” zou je denken dat je naar The Who aan het luisteren bent, alsof Hoyem er meteen paal en perk wil aan stellen dat hij wel eens wat anders wil. Dingen als “Lost at sea” en “Empty house” neigen naar REM en de geest van Jim Morrison waart rond in ”Shadows high Meseta”, mede dankzij een steeds heter wordende gitaarrif één van de hoogtepunten van deze plaat. Nog een favoriet is de knappe sleper “Sister sonic blue” waarin de duistere sporen van Hoyem’s oorspronkelijke band wel terug opduiken.
De algemene teneur op ‘Moon landing’ is opgewekter, minder donker en de sound gaat meer richting classic poprock. Toch is het nog altijd heel herkenbaar en dat heeft natuurlijk alles te maken met die warme melancholische stem, Hoyem’s belangrijkste troef, zo blijkt ook nu weer.

Pagina 404 van 468